Facetten van het Boeddhisme



naar Index

5.2.5.3. Udana  

1. Bodhi-vagga;  2. Mucalinda-vagga;  3. Nanda-vagga; 4. Meghiya-vagga; 5. Sonathera-vagga;  6. Jaccadha-vagga;  7. Cula-vagga;  8. Pataligama-vagga

Enkele teksten uit het Udana en het commentaar erop:   Ud.1.1;  Ud.1.5;  Ud.1.9;  Ud.1.10;  Ud.4.1;  Ud.5.1;  Ud.8.1-4;  Ud.8.6;      Geraadpleegde bronnen


Udāna


Het Udāna bestaat uit acht vaggas (secties) met in totaal 80 udānas. Dit zouden korte uitspraken zijn van de Boeddha of van zijn voornaamste discipelen. Die uitspraken zijn meestal in versvorm. Aan elke uitspraak (udāna) gaat vooraf een verslag of verhaal in proza van de omstandigheden waarin de betreffende uitspraak is gedaan.1

Teksten van deze collectie zijn ontleend aan de Khandaka. Het Udana moet daarom zijn samengesteld ná het 2e concilie.2

Het is een open vraag of de meeste van deze udānas werkelijk authentieke woorden van de Boeddha zijn. De meeste van deze uitspraken zijn mogelijk de originele woorden van de Boeddha zelf of van zijn discipelen. De uitspraken zijn ongetwijfeld ouder dan de verhalen waarmee ze verbonden zijn. Misschien zijn enkele ervan vanaf het begin geassocieerd met het verhaal. Maar bij de meerderheid ervan moet de samensteller het verhaal hebben aangepast of zelf hebben uitgedacht en dan met de oude uitspraak hebben samengevoegd.3


De acht secties zijn:4


1. Bodhi-vagga. Deze sectie beschrijft bepaalde gebeurtenissen nà de Verlichting van de Boeddha. Hierin is o.a. de beroemde toespraak tot Bāhiya waarin de nadruk gelegd wordt op leven in het tegenwoordige moment.


2. Mucalinda-vagga. Deze sectie is genoemd naar de slangenkoning (nāga) die de Boeddha beschermde met zijn slangenkap.


3. Nanda-vagga. Deze sectie bevat aansporingen tot de Sangha. Er is ook de leerrede waarin de Boeddha zijn halfbroer Nanda ervan overtuigt dat het wereldlijk bestaan leeg is.


4. Meghiya-vagga. Deze sectie is genoemd naar de eerste leerrede ervan. Meghiya negeert het advies van de Boeddha en gaat terug naar een mango bos om er te mediteren. Maar weldra wordt zijn geest bestormd met ongezonde gedachten. Hij keert naar de Boeddha terug die hem verteld dat vijf factoren ontplooid moeten worden door iemand met een onontwikkelde geest. Die vijf factoren zijn: goede vriendschap, deugdzaam gedrag, heilzaam taalgebruik, vastbeslotenheid en inzicht. In deze sectie staan ook de verhalen over Sundarī en over de eerwaarde Sāriputta toen die door een yakkha werd aangevallen.


5. Sonathera-vagga. In deze sectie o.a. het bezoek van koning Pasenadi aan de Boeddha, de leerrede tot de melaatse Suppabuddha, de uitleg van de acht eigenschappen van de Sāsana en het eerste jaar van het leven als monnik van Sona.


6. Jaccandha-vagga. Deze sectie bevat o.a. de zinspeling van de Boeddha op zijn parinibbana, het tweegesprek met Pasenadi, en het verhaal van de koning die blindgeborenen een olifant liet betasten en beschrijven. Een voorbeeld van gedeeltelijke verwerkelijking van de waarheid.


7. Cūla-vagga. Hierin staan kleinere episoden hoofdzakelijk over individuele monniken.


8. Pātaligāma-vagga. In deze sectie staat o.a. de welbekende definitie van Nibbāna als zijnde ongeboren, niet ontstaan, niet geschapen, niet samengesteld. Ook is er het verhaal over de laatste maaltijd van de Boeddha en zijn aansporing tot de eerwaarde Ānanda over de goudsmid Cunda. Erin staat eveneens het verhaal over het bezoek aan Pātaligāma waar de Boeddha de vijf voordelen van het voeren van een zuiver leven en de vijf nadelen van het tegendeel uiteenzette.



Enkele teksten uit het Udana en het commentaar erop.


Ud. 1.1.

Te Uruvela zat de Boeddha zeven dagen aan de voet van de Bodhi boom in het genot van de zaligheid van de bevrijding. Op het einde van die periode sprak hij:

"Wanneer de waarheid duidelijk wordt aan de vurig mediterende brahmaan [de Boeddha], verdwijnen alle twijfels omdat hij het oorzakelijk ontstaan van alles begrijpt."



Ud. 1.5.

Eens vertoefde de Verhevene te Savatthi in het park van Anathapindika. Toen gingen de eerwaarden Sâriputta, Mahâ Moggallâna, Mahâ Kassapa, Mahâ Kaccâyana, Mahâ Kotthita, Mahâ Kappina, Mahâ Cunda, Anuruddha, Revata, Devadatta en Ânanda naar de Boeddha toe. Deze zag hen van verre naderbij komen. Toen zij bij hem waren, zei hij: "Monniken, hier komen brahmanen."

Na deze woorden vroeg een monnik die tot de kaste van de brahmanen behoord had, aan de Boeddha in hoeverre iemand een brahmaan is en welke eigenschappen iemand tot brahmaan maken.

Het antwoord van de Boeddha luidde: "Degenen die al het kwaad hebben ontzegd, die steeds bezonnen zijn, die de boeien hebben verbroken en die verlicht zijn, zij zijn de brahmanen in deze wereld." 5


Hieruit zou men de gevolgtrekking kunnen maken dat bovengenoemde eerwaarde monniken allemaal ware brahmanen waren, dat zij allemaal volmaakte heiligen waren. Maar Devadatta had toen zeker niet dat niveau van heiligheid bereikt. Dat Ânanda toen al volmaakt heilig was, is uit het bovenstaande niet op te maken.



Ud.1.9. Zuiverheid

Dat zuiverheid, reinheid, heiligheid niet verkregen wordt door wassing met water, maar door een juiste levenswijze, toont het volgende.


Bij een zekere gelegenheid vertoefde de Gezegende nabij Gayā. Daar was ook een groot aantal asceten. In de koude winternachten, gedurende een week vóór en een week na volle maan, doken zij in het water. Ook brachten zij brandoffers. Zij dachten dat zij op die manier zuiverheid kregen. De Verhevene zag al die asceten zo bezig en bij die gelegenheid sprak hij het vers:

“Niet door water is men zuiver, al nemen velen hier ook een bad. Diegene is zuiver en een brahmaan, in wie waarheid is en Dhamma.”



Ud.1.10

“Als de heilige in diepe, stille uren van gedachten de waarheid achterhaalt, dan is hij vrij van vreugde en van leed, en van vorm en vormloze staten eveneens. Waar water, aarde, vuur en lucht geen post vatten, daar branden geen lichtende sterren, noch schijnt er de zon. En de maan schijnt er niet met haar schitterende stralen. Maar het tehuis van de duisternis is daar niet.”



Ud. 4.1

“Waarneming van niet zelf bereikt het punt waarop de waan verdwijnt van ‘ik ben’; en dat verdwijnen van die waan is de uitdoving (Nibbāna) hier en nu.”



Ud. 5.1

Koninging Mallikā was de hoofdvrouw van koning Pasenadi. Zij was de dochter van een guirlanden-maker te Sāvatthi. Op zekere dag keerde zij terug van de bazaar met een cake. Die wilde zij in de bloementuin opeten. Maar zij zag de Verhevene met zijn gevolg aankomen op zijn tocht voor bedelspijs. Uit devotie gaf zij hem de cake. Op verzoek van de Verhevene spreidde de eerwaarde Ānanda een oppergewaad uit waarop de Verhevene ging zitten en de cake nuttigde. De Boeddha zei toen glimlachend dat als gevolg van die daad Mallikā nog diezelfde dag de hoofdvrouw van de Kosala-koning zou worden.

De koning was toen verslagen in een strijd tegen zijn neef te Kāsigāma.6 Hij kwam in de stad terug en ging de bloementuin binnen om er te wachten op een deel van de strijdkrachten. Toen Mallikā zag dat hij de koning was, verzorgde zij hem goed. De koning liet haar vader komen en maakte haar tot zijn hoofdvrouw.

Op een dag vroeg de koning wie haar het dierbaarst was. Hij dacht dat zij hem zou noemen. Maar haar antwoord was dat niemand anders haar dierbaarder was dan zij zelf. Zij bedoelde dat men alles doet uit eigenbelang. En op haar beurt vroeg zij aan de koning of hem iets dierbaarder was dan hem zelf.7

De koning ging toen naar de Boeddha toe, vertelde wat er gebeurd was, en kreeg als antwoord:

"Wanneer men met de geest alle richtingen doorkruist, dan vindt men niemand die dierbaarder is dan zichzelf. Evenzo houdt iedereen zichzelf het dierbaarste. Daarom moet iemand die zichzelf liefheeft, een ander geen schade toebrengen. (Ud. V.1)8



Ud. 8.1-4.

       Eens verbleef de Gezegende te Savatthi, in het park van Anathapindika. Bij die gelegenheid onderwees hij de monniken met een leerrede over Nibbāna. En die monniken luisterden vol aandacht en met open oren naar de leer; mentaal namen zij alles op. De woorden van de Verhevene luidden:

“Monniken, er bestaat die toestand waarin noch aarde is noch water, noch vuur noch lucht. Daarin is noch de sfeer van oneindige ruimte noch van oneindig bewustzijn noch van niet-heid noch van noch-bewust-noch-niet-bewust-zijn. Daarin is noch deze wereld noch een wereld aan gene zijde noch beide samen, noch maan en zon. Monniken, van daar is er geen wording tot geboorte, zo verklaar ik. Daarheen is geen gaan (vanuit leven); daarin is geen duur; van daar is geen vallen; daar is geen ontstaan. Het is niet iets dat bevestigd is, het beweegt niet verder, het is niet op iets gebaseerd. Waarlijk, dat is het einde van lijden.”

En hij vervolgde met de woorden: “Moeilijk is het oneindige te zien; waarheid is niet iets gemakkelijks om waar te nemen; begeerte is doorstoken door hem die weet; voor hem die ziet, blijft er niets over.”

En verder sprak hij: “Monniken, er is een ongeboren, een niet-ontstaan, ongeschapen, niet-samengesteld iets. Monniken, indien dat ongeborene, niet-ontstane, ongeschapene, niet-samengestelde er niet was, zou een ontsnapping vanuit dit hier wat geboren, ontstaan, geschapen, samengesteld is, niet waarneembaar zijn.”9

En hij eindigde met de woorden: “Voor degene die zich vasthecht, is er wankelen; voor degene die zich niet vasthecht, is er geen wankelen. Als er geen wankelen is, is er kalmte. Als er kalmte is, is er geen zich neigen. Als er geen neiging is, is er geen komen-en-gaan (naar geboorte). Als er geen komen-en-gaan is, is er geen sterven-en-wedergeboorte. Als er geen sterven-en-weder-geboorte is, is er geen ‘hier’ of ‘ginds’ noch iets tussen die twee. Dit waarlijk is het einde van lijden.”



Ud. 8.6.

Eens ging de Verhevene op weg naar Pātaligāma10 samen met een grote gemeenschap van monniken. Toen kwam het de toegewijde mensen van Pātaligāma ter ore: “Het schijnt dat de Verhevene te Pātaligāma is aangekomen.” En zij kwamen naar de Verhevene toe, groetten hem vol eerbied, gingen terzijde neerzitten en spraken hem toe met de woorden: “Heer, moge het de Verhevene behagen om ons rusthuis te bezoeken.”11 Door zijn zwijgen stemde de Gezegende toe.

      Toen zij zagen dat de Verhevene toestemde, stonden de toegewijde mensen van Pātaligāma van hun zitplaatsen op. Zij groetten de Verhevene vol eerbied en gingen, met hun rechter zijde naar hem toegewend, naar het rusthuis. Zij maakten de zaal ervan gereed door de vloer ervan helemaal te bedekken. Zij maakten zitplaatsen klaar en stelden water en een olielamp gereed. Nadat zij dit hadden gedaan, keerden zij naar de Verhevene terug, groetten hem vol eerbied en gingen naast hem staan. Daarna deelden zij hem mede: “Heer, de zaal is gereed, de vloer ervan is helemaal bedekt. Zitplaatsen zijn klaargemaakt en water en een olielamp zijn gereed gezet. Heer, nu is het tijd voor de Verhevene om te doen wat hij passend vindt.”

En de Verhevene maakte zich gereed, nam zijn nap en oppergewaad en begaf zich naar de zaal samen met de gemeenschap van monniken. Hij waste zijn voeten,12 betrad de zaal en ging dicht bij de middenzuil zitten, met het gelaat naar het oosten gewend. Ook de monniken betraden, na hun voeten gewassen te hebben, de zaal en gingen zitten nabij de westelijke muur, met het gezicht naar het oosten, zodat de Verhevene voor hen was. En de toegewijde mensen van Pātaligāma betraden, na hun voeten gewassen te hebben, de zaal en gingen neerzitten nabij de oostelijke muur, met het gezicht naar het westen, zodat de Verhevene voor hen was.

Daarop sprak de Verhevene de toegewijde mensen van Pātaligāma aldus toe: “Gezinshoofden, de immorele mens ontmoet door zijn gebrek aan deugdzaamheid vijf gevaren: a) groot verlies van rijkdom door zijn onoplettendheid; b) een slechte reputatie; c) een verlegen houding, een verstoord gedrag en gebrek aan zelfvertrouwen in elk gezelschap, zij het dat van edelen, priesters, gezinshoofden of asceten; d) een dood in verbijstering; en e) bij het verval van het lichaam, na de dood, wedergeboorte in een sfeer van ellende, in een ongelukkige staat, in de lagere wereld, tot zelfs in de hel. Maar, gezinshoofden, vijf zegeningen komen tot een oprecht mens door zijn uitoefening van deugdzaamheid: a) grote toename van rijkdom door zijn ijver; b) een gunstige reputatie; c) een zelfverzekerd gedrag zonder verlegenheid in elk gezelschap, zij het dat van edelen, priesters, gezinshoofden of asceten; d) een onverstoorde dood; en e) bij het verval van het lichaam, na de dood, wedergeboorte in een gelukkige staat, tot zelfs in een hemelse wereld.”

En de Verhevene besteedde een groot deel van de nacht met het onderrichten van de toegewijde mensen van Pātaligāma in de leer. Hij wekte hen op, stichtte en verblijdde hen. Daarna zond hij hen weg met de woorden: “De nacht is ver voortgeschreden, gezinshoofden; handelt nu zoals jullie passend vinden.” – “Ja, Heer.”

En de toegewijde mensen van Pātaligāma stonden van hun zitplaatsen op, groetten de Verhevene vol eerbied en vertrokken, met hun rechter zijde naar hem toegewend. En weldra na hun vertrek trok de Verhevene zich terug in afzondering.

Op die tijd lieten Sunīdha en Vassakāra, de hoofdministers van Magadha,13 een vesting bouwen te Pātaligāma ter verdediging tegen de Vajjis. En in grote aantallen, in duizendtallen, hadden godheden14 bezit genomen van plaatsen15 te Pātaligāma. Nu oefenen godheden van grote macht zo’n invloed uit op de geesten van ambtenaren van grote macht,16 dat dezen er gebouwen laten oprichten. En waar godheden van middelmatige macht overheersen, daar oefenen zij zo’n invloed uit op de geesten van ambtenaren van middelmatige macht, dat dezen er gebouwen laten oprichten. En waar godheden van mindere macht overheersen, daar oefenen zij zo’n invloed uit op de geesten van ambtenaren van mindere macht, dat dezen er gebouwen laten oprichten.17

En met het hemelse oog dat zuiver is en dat het vermogen van mensen te boven gaat, zag de Verhevene die godheden in duizendtallen te Pātaligāma. Voordat de nacht was verstreken, stond hij bij het ochtendgloren op en sprak tot de eerwaarde Ānanda aldus: “Ānanda, wie is bezig met het oprichten van een vesting te Pātaligāma?” – “Heer, Sunīdha en Vassakāra, de hoofdministers van Magadha, zijn bezig met het bouwen van een vesting te Pātaligāma ter verdediging tegen de Vajjis.” – “Ānanda, het is alsof Sunīdha en Vassakāra overleg hadden gepleegd met de goden van de Drieëndertig.18 Want Ānanda, ik zie met het hemelse oog dat zuiver is en dat het menselijke vermogen te boven gaat, een groot aantal godheden, in duizendtallen. Die godheden hebben bezit genomen van plaatsen te Pātaligāma. In de streek waar godheden van grote macht overheersen, daar zijn ambtenaren van grote macht geneigd tot het oprichten van gebouwen. En waar godheden van middelmatige macht overheersen, daar zijn ambtenaren van middelmatige macht geneigd tot het oprichten van gebouwen. En waar godheden van geringe macht overheersen, daar zijn ambtenaren van geringe macht geneigd tot het oprichten van gebouwen. Waarlijk, Ānanda, van alle plaatsen van edelen19 en van alle handelscentra zal deze vesting de belangrijkste stad zijn,20 met naam Pataliputta.21 Maar Ānanda, ze zal bedreigd worden door drie gevaren: vuur, water en onenigheid.”22

Toen begaven Sunīdha en Vassakāra zich naar de Verhevene, groetten hem hoffelijk en wisselden vele aangename woorden. Zij gingen terzijde staan en spraken tot de Verhevene aldus: “Moge het de eerwaarde Gotama behagen om samen met de gemeenschap van monniken onze uitnodiging voor de maaltijd van morgen aan te nemen.” En door zijn zwijgen stemde de Verhevene toe.

Toen zij zagen dat de Verhevene toestemde, vertrokken Sunīdha en Vassakāra naar hun eigen verblijven. Daar lieten zij uitgelezen voedsel, harde en zachte spijzen klaarmaken. En toen het tijd was, deelden zij de Verhevene mede: “Het is tijd, eerwaarde Gotama; de maaltijd is gereed.”

Daarop maakte de Verhevene zich in de voormiddag gereed, nam zijn nap en gewaad en begaf zich, samen met de gemeenschap van monniken, naar het verblijf van Sunīdha en Vassakāra. Daar ging hij op de voor hem gereedgemaakte zitplaats neerzitten. En Sunīdha en Vassakāra bedienden zelf de gemeenschap van de monniken met aan het hoofd de Boeddha. En zij dienden hen uitgelezen voedsel op, harde en zachte spijzen. Toen de Verhevene zijn maaltijd had beëindigd en zijn hand van zijn nap had weggenomen, namen zij lagere zitplaatsen en gingen terzijde neerzitten. En de Verhevene dankte hen met deze strofe:

     

      “Waar een wijs mens ook moge verblijven,

      laat hij er zorgen voor degenen die deugdzaam zijn,

      die vol zelfbeheersing het goede leven leiden.

      En wanneer hij aan deze waardige personen gaven heeft geschonken,

      deelt hij zijn verdienste met de lokale godheden.

      En aldus geëerd, eren zij op hun beurt hem weer

      en zijn hem goedgunstig gezind,

      juist zoals een moeder is jegens haar eigen, haar enige zoon.

En degene die aldus door de goden geliefd is en hun gunst geniet,

ziet steeds geluk.”23

naar boven
______


Geraadpleegde bronnen


An, Yang-Gyu (tr.): The Buddha's Last Days : Buddhaghosa's Commentary on the Mahâparinibbâna Sutta. Transl. by Yang-Gyu An. Oxford : PTS, 2003.


Gombrich, Richard F.: How Buddhism Began : The Conditioned Genesis of the Early Teachings. London: The Athlone Press, 1996. (Jordan Lectures in Comparative religion XVII).


Ireland, John D. (Transl). The Udana. Inspired Utterances of the Buddha. Kandy: BPS, 1990.


Kashyap, Bhikkhu J. (Gen. Ed.): The Khuddakapātha - Dhammapada - Udāna - Itivuttaka - Suttanipāta (Khuddhakanikāya. Vol. I). [s.l.]: Pāli Publication Board (Bīhar Government), 1959. (Nālandā-Devanāgarī-Pāli-Series).


Malalasekera, G.P.: Dictionary of Pāli Proper Names. London: PTS, 1974. (Vol. I & II).


Masefield, Peter (transl.): The Udāna Commentary (Paramatthadīpanī nāma Udānatthakathā) by Dhammapāla; transl. from the Pāli by Peter Masefield. Vol. II. Oxford 1995, Vol. II.


Ñanamoli, Bhikkhu: The Life of the Buddha According to the Pali Canon. Kandy 1978


Neumann, Karl Eugen (Übers.): Also sprach der Erhabene. Eine Auswahl aus den Reden Gotamo Buddhos. Zürich (etc) : Artemis, 1962.


Norman, K.R.: Pâli Literature, including the Canonical Literature in Prakrit and Sanskrit of all the Hînayâna Schools of Buddhism. Wiesbaden: Harrassowitz, 1983. (A History of Indian Literature, Vol. 7, Fasc. 2).


Schneider, Ulrich: Einführung in den Buddhismus. Darmstadt: Wissenschaftliche Buchgesellschaft, 1980.


Thomas, Edward J.: The Life of Buddha as Legend and History. (repr.) New Delhi: Munshiram Manoharlal Publ., 1992. (Reprint of 3rd red. (revised), publ. 1949, London).


Webb, Russell (ed.): An Analysis of the Pali Canon, being the Buddhist Scriptures of the Theravada School. Edited by Russell Webb. Kandy: BPS, 1975. The Wheel No. 217/220, With a Bibliography.


Winternitz, Maurice: A history of Indian Literature. Vol. II : Buddhist Literature and Jaina Literature. A new authoritative English translation by V. Srinivasa Sarma. (revised ed.). Delhi (etc.): Motilal Banarsidass, 1983. Orig. titel: Winternitz, Moritz: Geschichte der indischen Literatur. Band II. (1913)


Ud.-a = Udāna Commentary

naar boven


1Kashyap 1959, p. xiii; Webb 1975, p. 31; Winternitz 1983, p. 81; Thomas 1992, p. 273.

2Gombrich, Richard F.: How Buddhism Began : The Conditioned Genesis of the Early Teachings. London 1996, p. 43.

3Winternitz 1983, p. 82; Norman 1983, p. 61.

4Webb 1975, p. 31-32.

5Winternitz 1929, p. 86-87.

6Kāsigāma was een dorp dat aan Bimbisāra werd gegeven door Pasenadi’s vader Mahākosala, toen Bimbisāra diens dochter trouwde. Het dorp kwam weer in het bezit van Pasenadi toen Ajātasattu Bimbisāra opvolgde op de troon. Het dorp kwam weer terug toen Ajātasattu Pasenadi’s dochter Vajirā trouwde. (Ud-a II, p. 796 noot 6; zie ook Malalasekera, DPPN I, p. 593)

7Ud.-a II. V.1, p.729-731

8Bron: Karl Eugen Neumann (Übers.): Also sprach der Erhabene. Eine Auswahl aus den Reden Gotamo Buddhos. Zürich (etc) : Artemis, 1962, p. 407; Ireland, The Udana.

9vergelijk ook Itivuttaka 43, met nagenoeg gelijkluidende woorden.

10Pātaligāma was de hoofdstad van Magadha, gelegen nabij het huidige Patna. (An 2003, p. 51-52, noot 5).

11Rusthuis: Naar men zegt kwamen de aristocraten van Ajātasattu en die van de Licchavi koningen van tijd tot tijd samen te Pātaligāma en verdreven de bewoners van die plaats uit hun woningen. Zij bleven er dan een halve tot een hele maand en dat bracht veel ongemak voor de gezinnen. Daarom besloten de bewoners van Pātaligāma een grote hal te bouwen in het centrum van de stad. Die hal moest groot genoeg zijn dat iedereen er kon verblijven zonder anderen te storen. Een deel van de hal was bestemd om de goederen van de aristocraten op te slaan. Een ander deel ervan was om er te wonen. Weer een ander deel was voor reizigers op doortocht, en een ander deel was voor arme mensen. Een ander gedeelte van de hal was voor de zieken. De naam van die hal was “het rusthuis”. Aldus het commentaar van Dhammapāla en ook van Buddhaghosa. (Masefield, Peter (transl.): The Udāna Commentary (Paramatthadīpanī nāma Udānatthakathā) by Dhammapāla; Vol. II. Oxford 1995, Vol. II, p. 1035-1036; en An 2003, p. 52).

Volgens Dhammapāla was dat rusthuis juist klaar op de dag dat de Verhevene aankwam. De bewoners van Pātaligāma vonden het een grote eer als de Verhevene als eerste in hun rusthuis vertoefde. Daarom gingen zij naar de Boeddha toe en nodigden hem uit om het rusthuis te bezoeken. (Masefield 1995, Vol. II, p. 1036). Volgens Buddhaghosa vroegen zij dit omdat zij dachten dat de Boeddha niet graag midden in een dorp of stad wilde vertoeven. (An 2003, p. 52).

12Volgens Dhammapāla was het wassen van de voeten niet nodig omdat stof en zweet nooit de voeten van de Verhevene bezoedelen. (Masefield 1995, Vol. II, p. 1044).

13Zij waren twee brahmanen. (An 2003, p. 57; Masefield 1995, Vol. II, p. 1051).

14Volgens Gnanarama is aan te nemen dat de oorsprong van deze alinea dateert uit de eerste 100 jaren na het overlijden van de Boeddha. Het geloof in goden is pre-boeddhistisch. In het Kannakatthala sutta (M. 90) zegt de Boeddha dat goden bestaan. (Zie o.a. Neumann 1922, Bd. II, p. 641-655; hierin vooral p. 650-653). In het Ratana sutta (Sn. 222-238) is uitdrukkelijk gezegd dat de goden diegenen zullen beschermen die dag en nacht offergaven aan hen brengen. (Gnanarama 1997, p. 133, 140-142, 146).

15Volgens Buddhaghosa heeft ‘plaatsen’ hier de betekenis van: ‘huizen’. (An 2003, p. 57).

16De eerwaarde Ñanamoli vertaalde: ‘koningen en ministers’. (Ñanamoli, Bhikkhu: The Life of the Buddha According to the Pali Canon. Kandy 1978, p. 296).

17Er was (en is) het populaire geloof dat goede en slechte goden bezit kunnen nemen van huizen. Deze ‘kwakzalver’-wetenschap wordt vaak in de leerreden veroordeeld. (An 2003, p. 57, noot 11). Buddhaghosa merkte op dat mensen die deskundig zijn in het bepalen van een goede plek voor de bouw van huizen door godheden of door geesten beïnvloed worden. Of godheden nemen bezit van hun lichaam en beïnvloeden hun gedachten. (An 2003, p. 57-58). Het commentaar van Dhammapāla is dat het gemoed van degenen die bekwaam waren in de kennis van het vaststellen van gunstige woonplaatsen ernaar neigden om woonplaatsen te ontwerpen voor de koning en zijn hoofdministers. Zij wisten welke plaats bezet was door nāgas, welke door yakkhas, en welke plaats bezet was door ongelukkige geesten. Zij waren ook bekend ermee of er een rots was of de stomp van een boom. Een andere uitleg van Dhammapāla is dat devatās het lichaam van de deskundigen binnentreden en hun harten ertoe laten neigen om op een bepaalde plaats gebouwen te ontwerpen. Devatās doen dat om de volgende reden: Wanneer mensen plannen maken voor een woonplaats, laten zij eerst de Orde van de monniken neerzitten en laten hen een gunstige zegening uitspreken. De godheden zien dan wie een goede moraal heeft en horen een Dhamma-toespraak. De mensen geven aalmoezen en dragen de verdiensten ervan op aan de godheden. (Masefield 1995, Vol. II, p. 1051-1052).

18Volgens Dhammapāla’s commentaar deed het gerucht de ronde dat de goden van de Drieëndertig wijs waren dankzij Sakka, de koning van de goden, en dankzij Vissakamma. (Masefield 1995, Vol. II, p. 1052). Vissakamma was de goddelijke architect en kunstenaar. (Masefield 1995, Vol. II, p. 1112 noot 572).

19Ariyas.

20De tekst van de voorspelling van de Boeddha dat Pātaligāma een grote toekomst zou krijgen, moet stammen uit de tijd dat Pataliputra reeds een grote stad was. Dit moet dan de vroege Maurya-tijd zijn. (Schneider 1980, p.46)

21Pātaligāma betekent: ‘plaats van Pātali’; Pātaliputta wordt door het commentaar als volgt uitgelegd: putta stamt af van ‘puta’ = doos. Het heeft vermoedelijk betrekking op het openbarsten van de zaaddoos van de Patali-bloem. Het dorp Pātaligama veranderde zijn naam in Pātaliputta bij de bouw van een nieuwe stad (thans Patna). Later werd die plaats bekend als de hoofdstad van Asoka’s keizerrijk dat ontstaan was uit het koninkrijk van Magadha. (Ñanamoli 1978, p. 360-361, noot bij p. 296).

22Commentaar van Dhammapāla: een deel van de stad zal door vuur verwoest worden dat door de inwoners niet gedoofd kan worden. De Ganges zal een ander deel overstromen. En een derde deel zal verloren gaan door interne onenigheid. (Masefield 1995, Vol. II, p. 1053). Volgens An moet deze voorspelling zijn opgeschreven nadat Pātaligāma verwoest was. (An 2003, p. 60 noot 2).

23 Hier wordt men verzocht gaven te geven aan de deugdzamen en de verdiensten ervan op te dragen aan de goden. Dit gebruik gaat terug tot pre-boeddhistische tijden. Oorspronkelijk werd geld gegeven of een gave aan de priester als beloning voor zijn diensten. Nog tijdens het leven van de Boeddha veranderde dit. Benodigdheden voor monniken werden aangeboden en de verdiensten ervan werden opgedragen aan de overleden verwanten of aan de goden. (Gnanarama p. 150-151). De eerwaarde Dr. Talawe Sangharata Thero, hoofd van de Pitaramba Tempel te Bentota, Sri Lanka, wees erop (brief van 28-06-1995) dat er goddelijke sferen zijn die dicht bij de menselijke sfeer zijn. Als wij verdiensten aan hen overdragen, worden zij nog gelukkiger. Zij vermijden moeilijkheden die door geesten over ons gebracht kunnen worden.