Facetten van het Boeddhisme



naar Index

5.2.5.4. Itivutthaka


Ekaka-nipāta, Duka-nipāta, Tika-nipāta; Catukka-nipāta.

Enkele teksten uit het Itivuttaka - It.1-13. Niet-wederkeer;  It.14-15. Hindernissen;  It.26. Geven;  It.32. Naar de hel;  It.33. Naar de hemel;  It.43. Het ongeborene;  It.44. Twee soorten van Nibbana;  It.48. Naar de hel;  It.60. Verdienste; It.64. Wangedrag;  It.65. Goed gedrag;  It.69. Op vaste grond;  It.87. Heilzame gedachten;  It.98. Twee soorten gaven.


Itivuttaka

      De naam Itivuttaka betekent: “Zo is het gezegd.” Alle suttas van dit boek beginnen met die woorden. In het Itivuttaka is hetzelfde idee zowel in proza als in vers verteld. Het schijnt dat het proza een verklaring is van de verzen. Het werk bestaat uit 112 korte stukken. Volgens het commentaar zijn de suttas verzameld door de vrome vrouwelijke lekendiscipel Khujjutāra, een dienares aan het koninklijk paleis te Kosambi. Zij had het eerste niveau van heiligheid bereikt en bekeerde de vrouwen van het paleis. Wat zij van de Boeddha leerde, herhaalde zij later. Zo zou het Itivuttaka zijn ontstaan. Het is verdeeld in vier nipātas of collecties die handelen over de ethische leer van de Boeddha.1 Die vier nipātas zijn: Ekaka-nipāta, Duka-nipāta, Tika-nipāta en Catukka-nipāta.


Ekaka-nipāta. Deze collectie is verdeeld in drie secties (vaggas). Begeerte, kwaadwil, illusie, toorn, wrok, hoogmoed, onwetendheid, vurig verlangen, tweespalt, liegen, gierigheid worden er veroordeeld. En oplettendheid, omgang met de wijze, eendracht, geestelijke vrede, geluk, vlijt, edelmoedigheid en liefdevolle vriendelijkheid worden er geprezen.2


Duka-nipāta. Deze collectie is verdeeld in twee secties (vaggas). Toegelicht wordt er dat men waakzaam moet zijn wat betreft de zintuigen en dat men gematigd moet zijn met eten. Eveneens worden er toegelicht bekwame daden, gezonde gewoontes en juiste inzichten, kalmte en afzondering, schaamte en vrees, de twee soorten van Nibbāna en de deugden die verkregen worden door een energiek ascetisch leven.3


Tika-nipāta. Deze collectie is verdeeld in vijf secties (vaggas). Omschreven worden er factoren die drievoudig zijn: slechte grondslagen, elementen, gevoelens, verlangens, smetten, etc. En verkondigd wordt er het ideale leven van een monnik.4


Catukka-nipāta. In deze collectie wordt de nadruk gelegd op factoren die viervoudig zijn: benodigdheden voor een monnik, de vier edele waarheden, etc. Eveneens wordt er benadrukt dat een monnik zuiverheid van geest moet cultiveren.5

      Een groot deel van het 4e nipata schijnt ontleend te zijn aan passages elders in de canon. Dit doet vermoeden dat deze collectie later is toegevoegd.6


Enkele teksten uit het Itivuttaka


It.1-13. Niet-wederkeer

It.1. Begeerte, hevig verlangen moet afgelegd worden. Dan is niet-wederkeer (anâgamitâ) te verwachten.

Vol inzicht legt de wijze begeerte af. Wie vol inzicht zich heeft ontdaan van begeerte, zal niet meer tot deze wereld terugkeren.


It.2. Haat, hevige afkeer moet afgelegd worden. Dan is niet-wederkeer te verwachten.

Vol inzicht legt de wijze haat af. Wie vol inzicht zich heeft ontdaan van haat, zal niet meer tot deze wereld terugkeren.


It.3. Onwetendheid, waan moet afgelegd worden. Dan is niet-wederkeer te verwachten.

Vol inzicht legt de wijze onwetendheid af. Wie vol inzicht zich heeft ontdaan van onwetendheid, zal niet meer tot deze wereld terugkeren.


It.4. Toorn moet afgelegd worden. Dan is niet-wederkeer te verwachten.

Vol inzicht legt de wijze toorn af. Wie vol inzicht zich heeft ontdaan van toorn, zal niet meer tot deze wereld terugkeren.


It.5. Huichelarij moet afgelegd worden. Dan is niet-wederkeer te verwachten.

Vol inzicht legt de wijze huichelarij af. Wie vol inzicht zich heeft ontdaan van huichelarij, zal niet meer tot deze wereld terugkeren.


It.6. Verwaandheid, eigendunk (mâna) moet afgelegd worden. Dan is niet-wederkeer te verwachten.

Vol inzicht legt de wijze verwaandheid af. Wie vol inzicht zich heeft ontdaan van verwaandheid, zal niet meer tot deze wereld terugkeren.


It.7. Wanneer men het "alles"7 niet herkent en niet precies begrijpt, en wanneer de geest zich er niet van ontzegt, zich er niet van losmaakt, dan is men niet in staat tot vernietiging van lijden. Maar herkent en begrijpt men het "alles", dan is men in staat tot vernietiging van lijden.

Wie het alles alzijdig herkent en geen behagen meer schept in alle dingen (attha), die is waarlijk ontkomen aan alle lijden, omdat hij het alles precies heeft begrepen.


It.8. Wanneer men verwaandheid, eigendunk niet herkent en precies begrijpt, en wanneer de geest zich er niet van ontzegt, zich er niet van losmaakt, dan is men niet in staat tot vernietiging van lijden. Maar herkent en begrijpt men verwaandheid, eigendunk, dan is men in staat tot vernietiging van lijden.

Bezeten door verwaandheid, eigendunk, is dit geslacht, geboeid door eigendunk. En dit geslacht heeft zijn lust in het steeds weer geboren worden.8 Wie eigendunk niet grondig herkent, zal tot nieuwe geboorte komen. Maar wie eigendunk heeft afgelegd en vrij ervan is, die is, als overwinnaar van de boei van eigendunk, aan alle lijden ontkomen.


It.9. Wanneer men de begeerte niet precies herkent en begrijpt, en wanneer de geest haar niet ontzegt, zich er niet van ontdoet, dan is men niet in staat tot vernietiging van lijden.

De begeerte door welke de wezens de euvele weg gaan, deze begeerte leggen wijzen af, haar volledig herkennend. En na zich ervan ontdaan te hebben, keren zij nooit meer in deze wereld terug.

It.10. Wanneer men de haat niet precies herkent en begrijpt, en wanneer de geest hem niet ontzegt, zich er niet van ontdoet, dan is men niet in staat tot vernietiging van lijden.

De haat door welke de wezens de euvele weg gaan, deze haat leggen wijzen af, hem volledig herkennend. En na zich ervan ontdaan te hebben, keren zij nooit meer in deze wereld terug.


It.11. Wanneer men de onwetendheid niet precies herkent en niet begrijpt, en wanneer de geest hem niet ontzegt, zich er niet van ontdoet, dan is men niet in staat tot vernietiging van lijden.

De onwetendheid door welke de wezens de euvele weg gaan, deze onwetendheid leggen de wijzen af, hem volledig herkennend. En na zich ervan ontdaan te hebben, keren zij nooit meer in deze wereld terug.


It.12. Wanneer men de toorn niet precies herkent en begrijpt, en wanneer de geest hem niet ontzegt, zich er niet van ontdoet, dan is men niet in staat tot vernietiging van lijden.

De toorn door welke de wezens de euvele weg gaan, deze toorn leggen de wijzen af, hem volledig herkennend. En na zich ervan ontdaan te hebben, keren zij nooit meer in deze wereld terug.


It.13. Wanneer men de huichelarij niet precies herkent en begrijpt, en wanneer de geest haar niet ontzegt, zich er niet van ontdoet, dan is men niet in staat tot vernietiging van lijden.

De huichelarij door welke de wezens de euvele weg gaan, deze huichelarij leggen de wijzen af, haar volledig herkennend. En na zich ervan ontdaan te hebben, keren zij nooit meer in deze wereld terug.


It.14-15. Hindernissen


It. 14. Ik zie geen andere hindernis (nivarana) door welke de wezens lange tijd de kringloop van wedergeboorten doorlopen, dan de hindernis van onwetendheid.9

Maar wie zich van de verblinding10 hebben ontdaan en de duisternis hebben doorbroken, zij dolen niet meer verder; hun oorzaak is niet meer te vinden.11


It.15. Ik zie geen andere boei12 door welke de wezens lange tijd de kringloop van wedergeboorten doorlopen, dan de boei van de begeerte.13

Nadat hij het ontstaan van de begeerte als lijden heeft ingezien, moge die bezonnen discipel, vrij van begeerte en zonder te hechten, een zuiver leven leiden.


It.26. Geven - Dāna Sutta

De Boeddha sprak: "Als de wezens het loon voor het verdelen van gaven zouden kennen zoals ik, dan zouden zij niets genieten zonder iets ervan gegeven te hebben; en de smet van gierigheid zou hun hart niet omsponnen houden. Zelfs de laatste hap, de laatste brok zouden zij niet genieten zonder daarvan uit te delen indien zij een ontvanger ervoor hadden. Maar omdat de wezens het loon voor het uitdelen van gaven niet zo kennen zoals ik, daarom genieten zij ook zonder iets gegeven te hebben; en de smet van de gierigheid houdt hun hart omsponnen.


Als, zoals de Grote Ziener zegt,

het loon van het geven van gaven

en hoe groot de vrucht ervan is,

aan de wezens bekend was,


dan vermeden zij de smet van gierigheid

en gaven zij met heel opgewekt gemoed

aan de edelen, wanneer het passend was,

daar waar de vrucht het grootste is.


Degenen die rijkelijk voedsel gaven,

een offer voor de waardigen,

die mensen gaan na de dood

als gevers naar de hemel.

In de hemel verheugen zij zich

in het wensgenot van het loon

van degene die gaven gaf,

omdat zij hier niet gierig waren.


It. 32. Naar de hel

Als iemand twee dingen heeft, dan wordt hij wedergeboren in de hel. Die twee dingen zijn: slecht gedrag en een verkeerd inzicht.


It. 33. Naar de hemel

Iemand met twee dingen wordt wedergeboren in de hemel. Die twee dingen zijn: goed gedrag en een juist inzicht.


It.43. Het ongeborene

Monniken, er is een ongeboren, ongeschapen, niet-ontstane en ongevormde sfeer. Indien zo'n sfeer er niet zou zijn, dan was een ontkomen aan wat geboren, geschapen, veroorzaakt en gevormd is, niet mogelijk. Maar omdat die sfeer er is, daarom is er ook een ontkomen aan het geborene, gevormde, geschapene, veroorzaakte.


It.44. Twee soorten van Nibbana

Er zijn twee soorten van Nibbana, namelijk: de soort an Nibbana met een rest van betrekkingen en de soort van Nibbana zonder een rest van betrekkingen.

Wat is de soort van Nibbana met een rest van betrekkingen? - Een monnik is een heilige, die de neigingen heeft vernietigd, die het werk heeft verricht, die de last heeft afgelegd, die het eigen heil heeft bereikt. De boei van bestaan is bij hem volledig uitgedroogd, hij is in volmaakte wijsheid uitgedoofd. Zijn vijf vaardigheden zijn rotsvast, en onbeïnvloedbaar wordt hij het aangename en het onaangename gewaar, ervaart hij wel en wee. De uitdroging van begeerte, haat en waan bij hem, dat noemt men de soort van Nibbana met een rest van betrekkingen.

Wat nu is de soort van Nibbana zonder een rest van betrekkingen? - Een monnik is een heilige, die de neigingen heeft vernietigd, die het werk heeft verricht, die de last heeft afgelegd, die het eigen heil heeft bereikt. De boei van bestaan is bij hem volledig uitgedroogd, hij is in volmaakte wijsheid uitgedoofd. Wanneer diens totale waarneembaarheid waaraan hij geen enkel genoegen meer heeft, hier al koel kan worden, dan noemt men dat de soort van Nibbana zonder een rest van betrekkingen.

Dit zijn de twee soorten van Nibbana.



Twee soorten van Nibbana zijn hier uitgelegd door degene die ziet, vast en onberoerd:

de ene soort bestaat in dit leven nog met een rest van betrekking, maar de ader van bestaan is uitgedroogd.

De soort die vrij is van een rest van betrekkingen, ligt aan gene zijde waar al het worden tot bestaan volledig ontwijkt.

Wie heeft ingezien wat niet geschapen is, die is bevrijd, vrij van de ader van bestaan; wie de kern van de dingen heeft bereikt, zich verheugende in de vernietiging van verlangen, hij heeft alle zijn opgegeven.


It. 48. Naar de hel

De volgende twee personen zullen naar een staat van ellende gaan, naar de hel als zij hun gedrag niet opgeven. Het is de persoon die voorgeeft een heilig leven te leiden en het is de persoon die iemand anders die het heilige leven in volledige zuiverheid voert, er vals van beschuldigd dat leven niet te leiden.

Degene die iemand vals beschuldigt, gaat naar de hel.

En ook degene die de daad die hij deed ontkent.


It.60. Verdienste - Puññakiriyavatthu Sutta

De volgende drie dingen zijn een basis voor verdienste, namelijk:

het geven is een basis voor verdienste;

de deugdzaamheid is een basis voor verdienste;

de wijsheid is een basis voor verdienste.


Oefent u in verdienste,

in de beste vaardigheid naar welzijn.


Ontwikkel geven, juist gedrag

en een liefdevol gemoed.


Wie deze drie dingen koestert

die enkel met welzijn gezegend zijn,

hij of zij komt als wijze daardoor

in een veilige wereld die vol welzijn is.


It. 64. Wangedrag

Er zijn drie soorten wangedrag, namelijk: verkeerd gedrag in daad, woorden en gedachten.

Als men slecht gedrag heeft uitgevoerd in daden, woorden en gedachten, en als men geen goede daad heeft gedaan, dan wordt men wedergeboren in de hel.


It. 65. Goed gedrag

Er zijn drie soorten goed gedrag, namelijk goed gedrag in daden, woorden en gedachten.

Als men slecht gedrag in daden, woorden en gedachten heeft opgegeven,

en als men geen slechte daad heeft gedaan, dan zal men na de dood wedergeboren worden in de hemel.


It.69. Op vaste grond

“Wie zich vrijgemaakt heeft van begeerte, afkeer en onwetendheid, die heeft deze zee met haar haaien en demonen en met het gevaar van de golven overgestoken, deze zee die zo moeilijk is over te steken. Hij is aan de andere oever aangekomen, staat op vaste grond.”


It.87. Heilzame gedachten

“Er zijn drie heilzame gedachten waardoor wijsheid vermeerderd wordt, waardoor weten ontstaat. Die drie heilzame gedachten leiden naar Nibbāna. Het zijn:

1) De gedachte van reinheid; het vrij zijn van de lust van de zinnen.

2) De gedachte van welwillendheid; het vrij zijn van kwaadwil.

3) De gedachte van ontzien; het vrij zijn van geweld doen.

Wie deze drie gedachten koestert, brengt zijn denken dat vroeger rondzwierf, tot rust zoals de regen het stof verwijdert. Degene in wie het denken tot rust kwam, heeft reeds in dit leven de plaats van de Vrede bereikt.”


It.98. Twee soorten gaven.

Er zijn twee soorten gaven, namelijk materiele gave en de gave van de leer. Van deze twee is de gave van de leer de hoogste.

Er zijn twee soorten hulp, namelijk de materiele hulp en de hulp van de leer. Van deze twee is de hulp van de leer de hoogste.


De gave die men de hoogste, onvergelijkbaar noemt,

het geven dat door de Verhevene geprezen is,

wie wil niet graag, geheel tevreden met dit veld,

als wijze, kenner te passender tijd zo offeren?


Degenen die beide doen, praten en ook luisteren,

tevreden in het hart met de goed uitgelegde leer,

ernstig in de goed uitgelegde leer,

zij zuiveren zich tot het hoogste heil.

naar boven



Bronnen


Ireland, John D. (Transl). The Itivuttaka. The Buddha's Sayings. Kandy: BPS, 1991.


Masefield, Peter. (Transl). The Itivuttaka. Oxford: PTS, 2000. (Sacred Books of the Buddhists, Vol. XXXVIII).


Seidenstücker, Karl (Übers). Itivuttaka: Das Buch der Herrnworte. Eine kanonische Schrift des Pali-Buddhismus. Moers [s.a].


Woordword, F.L. (Transl). The Minor Anthologies of the Pali Canon. Part II. Udana: Verses of Uplift and Itivuttaka: As it was said. London: PTS, 1985. (reprint).


https://www.accesstoinsight.org/tipitaka/kn/iti/iti.2.042-049x.irel.html#iti-044 (by John D. Ireland)

naar boven



1Kashyap 1959, Kh.I, p. x, xv; Webb 1975, p. 32.; Winternitz 1983, p. 86; Thomas 1992, p. 273; Norman 1983, p. 62.

2Webb 1975, p. 32.

3idem.

4Webb 1975, p. 32-33.

5Webb 1975, p. 33.

6Norman 1983, p. 63.

7 "Wat is het alles? - Oog en vormen, oor en geluiden, neus en wat geroken kan worden, tong en proefbare dingen, lichaam en tastbare dingen, denken en gedachten - dat noemt men het alles." (S.XXXV.23)

8Steeds weer geboren worden (bhava) : Het Boeddhisme kent geen blijvend, onveranderlijk Zijn, maar slechts een ontstaan-veranderen-vergaan, dus een eeuwig worden. De verschijnselen hier zijn niets anders dan veranderende processen die ontstaan en vergaan. Dit worden geschiedt in drie sferen: in de sfeer van de zinnen, in de sfeer van vormen, in de vormloze sfeer.

9Vgl. Ud.1. 1-3; D.33; .2; It. 56-57.

10Zie over onwetendheid (avijja) en verblinding (moha) ook Dhp. 390 en Dhp. 1061.

11d.w.z. alle factoren die naar een nieuw bestaan voeren, zijn afgesneden, zijn niet meer aanwezig.

12Boei = samyojana; zie A.X.13 over de tien boeien.

13Tanha, letterlijk: dorst.