Facetten van het Boeddhisme


naar Index

10.1. De vier grondslagen van oplettendheid: Satipatthana sutta
herzien in 2026

Copyright ©  2021 / 2564

Het is toegestaan om elektronisch of in gedrukte vorm fragmenten van deze compilatie of de compilatie in zijn geheel over te nemen voor eigen gebruik, of ook met als doel ze met anderen te delen, uitsluitend voor gratis verspreiding en zonder commercieel oogmerk.

Inleiding

Deel I.

De leerrede over de grondslagen van oplettendheid

De oorsprong van de toespraak

De vier grondslagen van oplettendheid

Het beschouwen van het lichaam

Oplettendheid bij het ademhalen

De lichaamshoudingen

De soorten van helder begrip

Het overdenken van de walgelijkheid van het lichaam

Het nadenken over de elementen

De lijk-contemplatie

Het beschouwen van gevoelens

Het beschouwen van de geest

Het beschouwen van geestelijke objecten

De vijf hindernissen

De vijf groeperingen van hechten (khandha)

De zes inwendige en de zes uitwendige zintuiglijke grondslagen (ayatana)

De zeven factoren van Verlichting (bojjhanga)

De vier edele waarheden

Verzekering van succes

Deel II

Bespreking van de leerrede over de vier grondslagen van oplettendheid

Het begin van heilzame dingen

Zuivere deugdzaamheid

Rechtlijnige visie

Verkeerde wegen

     De vier grondslagen van oplettendheid

Helder bewust

1. Het beschouwen van het lichaam

Oplettendheid bij het ademhalen

De lichaamshoudingen

De soorten van helder begrip

Het overdenken van de walgelijkheid van het lichaam

Het nadenken over de elementen

De uiteenzetting van de elementen

[Het aarde-element]

[Het water-element]

[Het vuur-element]

[Het wind-element]

[Het ruimte-element]

De lijk-contemplatie

2. Het beschouwen van gevoelens

3. Het beschouwen van de geest

4. Het beschouwen van geestelijke objecten

De vijf hindernissen

  1. Zintuiglijke verlangens
  2. kwaadwil
  3. traagheid en starheid
  4. rusteloosheid en gewetenswroeging
  5. twijfel

Voedsel voor en het te boven komen van de vijf hindernissen

De zes elementen van ontkomen

De vijf groeperingen van hechten (khandha)

  1. materiële vorm
  2. gevoel
  3. gewaarwording
  4. geestelijke formaties
  5. bewustzijn

De zes inwendige en de zes uitwendige zintuiglijke grondslagen (ayatana)

  1. het oog en vormen
  2. het oor en geluiden
  3. de neus en geuren
  4. de tong en smaken
  5. het lichaam en tastbare objecten
  6. de geest en geestelijke objecten

De zeven factoren van Verlichting (bojjhanga)

   de verlichtingsfactor van oplettendheid

   de verlichtingsfactor van het onderzoeken van de verschijnselen

   de verlichtingsfactor van energie

   de verlichtingsfactor van enthousiasme

   de verlichtingsfactor van kalmte

   de verlichtingsfactor van concentratie

   de verlichtingsfactor van gelijkmoedigheid

De vier edele waarheden

Verzekering van succes

Samenvatting

Deel III. Methoden om onheilzame gedachten te verdrijven

Tot besluit

Geraadpleegde bronnen

De vier grondslagen van oplettendheid

Satipatthana

Inleiding

        In de zevende week na de Verlichting kwam bij de Boeddha de volgende gedachte op: “Het pad van de vier grondslagen van oplettendheid is een pad dat slechts in één richting leidt: naar de zuivering van wezens, naar het te boven komen van verdriet en geweeklaag, naar het bereiken van het ware doel, de verwerkelijking van Nibbāna. Die vier grondslagen zijn: de beschouwing van het lichaam, de beschouwing van de gevoelens, de beschouwing van de geest, en de beschouwing van mentale objecten.” (S.47.18).

        Bij andere gelegenheden zei de Verhevene eveneens dat de grondslagen van oplettendheid rechtstreeks naar Nibbana leiden, dat zij een rechtlijnige weg zijn voor zuivering van de wezens, om leed en gejammer te overwinnen, om pijn en droefenis te beëindigen. (S.47.1 en S.47.18)

        De beoefening van de grondslagen van oplettendheid behoort tot een van de elementen van de Verlichting (bodhipakkhiya-dhamma) (A.I.35)

        Wanneer de vier grondslagen van oplettendheid worden ontplooid en ontwikkeld, leiden ze naar onthechting, naar opheffing, naar tot rust komen, naar overzicht, naar ontwaking, naar Nibbana.

        Wie met de vier grondslagen van oplettendheid begint, die is begonnen met het edele achtvoudige pad naar de volledige opheffing van lijden. Als de vier grondslagen van oplettendheid worden ontplooid en ontwikkeld, leiden ze van deze oever naar de andere oever. (S.47.32-34)

Maar wie de vier grondslagen van oplettendheid verwaarloost, verwaarloost ook het edele pad dat leidt naar de vernietiging van lijden. (S.52.1.)

        Diegenen met wie jullie medelijden hebben en van wie jullie menen dat ze zullen luisteren, jullie vrienden en kennissen, familieleden en verwanten, die moeten door jullie aangespoord, versterkt en gevestigd worden in de ontplooiing van de vier grondslagen van oplettendheid. (S.47.48)

        

        Wie de vier grondslagen van oplettendheid ten dele heeft ontplooid, is iemand die nog oefent.

        Wie de vier grondslagen van oplettendheid volledig heeft ontplooid, is klaar met oefenen. (S.47.26-27)

        Niet alleen volgelingen die pas beginnen, maar ook de volmaakte heiligen beoefenen de vier grondslagen van oplettendheid. (S.47.4)

        Wie de vier grondslagen van oplettendheid ontplooit en ontwikkelt, krijgt een groot overzicht. Men kan dan lage eigenschappen als laag onderkennen, middelmatige als middelmatig en voortreffelijke als voortreffelijk. (S.52.3)

        Bij het beoefenen van de grondslagen van oplettendheid beschouwt men de wet van ontstaan, beschouwt men de wet van vergaan, beschouwt men de wet van ontstaan-vergaan.

        De procedure die naar ontwikkeling ervan leidt, is het edele achtvoudige pad.[1] (S.47.40)

Eerst is hier de leerrede over de vier grondslagen van oplettendheid volledig opgenomen. Daarna volgt de bespreking van die leerrede, gevolgd door een samenvatting van de grondslagen van oplettendheid. Tot slot methoden om onheilzame gedachten tijdens het mediteren te verdrijven.

Deel I.

De leerrede over de grondslagen van oplettendheid [2]

De oorsprong van de toespraak 

        Eens verbleef de Gezegende in het land van de Kurus, nabij de marktplaats Kammāsadamma. Daar sprak hij de monniken als volgt toe:

        "Monniken, dit is de weg die rechtstreeks leidt naar de zuivering van de wezens,[3] voor het te boven komen van verdriet en gejammer, voor het tenietdoen van lichamelijk en geestelijk lijden, de weg waarmee men rechtstreeks het juiste pad kan bereiken, waarmee men nibbāna kan verwerkelijken, namelijk de vier grondslagen van oplettendheid.

De vier grondslagen van oplettendheid

        Wat zijn die vier grondslagen?

Er zijn vier grondslagen van oplettendheid. Men waakt bij het lichaam over het lichaam. Men doet dat onvermoeibaar, helder bewust, oplettend, na het overwinnen van wereldse begeerte en droefenis.  

 

Men waakt bij de gevoelens over de gevoelens. Men doet dat onvermoeibaar, helder bewust, oplettend, na het overwinnen van wereldse begeerte en droefenis.  

Men waakt bij het bewustzijn over het bewustzijn. Men doet dat onvermoeibaar, helder bewust, oplettend, na het overwinnen van wereldse begeerte en droefenis.

Men waakt bij de geest over de geest. Men doet dat onvermoeibaar, helder bewust, oplettend, na het overwinnen van wereldse begeerte en droefenis.

Men waakt bij de geestformaties over de geestformaties. Men doet dat onvermoeibaar, helder bewust, oplettend, na het overwinnen van wereldse begeerte en droefenis.

Het beschouwen van het lichaam

En hoe beschouwt een monnik voortdurend het lichaam bij het lichaam?  

Oplettendheid bij het ademhalen

Hij gaat naar het bos, naar de voet van een boom of naar een lege plek, en gaat er zitten, met gekruiste benen.[4] Hij houdt het lichaam rechtop en oplettend richt hij zijn aandacht op het meditatie-object, namelijk de adem die voor hem is.

        Oplettend ademt hij in en oplettend ademt hij uit. Hij beseft, wanneer hij lang inademt: 'Ik adem lang in,' of hij beseft, wanneer hij lang uitademt: 'Ik adem lang uit.' Of hij beseft, wanneer hij kort inademt: ' Ik adem kort in’, of hij beseft, wanneer hij kort uitademt: 'Ik adem kort uit.'

'Het hele proces van ademen gewaarwordend, zal ik inademen’, zo oefent hij zich. 'Het hele proces van ademen gewaarwordend, zal ik uitademen’, zo oefent hij zich. 'De activiteit van het ademhalingsproces kalmerend, zal ik inademen’, zo oefent hij zich. 'De activiteit van het ademhalingsproces kalmerend, zal ik uitademen’, zo oefent hij zich.

Juist zoals een bekwaam draaier of draaiersleerling lang draait en beseft: 'Ik draai lang,' of kort draait en beseft: 'Ik draai kort,' evenzo, monniken, beseft een monnik, wanneer hij lang inademt: ' Ik adem lang in’, of wanneer hij kort inademt, beseft hij: ' Ik adem kort in. ' Of wanneer hij lang uitademt, beseft hij: ' Ik adem lang uit’, of wanneer hij kort uitademt, beseft hij: 'Ik adem kort uit.'

        Hij oefent zich met de gedachte: 'Het hele proces van ademen gewaarwordend, zal ik inademen’, en hij oefent zich met de gedachte: 'Het hele proces van ademen gewaarwordend, zal ik uitademen.' Hij oefent zich met de gedachte: 'De activiteit van het proces van ademen kalmerend, zal ik inademen’, en hij oefent zich met de gedachte: 'De activiteit van het proces van ademen kalmerend, zal ik uitademen.'

        Zo beschouwt hij voortdurend het lichaam bij het lichaam inwendig,[5] of hij beschouwt voortdurend het lichaam bij het lichaam uitwendig,[6] of hij beschouwt voortdurend het lichaam bij het lichaam zowel inwendig als uitwendig.

        Hij beschouwt voortdurend het ontstaan van het proces van ademen, of hij beschouwt voortdurend het vergaan van het proces van ademen.[7] Of hij beschouwt voortdurend zowel het ontstaan als het vergaan van het proces van ademen. Of zijn oplettendheid is werkelijk gevestigd met de gedachte: 'Het proces van ademen bestaat,' juist zoveel als nodig is voor inzicht en oplettendheid.

        En hij leeft onafhankelijk[8] en hecht aan niets in de wereld.[9]

       Aldus beschouwt een monnik voortdurend het lichaam bij het lichaam.

De lichaamshoudingen

        En verder beseft een monnik, wanneer hij gaat: 'Ik ga.' Wanneer hij staat, beseft hij: 'Ik sta.' Wanneer hij zit, beseft hij: 'Ik zit.' Wanneer hij neerligt, beseft hij: 'Ik lig neer.' Of juist zoals zijn lichaamshouding is, zo beseft hij ze.

        Zo beschouwt hij voortdurend het lichaam bij het lichaam inwendig, of hij beschouwt voortdurend het lichaam bij het lichaam uitwendig, of hij beschouwt voortdurend het lichaam bij het lichaam zowel inwendig als uitwendig.

        Hij beschouwt voortdurend het ontstaan van de houdingen van het lichaam, of hij beschouwt voortdurend het vergaan van de houdingen van het lichaam. Of hij beschouwt voortdurend zowel het ontstaan als het vergaan van de houdingen van het lichaam. Of zijn oplettendheid is werkelijk gevestigd met de gedachte: 'Het lichaam bestaat,' juist zoveel als nodig is voor inzicht en oplettendheid.

        En hij leeft onafhankelijk en hecht aan niets in de wereld.

        Aldus beschouwt een monnik voortdurend het lichaam bij het lichaam.

De soorten van helder begrip

        En verder beoefent een monnik helder begrip bij het voorwaarts gaan en bij het achteruit gaan. Hij beoefent helder begrip bij het recht vooruit kijken en bij het zijwaarts kijken. Hij beoefent helder begrip bij het buigen en strekken (van de ledematen). Hij beoefent helder begrip bij het dragen van zijn onder- en bovenkleren en van zijn bedelnap. Hij beoefent helder begrip bij het eten, drinken, kauwen en proeven. Hij beoefent helder begrip bij het ontlasten en bij het urineren. Hij beoefent helder begrip bij het gaan, bij het staan, bij het zitten, bij het inslapen, bij het ontwaken, bij het spreken en bij het zwijgen.

        Zo beschouwt hij voortdurend het lichaam bij het lichaam inwendig, of hij beschouwt voortdurend het lichaam bij het lichaam uitwendig, of hij beschouwt voortdurend het lichaam bij het lichaam zowel inwendig als uitwendig.

        Hij beschouwt voortdurend het ontstaan van de dingen in het lichaam, of hij beschouwt voortdurend het vergaan van de dingen in het lichaam. Of hij beschouwt voortdurend zowel het ontstaan als het vergaan van de dingen in het lichaam. Of zijn oplettendheid is werkelijk gevestigd met de gedachte: 'Het lichaam bestaat,' juist zoveel als nodig is voor inzicht en oplettendheid.

        En hij leeft onafhankelijk en hecht aan niets in de wereld.

        Aldus beschouwt een monnik voortdurend het lichaam bij het lichaam.

Het overdenken van de walgelijkheid van het lichaam

        En verder denkt een monnik na over dit lichaam, omgeven door de huid en vol van menigerlei onzuiverheid, van top tot teen. En hij denkt aldus: 'Er zijn in en aan dit lichaam hoofdharen, lichaamsharen, nagels, tanden, huid, vlees, spieren, zenuwen, pezen, botten, beenmerg, nieren, hart, lever, borstvlies, milt, longen, darmen, ingewanden, maag, ontlasting, gal, slijm, etter, bloed, zweet, vet, tranen, lymfe, speeksel, neusvocht, gewrichtsvloeistof, urine, en hersenen.'

        Het is juist zoals een zak met twee openingen, gevuld met granen van verschillende soorten, namelijk: heuvelrijst, rijst van het laagland, bonen en tuinbonen, sesamzaad en gepelde rijst. En een man met goede ogen zou die zak losmaken en aldus denken: ‘Dit is heuvelrijst, dat is rijst van het laagland; dit zijn bonen en dat zijn tuinbonen; dit is sesamzaad en dat is gepelde rijst.’

        Monniken, op dezelfde manier denkt een monnik na over dit lichaam, omsloten door de huid en vol van menigerlei onzuiverheden, van top tot teen. En hij denkt aldus: 'Er zijn in en aan dit lichaam hoofdharen, lichaamsharen, nagels, tanden, huid, vlees, spieren, zenuwen, pezen, botten, beenmerg, nieren, hart, lever, borstvlies, milt, longen, darmen, ingewanden, maag, ontlasting, gal, slijm, etter, bloed, zweet, vet, tranen, lymfe, speeksel, neusvocht, gewrichtsvloeistof, urine, en hersenen.'

        Zo beschouwt hij voortdurend het lichaam bij het lichaam inwendig, of hij beschouwt voortdurend het lichaam bij het lichaam uitwendig, of hij beschouwt voortdurend het lichaam bij het lichaam zowel inwendig als uitwendig.

        Hij beschouwt voortdurend het ontstaan van de dingen in het lichaam, of hij beschouwt voortdurend het vergaan van de dingen in het lichaam. Of hij beschouwt voortdurend zowel het ontstaan als het vergaan van de dingen in het lichaam. Of zijn oplettendheid is werkelijk gevestigd met de gedachte: 'Het lichaam bestaat,' juist zoveel als nodig is voor inzicht en oplettendheid.

        En hij leeft onafhankelijk en hecht aan niets in de wereld.

        Aldus beschouwt een monnik voortdurend het lichaam bij het lichaam.

Het nadenken over de elementen

        En verder denkt een monnik na over zijn lichaam naarmate het geplaatst is of gebruikt wordt, met betrekking tot de elementen van materie. En hij denkt aldus: 'Er is in dit lichaam het element van aarde, het element van water, het element van vuur en het element van lucht.'

        Monniken, zoals een handige koeslachter of een koeslachtersleerling, na een koe geslacht en ze in stukken verdeeld te hebben, bij een wegkruising zou neerzitten,[10] op dezelfde manier denkt een monnik na over dit lichaam, naarmate het geplaatst is of gebruikt wordt, met betrekking tot de elementen van materie. En hij denkt aldus: 'Er zijn in dit lichaam de elementen van aarde, water, vuur en lucht.'

        Zo beschouwt hij voortdurend het lichaam bij het lichaam inwendig, of hij beschouwt voortdurend het lichaam bij het lichaam uitwendig, of hij beschouwt voortdurend het lichaam bij het lichaam zowel inwendig als uitwendig.

        Hij beschouwt voortdurend het ontstaan van de dingen in het lichaam, of hij beschouwt voortdurend het vergaan van de dingen in het lichaam. Of hij beschouwt voortdurend zowel het ontstaan als het vergaan van de dingen in het lichaam. Of zijn oplettendheid is werkelijk gevestigd met de gedachte: 'Het lichaam bestaat,' juist zoveel als nodig is voor inzicht en oplettendheid.

        En hij leeft onafhankelijk en hecht aan niets in de wereld.

        Aldus beschouwt een monnik voortdurend het lichaam bij het lichaam.

De lijk-contemplatie

        En verder, monniken, als een monnik, op wat voor manier ook, een lichaam ziet dat op het knekelveld is geworpen …

1.2.1.6.1 ...een lichaam dat al één, twee of drie dagen dood is: gezwollen, blauw en vol bederf, - dan denkt hij aan zijn eigen lichaam aldus: 'Waarlijk, met dit lichaam van mij is het net zo gesteld als met dat lichaam; dit lichaam gaat net zo worden en het kan dat niet ontgaan.'

        Zo beschouwt hij voortdurend het lichaam bij het lichaam inwendig, of hij beschouwt voortdurend het lichaam bij het lichaam uitwendig, of hij beschouwt voortdurend het lichaam bij het lichaam zowel inwendig als uitwendig.

        Hij beschouwt voortdurend het ontstaan van de dingen in het lichaam, of hij beschouwt voortdurend het vergaan van de dingen in het lichaam. Of hij beschouwt voortdurend zowel het ontstaan als het vergaan van de dingen in het lichaam. Of zijn oplettendheid is werkelijk gevestigd met de gedachte: 'Het lichaam bestaat,' juist zoveel als nodig is voor inzicht en oplettendheid.

        En hij leeft onafhankelijk en hecht aan niets in de wereld.

        Aldus beschouwt een monnik voortdurend het lichaam bij het lichaam.

        En verder, monniken, als een monnik, op wat voor manier ook, een lichaam ziet dat op een knekelveld is geworpen ...

1.2.1.6.2... een lichaam dat wordt opgevreten door kraaien, haviken, gieren, honden, jakhalzen of door verschillende soorten wormen, …

1.2.1.6.3... een lichaam dat vergaan is tot een skelet met wat vlees en bloed, samengehouden door de pezen, - …

1.2.1.6.4... een lichaam dat vergaan is tot een met bloed besmeurd skelet zonder vlees, maar bijeengehouden door de pezen, -

1.2.1.6.5... een lichaam dat vergaan is tot een skelet dat door de pezen bijeen wordt gehouden maar zonder vlees en niet besmeurd met bloed, -

1.2.1.6.6... een lichaam dat vergaan is tot losse beenderen die in alle richtingen verspreid zijn, - hier een bot van de hand, daar een bot van de voet, elders een scheenbeen, een dijbeen, het bekken, ruggengraat en schedel, alles op een andere plaats, -

1.2.1.6.7... een lichaam dat vergaan is tot beenderen, zo wit van kleur als een oester, -

1.2.1.6.8... een lichaam dat vergaan is tot beenderen die al meer dan een jaar oud zijn, op een hoop gegooid, -

1.2.1.6.9... een lichaam dat vergaan is tot beenderen die zijn gaan rotten en tot stof geworden, -

... dan denkt hij aan zijn eigen lichaam aldus: 'Waarlijk, met dit lichaam van mij is het net zo gesteld als met dat lichaam; dit lichaam gaat net zo worden en het kan er niet aan ontkomen.'

        Zo beschouwt hij voortdurend het lichaam bij het lichaam inwendig, of hij beschouwt voortdurend het lichaam bij het lichaam uitwendig, of hij beschouwt voortdurend het lichaam bij het lichaam zowel inwendig als uitwendig. Hij beschouwt voortdurend het ontstaan van de dingen in het lichaam, of hij beschouwt voortdurend het vergaan van de dingen in het lichaam. Of hij beschouwt voortdurend zowel het ontstaan als het vergaan van de dingen in het lichaam. Of zijn oplettendheid is werkelijk gevestigd met de gedachte: 'Het lichaam bestaat,' juist zoveel als nodig is voor inzicht en oplettendheid.

        En hij leeft onafhankelijk en hecht aan niets in de wereld.

        Aldus beschouwt een monnik voortdurend het lichaam bij het lichaam.[11]

Het beschouwen van gevoelens

        En hoe, monniken, beschouwt een monnik voortdurend gevoelens bij gevoelens?

        Welnu, monniken, als een monnik een aangenaam gevoel ervaart, beseft hij: 'Ik ervaar een aangenaam gevoel.' Als hij een onaangenaam gevoel ervaart, beseft hij: ' Ik ervaar een onaangenaam gevoel.' En als hij een neutraal gevoel ervaart, beseft hij: ' Ik ervaar een neutraal gevoel.'

        Als hij een aangenaam werelds gevoel ervaart, beseft hij: 'Ik ervaar een aangenaam werelds gevoel.' Als hij een aangenaam geestelijk gevoel ervaart, beseft hij: 'Ik ervaar een aangenaam geestelijk gevoel.' Als hij een onaangenaam werelds gevoel ervaart, beseft hij: 'Ik ervaar een onaangenaam werelds gevoel.' Als hij een onaangenaam geestelijk gevoel ervaart, beseft hij: 'Ik ervaar een onaangenaam geestelijk gevoel.' Als hij een neutraal werelds gevoel ervaart, beseft hij: 'Ik ervaar een neutraal werelds gevoel.’ En als hij een neutraal geestelijk gevoel ervaart, beseft hij: 'Ik ervaar een neutraal geestelijk gevoel.’

        Zo beschouwt hij voortdurend gevoelens bij gevoelens inwendig, of hij beschouwt voortdurend gevoelens bij gevoelens uitwendig, of hij beschouwt voortdurend gevoelens bij gevoelens zowel inwendig als uitwendig.

        Hij beschouwt voortdurend het ontstaan van gevoelens, of hij beschouwt voortdurend het vergaan van gevoelens. Of hij beschouwt voortdurend zowel het ontstaan als het vergaan van gevoelens. Of zijn oplettendheid is werkelijk gevestigd met de gedachte: 'Gevoelens bestaan,' juist zoveel als nodig is voor inzicht en oplettendheid.

        En hij leeft onafhankelijk en hecht aan niets in de wereld.

Aldus beschouwt een monnik voortdurend gevoelens bij gevoelens.

Het beschouwen van de geest 

        En hoe, monniken, beschouwt een monnik voortdurend de geest bij de geest?

        Welnu, monniken, een monnik begrijpt de geest met begeerte als die met begeerte is. En hij begrijpt de geest zonder begeerte als die zonder begeerte is. Hij begrijpt de geest met afkeer als die vol afkeer is, en hij begrijpt de geest zonder afkeer als die zonder afkeer is. Hij begrijpt de geest met onwetendheid als die vol onwetendheid is; en hij begrijpt de geest zonder onwetendheid als die zonder onwetendheid is. Hij begrijpt de bekrompen geestelijke staat als bekrompen, en de verstrooide geestelijke staat begrijpt hij als verstrooid. Hij begrijpt de ontwikkelde geestelijke staat als ontwikkeld; en hij begrijpt de niet ontwikkelde geestelijke staat als niet ontwikkeld. De overtrefbare geestelijke staat begrijpt hij als overtrefbaar; en de niet overtrefbare geestelijke staat begrijpt hij als niet overtrefbaar. De geconcentreerde geestelijke staat begrijpt hij als geconcentreerd; en de niet geconcentreerde geestelijke staat begrijpt hij als niet geconcentreerd. De bevrijde geestelijke staat begrijpt hij als bevrijd; en de niet bevrijde geestelijke staat begrijpt hij als niet bevrijd.

        Zo beschouwt hij voortdurend de geest bij de geest inwendig, of hij beschouwt voortdurend de geest bij de geest uitwendig, of hij beschouwt voortdurend de geest bij de geest zowel inwendig als uitwendig.

        Hij beschouwt voortdurend het ontstaan van de geest, of hij beschouwt voortdurend het vergaan van de geest. Of hij beschouwt voortdurend zowel het ontstaan als het vergaan van de geest. Of zijn oplettendheid is gevestigd met de gedachte: 'De geest bestaat,' juist zoveel als nodig is voor inzicht en oplettendheid.

        En hij leeft onafhankelijk en hecht aan niets in de wereld.

        Aldus beschouwt een monnik werkelijk voortdurend de geest bij de geest.

Het beschouwen van geestelijke objecten

        En hoe, monniken, beschouwt een monnik voortdurend geestelijke objecten bij geestelijke objecten?

De vijf hindernissen

        Monniken, een monnik beschouwt de geestelijke objecten bij de geestelijke objecten van de vijf hindernissen[12] op de volgende manier:

        Welnu, monniken, als zinnelijkheid aanwezig is, weet een monnik met begrip: 'Ik heb zinnelijkheid.' Of, als zinnelijkheid afwezig is, weet hij met begrip: 'Ik heb geen zinnelijkheid.' Hij begrijpt hoe het ontstaan van de niet ontstane zinnelijkheid geschiedt. Hij begrijpt hoe het opgeven van de ontstane zinnelijkheid geschiedt. En hij begrijpt hoe het toekomstig niet meer ontstaan van de opgegeven zinnelijkheid geschiedt.

        Als kwaadwil, afkeer aanwezig is, weet een monnik met begrip: 'Ik heb afkeer.' Of, als afkeer afwezig is, weet hij met begrip: 'Ik heb geen afkeer.' Hij begrijpt hoe het ontstaan van de niet ontstane afkeer geschiedt. Hij begrijpt hoe het opgeven van de ontstane afkeer geschiedt. En hij begrijpt hoe het toekomstig niet meer ontstaan van de opgegeven afkeer geschiedt.

        Als traagheid en starheid aanwezig zijn, weet een monnik met begrip: 'Ik heb traagheid en starheid.' Of, als traagheid en starheid afwezig zijn, weet hij met begrip: 'Ik heb geen traagheid en starheid.' Hij begrijpt hoe het ontstaan van de niet ontstane traagheid en starheid geschiedt. Hij begrijpt hoe het opgeven van de ontstane traagheid en starheid geschiedt. En hij begrijpt hoe het toekomstig niet meer ontstaan van de opgegeven traagheid en starheid geschiedt.

        Als rusteloosheid en gewetenswroeging aanwezig zijn, weet een monnik met begrip: 'Ik heb rusteloosheid en gewetenswroeging.' Of, als rusteloosheid en gewetenswroeging afwezig zijn, weet hij met begrip: 'Ik heb geen rusteloosheid en gewetenswroeging.' Hij begrijpt hoe het ontstaan van de niet ontstane rusteloosheid en gewetenswroeging geschiedt. Hij begrijpt hoe het opgeven van de ontstane rusteloosheid en gewetenswroeging geschiedt. En hij begrijpt hoe het toekomstig niet meer ontstaan van de opgegeven rusteloosheid en gewetenswroeging geschiedt.

        Als twijfel aanwezig is, weet een monnik met begrip: 'Ik heb twijfel.' Of, als twijfel afwezig is, weet hij met begrip: 'Ik heb geen twijfel.' Hij begrijpt hoe het ontstaan van de niet ontstane twijfel geschiedt. Hij begrijpt hoe het opgeven van de ontstane twijfel geschiedt. En hij begrijpt hoe het toekomstig niet meer ontstaan van de opgegeven twijfel geschiedt.

        Zo beschouwt hij voortdurend geestelijke objecten bij geestelijke objecten inwendig. Of hij beschouwt voortdurend geestelijke objecten bij geestelijke objecten uitwendig. Of hij beschouwt voortdurend geestelijke objecten bij geestelijke objecten zowel inwendig als uitwendig.

        Hij beschouwt voortdurend het ontstaan van de geestelijke objecten. Of hij beschouwt voortdurend het vergaan van geestelijke objecten. Of hij beschouwt voortdurend zowel het ontstaan als het vergaan van geestelijke objecten. Of zijn oplettendheid is gevestigd met de gedachte: 'Geestelijke objecten bestaan,’ juist zoveel als nodig is voor inzicht en oplettendheid.

        En hij leeft onafhankelijk en hecht aan niets in de wereld.

        Aldus beschouwt een monnik werkelijk voortdurend geestelijke objecten bij de geestelijke objecten van de vijf hindernissen.

De vijf groeperingen van hechten

        En verder, monniken, beschouwt een monnik voortdurend geestelijke objecten bij de geestelijke objecten van de vijf groeperingen van hechten. En hoe doet hij dat?

        Welnu, monniken, een monnik denkt: 'Zo is materiële vorm; zo is het ontstaan van materiële vorm; en zo is het verdwijnen van materiële vorm.

        Zo is gevoel; zo is het ontstaan van gevoel; en zo is het verdwijnen van gevoel.

        Zo is gewaarwording; zo is het ontstaan van gewaarwording; en zo is het verdwijnen van gewaarwording.

        Zo zijn de geestelijke formaties; zo is het ontstaan van de geestelijke formaties; en zo is het verdwijnen van de geestelijke formaties.

        Zo is bewustzijn, zo is het ontstaan van bewustzijn; en zo is het verdwijnen van bewustzijn.’[13]

        Zo beschouwt hij voortdurend geestelijke objecten bij geestelijke objecten inwendig. Of hij beschouwt voortdurend geestelijke objecten bij geestelijke objecten uitwendig. Of hij beschouwt voortdurend geestelijke objecten bij geestelijke objecten zowel inwendig als uitwendig.

        Hij beschouwt voortdurend het ontstaan van de geestelijke objecten. Of hij beschouwt voortdurend het vergaan van geestelijke objecten. Of hij beschouwt voortdurend zowel het ontstaan als het vergaan van geestelijke objecten. Of zijn oplettendheid is gevestigd met de gedachte: 'Geestelijke objecten bestaan,’ juist zoveel als nodig is voor inzicht en oplettendheid.

        En hij leeft onafhankelijk en hecht aan niets in de wereld.

        Aldus beschouwt een monnik werkelijk voortdurend geestelijke objecten bij de geestelijke objecten van de vijf groeperingen van hechten.

De zes inwendige en de zes uitwendige zintuiglijke grondslagen

        En verder, monniken, beschouwt een monnik voortdurend geestelijke objecten bij de geestelijke objecten van de zes inwendige en de zes uitwendige zintuiglijke grondslagen. En hoe doet hij dat?

        Welnu, monniken, een monnik begrijpt het oog (gezichtsorgaan) en materiële vormen en de kluister die ontstaat afhankelijk van beide. Hij begrijpt hoe het ontstaan van de niet ontstane kluister geschiedt. Hij begrijpt hoe het opgeven van de ontstane kluister geschiedt. En hij begrijpt hoe het toekomstig niet meer ontstaan van de opgegeven kluister geschiedt.

        Hij begrijpt het oor (gehoororgaan) en de geluiden en de kluister die ontstaat afhankelijk van beide. Hij begrijpt hoe het ontstaan van de niet ontstane kluister geschiedt. Hij begrijpt hoe het opgeven van de ontstane kluister geschiedt. En hij begrijpt hoe het toekomstig niet meer ontstaan van de opgegeven kluister geschiedt.

        Hij begrijpt de neus (het reukorgaan) en geuren en de kluister die ontstaat afhankelijk van beide. Hij begrijpt hoe het ontstaan van de niet ontstane kluister geschiedt. Hij begrijpt hoe het opgeven van de ontstane kluister geschiedt. En hij begrijpt hoe het toekomstig niet meer ontstaan van de opgegeven kluister geschiedt.

        Hij begrijpt de tong (het smaakorgaan) en smaken en de kluister die ontstaat afhankelijk van beide. Hij begrijpt hoe het ontstaan van de niet ontstane kluister geschiedt. Hij begrijpt hoe het opgeven van de ontstane kluister geschiedt. En hij begrijpt hoe het toekomstig niet meer ontstaan van de opgegeven kluister geschiedt.

        Hij begrijpt het lichaam (het tastorgaan) en tastbare objecten en de kluister die ontstaat afhankelijk van beide. Hij begrijpt hoe het ontstaan van de niet ontstane kluister geschiedt. Hij begrijpt hoe het opgeven van de ontstane kluister geschiedt. En hij begrijpt hoe het toekomstig niet meer ontstaan van de opgegeven kluister geschiedt.

        Hij begrijpt de geest (het bewustzijn, het besef-orgaan) en geestelijke objecten en de kluister die ontstaat afhankelijk van beide. Hij begrijpt hoe het ontstaan van de niet ontstane kluister geschiedt. Hij begrijpt hoe het opgeven van de ontstane kluister geschiedt. En hij begrijpt hoe het toekomstig niet meer ontstaan van de opgegeven kluister geschiedt.[14]

        Zo beschouwt hij voortdurend geestelijke objecten bij geestelijke objecten inwendig. Of hij beschouwt voortdurend geestelijke objecten bij geestelijke objecten uitwendig. Of hij beschouwt voortdurend geestelijke objecten bij geestelijke objecten zowel inwendig als uitwendig.

        Hij beschouwt voortdurend het ontstaan van de geestelijke objecten. Of hij beschouwt voortdurend het vergaan van geestelijke objecten. Of hij beschouwt voortdurend zowel het ontstaan als het vergaan van geestelijke objecten. Of zijn oplettendheid is gevestigd met de gedachte: 'Geestelijke objecten bestaan,’ juist zoveel als nodig is voor inzicht en oplettendheid.

        En hij leeft onafhankelijk en hecht aan niets in de wereld.

        Aldus beschouwt een monnik werkelijk voortdurend geestelijke objecten bij de geestelijke objecten van de zes inwendige en de zes uitwendige zintuiglijke grondslagen.

De zeven factoren van Verlichting

        En verder, monniken, beschouwt een monnik voortdurend geestelijke objecten bij de geestelijke objecten van de zeven factoren van Verlichting.[15] En hoe doet hij dat?

        Welnu, monniken, wanneer de verlichtingsfactor van oplettendheid aanwezig is, weet een monnik met begrip: 'Ik heb de verlichtingsfactor van oplettendheid.' Of wanneer de verlichtingsfactor van oplettendheid afwezig is, weet hij met begrip: 'Ik heb niet de verlichtingsfactor van oplettendheid.' En hij begrijpt hoe het ontstaan van de niet ontstane verlichtingsfactor van oplettendheid geschiedt en hoe het ontwikkelen en vervolmaken van de ontstane verlichtingsfactor van oplettendheid geschiedt.

        Wanneer de verlichtingsfactor van het onderzoeken van geestelijke objecten[16] aanwezig is, weet een monnik met begrip: 'Ik heb de verlichtingsfactor van het onderzoeken van geestelijke objecten.' Of wanneer de verlichtingsfactor van het onderzoeken van geestelijke objecten afwezig is, weet hij met begrip: 'Ik heb niet de verlichtingsfactor van het onderzoeken van geestelijke objecten.' En hij begrijpt hoe het ontstaan van de niet ontstane verlichtingsfactor van het onderzoeken van geestelijke objecten geschiedt en hoe het ontwikkelen en vervolmaken van de ontstane verlichtingsfactor van het onderzoeken van geestelijke objecten geschiedt.

        Wanneer de verlichtingsfactor van energie aanwezig is, weet een monnik met begrip: 'Ik heb de verlichtingsfactor van energie.' Of wanneer de verlichtingsfactor van energie afwezig is, weet hij met begrip: 'Ik heb niet de verlichtingsfactor van energie.' En hij begrijpt hoe het ontstaan van de niet ontstane verlichtingsfactor van energie geschiedt en hoe het ontwikkelen en vervolmaken van de ontstane verlichtingsfactor van energie geschiedt.

        Wanneer de verlichtingsfactor van enthousiasme aanwezig is, weet een monnik met begrip: 'Ik heb de verlichtingsfactor van enthousiasme.' Of wanneer de verlichtingsfactor van enthousiasme afwezig is, weet hij met begrip: 'Ik heb niet de verlichtingsfactor van enthousiasme.' En hij begrijpt hoe het ontstaan van de niet ontstane verlichtingsfactor van enthousiasme geschiedt en hoe het ontwikkelen en vervolmaken van de ontstane verlichtingsfactor van enthousiasme geschiedt.

        Wanneer de verlichtingsfactor van kalmte aanwezig is, weet een monnik met begrip: 'Ik heb de verlichtingsfactor van kalmte.' Of wanneer de verlichtingsfactor van kalmte afwezig is, weet hij met begrip: ' Ik heb niet de verlichtingsfactor van kalmte.' En hij begrijpt hoe het ontstaan van de niet ontstane verlichtingsfactor van kalmte geschiedt en hoe het ontwikkelen en vervolmaken van de ontstane verlichtingsfactor van kalmte geschiedt.

        Wanneer de verlichtingsfactor van concentratie aanwezig is, weet een monnik met begrip: 'Ik heb de verlichtingsfactor van concentratie.' Of wanneer de verlichtingsfactor van concentratie afwezig is, weet hij met begrip: 'Ik heb niet de verlichtingsfactor van concentratie.' En hij begrijpt hoe het ontstaan van de niet ontstane verlichtingsfactor van concentratie geschiedt en hoe het ontwikkelen en vervolmaken van de ontstane verlichtingsfactor van concentratie geschiedt.

        Wanneer de verlichtingsfactor van gelijkmoedigheid aanwezig is, weet een monnik met begrip: 'Ik heb de verlichtingsfactor van gelijkmoedigheid.' Of wanneer de verlichtingsfactor van gelijkmoedigheid afwezig is, weet hij met begrip: 'Ik heb niet de verlichtingsfactor van gelijkmoedigheid.' En hij begrijpt hoe het ontstaan van de niet ontstane verlichtingsfactor van gelijkmoedigheid geschiedt en hoe het ontwikkelen en vervolmaken van de ontstane verlichtingsfactor van gelijkmoedigheid geschiedt.

        Zo beschouwt hij voortdurend geestelijke objecten bij geestelijke objecten inwendig. Of hij beschouwt voortdurend geestelijke objecten bij geestelijke objecten uitwendig. Of hij beschouwt voortdurend geestelijke objecten bij geestelijke objecten zowel inwendig als uitwendig.

        Hij beschouwt voortdurend het ontstaan van de geestelijke objecten. Of hij beschouwt voortdurend het vergaan van geestelijke objecten. Of hij beschouwt voortdurend zowel het ontstaan als het vergaan van geestelijke objecten. Of zijn oplettendheid is gevestigd met de gedachte: 'Geestelijke objecten bestaan,’ juist zoveel als nodig is voor inzicht en oplettendheid.

        En hij leeft onafhankelijk en hecht aan niets in de wereld.

        Aldus beschouwt een monnik werkelijk voortdurend geestelijke objecten bij de geestelijke objecten van de zeven factoren van Verlichting.

De vier edele waarheden

        En verder, monniken, beschouwt een monnik voortdurend geestelijke objecten bij de geestelijke objecten van de vier Edele Waarheden. En hoe doet hij dat?

        Welnu, monniken, een monnik begrijpt overeenkomstig de werkelijkheid: 'Dit is dukkha, lijden.' Hij begrijpt overeenkomstig de werkelijkheid: 'Dit is het ontstaan van dukkha, lijden.' Hij begrijpt overeenkomstig de werkelijkheid: 'Dit is het beëindigen van dukkha, lijden.' En hij begrijpt overeenkomstig de werkelijkheid: 'Dit is de weg die leidt naar het beëindigen van dukkha, lijden.'[17]

        Zo beschouwt hij voortdurend geestelijke objecten bij geestelijke objecten inwendig. Of hij beschouwt voortdurend geestelijke objecten bij geestelijke objecten uitwendig. Of hij beschouwt voortdurend geestelijke objecten bij geestelijke objecten zowel inwendig als uitwendig.

        Hij beschouwt voortdurend het ontstaan van geestelijke objecten. Of hij beschouwt voortdurend het vergaan van geestelijke objecten. Of hij beschouwt voortdurend zowel het ontstaan als het vergaan van geestelijke objecten. Of zijn oplettendheid is gevestigd met de gedachte: 'Geestelijke objecten bestaan,' juist zoveel als nodig is voor inzicht en oplettendheid.

        En hij leeft onafhankelijk en hecht aan niets in de wereld.

        Aldus beschouwt een monnik werkelijk voortdurend geestelijke objecten bij de geestelijke objecten van de vier Edele Waarheden.

(In D.22. volgt dan nog een uitleg van de vier edele waarheden. Zie 9.1. De ware leer van het midden > de vier edele waarheden.)

Verzekering van succes

        Waarlijk, monniken, alwie deze vier grondslagen van oplettendheid op deze manier beoefent gedurende zeven jaren, door hem kan zeker één van twee vruchten verwacht worden, namelijk: volmaakte kennis hier en nu,[18] of, als nog enige vorm van hechten aanwezig is, de staat van Niet-Wederkeer.

        Monniken, afgezien van zeven jaren. Alwie deze vier grondslagen van oplettendheid op deze manier beoefent gedurende zes jaren, ...vijf jaren, ...vier jaren, ...drie jaren, ...twee jaren, ...één jaar, ...door hem kan zeker één van twee vruchten verwacht worden, namelijk: volmaakte kennis hier en nu, of, als nog enige vorm van hechten aanwezig is, de staat van Niet-Wederkeer.

        Monniken, afgezien van één jaar. Alwie deze vier grondslagen van oplettendheid op deze manier beoefent gedurende zeven maanden, door hem kan zeker één van twee vruchten verwacht worden, namelijk: volmaakte kennis hier en nu, of, als nog enige vorm van hechten aanwezig is, de staat van Niet-Wederkeer.

        Monniken, afgezien van zeven maanden. Alwie deze vier grondslagen van oplettendheid op deze manier beoefent gedurende zes maanden, ...vijf maanden, ...vier maanden, ...drie maanden, twee maanden, ...één maand, ...een halve maand, ...door hem kan zeker één van twee vruchten verwacht worden, namelijk: volmaakte kennis hier en nu, of, als nog enige vorm van hechten aanwezig is, de staat van Niet-Wederkeer.

        Monniken, afgezien van een halve maand. Alwie deze vier grondslagen van oplettendheid op deze manier beoefent gedurende een week, door hem kan zeker één van twee vruchten verwacht worden, namelijk: volmaakte kennis hier en nu, of, als nog enige vorm van hechten aanwezig is, de staat van Niet-Wederkeer.

        Monniken, om deze reden is gezegd: 'Dit is de manier die rechtstreeks leidt naar de zuivering van wezens, voor het te boven komen van verdriet en gejammer, voor het tenietdoen van lichamelijk en geestelijk lijden, de weg waarmee men rechtstreeks het juiste pad kan bereiken, waarmee men Nibbāna kan verwerkelijken, namelijk de vier grondslagen van oplettendheid."

        Aldus sprak de Gezegende. Tevreden verheugden zich de monniken over zijn woorden. (D.22 en M.10).

- = -

Deel II

Bespreking van de leerrede over de vier grondslagen van oplettendheid

Het begin van heilzame dingen

        Het begin van de heilzame dingen is zuivere deugdzaamheid en rechtlijnige visie. Wanneer de deugdzaamheid goed gezuiverd is en de visie rechtlijnig is, dan kan men de vier grondslagen van oplettendheid ontplooien. Dat doet men inwendig[19] en uitwendig[20], onvermoeibaar, helder bewust, oplettend, na het overwinnen van wereldse begeerte en droefenis. Wanneer men de vier grondslagen van oplettendheid aldus drievoudig ontplooit, dan is een toename van heilzame dingen te verwachten, geen terugval. (S.47.3; S.47.15)

Zuivere deugdzaamheid

        De heilzame deugden zijn die deugden waarmee men de vier grondslagen van oplettendheid kan ontplooien. (S.47.21)        

Rechtlijnige visie

“Deze mensheid is ofwel gehecht aan de visie van zelf-productie of houdt vast aan de visie van productie door een ander. Sommigen begrijpen dit niet en kunnen het niet zien als een stekel. Maar degene die het begrijpt, trekt deze stekel uit. Hij denkt niet: ‘Ik ben het middel,’ hij denkt niet: ‘Een ander is het middel.’

Deze mensheid is bezeten door eigenwaan, is erdoor geboeid, erdoor vastgebonden. Wraakzuchtig spreken zij vanwege hun visies en daarom gaan zij niet over samsāra[21] heen.” (Ud.6.6)

“Boven, beneden en overal bevrijd, iemand die niet van mening is: ‘Ik ben dit,’[22] hij heeft de stroom overgestoken die niet eerder was overgestoken, bevrijd met geen hernieuwd bestaan.” (Ud.7.1)

Hoe ontstaan verkeerde visies? - Bij de elementen is iets aangenaams. Daarom vinden de wezens er welbehagen aan. Bij de elementen is ook iets nadeligs. Daarom ontstaat er bij de wezens afkeer. Maar bij de elementen is ook een ontkomen. Zo lang als dit niet begrepen is, heeft men verkeerde visies. (Zie S.14.31-32)  

Hoe vergaan verkeerde visies? - Wanneer men bij de elementen het aangename als aangenaam, het nadelige als nadelig en het ontkomen als ontkomen begrepen heeft overeenkomstig de werkelijkheid, dan vergaan verkeerde visies, dan is men eraan ontkomen. (Zie S.14.31-32)

Wat is het genot ervan? - Het genot ervan is het aangename bij de elementen.

Wat is de ellende ervan? - De ellende ervan is het nadelige van de elementen, namelijk dat zij onderhevig zijn aan ontstaan en vergaan.

Wat is het ontkomen aan verkeerde visies? - Wanneer men niet gehecht is aan verkeerde visies, dan heeft men het juk van verkeerde visies afgelegd. (A.IV.10)

Verkeerde wegen

 

        Bewandel geen verkeerde wegen. Verdwaal niet. Wat zijn verkeerde wegen? – Het zijn de vijf genietingen van de zintuigen, namelijk de vormen, geluiden, geuren, smaken en aanrakingen die in het bewustzijn treden door oog, oor, neus, tong, lichaam. Ze zijn dierbaar, geliefd, aangenaam. Dat is vreemd gebied.

        De juiste weg bestaat in de vier grondslagen van oplettendheid. (S.47.6-7)

        Alles wat lief en dierbaar is, zal vergaan, zal veranderen, zal vernietigd worden. Het is niet mogelijk dat iets wat geboren, samengesteld is, niet aan verval onderhevig is. Wees daarom een toevlucht voor jezelf. Heb de leer als toevlucht, en wel: Waak bij het lichaam over het lichaam, waak bij de gevoelens over de gevoelens, waak bij het bewustzijn over het bewustzijn, waak bij de geestformaties over de geestformaties,[23] onvermoeibaar, helder bewust, oplettend, na het overwinnen van wereldse verlangens en droefenis. (S.47.13)

        Wanneer de vier grondslagen van oplettendheid niet worden ontplooid en ontwikkeld, dan heeft de goede leer na het heengaan van de Verhevene geen lang voortbestaan. En wanneer de vier grondslagen van oplettendheid worden ontplooid en ontwikkeld, dan heeft de goede leer na het heengaan van de Verhevene een lang voortbestaan. (S.47.22-23)

        Wie de vier grondslagen van oplettendheid ontplooid en ontwikkeld heeft, kan niet meer terugvallen tot het normale leven. (S.52.8)

De vier grondslagen van oplettendheid

        Er zijn vier grondslagen van oplettendheid, namelijk:

  1. Men waakt bij het lichaam over het lichaam.    
  2. Men waakt bij de gevoelens over de gevoelens.  
  3. Men waakt bij de geest over de geest.
  4. Men waakt bij de geestformaties over de geestformaties. 

Men doet dat onvermoeibaar, helder bewust, oplettend, na het overwinnen van wereldse begeerte en droefenis.

Helder bewust

        Wat wordt bedoeld met de uitdrukking “helder bewust?” - "Men is helder bewust als men ziet dat gevoelens ontstaan, even duren en weer vergaan; als men ziet dat gedachten ontstaan, even duren en weer vergaan; als men ziet dat waarnemingen ontstaan, even duren en weer vergaan." (S.47.35)

1. Het beschouwen van het lichaam

        Hoe beschouwt men het lichaam bij het lichaam? Dit kan op diverse manieren: door oplettendheid bij het ademhalen, door oplettendheid bij de lichaamshoudingen, door de soorten van helder begrip bij wat men doet, door het overdenken van de walgelijkheid van het lichaam, door het nadenken over de elementen, en door de lijkcontemplaties.

Oplettendheid bij het ademhalen

        Men gaat naar een rustige plek, en gaat er zitten, met gekruiste benen, als men dat kan. Wie moeite ermee heeft, kan ook op een stoel gaan zitten. Men houdt het lichaam rechtop en oplettend richt men zijn aandacht op het meditatie-object[24], namelijk de adem.        

Oplettend ademt men in en oplettend ademt men uit. Wanneer men lang inademt, is men zich ervan bewust dat men lang inademt. Wanneer men lang uitademt, is men zich ervan bewust dat men lang uitademt. Wanneer men kort inademt, is men zich ervan bewust dat men kort inademt. Wanneer men kort uitademt, is men zich ervan bewust dat men kort uitademt.

'Het hele proces van ademen gewaarwordend, zal ik inademen’, zo oefent men zich. 'Het hele proces van ademen gewaarwordend, zal ik uitademen’, zo oefent men zich. 'De activiteit van het ademhalingsproces kalmerend, zal ik inademen’, zo oefent men zich. 'De activiteit van het ademhalingsproces kalmerend, zal ik uitademen’, zo oefent men zich.

Men oefent zich met de gedachte: 'Het hele proces van ademen gewaarwordend, zal ik inademen’, en men oefent zich met de gedachte: 'Het hele proces van ademen gewaarwordend, zal ik uitademen.' Men oefent zich met de gedachte: 'De activiteit van het proces van ademen kalmerend, zal ik inademen’, en men oefent zich met de gedachte: 'De activiteit van het proces van ademen kalmerend, zal ik uitademen.'

        

              Zo beschouwt men voortdurend het lichaam bij het lichaam bij zichzelf; of men beschouwt voortdurend het lichaam bij het lichaam bij iemand anders; of men beschouwt voortdurend het lichaam bij het lichaam zowel bij zichzelf als bij iemand anders.

        Men beschouwt voortdurend het ontstaan van het proces van ademen, of men beschouwt voortdurend het vergaan van het proces van ademen. Of men beschouwt voortdurend zowel het ontstaan als het vergaan van het proces van ademen. Of de oplettendheid is werkelijk gevestigd met de gedachte: 'Het proces van ademen bestaat,' juist zoveel als nodig is voor inzicht en oplettendheid.

En men leeft onafhankelijk, men is niet meer afhankelijk van begeerte en van verkeerde visies; en men hecht aan niets in de wereld. Met betrekking tot geen enkele zichtbare vorm, hoorbaar geluid, ruikbare geur, proefbare smaak, tastbare aanraking en besefbare gedachte e.d. denkt men: "Dit is mijn zelf (ziel), of dit behoort tot mijn zelf." Men is niet meer aan iets geboeid, noch door neigingen, noch door hartstochten noch door emoties.

Zo beschouwt men voortdurend het lichaam bij het lichaam.  

Oplettendheid bij het ademhalen betekent dat men erop let hoe men ademhaalt, langzaam of snel, rustig of gejaagd. Als men hard loopt, is er een snellere ademhaling dan wanneer men rustig zit te lezen. Dit op te merken, is oplettendheid bij het ademhalen.

En hoe men ademt, buikademhaling of borstademhaling, ook dat op te merken behoort tot oplettendheid bij het ademhalen.

De lichaamshoudingen

        En verder beseft men, wanneer men gaat: 'Ik ga.' Wanneer men staat, beseft men: 'Ik sta.' Wanneer men zit, beseft men: 'Ik zit.' Wanneer men neerligt, beseft men: 'Ik lig neer.' Of juist zoals de lichaamshouding is, zo beseft men ze.

      Men beschouwt voortdurend het ontstaan van de houdingen van het lichaam, of men beschouwt voortdurend het vergaan van de houdingen van het lichaam. Of men beschouwt voortdurend zowel het ontstaan als het vergaan van de houdingen van het lichaam. Of de oplettendheid is werkelijk gevestigd met de gedachte: 'Het lichaam bestaat,' juist zoveel als nodig is voor inzicht en oplettendheid.

        En men leeft onafhankelijk en hecht aan niets in de wereld.

        Zo beschouwt men voortdurend het lichaam bij het lichaam.

Oplettendheid bij de lichaamshoudingen houdt in dat men zich ervan bewust is welke houding men heeft: staan, liggen, zitten, buigen, knielen. Men is zich ook bewust ervan dat men van houding verandert, dat bij het veranderen de ene houding verdwijnt en de andere verschijnt.

“Ontplooi de oplettendheid op het lichaam; ontwikkel ze. Maak ze tot basis, verstevig ze, maak ze sterk en gebruik ze. Zo moet men oefenen.” (S.47.20)

De soorten van helder begrip

        En verder beoefent men helder begrip bij het voorwaarts gaan en bij het achteruit gaan. Men beoefent helder begrip bij het recht vooruit kijken en bij het zijwaarts kijken. Men beoefent helder begrip bij het buigen en strekken van de ledematen. Men beoefent helder begrip bij het dragen van zijn onder- en bovenkleren. Men beoefent helder begrip bij het eten, drinken, kauwen en proeven. Men beoefent helder begrip bij het ontlasten en bij het urineren. Men beoefent helder begrip bij het gaan, bij het staan, bij het zitten, bij het inslapen, bij het ontwaken, bij het spreken en bij het zwijgen.

        Zo beschouwt men voortdurend het ontstaan of het vergaan van de dingen in het lichaam. Of men beschouwt voortdurend zowel het ontstaan als het vergaan van de dingen in het lichaam. Of de oplettendheid is werkelijk gevestigd met de gedachte: 'Het lichaam bestaat,' juist zoveel als nodig is voor inzicht en oplettendheid.

        En men leeft onafhankelijk en hecht aan niets in de wereld.

        Zo beschouwt men voortdurend het lichaam bij het lichaam.

Helder begrip houdt in dat men weet wat men doet, waar men mee bezig is op dat moment: ik eet, ik kauw, ik proef, kijk, loop, zit, etc.

“Hoe is men helder bewust? – Men handelt helder bewust bij het komen en gaan; men handelt helder bewust bij het toekijken en wegzien; men handelt helder bewust bij het buigen en strekken; men handelt helder bewust bij het dragen van de kleding; men handelt helder bewust bij het eten en drinken, kauwen en proeven; men handelt helder bewust bij het urineren en bij de ontlasting; men handelt helder bewust bij het gaan, staan en zitten, bij het inslapen en wakker worden, bij het spreken en bij het zwijgen.” (S.47.2)

Het overdenken van de walgelijkheid van het lichaam

        En verder denkt men na over dit lichaam dat omgeven is door de huid en vol is van menigerlei onzuiverheid, van top tot teen. En men denkt aldus: 'Er zijn in en aan dit lichaam hoofdharen, lichaamsharen, nagels, tanden, huid, vlees, spieren, zenuwen, pezen, botten, beenmerg, nieren, hart, lever, borstvlies, milt, longen, darmen, ingewanden, maag, ontlasting, gal, slijm, etter, bloed, zweet, vet, tranen, lymfe, speeksel, neusvocht, gewrichtsvloeistof, urine, en hersenen.'

        Men beschouwt voortdurend het ontstaan van de dingen in het lichaam, of het vergaan ervan of zowel het ontstaan als het vergaan ervan. Of de oplettendheid is werkelijk gevestigd met de gedachte: 'Het lichaam bestaat,' juist zoveel als nodig is voor inzicht en oplettendheid. - En men leeft onafhankelijk en hecht aan niets in de wereld.

Zo beschouwt men voortdurend het lichaam bij het lichaam.

   afb. overgenomen uit: Oranje Kruis boekje, 1957, p. 32.

Bij het overdenken van de walgelijkheid van het lichaam analyseert men het lichaam in al zijn elementen. Zo wordt gehechtheid aan het lichaam opgeheven. Het gaat om een inzien van de werkelijkheid. De gedachte: “Wat ben ik toch mooi [of lelijk],” verdwijnt als men zichzelf beschouwt als een hoop beenderen omgeven met vlees en bloed, samengehouden door de huid. Zo moet men ook anderen beschouwen. Iedereen is zo gesteld.

Men waakt bij zichzelf over het lichaam en men beschouwt de wet van ontstaan en van vergaan. Dat doet men onvermoeibaar, helder bewust, oplettend, na overwinning van werelds verlangen en droefgeestigheid.

Men waakt ook bij anderen op die manier bij het lichaam over het lichaam.

Wanneer men wenst dat men bij het niet walgelijke dat als walgelijk waarneemt, dan vertoeft men zo dat men dat als walgelijk waarneemt.

Wanneer men wenst dat men bij het walgelijke dat als niet walgelijk waarneemt, dan vertoeft men zo dat men dat als niet walgelijk waarneemt.

Wanneer men wenst dat men bij het niet walgelijke en bij het walgelijke dat als walgelijk waarneemt, dan vertoeft men zo dat men dat als

walgelijk waarneemt.

Wanneer men wenst dat men bij het walgelijke en bij het niet walgelijke dat als niet walgelijk waarneemt, dan vertoeft men zo dat men dat als niet walgelijk waarneemt.

Wanneer men wenst dat men zowel niet walgelijks als walgelijks afwijst en dat men gelijkmoedig blijft, oplettend en helder bewust, dan vertoeft men zo.

En evenzo vertoeft men bij de gevoelens, bij het gemoed en bij de verschijnselen. (S.52.1.)

Het nadenken over de elementen

        En verder denkt men na over zijn lichaam naarmate het geplaatst is of gebruikt wordt, met betrekking tot de elementen van materie. En men denkt aldus: 'Er is in dit lichaam het element van aarde, het element van water, het element van vuur en het element van lucht.'

        Zo beschouwt men voortdurend het lichaam bij het lichaam bij zichzelf, of bij anderen, of zowel bij zichzelf als bij anderen.

        Men beschouwt voortdurend het ontstaan van de dingen in het lichaam, of men beschouwt voortdurend het vergaan van de dingen in het lichaam. Of men beschouwt voortdurend zowel het ontstaan als het vergaan van de dingen in het lichaam. Of de oplettendheid is werkelijk gevestigd met de gedachte: 'Het lichaam bestaat,' juist zoveel als nodig is voor inzicht en oplettendheid.

        En men leeft onafhankelijk en hecht aan niets in de wereld.

        Aldus beschouwt men voortdurend het lichaam bij het lichaam.

Bij het nadenken over de elementen analyseert men het lichaam in de elementen van aarde, water, vuur en lucht, ofwel vaste elementen, vloeibare elementen, elementen die verwarmen en verteren, en etherische elementen.

De uiteenzetting van de elementen

“De mens bestaat uit zes elementen, namelijk het aarde-element, het water-element, het vuur-element, het wind-element, het ruimte-element en het bewustzijn-element.

Het aarde-element

Het aarde-element kan zowel innerlijk als uiterlijk zijn. Het innerlijke aarde-element bestaat hierin: wat er bestaat aan vaste innerlijke dingen die tot iemand zelf behoren en die object van hechten zijn, zoals hoofdharen, lichaamsharen, nagels, tanden, huid, vlees, spieren, pezen, beenderen, beendermerg, nieren, hart, lever, middenrif, milt, longen, dikke darm, dunne darm, maag, ontlasting of wat er anders nog is aan vaste innerlijke dingen, dat noemt men het innerlijke aarde-element. Zowel het innerlijke als het uiterlijke aarde-element zijn alleen maar aarde-element. En dat moet met gepaste wijsheid overeenkomstig de werkelijkheid aldus beschouwd worden: “Dat is niet van mij, dat ben ik niet, dat is niet mijn zelf.” Wanneer men zo het aarde-element beschouwt, volgt onthechting wat betreft het aarde-element.

Het water-element

Het water-element kan zowel innerlijk als uiterlijk zijn. Het innerlijke water-element bestaat hierin: wat er aan innerlijke dingen die tot iemand zelf behoren, water, waterig is en object van hechten, zoals gal, slijm, etter, bloed, zweet, vet, tranen, talg, speeksel, snot, gewrichtsvloeistof, urine of wat er anders nog aan innerlijke, tot iemand zelf behorende dingen, water, waterig is en object van hechten, dat noemt men het innerlijke waterelement. Zowel het innerlijke als het uiterlijke water-element zijn alleen maar water-element. En dat moet met gepaste wijsheid overeenkomstig de werkelijkheid aldus beschouwd worden: “Dit is niet van mij, dit ben ik niet, dit is niet mijn zelf.” Wanneer men het water-element zo beschouwt, volgt onthechting wat betreft het water-element.

Het vuur-element

Het vuur-element kan zowel innerlijk als uiterlijk zijn. Het innerlijke vuur-element bestaat hierin: wat er bestaat aan innerlijke dingen die tot iemand zelf behoren, die vuur zijn, vurig en object van hechten, dus datgene waardoor men verwarmd wordt, ouder wordt en verteerd wordt, en datgene waardoor verteerd wordt wat gegeten, gedronken en geproefd is, of wat er anders nog aan innerlijke dingen die tot iemand zelf behoren, vuur, vurig is en object van hechten, dat noemt men het innerlijke vuur-element. Zowel het innerlijke als het uiterlijke vuur-element zijn alleen maar vuur-element. En dat moet met gepaste wijsheid aldus bezien worden: “Dit is niet van mij, dat ben ik niet, dat is niet mijn zelf.” Wanneer men het vuur-element zo beschouwt, volgt onthechting wat betreft het vuur-element.

Het wind-element

Het wind-element kan zowel innerlijk als uiterlijk zijn. Het innerlijke wind-element is aldus: wat er aan innerlijke dingen die tot iemand zelf behoren, wind, winderig is, en object van hechten, namelijk opstijgende winden, neergaande winden, winden in de buik, winden in de darmen, winden die door de ledematen stromen, in- en uitademing, of wat er anders nog aan innerlijke dingen die tot iemand zelf behoren, wind, winderig is en object van hechten, dat noemt men het innerlijke wind-element. Zowel het innerlijke als het uiterlijke wind-element zijn alleen maar wind-element. En dat moet met gepaste wijsheid aldus bezien worden: “Dit is niet van mij, dat ben ik niet, dat is niet mijn zelf.” Wanneer men het wind-element zo met gepaste wijsheid overeenkomstig de werkelijkheid beschouwt, volgt onthechting wat betreft het wind-element.

Het ruimte-element

Het ruimte-element kan zowel innerlijk als uiterlijk zijn. Het innerlijke ruimte-element is aldus: wat er aan innerlijke dingen die tot iemand zelf behoren, ruimte, ruimtelijk is en object van hechten, dus de oorgaten, de neusgaten, de mondopening, en de opening waarmee datgene wat gegeten, gedronken, verteerd en geproefd is, afgeslikt wordt, en de opening waarin het zich ophoopt, en de opening waardoor het beneden uitgescheiden wordt, of wat er anders nog aan innerlijke dingen die tot iemand zelf behoren, ruimte, ruimtelijk is en object van hechten: dat noemt men het innerlijke ruimte-element. Zowel het innerlijke als het uiterlijke ruimte-element zijn alleen maar ruimte-element. En dat moet met gepaste wijsheid aldus bezien worden: “Dit is niet van mij, dat ben ik niet, dat is niet mijn zelf.” Wanneer men het ruimte-element zo met gepaste wijsheid overeenkomstig de werkelijkheid beschouwt, volgt onthechting wat betreft het ruimte-element. (M.140)

De lijk-contemplaties

En verder, als men, op wat voor manier ook, een lichaam ziet dat al één, twee of drie dagen dood is: gezwollen, blauw en vol bederf, - dan denkt men aan zijn eigen lichaam aldus: 'Waarlijk, met dit lichaam van mij is het net zo gesteld als met dat lichaam; dit lichaam gaat net zo worden en het kan dat niet ontgaan.'

Zo beschouwt men voortdurend het lichaam bij het lichaam inwendig, of men beschouwt voortdurend het lichaam bij het lichaam uitwendig, of men beschouwt voortdurend het lichaam bij het lichaam zowel inwendig als uitwendig.

      Men beschouwt voortdurend het ontstaan van de dingen in het lichaam, of men beschouwt voortdurend het vergaan van de dingen in het lichaam. Of men beschouwt voortdurend zowel het ontstaan als het vergaan van de dingen in het lichaam. Of de oplettendheid is werkelijk gevestigd met de gedachte: 'Het lichaam bestaat,' juist zoveel als nodig is voor inzicht en oplettendheid.

        En men leeft onafhankelijk en hecht aan niets in de wereld.

Aldus beschouwt men voortdurend het lichaam bij het lichaam.

        En verder, als men, op wat voor manier ook, een lichaam ziet dat op een knekelveld is geworpen, of een lichaam dat wordt opgevreten door kraaien, haviken, gieren, honden, jakhalzen of door verschillende soorten wormen, of een lichaam dat vergaan is tot een skelet met wat vlees en bloed, samengehouden door de pezen,of een lichaam dat vergaan is tot een met bloed besmeurd skelet zonder vlees, maar bijeengehouden door de pezen, of een lichaam dat vergaan is tot een skelet dat door de pezen bijeen wordt gehouden maar zonder vlees en niet besmeurd met bloed, of een lichaam dat vergaan is tot losse beenderen die in alle richtingen verspreid zijn, - hier een bot van de hand, daar een bot van de voet, elders een scheenbeen, een dijbeen, het bekken, ruggengraat en schedel, alles op een andere plaats, -

of een lichaam dat vergaan is tot beenderen, zo wit van kleur als een oester, of een lichaam dat vergaan is tot beenderen die al meer dan een jaar oud zijn, op een hoop gegooid, of een lichaam dat vergaan is tot beenderen die zijn gaan rotten en tot stof zijn geworden, dan denkt men aan het eigen lichaam aldus: 'Waarlijk, met dit lichaam van mij is het net zo gesteld als met dat lichaam; dit lichaam gaat net zo worden en het kan er niet aan ontkomen.' (M.10)

        Zo beschouwt men voortdurend het lichaam bij het lichaam bij zichzelf, of men beschouwt voortdurend het lichaam bij het lichaam bij iemand anders, of men beschouwt voortdurend het lichaam bij het lichaam zowel bij zichzelf als bij iemand anders. Men beschouwt voortdurend het ontstaan van de dingen in het lichaam, of men beschouwt voortdurend het vergaan van de dingen in het lichaam. Of men beschouwt voortdurend zowel het ontstaan als het vergaan van de dingen in het lichaam. Of de oplettendheid is werkelijk gevestigd met de gedachte: 'Het lichaam bestaat,' juist zoveel als nodig is voor inzicht en oplettendheid.

        En men leeft onafhankelijk en hecht aan niets in de wereld.

        Aldus beschouwt men voortdurend het lichaam bij het lichaam.

De lijk-contemplatie is meer voor monniken. Tegenwoordig kunnen leken dit in de praktijk bijna niet uitvoeren.

Dit lichaam van mij is net zo: Door het bestaan van deze drie: leven, warmte en bewustzijn kan het lichaam staan, gaan en andere dingen doen. Maar door de afscheiding van deze drie is dit lichaam inderdaad een ding zoals dat dode lichaam, begiftigd met de natuur van vergaan. Het zal zo worden, zal opgezwollen worden, blauw en vol bederf. En het kan er niet aan ontkomen.

Wanneer men voortdurend het lichaam beschouwt, energiek, het helder begrijpend en vol oplettendheid, dan moet men begeerte en zorg met betrekking tot de wereld opzij zetten.

        

Men beschouwt alleen het lichaam, en niet de gevoelens of gedachten die ontstaan ten gevolge van lichamelijk contact. En men identificeert zich niet met het lichaam, dus: "dit is een lichaam"; en niet: "dat ben ik," of “dat is mijn lichaam.”  

Wie geen juiste voorstelling heeft van het lichaam, kan zich niet concentreren, de vertroebelingen verdwijnen niet. Hij kan de vier grondslagen van oplettendheid niet ontplooien. Hij heeft geen notie van zijn eigen bewustzijn.

Maar een wijs iemand waakt bij het lichaam over het lichaam, onvermoeibaar, helder bewust, oplettend na het overwinnen van wereldse begeerte en droefenis.

Bij hem concentreert zich het bewustzijn, de vertroebelingen verdwijnen. Want hij heeft een juiste voorstelling van het lichaam. Deze wijze persoon bereikt reeds in dit leven een gelukkig vertoeven, verkrijgt oplettendheid en helder bewustzijn. Want hij heeft een juiste voorstelling van zijn eigen bewustzijn. (S.47.8)

Als bij het waken bij het lichaam over het lichaam dorst en slapheid van het gemoed verschijnt, of wanneer het bewustzijn zich naar buiten keert, afgeleid wordt, dan moet men het bewustzijn op een bevredigende voorstelling richten. Dan ontstaat vreugde. Daarna ontstaat verrukking. Verrukt in de geest wordt het lichaam gekalmeerd. Met gekalmeerd lichaam voelt men zich goed. Dan concentreert zich het bewustzijn. Men overweegt dan: “Tot welk doel ik het bewustzijn daarheen gericht heb, dat doel is nu vervuld. Nu wil ik het terugtrekken.”

Men trekt het terug en overweegt niet meer en denkt niet meer (peinst niet meer). Men weet dat men vrij is van overwegen en peinzen, dat men zich goed voelt naar binnen achtzaam.

 Zo voltrekt zich gerichte ontplooiing. (S.47.10)

En hoe voltrekt zich niet-gerichte ontplooiing? – Als het bewustzijn niet naar buiten gericht is, niet afgeleid is, dan weet men dat. Men weet dat men niet verstrooid is op vroegere of latere zaken. Men weet dat men bij het lichaam waakt over het lichaam, onvermoeibaar, helder bewust, oplettend, na het overwinnen van wereldlijke verlangens en droefenis. “Het gaat mij goed,” zo voltrekt zich niet-gerichte ontplooiing. (S.47.10)

2. Het beschouwen van gevoelens

        En hoe beschouwt men voortdurend gevoelens bij gevoelens?

        Welnu, als men een aangenaam gevoel ervaart, beseft men: 'Ik ervaar een aangenaam gevoel.' Als men een onaangenaam gevoel ervaart, beseft men: 'Ik ervaar een onaangenaam gevoel.' En als men een neutraal gevoel ervaart, beseft men: ' Ik ervaar een neutraal gevoel.'

        Als men een aangenaam werelds gevoel ervaart, beseft men: 'Ik ervaar een aangenaam werelds gevoel.' Als men een aangenaam geestelijk gevoel ervaart, beseft men: 'Ik ervaar een aangenaam geestelijk gevoel.' Als men een onaangenaam werelds gevoel ervaart, beseft men: 'Ik ervaar een onaangenaam werelds gevoel.' Als men een onaangenaam geestelijk gevoel ervaart, beseft men: 'Ik ervaar een onaangenaam geestelijk gevoel.' Als men een neutraal werelds gevoel ervaart, beseft men: 'Ik ervaar een neutraal werelds gevoel.’ En als men een neutraal geestelijk gevoel ervaart, beseft men: 'Ik ervaar een neutraal geestelijk gevoel.’

        Zo beschouwt men voortdurend gevoelens bij gevoelens bij zichzelf, of men beschouwt voortdurend gevoelens bij gevoelens bij anderen, of men beschouwt voortdurend gevoelens bij gevoelens zowel bij zichzelf als bij anderen.

        Men beschouwt voortdurend het ontstaan van gevoelens, of men beschouwt voortdurend het vergaan van gevoelens. Of men beschouwt voortdurend zowel het ontstaan als het vergaan van gevoelens. Of de oplettendheid is werkelijk gevestigd met de gedachte: 'Gevoelens bestaan,' juist zoveel als nodig is voor inzicht en oplettendheid.

        En men leeft onafhankelijk en hecht aan niets in de wereld.

Zo beschouwt men voortdurend gevoelens bij gevoelens.

Er zijn drie soorten van gevoel, namelijk aangenaam gevoel, onaangenaam gevoel, neutraal gevoel. Om deze drie soorten van gevoel te doorzien moet men de vier grondslagen van oplettendheid ontplooien. (S.47.49)

        Wanneer men voortdurend de gevoelens beschouwt, energiek, ze helder begrijpend en vol oplettendheid, dan moet men begeerte en zorg met betrekking tot de wereld opzij zetten.

Steeds wanneer men oefent: 'Ik zal inademen en ik zal uitademen en daarbij vervoering ondervinden,' bij die gelegenheid beschouwt men gevoelens bij gevoelens, ijverig, volledig oplettend en helder bewust, nadat men hebzucht en droefenis tegenover de wereld heeft geëlimineerd.  

 Wanneer men oefent: 'Ik zal inademen en ik zal uitademen en daarbij zaligheid ondervinden,' bij die gelegenheid beschouwt men gevoelens bij gevoelens, ijverig, volledig oplettend en helder bewust, nadat men hebzucht en droefenis tegenover de wereld heeft geëlimineerd.   

Wanneer men oefent: 'Ik zal inademen en ik zal uitademen en daarbij de formatie van de geest ondervinden,’ bij die gelegenheid beschouwt men gevoelens bij gevoelens, ijverig, volledig oplettend en helder bewust, nadat men hebzucht en droefenis tegenover de wereld heeft geëlimineerd.  

Wanneer men oefent: 'ik zal inademen en ik zal uitademen en daarbij de formatie van de geest tot rust brengen,'  bij die gelegenheid beschouwt men gevoelens bij gevoelens, ijverig, volledig oplettend en helder bewust, nadat men hebzucht en droefenis tegenover de wereld heeft geëlimineerd.

Men beschouwt alleen de gevoelens, en niet het lichaam of de gedachten die ontstaan ten gevolge van contact met gevoel. En men identificeert zich niet met de gevoelens, dus: "dit is een gevoel"; en niet: "dat voel ik," of “dat is mijn gevoel.”

Het beschouwen van de gevoelens kan ertoe bijdragen dat onheilzame reacties op onze ervaringen vermeden worden.

Het beschouwen van gevoelens betekent dat men beseft (a) dat er een aangenaam gevoel is ontstaan, of een onaangenaam gevoel, of een neutraal gevoel; (b) hoe een dergelijk gevoel is ontstaan; (c) hoe een dergelijk gevoel weer verdwijnt (door welke oorzaken).

Geestelijke gevoelens zijn gevoelens die ontstaan tijdens de praktijk van de leer. Aangenaam zijn bijvoorbeeld de gevoelens bij de praktijk van de eerste drie jhanas of bij de goddelijke verblijven; onaangenaam zijn schaamte en berouw; neutraal zijn de gevoelens in het vierde jhana.

Wie geen juiste voorstelling heeft van het gevoel, die kan zich niet concentreren, de vertroebelingen verdwijnen niet. Hij kan de vier grondslagen van oplettendheid niet ontplooien. Hij heeft geen notie van zijn eigen bewustzijn.

Maar een wijs iemand waakt bij de gevoelens over de gevoelens, onvermoeibaar, helder bewust, oplettend na het overwinnen van wereldse begeerte en droefenis.

Bij hem concentreert zich het bewustzijn, de vertroebelingen verdwijnen. Want hij heeft een juiste voorstelling van de gevoelens.

Deze wijze persoon bereikt reeds in dit leven een gelukkig vertoeven, verkrijgt oplettendheid en helder bewustzijn. Want hij heeft een juiste voorstelling van zijn eigen bewustzijn. (S.47.8)

Als bij het waken bij het gevoel over het gevoel dorst en slapheid van het gemoed verschijnt, of wanneer het bewustzijn zich naar buiten keert, dan moet men het bewustzijn op een bevredigende voorstelling richten. Dan ontstaat vreugde. Daarna ontstaat verrukking. Verrukt in de geest wordt het lichaam gekalmeerd. Met gekalmeerd lichaam voelt men zich goed. Dan concentreert zich het bewustzijn. Men overweegt dan: “Tot welk doel ik het bewustzijn daarheen gericht heb, dat doel is nu vervuld. Nu wil ik het terugtrekken.”

Men trekt het terug en overweegt niet meer en denkt niet meer (peinst niet meer). Men weet dat men vrij is van overwegen en peinzen, dat men zich goed voelt, naar binnen achtzaam.

 Zo voltrekt zich gerichte ontplooiing. (S.47.10)

En hoe voltrekt zich niet-gerichte ontplooiing? – Als het bewustzijn niet naar buiten gericht is, weet men dat. Men weet dat men niet verstrooid is op vroegere of latere zaken. Men weet dat men bij de gevoelens waakt over de gevoelens, onvermoeibaar, helder bewust, oplettend, na het overwinnen van wereldlijke verlangens en droefenis. “Het gaat mij goed,” zo voltrekt zich niet-gerichte ontplooiing. (S.47.10)

3. Het beschouwen van de geest

        En hoe beschouwt men voortdurend de geest bij de geest?

        Welnu, men begrijpt de geest met begeerte als hij met begeerte is. En men begrijpt de geest zonder begeerte als hij zonder begeerte is. Men begrijpt de geest met afkeer als hij vol afkeer is, en men begrijpt de geest zonder afkeer als hij zonder afkeer is. Men begrijpt de geest met onwetendheid als hij vol onwetendheid is; en men begrijpt de geest zonder onwetendheid als hij zonder onwetendheid is. Men begrijpt de bekrompen geestelijke staat als bekrompen, en de verstrooide geestelijke staat begrijpt men als verstrooid. Men begrijpt de ontwikkelde geestelijke staat als ontwikkeld; en men begrijpt de niet ontwikkelde geestelijke staat als niet ontwikkeld. De overtrefbare geestelijke staat begrijpt men als overtrefbaar; en de niet overtrefbare geestelijke staat begrijpt men als niet overtrefbaar. De geconcentreerde geestelijke staat begrijpt men als geconcentreerd; en de niet geconcentreerde geestelijke staat begrijpt men als niet geconcentreerd. De bevrijde geestelijke staat begrijpt men als bevrijd; en de niet bevrijde geestelijke staat begrijpt men als niet bevrijd.

        Zo beschouwt men voortdurend de geest bij de geest bij zichzelf, of men beschouwt voortdurend de geest bij de geest bij anderen, of men beschouwt voortdurend de geest bij de geest zowel bij zichzelf als bij anderen.

        Men beschouwt voortdurend het ontstaan van de geest, of men beschouwt voortdurend het vergaan van de geest. Of men beschouwt voortdurend zowel het ontstaan als het vergaan van de geest. Of de oplettendheid is gevestigd met de gedachte: 'De geest bestaat,' juist zoveel als nodig is voor inzicht en oplettendheid.

        En men leeft onafhankelijk en hecht aan niets in de wereld.

        Zo beschouwt men werkelijk voortdurend de geest bij de geest.

Bij het beschouwen van de geest is men zich ervan bewust dat er begeerte is of afkeer of onwetendheid, wanneer begeerte, afkeer of onwetendheid er zijn. Hoe is de gemoedsgesteldheid? Is men vol verlangen naar iets? Of vol afkeer van iets? Is men geconcentreerd of verstrooid? Zich dit bewust te zijn is oplettendheid, is het beschouwen van de geest.

Men beschouwt alleen de geest, en niet het lichaam of de gevoelens die ontstaan ten gevolge van geestelijk contact. En men identificeert zich niet met de geest, dus: "dit is een gedachte"; en niet: "dat denk ik," of “dat is mijn gedachte.”

“Er zijn drie [soorten van] neigingen, namelijk de neiging van de zintuigen, de neiging tot bestaan, en de neiging tot onwetendheid. Om die neigingen te overwinnen, moet men de vier grondslagen van oplettendheid ontplooien.” (S.47.50)

        Wanneer men voortdurend de geest[25] beschouwt, energiek, ze helder begrijpend en vol oplettendheid, moet men begeerte en zorg met betrekking tot de wereld opzij zetten.

Wie geen juiste voorstelling heeft van de geest (het bewustzijn), die kan zich niet concentreren, de vertroebelingen verdwijnen niet. Hij kan de vier grondslagen van oplettendheid niet ontplooien. Hij heeft geen notie van zijn eigen bewustzijn.

Maar een wijs iemand waakt bij het bewustzijn over het bewustzijn, onvermoeibaar, helder bewust, oplettend na het overwinnen van wereldse begeerte en droefenis.

Bij hem concentreert zich het bewustzijn, de vertroebelingen verdwijnen. Want hij heeft een juiste voorstelling van het bewustzijn.

Deze wijze persoon bereikt reeds in dit leven een gelukkig vertoeven, verkrijgt oplettendheid en helder bewustzijn. Want hij heeft een juiste voorstelling van zijn eigen bewustzijn. (S.47.8)

Als bij het waken bij de geest over de geest dorst en slapheid van het gemoed verschijnt, of wanneer het bewustzijn zich naar buiten keert, (wanneer men afdwaalt), dan moet men het bewustzijn op een bevredigende voorstelling richten. Dan ontstaat vreugde. Daarna ontstaat verrukking. Verrukt in de geest wordt het lichaam gekalmeerd. Met gekalmeerd lichaam voelt men zich goed. Dan concentreert zich het bewustzijn. Men overweegt dan: “Tot welk doel ik het bewustzijn daarheen gericht heb, dat doel is nu vervuld. Nu wil ik het terugtrekken.”

Men trekt het terug en overweegt niet meer en denkt niet meer (peinst niet meer). Men weet dat men vrij is van overwegen en peinzen, dat men zich goed voelt naar binnen achtzaam.

Zo voltrekt zich gerichte ontplooiing. (S.47.10)

En hoe voltrekt zich niet-gerichte ontplooiing? – Als het bewustzijn niet naar buiten gericht is, weet men dat. Men weet dat men niet verstrooid is op vroegere of latere zaken. Men weet dat men bij het bewustzijn waakt over het bewustzijn, onvermoeibaar, helder bewust, oplettend, na het overwinnen van wereldlijke verlangens en droefenis. “Het gaat mij goed,” zo voltrekt zich niet-gerichte ontplooiing. (S.47.10)

“Als het bewustzijn bevrijd is, dan is men een groot mens. En het bewustzijn is bevrijd als men bij het lichaam waakt over het lichaam, bij de gevoelens over de gevoelens, bij het bewustzijn over het bewustzijn, bij de geestformaties over de geestformaties. En men doet dat onvermoeibaar, helder bewust, oplettend, na het overwinnen van wereldse verlangens en droefenis.

Terwijl men zo waakt, wordt het bewustzijn zonder prikkels, wordt het zonder hechten bevrijd van de neigingen.

Zo is het bewustzijn bevrijd. En dan is men een groot mens. (S.47.11)

4. Het beschouwen van geestelijke objecten

        En hoe beschouwt men voortdurend geestelijke objecten bij geestelijke objecten?

De vijf hindernissen

        Men beschouwt de geestelijke objecten bij de geestelijke objecten van de vijf hindernissen op de volgende manier:

1. zintuiglijke verlangens

        Welnu, als zinnelijkheid aanwezig is, weet men met begrip: 'Ik heb zinnelijkheid.' Of, als zinnelijkheid afwezig is, weet men met begrip: 'Ik heb geen zinnelijkheid.' Men begrijpt hoe het ontstaan van de niet ontstane zinnelijkheid geschiedt. Men begrijpt hoe het opgeven van de ontstane zinnelijkheid geschiedt. En men begrijpt hoe het toekomstig niet meer ontstaan van de opgegeven zinnelijkheid geschiedt.

Zintuiglijk verlangen naar en bevrediging in zin-genot is een verontreiniging van de geest die er vast gevestigd is. Alles kan dienen als object voor begeerte, verlangen: kleuren en vormen, geluiden en geuren, smaken en aanrakingen, ideeën en gedachten. (Zie M.26) Die dingen zijn aangenaam, aantrekkelijk. Maar wie erin verstrikt is, wie geen inzicht heeft in het lijden, in het onbevredigende ervan, wie niet weet hoe eraan te ontkomen, die personen zijn tot ongeluk vervallen, zijn tot neergang vervallen, zijn een voorwerp naar willekeur voor het kwaad.

Maar degenen die van die dingen genieten zonder erin verstrikt te zijn, die er niet door overweldigd zijn, die inzicht in het lijden, het onbevredigende hebben, zij weten hoe zij eraan kunnen ontkomen. En die personen zijn niet tot het ongeluk vervallen, zijn niet tot neergang vervallen, zijn geen voorwerp naar willekeur voor het kwaad. (M.26)

“Begeerte omvat alle graden van aantrekkelijkheid tot een object, van het zwakste spoor van verlangen tot en met het grootste egoïsme.” (A.III.68).

De oorzaak, de voorwaarde dat de niet ontstane begeerte tot ontstaan komt en dat de ontstane begeerte steeds groter en sterker wordt, is een aantrekkelijk object. Want wie over een aantrekkelijk object onwijs nadenkt, bij hem komt de niet ontstane begeerte tot ontstaan en de ontstane begeerte wordt steeds groter en sterker." (A.III.68-69; A.I.2)

"De oorzaak, de voorwaarde dat de niet ontstane begeerte niet tot ontstaan komt en dat de ontstane begeerte verdwijnt, is een walgelijk object. Want wie over een walgelijk object wijs nadenkt, bij hem komt de niet ontstane begeerte niet tot ontstaan en de ontstane begeerte verdwijnt." (A.III.69; A.I.2)

Meditatie over de onreinheid van het menselijk lichaam is een middel om zinnelijke lust te overwinnen.

2. kwaadwil

Als kwaadwil, afkeer aanwezig is, weet men met begrip: 'Ik heb afkeer.' Of, als afkeer afwezig is, weet men met begrip: 'Ik heb geen afkeer.' Men begrijpt hoe het ontstaan van de niet ontstane afkeer geschiedt. Men begrijpt hoe het opgeven van de ontstane afkeer geschiedt. En men begrijpt hoe het toekomstig niet meer ontstaan van de opgegeven afkeer geschiedt.

“Afkeer ontstaat door onwijs nadenken over een walgelijk object. Afkeer omvat alle graden van tegenzin van het zwakste spoor van kwaadwil tot en met de hoogste top van haat en gramschap.” (A.III.68).

De oorzaak, de voorwaarde dat niet ontstane haat tot ontstaan komt en dat de ontstane haat steeds groter en sterker wordt, is een afstotend object. Want wie over een afstotend object onwijs nadenkt, bij hem komt de niet ontstane haat tot ontstaan en de ontstane haat wordt steeds groter en sterker." (A.III.69; A.I.2; zie ook A.II.124-125)

"De oorzaak, de voorwaarde dat de niet ontstane haat, afkeer niet tot ontstaan komt en dat de ontstane haat verdwijnt, is de liefdevolle vriendelijkheid,[26] de bevrijding van het hart. Want wie over de liefdevolle vriendelijkheid, de bevrijding van het hart, wijs nadenkt, bij hem komt de niet ontstane haat niet tot ontstaan en de ontstane haat verdwijnt." (A.III.69; A.I.2)

Het beoefenen van liefdevolle vriendelijkheid is het tegendeel van kwaadwil.

        Verdraagzaamheid is de hoogste ascese.

Er zijn negen manieren waarop wraakzucht wordt gevormd [en wel door te denken]: 1) Hij heeft mij kwaad gedaan. 2) Hij doet me kwaad. 3) Hij zal me kwaad doen. 4) Hij heeft kwaad gedaan jegens iemand die me dierbaar is. 5) Hij doet kwaad jegens een dierbare. 6) Hij zal kwaad doen jegens een dierbare. 7) Hij heeft goed gedaan jegens iemand die ik niet mag. 8) Hij doet goed jegens iemand die ik niet mag. 9) Hij zal goed doen jegens iemand die ik niet mag. (A.IX.29; A.X.79-80)

        Deze gedachten kunnen overwonnen worden door te denken welk nut het heeft om zulke gedachten te koesteren. (A.X.79-80)

1) Als een afkeer jegens iemand ontstaat, moet men liefdevolle vriendelijkheid ontwikkelen, 2) of medelijden of 3) gelijkmoedigheid jegens die persoon. 4) Of men moet geen aandacht aan die persoon schenken en niet aan hem of haar denken. 5) Of men moet de gedachte koesteren: “Het enige bezit van die persoon is zijn daden; wat die persoon ook doet, goed of slecht, hij zal er de erfgenaam van zijn." (A.V.161; zie ook A.V.162)

3. traagheid en starheid

        Als traagheid en starheid aanwezig zijn, weet men met begrip: 'Ik heb traagheid en starheid.' Of, als traagheid en starheid afwezig zijn, weet men met begrip: 'Ik heb geen traagheid en starheid.' Men begrijpt hoe het ontstaan van de niet ontstane traagheid en starheid geschiedt. Men begrijpt hoe het opgeven van de ontstane traagheid en starheid geschiedt. En men begrijpt hoe het toekomstig niet meer ontstaan van de opgegeven traagheid en starheid geschiedt.

Traagheid is een ziekelijke toestand van de geest; luiheid is een ziekelijke toestand van de geestelijke eigenschappen. Het is geen vermoeidheid van het lichaam. Laksheid is een gevaarlijke vijand van geestelijke ontwikkeling. Ze leidt tot grotere laksheid totdat er uiteindelijk een toestand ontstaat van grote onverschilligheid.

 Bij degene die geestelijk slap is, komen de niet ontstane starheid en luiheid tot ontstaan en de ontstane starheid en luiheid krijgen groei en ontwikkeling." (A.1.2)

Geen ander middel kent de Boeddha waardoor de ontstane starheid en luiheid niet tot ontstaan komen en de ontstane starheid en luiheid verdwijnen, dan de geestelijke houding van de wilskracht, het vooruitstreven, en de energieke volharding. “Want wie zijn wilskracht inzet, bij hem komen de niet ontstane starheid en luiheid niet tot ontstaan en de ontstane starheid en luiheid verdwijnen." (A.1.2)  

4. rusteloosheid en gewetenswroeging

        Deze hindernis bestaat uit geestelijke rusteloosheid, overbezorgdheid, gewetenswroeging, piekeren, gebrek aan innerlijke vrede en rust.

        Als rusteloosheid en gewetenswroeging aanwezig zijn, weet men met begrip: 'Ik heb rusteloosheid en gewetenswroeging.' Of, als rusteloosheid en gewetenswroeging afwezig zijn, weet men met begrip: 'Ik heb geen rusteloosheid en gewetenswroeging.' Men begrijpt hoe het ontstaan van de niet ontstane rusteloosheid en gewetenswroeging geschiedt. Men begrijpt hoe het opgeven van de ontstane rusteloosheid en gewetenswroeging geschiedt. En men begrijpt hoe het toekomstig niet meer ontstaan van de opgegeven rusteloosheid en gewetenswroeging geschiedt.

Piekeren is heel onheilzaam. (S.I.64-65)

                Kalmte, een rustige geest, geluk is het tegendeel van rusteloosheid en bezorgdheid.

        De Boeddha zei dat hij niets anders kent waardoor de nog niet ontstane opwinding en gewetensonrust zozeer tot ontstaan en de ontstane opwinding en gewetensonrust tot groei en ontwikkeling komt, dan de innerlijke ontevredenheid.    “Want bij degene die innerlijk onrustig is, komt de niet ontstane opwinding en gewetensonrust tot ontstaan en de ontstane opwinding en gewetensonrust krijgt groei en ontwikkeling." (A.I.2)

Niets anders kent de Boeddha waardoor de niet ontstane opgewondenheid en geestelijke onrust niet tot ontstaan komt en de ontstane opgewondenheid en gewetensonrust verdwijnt, dan de innerlijke rust. "Want bij degene die innerlijk rustig is, komt de niet ontstane opgewondenheid en gewetensonrust niet tot ontstaan en de ontstane opgewondenheid en gewetensonrust verdwijnt." (A.1.2)

5. twijfel

        Als twijfel aanwezig is, weet men met begrip: 'Ik heb twijfel.' Of, als twijfel afwezig is, weet men met begrip: 'Ik heb geen twijfel.' Men begrijpt hoe het ontstaan van de niet ontstane twijfel geschiedt. Men begrijpt hoe het opgeven van de ontstane twijfel geschiedt. En men begrijpt hoe het toekomstig niet meer ontstaan van de opgegeven twijfel geschiedt.

Deze hindernis heeft hier betrekking op twijfel betreffende de Boeddha, de leer, de Orde en de beoefening van de leer. (M.16)

        Tot overwinning van twijfel wordt contemplatie over de voordelen van de Drie Juwelen (Boeddha, Dhamma, Ariyasangha) onderwezen.[27]

 De twijfel wordt opgeheven en vervangen door onwankelbaar en onveranderlijk vertrouwen in de Boeddha, diens leer en de gemeenschap van heiligen bij het in de stroom treden. Want slechts op dit niveau is de band van twijfel volkomen vernietigd.

        Zo beschouwt men voortdurend geestelijke objecten bij geestelijke objecten bij zichzelf. Of men beschouwt voortdurend geestelijke objecten bij geestelijke objecten bij anderen. Of men beschouwt voortdurend geestelijke objecten bij geestelijke objecten zowel bij zichzelf als bij anderen.

Men beschouwt voortdurend het ontstaan van de geestelijke objecten. Of men beschouwt voortdurend het vergaan van geestelijke objecten. Of men beschouwt voortdurend zowel het ontstaan als het vergaan van geestelijke objecten. Of de oplettendheid is gevestigd met de gedachte: 'Geestelijke objecten bestaan,’ juist zoveel als nodig is voor inzicht en oplettendheid.

        En men leeft onafhankelijk en hecht aan niets in de wereld.

        Aldus beschouwt men werkelijk voortdurend geestelijke objecten bij de geestelijke objecten van de vijf hindernissen.

Wanneer iemand voortdurend geestelijke objecten beschouwt, energiek, ze helder begrijpend en vol oplettendheid, dan moet hij begeerte en zorg met betrekking tot de wereld opzij zetten.

Men beschouwt alleen geestelijke objecten, en niet het lichaam of de gevoelens of gedachten die ontstaan ten gevolge van contact met geestelijke objecten. - En men identificeert zich niet met de geestelijke objecten, dus: "dit is een geestelijk object"; en niet: "dat ben ik."

Bij het beschouwen van de geestelijke objecten gaat het niet alleen om een passief beschouwen, maar ook om het afnemen van onheilzame toestanden en het bevorderen van heilzame toestanden.

Men weet wanneer de vijf hindernissen aanwezig zijn en wanneer ze afwezig zijn. Men weet ook hoe ze ontstaan, hoe men ze opgeeft en hoe men kan voorkomen dat ze weer ontstaan.

“Niet heilzaam zijn de vijf hindernissen, namelijk de hindernis door wensen, willen, de hindernis door haat, de hindernis door luiheid, de hindernis door opwinding en onrust, en de hindernis door twijfel.

Maar heilzaam zijn de vier grondslagen van oplettendheid.” (S.47.5)

“Wie geen juiste voorstelling heeft van de formaties van de geest, die kan zich niet concentreren, de vertroebelingen verdwijnen niet. Hij kan de vier grondslagen van oplettendheid niet ontplooien. Hij heeft geen notie van zijn eigen bewustzijn.

Maar een wijs iemand waakt bij de geestformaties over de geestformaties, onvermoeibaar, helder bewust, oplettend na het overwinnen van wereldse begeerte en droefenis.

Bij hem concentreert zich het bewustzijn, de vertroebelingen verdwijnen. Want hij heeft een juiste voorstelling van de geestformaties.

Deze wijze persoon bereikt reeds in dit leven een gelukkig vertoeven, verkrijgt oplettendheid en helder bewustzijn. Want hij heeft een juiste voorstelling van zijn eigen bewustzijn. (S.47.8)

“Als bij het waken bij de geestelijke objecten over de geestelijke objecten dorst en slapheid van het gemoed verschijnt, of wanneer het bewustzijn zich naar buiten keert, (wanneer men verstrooid is), dan moet men het bewustzijn op een bevredigende voorstelling richten. Dan ontstaat vreugde. Daarna ontstaat verrukking. Verrukt in de geest wordt het lichaam gekalmeerd. Met gekalmeerd lichaam voelt men zich goed. Dan concentreert zich het bewustzijn. Men overweegt dan: “Tot welk doel ik het bewustzijn daarheen gericht heb, dat doel is nu vervuld. Nu wil ik het terugtrekken.” (S.47.10)

Men trekt het terug en overweegt niet meer en denkt niet meer (peinst niet meer). Men weet dat men vrij is van overwegen en peinzen, dat men zich goed voelt naar binnen achtzaam.

Zo voltrekt zich gerichte ontplooiing. (S.47.10)

En hoe voltrekt zich niet-gerichte ontplooiing? – Als het bewustzijn niet naar buiten gericht is, weet men dat. Men weet dat men niet verstrooid is op vroegere of latere zaken. Men weet dat men bij de geestformaties waakt over de geestformaties, onvermoeibaar, helder bewust, oplettend, na het overwinnen van wereldlijke verlangens en droefenis. “Het gaat mij goed,” zo voltrekt zich niet-gerichte ontplooiing.” (S.47.10)

Wie goed gevestigd is in de vier grondslagen van oplettendheid, zal een geweldig resultaat ervan ondervinden. (S.47.10)

Voedsel voor en het te boven komen van de vijf hindernissen

        “Juist zoals dit lichaam voedsel nodig heeft en niet zonder voedsel kan leven, evenzo hebben de vijf hindernissen voedsel nodig en kunnen zij zonder voedsel niet bestaan.” (S.46.2).

        Het voedsel van die belemmeringen wordt gevormd door de drie slechte manieren van leven, namelijk verkeerd gedrag wat betreft lichaam, taal en denken.

        Dit drievoudige voedsel wordt op zijn beurt gevoed door het niet-beheersen van de zintuigen. Dit niet-beheersen van de zintuigen bestaat erin dat begeerte en afkeer toegelaten worden tot de zes zintuigen: oog, oor, neus, tong, lichaam en geest. Het voedsel van niet-beheersing is gebrek aan oplettendheid. De geest mist dan de kennis van de eigenschappen van het bestaan: veranderlijkheid en vergankelijkheid, onvoldaanheid en niet-zelf. Ook het vergeten van de ware natuur der dingen is een reden voor niet-beheersing van de zintuigen. Als men niet steeds de vergankelijkheid en de andere eigenschappen van de dingen in gedachten houdt, dan veroorlooft men zich alle soorten vrijheden in denken, taal en daden.

Wanneer men zichzelf vrij ziet van deze vijf hindernissen, ontstaat vreugde. In degene die vol vreugde is, ontstaat verrukking. Bij degene wiens geest vol verrukking is, is het lichaam gekalmeerd. Wanneer het lichaam tot bedaren is gekomen, voelt men geluk. En een gelukkige geest vindt concentratie. (D.2)

        Het beheersen van de zintuigen gaat aldus. Wanneer men met het oog een vorm ziet, hecht men niet aan het geheel noch aan de details ervan. En omdat bij het onbewaakte oog begeerte en ongenoegen, slechte, onheilzame invloeden in iemand kunnen binnenstromen, daarom doet men moeite om dat te verhinderen. Men waakt over het oog en beteugelt het.

Wanneer men met het oor een geluid hoort – wanneer men met de neus een geur ruikt – wanneer men met de tong een smaak proeft – wanneer men met het lichaam iets tastbaars voelt – wanneer men zich in de geest bewust is van een gedachte, dan hecht men niet aan het geheel noch aan de details ervan. En omdat bij de onbewaakte zintuigen begeerte en ongenoegen, slechte, onheilzame invloeden in iemand kunnen binnenstromen, daarom doet men moeite om dat te verhinderen. Men waakt over de zintuigen en beteugelt ze. Zo waakt men over de deuren van de zintuigen. (A.III.16) 

Het weten van het ontstaan van een van de hindernissen is een eenvoudige maar zeer effectieve methode om deze en andere smetten van de geest tegen te gaan. Door het oplettend en direct noteren van de hindernissen wordt een halt toegeroepen aan het ongeremde voortbestaan van onheilzame gedachten. Het noemen van de naam breekt de betovering, zoals ook in meerdere sprookjes wordt verhaald. Tevens wordt de oplettendheid van de geest erdoor versterkt. Deze methode is gebaseerd op een eenvoudig maar psychologisch feit. In de commentaren is het als volgt omschreven: “Een goede en een slechte gedachte kunnen niet tegelijkertijd ontstaan. Tijdens het weten van het zinsverlangen (dat in het voorgaande moment ontstond) bestaat daarom dat zinsverlangen niet meer (maar alleen de daad van weten).”

De zes elementen van ontkomen

Het is niet mogelijk dat bij iemand de geest geboeid blijft door afkeer, als hij de bevrijding van het gemoed door het overdenken van metta, liefdevolle vriendelijkheid ontplooit en vaak oefent. Want de gemoed bevrijdende vriendelijkheid bestaat in het ontgaan van afkeer.

        Het is niet mogelijk dat bij iemand die mededogen ontplooit en vaak oefent, de geest geboeid blijft door vijandschap. Want het gemoed bevrijdende mededogen bestaat in het ontgaan van vijandschap.

       Het is niet mogelijk dat bij iemand die medevreugde ontplooit en vaak oefent, de geest geboeid wordt door jaloersheid en ongenoegen. Want de gemoed bevrijdende medevreugde bestaat in het ontgaan van jaloersheid en ongenoegen.

Het is niet mogelijk dat bij iemand die gelijkmoedigheid ontplooit en vaak oefent, de geest door begeerte wordt geboeid. Want in het ontgaan van begeerte bestaat de gemoed bevrijdende gelijkmoedigheid. (A.VI.13; zie ook A.V.200)

De vijf groeperingen van hechten (khandha)

        En verder beschouwt men voortdurend geestelijke objecten bij de geestelijke objecten van de vijf groeperingen van hechten. En hoe doet men dat?

        Welnu, men denkt: 'Zo is materiële vorm[28]; zo is het ontstaan van materiële vorm; en zo is het verdwijnen van materiële vorm.

        Zo is gevoel; zo is het ontstaan van gevoel; en zo is het verdwijnen van gevoel.

        Zo is gewaarwording; zo is het ontstaan van gewaarwording; en zo is het verdwijnen van gewaarwording.

        Zo zijn de geestelijke formaties; zo is het ontstaan van de geestelijke formaties; en zo is het verdwijnen van de geestelijke formaties.

        Zo is bewustzijn, zo is het ontstaan van bewustzijn; en zo is het verdwijnen van bewustzijn.’

        Zo beschouwt men voortdurend geestelijke objecten bij geestelijke objecten bij zichzelf. Of men beschouwt voortdurend geestelijke objecten bij geestelijke objecten bij anderen. Of men beschouwt voortdurend geestelijke objecten bij geestelijke objecten zowel bij zichzelf als bij anderen.

        Men beschouwt voortdurend het ontstaan van de geestelijke objecten. Of men beschouwt voortdurend het vergaan van geestelijke objecten. Of men beschouwt voortdurend zowel het ontstaan als het vergaan van geestelijke objecten. Of de oplettendheid is gevestigd met de gedachte: 'Geestelijke objecten bestaan,’ juist zoveel als nodig is voor inzicht en oplettendheid.

        En men leeft onafhankelijk en hecht aan niets in de wereld.

Zo beschouwt men werkelijk voortdurend geestelijke objecten bij de geestelijke objecten van de vijf groeperingen van hechten.

De vijf groepen van bestaan waaraan men gehecht kan zijn, zijn vijf groepen van factoren die de individuele persoonlijkheid vormen: materiële vorm, gevoel, gewaarwording, geestelijke formaties en bewustzijn. Die vijf groepen van bestaan vormen de beleveniswereld waarop de ik-illusie zich baseert – "dit is van mij, dit behoort mij toe".

materiële vorm, lichamelijkheid (rupa)

De groep van lichamelijkheid (rupa) wordt gevormd door de vier grofstoffelijke elementen [aarde, water, vuur, lucht] en de vorm die daarvan afhankelijk is. Rupa omvat het gehele fysieke aspect van de werkelijkheid, niet slechts het menselijk lichaam.

Hoe is het verdwijnen van materiële vorm? - Het lichaam is opgebouwd uit de vier elementen aarde, water, vuur en lucht. Lust en welgevallen die ten gevolge van die elementen ontstaan, dat is het aangename ervan. Het onbestendige, smartelijke, veranderlijke, vergankelijke dat van die elementen ontstaat, dat is het nadelige ervan. Het verwijderen van het verlangen en de begeerte ernaar, het opgeven van verlangen en begeerte ernaar, dat is het ontkomen aan die elementen, is het ontkomen aan materiële vorm. En ook het opgeven van afkeer is het ontkomen eraan.

gevoel (vedanā)

Gevoel kan ingedeeld worden in: gevoel door visuele indruk, gevoel door geluid-indruk, gevoel door geur-indruk, gevoel door smaak-indruk, gevoel door tast-indruk en gevoel door geestelijke indruk.

Verder zijn er drie soorten van gevoel: het aangename gevoel, het onaangename gevoel en het noch aangename noch onaangename gevoel. (zie M.43)

Wat lichamelijk of geestelijk als aangenaam en prettig ondervonden wordt, dat is aangenaam gevoel. Wat lichamelijk of geestelijk als pijnlijk en onaangenaam ondervonden wordt, dat is pijnlijk gevoel. Wat lichamelijk of geestelijk niet als aangenaam noch als onaangenaam ondervonden wordt, dat is niet pijnlijk noch aangenaam gevoel. (M.44)

Hoe is het ontstaan van gevoel? - Gevoel (vedana) is afhankelijk van aanraking, contact  Ten gevolge van de verscheidenheid der aanrakingen, contacten ontstaat de verscheidenheid van de gevoelens.

Hoe is het verdwijnen van gevoel? - Gevoel is afwezig als aanraking, contact afwezig is.

gewaarwording (saññā)

Gewaarwording, waarneming (saññā) kan ingedeeld worden in: gewaarwording van zichtbare objecten, gewaarwording van geluiden, gewaarwording van geuren, gewaarwording van smaken, gewaarwording van lichamelijke indrukken en gewaarwording van geestelijke indrukken.

Ook het geheugen, de herinnering, het herkennen van fysieke en mentale verschijnselen spelen hier een rol, omdat waarnemingen en het voorstellingsvermogen afhankelijk zijn van vroegere ervaringen.

Gewaarwording ontstaat in afhankelijkheid van aanraking, contact.

Gewaarwording verdwijnt als er geen contact meer is van zintuig met een object.

geestelijke formaties (sankhāra)

De groep van geestelijke formaties bestaat uit wil met betrekking tot zichtbare objecten, wil m.b.t. geluiden, wil m.b.t. geuren, wil m.b.t. smaken, wil m.b.t. lichamelijke indrukken, en wil m.b.t. geestelijke objecten.

In afhankelijkheid van onwetendheid (avijja) ontstaan de vormingen, formaties. Het zijn de bewuste of onbewuste intenties en gedachten die het gedrag bepalen. Er zijn karmisch heilzame en onheilzame formaties in daden, woorden en gedachten, namelijk de formatie van het lichaam, de vorming van lichamelijke acties; de formatie van de taal, de vorming van praten; en de formatie van de geest, de vorming van denken.

De formatie van het lichaam is het in- en uitademen. De formatie van de taal bestaat in het vormen van gedachten en discursief denken. De formatie van de geest bestaat in waarneming en gevoel. (M.44)

Hoe verdwijnen deze formaties? - De formaties, vormingen hebben onwetendheid als oorzaak. Afhankelijk van het volledig opheffen en verdwijnen van onwetendheid is het opheffen en verdwijnen van wilsformaties, van de vormingen. De opheffing van de onwetendheid is oorzaak voor de opheffing van de formaties.

Het pad dat leidt naar de opheffing van de onwetendheid is het edele achtvoudige pad.

bewustzijn (viññana)

Bewustzijn ontstaat in afhankelijkheid van zintuig en bijbehorend object. (M.38)

Er ontstaat visueel bewustzijn ten gevolge van oog, voorwerp en contact; er ontstaat auditief bewustzijn ten gevolge van oor, geluid en contact; er ontstaat geur-bewustzijn ten gevolge van neus, geur en contact; er ontstaat smaak-bewustzijn ten gevolge van tong, voorwerp en contact; er ontstaat aanrakings-bewustzijn ten gevolge van lichaam, object en aanraking; er ontstaat geestbewustzijn ten gevolge van denken, gedachten en contact. Kortom, er zijn zes soorten van bewustzijn: bewustzijn door zien, horen, ruiken, proeven, aanraken en denken. De ontwikkeling van onderscheid maken veroorzaakt de ontwikkeling van bewustzijn. (M.9)

Hoe is het verdwijnen van bewustzijn? - Als er geen contact is tussen zintuig en object, kan er geen bewustzijn ontstaan.[29]

Deze vijf groepen of bestanddelen zijn onpersoonlijk en leeg. Betreffende de onpersoonlijkheid (anatta) en leegheid (suññata) ervan is gezegd: “Wat er ook bestaat aan lichamelijkheid, gevoelens, gewaarwording, geestelijke formaties en bewustzijn, hetzij in het verleden, tegenwoordig of toekomstig, eigen of van anderen, grof of fijn, hoog of laag, veraf of nabij, dit moet men overeenkomstig de werkelijkheid en ware wijsheid aldus begrijpen: ‘Dit behoort mij niet toe, dit ben ik niet, dit is niet mijn zelf.’” (S.XXI,5; S.XXII.48; zie ook S.XXII.95).

Alles wat is samengesteld, is onderhevig aan veranderen. Het is vergankelijk, niet-blijvend.  

De zes inwendige en de zes uitwendige zintuiglijke grondslagen

        En verder beschouwt men voortdurend geestelijke objecten bij de geestelijke objecten van de zes inwendige en de zes uitwendige zintuiglijke grondslagen. En hoe doet men dat?

het oog en materiële vormen

        Welnu, men begrijpt het oog (gezichtsorgaan) en materiële vormen en de kluister die ontstaat afhankelijk van beide. Men begrijpt hoe het ontstaan van de niet ontstane kluister geschiedt. Men begrijpt hoe het opgeven van de ontstane kluister geschiedt. En men begrijpt hoe het toekomstig niet meer ontstaan van de opgegeven kluister geschiedt.

Men begrijpt dat er via oog en zichtbaar object oog-contact ontstaat en visueel bewustzijn. Men begrijpt dat op die manier begeerte naar iets kan ontstaan of afkeer van iets.

De begeerte wordt opgeheven door datgene wat dierbaar en aangenaam is, te beschouwen als vergankelijk, als onvoldaan, frustrerend, als iets dat geen zelf is, als ziekte, als gevaar. Zo wordt men vrij van begeerte, haat en onwetendheid, vrij van verlangen en hechten, vrij van voorkeur en afkeer.

Wees bewaakt wat betreft het oog. Als je een materiële vorm gezien hebt met het oog, wees dan niet in verrukking gebracht door de algemene verschijning ervan noch door het detail. Want als je met het oog onbeheerst vertoeft, kunnen begeerte en ontmoediging, kwade, onheilzame staten van de geest binnenstromen. Blijf daarom het oog beheersen, bewaak het, verkrijg beheersing over het oog. (M.107)

het oor en geluiden

        Men begrijpt het oor (gehoororgaan) en de geluiden en de kluister die ontstaat afhankelijk van beide. Men begrijpt hoe het ontstaan van de niet ontstane kluister geschiedt. Men begrijpt hoe het opgeven van de ontstane kluister geschiedt. En men begrijpt hoe het toekomstig niet meer ontstaan van de opgegeven kluister geschiedt.

Men begrijpt dat er via oor en hoorbaar geluid oor-contact ontstaat en hoor-bewustzijn. Men begrijpt dat op die manier begeerte naar iets kan ontstaan of afkeer van iets.

Wees bewaakt wat betreft het oor. Als je een geluid gehoord hebt met het oor, wees dan niet in verrukking gebracht door de algemene verschijning ervan noch door het detail. Want als je met het oor onbeheerst vertoeft, kunnen begeerte en ontmoediging, kwade, onheilzame staten van de geest binnenstromen. Blijf daarom het oor beheersen, bewaak het, verkrijg beheersing over het oor. (M.107)

        

de neus en geuren

        Men begrijpt de neus (het reukorgaan) en geuren en de kluister die ontstaat afhankelijk van beide. Men begrijpt hoe het ontstaan van de niet ontstane kluister geschiedt. Men begrijpt hoe het opgeven van de ontstane kluister geschiedt. En men begrijpt hoe het toekomstig niet meer ontstaan van de opgegeven kluister geschiedt.

Men begrijpt dat er via neus en geur neus-contact ontstaat en ruik-bewustzijn. Men begrijpt dat op die manier begeerte naar iets kan ontstaan of afkeer van iets.

Wees bewaakt wat betreft de neus. Als je een geur geroken hebt met de neus, wees dan niet in verrukking gebracht door de algemene verschijning ervan noch door het detail. Want als je met de neus onbeheerst vertoeft, kunnen begeerte en ontmoediging, kwade, onheilzame staten van de geest binnenstromen. Blijf daarom de neus beheersen, bewaak ze, verkrijg beheersing over de neus. (M.107)

de tong en smaken

        Men begrijpt de tong (het smaakorgaan) en smaken en de kluister die ontstaat afhankelijk van beide. Men begrijpt hoe het ontstaan van de niet ontstane kluister geschiedt. Men begrijpt hoe het opgeven van de ontstane kluister geschiedt. En men begrijpt hoe het toekomstig niet meer ontstaan van de opgegeven kluister geschiedt.

Men begrijpt dat er via tong en smaak tong-contact ontstaat en smaak-bewustzijn. Men begrijpt dat op die manier begeerte naar iets kan ontstaan of afkeer van iets.

Wees bewaakt wat betreft de tong. Als je een smaak geproefd hebt met de tong, wees dan niet in verrukking gebracht door de algemene verschijning ervan noch door het detail. Want als je met de tong onbeheerst vertoeft, kunnen begeerte en ontmoediging, kwade, onheilzame staten van de geest binnenstromen. Blijf daarom de tong beheersen, bewaak ze, verkrijg beheersing over de tong. (M.107)

het lichaam en tastbare objecten

        Men begrijpt het lichaam (het tastorgaan) en tastbare objecten en de kluister die ontstaat afhankelijk van beide. Men begrijpt hoe het ontstaan van de niet ontstane kluister geschiedt. Men begrijpt hoe het opgeven van de ontstane kluister geschiedt. En men begrijpt hoe het toekomstig niet meer ontstaan van de opgegeven kluister geschiedt.

Men begrijpt dat er via lichaam en voorwerp lichaam-contact ontstaat en aanrakingsbewustzijn. Men begrijpt dat op die manier begeerte naar iets kan ontstaan of afkeer van iets.

Wees bewaakt wat betreft het lichaam. Als je een aanraking gevoeld hebt met het lichaam, wees dan niet in verrukking gebracht door de algemene verschijning ervan noch door het detail. Want als je met het lichaam onbeheerst vertoeft, kunnen begeerte en ontmoediging, kwade, onheilzame staten van de geest binnenstromen. Blijf daarom het lichaam beheersen, bewaak het, verkrijg beheersing over het lichaam. (M.107)

de geest (het bewustzijn) en geestelijke objecten

        Men begrijpt de geest (het bewustzijn, het besef-orgaan) en geestelijke objecten en de kluister die ontstaat afhankelijk van beide. Men begrijpt hoe het ontstaan van de niet ontstane kluister geschiedt. Men begrijpt hoe het opgeven van de ontstane kluister geschiedt. En men begrijpt hoe het toekomstig niet meer ontstaan van de opgegeven kluister geschiedt.[30]

Men begrijpt dat er via geest en geestelijk object geest-contact ontstaat en geest-bewustzijn. Men begrijpt dat op die manier begeerte naar iets kan ontstaan of afkeer van iets.

Wees bewaakt wat betreft de geest. Als je een geestelijke staat onderkend hebt met de geest, wees dan niet in verrukking gebracht door de algemene verschijning ervan noch door het detail. Want als je met de geest onbeheerst vertoeft, kunnen begeerte en ontmoediging, kwade, onheilzame staten van de geest binnenstromen. Blijf daarom de geest beheersen, bewaak ze, verkrijg beheersing over de geest. (M.107)

        Zo beschouwt men voortdurend geestelijke objecten bij geestelijke objecten bij zichzelf. Of men beschouwt voortdurend geestelijke objecten bij geestelijke objecten bij anderen. Of men beschouwt voortdurend geestelijke objecten bij geestelijke objecten zowel bij zichzelf als bij anderen.

        Men beschouwt voortdurend het ontstaan van de geestelijke objecten. Of men beschouwt voortdurend het vergaan van geestelijke objecten. Of men beschouwt voortdurend zowel het ontstaan als het vergaan van geestelijke objecten. Of de oplettendheid is gevestigd met de gedachte: 'Geestelijke objecten bestaan,’ juist zoveel als nodig is voor inzicht en oplettendheid.

        En men leeft onafhankelijk en hecht aan niets in de wereld.

        Aldus beschouwt men werkelijk voortdurend geestelijke objecten bij de geestelijke objecten van de zes inwendige en de zes uitwendige zintuiglijke grondslagen.

Men weet hoe materiële vorm, gevoel, gewaarwording en gedachten en ideeën ontstaan en weer verdwijnen.

Bij degene die op verkeerde paden gaat, vind Mara een steunpunt. Die verkeerde paden zijn: de vijf soorten van zintuiglijke verlangens, namelijk de vormen, geluiden, geuren, smaken en aanrakingen die in het bewustzijn treden door oog, oor, neus, tong, lichaam. Ze zijn dierbaar, geliefd, aangenaam.

De juiste weg zijn de vier grondslagen van oplettendheid.” (S.47.6-7)

De zeven factoren van Verlichting (bojjhanga)

        En verder beschouwt men voortdurend geestelijke objecten bij de geestelijke objecten van de zeven factoren van Verlichting. En hoe doet men dat?

de verlichtingsfactor van oplettendheid

        Welnu, wanneer de verlichtingsfactor van oplettendheid aanwezig is, weet men met begrip: 'Ik heb de verlichtingsfactor van oplettendheid.' Of wanneer de verlichtingsfactor van oplettendheid afwezig is, weet men met begrip: 'Ik heb niet de verlichtingsfactor van oplettendheid.' En men begrijpt hoe het ontstaan van de niet ontstane verlichtingsfactor van oplettendheid geschiedt en hoe het ontwikkelen en vervolmaken van de ontstane verlichtingsfactor van oplettendheid geschiedt. (M.10)

De factor van Verlichting van oplettendheid wordt bevorderd door afgescheidenheid, ontzegging en beëindigen, en leidt tot loslaten. (M.118)  

De factor van Verlichting van oplettendheid is bij iemand verankerd en wordt bij hem voortgebracht wanneer hij het lichaam als een lichaam beschouwt; of wanneer men gevoelens als gevoelens beschouwt; of wanneer men de geest als geest beschouwt; of wanneer men objecten van de geest als objecten van de geest beschouwt; en dat alles na gehechtheid aan de wereld te hebben geëlimineerd. (M.118)

Men moet steeds oplettend zijn bij alle daden, zowel geestelijke als mondelinge en schriftelijke en lichamelijke activiteiten. Oplettendheid is hoger dan geleerdheid. Want zonder oplettendheid is men niet in staat om het geleerde in praktijk te brengen. Ook is men dan niet in staat om slechte gedachten te verdrijven en om ze te vervangen door goede.

Oplettendheid is het belangrijkste instrument bij zelfdiscipline.

de verlichtingsfactor van het onderzoeken van de verschijnselen

        Wanneer de verlichtingsfactor van het onderzoeken van de verschijnselen[31] aanwezig is, weet men met begrip: 'Ik heb de verlichtingsfactor van het onderzoeken van de verschijnselen.' Of wanneer de verlichtingsfactor van het onderzoeken van de verschijnselen afwezig is, weet men met begrip: 'Ik heb niet de verlichtingsfactor van het onderzoeken van de verschijnselen.' En men begrijpt hoe het ontstaan van de niet ontstane verlichtingsfactor van het onderzoeken van de verschijnselen geschiedt en hoe het ontwikkelen en vervolmaken van de ontstane verlichtingsfactor van het onderzoeken van de verschijnselen geschiedt. (M.10)

        “Wanneer men nadenkt over het ontstaan en vergaan van de verschijnselen[32], ondervindt men vreugde en geluk. Dit is het Doodloze, Nibbāna.” (Dhp.374).

De factor van Verlichting van onderzoek van de verschijnselen wordt bevorderd door afgescheidenheid, ontzegging en beëindigen, en leidt tot loslaten. (M.118)

Het onderzoeken van de verschijnselen is het zien van de dingen zoals ze werkelijk zijn. Alles wat oorzakelijk ontstaan is, wat samengesteld is, vergaat, valt weer uiteen. Het is zonder blijvende kern, zonder zelfstandigheid. Het is niet blijvend en daarom brengt het leed. Dit begrijpen van de wetten van oorzakelijk ontstaan, van vergankelijkheid, leed en niet-zelf is doordringend inzicht.

de verlichtingsfactor van energie

        Wanneer de verlichtingsfactor van energie aanwezig is, weet men met begrip: 'Ik heb de verlichtingsfactor van energie.' Of wanneer de verlichtingsfactor van energie afwezig is, weet men met begrip: 'Ik heb niet de verlichtingsfactor van energie.' En men begrijpt hoe het ontstaan van de niet ontstane verlichtingsfactor van energie geschiedt en hoe het ontwikkelen en vervolmaken van de ontstane verlichtingsfactor van energie geschiedt. (M.10)

De factor van Verlichting van energie wordt bevorderd door afgescheidenheid, ontzegging en beëindigen, en leidt tot loslaten. (M.118)  

        De kracht van energie, ook de kracht van de wil genoemd, is te herkennen aan de vier juiste inspanningen (sammappadhana).  

De vier juiste inspanningen zijn:

(1) Zich inspannen om nog niet ontstane onheilzame geestelijke toestanden niet te laten ontstaan; de inspanning om slechte en onheilzame staten te vermijden.

(2) De inspanning om reeds ontstane onheilzame geestelijke toestanden te overwinnen; de inspanning om kwaad dat al ontstaan is, te verwijderen; de inspanning om slechte en onheilzame staten te overwinnen.

(3) Zich inspannen om nog niet ontstane heilzame geestelijke toestanden te laten ontstaan; de inspanning om het goede dat nog niet ontstaan is, te cultiveren; de inspanning om goede en heilzame staten te produceren.

(4) Zich inspannen om reeds ontstane heilzame geestelijke toestanden te laten voortduren, te versterken, te laten toenemen, te ontplooien en te vervolmaken; de inspanning om het goede dat al ontstaan is, te bevorderen; de inspanning om goede en heilzame staten te handhaven.

Energie of juiste inspanning is een geestelijke eigenschap. Iedereen moet zelf streven naar zijn of haar eigen bevrijding. Anderen kunnen daarbij wel een hulp zijn, maar de uiteindelijke vrijheid van leed, van het onvoldane, moet door ieder zelf bewerkstelligd worden.

de verlichtingsfactor van enthousiasme

        Wanneer de verlichtingsfactor van enthousiasme aanwezig is, weet men met begrip: 'Ik heb de verlichtingsfactor van enthousiasme.' Of wanneer de verlichtingsfactor van enthousiasme afwezig is, weet men met begrip: 'Ik heb niet de verlichtingsfactor van enthousiasme.' En men begrijpt hoe het ontstaan van de niet ontstane verlichtingsfactor van enthousiasme geschiedt en hoe het ontwikkelen en vervolmaken van de ontstane verlichtingsfactor van enthousiasme geschiedt. (M.10)

De factor van Verlichting van enthousiasme wordt bevorderd door afgescheidenheid, ontzegging en beëindigen, en leidt tot loslaten. (M.118)  

Wanneer men zichzelf vrij ziet van de vijf hindernissen ontstaat vreugde. In degene die vol vreugde is, ontstaat verrukking. Bij degene wiens geest vol verrukking is, is het lichaam gekalmeerd. Wanneer het lichaam tot bedaren is gekomen, voelt men geluk. En een gelukkige geest vindt concentratie. (D.2)    

de verlichtingsfactor van kalmte

        Wanneer de verlichtingsfactor van kalmte aanwezig is, weet men met begrip: 'Ik heb de verlichtingsfactor van kalmte.' Of wanneer de verlichtingsfactor van kalmte afwezig is, weet men met begrip: ' Ik heb niet de verlichtingsfactor van kalmte.' En men begrijpt hoe het ontstaan van de niet ontstane verlichtingsfactor van kalmte geschiedt en hoe het ontwikkelen en vervolmaken van de ontstane verlichtingsfactor van kalmte geschiedt. (M.10)

De factor van Verlichting van kalmte wordt bevorderd door afgescheidenheid, ontzegging en beëindigen, en leidt tot loslaten. (M.118)

De factor van kalmte is tweevoudig: (a) kalmte van het lichaam, kalmte van de factoren van gevoelens, waarneming en willen; (b) kalmte van de geest, van bewustzijn, van het gemoed.

        Met een onrustige geest kan concentratie niet met succes beoefend worden. Het is moeilijk om ook onder ongunstige omstandigheden kalm van geest te blijven. Systematische overdenking is een hulp om de onrustige geest tot rust te brengen. Als men een rustige geest heeft, kan men concentratie met succes ontwikkelen. Stilheid, kalmte van geest leidt tot diep, helder, waar inzicht.

        Kalmte is geen slapheid. Het is moeilijk om een kalme houding te bewaren onder alle omstandigheden.

de verlichtingsfactor van concentratie

        Wanneer de verlichtingsfactor van concentratie aanwezig is, weet men met begrip: 'Ik heb de verlichtingsfactor van concentratie.' Of wanneer de verlichtingsfactor van concentratie afwezig is, weet men met begrip: 'Ik heb niet de verlichtingsfactor van concentratie.' En men begrijpt hoe het ontstaan van de niet ontstane verlichtingsfactor van concentratie geschiedt en hoe het ontwikkelen en vervolmaken van de ontstane verlichtingsfactor van concentratie geschiedt. (M.10)

De factor van Verlichting van concentratie wordt bevorderd door afgescheidenheid, ontzegging en beëindigen, en leidt tot loslaten. (M.118)      

       

        Concentratie (meditatie) is niet een denken over iets, maar het is de aandacht houden bij een onderwerp zodat de geest niet afdwaalt. Juiste concentratie verdrijft verlangens die de geest verstoren en brengt zuiverheid en kalmte van geest. Iemand die concentratie wil beoefenen, moet deugdzaam zijn. Want door deugdzaamheid wordt het geestelijke leven gevoed.

de verlichtingsfactor van gelijkmoedigheid

        Wanneer de verlichtingsfactor van gelijkmoedigheid aanwezig is, weet men met begrip: 'Ik heb de verlichtingsfactor van gelijkmoedigheid.' Of wanneer de verlichtingsfactor van gelijkmoedigheid afwezig is, weet men met begrip: 'Ik heb niet de verlichtingsfactor van gelijkmoedigheid.' En men begrijpt hoe het ontstaan van de niet ontstane verlichtingsfactor van gelijkmoedigheid geschiedt en hoe het ontwikkelen en vervolmaken van de ontstane verlichtingsfactor van gelijkmoedigheid geschiedt. (M.10)

De factor van Verlichting van gelijkmoedigheid wordt bevorderd door afgescheidenheid, ontzegging en beëindigen, en leidt tot loslaten. (M.118)

Gelijkmoedigheid is een ethische eigenschap en moet niet verward worden met onverschilligheid. Het is evenwicht van de geest. Het is moeilijk een gelijk gemoed te hebben onder alle omstandigheden. Gelijkmoedigheid is een gevolg van een kalme geconcentreerde geest. Men wordt niet meer geraakt door geluk noch door pijn, omdat men verlangen heeft opgegeven. (zie: Dhp.83)

Door te begrijpen dat wilsacties (kamma) gevolgen hebben, kan men eerder gelijkmoedigheid ontwikkelen. Men is dan in staat om een onthechte houding te hebben ten opzichte van alle wezens en om gelijkmoedig te zijn.

        In gelijkmoedigheid wordt men niet meer geraakt door geluk noch door pijn. Er is dan geen voorkeur en geen afkeer. Er is dan geen blijdschap en geen droefenis.

        Zo beschouwt men voortdurend de verschijnselen bij de verschijnselen bij zichzelf. Of men beschouwt voortdurend de verschijnselen bij de verschijnselen bij anderen. Of men beschouwt voortdurend de verschijnselen bij de verschijnselen zowel bij zichzelf als bij anderen.

        Men beschouwt voortdurend het ontstaan van de verschijnselen. Of men beschouwt voortdurend het vergaan van de verschijnselen. Of men beschouwt voortdurend zowel het ontstaan als het vergaan van de verschijnselen. Of de oplettendheid is gevestigd met de gedachte: 'Verschijnselen bestaan,’ juist zoveel als nodig is voor inzicht en oplettendheid.

        En men leeft onafhankelijk en hecht aan niets in de wereld.

        Zo beschouwt men werkelijk voortdurend de verschijnselen bij de verschijnselen van de zeven factoren van Verlichting. (M.10)

Men weet wanneer oplettendheid aanwezig is en wanneer ze afwezig is. Men begrijpt hoe oplettendheid ontstaat en hoe men die kan ontwikkelen en vervolmaken.

Idem met het onderzoeken van de verschijnselen, met energie, vreugde, kalmte, concentratie en gelijkmoedigheid.

“De vier grondslagen van oplettendheid, ontplooid en ontwikkeld, brengen de zeven factoren van Verlichting tot volmaaktheid.

En de zeven factoren van Verlichting, ontplooid en ontwikkeld, brengen weten en bevrijding tot volmaaktheid.” (S.54.13)

De vier edele waarheden

        En verder beschouwt men voortdurend geestelijke objecten bij de geestelijke objecten van de vier Edele Waarheden. En hoe doet men dat?

        Welnu, men begrijpt overeenkomstig de werkelijkheid: 'Dit is dukkha, lijden.' Men begrijpt overeenkomstig de werkelijkheid: 'Dit is het ontstaan van dukkha, lijden.' Men begrijpt overeenkomstig de werkelijkheid: 'Dit is het beëindigen van dukkha, lijden.' En men begrijpt overeenkomstig de werkelijkheid: 'Dit is de weg die leidt naar het beëindigen van dukkha, lijden.'

        Zo beschouwt men voortdurend geestelijke objecten bij geestelijke objecten bij zichzelf. Of men beschouwt voortdurend geestelijke objecten bij geestelijke objecten bij iemand anders. Of men beschouwt voortdurend geestelijke objecten bij geestelijke objecten zowel bij zichzelf als bij iemand anders.

        Men beschouwt voortdurend het ontstaan van geestelijke objecten. Of men beschouwt voortdurend het vergaan van geestelijke objecten. Of men beschouwt voortdurend zowel het ontstaan als het vergaan van geestelijke objecten. Of de oplettendheid is gevestigd met de gedachte: 'Geestelijke objecten bestaan,' juist zoveel als nodig is voor inzicht en oplettendheid.

        En men leeft onafhankelijk en hecht aan niets in de wereld.

        Aldus beschouwt men werkelijk voortdurend geestelijke objecten bij de geestelijke objecten van de vier Edele Waarheden.

(In D.22. volgt dan nog een uitleg van de vier edele waarheden. Zie 9.1. De ware leer van het midden > de vier edele waarheden.)

Men richt zijn aandacht op de leer van de Boeddha: dukkha, het lijden, het ontstaan ervan, het beëindigen ervan, en de weg die leidt naar het beëindigen ervan.

In feite is men al de hele tijd met de leer van de Boeddha bezig.

Verzekering van succes

        Waarlijk, iedereen die deze vier grondslagen van oplettendheid op deze manier beoefent gedurende zeven jaren, door hem kan zeker één van twee vruchten verwacht worden, namelijk: volmaakte kennis hier en nu,[33] of, als nog enige vorm van hechten aanwezig is, de staat van Niet-Wederkeer.

        Afgezien van zeven jaren. Iedereen die deze vier grondslagen van oplettendheid op deze manier beoefent gedurende zes jaren, ...vijf jaren, ...vier jaren, ...drie jaren, ...twee jaren, ...één jaar, ...door hem kan zeker één van twee vruchten verwacht worden, namelijk: volmaakte kennis hier en nu, of, als nog enige vorm van hechten aanwezig is, de staat van Niet-Wederkeer.

        Afgezien van één jaar. Iedereen die deze vier grondslagen van oplettendheid op deze manier beoefent gedurende zeven maanden, door hem kan zeker één van twee vruchten verwacht worden, namelijk: volmaakte kennis hier en nu, of, als nog enige vorm van hechten aanwezig is, de staat van Niet-Wederkeer.

        Afgezien van zeven maanden. Iedereen die deze vier grondslagen van oplettendheid op deze manier beoefent gedurende zes maanden, ...vijf maanden, ...vier maanden, ...drie maanden, twee maanden, ...één maand, ...een halve maand, ...door hem kan zeker één van twee vruchten verwacht worden, namelijk: volmaakte kennis hier en nu, of, als nog enige vorm van hechten aanwezig is, de staat van Niet-Wederkeer.

        Afgezien van een halve maand. Iedereen die deze vier grondslagen van oplettendheid op deze manier beoefent gedurende een week, door hem kan zeker één van twee vruchten verwacht worden, namelijk: volmaakte kennis hier en nu, of, als nog enige vorm van hechten aanwezig is, de staat van Niet-Wederkeer.

        Om deze reden is gezegd: 'Dit is de manier die rechtstreeks leidt naar de zuivering van wezens, voor het te boven komen van verdriet en gejammer, voor het tenietdoen van lichamelijk en geestelijk lijden, de weg waarmee men rechtstreeks het juiste pad kan bereiken, waarmee men Nibbāna kan verwerkelijken, namelijk de vier grondslagen van oplettendheid."

        Aldus sprak de Gezegende. Tevreden verheugden zich de monniken over zijn woorden. (D.22 en M.10).

Deel III. Samenvatting

Om de vier grondslagen van oplettendheid goed te kunnen ontplooien, moet men zuivere deugdzaamheid hebben en rechtlijnige visie. Men heeft niet meer de mening dat er een zelf is, dat men een blijvende, onveranderlijke kern heeft.

Volg niet de genietingen van de zintuigen. Wat dierbaar is, zal vergaan. Alwat samengesteld is, is aan verval onderhevig. Juiste visie is het weten van de eigenschappen van bestaan: afhankelijk of oorzakelijk ontstaan, veranderlijkheid en vergankelijkheid, onvoldaanheid, en niet-zelf.

De vier grondslagen van oplettendheid bestaan uit:

  1. het beschouwen van het lichaam bij het lichaam,
  2. het beschouwen van de gevoelens bij de gevoelens,
  3. het beschouwen van het bewustzijn bij het bewustzijn,
  4. het beschouwen van de geestformaties bij de geestformaties, waarneming en gevoel.

1. Het beschouwen van het lichaam

Men begint met oplettendheid bij het ademhalen. Dit betekent dat men erop let hoe men ademhaalt, langzaam of snel, rustig of gejaagd. Als men hard loopt, is er een snellere ademhaling dan wanneer men rustig zit te lezen. Dit op te merken, is oplettendheid bij het ademhalen.

Ook zich bewust ervan zijn hoe men ademhaalt, buikademhaling of borstademhaling, behoort tot oplettendheid bij het ademhalen.

 

Als men op de ademhaling let terwijl men zit (op een stoel of met gekruiste benen), moet men het lichaam rechtop houden. De aandacht richt men op de adem.        Er kan tijdens de oefening een pijnlijk gevoel ontstaan. Men kan dat gevoel negeren en zich alleen op de ademhaling richten.

De Boeddha heeft pijnlijke ascese afgekeurd. En als men een pijnlijk gevoel heeft, is het moeilijk om de gedachten bewust te houden bij de oefening van het beschouwen van het lichaam bij het in- en uitademen. Men kan deze oefening van het letten op de ademhaling wijzigen en oplettend verder gaan met de oefening van het beschouwen van het lichaam bij de oplettendheid bij de lichaamshoudingen. Men wijzigt de houding, terwijl men zich ervan bewust is dat men van houding verandert, dat bij het veranderen de ene houding verdwijnt en de andere verschijnt. Verder is men zich ervan bewust welke houding men heeft: staan, liggen, zitten, buigen, knielen. Men is zich ook bewust ervan wat men doet, waar men mee bezig is op dat moment: ik eet, ik kauw, ik proef, kijk, loop, zit, etc.

Het beschouwen van het lichaam kan uitgebreid worden door het overdenken van de walgelijkheid van het lichaam. Men analyseert het lichaam in al zijn elementen. Men overweegt als volgt: 'Er zijn in en aan dit lichaam hoofdharen, lichaamsharen, nagels, tanden, huid, vlees, spieren, zenuwen, pezen, botten, beenmerg, nieren, hart, lever, borstvlies, milt, longen, darmen, ingewanden, maag, ontlasting, gal, slijm, etter, bloed, zweet, vet, tranen, lymfe, speeksel, neusvocht, gewrichtsvloeistof, urine, en hersenen.'

Verder denkt men na over de elementen waaruit het lichaam is samengesteld. Men denkt aldus: 'Er is in dit lichaam het element van aarde, het element van water, het element van vuur en het element van lucht.' Of men overweegt dat het lichaam bestaat uit vaste elementen, vloeibare elementen, elementen die verwarmen en verteren, en etherische elementen. En die elementen moeten met gepaste wijsheid aldus bezien worden: “Dat is niet van mij, dat ben ik niet, dat is niet mijn zelf.”

Verder kan men nadenken over het feit dat het lichaam bij de dood uiteen zal vallen. Het lichaam zal ooit vergaan, en het kan er niet aan ontkomen.

Bovenstaande oefeningen zijn beschouwingen van het lichaam. Daarbij beschouwt men alleen het lichaam, en niet de gevoelens of gedachten die ontstaan ten gevolge van lichamelijk contact. En men identificeert zich niet met het lichaam, dus: "dit is een lichaam"; en niet: "dat ben ik," of “dat is mijn lichaam.”  

2. Het beschouwen van gevoel

Wanneer men een gevoel ervaart, is er eerst het bewustzijn dat men een gevoel ervaart. Dan beseft men welke soort van gevoel men ervaart: een aangenaam, onaangenaam of neutraal gevoel.

Men beschouwt alleen het gevoel, en niet het lichaam of de gedachten die ontstaan ten gevolge van contact met gevoel. En men identificeert zich niet met het gevoel, dus: "dit is een gevoel"; en niet: "dat voel ik," of “dat is mijn gevoel.”

Bij het beschouwen van een gevoel beseft men ook hoe dat gevoel is ontstaan en door welke oorzaken het weer verdwijnt.[34]

3. Het beschouwen van de geest

Bij het beschouwen van de geest is men zich ervan bewust dat er begeerte is of afkeer of onwetendheid, wanneer begeerte, afkeer of onwetendheid er zijn. Hoe is de gemoedsgesteldheid? Is men vol verlangen naar iets? Of vol afkeer van iets? Is men geconcentreerd of verstrooid? Zich dit bewust te zijn is oplettendheid, is het beschouwen van de geest.

Men beschouwt alleen de geest, en niet het lichaam of de gevoelens die ontstaan ten gevolge van geestelijk contact. En men identificeert zich niet met de geest, dus: "dit is een gedachte"; en niet: "dat denk ik," of “dat is mijn gedachte.”

4. Het beschouwen van geestelijke objecten

Het beschouwen van geestelijke objecten bestaat uit het beschouwen van de vijf hindernissen: zinnelijkheid, zintuiglijk verlangen; kwaadwil, afkeer, haat; traagheid en starheid; piekeren, rusteloosheid en gewetenswroeging, innerlijke ontevredenheid; twijfel.

Men weet wanneer de vijf hindernissen aanwezig zijn en wanneer ze afwezig zijn. Men weet ook hoe ze ontstaan, hoe men ze opgeeft en hoe men kan voorkomen dat ze weer ontstaan.

Men beschouwt alleen geestelijke objecten, en niet het lichaam of de gevoelens of gedachten die ontstaan ten gevolge van contact met geestelijke objecten. - En men identificeert zich niet met de geestelijke objecten, dus: "dit is een geestelijk object"; en niet: "dat ben ik."

Verder beschouwt men de vijf groeperingen van hechten. Die vijf groepen van bestaan waaraan men gehecht kan zijn, zijn de vijf factoren die de individuele persoonlijkheid vormen: materiële vorm of de vier grofstoffelijke elementen, gevoel, gewaarwording, geestelijke formaties en bewustzijn. Die vijf groepen van bestaan vormen de beleveniswereld waarop de ik-illusie zich baseert – "dit is van mij, dit behoort mij toe".[35]

Wanneer men inziet dat die vijf groepen onbestendig, smartelijk, veranderlijk, vergankelijk zijn, dan geeft men het verlangen ernaar op. Het opgeven van verlangen en begeerte naar die vijf groepen van bestaan waaraan men gehecht kan zijn, dat is het ontkomen aan die elementen, is het ontkomen aan materiële vorm. En ook het opgeven van afkeer is het ontkomen eraan.

Gewaarwording kan ingedeeld worden in: gewaarwording van zichtbare objecten, gewaarwording van geluiden, gewaarwording van geuren, gewaarwording van smaken, gewaarwording van lichamelijke indrukken en gewaarwording van geestelijke indrukken.

De groep van geestelijke formaties bestaat uit wilsacties met betrekking tot zichtbare objecten, hoorbare geluiden, ruikbare geuren, proefbare smaken, lichamelijke indrukken, en wilsacties m.b.t. geestelijke objecten. Het zijn de karmisch heilzame en onheilzame wilsacties in daden, woorden en gedachten.

Deze wilsformaties verdwijnen in afhankelijkheid van het volledig opheffen en verdwijnen van onwetendheid. Het pad dat leidt naar de opheffing van de onwetendheid is het edele achtvoudige pad.

Verder beschouwt men nog het bewustzijn. Bewustzijn ontstaat in afhankelijkheid van zintuig en bijbehorend object. Er zijn dus zes soorten van bewustzijn: bewustzijn door zien, horen, ruiken, proeven, aanraken en denken.

Als er geen contact is tussen zintuig en object, kan er geen bewustzijn ontstaan.

Deze vijf groepen of bestanddelen zijn onpersoonlijk en leeg. “Wat er ook bestaat aan lichamelijkheid, gevoel, gewaarwording, geestelijke formaties en bewustzijn, hetzij in het verleden, tegenwoordig of toekomstig, eigen of van anderen, grof of fijn, hoog of laag, veraf of nabij, dit moet men overeenkomstig de werkelijkheid en ware wijsheid aldus begrijpen: ‘Dit behoort mij niet toe, dit ben ik niet, dit is niet mijn zelf.’”

Verder beschouwt men voortdurend geestelijke objecten bij de geestelijke objecten van de zes inwendige en de zes uitwendige zintuiglijke grondslagen. En hoe doet men dat?

Men begrijpt dat er via oog en zichtbaar object oog-contact ontstaat en visueel bewustzijn. Men begrijpt dat op die manier begeerte naar iets kan ontstaan of afkeer van iets.

De begeerte wordt opgeheven door datgene wat dierbaar en aangenaam is, te beschouwen als vergankelijk, als onvoldaan, frustrerend, als iets dat geen zelf is, als ziekte, als gevaar. Zo wordt men vrij van begeerte, haat en onwetendheid, vrij van verlangen en hechten, vrij van voorkeur en afkeer.

Men begrijpt dat er via oor en hoorbaar geluid oor-contact ontstaat en hoor-bewustzijn. Men begrijpt dat op die manier begeerte naar iets kan ontstaan of afkeer van iets.

De begeerte wordt opgeheven door datgene wat dierbaar en aangenaam is, te beschouwen als vergankelijk, als onvoldaan, frustrerend, als iets dat geen zelf is, als ziekte, als gevaar.

Men begrijpt dat er via neus en geur neus-contact ontstaat en ruik-bewustzijn. Men begrijpt dat op die manier begeerte naar iets kan ontstaan of afkeer van iets.

De begeerte wordt opgeheven door datgene wat dierbaar en aangenaam is, te beschouwen als vergankelijk, als onvoldaan, frustrerend, als iets dat geen zelf is, als ziekte, als gevaar.

Men begrijpt dat er via tong en smaak tong-contact ontstaat en smaak-bewustzijn. Men begrijpt dat op die manier begeerte naar iets kan ontstaan of afkeer van iets.

De begeerte wordt opgeheven door datgene wat dierbaar en aangenaam is, te beschouwen als vergankelijk, als onvoldaan, frustrerend, als iets dat geen zelf is, als ziekte, als gevaar.

Men begrijpt dat er via lichaam en voorwerp lichaam-contact ontstaat en aanrakingsbewustzijn. Men begrijpt dat op die manier begeerte naar iets kan ontstaan of afkeer van iets.

De begeerte wordt opgeheven door datgene wat dierbaar en aangenaam is, te beschouwen als vergankelijk, als onvoldaan, frustrerend, als iets dat geen zelf is, als ziekte, als gevaar.

Men begrijpt dat er via geest en geestelijk object geest-contact ontstaat en geest-bewustzijn. Men begrijpt dat op die manier begeerte naar iets kan ontstaan of afkeer van iets.

De begeerte wordt opgeheven door datgene wat dierbaar en aangenaam is, te beschouwen als vergankelijk, als onvoldaan, frustrerend, als iets dat geen zelf is, als ziekte, als gevaar.

Men weet hoe materiële vorm, gevoel, gewaarwording en gedachten en ideeën ontstaan en weer verdwijnen.

Verder beschouwt men voortdurend geestelijke objecten bij de geestelijke objecten van de zeven factoren van Verlichting. Die zeven factoren zijn: oplettendheid, het onderzoeken van de verschijnselen, energie of juiste inspanning, enthousiasme, kalmte, concentratie, en gelijkmoedigheid.

Wanneer die verlichtingsfactoren aanwezig zijn, weet men dat. Men weet ook wanneer ze afwezig zijn. Men begrijpt hoe die factoren ontstaan en hoe men die kan ontwikkelen en vervolmaken. (Zie: 9.4. nr. 1. De zeven factoren van Verlichting)

Verder beschouwt men voortdurend geestelijke objecten bij de geestelijke objecten van de vier Edele Waarheden. (Zie 9.1. De ware leer van het midden > de vier edele waarheden.)

Men hoeft in het begin niet alles te overwegen. In het begin concentreert men zich alleen op de ademhaling. Die ademhaling is steeds aanwezig, bij het wachten op de bus of trein, bij het wandelen, etc. Let op de ademhaling en laat de gedachten niet afdwalen. Merkt men dat men toch afdwaalt, keer dan weer terug naar de ademhaling. Men zal merken dat er gedachten ontstaan en gevoelens (prikkelingen of pijn). Richt de concentratie dan niet op die gedachten of gevoelens, maar blijf proberen de ademhaling te volgen. Noem de dingen bij naam: inademen; uitademen. Of alleen: in, uit. Probeer elke dag op dezelfde tijd deze meditatie, deze ontwikkeling van de geest te oefenen, in het begin slechts 10 à 15 minuten. Daarna kan men proberen langer te mediteren. Men kan dan ook andere methoden toevoegen, zoals bijvoorbeeld oplettendheid bij het ontstaan van gedachten en bij het weer verdwijnen van gedachten. Dit is eigenlijk meditatie over het kenmerk van anattā, niet-zelf. Of men is eerder in staat om zich te concentreren op de lichaamshoudingen. Dit is voor iedereen persoonlijk anders. In feite is de inzicht-meditatie een methode om de kenmerken van anicca, vergankelijkheid, van anattā, niet-zelf, van dukkha, frustratie, onvoldaanheid, onbevredigendheid, en van oorzakelijk ontstaan daadwerkelijk in te zien.

Iedereen die deze vier grondslagen van oplettendheid op deze manier beoefent, is verzekerd van succes.  

Deel IV 

Methoden om onheilzame gedachten te verdrijven

        In het Vitakkasanthāna sutta (M.20) onderwijst de Boeddha vijf methoden om onheilzame gedachten te verdrijven die tijdens het mediteren kunnen ontstaan. Men moet slechte gedachten opgeven en goede gedachten ontwikkelen. Men moet nadenken over de nadelen van slechte gedachten. Men moet niet toestaan dat de geest zich wendt tot slechte gedachten. Men moet erover nadenken hoe gedachten ontstaan. En men moet zich oefenen in zelfbeheersing.

        Als slechte, onheilzame gedachten ontstaan, moet men de opmerkzaamheid richten op goede, heilzame gedachten. Als dan nog slechte, onheilzame gedachten ontstaan, moet men het gevaar in die gedachten onderzoeken: ze zijn onheilzaam, ze zijn te berispen, ze hebben lijden tot resultaat. Als dan nog slechte, onheilzame gedachten ontstaan, moet men proberen die gedachten te vergeten; men moet er geen acht op slaan. Als dan nog slechte, onheilzame gedachten ontstaan, moet men de opmerkzaamheid richten op het tot stilstand komen van de vorming van die gedachten. Als dan nog slechte, onheilzame gedachten ontstaan, moet men met inspanning de geest bedwingen. Met het overwinnen van die onheilzame gedachten wordt de geest innerlijk gevestigd, gekalmeerd en geconcentreerd. Wat men wil denken, die gedachten zal men denken; en wat men niet wil denken, die gedachten zal men niet denken.

-=oOo=-

Geraadpleegde bronnen

Dahlke, Paul (Übers). Buddha. Auswahl aus dem Palikanon. Wiesbaden [s.a.], p. 5-39.

Dahlke, Paul. 'Right Understanding,' in: The Wheel No. 77/78 (Kandy 1965), p. 46-50.

Einführung in die Einsichts-Meditation. Kandersteg : Dhammapala Verlag, 1990.

Figen, Dorothy. Beginning Insight Meditation and other essays. (repr.) Kandy : BPS, 1988. Bodhi Leaves No. B 85. (1st ed. 1980).

Fleischman, Paul R. The Therapeutic Action of Vipassana. Why I Sit. Kandy : BPS, 1986. The Wheel No. 329/330.

Gnanaseeha, Rakwana: Bhavana - The Art of the Mind. (online boek)

Horner, I.B. (tr.). The Noble Quest. Ariyapariyesana Sutta. The 26th Discourse of the Middle Length Sayings (Majjhima Nikâya). Kandy 1974, The Wheel No. 198.

Ireland, John D. (transl.): The Udâna. Inspired Utterances of the Buddha. BPS: Kandy, 1990. 

Khemarangsi, Phra Maha Suphap. 'Vipassana in Theravada Buddhism,' Sambodhi 6 (1995/2539) 6, p. 30-31.

Kientz, Robert. Satipatthana. La voie du bonheur. Monaco : Savoir etre, 1979. (Editions du Rocher).

Ledi Sayadaw Maha Thera. A Manual of Insight. Vipassanā Dīpanī. Translated by U Nyana Maha Thera. (2nd impr.). Kandy : BPS, 1975. The Wheel No. 31/32. (1st ed. 1961).

Mahasi Sayadaw, Rev. Practical Insight Meditation : Basic and Progressive Stages. Transl. from the Burmese by U Pe Thin & Myanaung U Tin. Kandy : BPS, 1976.

Mahasi Sayadaw. 'The Contemplation of the Internal and the External in the Satipatthâna Sutta,' in: Nyanatiloka Centenary Volume, Kandy 1978, p. 53-55.

Mahasi Sayadaw, Rev. The Progress of Insight through the Stages of Purification : A modern Pâli treatise on Buddhist Satipatthâna Meditation. Engl. transl. with notes by Nyânaponika Thera. Kandy : BPS, 1978.

Mahasi Sayadaw, Ven. Satipatthâna Vipassanâ. Insight through Mindfulness. Transl. by U Pe Thin. Kandy : BPS, 1990. The Wheel No. 370/371.

Majjhima Nikaya, in: www.palikanon.com.

Namto, Sobin S. Wayfaring. A Manual for Insight Meditation. Kandy : BPS, 1979. The Wheel No. 266/267.

Ñânamoli, Bhikkhu. The Life of the Buddha according to the Pali Canon. (2nd ed.) Kandy : BPS, 1978. (1st ed. 1972).

Nimalasuria, A. Buddha the Healer: The Mind and its place in Buddhism. Essays edited by Dr. A. Nimalasuria. Kandy: BPS, The Wheel No. 22.

Nyanaponika (Übers.). Kommentar zur Lehrrede von den Grundlagen der Achtsamkeit (Satipatthâna) mit Subkommentar in Auswahl. (repr.) Konstanz : Christiani, 1973.

Nyânaponika Thera (Transl.). The Heart of Buddhist Meditation : A handbook of mental training based on the Buddha's way of mindfulness. With an anthology of relevant texts. Translated from the Pali and Sanskrit by Nyanaponika Thera. (5th impr.) London : Rider, 1975. (1st. ed. 1962).

Nyânaponika Thera. The Power of Mindfulness. An Inquiry into the Scope of Bare Attention and the Principal Sources of its Strength. (3rd ed.) Kandy : BPS, 1976. The Wheel No. 121/122. (1st ed. 1968).

Nyânaponika Thera. Protection through Satipatthâna. (2nd ed.) Kandy : BPS, 1978. Bodhi Leaves No. B 34.

Nyanaponika. Geistestraining durch Achtsamkeit : Die buddhistische Satipatthâna-Methode. (verb. Aufl.) Konstanz: Christiani, 1979.

Nyanaponika (Übers.). Der einzige Weg. Buddhistische Texte zur Geistesschulung in rechter Achtsamkeit. (2. revid. Aufl.). Konstanz: Christiani, 1980. (Buddhistische Handbibliothek; 9).

Nyanaponika, Ehrw. 'Satipatthâna als ein Weg der Charakter-Harmonisierung,' in: Zur Erkenntnis geneigt, Konstanz 1986, p. 131-138.

Nyanaponika, Ehrw. 'Schutz durch rechte Achtsamkeit,' in: Zur Erkenntnis geneigt, Konstanz 1986, p. 173-184.

Nyanasatta Thera (Transl.). The Foundations of Mindfulness. Satipatthâna Sutta. A Discourses of the Buddha. (3rd impr.) Kandy : BPS, 1974. The Wheel No. 19. (1st ed. 1960).

Oranje Kruis boekje. Handleiding tot het verlenen van eerste hulp bij ongelukken. Zeventiende druk, 1957.

Ott, Julius von (Übers.). Das Satipattâna-Suttam. Die Rede des Buddha Gotama über die Grundlagen des Eingedenkseins. (Majjhima Nikâya Nr. 10). München-Neubiberg: Schloß, [s.a.]. (Buddhistische Volksbibliothek No. 4).

Rajasiddhi Muni Mahathera, Phra. Der Weg zum Nirvana. Eine Einführung in die Vipassana Meditation. [s.l.]: [Mahaadthai Press], 1971. Übersetzung überarbeitet by Wat Thai München Germany 1997.

Samyutta Nikaya, in: www.palikanon.com.

Soma Thera (Transl.). The Way of Mindfulness : The Satipatthâna Sutta and Commentary. (4th ed.) Kandy: BPS, 2518/1975. Transl. of the Satipatthâna Sutta of the Majjhima Nikâya; its Commentary, the Satipatthâna Sutta Vannanâ of the Papancasûdanî Tîkâ, Marginal Notes, of Dhammapâla Thera on the Commentary. - 1st ed. 1941.

Story, Francis. Buddhist Meditation. Kandy: BPS, Bodhi Leaves B 15.

Sumedho, Ven. Ajahn: Now is the Knowing. Thailand: Wat Pah Nanachat, [s.a.].

Sumedho, Ajahn. Erkenntnis geschieht jetzt. Kandersteg: Dhammapala Verlag, 1992. Übersetzung des englischen Originals »Now is the Knowing«, 1989.

Swearer, Donald K. A Guide to the Perplexed. The Satipatthâna Sutta. Kandy: BPS, 1973. The Wheel No. 194.

Die vier Satipatthana. Die vier Grundlagen der Achtsamkeit. Eine geführte Meditation von dem erwürdigen Luang Por Sanon Katapunno, Abt von Wat Sanghathan, Nonthaburi, Thailand. Ins Englische und Deutsche übersetzt von Mae Chee Maria, unter Assistenz von Mae Chee Samnao. Nonthaburi: Wat Sanghathan, 2008.

Walshe, Maurice (tr.). The Long Discourses of the Buddha. A Translation of the Dîgha Nikâya. Kandy: BPS, 1996. (The Teachings of the Buddha).

= = =


[1] Zie: 9.1. De ware leer van het midden: het middenpad of het edele achtvoudige pad.  

[2] Deze leerrede staat in D.22, Mahasatipatthana sutta; en in M.10, Satipatthana sutta.

[3] Veel vertalers hebben hier: Dit is de enige weg... Maar Bhikkhu Bodhi wees erop dat juist is: Dit is de weg die er enkel is .... De weg gaat dus niet naar andere richtingen, maar enkel naar Nibbana, rechtstreeks, zonder omwegen en zonder zijwegen.

[4] Leken die mediteren kunnen ook op een stoel gaan zitten, rechtop.

[5] inwendig = bij zichzelf.

[6] uitwendig = bij iemand anders.

[7] Het ontstaan en vergaan: Hij denkt: "De oorsprong van materialiteit komt tot stand door de oorsprong van onwetendheid," in de zin van de oorsprong van voorwaarde, en hij ziet het ontstaan van de groepering van materialiteit.

[8] Hij is niet meer afhankelijk van begeerte en van verkeerde visies.

[9] Met betrekking tot geen enkele zichtbare vorm, hoorbare toon, ruikbare geur, proefbare smaak, tastbare aanraking en besefbare gedachte e.d. denkt hij: "Dit is mijn zelf (ziel), of dit behoort tot mijn zelf." Hij is niet meer aan iets geboeid, noch door neigingen, noch door hartstochten noch door emoties.

[10] Een koeslachter is niet bevrijd van de gedachte "koe" zolang als hij de koe voedt. Maar hij heeft de gedachte "koe" niet wanneer hij het vlees verkoopt. Evenzo overweegt de monnik over het lichaam volgens de elementen: "Er zijn in dit lichaam de elementen van vastheid, vloeibaarheid, warmte (vertering) en beweging." Bij degene die volgens de elementen overweegt, verdwijnt de gewaarwording van een wezen. De geest wordt gevestigd via de elementen.

[11] De lijk-contemplatie is meer voor monniken. Leken kunnen dit tegenwoordig bijna niet uitvoeren.

[12] De vijf hindernissen, belemmeringen of boeien zijn: 1. zintuiglijke verlangens; 2. kwaadwil; 3. traagheid en luiheid; 4. rusteloosheid, zich zorgen maken; 5. twijfel. (Zie eventueel: 9.3.1. De smetten > De vijf hindernissen.

[13]  De vijf groepen van hechten, zie: 9.8. Khandha, de bestanddelen van bestaan.

[14] zie: S.35.60-62, Doorzien en meesterschap.

[15] zie: 9.4. > De zeven factoren van Verlichting.

[16] In meerdere vertalingen van de factoren van Verlichting staat ‘de verschijnselen’ in plaats van ‘geestelijke objecten'.

[17] Voor de vier Edele Waarheden, zie: 9.1. De ware leer van het midden.

[18] volmaakte kennis = heiligheid; hier en nu = reeds in dit leven.

[19] d.w.z. bij zichzelf.

[20] d.w.z. bij iemand anders.

[21] samsāra: het voortdurende voortleven in de ronde van geboorte en dood. {Ireland}

[22] Dit houdt in de afwezigheid van eigendunk en verkeerde visies, die beide door de Arahant zijn ontworteld; of het houdt in de contemplatie met inzicht van alle veroorzaakte dingen als ‘dit is niet van mij, dit ben ik niet, dit is niet mijn zelf,’ door welke contemplatie men arahantschap bereikt.  {Ireland}

[23] Formaties van de geest zijn: waarneming en gevoel. (M.44)

[24] Het woord meditatie komt van het latijnse woord meditatio. Dit betekent contemplatie. (Rakwana Gnanaseeha: Bhavana - The Art of the Mind, p. 7) 

[25] Onder “geest” wordt verstaan: besef (bewustzijn), mentaliteit, gedachten, gevoelens, gewaarwording, wil, impressie, geestelijke opmerkzaamheid. (M.9, D.15 en S.XX.2)

[26] Over liefdevolle vriendelijkheid, metta, zie: 10.2. De vier Brahma-viharas: metta.

[27] zie: 10.4. Saddha, vertrouwen.

[28] materiële vorm of het lichaam.

[29] Meer over bewustzijn, zie: 9.11. Geest en bewustzijn in het Theravada Boeddhisme.

[30] zie: S.35.60-62, Doorzien en meesterschap.

[31] ‘verschijnselen’: in sommige vertalingen staat: geestelijke objecten. Maar bedoeld is alles wat samengesteld is, wat oorzakelijk is ontstaan.

[32] Over ontstaan en vergaan, zie: 9.5. Oorzakelijk ontstaan.

[33] volmaakte kennis = heiligheid; hier en nu = reeds in dit leven.

[34] Meer over gevoel, zie: 9.5. Oorzakelijk ontstaan > Gevoel en > Opheffing van gevoel

[35] Zie eventueel: 9.8. Khandha, de bestanddelen van bestaan.

====