Facetten van het Boeddhisme



naar Index

5.2.5.5.1  Sutta-nipata, 1. Uragavagga  

Inleiding          1.Uragavagga     2. Cūlavagga     3. Mahāvagga     4. Atthakavagga     5. Pārāyana-vagga

1.1. (verzen 1-17) Uraga-Sutta, de slang

1.2. (verzen 18-34) Dhaniya Sutta

1.3. (verzen 35-75) Khaggavisāna-Sutta, de neushoorn

1.4. (verzen 76-82) Kasi-Bhāradvāja-Sutta, de ploeger Bharadvaja

1.5. (verzen 83-90) Cunda-Sutta

1.6. (verzen 91-115) Parābhava-Sutta, achteruitgang

1.7. (verzen 116-142) Vasala-Sutta, de verschoppeling

1.8. (verzen 143-152) Mettā-Sutta, liefdevolle vriendelijkheid

1.9. (verzen 153-180) Hemavata-Sutta

1.10. (verzen 181-192) Ālavaka-Sutta

1.11. (verzen 193-206) Kayavicchandanika-Sutta of Vijaya-Sutta, beschouwing van het lichaam

1.12. (verzen 207-221) Muni-Sutta, de wijze

Commentaar bij de verzen 207-221


Sutta Nipata. 1



Sn.I. Uragavagga

Sn. I.1. (verzen 1-17) Uraga Sutta – De slang


De monnik die alle menselijke passies – boosheid, afkeer, hevig verlangen, etc. – terzijde legt en vrij is van illusie en vrees, wordt er vergeleken met een slang die de huid heeft afgestroopt. Dit sutta was oorspronkelijk een afzonderlijke tekst.1


1.     De monnik die zijn boosheid2 verdrijft,3 zodra die is ontstaan, 

        zoals men met kruiden slangengif [verdrijft] wanneer het zich verspreid heeft [in het lichaam], 

        een dergelijke monnik laat het lage en het hoge, deze en gene kant achter,4 5 

        zoals een slang haar oude versleten huid achterlaat.6


2.     De monnik die hartstocht7 zonder rest8 heeft afgesneden, 

        zoals men een lotus met bloem en stengel samen afbreekt,

        hij laat het lage en het hoge, deze en gene kant achter, 

        zoals een slang haar oude, versleten huid achterlaat.


3.     De monnik die begeerte zonder rest heeft afgesneden, 

        zoals iemand die een snel vlietende stroom opdroogt,9 

        hij laat het lage en het hoge, deze en gene kant achter, 

        zoals een slang haar oude, versleten huid achterlaat.


4.     De monnik die eigendunk zonder rest heeft vernietigd, 

        zoals een grote vloed een zeer zwakke bamboebrug verwoest, 

        hij laat het lage en het hoge, deze en gene kant achter, 

        zoals een slang haar oude, versleten huid achterlaat.


5.     De monnik die geen enkele essentie heeft gevonden in de vormen van bestaan, 

        zoals iemand die op vijgenbomen bloesem zoekt (maar ze niet vindt), 

        hij laat het lage en het hoge, deze en gene kant achter, 

        zoals een slang haar oude, versleten huid achterlaat.


6.     De monnik in wie innerlijk geen boosheid is,10 

        die boven de wisselvalligheden van het leven uitstijgt,11 12 

        hij laat het lage en het hoge, deze en gene kant achter, 

        zoals een slang haar oude, versleten huid achterlaat.


7.     De monnik wiens (verkeerde) gedachten zijn opgebrand,13 

        die ze innerlijk zonder rest heeft afgesneden, 

        hij laat het lage en het hoge, deze en gene kant achter, 

        zoals een slang haar oude, versleten huid achterlaat.


8.     De monnik die niet te ver ging noch achterbleef,14 15 

        die deze hele wereld overwon,16 

        hij laat het lage en het hoge, deze en gene kant achter, 

        zoals een slang haar oude, versleten huid achterlaat.


9.     De monnik die niet te ver ging noch achterbleef, 

        wetende met betrekking tot de wereld dat dit alles onwerkelijk is,17 

        hij laat het lage en het hoge, deze en gene kant achter, 

        zoals een slang haar oude, versleten huid achterlaat.


10.     De monnik die niet te ver ging noch achterbleef, 

        die vrij van begeerte weet dat dit alles onwerkelijk is, 

        hij laat deze en gene kant, het lage en het hoge achter, 

        zoals een slang haar oude, versleten huid achterlaat.


11.     De monnik die niet te ver ging noch achterbleef, 

        die vrij van hartstocht weet dat dit alles onwerkelijk is, 

        hij laat het lage en het hoge, deze en gene kant achter, 

        zoals een slang haar oude, versleten huid achterlaat.


12.     De monnik die niet te ver ging noch achterbleef, 

        die vrij van haat weet dat dit alles onwerkelijk is, 

        hij laat het lage en het hoge, deze en gene kant achter, 

        zoals een slang haar oude, versleten huid achterlaat.


13.     De monnik die niet te ver ging noch achterbleef, 

        die vrij van waan weet dat dit alles onwerkelijk is, 

        hij laat het lage en het hoge, deze en gene kant achter, 

        zoals een slang haar oude, versleten huid achterlaat.

           

14.    De monnik in wie geen verborgen neiging (anusaya) meer te vinden is, 

        in wie de onheilzame wortels18 vernietigd zijn, 

        hij laat het lage en het hoge, deze en gene kant achter, 

        zoals een slang haar oude, versleten huid achterlaat.


15.    De monnik in wie geen voortbrengselen van de benauwdheid19 bestaan, 

        voorwaarden voor wedergeboorte in deze wereld,20 21 

        hij laat het lage en het hoge, deze en gene kant achter, 

        zoals een slang haar oude, versleten huid achterlaat.


16.     De monnik in wie geen voortbrengselen van verwikkeling22 bestaan 

        die oorzaak zijn voor binding aan het bestaan,

        hij laat het lage en het hoge, deze en gene kant achter, 

        zoals een slang haar oude, versleten huid achterlaat.23


17.     De monnik die de vijf hindernissen24 overwon 

        en die ongestoord, van twijfel en van innerlijke prikkel vrij is,25 

        hij laat het lage en het hoge, deze en gene kant achter, 

        zoals een slang haar oude, versleten huid achterlaat.26



Sn. I.2. (verzen 18-34) Dhaniya Sutta - Dhaniya, de rijke herder



Inleiding

Dhaniya, de rijke, was volgens het commentaar een welgestelde bezitter van kudden. Het commentaar beschrijft dan het milieu van dit sutta. Koeherders hebben geen vaste woonplaats. In de vier maanden van de regentijd leven zij op hoger gelegen plaatsen. In de overige acht maanden van het jaar leven zij waar rijkelijk gras en water te vinden is, namelijk aan oevers van rivieren en meren.

Ook Dhaniya had kort voor de regentijd zijn woonplaats verlaten. Op zoek naar een geschikte plek voor de kudde kwam hij op een plek waar de grote rivier Mahi zich in tweeën splitst, en wel in Zwarte Mahi en in Grote Mahi. In de nabijheid van een meer kwamen zij weer samen en vormden zo in het midden een eiland. Op dit eiland bouwde Dhaniya stallen voor de kudde en voor zich een huis en ging er wonen. Hij had zeven zonen, zeven dochters, zeven schoondochters en veel personeel.

Herders weten de voortekenen die regen aankondigen te duiden. Wanneer bijvoorbeeld de vogels hun nesten hoog in de boomtoppen bouwen, de krabben hun gaten in de buurt van water dicht maken en die in hoger gelegen land opzoeken, dan concluderen de herders daaruit dat er veel regen zal vallen. Maar wanneer de vogels hun nesten bouwen langs het water op laag gelegen plekken, wanneer de krabben hun hoger gelegen gaten dicht maken en die in de buurt van water betrekken, dan concluderen de herders daaruit dat slechts zwakke regen zal komen.

Dhaniya nu had de voortekenen voor een sterke regen opgemerkt. En toen de regentijd naderbij kwam, verliet hij het eiland.

Aan de andere oever van de Grote Mahi, op een plek die ook bij zeven keer zeven dagen durende regen niet zou overstromen, maakte hij voor zich een woning, en voor het vee stallen met omheiningen eromheen. En weldra, nadat het gras voor voer en het brandhout opgestapeld was, - alle familieleden, dienaren en arbeiders hadden daarbij geholpen - en nadat een voorraad levensmiddelen gereed was gesteld, verschenen aan de horizon van de vier hemelrichtingen de regenwolken. De koeien werden gemolken, het vee werd in de stallen vastgebonden en rondom werden smeulende vuren ter bescherming aangestoken. Nadat alle werk verricht was, aten de mensen van Dhaniya, en ook hijzelf nam rijst en melk tot zich. Op een hogere plaats zittend keek hij toen naar zijn welvaart. Toen hij het gerommel van de donder hoorde, leunde hij tevreden achterover en riep uit:

18. Dhaniya:
"Mijn rijst is gekookt, de melk is gemolken. Aan de oever van de Mahi woon ik met mijn gezin. De hut is bedekt, het vuur brandt. Welaan, wolk, regen als je wilt."

19. De Verhevene:27
"Ik ben vrij van boosheid, ik ben vrij van slakken.28 Eén nacht vertoef ik aan de oevers van de Mahi. Mijn hut29 heeft geen dak, het vuur is gedoofd. Welaan, wolk, regen als je wilt."

20. Dhaniya:
"Horzels en muggen zijn hier niet te vinden. De runderen grazen op het frisse weidegras. Als regen komt, kunnen zij die verdragen. Welaan, wolk, regen als je wilt."

21. De Verhevene:
"Het vlot is gebonden, is goed samengevoegd.30 De stroom overwinnend, kwam ik aan de andere oever. Omdat dit bereikt is, heb ik nu geen vlot meer nodig.31 Welaan, wolk, regen als je wilt."

22. Dhaniya:
"Mijn vrouw is gedwee en niet wellustig. Zij is al lange tijd mijn dierbare levenspartner. Niets slechts hoor ik ergens over haar. Welaan, wolk, regen als je wilt."

23. De Verhevene:
"Mijn geest is volgzaam, is helemaal bevrijd, sedert lange tijd geheel ontplooid en bedwongen.
Niets slechts bevindt zich ergens in mij. Welaan, wolk, regen als je wilt."

24. Dhaniya:
"Het loon uit eigen arbeid dient tot mijn levensonderhoud. De zonen, die bij mij leven, zijn gezond. Niets slechts hoor ik ergens over hen. Welaan, wolk, regen als je wilt."

25. De Verhevene:
"Bij niemand ben ik in loondienst. Levende van wat verdiend is, trek ik door de wereld. Er is nu geen loondienst nodig.32 Welaan, wolk, regen als je wilt."

26. Dhaniya:
"Ik heb runderen, kalveren die nog zogen, en drachtige koeien, en ook fokvee. Een stier is er, de heer van de kudde. Welaan, wolk, regen als je wilt."

27. De Verhevene:
"Ik heb geen runderen of kalveren die nog zogen, geen drachtige koeien en ook geen fokvee. Er is geen stier, de heer van de kudde. Welaan, wolk, regen als je wilt."

28. Dhaniya:
"De palen zijn onbeweeglijk ingeslagen, nieuwe banden uit munja-gras zijn vast gevlochten, de kalveren kunnen die niet stuk maken. Welaan, wolk, regen als je wilt."

29. De Verhevene:
"Zoals een stier die zijn banden heeft verbroken, aan de olifant gelijk die slingerplanten wegtrekt, ga ik niet meer binnen in een moederschoot. Welaan, wolk, regen als je wilt."

30. Laagten en hoogten overstromend, barstte uit de grote wolk regen neer. Toen hij hoorde hoe de regen uit de hemel stroomde, sprak Dhaniya nu dit woord:

31. Dhaniya:
"Heel grote zegen werd ons ten deel omdat wij de Verhevene mochten aanschouwen. Tot u, met visie,33 nemen wij onze toevlucht. Weest u onze meester, o grote wijze.


32. Mijn vrouw en ik willen trouw toegewijd bij de Gezegende de reine levenswandel leiden. Gaande naar de andere kant van geboorte en dood, willen wij aan het lijden een einde maken."

33. Mara de boze:34
"Verheugd over zijn kinderen is degene die kinderen heeft. Op gelijke wijze verheugt zich de kudde-eigenaar over zijn koeien. Want waarlijk, levens-steunen35 zijn de vreugde van de mens. Wie geen levens-steunen heeft, heeft ook geen vreugde."

34. De Verhevene:
"Wie kinderen heeft, is bezorgd om zijn kinderen. De kudde-eigenaar is eveneens bezorgd en wel om zijn koeien. Want waarlijk, levens-steunen zijn de zorg van de mens. Wie geen levens-steunen heeft, heeft geen zorgen."36



Sn.I.3. (verzen 35-75) Khaggavisāna Sutta – De neushoorn


Inleiding (door de eerwaarde Nyanaponika)


De neushoorn (khagga-visāna, letterlijk: zwaardhoorn) is hier op grond van zijn levens-gewoonheden het zinbeeld van de eenzaam rondtrekkende monnik en bos-asceet. Deze verzen behoren ongetwijfeld tot de grote kostbaarheden van de wereld-dichtkunst en dragen duidelijk het teken van de grote mens die ze heeft geschapen; deze kan de Boeddha zelf geweest zijn of een van de vroege discipelen die de Meester waardig waren. De verzen tonen het beeld van de muni (zonder natuurlijk dit woord te gebruiken), d.w.z. van de heilige zwijger die als zodanig vooral daarom geldt omdat in hem alle innerlijke conflicten tot zwijgen zijn gebracht.

Het ideaal van de muni is een van de hoofdmotieven van het Sutta-Nipata. Zijn levenswijze en leefregel wordt herhaaldelijk vermeld, o.a. in de suttas de Muni, Nālaka, Geweld, Sāriputta.

Het commentaar neemt aan dat de verzen van dit sutta ieder voor zich zijn ontstaan; ze worden toegeschreven aan individueel Ontwaakten (Pacceka-Boeddhas) van een grijs verleden, van wie ieder één van deze verzen zou hebben gesproken. Deze mening wordt al vermeld in het oude, als canoniek geldende Cūla-Niddesa.

In Sri Lanka is overgeleverd dat met ‘khaggavisāna’ niet de neushoorn is bedoeld, maar een op een paard lijkend dier met een hoorn op het voorhoofd. De Sinhalese naam hiervoor is ‘kangavena’ of ‘kagavenena’. Het zou dan gaan om een dier dat lijkt op de mythische eenhoorn. Maar de legende van de eenhoorn zou juist uit de eerste en vervormde berichten over de neushoorn zijn ontstaan. In het Sanskriet heet de neushoorn ‘khadgi’ (zwaard-bezittend), terwijl ‘khadga-visāna’ alleen in het late Boeddhistische Sanskriet zou voorkomen, dus van het Pali is afgeleid. Het commentaar beschouwt ‘khaggavisāna’ niet als de aanduiding van het dier zelf, maar als ‘hoorn van de neushoorn’. Volgens het commentaar is het vergelijkingspunt niet de levenswijze van de neushoorn, maar zijn enige hoorn, tot onderscheid van de dubbele hoorns van andere dieren.


[Ikzelf beschouw, net als de eerwaarde Nyanaponika, de levenswijze van de neushoorn als het punt van vergelijking. Als een dier twee hoorns heeft, vormt dat geen hindernis voor die hoorns onderling. Het is niet als met twee ringen aan een pols die tegen elkaar botsen. De ene hoorn wordt niet gestoord door de andere hoorn. Horner daarentegen vertaalt niet ‘neushoorn’, maar ‘hoorn van de neushoorn’.]



Het Khaggavisāna-Sutta


35. Geweld terzijde leggend ten opzichte van alle levende wezens, zelfs niet één van hen letsel toebrengend, laat men geen wens hebben naar een zoon, en ook niet naar een metgezel. Laat men alleen gaan als een neushoorn.

36. Genegenheid ontstaat voor iemand die verbindingen heeft. Als men genegenheid heeft, ontstaat deze ellende. Wanneer men dit gevaar ziet dat uit genegenheid is ontstaan, laat men alleen gaan als een neushoorn.


37. Als men sympathie heeft voor vrienden en kameraden,37 mist men zijn doel omdat men in de geest geketend is.38 Als men het gevaar ziet in omgang met vrienden, laat men alleen gaan als een neushoorn.


38. De aandacht die er bestaat voor zonen en vrouwen is als een zich wijd verspreidende bamboe-boom die met andere verstrengeld is. Als een jonge bamboe-scheut die niet met andere is verwikkeld, laat men alleen gaan als een neushoorn.


39. Zoals een hert dat niet vastgebonden is, kan gaan waarheen het wil om te grazen in het bos,39 laat een verstandige man die zijn onafhankelijkheid acht, alleen gaan als een neushoorn.


40. Of men nu rust, staat, gaat, of rondtrekt, temidden van kameraden zijn er vragen van anderen. Als men achting heeft voor de onafhankelijkheid die door anderen niet begeerd wordt,40 laat men alleen gaan als een neushoorn


41. Temidden van kameraden is er sport en spel, vermaak; en voor de kinderen koestert men grote liefde. Hoewel men afkeer voelt vanwege de scheiding van wat dierbaar is, laat men alleen gaan als een neushoorn.


42. Als men thuis is in de vier kwartieren (de vier hemelrichtingen),41 vrij van afkeer,42 tevreden met alles wat op z’n weg komt, iemand die moedig elke tegenstand verdraagt,43, laat men alleen gaan als een neushoorn.


43. Sommige asceten zijn niet vriendelijk van aard, en ook sommige gezinshoofden die in een huis wonen.44 Zich niet bemoeiende met de kinderen van anderen, laat men alleen gaan als een neushoorn.

44. Na de kenmerken van een wereldling verwijderd te hebben, als een Kovilara-boom45 waarvan de bladeren zijn afgevallen, na als een held de banden van de wereldling te hebben afgesneden, laat men alleen gaan als een neushoorn.


45. Indien men een wijze vriend vindt, een metgezel met goed gedrag, ijverig en vastbesloten, alle gevaren overwinnend, laat men met hem gaan, met verheven geest en oplettend.46


46. Wanneer men geen wijze vriend vindt, een metgezel met goed gedrag, ijverig en vastbesloten, laat men dan als een koning die het koninkrijk opgeeft dat hij heeft veroverd,47 alleen gaan als een neushoorn.


47. Waarlijk, laten wij het geluk prijzen van vriendschap. Met vrienden die beter dan of die gelijk zijn aan men zelf, moet men omgaan. Indien men dezen niet heeft, laat men alleen en onberispelijk leven. Laat men alleen gaan als een neushoorn.

48. Bij het zien van stralende armbanden, goed vervaardigd door een goudsmid, die tegen elkaar botsen wanneer twee ervan aan één arm zijn, laat men alleen gaan als een neushoorn.48


49. ‘Wanneer ik zo met een metgezel samen was, dan had ik een onaangenaam gesprek of verwijten te verdragen.’ Bij het zien van dit gevaar voor de toekomst,49 laat men alleen gaan als een neushoorn.

50. Zintuiglijke genoegens, zoet en bont en aangenaam, vernietigen in veelvuldige vormen de geest. Wanneer men het gevaar ziet in de strengen van zinnelijk genot, laat men alleen gaan als een neushoorn.


51. “Voor mij zijn ze een ramp, een gezwel, en een ongeluk, en een ziekte, een stekel en een gevaar.” Bij het zien van dit gevaar in de strengen van zinnelijk genot, laat men alleen gaan als een neushoorn.


52. Als men koude en hitte, honger en dorst, wind en de hitte van de zon, insecten en slangen, - als men die allemaal overwinnend heeft verdragen,50 laat men alleen gaan als een neushoorn.


53. Zoals een gevlekte olifant met massieve schouders, een edele, de kudden verlaat en in het bos leeft zoals het hem behaagt, laat men alleen gaan als een neushoorn.


54. Het is een onmogelijkheid voor iemand die graag in gezelschap is om, al was het maar tijdelijk, bevrijding te ondervinden.51 Na de stem van de verwant van de zon gehoord te hebben,52 laat men alleen gaan als een neushoorn.


55. Wanneer men aan de verdraaiingen van verkeerde visies is ontkomen,53 wanneer men bij de vaste koers naar bevrijding is aangekomen,54 wanneer men het heilige pad heeft bereikt, het zelf inziende, zonder door anderen geleid te zijn, laat men alleen gaan als een neushoorn.

56. Als men zonder begeerte is geworden, zonder bedrog, zonder dorst, zonder eigendunk, als de onwetendheid en de fouten zijn weggeblazen,55 als men geen verlangen heeft naar iets56 in de hele wereld, laat men alleen gaan als een neushoorn.


57. Laat men een slechte metgezel vermijden, die het doel niet ziet, die de route naar slecht gedrag is ingegaan. Laat men niet met iemand omgaan die geneigd is naar verkeerde visies en die onoplettend is. Laat men alleen gaan als een neushoorn.57


58. Men moet met iemand contact onderhouden die veel geleerd heeft en deskundig is in de leer, een edele vriend die verstandig is.58 Als men zijn doel59 kent en twijfel heeft verdreven,60 laat men alleen gaan als een neushoorn.

59. Als men geen voldoening vindt in sport, spel en vermaak, noch in het geluk dat komt van zinnelijke genietingen in de wereld, en als men er geen acht op slaat, van versiering afziet, de waarheid spreekt, laat men alleen gaan als een neushoorn.


60. Zoon61 en vrouw, en vader en moeder achterlatend, en ook rijkdom en graan, en verwanten, en zinnelijke genietingen voor 100%, laat men alleen gaan als een neushoorn.


61. “Dit is een boei, een gehechtheid; hier is weinig geluk en weinig voldoening; hier is heel veel ellende; dit is een [prooi aan de] haak.”62 Als een nadenkende man dit weet, laat men alleen gaan als een neushoorn.


62. Wanneer men zijn boeien stuk heeft getrokken, als een vis die een net in het water breekt, niet terugkerende gelijk aan een vuur dat niet teruggaat naar wat al verbrand is, laat men alleen gaan als een neushoorn.


63. Met neergeslagen ogen, niet slenterend,63 met de zintuigen bewaakt en de geest beschermd, niet overstroomd met smetten,64 niet brandende (van koorts), laat men alleen gaan als een neushoorn.

64. Wanneer men de kenmerken van een gezinshoofd heeft verworpen, als een koraalboom waarvan de bladeren omlaag zijn gevallen, wanneer men het huis is uitgegaan en het saffraangele gewaad draagt, laat men alleen gaan als een neushoorn.65


65. Wanneer men geen verlangen toont naar smaken, niet baldadig, wanneer men niet voor het onderhoud van anderen zorgt, op de aalmoezenronde van huis tot huis gaat,66 in de geest niet geketend aan dit of dat gezin, laat men alleen gaan als een neushoorn.67


66. Wanneer men de vijf hindernissen van de geest heeft achtergelaten, en alle smetten heeft weggegooid, niet afhankelijk, na affectie en haat te hebben afgesneden,68 laat men alleen gaan als een neushoorn.


67. Wanneer men geluk en ellende achter zich heeft gelaten, en ook vreugde en neerslachtigheid, als men gelijkmoedigheid heeft verkregen die gezuiverde kalmte is,69 laat men alleen gaan als een neushoorn.


68. Vastbesloten om het hoogste doel te verkrijgen, met onverschrokken geest, niet lui, met vaste inspanning, voorzien van lichamelijke en geestelijke kracht, laat men alleen gaan als een neushoorn.


69. Afzondering en meditatie niet opgevende, voortdurend levende in overeenstemming met de leer van verschijnselen,70 het gevaar begrijpende dat er in [vormen van] bestaan is, laat men alleen gaan als een neushoorn.


70. Onvermoeibaar strevende naar het einde van begeerte, met waakzame geest, wel ervaren, oplettend, een onderzoeker van de leer71 die veilig is, energiek, laat men alleen gaan als een neushoorn.


71. Niet bevende, zoals een leeuw niet beeft bij geluiden, niet met anderen gevangen, zoals de wind niet gevangen is in een net, niet verontreinigd door hartstocht, zoals een lotus niet verontreinigd is door water, laat men alleen gaan als een neushoorn.


72. Zegevierend levend, overwonnen hebbend als een leeuw met sterke tanden, de koning der dieren, laat men zijn verblijf hebben op afgelegen plaatsen, laat men alleen gaan als een neushoorn.


73. Van tijd tot tijd liefdevolle vriendelijkheid beoefenend, en ook gelijkmoedigheid, mededogen, en medevreugde,72 tot de hele wereld geen enkele vijandschap voelend, laat men alleen gaan als een neushoorn.


74. Hartstocht, haat en illusie achterlatend, na alle boeien uit elkaar te hebben gerukt, niet bevend [van angst] wanneer het leven eindigt, laat men alleen gaan als een neushoorn.


75. De mensen hebben omgang met en vertoeven bij anderen om het een of andere motief. Tegenwoordig zijn vrienden zonder motief moeilijk te vinden. Onzuivere mensen begrijpen goed wat tot hun voordeel is. Laat men alleen gaan als een neushoorn.73


Sn. I.4 (verzen 76-82) – Kasībhāradvāja sutta - De toespraak tot de brahmaan Kasi-Bhāradvāja


(Deze toespraak staat ook in Sam.Nik.VII.11).

Eens (in het elfde regenseizoen) vertoefde de Verhevene in het land Māgadha, te Dakkhināgiri,74 in het brahmanendorp Ekanālā. Het was in die tijd het zaaiseizoen en 500 ploegen van de brahmaan Kasi-Bhāradvāja waren er in gebruik.75 ’s-Morgens kleedde de Verhevene zich aan, nam nap en (boven)gewaad en begaf zich naar de plaats waar het werk van de brahmaan Kasi-Bhāradvāja gaande was. Het was bij de brahmaan de tijd van de uitdeling van het eten; de Verhevene ging naar hem toe en bleef naast hem staan. De brahmaan Kasi-Bhāradvāja zag de Verhevene daar op een gave staan wachten en zei tot hem: “Asceet, ik ploeg en zaai en daarna eet ik. Ook u, asceet, moet ploegen en zaaien en daarna kunt u eten.”

"Brahmaan, ook ik ploeg en zaai en daarna eet ik."

"Wij zien geen juk noch ploegschaar, geen stok om aan te drijven noch tweespan van de Verheven Gotama. Toch zegt de Eerwaarde Gotama: ‘Ook ik, brahmaan, ploeg en zaai en daarna eet ik.’”

En verder sprak de brahmaan de Verhevene toe met de woorden:


76. “U beweert een ploeger te zijn, en toch kunnen wij uw ploeg niet zien; gevraagd naar uw ploeg en de rest, vertelt ons erover zodat wij er weet van hebben.”


77. (De Boeddha:)

“Vertrouwen is mijn zaaigoed,76 en ascese is de regen;77 de wijsheid is mijn juk en ploeg.78 Schaamte is de disselboom79 en de geest is de verbinding.80 Oplettendheid is mijn ploegschaar en stok om aan te drijven.81


78. Met daden en woorden82 bewaakt, met het lichaam83 bij de maaltijd beteugeld,84 gebruik ik de waarheid om te zaaien.85 Door de innerlijke vrede wordt het juk losgemaakt.86


79. De wilskracht is mijn span87 dat zonder om te keren daarheen gaat 88 waar men na aankomst geen zorgen meer heeft.89 Ze leidt naar de vrijheid van de last.90


80. Op die manier is dit veldwerk voltooid: de vrucht ervan is het Doodloze. Wie zo'n veldwerk heeft volbracht, wordt van alle leed bevrijd.”


De brahmaan Kasi-Bhāradvāja vulde een grote bronzen91 schaal met melkrijst en bood ze de Verhevene aan met de woorden: “Moge de Eerwaarde Gotama deze melkrijst nuttigen; waarlijk, de Eerwaarde Gotama is een ploeger die veldwerk verricht met het Doodloze als vrucht.”


81. De Boeddha:

“Brahmaan, wat ik ontvang na het reciteren van verzen mag niet door mij gegeten worden. Het behoort niet tot de traditie van degenen die juist inzicht hebben. De Boeddhas wijzen af wat verkregen is door het reciteren van verzen. Brahmaan, dat is het gedrag [van Boeddhas] zolang als de Dhamma heerst.92


82. Maar in andere gevallen mag u aan die grote Wijze welke volmaakt, smetteloos is, (in wie de neiging uitgedroogd is) en in wie bezorgdheid tot rust is gekomen, voedsel en drank aanbieden. Dat is een veld voor iemand die naar verdienste verlangt.”


“Eerwaarde Gotama, aan wie zal ik dan deze melkrijst geven?”


“Brahmaan, in de wereld met haar goden, Maras en Brahmas, met haar scharen asceten, brahmanen, goden en mensen, is er niemand door wie deze melkrijst, na nuttiging ervan, verteerd kan worden uitgezonderd door de Tathāgata of een discipel van de Tathāgata. Brahmaan, gooi daarom deze melkrijst op een plek waar geen gras is of in een poel waarin geen (zichtbare) levende wezens zijn.”


Hierna gooide de brahmaan de melkrijst in een poel waarin geen levende wezens waren; en de melkrijst in het water borrelde en siste, rookte en dampte. Juist zoals wanneer een ploegschaar die overdag verhit is, in het water wordt gegooid en dan rookt en dampt, sist en borrelt, evenzo rookte en dampte, siste en borrelde die melkrijst.


Toen ging de brahmaan Kasi-Bhāradvāja met ontzetting, met de haren te berge, naar de Verhevene toe, knielde voor hem neer, boog met zijn hoofd tot aan de voeten van de Verhevene en zei: “Voortreffelijk, Gotama, zeer voortreffelijk is uw leer. Juist zoals iemand rechtzet wat omgevallen is, of onthult wat verborgen is, de weg wijst aan iemand die verdwaald is, of een olielamp in de duisternis zet opdat degenen met (goede) ogen de voorwerpen kunnen zien, juist zo is de leer op veelvuldige manier door de Eerwaarde Gotama uitgelegd. Ik neem mijn toevlucht tot de Eerwaarde Gotama, tot zijn leer en tot de Orde van de monniken. Ik wil graag bij de Eerwaarde Gotama de wijding tot novice ontvangen en de hogere wijding.”


De brahmaan Kasi-Bhāradvāja ontving daarop van de Verhevene zowel de wijding tot novice als de hogere wijding. Niet lang na zijn hogere wijding leefde de eerwaarde Bhāradvāja alleen, afgezonderd, energiek, ijverig en vastbesloten. En na niet lange tijd verwerkelijkte en bereikte hij door eigen inzicht, hier en nu, de hoogste volmaaktheid (Arahantschap), het einde van het edele leven omwille waarvan mensen van goede familie het huiselijke leven verlaten om het huisloze leven te leiden. ‘Geboorte is uitgedoofd, het edele leven is geleid, gedaan is wat gedaan moet worden, er is hierna verder niets meer te doen,’ aldus had hij ingezien. Zo was ook de eerwaarde Bhāradvāja een van de heiligen geworden.


        NB. Het voorgaande proza-gedeelte ontbreekt in het parallel-sutta Sam.Nik. 7.11, maar bevindt zich wel in Sam.Nik. 7.9. Het laatste sutta is gedeeltelijk een parallel met het 'Sundārika-Bhāradvāja' van het Sutta-Nipāta; maar daar wederom komt dit tekstgedeelte niet voor.  K.E. Neumann kan overigens met zijn mening gelijk hebben dat dit gedeelte “een later commentaar is bij het verkeerd begrepen “abbojaneyyam" (= "het kan niet genuttigd worden"), in vers 81.



Sn.I.5. (verzen 83-90) Cunda Sutta - De vier soorten asceten


Onder de monniken zijn niet alleen heiligen of mensen die naar heiligheid streven. Tegenwoordig zijn er corrupte, onbetrouwbare personen bij de Sangha. En ook vroeger waren er teugelloze lieden, zonder de juiste deugdzaamheid, die het gewaad van monnik als vermomming gebruikten. Het volgende verhaal uit de tijd van de Boeddha laat zien hoe onbetrouwbare, onreine monniken zijn te herkennen.

Eens verbleef de Verhevene te Pāva. De goudsmid Cunda93 nodigde daar de Boeddha en de gemeenschap van de monniken uit voor de maaltijd. Tijdens het maal merkte Cunda dat een monnik zich een gouden beker toeëigende. Zonder dit voorval uitdrukkelijk te vermelden, stelde de goudsmid daarop aan de Verhevene de vraag:


83. “Gij wijze met rijkelijke wijsheid, de Boeddha, heer van de leer, die vrij is van begeerte, hoogste der mensen, de beste van alle leiders,94 zegt mij hoeveel soorten asceten zijn er in de wereld?”


84. De Verhevene gaf ten antwoord: “Er zijn niet meer dan vier soorten van asceten, namelijk: (1) de meester van het pad; (2) de verkondiger van het pad; (3) degene die op het pad leeft; en (4) de verderver van het pad.”


85. Cunda vroeg nadere uitleg: “Wie wordt door Ontwaakten meester van het pad genoemd? Hoe is men een onvergelijkbare verkondiger van het pad? 95 Toon mij a.u.b. degene die op het pad leeft, en leg me a.u.b. ook uit wie een verderver van het pad is.

86. “Degene die vrij is van twijfel en ook van de prikkel (van zelfzucht), die zonder verlangen is en die vreugde schept in Nibbāna, deze persoon wordt door Ontwaakten aangeduid als meester van het pad.96 Hij is een leider van deze wereld met haar goden.


87. Wie het hoogste als hoogste kent97 en dat ook verkondigt en de leer juist uitlegt, hij heet een wijze, een vernietiger van twijfel, zonder opwelling van wensen; hij is de verkondiger van het pad.98

88. Wie op het spoor leeft van deze leer welke zo goed verkondigd is, wie op het pad leeft, beteugeld en oplettend, wie onberispelijke wegen99 bewandelt, hem noemt men iemand die op het pad leeft.100


89. Wie de kleding van deugdzamen aanneemt, zich voordringt, brutaal is, een bederver van gezinnen,101 een huichelaar, en wie teugelloos en praatziek, vermomd rondloopt, die is een verderver van het pad.102


90. Als de ervaren, wijze leek103 die een volgeling is van de edelen,104 de aard van deze vier soorten personen heeft doorzien, dan weet hij dat niet allen gelijk zijn aan de laatste. Omdat hij dit inziet, verlaat hem het vertrouwen niet. Hoe ook zou hij de onverdorvene gelijk kunnen stellen aan de verdorvene; hoe de reine aan de onreine?!”



Sn.I.6. (verzen 91-115) Parābhava Sutta – Leerrede over de oorzaken van achteruitgang


Na de leerrede over de zegeningen105 gehoord te hebben, die handelt over datgene wat voert tot vooruitgang en voorspoed, dachten de goden bij zichzelf: “De Boeddha heeft ons over de zegeningen verteld, maar niet over het verval, de achteruitgang van iemand. Zouden wij niet naar hem toe gaan en hem vragen over dingen die tot achteruitgang leiden.” Dus kwamen de goden op de dag na de leerrede over de zegeningen bijeen en een van hen stelde onderstaande vragen. (Aldus het commentaar).



De leerrede over de oorzaken van achteruitgang


Eens vertoefde de Verhevene te Sāvatthi, in het Jetavana-klooster van Anathapindika. Toen de nacht was voortgeschreden, kwam een zekere god wiens uitmuntende schittering het hele Jetavana-klooster verlichtte, tot bij de Verhevene, groette hem eerbiedig en ging terzijde staan. En hij richtte zich tot de Verhevene met het vers:


91. “Wij vragen U, Gotama, wat is de oorzaak van iemands ondergang?106 Wij zijn naar de Gezegende gekomen met de vraag: ‘Wat is de oorzaak van iemands achteruitgang?’”


92. (De Boeddha)

“Gemakkelijk te kennen is degene die vooruit gaat; gemakkelijk te kennen is degene die achteruit gaat.107 Degene die de Dhamma liefheeft,108 gaat vooruit; degene die van de Dhamma een afkeer heeft, gaat achteruit.”


93. (De god)

“Wij hebben dit begrepen. Dit is de eerste oorzaak van achteruitgang. Vertelt ons nu, Gezegende, wat is de tweede oorzaak van iemands ondergang?”


94. (De Boeddha)

“Als men graag vertoeft bij slechte lieden, als men niet graag bij deugdzame mensen is, als men de leer van boze mensen goedkeurt, dat is de oorzaak van iemands achteruitgang.”


95. (De god)

“Wij hebben dit begrepen. Dit is de tweede oorzaak van achteruitgang. Vertelt ons nu, Gezegende, wat is de derde oorzaak van iemands ondergang?”


96. (De Boeddha)

“Als men graag lang slaapt, als men graag in gezelschap verkeert,109 als men traag, lui en prikkelbaar is, dat is de oorzaak van iemands achteruitgang.”


97. (De god:)

“Wij hebben dit begrepen. Dit is de derde oorzaak van achteruitgang. Vertelt ons nu, Gezegende, wat is de vierde oorzaak van iemands ondergang?”


98. (De Boeddha:)

“Als men welgesteld is en dan niet voor zijn ouders zorgt als zij oud en bejaard zijn, dat is de oorzaak van iemands achteruitgang.”


99. (De god:)

“Wij hebben dit begrepen. Dit is de vierde oorzaak van achteruitgang. Vertelt ons nu, Gezegende, wat is de vijfde oorzaak van iemands ondergang?”


100. (De Boeddha:)

“Als men door leugens een priester of asceet of enig ander bedelmonnik110 bedriegt, dit is de oorzaak van iemands achteruitgang.”

101. (De god:)

Wij hebben dit begrepen. Dit is de vijfde oorzaak van achteruitgang. Vertelt ons nu, Gezegende, wat is de zesde oorzaak van iemands ondergang?”

102. (De Boeddha:)

“Als men veel rijkdom heeft en genoeg geld en voedsel, maar dan zijn luxe alleen geniet,111 dat is de oorzaak van iemands achteruitgang.”


103. (De god:)

“Wij hebben dit begrepen. Dit is de zesde oorzaak van achteruitgang. Vertelt ons nu, Gezegende, wat is de zevende oorzaak van iemands ondergang?”


104. (De Boeddha:)

“Als men trots is op afkomst, op rijkdom of op familie, en als men dan zijn verwanten veracht, dat is de oorzaak van iemands achteruitgang.”


105. (De god:)

“Wij hebben dit begrepen. Dit is de zevende oorzaak van achteruitgang. Vertelt ons nu, Gezegende, wat is de achtste oorzaak van iemands ondergang?”


106. (De Boeddha:)

“Als men een rokkenjager, een dronkaard, een speler is, als men alles verbrast wat men verdient, dat is de oorzaak van iemands achteruitgang.”


107. (De god:)

“Wij hebben dit begrepen. Dit is de achtste oorzaak van achteruitgang. Vertelt ons nu, Gezegende, wat is de negende oorzaak van iemands ondergang?”


108. (De Boeddha:)

“Als men niet tevreden is met eigen vrouw en dan lichtekooien en/of vrouwen van anderen bezoekt, dat is de oorzaak van iemands achteruitgang.”112


109. (De god:)

“Wij hebben dit begrepen. Dit is de negende oorzaak van achteruitgang. Vertelt ons nu, Gezegende, wat is de tiende oorzaak van iemands ondergang?”


110. (De Boeddha:)

“Als men zijn jeugd voorbij is en dan een jonge vrouw113 neemt en als men wegens haar niet kan slapen van jaloersheid,114 dat is de oorzaak van iemands achteruitgang.”115


111. (De god:)

“Wij hebben dit begrepen. Dit is de tiende oorzaak van achteruitgang. Vertelt ons nu, Gezegende, wat is de elfde oorzaak van iemands ondergang?”


112. (De Boeddha:)

“Als men autoriteit geeft aan een vrouw die verslaafd is aan drinken en geld verkwisten, of aan een man van gelijke soort, dat is de oorzaak van iemands achteruitgang.”


113. (De god:)

“Wij hebben dit begrepen. Dit is de elfde oorzaak van achteruitgang. Vertelt ons nu, Gezegende, wat is de twaalfde oorzaak van iemands ondergang?”


114. (De Boeddha:)

“Als men van adellijke geboorte is, met veel ambities en weinig financiële middelen, en als men dan streeft naar heerschappij, dat is de oorzaak van iemands achteruitgang.


115. Wanneer een wijs, edel iemand, met inzicht, deze oorzaken van achteruitgang in de wereld heeft gezien en overwogen, dan kiest hij voor de zalige wereld."116




Sn.I.7. (verzen 116-142) - Vasala of Aggika Bhāradvāja Sutta – De leerrede over de verschoppeling

In dit sutta legt de Boeddha uit dat men door daden en niet door afkomst een verschoppeling of een brahmaan wordt.

Eens vertoefde de Verhevene te Savatthi in het Jetavana-klooster van Anāthapindika. De Verhevene had zich ’s-morgens aangekleed, nam nap en (opper)gewaad en begaf zich naar Sāvatthī om er voedsel te vergaren. In het huis van de brahmaan Aggika-Bhāradvāja117 brandde toen het offervuur: een offergave werd gebracht. De Verhevene die te Sāvatthī van huis tot huis ging op zijn ronde voor voedsel, kwam zo ook bij het huis van de brahmaan Aggika-Bhāradvāja. Deze zag de Verhevene van verre naderbij komen en riep hem toe: “Jij daar, met je kaalgeschoren hoofd,118 blijf daar. Ellendige asceet, blijf daar. Jij ellendige verschoppeling,119 blijf staan.” Na deze woorden sprak de Verhevene tot de brahmaan Aggika-Bhāradvāja: “Brahmaan, weet jij dan wat een verschoppeling is of ken je de dingen die iemand tot een verschoppeling maken?” – “Heer Gotama, ik weet niet wat een verschoppeling is noch ken ik de dingen die iemand tot een verschoppeling maken. Het zou goed zijn als de Heer Gotama mij deze zaak zó toonde dat ik leer kennen wat een verschoppeling is of wat de dingen zijn die iemand tot verschoppeling maken.” – “Brahmaan, dan luister, let goed op. Ik zal spreken.” – “Jawel, Heer,” gaf de brahmaan Aggika-Bhāradvāja ten antwoord. De Verhevene sprak aldus:


116. “Iemand die toornig is, vol woede, boosaardig, een lasteraar, met slechte bedoelingen, huichelachtig, ken hem als verschoppeling.120


117. Iemand die hier levende wezens, hetzij dieren of vogels,121 letsel toebrengt, wie voor levende wezens geen medelijden heeft, ken hem als verschoppeling.


118. Wie dorpen en steden belegert en verwoest, wie berucht is als tiran, ken hem als verschoppeling.

119. Wie, hetzij in het dorp of in het bos, door diefstal neemt wat hem niet is gegeven,122 ken hem als verschoppeling.


120. Wie schulden maakt en na aanmaning dan loochent123 met de woorden: 'Ik ben je niets schuldig', ken hem als verschoppeling.


121. Wie een kleinigheid begeert en dan iemand overvalt op de weg, hem neerslaat 124 en de kleinigheid neemt, ken hem als verschoppeling.


122. Wie voor eigen heil, voor dat van anderen of omwille van geld valse getuigenis aflegt wanneer hij als getuige gevraagd is, ken hem als verschoppeling.


123. Wie met vrouwen van verwanten of van vrienden echtbreuk pleegt, met geweld of met haar toestemming, ken hem als verschoppeling.


124. Wie zijn ouders, wanneer zij oud en bejaard zijn, niet ondersteunt hoewel hij daartoe in staat is, ken hem als verschoppeling.


125. Wie zijn moeder of vader, broer, zuster of schoonmoeder slaat of met woorden krenkt, ken hem als verschoppeling.


126. Wie het onheilzame aanbeveelt wanneer hem naar het heilzame gevraagd wordt, wie onduidelijke raad geeft, ken hem als verschoppeling.


127. Wie een slechte daad begaat en dan wenst: 'Dat men het niet van mij te weten komt,' wie in het geheim kwaad doet, ken hem als verschoppeling.


128. Wie bij een ander op bezoek gaat en er de maaltijd nuttigt, maar de gast niet eert door hem, wanneer hij een tegenbezoek brengt, een maal aan te bieden, ken hem als verschoppeling.


129. Wie door leugens te vertellen een brahmaan of asceet of een andere bedelmonnik bedriegt, ken hem als verschoppeling.


130. Wie een priester of asceet, wanneer het tijd is voor het eten, met woorden krenkt en hem niets geeft, ken hem als verschoppeling.


131. Wie vol verblinding vertelt wat niet is gebeurd,125 omdat hij naar gering voordeel126 verlangt, ken hem als verschoppeling.


132. Wie zichzelf roemt en anderen geringschat, wie zich door zo'n hoogmoed zelf vernederd heeft, ken hem als verschoppeling.


133. Wie twistziek is, gierig en vol slechte wensen, hebzuchtig en vol valsheid, zonder schaamte en onbescheiden, ken hem als verschoppeling.


134. Wie smalend spreekt over de Boeddha of zijn discipel, hetzij monnik of leek, ken hem als verschoppeling.


135. Maar wie zich als heilige uitgeeft zonder heilige te zijn, wie aldus een dief is in de wereld inclusief Brahmā, ken hem als de laagste verschoppeling.

Zij zijn het die 'verschoppeling' heten; Ik heb ze u nu verkondigd.


136. Niet door geboorte is men een verschoppeling, niet door geboorte is men een brahmaan. Maar door zijn daad is men een verschoppeling, door zijn daad is men een brahmaan.


137. Ook hieruit is het te begrijpen; Ik geef u een voorbeeld. Een verschoppeling, een Candāla, was als Mātanga algemeen bekend.127

138. Deze Mātanga bereikte de hoogste roem welke zeer moeilijk te verkrijgen is. Veel edelen en ook brahmanen kwamen bij hem hun opwachting maken.128


139. Hij had de weg van de goden beklommen,129 het smetteloze hoge pad. Na begeerte en zin-genot te hebben opgegeven, is hij naar de Brahma-wereld gegaan. Zijn afkomst hield hem niet ervan af in de Brahma-wereld herboren te worden.


140. Er zijn brahmanen, geboren in een familie van geleerden, die met de Vedas goed vertrouwd zijn. Ook hen kan men vaak met slecht gedrag zien.


141. In dit leven reeds worden zij berispt, en in het volgende gaan zij naar de lagere wereld. Hun afkomst hield hen niet af van die lagere weg of van berisping.


142. Niet door geboorte is men een verschoppeling, niet door geboorte is men een brahmaan. Maar door zijn daad is men een verschoppeling, door zijn daad is men een brahmaan.”


Na deze woorden zei de brahmaan Aggika-Bhāradvāja tot de Boeddha: “Voortreffelijk, Eerwaarde Gotama, zeer voortreffelijk. Eerwaarde Gotama, juist zoals iemand rechtzet wat omgevallen is, of onthult wat verborgen is, de weg wijst aan iemand die verdwaald is, of een olielamp in de duisternis zet opdat degenen met (goede) ogen de voorwerpen kunnen zien, juist zo is de leer op veelvuldige manier door de eerwaarde Gotama uitgelegd. Ik neem mijn toevlucht tot de eerwaarde Gotama, tot zijn leer en tot de Orde van de monniken. Moge de eerwaarde Gotama mij aannemen als een lekenvolgeling die zijn toevlucht heeft genomen vanaf vandaag tot zolang het leven duurt.”



Sn.I.8. (verzen 143-152) Karaniya metta sutta – de leerrede over liefdevolle vriendelijkheid.


Dit sutta bevindt zich ook in het Khuddakapātha (Khp.9). Het is een paritta, een beschermende recitatie. De recitatie ervan wordt beschouwd als zeer gunstig.

Dit sutta wordt gebruikt voor de meditatie over universele liefdevolle vriendelijkheid.


Inleiding

Toen de Boeddha eens te Sāvatthi vertoefde, ging een groep monniken, na van hem onderwerpen voor meditatie gekregen te hebben, naar een bos om er het regenseizoen door te brengen. Door hun aankomst waren de boomgodheden die in dat bos woonden, bezorgd. Zij moesten van hun bomen afdalen en op de grond blijven. Zij hoopten echter dat de monniken weldra zouden vertrekken. Maar toen bleek dat de monniken het hele regenseizoen van drie maanden daar zouden blijven, bestookten de boomgodheden die monniken ’s nachts op diverse manieren om hen weg te jagen.

Omdat het onmogelijk was onder zulke omstandigheden te leven, gingen de monniken naar de Verhevene en deelden hem hun moeilijkheden mede. Daarop gaf de Boeddha hun onderricht met de toespraak over welwillendheid, liefdevolle vriendelijkheid, en hij gaf hun de raad om met deze leerrede als hun bescherming terug te keren.

De monniken gingen weer naar het bos en beoefenden de instructie die hun was meegegeven. De hele atmosfeer doordrongen zij met hun stralende gedachten van welwillendheid (mettā). De godheden werden op die manier door deze kracht van liefde beïnvloed en stonden hun toe in vrede te mediteren.


De toespraak over liefdevolle vriendelijkheid


143. “Wie het heilzame weet en de staat van vrede wenst te begrijpen,130 131 moet energiek zijn132 en geheel en al oprecht.133 Hij of zij moet toegankelijk zijn,134 zachtmoedig en zonder hoogmoed,


144. tevreden en gemakkelijk in onderhoud te voorzien, met weinig bezigheden en zonder veel benodigdheden. Met de zinnen bedaard, met helder verstand, bescheiden, zonder begeerte gaat hij of zij onder de mensen.135 136


145. En niet in het geringste mag enige overtreding begaan worden waarvoor andere wijze mensen hem zouden kunnen berispen. En laat hij denken:

Mogen alle levende wezens gelukkig zijn en vol vrede,137 moge hun hart vervuld zijn van geluk, mogen zij gelukzalig van harte zijn.


146. Wat voor levende wezens er ook zijn, hetzij zwak of sterk,138 allen zonder uitzondering, groot of klein of middelmatig, dun of dik,


147. zichtbare en onzichtbare wezens, de wezens die veraf zich bevinden of nabij, bestaande wezens en de wezens die naar bestaan zoeken,139 - moge geluk al hun harten vervullen, mogen zij gelukzalig van harte zijn.’


148. Laat niemand de ander vernederen140 en laat men niemand verachten om welke reden dan ook. Laat men nooit iemand anders iets kwaads toewensen, uit ergernis of uit vijandige gezindheid.141


149. Zoals een moeder haar eigen zoon, haar enig kind beschermt met haar leven, laat men zo voor alle levende wezens een onbegrensd gemoed ontvouwen.


150. Laat men vol goedheid en mededogen voor de gehele wereld zijn gemoed ontvouwen, onbegrensd: opwaarts, neerwaarts, rondom en kruiselings in het midden, naar alle richtingen; vrij van engte van het hart,142 vrij van haat en vrij van vijandschap.


151. En of men nu staat of gaat,143 zit of ligt, laat men, steeds als men van vermoeidheid vrij is, zich vestigen in deze oplettendheid.144 Dat geldt hier reeds als goddelijk vertoeven.145


152. En wie niet meer in verkeerde meningen is gevangen, wie deugdzaam is, aan wie inzicht eigen is, wie begeerte naar zintuiglijk genot heeft overwonnen, hij of zij komt beslist niet meer in een moederschoot.”146



Sn.I.9. (verzen 153-180) Hemavata Sutta

In het commentaar wordt deze leerrede ook Sātāgira-sutta genoemd.


Twee yakkhas, Sātāgira en Hemavata, hadden beloofd elkaar over merkwaardige gebeurtenissen waarover zij vernamen, in kennis te stellen. Van hen was Sātāgira de eerste die over het verschijnen van de Boeddha vernam, diens leerrede hoorde, het aan zijn vriend Hemavata meedeelde en hem vroeg om samen naar Gotama de leraar te gaan, de Volmaakte.


153. Sātāgira, de yakkha

“Vandaag op de vijftiende (van de maan-maand), een Uposatha, is goddelijk de nacht ontstaan. Laten wij naar de onvergelijkbare Meester gaan.”


154. Hemavata, de yakkha
“Is het hart bij een dergelijk iemand dan ook goedgezind jegens alle levende wezens? Is zijn denken bedwongen wat betreft het wenselijke en het niet wenselijke’?”147


155. Sātāgira

Ja, zijn hart is goedgezind jegens alle levende wezens. En wat betreft het wenselijke en het niet wenselijke is zijn denken bedwongen.”


156. Hemavata
“Neemt hij ook niet wat niet is gegeven? Is hij ten opzichte van levende wezens ook beteugeld? Houdt hij zich verre van onachtzaamheid? Verwaarloost hij ook de meditatie niet?”

157. Sātāgira.

“Hij neemt niet wat hem niet is gegeven. Ten opzichte van levende wezens is hij geheel beteugeld. Hij is verre van onachtzaamheid. Als een Ontwaakte verwaarloost hij meditatie niet.”

158. Hemavata
“Hij vertelt toch geen leugens? En is hij vrij van ruwe taal? Zal hij ook geen lasterpraat uiten? En zal hij ook geen onzin zeggen?”

159. Sātāgira

“Hij vertelt beslist geen leugens. Hij gebruikt geen ruwe taal. Hij zal ook niet lasteren. Hij is een wijze en praat alleen zinvol.”


160. Hemavata
“Is hij ook niet gehecht aan zintuiglijke genoegens? Blijft zijn geest ongestoord? Is hij alle illusie te boven gekomen? Heeft hij helder inzicht wat betreft mentale verschijnselen.”148


161. Sātāgira

“Hij is niet gehecht aan zintuiglijke genoegens. Zijn geest is ongestoord. Hij is alle illusie te boven gekomen. Als Ontwaakte heeft hij helder inzicht wat betreft mentale verschijnselen.”


162. Hemavata

“Is hij begiftigd met hoge kennis? Is zijn levenswijze zuiver? Zijn al zijn neigingen geheel en al uitgedroogd? Is er voor hem geen nieuw bestaan?”


163. Sātāgira

“Hij is begiftigd met hoge kennis, en zuiver is zijn levenswijze. Al zijn neigingen zijn geheel en al opgedroogd. Er is voor hem geen nieuw bestaan.”


163a (Hemavata)

“Volmaakt zoals zijn geest zijn daden en woorden van de wijze. Terecht prijs je hem die volmaakt is in kennis en goed gedrag.”149


163b (Sātāgira)
“Volmaakt zoals zijn geest zijn daden en woorden van de wijze. Terecht ben je verheugd over iemand die volmaakt is in kennis en goed gedrag.” 150


164 (Sātāgira en Hemavata)
“Volmaakt zoals zijn geest zijn daden en woorden van de wijze. Laten wij naar hem gaan die volmaakt is in kennis en goed gedrag, laten wij naar Gotama gaan.”

165 (Hemavata).

“Kom, laten wij naar Gotama gaan, de magere held,151 met dijen slank als die van een antilope, die weinig voedsel tot zich neemt, niet begerig, de wijze die in het bos mediteert.


166. Bij de Verhevene aangekomen, die alleen gaat als een leeuw en die geen neiging meer heeft naar zintuiglijke genietingen, laten wij dan vragen stellen over de bevrijding van de valstrik van de dood.”


167. (Sātāgira en Hemavata)

Laten wij Gotama vragen, die verkondiger is en alles uitlegt, een meesterkenner van alle dingen, een Ontwaakte, die boven de gevaarlijke slechte daden uit is gegaan.152 153 154


168. Hemavata

"Waar is deze wereld ontstaan? Wat verschaft vertrouwelijkheid ermee?155 156 Van het grijpen naar wat bestaat de wereld? En waardoor is de wereld gekweld?” 157


169. De Gezegende zei:

“Hemavata, in zes is de wereld ontstaan; door zes verschaft men vertrouwelijkheid ermee.158 Van het grijpen naar zes waarlijk bestaat de wereld. Door zes is de wereld gekweld.159


170. (Hemavata)

“Wat is dat grijpen waardoor de wereld gekweld is? Vertel ons a.u.b. de uitweg; hoe wordt men bevrijd van ellende?”

171. (De Verhevene)

“Vijf strengen van zintuiglijke genietingen met de geest als zesde zijn onderwezen in de wereld. Wanneer men begeerte ernaar verwijdert, wordt men bevrijd van ellende.


172. Zoals hij werkelijk is, een dergelijke uitweg uit de wereld heb ik jullie onderwezen. Zo maakt men zich vrij van ellende. Dit is wat ik jullie verkondig.”

173. (Hemavata)

“Wie stak de stroom hier over? Wie stak deze oceaan hier over? Wie zinkt niet in de diepte waarin men beneden niet kan staan en die boven niets heeft waaraan men zich vast kan houden?”

174. (De Verhevene)

“Degene die steeds begiftigd is met deugdzaam gedrag, die wijsheid heeft, goed geconcentreerd, inwendig denkende, met oplettendheid, hij stak de stroom over die moeilijk is over te steken.


175. Wie afgewend van gedachten van zinnelijkheid aan alle boeien is ontkomen, wie verlangen naar bestaan en wereldlijk zich vermaken helemaal liet uitdrogen,160 161 die zinkt niet in de diepte.”


176. (Hemavata)

“Zie hem, degene met diepe wijsheid, die de verborgen zin ziet,162 die niets heeft,163 die niet gehecht is aan de zintuiglijke genoegens van bestaan, die volledig bevrijd is, de grote ziener die op goddelijke paden gaat.164 165


177. Zie hem, die zonder een gelijke is, die de verborgen zin ziet, gever van wijsheid, niet gehecht aan zintuiglijk genot,166 die alles kent, de wijze,167 de grote ziener, die op het heilige pad gaat.” 168


178. (De yakkhas)

“Waarlijk, een heerlijke aanblik werd ons heden ten deel.169 Het ochtendgloren was goed, dat wij de volmaakt Verlichte hebben gezien, degene die de stroom overstak, die zonder neigingen170 is.”


179. Deze duizend yakkhas, met bovennatuurlijke krachten, beroemd, zij allen nemen hun toevlucht tot U. Gij zijt onze weergaloze leraar.


180. Wij zullen van dorp tot dorp gaan, van berg tot berg, en eer brengen aan de volmaakt Verlichte en aan de essentiële oprechtheid van de leer.” 171

__________



Sn.I.10. (verzen 181-192) Ālavaka Sutta - De toespraak tot Ālavaka


Dit sutta bevindt zich letterlijk ook in Samyutta-Nikāya 10.12. Het commentaar geeft een uitvoerige ontstaansgeschiedenis, waaruit alleen het volgende is ontnomen.


Inleiding


Een mensen-etende demon (yakkha) met naam Ālavaka maakte het hele land Ālavi onveilig en ook de koning viel op een dag in zijn handen. De koning beloofde dagelijks een mens naar de demon te sturen als deze hem vrij liet. Ālavaka liet toen de koning gaan. Eerst werden alle misdadigers aan de demon uitgeleverd, toen onmondige kinderen, tot uiteindelijk alleen de zoon van de koning over bleef.172


Op de dag dat die zoon uitgeleverd zou worden, ging de Boeddha naar de woning van de yakkha. [Het was in het 16e jaar na de Verlichting]. De Boeddha trof hem niet thuis aan en ging binnen op de yakkha zitten wachten.

Toen de yakkha aankwam, zei hij aan de Boeddha: “Kom naar buiten, asceet.” – “Goed, vriend,” zei de Verhevene en kwam naar buiten. “Ga naar binnen, asceet.” – “Goed, vriend,” zei de Verhevene en ging naar binnen. En een tweede keer zei de yakkha: ”Kom naar buiten, asceet.” – “Goed, vriend,” zei de Verhevene en kwam naar buiten. “Ga naar binnen, asceet.” – “Goed, vriend,” zei de Verhevene en ging naar binnen. En een derde keer zei de yakkha: “Kom naar buiten, asceet.” – “Goed, vriend,” zei de Verhevene en kwam naar buiten. “Ga naar binnen, asceet.” – “Goed, vriend,” zei de Verhevene en ging naar binnen. En een vierde keer sprak de yakkha Ālavaka: “Kom naar buiten, asceet.” - “Vriend, ik zal niet meer naar buiten komen. Doe maar wat je wilt.” – “Asceet, ik zal je een vraag stellen. Wanneer je ze niet kunt beantwoorden, zal ik je geest verwarren of je hart splijten of je aan de voeten vastpakken en naar de andere kant van de Ganges gooien.” – “Vriend, ik zie weliswaar niemand in de wereld met haar goden, haar Maras en Brahmas,173 met haar scharen van asceten en brahmanen, goden en mensen, die mij aan de voeten kan vastpakken en naar de andere kant van de Ganges kan gooien. Maar, vriend, vraag wat je wilt.”

Toen richtte de yakkha Ālavaka zich tot de Verhevene met dit vers:


181. “Wat is het kostbaarste bezit van de mens? Wat, indien juist gedaan, brengt hem geluk? Wat geldt als de zoetste smaak? En welk leven noemt men hier het beste?”


182. Het antwoord van de Verhevene luidde: “Vertrouwen is het kostbaarste bezit van de mens. Indien hij de leer navolgt,174 brengt hem dat geluk.175 De waarheid is de zoetste smaak. En een leven in wijsheid is het beste.”


183. (Ālavaka)

“Hoe kan men de stroom oversteken en hoe de oceaan? Hoe overwint men het leed? En hoe wordt men geheel gezuiverd?”


184. (De Boeddha)

“Door vertrouwen steekt men de stroom over; en door waakzaamheid176 de oceaan. Door inspanning177 overwint men het leed. En door wijsheid wordt men geheel gezuiverd.”


185. (Ālavaka)

“Hoe verkrijgt men wijsheid? En hoe kan men vermogend worden? Hoe krijgt men roem en hoe krijgt men vrienden? Als men van hier naar de andere wereld is gegaan, hoe blijft men daar vrij van leed?”

186. (De Boeddha)

“Door op de leer van de heiligen te vertrouwen, welke leer naar de verwezenlijking van Nibbāna voert, door er goed naar te luisteren, steeds waakzaam en met inzicht, zo verkrijgt men wijsheid.


187. Vermogend wordt men als men bezonnen handelt,178 met plichtsbesef en vastbesloten.179 Door oprechtheid en waarheid krijgt men roem. En door te geven krijgt men vrienden.


188. Elke leek die vertrouwen heeft en die deze vier eigenschappen bezit, namelijk eerlijkheid, rechtschapenheid, standvastigheid en edelmoedigheid,180 zal na de dood geen leed kennen.


189. Je kunt ook andere priesters en asceten vragen of men iets beters dan zelfbedwang en eerlijkheid, vrijgevigheid en verdraagzaamheid181 kan vinden.”


190. (Ālavaka)

“Waarom zou ik thans andere priesters en asceten vragen? Vandaag heb ik immers vernomen waarin het toekomstige heil bestaat.


191. Voor mijn heil, waarlijk, is de Boeddha naar Ālavi gekomen. Want heden heb ik vernomen waar gaven rijke vruchten dragen.


192. Zo zal ik nu van dorp tot dorp en van stad tot stad gaan, en eer brengen aan de Ontwaakte en aan zijn voortreffelijke leer.”

Na deze woorden zei Ālavaka tot de Boeddha: “Voortreffelijk, Gotama, zeer voortreffelijk is uw leer. Juist zoals iemand rechtzet wat omgevallen is, of onthult wat verborgen is, de weg wijst aan iemand die verdwaald is, of een olielamp in de duisternis zet opdat degenen met (goede) ogen de voorwerpen kunnen zien, juist zo is de leer op veelvuldige manier door de Eerwaarde Gotama uitgelegd. Ik neem mijn toevlucht tot de Eerwaarde Gotama, tot zijn leer en tot de Orde van de monniken. Moge de Eerwaarde Gotama mij aannemen als een lekenvolgeling die zijn toevlucht neemt vanaf vandaag tot zolang het leven duurt.”182


Ālavaka geeft dan de koningszoon die intussen naar hem is gebracht, terug in de handen van de Boeddha, en de Boeddha overhandigt hem weer aan de dienaren van de koning. Omdat de koningszoon zo van hand tot hand (hattha) ging, zou hij de naam Hatthaka-Ālavaka hebben gekregen; hij zou gelijk zijn aan die bekende lekenvolgeling die door de Boeddha herhaaldelijk geprezen is. (Zie Ang.Nik. I.24; II. 131; VI.119; VIII.23-24). 



Sn.I.11. (verzen 193-206) Vijaya Sutta of Kayavicchandanika sutta – Analyse van het lichaam


193. Of men nu gaat of staat, zit of ligt, de ledematen buigt of strekt, dit is alleen bewegen van het lichaam.183


194. Samengevoegd uit beenderen en zenuwen, bedekt met huid en vlees, - dit lichaam wordt niet gezien zoals het werkelijk is:


195. vol ingewanden, maag, lever, blaas, hart, longen, nieren en milt;


196. neusslijm, speeksel, zweet, lymfe, bloed, gewrichtsvloeistof, gal, vet,


197. en onzuiverheid stroomt altijd uit de negen openingen; oog-uitwerpsel stroomt uit het oog, oor-uitwerpsel uit het oor,


198. en slijm uit de neus; door de mond braakt het soms gal, soms slijm; zweet en vuiligheid stromen uit het lichaam,


199. en het holle hoofd ervan is gevuld met hersenen. Een dwaas denkt uit onwetendheid dat het mooi is.


200. Maar wanneer het lichaam dood neerligt, gezwollen en verkleurd, weggeworpen op een begraafplaats, dan hebben verwanten er geen belangstelling meer voor.


201. Door honden wordt ervan gegeten, en door jakhalzen, wolven en wormen. Kraaien en gieren verslinden het en ook andere levende wezens.


202. De bhikkhu met kennis hier, die het woord van de Boeddha heeft vernomen, begrijpt het inderdaad, want hij ziet het lichaam zoals het werkelijk is.


203. 'Zoals dit is, zo is dat; zoals dat is, zo is dit.'184 Door dit te begrijpen verwijdert men verlangen naar het lichaam, beide: zijn eigen lichaam en dat van een ander.185


204. Na verlangen en hartstocht verworpen te hebben, is de bhikkhu met kennis hier aangekomen bij het doodloze, de vrede, de onwrikbare staat van uitdoving.186


205. Dit onzuivere, slecht ruikende tweevoetige lichaam wordt gekoesterd. Het is vol van verschillende vuiligheden die hier en daar eruit stromen.

206. Wie vanwege een dergelijk lichaam zichzelf meent hoog te achten of een ander gering acht, -wat is het anders dan gebrek aan inzicht.




Sn.I.12. (verzen 207-221) Muni Sutta, de wijze


Inleiding (door de eerwaarde Nyanaponika)

Muni, dit is: de zwijger; het is een uitdrukking die al dateert uit voor-boeddhistische tijd. De betekenis ervan is een zwijgzame, alleen levende asceet aan wie een bijzonder hoge graad van verinnerlijking, zelfbeheersing en terughoudendheid eigen is. Vaak had hij ook de gelofte van zwijgen afgelegd.
In boeddhistisch gebruik is het woord '
muni' een aanduiding voor de Boeddha (Sakya-muni, de muni uit het Sakya-geslacht). Het is ook een aanduiding voor de volmaakte heilige in het algemeen en wel in oude teksten, zoals dit sutta hier; in het bijzonder een aanduiding voor een heilige van bovengenoemde bijzonderheid. Zo verschijnt hij ook in de suttas: de neushoorn (I.3), Nalaka (III.11), geweld (IV.15), Sariputta (IV.16).
Dit scherp afgebakende karakterbeeld verloor iets van zijn contouren toen in latere tijd - en wel reeds in het Niddesa - '
muni' werd uitgelegd als 'de wijze' en het overeenkomende 'mona' (het zwijgen) als 'inzicht', 'wijsheid'. Het woord 'muni' wordt dan afgeleid van het werkwoord 'munati’, dat van zijn kant weer door de commentaren uitgelegd wordt met 'mināti' (afwegen). Volgens het woordenboek van de Pali Text Society komt 'munāti' in de canon maar één keer voor en wel in het Dhammapada, vers 269. Dit vers wordt ook in het Niddesa over de muni geciteerd.


207. Vertrouwde omgang produceert gevaar, huiselijk gezelschap187 broedt vuilnis uit.188 Vertrouwde omgang, huiselijk gezelschap vermijden, dat waarlijk is de denkwijze van een muni.

208. Wie datgene wat ontstaan is, vernietigt189 en het niet laat groeien, wie aan datgene wat in hem wil ontstaan, geen toegang geeft, van hem, de muni, alleen levende, zegt men: "Hij zag het oord van vrede als een grote ziener."

209. Het veld190 onderzoekend en de kiemen191 vernietigend, geeft hij aan het verlangen dat vocht aan de kiemen geeft,192 geen toegang. Als een muni ziet hij geboorte en sterven eindigen, vrij van piekeren193 gaat hij niet meer binnen in benoembaarheid.194

210. Wie elk oord van bestaan195 heeft begrepen,
naar geen ervan meer verlangen koestert, hij, als een muni, vrij van begeerte en zonder wens, hoeft niet meer te strijden, is aangekomen aan de oever.196

211. Wie alles heeft overwonnen, alles heeft ingezien, een wijze, bij alle dingen met onbevlekte geest, wie alles heeft opgegeven, vrij door opdroging van begeerte, ook deze, waarlijk, kennen wijzen als de muni.

212. Degene die sterk is in wijsheid, vast in deugdzaamheid, trouw aan de regels,geconcentreerd in de geest, die graag mediteert en oplettend is, vrij van boeien, die zonder smetten is en vrij van neigingen, ook hem, waarlijk, kennen wijzen als de muni.

213. Eenzaam levend, zwijgzaam,197 onvermoeibaar, door woorden van lof of berisping onberoerd, gelijk aan de leeuw die door lawaai niet wordt opgeschrikt, aan de wind gelijk die niet gevangen is in een net, niet door passie besmet, zoals een lotus niet door water besmet is, een leider van anderen, niet door anderen geleid, ook hem, waarlijk, kennen wijzen als de muni.

214. Hij die als een pilaar in de stroom onbewogen blijft,198 op wie de stortvloed van andermans woorden breekt,199 bevrijd van hartstocht, met goed geconcentreerde zinnen, ook hem, waarlijk, kennen wijzen als de muni.


215. Die met vast hart, standvastig, zo recht [gaande] als een weefspoel, een afkeer heeft van slechte daden, slecht en goed gedrag onderzoekend,200 ook hem, waarlijk, kennen wijzen als de muni.

216. Hij die, zelf-beteugeld, geen kwaad begaat, of jong of van middelbare leeftijd, een zwijger, zelfbedwongen, die niet boos gemaakt kan worden en die niemand boos maakt, ook hem, waarlijk, kennen wijzen als de muni.

217. Of hij nu boven uit de kom, of uit het midden, of van wat is overgebleven als brokkenmaaltijd ontvangt, hij die van de gaven van anderen leeft, dat is voor hem geen reden om lof of berisping uit te spreken. Ook hem, waarlijk, kennen wijzen als de muni.

218. Die zwijgend rondtrekt, van seksuele omgang afziet, die in zijn jeugd al nergens aan gebonden was, die afziet van bedwelmende dingen en onachtzaamheid vermijdt, helemaal bevrijd, ook hem, waarlijk, kennen wijzen als de muni.

219. Wie de wereld kent, het hoogste doel aanschouwt, die de stroom en de zee heeft overgestoken, volmaakt,201 die de keten brak, die zonder te hechten vrij is van neigingen, ook hem, waarlijk, kennen wijzen als de muni.

220. Ongelijk zijn deze beiden, ver verwijderd in hun manier van leven: het gezinshoofd202 dat een vrouw onderhoudt, en degene die zuiver van zeden is, aan wie niets toebehoort.203 Het gezinshoofd is niet volledig bedwongen wat betreft het doden van andere levende wezens; de muni is bedwongen en beschermt constant levende schepsels.

221. Zoals een pauw met blauwe hals die zich in de lucht verheft, nooit de snelheid van de zwaan204 kan bereiken, evenmin kan een gezinshoofd de monnik evenaren, de muni die afgezonderd in de diepten van het bos contempleert.
_________

naar boven

Commentaar bij de verzen 207-221.

Als "de stille" (
mona) wordt het inzicht aangeduid dat bestaat in wijsheid, weten ... niet-verblinding, onderzoek van de leer, juist inzicht. Wie een dergelijk inzicht heeft, is een "stille wijze" (muni), iemand die tot stilheid, uitdoving is gekomen (mona-patto).

Er zijn drie soorten van stil zijn (
moneyya):
1) het stil zijn van het lichaam (
kāya-moneyya);
2) het stil zijn van het woord (
vaci-moneyya);
3) het stil zijn van de geest (
mano-moneyya).

(1) Wat is het stil zijn van het lichaam?
○ Het opgeven van het drievoudige slechte lichamelijke gedrag (namelijk doden, stelen, en in dit geval elke seksuele handeling);
○ het drievoudige goede lichamelijke gedrag (namelijk zich onthouden van slecht gedrag);
○ het op het lichaam gerichte inzicht;
○ het doordringende begrijpen van het lichaam;
○ het door een dergelijk doordringende begrijpen begeleide hoge pad;
○ het opgeven van het wilsverlangen m.b.t. het lichaam;
○ de opheffing van lichamelijke vorming in het bereiken van de vierde meditatieve verdieping;
- dat is stil zijn van het lichaam.

(2) Wat is stil zijn van het woord?
○ Het opgeven van het viervoudige slechte gedrag in woorden (namelijk leugens, lasterpraat, ruwe taal, geklets);
○ het viervoudige goede gedrag in woorden;
○ het op het woord gerichte inzicht;
○ het doordringende begrijpen van het woord;
○ het door een dergelijk doordringende begrijpen begeleide hoge pad;
○ het opgeven van het wilsverlangen m.b.t. het woord;
○ de opheffing van vorming van taal in het bereiken van de tweede verdieping;
- dat is stil zijn van het woord.

(3) Wat is stil zijn van de geest?
○ Het opgeven van het drievoudige slechte gedrag in denken (d.w.z. begeerte, haat, verkeerde meningen);
○ het drievoudige goede gedrag in denken;
○ het op het bewustzijn (
citta) gerichte inzicht;
○ het doordringende begrijpen van het bewustzijn;
○ het door een dergelijk doordringend begrijpen begeleide hoge pad;
○ het opgeven van wilsverlangen wat betreft het bewustzijn;
○ de opheffing van de vorming van bewustzijn (
citta-sankhāra) in het bereiken van de verdieping van 'de opheffing van waarneming en gevoel' (saññāvedayita-nirodha);
- dat is stil zijn van de geest.

Bij wie het lichaam stil is, en stil ook het woord en stil de geest, de neigingsvrije stille aan wie dit stil zijn eigen is, hij wordt 'de aan alle kanten bevrijde' genoemd.
Bij wie het lichaam stil is, stil ook het woord en stil de geest, de neigingsvrije stille aan wie dit stil zijn eigen is, hij wordt 'van het kwaad rein gewassen' genoemd. (It. 67)

Met de drie soorten van stil zijn zijn zes groepen van 'stillen' voorzien:
1. De stillen in het huiselijke leven (
āgāra-munayo).
2. De huisloze stillen (
anāgara-munayo).
3. De strijdende stillen (
sekha-munayo).
4. De stillen die vrij zijn van strijden (
asekha-munayo).
5. De individueel-stillen (
pacceka-munayo).
6. De hoogsten der stillen (
muni-munayo).

(1) Welke zijn de stillen in het huiselijke leven? - Het zijn de in het huis levende mensen die het hoge oord hebben gezien en die de leer hebben begrepen.
(2) Welke zijn de huisloze stillen? - Het zijn degenen die vertrokken zijn in het monnikenleven, die het hoge oord hebben gezien en die de leer hebben begrepen.
(3) De zeven strijdenden (
sekha) zijn de 'strijdende stillen'.
(4) De volmaakte heiligen zijn de 'strijdvrije stillen'.
(5) De individueel ontwaakten (
pacceka-buddha) zijn de individueel stillen.
(6) Als de 'hoogsten der stillen' worden de Volmaakten aangeduid, de heiligen, volmaakt Ontwaakten.

"Niet door zwijgen wordt de verwarde, onverstandige tot een stille. Maar wie, met de weegschaal in de hand, het beste voor zich als wijze uitkiest, en het kwade vermijdt, zo iemand is een stille; waarlijk, zo wordt hij een stille. Omdat hij beide werelden weegt en begrijpt, daarom wordt hij muni genoemd." (Dhp.268-269)

Hij die de aard van de goeden kent en ook die van de slechten, inwendig en uitwendig bij de hele wereld, die verering waard is voor goden en mensen, hij die aan het vangnet is ontkomen,- die is een muni. (Sn. 527)
______

naar boven

____

1Norman, K.R.: Pâli Literature, including the Canonical Literature in Prakrit and Sanskrit of all the Hînayâna Schools of Buddhism. Wiesbaden 1983, p. 64.

2Boosheid (kodha) verdwijnt volgens het commentaar pas op het ‘pad van niet wederkeer’ (anāgāmī-magga), namelijk met de dan pas voltooide volledige verwijdering van de 'haat-boei' (byāpāda-samyojana).

3'verdrijft'; Norman 1984 heeft: ‘onderdrukt’

4‘deze en gene kant, beide kanten’ (ora-pāra): volgens het commentaar strekt deze term zich uit tot [1] de eigen en vreemde persoonlijkheid, [2] de zes innerlijke en zes uiterlijke zintuiglijke fundamenten, [3] de mensenwereld en de godenwereld, [4] zinnelijk, fijnlichamelijk en onlichamelijk bestaan. - Hiermee wordt al direct aan het begin, en met de nadruk op de plechtig herhaalde keerverzen, een van de basismotieven van het Sutta-Nipata bekend gemaakt, namelijk het overwinnen van de tegenstellingen.

Ora-pāra betekent oorspronkelijk '(de oever) aan deze kant en aan de andere kant' en in deze zin wordt het in de meeste Duitse en Engelse vertalingen van deze tekst weergegeven.

Het heeft echter ook de eveneens veel voorkomende betekenissen van 'onder - boven', 'laag - hoog'. In deze laatste betekenis, als het lagere en hogere, is het synoniem met twee andere paarbegrippen,
parovara en uccavaca, die tot de karakteristieke woordenschat van het Sutta-nipāta behoren en in het commentaar meestal op dezelfde manier worden uitgelegd als hierboven ora-pāra.

Bij vers 1048 wordt
parovara gewoonweg met parāni ca orāni ca uitgelegd.

Alle drie paar-begrippen betekenen dus in het Sutta-Nipāta de tegenovergestelde of verschillende dingen (in het commentaar bij het Vimanavatthu wordt
uccāvaca uitdrukkelijk uitgelegd als vividha = verschillend, uiteenlopend), ofwel met betrekking in het algemeen tot de wereld van veelheid en tegenstellingen, zoals in ons vers, ofwel met betrekking tot afzonderlijke gevallen.

Een vertaling van
ora-pāra met 'lager en hoger' zou daarom niet alleen mogelijk maar ook letterlijk zijn, en zou in ieder geval de voorkeur hebben boven het misleidende 'aan deze kant en aan de andere kant'.

Beide vertalingen zouden echter niet de brede reikwijdte van de bovenstaande commentariële toelichting duidelijk maken, die zich niet alleen uitstrekt over het hier en daar, hoog en laag, aan deze kant en aan de andere kant, maar ook over binnen en buiten, eigen en vreemd, ver en dichtbij enz.

Voor het begrijpen van de gedachtenwereld van het Sutta-Nipāta is het belangrijk dat al deze betekenissen in overweging worden genomen. Er werd daarom de voorkeur gegeven aan 'beide zijden', een vertaling die letterlijk vrijer is maar die trouw is aan de betekenis ervan, waarin overigens ook het oorspronkelijke beeld van de 'twee oevers' meeklinkt. - Voor
ubho anta in de letterlijke betekenis van 'beide zijden' zie Sutta-Nipāta vers 778 met noot, en vers 1042.

5Norman 1984: ‘laat deze oever en de andere oever

6‘Zoals een slang de oude versleten huid.’ - De gelijkenis van het afstropen van de huid van de slang wordt in het commentaar op de volgende manier uitgelegd: "Het afstropen van de huid heeft plaats op grond van vier omstandigheden: 1. op grond van de eigen soort-gesteldheid (jāti, afkomst, geboorte), 2. door afschuw, 3. door ondersteuning, 4. door inspanning.”

"Eigen soort-gesteldheid" betekent: afstamming van de slangen en lang-gestrekte lichaamsbouw.

In vijf opzichten zijn de slangen gebonden aan hun soort-gesteldheid: wat betreft [1] geboorte, [2] dood, [3] in de diepte van hun slaap, [4] in het paren met de eigen soort, en [5] in het afstropen van de versleten huid.

Wanneer een slang de oude huid afstroopt, dan doet zij het vanwege de soort-gesteldheid.

En omdat het afstropen van de huid gegrond is in de soort ervan, doet zij het met afschuw (tegen de oude huid).

Wanneer zij namelijk de ene helft van de oude huid heeft afgestroopt, maar de andere helft nog aan haar hangt, dan voelt ze daarvoor walging.

Terwijl zij zo walging ondervindt steunt zij op een tak, een wortel of een steen. Met een dergelijke steun wendt zij alle kracht en inspanning aan en met de staart gekromd, de adem uitstotend, haar kuif uitstrekkend, gooit zij de rest van de huid weg en gaat waarheen zij wil.

Evenzo is het met die monnik die bereid is de 'twee kanten' op te geven. Ook zijn opgeven geschiedt op grond van vier omstandigheden: 1. vanwege de eigen afstamming (
jāti), 2. uit afschuw, 3. met steun, 4. door inspanning.

De 'eigen afstamming' van de monnik is namelijk de zedelijkheid die bedoeld wordt in de woorden 'in edele afstamming geboren' (
ariyāya jātiyā jāto, Maj.Nik. 86).

Op basis van deze 'eigen afstamming' van hem krijgt de monnik - net zoals de slang tegen de oude, versleten huid - afschuw tegen de 'twee zijden' (
orapāra) die bestaan in de eigen en vreemde persoonlijkheid, enz. (zie boven), doordat hij daarbij namelijk de ellende (bij de verschillende groepen van paren) ziet.

Met de steun van edele vriendschap schept hij in zichzelf de hoogste inspanning, namelijk de factor van het pad 'juist streven': 'Overdag zuivert hij, heen en weer lopend, de geest van remmende dingen. , . ' (Maj.Nik. 107); in de zin van dit tekstgedeelte dag en nacht in zes perioden verdelend, vecht en streeft hij. Zoals de slang haar staart krom maakt, zo gaat hij kruiselings zitten. Zoals de slang haar adem uitstoot, zo vecht deze monnik met grote inspanning. Zoals de slang haar kuif breder maakt, zo maakt hij voor zich uitbreiding van zijn kennis.

Zoals de slang op de beschreven manier haar oude huid opgaf, zo geeft de monnik op een dergelijke manier 'beide kanten' op.

Zoals de slang, van de oude huid ontdaan, daarheen gaat waarheen zij wil, zo gaat deze van lasten bevrijde monnik in de richting van het Nibbāna-gebied dat vrij is van elke rest van hechten."

7Lust (rāga) wordt hier door het commentaar opgevat als zinnelijkheids-lust (kāma-rāga) die op het niveau van niet-wederkeer verdwijnt, terwijl het totale verlangen (tanhā) genoemd in de derde strofe pas wordt overwonnen met het bereiken van heiligheid.

8zonder rest. Commentaar: 'inclusief de neiging (anusaya)' (sānusayam); d.w.z. inclusief de meest fijne en verborgen neiging tot lust. Zo is ook de uitdrukking ‘zonder rest’ in de volgende verzen te verstaan.

9Nyanaponika vertaalde met: ‘deze snelle stroom opdrogende’. - Alternatieve vertaling: "door de snel stromende stroom van begeerte"

10Nyanaponika: ‘In wiens hart ontevredenheid geen plaats heeft’

11Norman 1992: ‘en die de staat van (wedergeboorte in) dit of dat bestaan te boven is gekomen,’

12Die boven de wisselvalligheden van het leven uitstijgt (itibhav-ābhavatañca vītivatto); letterlijk: wie het zo-zijn en niet-zo-zijn heeft overschreden. D.w.z. wie geen ongenoegen heeft over zo-zijn van onaangename ervaringen en het niet aanwezig zijn van aangename ervaringen, en ook geen verlustiging in de tegenovergestelde gevallen.

Het commentaar legt het uit met de volgende paren: 'geluk-ongeluk, winst-verlies, duurzaamheid-vernietiging, goede daad-slechte daad'. Ook hier het basismotief van het overwinnen van de tegenstellingen die elkaar scheppen.

Itibhavābhava-kathā is een van de onwaardige gespreksonderwerpen genoemd in de Canon, waarbij natuurlijk alleen een wereldlijk-oppervlakkige beschouwing van de betreffende wisselvalligheden bedoeld is; zie b.v. Maj.Nik. 122.

13Gedachten (vitakka). Het woord 'verkeerd' is een aanvulling die door de zin wordt verlangd, want hier zijn blijkbaar alleen onheilzame gedachten bedoeld.

Het commentaar noemt de volgende negen onheilzame gedachten: Gedachten over zinnelijkheid, hatelijkheid en benadelen; gedachten aan verwantschap, geboortestreek en persoonlijke onsterfelijkheid; gedachten over gehechtheid aan anderen en gedachten die gericht zijn op winst, eer, roem en erkenning.

14Norman 1984: ‘De monnik die geen overtreding heeft begaan noch (een ander) aanzet om een overtreding te begaan.’

15Die niet te ver ging, niet achterbleef (yo nāccasārī na paccasārī). Commentaar: Door te sterk gespannen wilskracht onderhevig aan opwinding, 'gaat men te ver'; door te grote slapheid onderhevig aan traagheid 'blijft men achter'. Wanneer men op basis van het verlangen naar bestaan (bhava-tanhā) zich tot de pijn-ascese toewendt 'gaat men te ver'; wanneer men op basis van zintuiglijk verlangen (kama-tanhā) zich overgeeft aan het genot van de zintuigen 'blijft men achter'. Door de eeuwigheids-mening 'gaat men te ver'; door de vernietigings-mening 'blijft men achter'. Door klagen over het verleden 'gaat men te ver'; hopende op de toekomst 'blijft men achter'. Door meningen over het oerbegin 'gaat men te ver'; door meningen over de wereld-toekomst 'blijft men achter'. Degene die deze uitersten vermijdt en het middenpad bewandelt, van hem wordt gezegd dat hij 'niet te ver gaat en niet achterblijft'."

16Norman 1984: ‘en die deze gevarieerde wereld heeft overschreden, te boven is gekomen’

17"Dit alles" heeft volgens het commentaar betrekking op alles wat geconditioneerd of gevormd is (sankhata), wat in de wereldlijke groepen van bestaan (khandha), zintuiglijke grondslagen (āyatana) en elementen (dhātu) bestaat, zoals zij zich aanbieden aan het heldere inzicht (vipassanā).

18De onheilzame wortels (mūlā akusalā). Dit zijn de in de verzen 10, 12, 13 genoemde wortels: begeerte, haat en waan; en wel zijn zij zowel zelf iets onheilzaams, als ook de wortels (mūlā) voor verder onheilzaams (akusalā) dat eruit voortkomt. - Zie ook Dhammapada vers 338.

19Voortbrengselen van de benauwdheid (darathajā). Daratha is zorg, angst, benauwdheid, beklemming; in de laatste betekenis wordt het ook toegepast op lichamelijke vermoeidheid.

Commentaar: "De telkens als eerste optredende verontreinigingen worden
daratha genoemd vanwege hun kwellen; en de telkens later ontstane worden daratha-jā genoemd omdat ze uit die eerste 'geboren' zijn."

Het gaat hier dus om een bepaald aspect van de 'neigingen' (
anusaya), evenals bij vanathajā in het volgende vers.

Vermoedelijk worden hier die geestelijke vertroebelingen bedoeld die optreden met een gevoel van benauwdheid en beklemming. Daaronder zou b.v. vallen die in de mens heel diep verborgen zorg en onzekerheid, die schijnbaar ongegronde angst die niet alleen als een angst voor het leven maar ook als een angst voor de dood kan verschijnen en die meestal, nog voordat ze bewust wordt, door activiteit overstemd wordt.

20Norman 1984: ‘hetwelk oorzaak is voor terugkeer naar de lage oeverkant,’

21Wat betreft 'In deze wereld' (oram). Het commentaar verklaart hier ora als een persoonlijkheidsformatie (sakkaya) en citeert als bewijs de canonieke parabel: "Monnik, de oever van deze kant (orimam tīram) is een aanduiding voor de persoonlijkheid." (Sam.Nik. 35.197)

22voortbrengselen van verwikkeling (vanathajā), letterlijk: ‘jungle.’

23Norman 1984: ‘de monnik in wie niets van verlangen is geboren, hetwelk als oorzaak dient voor bintenis aan bestaan,’

24vijfvoudige hindernis (nīvarane ... pañca), namelijk: zinnelijk genot, afkeer, starheid en slapheid, rusteloosheid en spijt, twijfel.

25Zonder prikkel, zonder doornen. Als 'prikkels' noemt het commentaar: begeerte, haat, waan, eigendunk en verkeerde mening. Het vaak gebruikte beeld van de prikkel brengt de pijnlijk storende rusteloosheid tot uitdrukking. Zie Sn. 592-593, Sn. 928-939.

26Norman 1984: ‘de monnik die de vijf hindernissen achter heeft gelaten en zonder verdriet is, die de twijfel heeft overwonnen, die zonder prikkel is, hij laat ...’

27De Boeddha antwoordde met woordspelingen die hier niet zijn weergegeven.

28vrij van slakken (vigata-khilo). Khila is de onvruchtbaarheid en het braak liggen van het veld waarop, aldus het commentaar, 'het graan niet groeit ook al regent het vier maanden.'

In overdragende zin is het 't gebrek aan spirituele ontvankelijkheid of van menselijke verharding, de traagheid van het hart en dorheid van de geest, de onwil en onkunde tot spirituele oefening.

Commentaar: 'zelfs wanneer er regen is, d.w.z. voorwaarden voor het goede, zoals het vernemen van de leer, dan kan (in de toestand van
khila) het goede toch niet groeien.'

29Hut betekent volgens het commentaar de persoonlijkheid. Deze 'hut' van de Verhevene ligt 'open' in zoverre ze niet bedekt is door de smetten zoals begeerte, eigenwaan, verlangen, verkeerde meningen enz. Juist daarom, zo zegt het commentaar, kan de regen van begeerte, haat en illusie niet binnendringen.

30Commentaar: 'Vanaf het huis van Dhaniya ziet de Boeddha het vlot liggen dat Dhaniya voor de vaart van het eiland naar het vasteland had gebruikt.'

Het commentaar omschrijft de zin van dit vers als volgt. 'Jij hebt een vlot voor jou samengebonden, Dhaniya, je hebt de rivier Mali overgestoken en bent nu op deze plaats gekomen. Maar je moet weer een vlot samenbinden en een stroom oversteken. Want deze plek biedt geen zekerheid.

Ik echter heb in een enkele gedachte (namelijk die van de Verlichting) de schakels van het pad samengevat en heb voor mij een vlot samengebonden met de band van inzicht.

Omdat de 37 'naar de Verlichting voerende (
bodhipakkhiyadhamma) dingen' die dit (geestelijke) vlot vormen, ten gevolge van hun uniforme richting en hun op elkaar afgestemd zijn tot volmaaktheid zijn gekomen, daarom is inspanning niet meer nodig om weer een vlot samen te binden. En daarom kan deze verbinding ook door niemand, hetzij godheid of mens, losgemaakt worden. In zoverre is mijn vlot 'goed samengevoegd'.
[Zie voor de 37 naar de Verlichting voerende dingen: Factoren van verlichting]

31is nu geen vlot meer nodig. Vgl. Maj.Nik. 22: "Als vlot, monniken, zal ik u de leer tonen, geschikt om te ontkomen, niet om vast te houden."

32Commentaar: 'Sedert ik aan de voeten van de vroegere Boeddha Dipankara het besluit nam om Boeddhaschap te verkrijgen, tot aan mijn volledige Verlichting, zo lang 'diende' ik nog om de alwetendheid. Sedert die evenwel bereikt is, leef ik in deze 'verheven' toestand van de alwetendheid en in het geluk van bovennatuurlijke concentratie. Ik die niets meer verder heb te doen, die - niet gelijk aan degenen die nog niet aan wedergeboorte zijn ontkomen, - niets meer heb te bereiken, voor mij 'is loondienst niet nodig.'

33Norman 1984 vertaalde: ‘met visie;’ Nyanaponika vertaalde: ‘helder-ogende.’

34Volgens het commentaar verschijnt Mara om het echtpaar van het gaan in de huisloosheid af te houden. [M.a.w. er zouden nog gedachten van twijfel, onzekerheid bij het echtpaar zijn ontstaan of zij er wel juist aan deden om het rijke leven op te geven].

35levens-steunen (upadhi). Hier betekent dit levensbenodigdheden, bezit e.d. In het volgende vers heeft het de filosofische betekenis van bestaans-substraat. (vgl. Sn. verzen 364 en 728).

36De verzen 33 en 34 bevinden zich ook in Sam.Nik. 1.12 en Sam.Nik. 4.8. Misschien zijn beide verzen later hier toegevoegd. Ook zonder deze beide verzen zou dit sutta dan een bevredigend einde hebben.

37Medelijden voelende. Commentaar: "Men wenst het geluk van hen te bevorderen en ongeluk van hen verre te houden."

38 ‘in de geest geketend’. De eerwaarde Nyanaponika vertaalde: ‘verliest men zijn heil, als het hart geboeid is’. Commentaar: "Het hart kan geboeid zijn doordat men zichzelf op het lagere niveau stelt (denkende): ‘Ik kan zonder deze persoon niet leven, hij is voor mij een noodzakelijkheid, hij is mijn toevlucht;’ of men stelt zich op het hogere niveau (door te denken): ‘Deze mensen kunnen zonder mij niet leven. Ik ben voor hen een noodzakelijkheid, hun toevlucht.’”

39[vergelijk  Uit het zicht van het kwaad ’, (gedeelte van M.26)]

40Nyanaponika vertaalde: ‘die voor anderen zonder prikkeling is.’

41Thuis in de vier kwartieren,(catuddiso ... hoti). Commentaar: "Dit betekent, wanneer men in de vier hemelrichtingen gelukkig kan leven, of ze tijdens de meditatie van de vier verheven toestanden (brahma-vihāra-bhāvanā) met welwillendheid, mededogen, etc. doordringt, overeenkomstig het tekstgedeelte ’met een hart dat gevuld is met welwillendheid, mededogen, etc doordringt hij de ene richting, dan de tweede ...’”

42vrij van afkeer (appatigho). Commentaar: "In deze hemelrichtingen ondervindt hij bij mensen of dingen geen tegenstand die uit angst is ontstaan (bhayena na patihaññati).'' Vgl. Itiv. 101.

43tegenstand. Commentaar: "uiterlijk gevaar door wilde dieren, enz., en innerlijke tegenstand door hartstochten enz."

44Nyanaponika vertaalde: ‘Moeilijk te bevredigen zijn sommige asceten en ook gezinshoofden die in het huis wonen.’ - Een alternatieve vertaling is: ‘Zelfs met sommigen die vertrokken zijn [in de huisloosheid] is het moeilijk gezelschap te hebben (of: zelfs sommigen die vertrokken zijn, zijn de gemeenschap onwaardig).’

45De Kovilāra is een soort ebbenhout-boom. De ontstaansgeschiedenis in het commentaar verhaalt van een koning die door de aanblik in de herfst van een bladloze Kovilāra-boom die hij eerder in volle bladertooi had gezien, tot inzicht in de vergankelijkheid werd geleid en tot het verlaten van het wereldlijke leven. Zie Sn. vers 64.

46Deze strofe heeft als enige niet het keervers van de andere strofen. Als men dit houdt tegen de achtergrond van dit enorme loflied op de eenzaamheid, dan is moeilijk een hogere lofprijzing en een hogere waardering van edele vriendschap te bedenken dan hier gebeurt door deze indrukwekkende afwijking van de andere verzen.

47Het commentaar en het Cūla-Niddesa leggen dit als volgt uit: “Zoals een koning die na zegevierende oorlog het veroverde land en ook zijn koninkrijk opgeeft en monnik wordt.”

48bij dit vers wordt het verhaal verteld van een koning in wiens aanwezigheid een dienstmeisje aan het malen was. Aan een arm had zij een armband en aan de andere arm twee armbanden. Het enkele armband was stil. Het paar botste tegen elkaar. (Norman 1992, p. 150)

49Alternatieve vertaling: “Op die manier zouden er voor mij praten met en gevoelens van genegenheid voor de tweede persoon zijn. Wanneer men dit als een gevaar voor de toekomst ziet,” ...

50‘overwinnend verdragen.’ Deze vertaling van de eerwaarde Nyanaponika brengt beide nuancen van het woord ‘abhisambhavitvā’ tot uitdrukking, namelijk: overwinnen en verdragen.

51‘al was het maar tijdelijk, bevrijding te ondervinden.’ (samāyikam vimuttim). Commentaar: "lokiya-samāpatti, d.w.z. de meditatieve bereikingstoestanden van een wereldling, iemand die nog niet de hoge paden van stroomintrede etc. heeft bereikt. Pas de ‘hoge paden’ brengen niet alleen tijdelijke losmaking, maar ook definitieve bevrijding van de ‘boeien’ (samyojana). Ook de tijdens de verdiepingen afwezige vijf hindernissen (nīvarana) zijn in het geval van een wereldling slechts tijdelijk opgeheven ‘door het onderdrukken ervan’ (vikkhambhanapahāna). Ze worden pas op de paden trapsgewijze ‘door vernietiging opgeheven’ (samuccheda-pahāna).”
Ons vers hier komt precies overeen met het tekstgedeelte uit de grote leerrede over de leegheid (Maj.Nik. 122): “Ananda, dat evenwel een monnik die zich over gezelschap verblijdt, ... in het bezit van de tijdelijke bevrijding van de geest, die gelukkig maakt (
samāyikam kantam cetovimuttim), kan verblijven of in het bezit van de niet tijdelijke, onwrikbare bevrijding van de geest, zoiets is onmogelijk.”

52De eerwaarde Nyanaponika vertaalde: ‘Als men het woord van de zoon van de zon in zich heeft opgenomen,’

53‘Wanneer men aan de verdraaiingen van verkeerde visies is ontkomen’. Commentaar: ‘namelijk door het pad van inzicht (dassana-magga), dit is op het pad van stroomintrede, waarop de drie eerste boeien die zulke verdraaiingen van verkeerde visies produceren, helemaal zijn verdwenen.’

54‘wanneer men bij de vaste koers naar bevrijding is aangekomen.’ Een alternatieve vertaling: ‘bij de zekerheid’. Nyanaponika vertaalde: ‘werd zekerheid verkregen.’

Commentaar: zekerheid verkregen (patto niyāmam), eveneens door stroomintrede. Degene die in de stroom is getreden (sotāpanna) wordt aangeduid als ‘niyata’, d.w.z. ‘beveiligd’ tegen het terugvallen in een lagere geboorte of op het niveau van de wereldling. De vier hoge paden (van stroomintrede enz) gelden als goede (of juiste) dingen met beveiligd resultaat (sammatta-niyāma); dit resultaat bestaat in de overeenkomende ‘vruchten van stroomintrede’ enz.

55Nyanaponika: ‘als men van hartstocht en illusie gezuiverd is.’

56Norman 1984: ‘als men zonder neigingen is naar kwaad

57Nyanaponika vertaalde: ‘Laat men onedele metgezellen volledig vermijden, die aan het onheilzame denkend,* de slechte weg opgaan.
De mensen met veel lusten vermijdend, laat men alleen gaan als een neushoorn.

*aan het onheilzame denkend (anatthadassi). Dit wordt verschillend uitgelegd: Commentaar: “denkend aan het nadeel voor anderen”; Cūla-Niddesa: "onheilzame, d.w.z. verkeerde visies koesterend.”

58Nyanaponika: ‘die een scherp inzicht heeft.’

59doel; kan ook als heil opgevat worden. In de tekst staat het meervoud (atthāni). Dit wordt door het commentaar uitgelegd als 1) tegenwoordig heil, toekomstig heil (in toekomstige wedergeboorten) en hoogste heil (Nibbāna); 2) eigen heil, heil van anderen, heil van beiden.

60alternatieve vertaling: ‘Heilzame dingen kennende, laat men twijfel overwinnen, ...’

61Nyanaponika: ‘kind’

62Nyanaponika: ‘dit is een prooi; Norman 1984: ‘dit is een haak.’ Ik heb het daarom vertaald met: ‘dit is een prooi aan de haak.’

63Norman 1984: ‘terwijl zijn stappen niet ronddwalen,’

64alternatieve vertaling: ‘zonder lust’. Nyanaponika: ‘gesloten voor al het slechte’ (anavassuto); letterlijk: 'zonder lek', d.w.z. de neigingen (āsava) niet toelatend.

65In het commentaar staat de ontstaansgeschiedenis van dit vers. Verteld wordt er over een Paricchatta-boom die door de voorbijgangers beroofd werd van zijn mooie bloesem en tenslotte ook van zijn bladeren. Een in de buurt staande boom zonder bloesem behield al zijn bladeren.

Men zal hier ook aan de mythische Paricchatta (koraal)-boom in de hemel van Indra denken, die pas bloesem draagt nadat de verwelkte bladeren zijn afgevallen. In Ang.Nik. VII. 65 wordt hij als volgt in een gelijkenis gebruikt: “Monniken, op een tijd wanneer de edele volgeling eraan denkt vanuit het huis in de huisloosheid te vertrekken, op zo’n tijd is de edele volgeling bedekt met verwelkte bladeren, juist zoals de hemelse koraalboom bij de goden van de Drieëndertig. Op een tijd wanneer de edele volgeling met geschoren haar en baard, bekleed met het gele gewaad, vanuit het huis in de huisloosheid vertrekt, op een dergelijke tijd heeft de edele volgeling de bladeren afgeworpen. ... Op een tijd wanneer de edele volgeling door opdroging van de hartstochten de hartstochtloze bevrijding van het gemoed, de bevrijding door weten nog in dit leven zelf inziet, verwerkelijkt en zich eigen maakt, op een dergelijke tijd staat de edele volgeling in volle bloei, juist zoals de hemelse koraalboom bij de goden van de Drieëndertig.” (naar een vertaling van Nyanatiloka).

66van huis tot huis gaand (sapadāna-cārī). Norman 1984 vertaalde: ‘op de aalmoezenronde niet onderbroken gaat.’ Dit heeft betrekking op het rondgaan voor eten in volgorde van de huizen, zonder een over te slaan. Dit is, als sapadānacārik'anga, een van de strenge ‘zuiverings-oefeningen’ (dhutanga). - deze manier van rondgaan voor eten kan zijn om er zeker van te zijn dat elk gezin een kans krijgt om verdiensten te verwerven, of misschien om monniken ervan af te houden om rechtstreeks naar de huizen te gaan vanwaar zij weten dat zij er goed eten krijgen. (Norman 1992, p. 155)

67alternatieve vertaling: ‘Niet begerig naar smaken, niet verstoord door verlangens, zonder anderen te steunen, van huis tot huis rondgaande voor aalmoezen zonder iets te verwachten, niet gehecht in de geest aan deze of die familie, laat men alleen gaan als een neushoorn.’

68Nyanaponika vertaalde: ‘afhankelijkheid als smet uitroeiende, onafhankelijk’

69Vgl. de omschrijving voor de vierde jhāna: [‘Door het verdwijnen van vreugde en verdriet treedt men binnen en vertoeft men in de vierde meditatieve verdieping (vierde jhana). Vanwege gelijkmoedigheid heeft deze jhana niets pijnlijks noch iets aangenaams in zich; ze is vrij van leed en vrij van geluk; ze is heel zuiver.’]

70voortdurend levende in overeenstemming met de leer van verschijnselen (dhammesu niccam anudhammacārī); dhammesu werd door Nyanaponika opgevat als ‘in alle levens-lagen’. De versregel kan echter ook opgevat worden als een variant van de vaak voorkomende uitdrukking ‘dhammānudhammacāri’, letterlijk: ‘bij de leringen, overeenkomstig ermee levend,’ d.w.z. voortdurend trouw de leer volgend. - Norman 1984 vertaalde ‘voortdurend levende ... etc’, aan welke vertaling ik de voorkeur heb gegeven.

71Een onderzoeker van de leer (sankhāta-dhammo); een aanduiding voor de heiligen. Zie vers 1038.
De drie begrippen van de derde versregel moeten volgens het commentaar als volgt wordt begrepen: degene die zich inspant, wordt door het betreden van het pad [van heiligheid] tot iemand die veilig is (
niyato; zie de noot bij vers 55) en uiteindelijk tot een heilige of onderzoeker van de leer (sankhātadhammo).

72Dit zijn de vier ‘goddelijke verblijven.’

73[ Het alleen gaan van de eenzaam rondtrekkende monnik en bos-asceet, zoals bedoeld in dit sutta heeft betrekking op een heilige. Eenzaamheid is echter niet alleen het alleen vertoeven op een afgezonderde plaats. Daar kunnen nog onheilzame gedachten opkomen als nog geen volmaakte heiligheid is bereikt.

Over ware eenzaamheid is gesproken in de leerrede over de liefhebber van eenzaamheid, welke leerrede als nadere uitleg van alleen vertoeven kan gelden. Zie: De leerrede over ideale eenzaamheid - Bhaddekaratta sutta. ]

74klooster ‘Zuidberg’, ten zuiden van Rājagaha.

75Kasi = ploeger; Bhāradvāja is de naam van de stam. De brahmaan was blijkbaar een heerboer. Daarom de bijnaam: Kasi-Bhāradvāja.

76‘Vertrouwen is mijn zaaigoed’. Commentaar: “Zoals bij het bewerken van de akker van die brahmaan het zaad dat de basisvoorwaarde is, twee functies vervult, namelijk naar beneden als wortel vaststaat, naar boven de kiem laat ontstaan, juist zo is het ook bij het bewerken van de akker van de Verhevene met het vertrouwen dat de basisvoorwaarde vormt, namelijk naar beneden staat het vast als wortel van de zedelijke discipline, naar boven laat het de kiem van kalmte van geest en inzicht (samatha-vipassanā) ontstaan.

Zoals het graan met de wortel de kracht van de aarde en van het water opneemt en met de halm groeit naar het rijp worden van het graan, zo ook neemt de monnik met de wortel van zedelijke kracht de kracht van kalmte van geest en inzicht in zich op en groeit op het hoge pad dat overeenkomt met de halm, naar de vrucht van heiligheid, die met het rijp worden van het graan is te vergelijken.

Degene bij wie zwak vertrouwen met een sterk verstand samengaat, zal zijn doel niet bereiken, gelijk aan een os die met een olifant aan hetzelfde juk is aangespannen.”

77‘ascese is de regen’. Commentaar: “Ascese (tapo) is een aanduiding voor beteugeling van de zintuigen, wilskracht, voor de strenge ‘zuiveringsoefeningen’ (dhutanga) en voor een leven van kastijding. Op deze plek is beteugeling van de zintuigen bedoeld. Want door beteugeling van de zintuigen komen vertrouwen alsmede de deugdzaamheid die eruit als wortel ontspruit, en de andere dingen tot groei en drogen ze niet uit.”

78‘de wijsheid is mijn juk en ploeg’. Commentaar: “Zoals het juk zich boven aan de disselboom bevindt, aan het voorste deel ervan, met de disselboom verbonden is, steun biedt aan het touw (de verbinding), en de trek-os eraan hindert om alleen te gaan, evenzo staat de wijsheid boven de met ’schaamte’ beginnende heilzame dingen. Het gezegde luidt namelijk: “Alle heilzame dingen hebben de wijsheid als het hoogste ervan.” Wijsheid is met de disselboom van de schaamte verbonden, omdat zij namelijk gescheiden van schaamte niet kan ontstaan. De wijsheid is in de zin van een steun voor bestaan (nissaya-paccaya) de steun (nissaya) voor de in de concentratie van de geest (samādhi) bestaande verbinding, welke hier als geest (mano) aangeduid wordt. Doordat de wijsheid het span van de wilskracht beschermt tegen opwinding en ook tegen slapte, verhindert zij het alleen-gaan ervan (d.w.z. het naar uitersten afdwalen ervan). Verder, zoals de ploeg in verbinding met de ploegschaar tijdens het ploegen de harde (compacte) aarde breekt en de daarin zich bevindende ver vertakte wortels verwoest, evenzo breekt ten tijde van het inzicht de wijsheid door de verkeerde mening van een uniforme compacte formatie, welke mening gevormd wordt door (tijdelijke) continuïteit, door de (uniforme) vereniging (van de individuele factoren van bewustzijn), door (de moeilijk te onderscheiden, bijzondere) functies ervan en (de gemeenschappelijkheid van) het object. Verder verwoest de wijsheid de ver vertakte wortels van de hartstochten. Hier is de wijsheid alleen bovennatuurlijk (lokuttara) d.w.z. verbonden met het bewustzijn van de hoge paden; maar in het eerste geval, als ‘juk’, kan zij ook wereldlijk (lokiya) zijn."*

*
Delen van deze uitleg zijn gebaseerd op het Mula-Tika (subcommentaar tot het Dhammasangani-commentaar).

79 ‘Schaamte is de disselboom’. Commentaar: “Zoals de disselboom van die brahmaan het juk en de ploeg draagt, zo draagt bij de Verhevene de schaamte de wereldlijke en bovenwereldlijke wijsheid. Zoals juk en ploeg, wanneer zij aan de disselboom zijn gebonden, zonder zich te bewegen en zonder losser gemaakt te worden, hun opgaven vervullen, zo vervult ook de met schaamte verbonden wijsheid haar opgave, zonder te wankelen en te verslappen, onbeïnvloed door schaamteloosheid.”

80‘de geest is de verbinding’. Commentaar: “Hier is onder het woord geest de ermee verbonden concentratie (samādhi) te verstaan. De verbinding door het touw vervult een drievoudige opgave; zij verbindt het juk met de disselboom, de trek-ossen met het juk en dient de ploeger als teugel voor de ossen. Zoals nu bij de brahmaan deze verbinding, doordat zij disselboom, juk en os samenhoudt, het ieder van deze drie mogelijk maakt de eigen opgave te vervullen, zo verbindt de concentratie, vanwege de natuur ervan als onverstrooidheid, de schaamte, wijsheid en wilskracht aan een enkel object en geeft aan ieder ervan de mogelijkheid om de eigen opgave te vervullen.”

81‘Oplettendheid is mijn ploegschaar en stok om aan te drijven’. Commentaar: “Wat voor de brahmaan ploegschaar en aandrijfstok betekenen, dat is bij de Verhevene de met inzicht verbonden, met het pad verbonden oplettendheid (sati). Zoals de ploegschaar zowel de erna volgende ploeg bewaakt als er voor gaat, zo bewaakt oplettendheid de ploeg van de wijsheid, doordat zij het verloop van de heilzame toestanden van de geest onderzoekt en de objecten tegenwoordig houdt. Daarom wordt in zulke tekstgedeelten als: “Hij vertoeft met een door oplettendheid bewaakte geest” gesproken over de oplettendheid als een wacht, een beschermende bewaking. In de zin van de onverwardheid gaat oplettendheid aan de ploeg van wijsheid vooraf. Want de wijsheid onderkent alleen dingen die door de oplettendheid heel precies zijn onderzocht; ze onderkent echter niet verward opgevatte dingen. Zoals de aandrijfstok de ossen angst inboezemt voor het ermee gestoken worden, het ze niet toestaat om te gaan liggen, en ze ervan afhoudt op een zijweg te raken, juist zo vervult oplettendheid het span van de wilskracht met angst voor de lagere werelden en staat het niet toe om traag te gaan liggen. Oplettendheid verhindert de wilskracht om op onjuist gebied, namelijk de lusten der zintuigen, te gaan, spant ze aan het meditatie-object en houdt ze ervan af om op een dwaalspoor te raken.”

82Alternatieve vertaling: In daden en woorden

83Alternatieve vertaling: in mijn maag...

84‘Met daden en woorden bewaakt, met het lichaam bij de maaltijd beteugeld.’ Commentaar: “Zoals de brahmaan na het zaaien, om het graan te beschermen, een omheining uit doornstruiken, palen of latten aanlegt om te verhinderen dat runderen en wilde dieren er binnendringen en het graan verwoesten, zo is het ook bij de Verhevene: om het graan van het veelvuldige heilzame te beschermen, opdat de dieren van de onheilzame toestanden van de geest - zoals begeerte, haat, onwetendheid - niet binnendringen en het heilzame verwoesten, daarom legt hij een drievoudige omheining aan: het bewaakt zijn in daden, het bewaakt zijn in woorden en het bewaakt zijn bij het opnemen van voedsel.

85‘gebruik ik de waarheid om te zaaien’. Commentaar: “Zoals de brahmaan bij de uiterlijke akkerbouw het onkruid dat het graan verderft, met de hand of met het mes wiedt, zo wiedt de Verhevene bij het werken op het innerlijke veld met de kracht van de waarheid het onkruid van de vervalsing dat het graan van het onheilzame verderft. Als ‘waarheid’ geldt het inzicht in overeenkomst met de werkelijkheid; daardoor wordt het onkruid van de ik-mening enz. gewied.

86‘Door de innerlijke vrede wordt het juk losgemaakt’. Commentaar: “De innerlijke vrede is het losmaken van het juk (soraccam me pamo-canam).” - Volgens het commentaar heeft soracca hier niet de gebruikelijke betekenis van mildheid of zachtmoedigheid in de zin van een zedelijke eigenschap, want daarover is eerder al gesproken met de woorden: ‘Bewaakt in daden en bewaakt in woorden’; soracca betekent hier veeleer het doel van heiligheid. Bovenstaande weergave van dit woord komt overeen met een van de betekenissen die het betreffende adjectief (sorato) in het Sanskriet (sūrato) heeft, namelijk als synoniem van upasānta, bevredigd, uitgedoofd. Pamocana is het losmaken (van het juk), het uitspannen (vgl ontspannen, uitrusten).
Commentaar: “Waarom werd dit gezegd? Jouw losmaken van het juk, brahmaan, is , omdat je immers ‘s avonds of op de volgende dag of in het volgende jaar weer moet aanspannen, geen echt losmaken. Mijn losmaken is niet van een dergelijke aard; het is niet slechts een tijdelijk losmaken. Vanaf de tijd van de Boeddha Dipankara, de Meester van de tien Boeddha-krachten, toen ik gedurende vier onmetelijke perioden en honderdduizend kalpas met de ploeg van wijsheid, welke ploeg getrokken werd door het span van de wilskracht, het innerlijke veld bewerkte, toen ik namelijk nog niet tot de volmaakte Verlichting was ontwaakt, zo lang was ik nog niet bevrijd. Maar toen ik na afloop van die hele tijd in ononderbroken kruiselingse zithouding onder de Bodhi-boom zat en bij mij toen het doel van de heiligheid opkwam, welk doel met alle voordelen is uitgerust, nadat zo met alle inspanning de hoogste vrede was bereikt, toen pas was mijn juk losgemaakt en in de toekomst is er geen nieuwe binding meer aan een juk.”

87‘De wilskracht is mijn span’. Commentaar: “Zoals bij de brahmaan door de kracht van het span van vier ossen dat de ploeg trekt het aanwezige onkruid en de wortels verwoest wordt, het weer ontstaan ervan verhinderd wordt en op die manier de groei van het graan bevorderd wordt, juist zo wordt door de kracht van het vierspan van de vier juiste inspanningen (sammā-ppadhāna) het aanwezige onheilzame verwoest, het weer ontstaan ervan verhinderd, en op die manier de groei van het heilzame bevorderd.”

88dat zonder om te keren daarheen gaat’. Commentaar: “Bij het bewerken van de akker van de brahmaan moet het span aan het einde van de akker weer omkeren. Voor de Verhevene echter was er geen omkeren vanaf de tijd dat hij voor de Boeddha Dipankara het besluit nam om Boeddhaschap te bereiken.

Bij het bewerken van de akker van de brahmaan moet het door de ploeg afgesneden onkruid, omdat het weer opkomt, later weer opnieuw afgesneden worden. Maar bij het bewerken van de akker van de Verhevene hoeft men naar die smetten die men eens op het betreffende niveau van het hoge pad volledig heeft overwonnen, niet meer terug te keren.”

89‘waar men na aankomst geen zorgen meer heeft’. Commentaar: “Door de stok van de oplettendheid steeds weer aangedreven, gaat het span van de wilskracht daarheen waar iemand, die in de zin van de Verhevene een ploeger is, zonder zorg, vrij van zorgen en vrij van smetten vertoeft, namelijk naar dat oord dat als het Nibbana en het doodloze aangeduid wordt, waar elke stekel van zorgen is vernietigd.”

90‘vrijheid van de last’ (yoga-kkhema), letterlijk: rust van de inspanning of van de moeite;normaal evenals het alleenstaande khema, vertaald met ‘veiligheid’. De hier [door Nyanaponika] gekozen weergave past heel goed in deze samenhang - het losmaken van het juk.

91bronzen, alternatief: metalen

92Alternatieve vertaling: ‘Het is niet juist voor mij om te eten wat na reciteren is ontvangen. Brahmaan, dit is niet de leer (de traditie) van degenen die juist zien. Boeddhas wijzen af wat verkregen is door het reciteren van verzen.’

93Bij deze goudsmid nuttigde de Boeddha later zijn laatste maaltijd.

94Norman 1984: “ de hoogste onder tweevoetige mensen, de beste der wagenmenners,

95‘verkondiger van het pad’ (maggakkhāyi). De uitgave van de Pali Text Society en de Siamese uitgave lezen maggajjhāyi, ‘die over het pad nadenkt.’ In een Birmees handschrift gebruikt voor de uitgave van de Pali Text Society en in twee gedrukte Singhalese uitgaven bevindt zich echter de ongetwijfeld juiste lezing magg'akkhayi, die hier werd gevolgd. Het overeenkomende werkwoord akkhāti (verkondigt) verschijnt in de in vers 87 volgende uitleg van het begrip. Vergelijk ook: maggakkhāyi brāhmana tathāgato'ti, “Brahmaan, een wegwijzer is de Volmaakte.” (Maj.Nik. 107).

96‘meester van het pad’ (magga-jina, letterlijk: overwinnaar van het pad) is volgens het commentaar de verlichte asceet (buddha-samana), de Boeddha zelf.

97Het hoogste (param) is het Nibbana. - ‘Wie het hoogste als hoogste kent’ zal wel betrekking hebben op het Nibbana nog in dit leven (ditth'eva-dhamma-nibbānam, letterlijk: in deze zichtbare toestand). Dit wil zeggen, Nibbāna is hier; het is geen transcendent oord aan gene zijde.

98De verkondiger van het pad is volgens het commentaar de neigingsvrije asceet (khīnāsava-samana), de volmaakte heilige.

Hij verkondigt de leer hier en hij doet dat precies. Dit is wellicht een toespeling op die bekende karakterisering van de leer als zichtbaar (sanditthiko) en uitnodigend (ehipassiko, "kom en zie"). In deze zin zijn we geneigd de versregel akkhāti vibhajati idh'eva dhammam op te vatten als akkhāti vibhajati "idh'eva-dhammo"-ti, dit is: “Hier is de leer, verkondigd en uitgelegd.” Omdat dit echter met de zinsconstructie van de tekst afwijkt, is deze opvatting niet in de vertaling zelf overgenomen. - Commentaar: “De heilige verkondigt de leer van Nibbana. Hij is in staat ze aan anderen bekend te maken omdat hij ze zelf heeft doordrongen. Hij legt precies de leer van het pad uit: ‘Dit zijn de vier grondslagen van oplettendheid enz.’

Zowel het doel als de weg worden aangeduid als iets dat onmiddellijk tegenwoordig is, iets waarnaar men als het ware met de vinger kan wijzen: ‘Hier is het.’

99‘onberispelijke wegen’. Commentaar: "de 37 faktoren die naar de Verlichting voeren (bodhipakkhiyadhamma).

100‘Iemand die op het pad leeft’ is volgens het commentaar ofwel de asceet die een hoge oefenende is (sekha-samana), d.w.z. die zich op de eerste drie van de vier niveaus van heiligheid bevindt; ofwel iemand die een deugdzame wereldling is (sīlavanta puthujjana-samana).

101‘een bederver van gezinnen’. Commentaar: “Hij verderft door zijn onpassend gedrag het vertrouwen van de gezinnen (in de Orde van de monniken).”

102De verderver van het pad is de schijn-asceet, degene die alleen de naam asceet heeft (vohāramattaka-samana), degene die “voor zich het eigen bovennatuurlijke pad en voor anderen het pad van goede wedergeboorte verderft (omdat zij in hun vertrouwen teleurgesteld zijn).”

103‘leek’, letterlijk staat er ‘gezinshoofd’.

104‘een volgeling van de edelen’. Ariyasāvaka (de edele volgeling) is in de canon meestal een aanduiding voor iemand die het edele pad (ariyamagga) van stroomintrede enz. heeft betreden. Maar hier is het volgens het commentaar op te vatten als ‘volgeling van de edelen’; het kan dus ook betrekking hebben op wereldlingen.

105zie het Maha Mangala sutta, Sn. II.4.

106wat is de oorzaak van iemands ondergang?’ - Norman 1984: “Wij vragen over de niet succesvolle man.” - Alternatieve vertaling: ‘wat is de oorzaak dat iemand geen succes heeft?’

107Norman 1984: ‘Gemakkelijk te kennen is de succesvolle; gemakkelijk te kennen is de onsuccesvolle.

108dhammakāmo, het juiste liefhebbend. Dhamma heeft hier, waar het gaat om algemene zedelijke principes en niet om de bijzondere leer van de Boeddha, wel de betekenis: wet, deugdzaamheid, universele morele wet enz. - Ook vertaald met: deugd, oprechtheid.

109als men graag in gezelschap verkeert (sabbā-sīlī); letterlijk: ‘als men iemand is die uit gewoonte naar bijeenkomsten gaat’. Commentaar: "Iemand die graag gezelschap en vertier heeft.”

110alternatief: ‘of enig ander arme man’

111d.w.z. geen aalmoezen geeft. - alternatief: ‘als men dan het lekkers alleen eet’.

112Voor vrouwen geldt: Als men niet tevreden is met eigen man en dan andere mannen bezoekt.

113‘jonge vrouw’: Norman 1984: ‘een meisje met borsten als granaatappels’

114vanwege zijn angst dat zij de voorkeur zou geven aan jongere mannen

115Voor vrouwen geldt: Als men een man neemt die niet bij de leeftijd past en dan van jaloersheid niet kan slapen.

116‘dan kiest hij...’ Norman 1984: ‘dan bereikt hij... - alternatief: ‘dan kiest hij de veilige wereld.’

117De brahmaan met de vaak voorkomende stamnaam Bhārādvaja heeft, om hem van anderen te onderscheiden, de bijnaam Aggika (aggi, 'vuur') vanwege zijn vuuroffer-dienst. - Daarom de alternatieve titel Aggika Bhāradvāja sutta.

118‘kaalgeschoren hoofd’: Het geschoren hoofd van de Boeddha kenmerkte hem als iemand die behoorde tot die asceten die er al voor het Boeddhisme waren en die zich bewust buiten het kastensysteem* hadden gesteld.

        * [kastensysteem: Toen de Portugezen in de 6e eeuw na Chr. in India kwamen, noemden zij de vele verschillende groepen “castas”. Dit betekent stammen, groepen of families. De naam “casta”, kaste bleef het gebruikelijke woord voor de Hindoe sociale groep. Wat wij in Europa algemeen onder een kaste (jāti) verstaan, is eigenlijk een klasse (varna). Door huwelijk en onderverdelingen in klassensystemen zijn er tegenwoordig meer dan 3000 kasten. Maar het aantal klassen is beperkt gebleven tot vier.
Omdat het gebruikelijk is het woord kaste ook te gebruiken voor klasse, worden die vier klassen hier beschreven onder het hoofd kastensysteem.

In het tweede duizendtal voor Chr. drongen veel volkeren India binnen, o.a. de Ariërs. Deze Ariërs onderwierpen geleidelijk alle inheemse stammen.
Het centrum van de Arische cultuur was de offergave om de goden gunstig te stemmen. Alleen de priesters (brahmanen) kenden de juiste rituelen.
Er bestond het geloof dat het universum ontstaan was uit een oeroffer. Ook was er het geloof in een god-schepper met naam Prajapati (Pajapati), later genoemd Brahmā. Hij werd voorgesteld als een oermens die bestond vóórdat het universum gemaakt werd. In een grote hymne wordt beschreven dat de oermens verdeeld werd. Zijn mond was de brahmaan, de priester. Uit zijn armen werd de krijger (ksatriya) gemaakt. Zij waren de heersende klasse. Uit de heupen werd de vaiśya (vaishya), de zakenman. Uit zijn voeten werd de śudra (shudra), de dienaar geboren.
Onder de shūdras stonden de onaanraakbaren, de verschoppelingen. Zij deden het vuile werk en waren helemaal buitengesloten van de Arische sociale orde.
De belangrijkste van die groep was de candāla. Die term werd gebruikt voor vele typen van onaanraakbaren. De candāla mocht niet in een Arische plaats vertoeven maar moest wonen in speciale wijken buiten de dorps- of stadsgrenzen.]

119Verschoppeling, vasala is, net zoals candāla (vers 173) een aanduiding voor de onberoerbaren, de verachte bevolkingslaag in India die beneden de vier hoofdkasten staan. - Daarom de titel Vasala sutta. - Omdat de Boeddha de omgang met leden van de vasala-kaste niet vermeed, ze ook in de Orde opnam, gold hij bij de orthodoxe brahmaan als nog verachtelijker dan een vasala, namelijk als vasalaka (het einde op -ka heeft hier een neerbuigende, verachtelijke betekenis), een ‘ellendige verschoppeling’ wiens schaduw alleen al voldoende is om het offer te verontreinigen.

120Zoals het commentaar opmerkt, begon de Boeddha zijn uitleg met het noemen van de toornige, als fijne toespeling op de vroegere toornige woorden van de brahmaan. Zoals het passend is voor een Boeddha die boven het zichzelf prijzen en anderen berispen staat, heeft hij echter al het persoonlijke vermeden, veeleer slechts over de zaak zelf gesproken, en heeft hij de toepassing op zichzelf aan de toehoorder overgelaten.

121hetzij dieren of vogels, letterlijk: 'een keer geboren of twee keer geboren’ (ekajam vā duijam vā). - Zo luidt ook de vertaling van Norman 1984. - Als twee keer geboren worden de dieren aangeduid die uit een ei ontstaan, vooral de vogels omdat als tweede geboorte ervan geldt het uit het ei kruipen. Alle andere dieren gelden als een keer geboren.

122‘wat hem niet is gegeven’; Norman 1984 voegt nog toe: ‘en wat anderen dierbaar is,’

123loochent; letterlijk: ‘vlucht’ (palāyati), d.w.z. ‘uitvluchten maakt’; in die zin wordt het ook door het commentaar uitgelegd.

124‘neerslaat’; Nyanaponika: ‘doodt’

125vertelt wat niet is gebeurd’. Volgens het commentaar heeft dit betrekking ofwel op bewust iets verkeerd zeggen, ofwel op leugens waarmee men bijvoorbeeld de vrouw of de dienstbode van iemand anders in zijn huis lokt of waarmee men zich iets toe-eigent wat men graag heeft.

126gering voordeel (kiñcikkha); letterlijk: de een of andere kleinigheid.

127Bij alternatieve vertaling werd erbij gevoegd: ‘iemand van de honden-etende kaste’.

128De legendarische geschiedenis van deze verschoppeling met naam Mātanga wordt in het commentaar uitvoerig verhaald. (Zie de Mātanga Jataka; jataka 497 = jataka iv. 376-389).

129Hij had de weg van de goden beklommen (devayānam āruyha). Vergelijk de leer van twee wegen van de Upanischaden: devayāna, de weg van de goden, pitryāna, de weg van de voorvaderen.

130‘staat van vrede wenst te begrijpen’ (yan tam santam padam abhisamecca). De vertaling volgde een uitleg die in het commentaar werd gegeven: tam santam nibbāna-padam pativedhavasena abhisamecca viharitukāmena yam karanīyam, “wat gedaan moet worden door iemand die in de zin van volledige doordringing dat vredige Nibbāna-oord wenst te begrijpen, (in die toestand) wenst te vertoeven.”

Een andere uitleg voegt toe: lokiya-paññāya (abhisamecca), “met wereldlijke wijsheid begrijpend”, d.w.z. met het begrip van iemand die nog niet het hoge pad heeft bereikt. Het woord abhisamecca heeft hier een dergelijke toevoeging nodig, omdat het zoals het overeenkomende substantief abhisamaya, in de canon meestal dat diepe en duidelijke begrip van de vier edele waarheden aanduidt, dat onmiddellijk door pad-intrede is gevolgd.

Maar in het sutta hier wordt die manier van leven behandeld, die de voorwaarde is voor het bereiken van dat hoge doel. Het verleden deelwoord abhisamecca (begrepen hebbende) zou daarom voor een misverstand kunnen zorgen; het is daarom in de zin van het commentaar vertaald met ‘wenst te begrijpen’.

131Norman 1984: “Dit moet gedaan worden door iemand die bekwaam is wat betreft het goede, die de vredige staat heeft bereikt.”

[Volgens de vertaling van Norman zou men eerst de staat van vrede, Nibbana, moeten bereiken en dan metta pas goed kunnen beoefenen. Zie echter noot 136 alinea 3].

132energiek, sterk (sakko). Commentaar: “In het bezit van de tweede en vierde eigenschap voor de strijd (padhāniyanga), zich om lijf en leven geen zorgen makend, is men in staat het volledige doordringen van de waarheden (sacca-pativedha) te bereiken.” De twee vermelde eigenschappen voor de strijd zijn: lichamelijke gezondheid en ingespannen wilskracht. (Zie Maj.Nik.85 en Maj.Nik.90).

133‘geheel en al oprecht’ (uju ca sūjū ca). Dit heeft volgens het commentaar betrekking op de derde eigenschap voor de strijd: de eerlijkheid. Dit is de openheid en oprechtheid in daden, woorden en gedachten. Hiertoe behoort ook dat men zich geen deugden en verworvenheden toeschrijft die men niet bezit, en geen voordelen aanneemt die daaruit voor iemand ontstaan, dat men door anderen overschat wordt.

134‘toegankelijk’ (suvaco, letterlijk: iemand met wie men gemakkelijk kan spreken). - Commentaar: “Iemand wordt vermaand dat hij iets niet moet doen. Zijn antwoord luidt dan: ‘Wat weet jij ervan?’ Of hij zegt: ‘Wat heb je met mij te maken dat je zo spreekt? Ben je mijn raadgever, mijn leraar, mijn vriend of vertrouweling?’ Of hij doet er op gekrenkte manier het zwijgen toe; of ondanks uiterlijke toestemming handelt hij er niet naar. Zo iemand is ver verwijderd van het bereiken van hogere geestelijke resultaten. Maar iemand anders antwoordt op een vermaning: ‘Je hebt gelijk, heer. Je hebt goed gesproken. Inderdaad, het is moeilijk zijn fouten zelf in te zien. Wanneer je weer een fout ziet, zeg het mij dan a.u.b., uit mededogen.’ Wie zo spreekt en er ook naar leeft, die is niet ver verwijderd van het bereiken van hogere geestelijke resultaten. Wie op deze manier het woord van iemand anders toestemt en ernaar handelt, die wordt suvaco (toegankelijk) genoemd.

135Norman 1984: ‘zonder begeerte wanneer hij tijdens de rondgang bij gezinnen is.’ - Alternatieve vertaling: ‘niet met begeerte gehecht aan gezinnen’.

136‘zonder begeerte gaat hij of zij onder de mensen’ (kulesu), letterlijk: ‘bij de gezinnen’ die een monnik bij het rondgaan voor een gave, een maaltijd of bij andere gelegenheden opzoekt. Omdat evenwel het geldingsbereik van deze tekst hier niet alleen beperkt is tot de monnik, werd bovenstaande weergave gekozen.

137‘en vol vrede’; Norman 1984: ‘en veilig’

138‘zwak of sterk’ (tasā vā thavarā va); letterlijk: de angstigen en de gevestigden; Norman 1984: ‘bewegend of stil’; alternatief: ‘fragiel of vast’.

Commentaar: “het eerste begrip duidt aan de wezens die met begeerte en angst vervuld zijn, het tweede begrip duidt de heiligen aan die daarvan vrij zijn. De wortel ‘tas’ heeft de betekenis 1) dorsten, verlangen, 2) sidderen, bang zijn. Op deze laatste betekenis zinspeelt bovenstaande verklaring van het commentaar.

139‘bestaande wezens en de wezens die naar bestaan zoeken’ (bhutā vā sambhavesī vā). Commentaar: “Het eerste begrip is een aanduiding voor de heiligen die van de neigingen bevrijd zijn; zij zijn in dit bestaan ontstaan, maar zullen niet meer ontstaan. Het tweede begrip duidt de volgelingen van de eerste drie niveaus van heiligheid aan en alle onbevrijde wereldlingen die de boei van bestaan nog niet hebben opgegeven en die nog naar een toekomstig ontstaan zoeken.”

Of: ‘naar bestaan zoeken’ zijn de levende wezens voor het doorbreken van de eischaal of voor uittrede uit het moederlichaam; ‘bestaande wezens’: wanneer zij het ei of het moederlichaam hebben verlaten. Wezens die uit de vochtigheid of spontaan zijn ontstaan, gelden als ‘naar het bestaan zoeken, zolang als zij in de eerste lichaamshouding blijven die zij bij hun ontstaan hadden ingenomen; bij het veranderen van die houding gelden zij als ‘ontstaan’.”

140Norman 1984: ‘vernederen’; Nyanaponika: ‘bedriegen’. Ik heb voor de vertaling van Norman gekozen.

141uit ergernis of uit vijandige gezindheid (byārosanā patighasaññā). Het commentaar legt het eerste begrip uit als de verandering (of vervorming, vikara) in de lichamelijke uitdrukking en in het spreken welke verandering of vervorming door ergernis of woede teweeg is gebracht. Het tweede begrip wordt uitgelegd als de verandering (of vervorming) in de geest. Blijkbaar wordt hier saññā als teken of eigenschap opgevat; maar het kan ook, zoals vaak, als synoniem voor samkappa (houding) en vitakka (gedachte) opgevat worden. Patigha-saññā is dan identiek met byāpāda-vitakka (vijandelijke gedachten). Het zou dan betrekking hebben op die slechte wensen die men op grond van opzettelijke vijandelijke instelling koestert. Het eerste begrip moet dan betrokken worden bij de ogenblikkelijke opwellingen van ergernis.

142vrij van engte van het hart (asambādham, letterlijk.: zonder engte). Het commentaar legt het uit met bhinna-sīma, d.w.z. men moet elke begrenzing (sīma) en beperking van de liefdevolle vriendelijkheid afbreken om ze zo tot een alomvattende te maken.

143‘En of men nu staat of gaat’... Volgens het commentaar moet dit de beperking op een bepaalde lichaamshouding, bijvoorbeeld de kruiselingse zit, uitsluiten. De meditatie van metta kan veeleer uitgeoefend worden in elke lichaamshouding die men prettig vindt en waarin men zich van laksheid vrij kan houden. Dit wil zeggen ze moet bij elke gelegenheid geoefend worden, niet alleen tijdens een beperkte tijd van meditatie.

144‘in deze oplettendheid’. Commentaar: “De oplettendheid verbonden met de door de metta-meditatie geproduceerde verdieping.” (mettā-jjhāna sati).

145Norman 1984: “Dit is, naar men zegt, de heilige toestand hier.

146Commentaar: "Omdat de meditatie over metta, liefdevolle vriendelijkheid, individuele levende wezens als object heeft, staat zij dicht bij de ik-mening. Daarom begint dit vers met het afwijzen van het opnemen van verkeerde mening. In dit vers wordt door de Verhevene ‘het oord van de edelen’ (of de ‘niveaus van heiligheid’, ariyabhūmi) getoond en wel in het geval van die monniken (van de ontstaansgeschiedenis) die de door metta verkregen verdieping (jhāna) als startpunt (voor inzicht) namen.”

De eerste twee versregels hebben betrekking op de ‘in de stroom getredene’ (sotāpanna); en wel hebben de woorden ‘niet meer in verkeerde meningen is gevangen’ betrekking op diens overwinning van de eerste boei ‘persoonlijkheids-visie’ (sakkāyaditthi-samyojana); en de woorden ‘wie deugdzaam is’ op het vierde vereiste van stroomintrede, namelijk volmaakte deugdzaamheid. ‘Aan wie inzicht eigen is’ (dassanena sampanno) heeft betrekking op de door de in de stroom getredene ‘door inzicht op te geven dingen’ (dassanena pahātabbā dhamma), d.w.z. de eerste drie boeien. Zie hiertoe Maj.Nik.2 en het volgende gedeelte uit het commentaar: “Waarom wordt het pad van stroomintrede dassana (onderkennen of schouwen) genoemd? Omdat het het eerste schouwen van Nibbāna biedt. Zie ook Sn 231-232.

De derde versregel heeft betrekking op het afzwakken en de uiteindelijke opheffing van de boei die bestaat in begeerte naar zinnelijk genot (kāmarāga-samyojana); dat afzwakken en die uiteindelijke opheffing ervan geschiedt op het niveau van ‘nog een keer wederkeer’ resp. ‘niet meer wederkeer’. De vierde regel heeft betrekking op de definitieve opheffing van wedergeboorte door het bereiken van volmaakte heiligheid.
[Voor een methodische ontplooiing van metta, zie:
De vier goddelijke verblijven]

147Nyanaponika: ‘wat betreft het gewenste en het niet gewenste?’

148Nyanaponika: ‘voor alle dingen’

149Norman 1984: ‘De geest van de wijze is begiftigd met actie en spraak. Je prijst hem terecht als begiftigd met kennis en goed gedrag.’

150De beide verzen 163a en 163b zijn niet in alle manuscripten aanwezig. Ze worden echter in het commentaar uitgelegd.

151Alternatief: ‘een wijze’

152die boven de gevaarlijke slechte daden uit is gegaan (verabhayatītam). Dit heeft betrekking op de fouten tegen de vijf elementaire Boeddhistische regels van deugdzaamheid. Zie Ang.Nik. V.174.

153Norman 1984 vertaalde: “Laten wij Gotama vragen, de verkondiger die naar de andere oever van alle verschijnselen is gegaan, de Boeddha die haat en angst te boven is gekomen.”

154De toewijzing van de verzen 163A-167 volgde het commentaar.

155Vertrouwelijkheid (santhava), commentaar: “Het opgenomen worden van verbondenheid of vertrouwelijkheid met de wereld geschiedt in de vorm van begeerte of visies en wel op grond van de gedachte van ik en mijn.”

156Norman 1984: ‘Waarin maakt ze kennis ermee?’

157Alternatieve vertaling: ‘Wanneer wat ontstaat, ontstaat de wereld? Waarin maakt ze haar vasthechten? Naar wat grijpende bestaat de wereld? Om welke reden is de wereld gekweld?’

158De 'zes', die 'vertrouwelijkheid met de wereld verschaffen’, zijn de innerlijke en uiterlijke grondslagen van de zintuigen, namelijk oog en vormen, oor en geluiden, neus en geuren, tong en smaken, lichaam en aanrakingen, geest en gedachten.

159Alternatieve vertaling: ‘Wanneer zes dingen ontstaan, ontstaat de wereld, in zes dingen maakt ze kennis ermee. In zes dingen maakt ze gehechtheid, grijpende naar dezelfde zes bestaat de wereld, de wereld is geteisterd door zes.’

160Wie wereldlijk zich vermaken helemaal liet uitdrogen (nandī-bhava-parikkhīno); evenzo in vers 637. Het commentaar bij vers 637 legt het uit als bhava-nandī (zich vermaken aan het bestaan). Beide verklaringen van het commentaar zijn onbevredigend.

161‘wie verlangen naar bestaan en wereldlijk zich vermaken heeft ontzegd’; Norman 1984: ‘beroofd van bestaan en plezier’; alternatieve vertaling: ‘verlangen en bestaan volledig verwoest’

162Norman 1984: ‘die het doel ziet,’

163‘die niets heeft’ = akiñcano (letterlijk: 'niet ergens iets'), in het Sanskriet: de arme, bezitloze.

Bij de toepassing van dit begrip in het Sutta Nipata kan men twee nuances in betekenis zien: iemand die nergens iets is en iemand die nergens iets heeft. Het eerste zegt dat de heilige op wie dit begrip toegepast wordt, met niets kan worden geïdentificeerd, omdat hij elke ik-identificatie heeft opgegeven. - Hier zijn beide betekenissen van toepassing.

164Norman 1984: ‘die over de weg gaat van de bovennatuurlijken’.

165Alternatieve vertaling: ‘Zie hem met diepe wijsheid, die de subtiele punten ziet ..... die over het goddelijke pad gaat.’

166Alternatieve vertaling: ‘niet gehecht aan verlangen naar ...’

167Norman 1984: ‘zeer intelligent’

168Norman 1984: ‘gaande over de weg van de edelen’

169Norman 1984: ‘het was goed gezien door ons vandaag.’

170alternatief: ‘onzuiverheden’

171Nyanaponika: ‘en aan de voortreffelijkste wet, de leer.’

172Deze inleiding is niet bij Norman 1984.

173Norman 1984: ‘met haar goden, Mara en Brahma’

174Norman 1984: ‘Wanneer oprechtheid goed uitgeoefend wordt,

175alternatief: ‘deugdzaamheid’.

176alternatief: ‘ijver’

177Norman 1984: ‘door energie’

178bezonnen handelen (patirūpakārī). Commentaar: “Zonder plaats, tijd enz. buiten acht te laten, wendt hij het bij het doel passende middel aan om wereldlijke of bovenwereldlijke rijkdom te verkrijgen.”

179alternatief: ‘met inspanning’

180Dit zijn vier eigenschappen van de lekenvolgeling met vertrouwen.

181Twee van de hier genoemde eigenschappen zijn verschillend van die in vers 188. Verdraagzaamheid (khanti) is echter in de zin verwant met standvastigheid (dhiti); in plaats van dhamma (rechtschapenheid) staat hier dama (zelfbedwang). De klank-overeenstemming van beide woorden doet vermoeden dat er een fout in de overlevering is gemaakt. Het commentaar legt dama uit als die beteugeling of zelfdiscipline die nodig is voor het juiste luisteren naar de leer. (zie vers 186). Voor de lezing van dama spreekt de overeenstemmende overlevering en vers 463, waar zoals hier sacca en dama samen genoemd worden. In het Dhammapada verzen 9-10 bevinden zich beide begrippen in een samenstelling.

182Dit eindverhaal is niet bij Norman 1984.

183‘Dit is alleen bewegen van het lichaam’. Commentaar: “Dat wil zeggen, dat alles is beweging, vibratie van dit met bewustzijn verbonden lichaam. Er is niemand anders die gaat of staat. Veeleer wanneer de gedachte ontstaat: ‘Ik wil gaan’, dan doordringt het door deze gedachte ontstane wind-element het lichaam. Hierdoor volgt een vooruit dragen van het lichaam in de richting waar men naartoe wil gaan. Het feit is zo: er gebeurt een manifestatie van een bepaalde lichamelijk proces op een bepaalde plek. Daarom heet het in de tekst ‘gaat’. Verder, wanneer de gedachte ontstaat: ‘ik wil staan’, dan doordringt het door die gedachte ontstane wind-element het lichaam en daardoor volgt het oprichten ervan. Het feit is zo: door het geleidelijk zich oprichten komt het tot een manifestatie van een lichamelijk proces. Daarom heet het in de tekst ‘staat’. ... (Het thema is overeenkomend wat betreft ‘zitten’ en ‘liggen’ uit te voeren). ... Wat betreft het buigen en strekken van de betreffende ledematen bij de overeenkomende lichaamshouding heet het: ‘men buigt, men strekt’. Omdat het door het ontstaan van de betreffende gedachte op de geschilderde manier tot buigen en strekken komt, heet het: ‘Dit is alleen bewegen van het lichaam'. Daar is niet ergens iemand anders die deze daad verricht. Leeg is dit van een gaand of strekkend wezen of van een persoonlijkheid. Het feit is hierbij slechts zo:

Op grond van de verscheidenheid van de gedachte is er verscheidenheid van het wind-element.

Door de verscheidenheid van het wind-element is er verschillende beweging van het lichaam.

Dit is de eigenlijke betekenis van dit proces.


Omdat door lang in dezelfde lichaamshouding te blijven lichamelijke problemen optreden en de lichaamshouding veranderd wordt om die problemen te verwijderen, daarom heeft de Verhevene door dit vers het kenmerk van dukkha dat in de lichaamshoudingen verborgen is, tot uitdrukking gebracht. Doordat hij over al deze functies zoals gaan enz. spreekt als ‘beweging van een lichaam’, toont hij het in de bestaans-continuïteit (santati) verborgen kenmerk van vergankelijkheid, omdat namelijk gedurende de tijd van het gaan geen staan bestaat, enz. Doordat hij over deze of gene groepering van lichamelijke dingen - met als doel de afwijzing van een ik - spreekt als ‘beweging van een lichaam’, toont hij daarmee het kenmerk van niet-ik, welk kenmerk in de jungle van de ik-mening verborgen is. Zo wordt door het tonen van de drie kenmerken het meditatie-object van de leegheid (suññatā-kammatthāna) uitgelegd.”

184‘Zoals dit is, zo is dat; zoals dat is, zo is dit’. Commentaar: “Zoals dit levende onzuivere gaat, staat, zit en gaat liggen, omdat eruit levenskracht, warmte en bewustzijn niet zijn verdwenen, zo was het ook met die levenloze persoon die thans op de lijkplaats ligt, toen hij nog die drie eigenschappen had. Zoals dat lijk dat nu zonder deze drie eigenschappen is, thans niet meer gaat, staat, zit of gaat liggen, zo zal ook dit levende ooit zijn, wanneer die drie eigenschappen verdwenen zijn. Zoals thans dit levende niet op de lijkplaats dood neerligt in een toestand van opgezwollen zijn, enz., zo was het ook vroeger met dat lijk. Maar zoals thans dit levenloze onzuivere opgezwollen op de lijkplaats neerligt, zo zal het ook met dit thans nog levende gaan.

185Norman 1984: ‘inwendig en uitwendig’.

186Nyanaponika vertaalde: ‘De wijze monnik die van elke begeerte van de wil bevrijd is, heeft dan de doodloze vrede bereikt, het oord van Nibbāna, onvergankelijk.’

187huiselijk gezelschap: 'niketa' betekent a) huis, b) gezelschap. De vertaling brengt beide betekenissen tot uitdrukking.
Het commentaar citeert uit Sam.Nik. 22, 3, waar Sn. vers 844 door Mahahaccana uitgelegd wordt: "Het huis verlatend, zonder tehuis levende, heeft de muni geen vertrouwde omgang in het dorp. Leeg van begeerte, naar het toekomstige niet verlangend, voert hij met de massa geen twistgesprekken."

De uitvoerige betekenis hiervan is als volgt. Het element 'lichamelijkheid' is het huis van het bewustzijn. Het door verlangen aan het lichamelijkheids-element gebonden bewustzijn wordt 'zich in het huis ophoudende' (
oha-sāri) genoemd.
Het element gevoel - het element waarneming - het element formaties - is het huis van het bewustzijn. Het door verlangen aan het gevoel-element - het waarneming-element - het formatie-element gebonden bewustzijn wordt 'zich in het huis ophoudende' genoemd.
Commentaar: “Waarom wordt hier niet ook (de vijfde bestaansgroep) het bewustzijn vermeld? - Om verwarring te vermijden. 'Huis' is hier namelijk als voorwaarde te verstaan. Wanneer er zou staan dat het bewustzijns-element zelf een huis, een voorwaarde voor het bewustzijn is, dan zou dat zonder verdere uitleg niet duidelijk zijn.”

188broedt vuilnis uit: Commentaar: “de vuilnis van de begeerte, van de haat, van de verblinding.”

189wie vernietigt wat ontstaan is... in het Pali: yo jātam ucchija / na ropayeyya jāyantam / assa nānuppaveccha.
Het commentaar scheidt de versregels zoals boven met / is aangegeven en betrekt '
jāyantam' dus op 'na ropayeyya'. Nyanaponika gaf de voorkeur eraan elke versregel als een eenheid te beschouwen. Hij legt het dan als volgt uit: ‘Het reeds ontstane onheilzame kan men niet ongedaan maken, maar men kan het in zoverre vernietigen (letterlijk: afsnijden) dat men het niet verder laat groeien, d.w.z. dat het onheilzame niet wordt herhaald.’ (Zie Sn. I.1, vers 1)
Wanneer men de uiterlijke voorwaarden ziet voor het optreden van het onheilzame in het ontstaan ervan, d.w.z. het voorbereiden ervan, dan moet men er geen invloed of toegang in de eigen geest aan toestaan. Op gelijke manier moet men direct de toegang dicht maken, (waakzaam zijn bij de poorten van de zintuigen), wanneer men in zich de geringste neiging tot het onheilzame merkt. De methode van afweer bij het begin wordt hier aanbevolen.

190veld (vatthūni, meerv.); 'vatthu' betekent: veld, basis, mogelijkheid. Commentaar: het is dat waaraan deze wereld hangt, namelijk die oorden of mogelijkheden voor bezoedelingen die in de groepen van bestaan, fundamenten van de zintuigen en elementen bestaan.

191Als 'kiem' (bīja) duidt het commentaar het producerende, d.w.z. wedergeboorte scheppende bewustzijn aan. (Vgl. Sn. II.1, vers 235)

192verlangen dat vocht geeft... De vertaling geeft beide nuancen van het woord 'sineha' weer: a) vochtigheid; b) aanhankelijkheid, verlangen.
Tot de bovenstaande drie gelijkenissen, vgl. A.III.77 :
"wilsactie (kamma) is het veld, bewustzijn is het zaad, verlangen is de vochtigheid."

193vrij van van piekeren (takkam pahāya). Het commentaar legt het uit als 'vi-takka' en betrekt het op de negen onheilzame gedachten (namelijk gedachten van zinnelijkheid, kwaadwil en benadelen; gedachten aan verwanten, woonstreek en persoonlijke onsterfelijkheid; gedachten van aanhankelijkheid aan anderen en gedachten gericht op winst, eer, roem, waardering.) Maar hier moet vooral gedacht worden aan 'takka' in de zin van logica, sofisterij, onrustig en twijfelend piekeren.
De samenhang met het volgende 'gaat niet meer binnen in benoembaarheid' is precies dezelfde als in vers 911: omdat de muni zich niet meer in theorieën en wetenschappen (vers 911) of in piekeren (vers 209) verstrikt, kan hij niet meer in daaruit afgeleide begrippen gevangen worden.

194gaat niet meer binnen in benoembaarheid (na upetisankham). 'sankhā' betekent: getal, benoeming, definitie, begrip. Hier komt voor het eerst het motief van de ongrijpbaarheid, onbegrijpelijkheid van de heilige.
K.E. Neumann merkte op, misschien niet ten onrechte: "'
takkam' en 'sankham' wijzen met lichte humor op het vroege 'tārkyam' en 'sāmkhyam', de maat- resp. getallenfilosofie die ongetwijfeld toen al beroemd was."

195woonoord van bestaan (nivesanāni); hier door het commentaar uitgelegd als het drievoudige bestaan: zinnelijk, fijnstoffelijk en onstoffelijk bestaan.

196niet strijdt hij meer die aan de oever is aangekomen (nāyūhati pāragato hi hoti). Deze versregel komt, met geringe wijziging (so'ti in plaats van hoti) twee keer voor in Sam.Nik.2.5. "Zolang hij geen grond vindt in de rivieren, spant de mens zich in met al zijn ledematen. Maar als hij de grond heeft gevonden en er vast op staat, dan spant hij zich niet meer in; want dan is hij aan de reddende oever* aangekomen." (vert. Geiger) - Vergelijk ook Sam.Nik.1.1. "Zonder te rusten, zonder strijd (anāyūham) heb ik de stroom overgestoken." - De uitleg van het commentaar is: "Hij veroorzaakt geen heilzaam of onheilzaam kamma dat de verschillende oorden van bestaan produceert." Het werkwoord 'āyuhati' en het substantief 'āyūhana' duiden namelijk in de latere commentaar-stijl op het 'karmisch ophopen', evenals 'abhisankharoti' en 'abhisankharana'.
* De oever (
pāra) betekent volgens het commentaar datgene wat aan gene zijde is van alle oorden van bestaan, het Nibbana.

197zwijgzaam (muni). Hier waar het woord 'muni', behalve in de zich herhalende slotregel, ook nog in de beginregel staat, kan misschien de oorspronkelijke betekenis van 'de zwijger' zijn bedoeld, evenals in de verzen 216 en 218.

198die als een pilaar in de stroom onbewogen blijft (yo ogahane thambho-r-iv'abhijāyati). Ogahana, hier met stroom (ogha) vertaald, is letterlijk: 'datgene waarin men onderduikt.' Het commentaar legt het uit als badplaats of voorde. "Aan een, hier ogahana genoemde badplaats is een vier- of achthoekige pilaar ingeramd, waaraan men zijn ledematen kan wrijven. Mensen uit edele en uit lagere familie wrijven daaraan hun ledematen, maar daardoor wordt de pilaar niet omhoog geduwd of omlaag gedrukt."

199waaraan de stortvloed van andermans woorden breekt: dit is een vrije weergave van 'yasmim para vacāpariyantam vadanti', een zin waarvan de betekenis onzeker is. Onze weergave knoopt aan aan het beeld van de pijler in de stroom. - Seidenstücker: "Bij wie anderen zich in hun woorden beperking (pariyantam) opleggen. - Commentaar: "De anders gelovenden spreken over hem geen woord dat naar boven gericht door lof, naar beneden gericht door berisping is begrensd (pariyanta)." - Misschien is de zin ervan deze dat in de muni de invloed van de woorden van anderen zijn grens heeft gevonden.

200Nyanaponika vertaalde: "wie de kromme en de rechte baan onderzoekt,"

201Volmaakt (tadi), letterlijk: met dergelijke eigenschappen, d.w.z. een voorbeeldig iemand.

202[gezinshoofd: een huiseigenaar, iemand die in een huis woont.]

203aan wie niets toebehoort (amamo); letterlijk: die niet 'mijn' (zegt); [die niets zijn eigen noemt.]

204Bij Norman 1984 staat in plaats van zwaan: gans


naar boven  of  naar 5.2.5.5.2. Cula-vagga, het kleine boek   of  naar 5. De Pali canon