Facetten van het Boeddhisme


naar Index


6.5.  Enkele bekende leken
20. De courtisane Sirima

Het is toegestaan om elektronisch of in gedrukte vorm fragmenten van deze publicatie of de publicatie in zijn geheel over te nemen voor eigen gebruik, of ook met als doel ze met anderen te delen, uitsluitend voor gratis verspreiding en zonder commercieel oogmerk.



De courtisane Sirima

Eens woonde in Rajagaha een heel mooie courtisane.  Zij heette Sirimā. Zij was de dochter van de courtisane Salavati. Elke dag bood zij aalmoezen aan de monniken aan. Een van die monniken vertelde aan andere monniken hoe mooi Sirima was en ook dat zij erg lekker eten aanbood. Toen hij dit hoorde, werd een jonge monnik verliefd op Sirima, ook al had hij haar niet gezien. De volgende dag ging de jonge monnik met de andere monniken naar het huis van Sirima. Het ging die dag niet goed met haar, maar omdat zij eer wilde betonen aan de monniken, werd zij tot bij hen gedragen. De jonge monnik die Sirima zag, dacht bij zichzelf: "Ook al is zij ziek, zij is erg mooi." En hij ontwikkelde een sterk verlangen naar haar.

Diezelfde nacht stierf Sirima. Koning Bimbisara bezocht de Boeddha en zei dat Sirima gestorven was. De Verhevene adviseerde de koning om het lijk drie dagen te bewaren zonder het te begraven. Op de vierde dag was het dode lichaam van Sirima niet langer mooi of begeerlijk; het was opgeblazen geworden en er kwamen maden uit het lichaam. Op die dag nam de Boeddha zijn monniken mee naar de lijkplaats om het dode lichaam te bekijken. De jonge monnik, die zo wanhopig verliefd was op Sirima, wist niet dat Sirima gestorven was. Toen hij hoorde dat de Boeddha en de monniken Sirima zouden bezoeken, sloot hij zich gretig bij hen aan.

         De Boeddha verzocht de koning toen om aan te kondigen dat Sirima een nacht beschikbaar zou zijn tegen betaling van duizend munten. Maar niemand wilde haar nemen voor duizend, of voor vijfhonderd, of voor tweehonderdvijftig munten, en ook niet als zij gratis zou worden gegeven. De Boeddha zei tegen het publiek: “Bhikkhus, kijk naar Sirima. Toen zij nog leefde, waren velen bereid duizend munten te geven om één nacht met haar door te brengen; maar nu wil niemand haar nemen, ook niet als zij zonder enige betaling wordt gegeven. Het lichaam van een persoon is onderhevig aan verval en bederf." Nadat hij naar de Boeddha had geluisterd, besefte de jonge monnik, die gehechtheid aan Sirima had ontwikkeld, de ware aard van het leven.[1] 

“Ziet dit mooie lichaam, een massa van zweren en wonden, samengesteld, ziek, het object van de gedachten van menigeen, waarin niets blijvend is, waarin geen stabiliteit is.” [2]

◻  ◻  ◻


[1] Dhp. verhaal XI:2 bij vers 147.

[2] Dhp. vers 147 (11:2)