Facetten van het Boeddhisme


naar Index


6.5.  Enkele bekende leken
19. Sujata

Het is toegestaan om elektronisch of in gedrukte vorm fragmenten van deze publicatie of de publicatie in zijn geheel over te nemen voor eigen gebruik, of ook met als doel ze met anderen te delen, uitsluitend voor gratis verspreiding en zonder commercieel oogmerk.



Sujata

Sujātā was de dochter van een rijke boer, een zekere Senānī, uit het gehucht Senāni nabij Uruvelā. Zij bood aan de Verhevene vóór diens Verlichting rijstebrij aan.

Vanwege het vervullen van een gelofte zond Sujata  haar dienstmaagd vooruit om een plek bij een Nigrodha boom gereed te maken voor de offergave van rijstebrij. De dienstmaagd zag er Gotama en dacht dat hij een boomgod was. Zij ging terug naar Sujātā en vertelde haar het nieuws. Sujātā bracht met grote vreugde de offergave in een gouden nap en bood die aan de Bodhisatta aan. Dit was de laatste maaltijd vóór zijn volmaakte Verlichting. Het was in de buurtschap van Senani.

De vrucht en zegen van deze gave van voedsel, na het genot waarvan de Verhevene in onvergelijkbare volmaakte Ontwaking tot de hoogste Verlichting kwam, was groter dan die van enige andere gave van voedsel. Sujata  had met die daad verdiensten opgehoopt die tot lang leven leiden, tot schoonheid, welzijn, aanzien, tot hemelse wedergeboorte en tot macht.

“Voor degene die geeft, nemen verdiensten toe;

in wie zelfbedwongen is, hoopt geen haat zich op.

Wie bekwaam is in deugd, vermijdt het kwade.

En door het uitroeien van begeerte en haat

en van alle illusie komt hij tot vrede.”

        (Ud.VIII,5)

-=o0o=-