Facetten van het Boeddhisme


naar Index


6.5.  Enkele bekende leken
18. De goudsmid Cunda

Het is toegestaan om elektronisch of in gedrukte vorm fragmenten van deze publicatie of de publicatie in zijn geheel over te nemen voor eigen gebruik, of ook met als doel ze met anderen te delen, uitsluitend voor gratis verspreiding en zonder commercieel oogmerk.




De goudsmid Cunda

soorten asceten

Eens verbleef de Verhevene te Pāva. De goudsmid Cunda nodigde daar de Boeddha en de gemeenschap van de monniken uit voor de maaltijd. Tijdens het maal merkte Cunda dat een monnik zich een gouden beker toeëigende. Zonder dit voorval uitdrukkelijk te vermelden, stelde de goudsmid daarop aan de Verhevene de vraag:

“Gij wijze met rijkelijke wijsheid, de Boeddha, Heer van de leer, die vrij is van begeerte, hoogste der mensen, de beste van alle leiders, zegt mij hoeveel soorten asceten zijn er in de wereld?”

De Verhevene gaf ten antwoord: “Er zijn niet meer dan vier soorten van asceten, namelijk: (1) de meester van het pad; (2) de verkondiger van het pad; (3) degene die op het pad leeft; en (4) de verderver van het pad.”

Cunda vroeg nadere uitleg: “Wie wordt door Ontwaakten meester van het pad genoemd? Hoe is men een onvergelijkbare verkondiger van het pad? Toon mij a.u.b. degene die op het pad leeft, en leg me a.u.b. ook uit wie een verderver van het pad is.”

“Degene die vrij is van twijfel en ook van de prikkel (van zelfzucht), die zonder verlangen is en die vreugde schept in Nibbāna, deze persoon wordt door Ontwaakten aangeduid als meester van het pad. Hij is een leider van deze wereld met haar goden.

Wie het hoogste als hoogste kent[1] en dat ook verkondigt en de leer juist uitlegt, hij heet een wijze, een vernietiger van twijfel, zonder opwelling van wensen; hij is de verkondiger van het pad.[2]
         
        Wie op het spoor leeft van deze leer welke zo goed verkondigd is, wie op het pad leeft, beteugeld en oplettend, wie onberispelijke wegen
[3] bewandelt, hem noemt men iemand die op het pad leeft.[4]

Wie de kleding van deugdzamen aanneemt, zich voordringt, brutaal is, een bederver van gezinnen,[5] een huichelaar, en wie teugelloos en praatziek, vermomd rondloopt, die is een verderver van het pad.[6]

Als de ervaren, wijze leek die een volgeling is van de edelen, de aard van deze vier soorten personen heeft doorzien, dan weet hij dat niet allen gelijk zijn aan de laatste. Omdat hij dit inziet, verlaat hem het vertrouwen niet. Hoe ook zou hij de onverdorvene gelijk kunnen stellen aan de verdorvene; hoe de reine aan de onreine?!”[7]

Laatste maaltijd bij Cunda

 Eens was de Verhevene samen met een grote groep monniken onderweg in het land van de Mallas en kwam te Pāvā aan. Te Pāvā verbleef de Verhevene in het mango-park van de goudsmid Cunda.[8] De goudsmid Cunda vernam dat de Verhevene met de monniken in zijn mango-park verbleef. Daarop begaf zich de goudsmid Cunda naar de Verhevene, knielde voor hem neer met het hoofd tot op de grond en ging terzijde zitten. De Verhevene onderwees nu de goudsmid Cunda met een gesprek over de leer, spoorde hem aan, stichtte en verblijdde hem. Toen zei de goudsmid Cunda aan de Verhevene: "Moge toch de Verhevene met de gemeenschap van de monniken voor morgen mijn uitnodiging voor de maaltijd aannemen.” Zwijgend stemde de Verhevene toe. Toen de goudsmid Cunda zeker was van de toezegging, stond hij op en knielde voor hem neer met het hoofd tot op de grond, waarna hij vertrok met zijn rechterschouder naar de Verhevene toegewend.

Toen de nacht beëindigd was liet de goudsmid Cunda in zijn eigen woning uitgelezen vaste en vloeibare spijzen toebereiden, waarbij een hoeveelheid varkensragout, en toen alles klaar was deelde hij het de Verhevene mede met de woorden: "Heer, het is zover, de maaltijd is klaar."

Toen stond de Verhevene in de voormiddag op, nam oppergewaad en nap en ging met de gemeenschap van de monniken naar de woning van de goudsmid Cunda. Daar ging hij op de voor hem gereedgemaakte zitplaats zitten en zei aan de goudsmid Cunda: “Wat jij daar aan varkensragout hebt laten klaarmaken, Cunda, bedien mij daarmee; en wat jij aan andere spijzen hebt laten klaarmaken, bedien daarmee de gemeenschap van de monniken.” – “Ja, Heer,” gaf de goudsmid Cunda aan de Verhevene ten antwoord en bediende de Verhevene met varkensragout en de gemeenschap van de monniken met de andere gerechten.

Toen zei de Verhevene aan de goudsmid Cunda: “Wat er aan varkensragout overblijft, Cunda, begraaf dat in een kuil. Want in de wereld met haar goden, haar Māras en haar Brahmas, met haar schare boetelingen en brahmanen, met haar goden en mensen zie ik niemand die deze ragout, na hem genoten te hebben, volledig zou kunnen verteren, uitgezonderd alleen de Volmaakte.”[9] 

          “Ja, Eerwaarde Heer,” gaf de goudsmid Cunda aan de Verhevene ten antwoord. Wat er aan varkensragout overgebleven was, begroef hij in een kuil. Daarna begaf hij zich naar de Verhevene, knielde voor hem neer met het hoofd tot op de grond en ging terzijde neerzitten. De Verhevene onderwees de goudsmid Cunda toen in de leer, spoorde hem aan, stichtte en verblijdde hem. Hierna stond Cunda op en vertrok.

Hoe Cunda van blaam te zuiveren

         Spoedig daarna werd de Verhevene door een zware ziekte getroffen.[10] De ziekte die eerder door de Boeddha was onderdrukt, kwam weer op na de maaltijd bij Cunda. Die ziekte was dus niet te wijten aan die maaltijd. Daarom zei de Boeddha dat Cunda van blaam moest worden gezuiverd. De Verhevene sprak tot de eerwaarde Ānanda: “Het zou kunnen zijn, Ananda, dat iemand de goudsmid Cunda verwijten zal maken door te zeggen: ‘Vriend Cunda, dat is een verlies voor jou, dat heb je slecht getroffen dat de Volmaakte uiteindelijk Nibbana bereikte na de laatste maaltijd die hij van jou heeft ontvangen.’ Zulke verwijten moeten op de volgende manier afgeweerd worden: ‘Vriend Cunda, dat is een winst voor jou, dat is een groot voordeel voor jou dat de Tathagata uiteindelijk Nibbana bereikte nadat hij zijn laatste maaltijd van jou heeft ontvangen. Want uit de mond van de Verhevene zelf heb ik het gehoord, vriend Cunda, uit de mond van de Verhevene zelf heb ik het vernomen: De volgende twee aalmoezengaven hebben gelijke vrucht, hebben gelijk resultaat, brengen veel grotere vrucht en veel groter voordeel dan enige andere gave van voedsel, namelijk: de aalmoezengave [van Sujata] na het eten waarvan de Volmaakte de hoogste Verlichting verwerkelijkte en de aalmoezengave [van Cunda] na het eten waarvan de Volmaakte uiteindelijk Nibbana bereikte in het Nibbana-element zonder rest. Deze twee aalmoezengaven hebben gelijke vrucht, hebben gelijk resultaat, brengen veel grotere vrucht en veel groter voordeel dan enige andere gave van voedsel. De geachte goudsmid Cunda heeft met die daad verdiensten opgehoopt die tot lang leven leiden, tot schoonheid, geluk, tot hemelse wedergeboorte, tot hoog aanzien, en tot macht.’ Op deze manier, Ānanda, moeten eventuele verwijten tegen de goudsmid Cunda teruggewezen worden.”[11]

◻  ◻  ◻


[1] Het hoogste (param) is het Nibbana. - ‘Wie het hoogste als hoogste kent’ zal betrekking hebben op het Nibbana nog in dit leven (ditth'eva-dhamma-nibbānam, letterlijk: in deze zichtbare toestand). Dit wil zeggen, Nibbāna is hier; het is geen transcendent oord aan gene zijde.

[2] De verkondiger van het pad is volgens het commentaar de neigingsvrije asceet, de volmaakte heilige.

Hij verkondigt de leer hier en hij doet dat precies. Dit is wellicht een toespeling op die bekende karakterisering van de leer als zichtbaar (sanditthiko) en uitnodigend (ehipassiko, "kom en zie").

Zowel het doel als de weg worden aangeduid als iets dat onmiddellijk tegenwoordig is, iets waarnaar men als het ware met de vinger kan wijzen: ‘Hier is het.’

[3] ‘onberispelijke wegen’. Commentaar: "de 37 faktoren die naar de Verlichting leiden.

[4] ‘Iemand die op het pad leeft’ is volgens het commentaar ofwel de asceet die een hoge oefenende is (sekha-samana), d.w.z. die zich op de eerste drie van de vier niveaus van heiligheid bevindt; ofwel iemand die een deugdzame wereldling is.

[5] ‘een bederver van gezinnen’. Commentaar: “Hij verderft door zijn onpassend gedrag het vertrouwen van de gezinnen (in de Orde van de monniken).”

[6] De verderver van het pad is de schijn-asceet, degene die alleen de naam asceet heeft, degene die “voor zich het eigen bovennatuurlijke pad en voor anderen het pad van goede wedergeboorte verderft (omdat zij in hun vertrouwen teleurgesteld zijn).”

[7] Sn. I.5. (verzen 83-90) Cunda Sutta - De vier soorten asceten

[8] Volgens het commentaar bij Ud.VIII.5 bereikte Cunda het eerste niveau van heiligheid toen hij de Verhevene voor de eerste keer zag. Hij liet in zijn mango-tuin een geparfumeerde hut voor de Boeddha bouwen en daarna een klooster met o.a. een toehoordershal, hutten voor de monniken, paviljoenen en looppaden.

[9] De uitleg van het commentaar is dat alle devas van het wereldsysteem er smaakstof in deden; daarom kon niemand anders het eten verteren.

[10] Geen van de Chinese versies vermeldt de ziekte van de Boeddha als gevolg van Cunda’s maaltijd, behalve één. Daarin wordt Cunda voor zijn maaltijd door de Boeddha geprezen waarna de laatste ziek wordt. De andere versies bevatten de episode van een slechte monnik die een kostbare kom steelt tijdens de maaltijd bij Cunda. Omdat de ziekte na de maaltijd in de meeste Chinese versies niet vermeld wordt, is aan te nemen dat door latere volgelingen van de Boeddha dit gedeelte ingevoegd is om de schuld voor die ziekte aan Cunda te geven.

[11] Ud. 8.5.