Facetten van het Boeddhisme


naar Index


6.5.  Enkele bekende leken
16. koning Pasenadi

Copyright ©  2024 / 2567

Het is toegestaan om elektronisch of in gedrukte vorm fragmenten van deze publicatie of de publicatie in zijn geheel over te nemen voor eigen gebruik, of ook met als doel ze met anderen te delen, uitsluitend voor gratis verspreiding en zonder commercieel oogmerk.



Koning Pasenadi

Inleiding

Pasenadi was de koning van Kosala. Zijn zus heette Vedehi; zij werd ook Kosala Devi genoemd. Zij was getrouwd met koning Bimbisara. De hoofdvrouw van koning Pasenadi was koningin Mallikā.

Innig geliefde, dierbare personen brengen verdriet

 De Verhevene vertoefde in de zesde regentijd na de Verlichting voor het eerst te Sāvatthi. Daar hoorde hij dat de innig geliefde enige zoon van een inwoner van die plaats gestorven was. De vader van de gestorvene ging naar de Boeddha die tot hem zei: “Gezinshoofd, uw vermogens schijnen te zijn als van iemand die buiten zinnen is; uw vermogens schijnen niet normaal te zijn.” - "Heer, hoe kunnen die normaal zijn nu mijn innig geliefde enige zoon dood is. Sedert zijn dood heb ik geen gedachte meer gekoesterd aan mijn werk of aan mijn maaltijden. Ik blijf maar naar de knekelplaats gaan en blijf maar roepen naar mijn enig kind.” – “Zo is het, gezinshoofd; innig geliefde personen die zichzelf dierbaar maken, brengen verdriet en geweeklaag, pijn, leed en wanhoop.” – “Wie kan nu zoiets denken, Heer? Innig geliefden die zichzelf dierbaar maken, brengen geluk en vreugde.”

Het gezinshoofd keurde de woorden van de Verhevene af en had een andere mening. Hij stond op en ging weg. Bij die gelegenheid nu waren enkele spelers niet ver van de Verhevene aan het dobbelen. Het gezinshoofd ging naar hen toe en vertelde wat er gebeurd was. Zij gaven hem gelijk met de woorden: “Zo is het, gezinshoofd; innig geliefden die zichzelf dierbaar maken, brengen geluk en vreugde.” Het gezinshoofd was het met de dobbelaars eens en ging zijns weegs.

 Dit verhaal bereikte uiteindelijk het koninklijke paleis. Koning Pasenadi zei aan de koningin: “Mallika, wat is de bedoeling van de woorden van de monnik Gotama?” – “Heer, als de Gezegende iets heeft gezegd, dan is dat ook zo.”

Koning Pasenadi, die toen nog een aanhanger van andere asceten was, zei daarop: “U spreekt als een volgelinge van de monnik Gotama. Ga maar weg, Mallika.”

Koningin Mallika vroeg aan de brahmaan Nalijangha om naar de Verhevene te gaan en hem in haar naam eer te betonen. Ook moest hij vragen of de Verhevene had gezegd dat innig geliefde personen verdriet brengen. Het antwoord moest hij dan aan de koningin vertellen. “Want Volmaakten spreken geen onwaarheid.”

De brahmaan deed wat hem was gevraagd. De Gezegende gaf ten antwoord: “Inderdaad, zo is het; innig geliefden die zichzelf dierbaar maken, brengen verdriet en geweeklaag, pijn, leed en wanhoop.”

De Boeddha haalde toen veel voorbeelden aan, zoals onder andere het volgende: “Eens was hier in Savatthi een vrouw wier moeder stierf. Op grond daarvan raakte zij haar verstand kwijt en liep waanzinnig door de straten. En overal vroeg zij of iemand haar moeder had gezien.” En de Verhevene vertelde verder: “Hieruit kan begrepen worden hoe innig geliefden die zichzelf dierbaar maken, verdriet en geweeklaag brengen, pijn, leed en wanhoop.”

  Nalijangha keerde naar de koningin terug en vertelde haar wat de Boeddha had gezegd. Daarop ging zij naar koning Pasenadi en vroeg: “Heer, wat is uw mening? Is uw dochter, prinses Vajiri, u dierbaar?” – “Jazeker, Mallika, zij is mij dierbaar.” – “Heer, wat denkt u dan; indien er een verandering plaats had bij prinses Vajiri, zou dat dan verdriet en geweeklaag brengen, pijn, leed en wanhoop?” – “Ja, elke verandering bij haar zou een verandering in mijn leven betekenen. Hoe zouden dan verdriet en geweeklaag, pijn, leed en wanhoop niet in mij ontstaan?” – “Heer, juist met betrekking hierop heeft de Gezegende, die weet en ziet, die volmaakt en geheel ontwaakt is, gezegd: ‘Innig geliefden die zichzelf dierbaar maken, brengen verdriet en geweeklaag, pijn, leed en wanhoop.’”

Hierna vertelde de koningin nog enkele andere voorbeelden. De koning zei daarop: “Mallika, het is wonderbaarlijk, het is prachtig hoe ver de Gezegende iets doordringt en met begrip ziet.” En koning Pasenadi stond van zijn zetel op, schikte zijn oppergewaad over een schouder en hief zijn handen omhoog met de palmen ervan in de richting van de Verhevene. En hij sprak drie keer: “Eer aan de Gezegende, de Volmaakte, de geheel Ontwaakte.”[1]

            

Wees matig bij het eten - Gezondheid is de grootste zegening

Ooit placht koning Pasenadi van Kosala veelvuldig voedsel te gebruiken. Daarna werd hij dan slaperig. Op een dag ging de koning na zijn ochtendmaaltijd naar het Jetavana-klooster om eer te bewijzen aan de Boeddha. De koning had die ochtend veel rijst met vlees gegeten. Tijdens het luisteren naar de toespraak van de Boeddha voelde hij zich daarom erg slaperig en knikkebolde hij de meeste tijd.

         Toen de Boeddha hem zag knikkebollen, vroeg hij aan de koning: “Was u wel goed uitgerust voordat u hierheen kwam?” – “Neen, Eerwaarde Heer, maar ik lijd altijd veel na het eten van een maaltijd. Ik voel me erg ongemakkelijk omdat ik veel heb gegeten." De Boeddha antwoordde: "Ja, koning, te veel eten veroorzaakt ongemak." En hij gaf hem de raad: “Grote koning, men moet matigheid bij voedsel in acht nemen, want een matig eten is gemak.”

 En daarop sprak hij het vers:

“Als een mens steeds oplettend is,

als hij steeds matig is bij het gebruik van voedsel,

dan zal zijn lijden gering zijn.

Hij bewaart zijn leven en wordt langzaam oud.”[2]

 

           De koning was niet in staat om dit vers te onthouden. Daarop zei de Gezegende tot de neef van de koning, die bij hen stond: “Prins Sudassana, dan moet jij dit vers maar onthouden.” Sudassana vroeg waarom hij dat moest doen. En het antwoord luidde: “Als de koning zijn maaltijd eet, dan moet jij dit vers opzeggen. De koning zal het belang ervan begrijpen en zal onmiddellijk een deel van de rijst weggooien. Als het tijd wordt om de rijst voor de volgende maaltijd van de koning te koken, dan moet jij juist zoveel korrels verse rijst nemen als er waren bij de gegeten rijst.” – “Jawel, Eerwaarde Heer,” antwoordde Sudassana.

           Zowel ´s avonds als ´s morgens wanneer de koning de maaltijd gebruikte, reciteerde zijn neef dat vers. En steeds als de koning die woorden hoorde, gaf hij 1000 geldstukken voor aalmoezen weg. Hij stelde zich tevreden met een pot gekookte rijst per dag en ging die hoeveelheid nooit te boven. Na een tijd werd hij blijmoedig en mager. Hij voelde zich beter en genoot een betere gezondheid.

            Op zekere dag ging de koning naar de Boeddha om zijn eerbied te betonen. Hij groette hem en zei: “Eerwaarde Heer, nu ben ik gelukkig.” Daarop sprak de Verhevene het vers:

           “Vertrouwen is de beste van de verwanten. Maar er is geen geluk dat vergeleken kan worden met Nibbāna.”[3]

     

En daarna sprak hij de verzen:

“Als een mens toegeeft aan traagheid, als hij te veel eet, zijn tijd in slaap doorbrengt, er neerligt en rondtolt als een groot varken, gevoed met graan, - zo’n dwaas zal steeds weer wedergeboren worden.”[4]

“Gezondheid is de grootste zegening, tevredenheid is de grootste rijkdom. De betrouwbaren zijn de beste verwanten. Nibbāna is de hoogste zaligheid.”[5]

Overwinning brengt haat voort

In de strijd tegen Ajatasattu werd de koning van Kosala driemaal verslagen. Ajatasattu was de zoon van koning Bimbisara en koningin Vedehi, de zus van de koning van Kosala. De koning van Kosala schaamde zich en was erg terneergeslagen over zijn nederlaag en klaagde: "Wat een schande. Ik kan niet eens deze jongen overwinnen die nog naar moedermelk ruikt. Het is beter dat ik sterf." Vanwege zijn neerslachtigheid weigerde de koning eten te nemen en bleef in bed. Toen het nieuws over de smart van de koning de Boeddha bereikte, zei hij: "Bhikkhus, in iemand die overwint, neemt vijandschap en haat toe, iemand die verslagen is, lijdt pijn en smart." Toen de koning dit hoorde, besefte hij dat er geen overwinning is in oorlog, en was aldus stevig verankerd in de Dhamma.[6]

“Overwinning brengt haat voort. De verslagenen leven in pijn. Gelukkig leven de vreedzamen die van overwinning en nederlaag afzien.”[7]

Overwinning en nederlaag

Ajatasatta, koning van Magadha, was met zijn leger tegen koning Pasenadi van Kosala opgetrokken tot aan Kasi. Het kwam tot een veldslag waarin koning Pasenadi overwonnen werd door Ajatasattu. Na de nederlaag ging koning Pasenadi naar zijn hoofdstad Savatthi.

Veel bhikkhus gingen voor aalmoezen rond in Savatthi. Na de maaltijd gingen zij naar de Boeddha toe en vertelden hem over de nederlaag van koning Pasenadi. De Verhevene zei dat Ajatasattu slechte vrienden had en dat Pasenadi goede vrienden had maar nu de nederlaag had geleden. Overwinning produceert vijandschap. De vredige die overwinning en nederlaag heeft opgegeven, rust in geluk.[8]

Nederlaag en overwinning

Na een andere veldslag tussen koning Ajatasattu en koning Pasenadi werd koning Ajatasattu gevangen genomen. Koning Pasenadi wilde toen zijn neef, koning Ajatasattu, ontdoen van zijn troepen olifanten, paarden, wagens en voetvolk; hij wilde koning Ajatasattu zonder die troepen alleen laten gaan. De Boeddha zei toen:

"Iemand rooft zoveel als het hem behaagt. Wanneer dan anderen roven, rooft de beroofde mee. Want dat is een gelegenheid, denkt de dwaas, zolang zijn misstap nog niet rijpt. Maar wanneer de misstap rijpt, dan raakt de dwaas in onheil. De moordenaar wordt de baas over de moordenaar. Door omkering van het doen rooft degene die voorheen beroofd was."[9]

De gedachte is zo: in gewelddaden is een eeuwige kringloop. De een overwint, of rooft, of vermoordt; op een andere tijd wordt de overwinnaar overwonnen, wordt de rover beroofd, wordt de moordenaar vermoord. De Boeddha zinspeelt erop dat eerst Pasenadi door Ajatasattu overwonnen was en nu andersom.

Een vrouw kan meer waard zijn dan een man

Na de geboorte van zijn dochter had koning Pasenadi een gesprek met de Boeddha. “Een vrouw kan meer waard zijn dan een man, als zij verstandig is, deugdzaam, haar schoonmoeder eert, haar echtgenoot trouw is. Zij kan een zoon ter wereld brengen die een held wordt, een wereldbeheerser. Hij kan ook over een koninkrijk heersen."[10]

Onvermoeibaarheid

Te Savatthi vroeg koning Pasenadi aan de Boeddha of er iets is dat een zegen is voor in dit leven en voor het toekomstige bestaan.

De Boeddha antwoordde: "Onvermoeibaarheid brengt zegen voor nu en later."*[11]

Niemand die dierbaarder is dan zichzelf

Eens verbleef de Verhevene te Sāvatthi in het Jeta-park in het klooster van Anathapindika. Op die tijd was koning Pasenadi van Kosala met koningin Mallika naar de bovenste verdieping van het koninklijk paleis gegaan. En de koning vroeg er aan de koningin: “Mallika, is er iemand dierbaarder dan jouzelf?” - “Grote koning, er is niemand dierbaarder voor mij dan ikzelf. Maar grote koning, is er iemand dierbaarder voor u dan uzelf?”7  - “Mallika, er is niemand dierbaarder voor mij dan ikzelf."

Koning Pasenadi van Kosala ging toen in het paleis naar beneden en vertrok naar de Verhevene. Hij knielde met het hoofd tot op de grond voor hem neer, ging terzijde zitten en vertelde over het gesprek dat hij met de koningin had gevoerd.

Bij het besef van de betekenis hiervan deed de Verhevene toen de volgende korte uitspraak:

"Wanneer men met de geest alle richtingen doorkruist,

dan vindt men niemand die dierbaarder is dan zichzelf.

Evenzo waardeert iedereen zichzelf als het dierbaarste.

Daarom moet iemand die zichzelf liefheeft, een ander geen schade toebrengen.”[12]

Vriendschap met het goede is het hele heilige leven

Te Savatthi bezocht koning Pasenadi van Kosala de Boeddha en zei: "Heer, toen ik in eenzame meditatie helemaal in de stilte verdiept was, kwam de volgende gedachte bij me op: 'De leer is door de Verhevene goed verkondigd, maar alleen voor de vriend van het goede, niet voor de vriend van het kwade.'”

De Verhevene gaf ten antwoord: "Zo is het, koning. Eens vertoefde ik in een marktplaats van de Sakyas. De bhikkhu Ananda kwam naar me toe, groette eerbiedig en ging terzijde neerzitten. Hij zei: 'De helft van de heilige levenswandel bestaat in de vriendschap met de goeden, in het gezelschap van de goeden.'

Ik zei toen tot Ananda dat de hele heilige levenswandel bestaat in de vriendschap met de goeden, in het gezelschap van de goeden. Van een bhikkhu die een vriend van de goeden is, is te verwachten dat hij voor een vriend van de goeden het edele achtvoudige pad zal vervolmaken, dat pad zal verbreden."

"En hoe doet men dat? – De bhikkhu vervolmaakt het juiste inzicht, dat op afzondering gebaseerd is, op gelijkmoedigheid gebaseerd is, op opheffing gebaseerd is, dat eindigt in afkeer. Hij vervolmaakt het juiste willen en het juiste spreken. Hij vervolmaakt het juiste handelen en de juiste levenswijze. Hij vervolmaakt het juiste zich inspannen. Hij vervolmaakt de juiste meditatie (geestelijke concentratie) die op afzondering berust, op gelijkmoedigheid, op opheffing, en die eindigt in afkeer. Op die manier vervolmaakt een bhikkhu die een vriend van de goeden is, het edele achtvoudige pad, verbreedt dat pad.

In die zin moet je ook begrijpen dat de hele heilige levenswandel bestaat in de vriendschap van de goeden, in het gezelschap van de goeden."

Daarom, grote koning, moet u zich hierin oefenen: ik wil een vriend van de goeden zijn. Aan deze ene eigenschap moet u vasthouden: aan de onvermoeibaarheid in goede dingen. Als u dan als voorbeeld bent en onvermoeid aan de onvermoeibaarheid vasthoudt, dan zullen ook de hofdames, de dienstplichtige edelen, de lieden in de stad en in het land, onvermoeibaar aan de onvermoeibaarheid vasthouden.

Als u onvermoeid aan de onvermoeibaarheid vasthoudt, wordt uw eigen zelf beschermd, en ook worden de hofdames beschermd en de schatkamer en voorraadkamers.

Samen met degene die naar bijzondere genietingen verlangt, prijzen de wijzen de onvermoeibaarheid bij verdienstelijke daden.

De wijze die onvermoeibaar is, krijgt beide zegeningen: zegen in het tegenwoordige leven en zegen voor zijn toekomstig bestaan.

Omdat hij de zegen verkrijgt, daarom heet degene met volharding een wijze."[13]

Juist gebruik van rijkdom

Te Savatthi was eens een gesprek van koning Pasenadi van Kosala met de Boeddha. “Een goed persoon met rijkdom verheugt zich zelf over de rijkdom en hij brengt vreugde voor zijn ouders, echtgenote en kinderen; en ook zijn dienstpersoneel, vrienden en kennissen brengt hij vreugde. Aan de samanas en brahmanen brengt hij een offergave die geluk als resultaat heeft, die naar de hemel leidt. Zijn rijkdom wordt, omdat die juist gebruikt is, niet weggenomen door de koning, noch door rovers, vuur en water, of door onaangename erfgenamen. Rijkdom die juist gebruikt wordt, wordt niet vernietigd.[14]

Dood komt voor iedereen

Te Savatthi. De grootmoeder van koning Pasenadi was op hoge leeftijd gestorven. De koning ging toen in de namiddag naar de Boeddha en vertelde hem dat hij het kostbaarste wat hij had, zou willen geven als hij daarmee de dood van zijn grootmoeder had kunnen verhinderen. Want zij was hem lief en dierbaar.

De Boeddha wees de koning erop dat alle wezens aan de wet van sterven onderhevig zijn; de dood is het einde van het leven.

Na de dood gaan de wezens naar goede of slechte sferen van bestaan overeenkomstig hun daden. Daarom moet men goede daden verrichten als voorraad voor een toekomstig bestaan. Verdienstelijke werken worden in de andere wereld een vaste steun voor de levende wezens.[15]

Wilsacties zijn ons eigendom

Te Savatthi. Gesprek van koning Pasenadi van Kosala met de Boeddha.

“Goede daden hebben goede gevolgen; slechte daden hebben slechte gevolgen. Wilsacties in daad, woord en gedachten zijn ons eigendom; de gevolgen ervan nemen we mee naar een volgend bestaan. Daarom moet men goede werken doen als voorraad voor een toekomstig bestaan. Verdienstelijke werken worden in de andere wereld een vaste basis voor de levende wezens.”[16]

Vier soorten personen

Te Sāvatthī. Gesprek tussen de Boeddha en koning Pasenadi.

Er zijn vier soorten personen in de wereld, namelijk:

de donkere die het donkere tot doel heeft;

de donkere die het licht tot doel heeft;

de lichte die het donkere tot doel heeft;

de lichte die het licht tot doel heeft.

De donkere die het donkere tot doel heeft is iemand die in een lage familie wedergeboren is, als verschoppeling of in een lagere kaste, in een arme familie waar weinig aan eten en drinken is, waar het levensonderhoud moeizaam is, waar voedsel en kleding met moeite verschaft worden. Hij is lelijk, onaanzienlijk, vol gebreken, mismaakt. Hij krijgt geen eten en drinken aangeboden, noch kleding of voertuig, geen bloemen, parfums en zalven, geen slaapplaats en geen licht. In daden, woorden en gedachten heeft hij een slecht gedrag. Na de dood zal hij daarom wedergeboren worden in een lagere sfeer van bestaan, vol leed.

De donkere die het licht tot doel heeft, is degene die in een lage familie wedergeboren is, als verschoppeling of in een lage kaste, in een arme familie. Hij is lelijk, onaanzienlijk, mismaakt. Hij krijgt geen eten en drinken aangeboden, noch kleding of voertuig, geen bloemen, parfums en zalven, geen slaapplaats en geen licht. Maar hij heeft in daden, woorden en gedachten een goed gedrag. Na de dood zal hij daarom in een gelukkige sfeer van bestaan wedergeboren worden, in de hemel.

De lichte die het donkere tot doel heeft is iemand die in een hoge familie wedergeboren is, in een rijke familie met aanzien. Zijn lichaam is goed gevormd, mooi. Hij krijgt eten en drinken, kleding en voertuig, bloemen, parfums en zalven, slaapplaats en verlichting aangeboden. Maar hij gedraagt zich slecht in daden, woorden en gedachten. Na de dood zal hij daarom wedergeboren worden in een lagere sfeer van bestaan, in een leedvol bestaan, in de hel.

De lichte die het licht tot doel heeft, is iemand die in een hoge familie wedergeboren is, in een rijke familie met aanzien. Zijn lichaam is goed gevormd, mooi. Hij krijgt eten en drinken, kleding en voertuig, bloemen, parfums en zalven, slaapplaats en verlichting aangeboden. En hij gedraagt zich goed in daden, woorden en gedachten. Na de dood zal hij daarom wedergeboren worden in een gelukkige sfeer van bestaan, in de hemel.

Dat zijn de vier soorten van personen.

Iemand die arm is, ongelovig en gierig, vol boze gedachten, met verkeerde visies, zonder eerbied; die de samanas of brahmanen of andere bedelmonniken hoont en beschimpt; die een nihilist is, opvliegend; die anderen ervan afhoudt aalmoezen te geven – zo iemand gaat na de dood naar de hel.

Iemand die arm is, gelovig en niet gierig, die aalmoezen geeft, die vol is met de beste gedachten, met bezonnen geest; die de samanas of brahmanen of andere bedelmonniken eerbiedig begroet door opstaan; die een rechtschapen levenswandel leidt; die anderen niet ervan afhoudt aalmoezen te geven – zo iemand gaat na de dood naar de hemel.

Iemand die rijk is, ongelovig en gierig, vol boze gedachten, met verkeerde visies, zonder eerbied; die de samanas of brahmanen of andere bedelmonniken hoont en beschimpt; die een nihilist is, opvliegend; die anderen ervan afhoudt aalmoezen te geven – zo iemand gaat na de dood naar de hel.

Iemand die rijk is, gelovig en niet gierig, die aalmoezen geeft, die vol is met de beste gedachten, met bezonnen geest; die de samanas of brahmanen of andere bedelmonniken eerbiedig begroet door opstaan; die een rechtschapen levenswandel leidt; die anderen niet ervan afhoudt aalmoezen te geven – zo iemand gaat na de dood naar de hemel.[17]

Kortom: Degene (arm of rijk) die zich slecht gedraagt, wordt in een lagere sfeer van bestaan wedergeboren. Degene (arm of rijk) die zich goed gedraagt, wordt in een hogere sfeer wedergeboren, in de hemel.

Eigenschappen tot onheil

Te Savatthi. Gesprek tussen koning Pasenadi van Kosala met de Boeddha. Drie eigenschappen leiden naar onheil en lijden, namelijk begeerte, haat en onwetendheid.[18] 

Geven aan monniken en heiligen brengt rijke vrucht

Volgens het commentaar verspreidde zich na de Verlichting van de Boeddha het gerucht dat hij de mensen vroeg voortaan alleen aan hem en zijn discipelen aalmoezen te geven en niet meer aan aanhangers van andere scholen. Koning Pasenadi gaf de Boeddha gelegenheid om in een openbare bijeenkomst waartoe de leraren van de andere scholen uitgenodigd waren, dat gerucht te weerleggen.

Te Savatthi. Koning Pasenadi vroeg aan de Verhevene wanneer men aalmoezen moet geven.

De Boeddha: "Wanneer het hart er vreugde aan heeft."

Koning Pasenadi: "Wanneer draagt het gegevene rijke vrucht?"

De Boeddha: "Wat aan iemand die deugdzaamheid beoefent, gegeven werd, draagt rijke vrucht; het is niet zo bij een ondeugdzame.

Wat gegeven wordt aan iemand bij wie de vijf eigenschappen zijn verdwenen, de bhikkhu die vijf eigenschappen bezit, dat draagt rijke vrucht.

De verdwenen eigenschappen zijn: begeerte naar zinnelijke lust; traagheid en slapheid; boosheid; hoogmoed en weifelen; twijfel.

Hij is voorzien van de volgende eigenschappen:

(1) Met alles wat tot het begrip van de zedelijke discipline behoort bij iemand die geen onderwijs meer nodig heeft, is hij voorzien.

(2) Met alles wat tot het begrip geestelijke concentratie behoort bij iemand die geen onderwijs meer nodig heeft, is hij voorzien.

(3) Met alles wat tot het begrip inzicht behoort bij iemand die geen onderwijs meer nodig heeft, is hij voorzien.

(4) Met alles wat tot het begrip bevrijding behoort bij iemand die geen onderwijs meer nodig heeft, is hij voorzien.

(5) Met alles wat tot het wetende schouwen van de bevrijding behoort bij iemand die geen onderwijs meer nodig heeft, is hij voorzien.

Wat aan iemand bij wie die vijf eigenschappen verdwenen zijn en die met die vijf eigenschappen voorzien is, gegeven is, dat draagt rijke vrucht.

Degene met inzicht zal diegene door gaven eren bij wie de eigenschappen geduld en liefdevolle vriendelijkheid ingeworteld zijn, de edele, ook als hij van lage afkomst is.

Hij zal kluizen oprichten en de goed onderwezen monniken daar laten wonen. Hij zal waterputten aanleggen in waterloze wildernis en wegen in ontoegankelijk gebied. Eten en drinken, kleren en bedden zal hij aan de rechtschapene geven met vroom hart.

De wijze zal de monniken verkwikken met spijs en drank. Vreugde brengend deelt hij uit, met de woorden: 'geeft aalmoezen.' Deze rijke vloed van zijn verdienstelijke werken overstroomt de gever."[19]

Wedergeboorte als mens is moeilijk te bereiken

Te Savatthi was eens een gesprek van koning Pasenadi met de Boeddha.

“Wedergeboorte als mens is moeilijk te bereiken; leidt een vroom en rechtschapen leven, doe goede werken, verdienstelijke handelingen.” [20]

Geen handel met de Dhamma

Eens verbleef de Verhevene nabij Savatthi in het oostelijk gelegen park in het herenhuis van ‘Migara’s moeder’.*[21] Op die tijd had de Verhevene in de avond zich uit de afzondering verheven en zat buiten de poort. Toen naderde koning Pasenadi van Kosala de Verhevene, knielde voor hem neer met het hoofd op de grond, en ging terzijde zitten.

        Op dat ogenblik kwamen, niet ver van de Verhevene vandaan, zeven Jatila asceten, zeven Niganthas (Jains), zeven naakte asceten, zeven asceten met slechts één kledingstuk, en zeven dolende asceten, allen met harige lichamen en lange nagels.[22] Zij droegen hun benodigdheden in een bundel aan een stok op hun schouder.

Koning Pasenadi van Kosala zag die groepen van telkens zeven asceten dicht bij de Verhevene voorbijgaan. Bij het zien van hen stond hij van zijn zetel op, schikte zijn gewaad over een schouder, knielde met zijn rechter knie op de grond en hief zijn samengevouwen handen in de richting van die groepen van zeven. Drie keer noemde hij zijn naam,*[23] aldus: “ Eerwaarde heren, ik ben koning Pasenadi van Kosala.”  Weldra nadat die groepen van zeven vertrokken waren, ging koning Pasenadi van Kosala [weer] naar de Verhevene, knielde voor hem neer met het hoofd op de grond, ging terzijde zitten en vroeg: “Eerwaarde Heer, zou één van hen een Arahant kunnen zijn of op weg zijn naar arahantschap?”

        De Boeddha antwoordde: “Grote koning, als leek die de genietingen van de zintuigen geniet, die in een huis woont, met de last van kinderen, die geurig sandelhout gebruikt van Kasi[24] en die bloemenkransen draagt, die parfums en crèmes gebruikt en die omgaat met goud en zilver, - voor u is het moeilijk te weten of deze personen Arahants zijn of niet, of dat zij het pad naar volmaakte heiligheid hebben betreden. Grote koning, de deugdzaamheid van iemand kent men pas door samen met hem te leven, en dan alleen na een lange tijd, niet na een korte periode; en alleen door overweging, niet zonder overweging; en alleen door iemand die wijs is, niet door een dwaas. Op gelijke wijze kan men de zuiverheid[25] van iemand leren kennen. De kracht van iemand kan men leren kennen in tegenspoed. Door gesprekken met iemand kan men zijn wijsheid leren kennen, grote koning, en dan alleen na een lange tijd, niet na een korte periode; en dan alleen door overweging, niet zonder overweging; en dan alleen door iemand die wijs is, niet door een dwaas.”

        [De koning:] “Eerwaarde Heer, het is wonderbaarlijk, het is wonderbaar hoe goed dit door de Verhevene is gezegd. Eerwaarde Heer, deze mensen hier zijn mijn mannen in vermomming, spionnen die terugkeren uit een ander land. Eerst zijn inlichtingen door hen verzameld en daarna zal ik een besluit nemen. Eerwaarde Heer, wanneer zij het stof en de modder hebben afgewassen, goed gebaad en geparfumeerd zijn, en hun haren en baarden hebben laten knippen en zich gekleed hebben in witte kleren,[26] zullen zij rondgaan voorzien van de vijf soorten van zinnelijk genot.”

Bij het besef van de betekenis hiervan deed de Verhevene toen de volgende korte uitspraak:

“Laat men zich niet inlaten met drukke bezigheden,[27]

laat men niet voor iemand anders werkzaam zijn,

men moet niet leven op kosten van een ander,

men moet geen handel drijven met de Dhamma.[28]

Eerbetoon door koning Pasenadi

Eens vertoefde de Verhevene in het Jetapark bij Savatthi in het klooster van Anathapindika. Koning Pasenadi van Kosala was toen juist zegenrijk van een veldslag teruggekeerd, nadat hij zijn doel[29] bereikt had.

Koning Pasenadi ging met zijn wagen op weg naar het klooster, zover als de berijdbare weg reikte. Daarna ging hij te voet verder over het kloostergebied.        

Talrijke monniken liepen er toen juist heen en weer. De koning ging naar hen toe en vroeg waar de Verhevene, heilige, volmaakt Verlichte nu verbleef. Hij wilde de Verhevene een bezoek brengen. De monniken gaven ten antwoord: "Koning, in die cel met gesloten deur verblijft de Verhevene. Ga er stil naartoe en stap zonder haast op het terras ervan. Kuch dan of schraap uw keel en klop aan de deur. De Verhevene zal dan de deur openen."

Koning Pasenadi van Kosala ging toen naar die kloostercel toe, stapte zonder haast op het terras, kuchte en klopte aan de deur. De Verhevene maakte open en de koning ging de cel binnen. Met zijn hoofd tot op de grond boog hij knielend neer aan de voeten van de Verhevene, kuste die voeten en omvatte ze met zijn armen. Daarbij noemde hij twee keer zijn naam: "Pasenadi ben ik, Eerwaarde, Pasenadi ben ik, de koning van Kosala."

"Koning, waarom bewijs je aan dit lichaam zo'n hoogste eerbied en liefdevolle toewijding?"

"Eerwaarde, uit dankbaarheid en erkentelijkheid bewijs ik aan de Verhevene zo'n hoogste eerbied en liefdevolle toewijding. Want Eerwaarde, de Verhevene gaat rond tot heil en zegen voor veel mensen. En velen heeft hij in de leer van het heilige pad gevestigd, namelijk in het goede en heilzame. Om deze reden bewijs ik aan de Verhevene zo'n hoogste eerbied en liefdevolle toewijding.

Eerwaarde, verder is de Verhevene rein van deugden; hij is van rijpe zedelijkheid, van edele heilbrengende deugdzaamheid, is met heilbrengende deugdzaamheid voorzien. Ook om deze reden bewijs ik aan de Verhevene zo'n hoogste eerbied en liefdevolle toewijding.

Eerwaarde, verder bewoont de Verhevene al lang als bos-eremiet eenzame afgelegen huisvestingen in het bos. Ook om deze reden bewijs ik aan de Verhevene zo'n hoogste eerbied en liefdevolle toewijding.

Eerwaarde, verder is de Verhevene tevreden met alles wat hij ook maar ontvangt aan gewaad, aalmoezenspijs, woonplek en de benodigde geneesmiddelen en medicijnen. Ook om deze reden bewijs ik aan de Verhevene zo'n hoogste eerbied en liefdevolle toewijding.

Eerwaarde, verder is de Verhevene offergaven waard, gastgeschenken waard, gaven waard, waard eerbiedig gegroet te worden, en is hij in de wereld het beste veld voor verdienstelijke daden. Ook om deze reden bewijs ik aan de Verhevene zo'n hoogste eerbied en liefdevolle toewijding.

Eerwaarde, verder, wat er voor gesprekken zijn die de ontsluiting van de geest bevorderen, zoals gesprekken over bescheidenheid, tevredenheid, eenzaamheid, afzondering, wilskracht, deugdzaamheid, concentratie, wijsheid, bevrijding en het inzicht van de bevrijding, - zulke gesprekken vallen de Verhevene naar wens, zonder inspanning en moeite ten deel. Ook om deze reden bewijs ik aan de Verhevene zo'n hoogste eerbied en liefdevolle toewijding.

Eerwaarde, verder verkrijgt de Verhevene naar wens, zonder inspanning en moeite de vier meditatieve verdiepingen, de verheven geestelijke, die momenteel welzijn verschaffen. Ook om deze reden bewijs ik aan de Verhevene zo'n hoogste eerbied en liefdevolle toewijding.

Eerwaarde, verder herinnert de Verhevene zich aan menigvuldige vroegere vormen van bestaan.[30] Ook om deze reden bewijs ik aan de Verhevene zo'n hoogste eerbied en liefdevolle toewijding.

Eerwaarde, verder ziet de Verhevene met het hemelse oog dat gezuiverd is en het menselijke oog overtreft, hoe de wezens sterven en weer verschijnen, hoge en lage, mooie en lelijke, gelukkige en ongelukkige. En hij begrijpt hoe de wezens overeenkomstig hun daden wedergeboren worden.[31] Ook om deze reden bewijs ik aan de Verhevene zo'n hoogste eerbied en liefdevolle toewijding.

Eerwaarde, verder heeft de Verhevene door opdroging van de neigingen nog in dit leven zich de neigingsvrije bevrijding van het gemoed en de bevrijding door wijsheid eigen gemaakt, ze zelf inziende en verwerkelijkende.[32] Ook om deze reden bewijs ik aan de Verhevene zo'n hoogste eerbied en liefdevolle toewijding.

Eerwaarde Heer, ik moet nu gaan, veel zaken en aangelegenheden moet ik nog uitvoeren."

"Zoals het je belieft, koning."

En koning Pasenadi van Kosala verhief zich van zijn zitplaats, groette de Verhevene vol eerbied en met de rechterzijde naar hem toegekeerd, verwijderde hij zich.[33]

Verering van de Verhevene

Te Medalumpa in het land van de Sakyas bezocht koning Pasenadi van Kosala de Boeddha. Bij het binnengaan in het park knielde hij in verering neer met zijn voorhoofd tot aan de voeten van de Boeddha. Op de vraag waarom de koning zo'n extreme nederigheid en zo’n respect voor het lichaam van de Boeddha toonde, gaf de koning een lofspraak over de Boeddha en prees de deugden van de Boeddha, Dhamma en Ariyasangha. ‘Waarlijk, de Verhevene is heilig, volledig verlicht. Duidelijk uitgelegd is de leer door de Verhevene. Van goed en plichtsgetrouw gedrag is de Orde van de discipelen van de Gezegende.

De Verhevene zei aan de monniken dat zij die woorden van de koning van buiten moesten leren en vaak moesten reciteren als eer aan de Dhamma.[34]

◻  ◻  ◻


[1] M.87. (M.IX.7)

[2] Vgl. S.3.13.

[3] Dhp. verhaal XV:6 bij vers 204 en Dhp. verhaal XXIII:4 bij vers 325.

[4] Dhp. vers 325 (23:6)

[5] Dhp. vers 204 (15:8)

[6] Dhp. verhaal XV:3 bij vers 201.

[7] Dhp. vers 201 (15:5).

[8] S.3.14.

[9] S.3.15.

[10] S.3.16.

[11] S.3.17.

[12] Ud. 5.1.

[13] S.3.18.

[14] S.3.19.

[15] S.3.22.

[16] S.3.20.

[17] S.3.21.

[18] S.3.23.

[19] S.3.24.

[20] S.3.25.

[21] Migara’s moeder = Visakha.

[22] dit betekent: zij waren vies en ongewassen, hadden een onaangename geur.

[23] d.w.z. hij eerde hen en stelde zich als teken van bijzondere hoogachting formeel voor.

[24] Kāsī is een streek in India beroemd vanwege fijn weefsel en parfums; de hoofdstad ervan was Varanasi.

[25] zuiverheid is drievoudig: lichamelijk, verbaal en mentaal.

[26] wit is de traditionele kleur van de kleding van de leek.

[27] Monniken moeten de slechte daden van deze mannen van de koning niet nastreven door het werk van een spion te doen. Omdat een asceet vrij kan rondreizen, kan hij misleid worden om zo’n werk te doen. Blijkbaar waarschuwt de Boeddha monniken ervoor om niet op een verkeerde manier in hun levensonderhoud te voorzien; ook drukt hij uit dat hij het verkeerd gebruiken van de uiterlijke tekenen van een religie afkeurt voor een dergelijk verkeerd doel als het verzamelen van informatie voor een koning om te gebruiken voor militaire en politieke doeleinden.

[28] Ud. 6.2.

[29] Volgens het commentaar was het doel koning Ajatasattu een nederlaag toe te brengen.

[30] Zie verder bij: A.X.21, De tien krachten van een Tathagata, nr. 8.

[31] Zie verder bij: A.X.21: De tien krachten van een Tathagata, nr. 9.

[32] Vergelijk: A.X.21: De tien krachten van een Tathagata, nr. 10.

[33] A.X.30.

[34] M.89. (M.IX.9)