Facetten van het Boeddhisme


naar Index


6.5.  Enkele bekende leken
14. koningin Samavathi

Copyright ©  2024 / 2567

Het is toegestaan om elektronisch of in gedrukte vorm fragmenten van deze publicatie of de publicatie in zijn geheel over te nemen voor eigen gebruik, of ook met als doel ze met anderen te delen, uitsluitend voor gratis verspreiding en zonder commercieel oogmerk.



Koningin Samavati

Inleiding

Samavati was een van de drie hoofdvrouwen van koning Udena van Kosambi. Zij was de vrouwelijke leken-volgeling van de Boeddha die aan het hoofd stond van degenen met liefdevolle vriendelijkheid (metta).

Zij was de dochter van Setthi Bhaddavatiya van Bhaddavatī, die een vriend was van Ghosaka van Kosambī. Toen in Bhaddavatī een besmettelijke ziekte uitbrak, vluchtte zij met haar ouders naar Kosambī. Daar kreeg zij te eten dat door Ghosaka in een zaal voor aalmoezen werd gereed gezet. Op de eerste dag vroeg Sāmāvatī drie porties, op de tweede dag vroeg zij twee porties en op de derde dag vroeg zij slechts één portie. Haar vader stierf na de eerste maaltijd, haar moeder stierf na de tweede maaltijd. Toen zij op de derde dag slechts één portie vroeg, zei Mitta, die de maaltijden verdeelde, voor de grap tegen haar: “Vandaag ken je de grootte van je maag.”  Zij begreep de grap niet en toen Mitta ze uitlegde, vertelde zij wat in de afgelopen dagen gebeurd was. Mitta voelde medelijden met haar en adopteerde haar als zijn dochter.

wegens plaatsing van hekwerk de naam Sāmāvatī

        Toen zij op een dag naar de eetzaal kwam, vond zij er veel verwarring en lawaai, mensen die heen en weer renden om eten te krijgen. Zij vroeg toestemming om orde in de chaos te brengen en richtte een hekwerk rondom de hal met aparte in- en uitgangen, waardoor aan de wanorde een einde kwam. Ghosaka, verbaasd over de plotselinge rust in de hal, zocht naar de oorzaak en toen hij ontdekte wat Sāmāvatī had gedaan, adopteerde hij haar als zijn dochter. De echte naam van Sāmāvatī was Sāmā, maar nadat zij het hekwerk (vati) rondom de eetzaal had opgericht, werd zij Sāmāvatī genoemd.

hoofdvrouw van koning Udena

        Op een feestdag zag koning Udena Sāmāvatī naar de rivier gaan om er te baden en hij werd verliefd op haar. Hij vroeg Ghosaka om haar naar het paleis te sturen, wat deze weigerde. Daarop liet de koning Ghosaka en zijn vrouw uit hun huis gooien en liet het verzegelen. Toen Sāmāvatī dat vernam, bracht zij Ghosaka ertoe haar in het paleis te laten gaan, waar Udena haar tot zijn hoofdvrouw benoemde.

de jaloerse Magandiya

Enige tijd later maakte koning Udena ook Māgandiyā tot zijn vrouw. Magandiya was de dochter van een brahmaan. Toen de Boeddha eens in een bos vertoefde, ontmoette hij er de vader van Magandiya die van mening was dat alleen de Verhevene waardig genoeg was om zijn mooie dochter te trouwen. Daarom bood de brahmaan toen aan de Boeddha zijn dochter ten huwelijk aan. Maar de Boeddha wees haar af met de woorden: “Gezien heb ik Tanhā, Arati en Rāgā,[1] maar er kwam geen enkel verlangen naar seksuele omgang. Wat is dit lichaam werkelijk, vol met urine en uitwerpselen? Ik zou haar zelfs niet met mijn voet willen aanraken.”[2]

De Boeddha wist dat de brahmaan en diens vrouw een grote mentale zuiverheid hadden. En bij het horen van die woorden zagen beiden in dat alle schoonheid vergankelijk is en op die dag bereikten zij angami, het derde niveau van heiligheid. Zij vertrouwden hun dochter toe aan haar oom en traden toe tot respectievelijk de Bhikkhu-Sangha en de Bhikkhuni-Sangha. Na niet lange tijd bereikten zij arahantschap.

Maar hun dochter Māgandiya was erg hoogmoedig en vatte de woorden van de Boeddha op als een persoonlijke belediging. Zij werd verbitterd en nam zich voor wraak te nemen als de gelegenheid zich zou voordoen.

Later werd zij door haar oom ten huwelijk aangeboden aan koning Udena en zij werd een van zijn hoofdvrouwen.

Samavati verneemt de leer

Toen de Boeddha op uitnodiging van Ghosaka, Kukkuta en Pāvāriya naar Kosambī kwam, hoorde Khujjutarā, de dienares van Sāmāvatī, een leerrede en bereikte de stroomintrede (sotāpanna). Zij ging naar de tuinman Sumana om bloemen voor Sāmāvatī te kopen, waarvoor zij van de koning dagelijks acht munten kreeg. Zij was door Sumana uitgenodigd om de leerrede van de Boeddha bij te wonen. Op de voorgaande dagen kocht zij bloemen voor slechts de helft van de munten, de rest hield zij voor zichzelf. Maar op de dag dat zij de stroomintrede bereikte, kocht zij bloemen voor het volledige bedrag, bracht ze naar Sāmāvatī en bekende het hele verhaal. Op verzoek van Sāmāvatī herhaalde Khujjuttarā de hele leerrede voor haar en de andere hofdames, zoals zij die van de Boeddha had gehoord. Na dit incident bezocht Khujjuttarā dagelijks de Boeddha om de leer te horen en na terugkeer alles te herhalen voor Sāmāvatī en haar hofdames.

Toen bekend werd dat de Boeddha door de straat zou lopen waar het paleis zich bevond, liet Sāmāvatī gaten in de muur maken zodat zij en haar hofdames de Boeddha konden zien en vereren.

wraak van Magandiya

Māgandiya vernam dat de Boeddha in Kosambi was aangekomen en dat koningin Samavati en haar hofdames eer betoonden aan de Boeddha als zij de Verhevene door de gaten in de muren van hun vertrekken langs zagen komen. Omdat Māgandiya wraak wilde nemen, vertelde zij aan koning Udena over de gaten in de muur en zei erbij dat koningin Samavati hem ontrouw was geworden. De koning zag de gaten maar werd niet boos.

        De jaloerse Magandiya bleef proberen de koning ervan te overtuigen dat koningin Samavati hem niet trouw was en hem probeerde te doden. Toen de koning eens naar Samavati wilde gaan, vertelde Magandiya hem dat zij een slecht voorgevoel had en dat zij bezorgd was. Omdat zij wist dat de koning altijd zijn luit meenam, deed zij een slang in zijn luit en bedekte het gat met een bos bloemen. Bij de kamer van Samavati verwijderde Magandiya de bos bloemen, de slang kroop uit de luit en slingerde zich op het bed. De koning dacht dat Samavati hem probeerde te doden en werd heel kwaad. Hij beval Samavati te gaan staan met haar hofdames achter zich. Hij pakte zijn boog en schoot een pijl af die gedrenkt was in vergif. Maar door de kracht van metta, liefdevolle vriendelijkheid, miste de pijl zijn doel hoewel de koning een uitstekend boogschutter was.

Dagelijks onderricht in de leer

        Koning Udena besefte dat Samavati onschuldig was en omdat hij overtuigd was van de goedheid van Sāmāvatī, verleende hij haar een gunst. Zij wenste dat de Boeddha dagelijks in het paleis werd uitgenodigd om aan haar en haar hofdames de leer te onderwijzen. De Boeddha stuurde in zijn plaats Ananda die de leer aan haar uitlegde en door haar van maaltijden werd voorzien. Op een dag schonken zij aan Ananda vijfhonderd gewaden die zij van de koning hadden gekregen, die daar heel boos over werd. Maar nadat Ananda hem had uitgelegd dat niets verspild is dat aan de gemeenschap van monniken wordt geschonken, was hij zeer tevreden en gaf nog eens vijfhonderd gewaden van zichzelf.

Brand in het paleis

           Magandiya liet toen het paleis van Samavati in brand steken waardoor Samavati en haar hofdames levend verbrandden.[3] Maar ondanks het gevaar waren zij blijven mediteren en zij allen bereikten een niveau van heiligheid.

           De koning vernam het nieuws van de brand, haastte zich naar het paleis maar hij was te laat. Hij verdacht Magandiya van de brand maar kon het niet bewijzen. Hij zei daarom aan Magandiya dat hij eerst erg bang was geweest omdat hij gedacht had dat Samavati hem kwaad wilde doen. Maar nu was hij gerustgesteld. Wie zou dat wel gedaan hebben? Het moest iemand zijn die hem heel erg lief had. Magandiya liet zich door deze woorden beet nemen en gaf direct toe dat zij haar verwanten opdracht had gegeven om het paleis van Samavati in brand te steken. De koning deed alsof hij erg blij was en vroeg haar haar verwanten uit te nodigen omdat hij hen wilde eren. Toen zij allen aanwezig waren, werden zij en ook Magandiya gevangen genomen en ter dood gebracht.

bestemming van de koningin en haar hofdames

De Verhevene verbleef toen te Kosambi in het Ghosita klooster. Meerdere bhikkhus deden in de voormiddag hun gewaden aan, namen hun nap en oppergewaad en gingen naar Kosambi voor aalmoezen. Na in Kosambi de aalmoezenronde gemaakt te hebben gingen zij terug. Na de maaltijd gingen zij naar de Verhevene, knielden voor hem neer met hun hoofd tot op de grond, gingen terzijde zitten en vertelden over de brand en de dood van de vele vrouwen. Zij vroegen wat de bestemming, de toekomstige geboorte van die vrouwelijke lekenvolgelingen was.

De Boeddha gaf ten antwoord: “Bhikkhus, sommigen van die vrouwelijke lekenvolgelingen waren in de stroom getreden, sommigen waren één keer wederkerenden, sommigen waren niet meer wederkerenden. De dood van elk van die vrouwen was niet zonder vrucht.”[4]

“Oplettendheid is het pad naar het doodloze, onoplettendheid is het pad naar de dood. De oplettenden sterven niet;[5] onoplettenden zijn als dood.”

“Dit verschil duidelijk begrijpend,[6] verheugen de wijzen die gericht zijn naar oplettendheid zich in oplettendheid, zich verheugend in het rijk van de edelen.”

“Degenen die constant mediteren,[7] die steeds standvastig zijn, verwerkelijken het van boeien vrije, hoogste Nibbana[8].” [9]


[1] Dit zijn de drie dochters van Māra (begeerte, onbevredigendheid, en verlangen), die naar de Boeddha waren gekomen in de nacht van de Ontwaking, volmaakte Verlichting, om hem te verleiden. (M.a.w. voordat de Verhevene de volledige Verlichting verwerkelijkte, kwamen nog verleidelijke gedachten bij hem op.)      

[2] Sn.IV.9 vers 835 en commentaar.

[3] zie: Udana, 7.10.

[4] Dhp. verhaal II:1 bij vers 21-23.

[5] Dit betekent niet dat zij onsterfelijk zijn. Niemand is onsterfelijk; zelfs niet Boeddhas en Arahants. Hier wordt bedoeld dat de oplettende die Nibbana verwerkelijkt, niet wedergeboren wordt en dus niet sterft. De onoplettende wordt beschouwd als dood omdat hij niet gericht is op het doen van het goede en onderworpen is aan herhaald geboren worden en sterven.

[6] Goed wetende dat er bevrijding is voor de oplettende, maar niet voor de onoplettende.

[7] Meditatie omvat hier zowel concentratie (samatha) als contemplatie of inzicht (vipassana).

[8] Nibbana = ni + vana, letterlijk: ‘weggaan van begeerte’. Het is een bovennatuurlijke staat die bereikt kan worden hier al in dit leven. Het wordt ook uitgelegd als het uitdoven van de hartstochten, maar het is niet een staat van nietsheid. Het is een blijvende gelukzalige staat van bevrijding welke het resultaat is van de volledige uitwissing van de passies.

[9] Dhp. verzen 21-23 (2:1-3).