Facetten van het Boeddhisme


 naar index   of    naar Indeling van Ang.Nik.


5.2.4.5. Anguttara Nikaya, Pañcaka-nipata, het boek van vijf.


Copyright ©  2021 / 2564

Het is toegestaan om elektronisch of in gedrukte vorm fragmenten van deze compilatie of de compilatie in zijn geheel over te nemen voor eigen gebruik, of ook met als doel ze met anderen te delen, uitsluitend voor gratis verspreiding en zonder commercieel oogmerk.


Anguttara Nikaya

Pañcaka-Nipāta

Het boek van vijf


een selectie


Indeling

Het boek van vijf is verdeeld in 26 hoofdstukken of vaggas, met in totaal 302 suttas. De hoofdstukken 1-25 hebben elk tien suttas; en vagga 26 heeft 152 suttas.

Hoofdstuk 1: sekhabala-vagga

A.V.1. De vijf krachten voor oefening I

A.V.2. De vijf krachten van oefening II

A.V.3. Ongelukkig en gelukkig monnikenleven

A.V.4. De weg naar de hel en de weg naar de hemel

A.V.6. Vijf voorwaarden voor het heilzame en het onheilzame

A.V.7. De Verhevene waakt over zijn leerlingen tot zij zelf mondig zijn

A.V.8. Achteruitgang en vooruitgang in de leer I

A.V.9. Achteruitgang en vooruitgang in de leer II

A.V.10. Achteruitgang en vooruitgang in de leer III

Hoofdstuk 2: bala-vagga

A.V.11. De vijf krachten van de Volmaakte

A.V.12. De kracht van onderricht

A.V.13. De vijf geestelijke krachten I

A.V.14. De vijf geestelijke krachten II

A.V.15. Waaraan herkent men de vijf geestelijke krachten?

A.V.16. De kracht van wijsheid II

A.V.17. Eigen heil en dat van anderen I

A.V.18. Eigen heil en dat van anderen II

A.V.19. Eigen heil en dat van anderen III

A.V.20. Eigen heil en dat van anderen IV

Hoofdstuk 3: pañcangika-vagga

A.V.21. Vooruitgang in etappes I

A.V.22. Vooruitgang in etappes II

A.V.23. De zes hogere geestelijke krachten

A.V.24. Het een gesteund op het andere

A.V.25. Het bevorderen van juist inzicht

A.V.26. Vijf wegen naar bevrijding

A.V.27. Vijf soorten weten

A.V.28. De vijfvoudige concentratie

A.V.29. Voordelen van het heen- en weer lopen

A.V.30. Het geluk van de bevrijding

Hoofdstuk 4: sumana-vagga

A.V.31. Het voordeel van aalmoezen geven

A.V.32. Hoogste zegen

A.V.33. De plichten van de echtgenote

A.V.34. De zichtbare vruchten van aalmoezen geven 

A.V.35 Vijfvoudige zegen van aalmoezen geven

A.V.36. Te juister tijd geven

A.V.37. Vijfvoudige zegen door het geven van voedsel

A.V.38. De zegen van vertrouwen

A.V.39. Waarom wenst men een zoon?

A.V.40. De invloed van degene vol vertrouwen 

Hoofdstuk 5: mundarāja-vagga

A.V.41. Juist gebruik van vermogen

A.V.42. De invloed van de goede mens

A.V.43. Vijf gewenste dingen

A.V.44. Wie schenkt, krijgt geschenken

A.V.45. Stromen van verdienste

A.V.46. Vijf soorten meesterschap

A.V.47. De vijf schatten

A.V.48. Vijf onbereikbare dingen

A.V.49. Mallika’s dood

A.V.50. Het uittrekken van de stekel van lijden 

Hoofdstuk 6: nīvarana-vagga

A.V.51. De vijf hindernissen

A.V.53. De vijf geestelijke krachten  - Padhāniyanga sutta

A.V.54. Gunstige en ongunstige tijd

A.V.55. De valstrik van Māra [de gestalte van de vrouw]

A.V.56. Voorwaarden voor vooruitgang

A.V.57. Vijf overwegingen voor iedereen

A.V.58. De zegen van geven

Hoofdstuk 7: saññā-vagga

A.V.61-62. Vijf zegenrijke overwegingen I-II 

A.V.63-64. Edele vooruitgang

A.V.67. De wegen naar macht I. - iddhi-pada

A.V.69-70. Overwegingen leidende naar Nibbana I

Hoofdstuk 8: yodhājīva-vagga

A.V.71-72. Overwegingen leidende naar nibbana II

A.V.77. Gevaren voor de monnik in het bos

A.V.79. Dreigende gevaren voor de Orde

A.V.80. Gevaren voor de monnik II

Hoofdstuk 9: thera-vagga

Hoofdstuk 10: kakudha-vagga

A.V.91. Meesterschap

A.V.92. Meesterschap II

A.V.94. Welbevinden; jhanas

A.V.95. Onwrikbaar I

A.V.96-98. Onwrikbaar II-IV

A.V.99. De leeuw; de Volmaakte

Hoofdstuk 11: phāsuvihāra-vagga

Hoofdstuk 12: andhakavinda-vagga

Hoofdstuk 13: gilāna-vagga

A.V.123. De moeilijk te verplegen zieke

A.V.124. De ongeschikte ziekenverzorger

A.V.129. Ongeneeslijk; de vijf zware fouten

A.V.130. Winst en verlies

Hoofdstuk 14: rāja-vagga

A.V.131. Het onverwoestbare rijk. I - [eigenschappen van de Verhevene]

A.V.132. Het onverwoestbare rijk. II - [eigenschappen van de eerwaarde Sariputta]

A.V.133. De wet als medeheerser

A.V.134. De overwinnaar

A.V.140. De gemakkelijk te onderwijzen koningsolifant; de gemakkelijk te onderwijzen monnik

Hoofdstuk 15: tikanda-vagga

A.V.141. Vijf soorten mensen I

A.V.142. Vijf soorten mensen II

A.V.147. Verkeerd en juist geven

A.V.148. Juist geven

Hoofdstuk 16: saddhamme-vagga

A.V.154. Behoud en verval van de leer I

A.V.155. Behoud en verval van de leer II

A.V.156. Behoud en verval van de leer III

A.V.157. Onpassende en passende gesprekken

A.V.158. Innerlijke onzekerheid en zelfvertrouwen

A.V.159. Juiste manier van uitleg van de leer

A.V.160. Vijf dingen die moeilijk te verdrijven zijn

Hoofdstuk 17: āghāta-vagga

A.V.161. Vijf manieren om wrok te overwinnen 

A.V.162. Vijf middelen om wrok te overwinnen II

A.V.166. Udāyi spreekt Sāriputta tegen

A.V.168. Het een gebaseerd op het andere

A.V.169. Goed inzicht, goed opvattingsvermogen

A.V.170. De vijf beste dingen

Hoofdstuk 18: upāsaka-vagga

A.V.171-173. Zelfvertrouwen en onzekerheid

A.V.174. Vijf vreselijke wandaden

A.V.175. De goede en de slechte lekenvolgeling

A.V.176. Vervoering in meditatie

A.V.177. Vijf verwerpelijke beroepen

A.V.179. Het in de stroom getreden gezinshoofd

A.V.180. Streeft steeds hoger

Hoofdstuk 19: arañña-vagga

Hoofdstuk 20: brāhmana-vagga

A.V.193. De vijf hindernissen

A.V.194. De bezielende leer

A.V.196. De vijf dromen van de Bodhisatta

A.V.198. Het goed gesproken woord

A.V.199. De invloed van de zedenreine monnik

A.V.200. De vijf elementen van ontkomen; nibbana

Hoofdstuk 21: kimbila-vagga

A.V.201. De duur van de leer

A.V.202. Voordelen van het luisteren naar de leer

A.V.203. Het koninklijke paard; de waardige monnik

A.V.204. Vijf krachten

A.V.205. Vijf geestelijke hindernissen

A.V.206. Vijf verwikkelingen van de geest

A.V.207. De goede uitwerking van rijstsoep

A.V.208. Het nut van het reinigen van de tanden

A.V.209. Nadelen van het zingend reciteren van de teksten

A.V.210. Helder bewust inslapen

Hoofdstuk 22: akkosa-vagga

A.V.211. Gevolgen van de belediging

A.V.213. Resultaten van slecht en goed gedrag

A.V.214. Nadelen en voordelen bij het houden van een toespraak

A.V.215-216. Ongeduld en geduld

A.V.217. Onvriendelijkheid en vriendelijkheid I

A.V.218. Onvriendelijkheid en vriendelijkheid II

Hoofdstuk 23: dīghacārika-vagga

A.V.225. Gevaren van omgang met gezinnen

A.V.227. Nadelen en voordelen van bezittingen

A.V.228. Nadelen van te laat eten

Hoofdstuk 24: āvāsika-vagga

Hoofdstuk 25: duccarita-vagga

A.V.241-248. Gevolgen van slecht en goed gedrag 

Hoofdstuk 26: upasampadā-vagga

A.V.251-253. De waardige Orde-leraar

A.V.254-271. Jaloersheid 

A.V.272-285. Orde in het klooster

A.V.286-302. De universele wet van kamma

A.V.303. Inzicht van begeerte; leidende naar nibbana

Inleiding

        Het boek van vijf, Pañcaka-Nipāta, gaat over de volgende onderwerpen:

        Vijf goede eigenschappen van een discipel: eerbetoon, bescheidenheid, energie, wijsheid, afzien van onheilzame daden. Vijf geestelijke hindernissen: zintuiglijk genot, kwaadwil, traagheid, rusteloosheid en zich zorgen maken, twijfel. Vijf objecten van meditatie: het onzuivere, niet-zelf, dood, het onaangename van voedsel, geen behagen scheppen in de wereld. Vijf slechte eigenschappen: niet vrij te zijn van passie, haat, illusie, huichelarij, kwaadwil. Vijf goede daden: mettā, daden met het lichaam, door taalgebruik en met de geest, het navolgen van deugdzaamheid (sīla) en juiste visies erop na houden.[1]

Hoofdstuk 1. sekhabala-vagga – A.V.1 t/m A.V.10 - De vijf krachten van oefening

A.V.1. De vijf krachten voor oefening

        Te Sāvatthī in het Jetavana-klooster sprak de Verhevene eens over de vijf krachten voor oefening.[2] Die vijf krachten zijn:

de kracht van vertrouwen,

de kracht van schaamte (om kwaad te doen),

de kracht van morele vrees,

de kracht van energie, wilskracht,

en de kracht van wijsheid.

        

A.V.2 De vijf krachten van oefening II

        Voormelde vijf krachten worden nader uitgelegd.

De kracht van vertrouwen bestaat hierin: De edele volgeling gelooft in de Verlichting van de Boeddha aldus: ‘Waarlijk, de Verhevene is heilig, volledig verlicht, volmaakt in kennis en volmaakt in gedrag. Hij is gezegend, een kenner van de werelden. Hij is de onvergelijkbare leider van mensen die bedwongen moeten worden en van mensen die volgzaam zijn. Hij is de leraar van goden en van mensen. Hij is de Ontwaakte en Verhevene.’

De kracht van schaamte bestaat hierin: De edele volgeling schaamt zich over een slecht gedrag in daden, woorden en gedachten, schaamt zich over het verrichten van onheilzame daden.

 

De kracht van morele vrees bestaat hierin: De edele volgeling schuwt alles wat verkeerd en onheilzaam is.

De kracht van wilskracht bestaat hierin: de edele volgeling wekt energie op om het onheilzame te overwinnen en het heilzame te verkrijgen; hij is standvastig, met stalen kracht, en hij vergeet de plichten niet bij de heilzame dingen.

De kracht van wijsheid bestaat hierin: De edele volgeling is voorzien van die wijsheid die het ontstaan en vergaan begrijpt, die leidt naar de volledige vernietiging van lijden.

        Monniken daarom moeten jullie ernaar streven om die krachten te verkrijgen.

A.V.3.  Een ongelukkig en gelukkig monnikenleven

        Wanneer een monnik die vijf krachten van oefening niet heeft, dan leeft hij ongelukkig, ellendig, vol ergernis, wanhoop en pijn; en bij het verval van het lichaam, na de dood, staat hem een pad van lijden te wachten.

        Maar wanneer hij die vijf krachten wel heeft, dan leeft hij gelukkig, zonder ellende, ergernis, wanhoop en pijn; en bij het verval van het lichaam, na de dood, staat hem een pad van geluk te wachten.

A.V.4. De weg naar de hel en de weg naar de hemel

        Monniken, wanneer een monnik vijf eigenschappen heeft, gaat hij overeenkomstig zijn daden naar de hel. Namelijk wanneer hij zonder vertrouwen is, schaamteloos, zonder morele vrees, traag en onwijs.

        Maar wanneer hij de volgende vijf eigenschappen heeft, gaat hij overeenkomstig zijn daden naar de hemel. Namelijk wanneer hij in het bezit is van vertrouwen, schaamte, morele vrees, wilskracht en wijsheid.

A.V.6.  Vijf voorwaarden voor het heilzame en het onheilzame

Monniken, zolang er wat betreft het heilzame vertrouwen bestaat, zolang heeft het onheilzame nog geen macht (samāpatti). Pas wanneer het vertrouwen verdwenen is en men omringd is door gebrek aan vertrouwen, dan pas heeft het onheilzame macht.

Monniken, zolang er wat betreft het heilzame schaamtegevoel bestaat, zolang heeft het onheilzame nog geen macht. Pas wanneer het schaamtegevoel verdwenen  is en men omringd is door schaamteloosheid, dan pas heeft het onheilzame macht.

Monniken, zolang er wat betreft het heilzame morele vrees bestaat, zolang heeft het onheilzame nog geen macht. Pas wanneer de morele vrees verdwenen  is en men omringd is door gewetenloosheid, dan pas heeft het onheilzame macht.

Monniken, zolang er wat betreft het heilzame  wilskracht bestaat, zolang heeft het onheilzame nog geen macht. Pas wanneer de wilskracht verdwenen is en men omringd is door traagheid, dan pas heeft het onheilzame macht.

Monniken, zolang er wat betreft het heilzame begrip bestaat, zolang heeft het onheilzame nog geen macht. Pas wanneer begrip verdwenen is en men omringd is door onbegrip, dan pas heeft het onheilzame macht.

A.V.7. De Verhevene waakt over zijn leerlingen tot zij zelf mondig zijn

        Monniken, zo lang een monnik niet zijn vertrouwen heeft bewezen wat betreft het heilzame, nog niet zijn schaamtegevoel, zijn morele vrees, zijn wilskracht, zijn begrip wat betreft het heilzame, zo lang moet ik nog over die monnik waken. 

Maar wanneer een monnik zijn vertrouwen heeft bewezen wat betreft het heilzame, zijn schaamtegevoel, zijn morele vrees, zijn wilskracht, zijn begrip wat betreft het heilzame heeft bewezen, dan ben ik zonder zorgen over die monnik, want hij is dan zijn eigen voogd, is niet meer blootgesteld aan roekeloosheid.

A.V.8. Achteruitgang en vooruitgang in de leer I

Met vijf dingen behept, monniken, gaat de monnik achteruit in de goede leer, verliest het houvast erin. Wanneer hij zonder vertrouwen is, schaamteloos, zonder morele vrees, traag en onverstandig.

        Voorzien van vijf dingen, monniken, gaat de monnik niet achteruit in de goede leer en vindt houvast erin. Wanneer hij vertrouwen heeft, schaamtegevoel, morele vrees, wilskracht en wijsheid.

A.V.9. Achteruitgang en vooruitgang in de leer II

        Met vijf dingen behept, monniken, is de monnik zonder hoogachting en eerbied voor de goede leer, gaat erin achteruit en verliest zijn houvast erin.

        Wanneer hij zonder vertrouwen is, schaamteloos, zonder morele vrees, traag en onverstandig.

Maar monniken, wanneer hij voorzien is van vijf dingen, dan is de monnik vol hoogachting en eerbied voor de goede leer, gaat erin niet achteruit en vindt houvast erin: wanneer hij vertrouwen heeft, schaamtegevoel, morele vrees, wilskracht en wijsheid.

A.V.10. Achteruitgang en vooruitgang in de leer III

        Met vijf dingen behept, monniken, is de monnik zonder hoogachting en eerbied voor de goede leer en is niet in staat het in deze leer en discipline tot groei, gedijen en ontplooiing te brengen. Die vijf dingen zijn: wanneer hij zonder vertrouwen is, schaamteloos, zonder morele vrees, traag en onverstandig.

Maar monniken, wanneer hij voorzien is van vijf dingen, dan is de monnik vol hoogachting en eerbied voor de goede leer, en is in staat het in deze leer en discipline tot groei, gedijen en ontplooiing te brengen. Die vijf dingen zijn: wanneer hij vertrouwen heeft, schaamtegevoel, morele vrees, wilskracht en wijsheid.

Hoofdstuk 2. Bala Vagga – (Pali)

A.V.11. De vijf krachten van de Volmaakte - 1. Ananussuta sutta

        De Boeddha heeft het directe inzicht verkregen, de uiteindelijke Volmaaktheid.

        Vijf krachten bezit de Volmaakte. Hij heeft daarin de hoogste rang en heeft het rijk van de heiligheid gesticht (brahmacakkam-pavatteti).[3] Die vijf krachten zijn:

        De kracht van vertrouwen;

        De kracht van schaamte;

        De kracht van morele vrees;

        De kracht van willen, en

        De kracht van wijsheid.

A.V.12. De kracht van onderricht en van wijsheid - Kūta sutta

Vijf krachten van onderricht zijn er:

        De kracht van vertrouwen;

        De kracht van schaamte;

        De kracht van morele vrees;

        De kracht van willen, en

        De kracht van wijsheid.

De hoogste van deze krachten van onderricht  die samenhoudt en verbindt, is de kracht van wijsheid. Streeft daarom ernaar om die vijf krachten te hebben.

A.V.13. De vijf geestelijke krachten I - Samkhitta sutta

Bovengenoemde krachten zijn ook de vijf geestelijke krachten.[4]

A.V.14. De vijf geestelijke krachten II - Vitthata sutta

Eens richtte de Boeddha de volgende leerrede tot zijn toehoorders: “Iemand die in hogere training is, heeft vijf krachten, en wel:

1) de kracht van vertrouwen;

2) de kracht van schaamte;[5]

3) de kracht van morele vrees;[6]

4) de kracht van energie;

5) de kracht van wijsheid.

De kracht van vertrouwen bestaat hierin: Een edele volgeling(e) gelooft in de Verlichting van de Volmaakte, aldus: “Waarlijk, de Volmaakte is de Gezegende; hij is heilig, volledig verlicht, volmaakt in kennis en zuiver van gedrag. Hij is verheven, de kenner van de werelden, de onvergelijkbare leider van mensen die bedwongen moeten worden. Hij is de leraar van goden en van mensen, verlicht en gezegend.”[7]

De kracht van schaamte bestaat hierin: Een edele volgeling(e) voelt schaamte over verkeerd gedrag in daden, woorden en gedachten. Hij of zij voelt schaamte over al wat slecht en onheilzaam is.

De kracht van morele vrees bestaat hierin: Een edele volgeling(e) is bevreesd voor verkeerd gedrag in daden, woorden en gedachten. Hij of zij vreest al wat slecht en onheilzaam is.

De kracht van energie bestaat hierin: Een edele volgeling(e) leeft met energie gericht op het opgeven van al wat onheilzaam is en op het verwerven van al wat heilzaam is. Hij of zij is standvastig en sterk in zijn/haar inspanningen en onttrekt zich niet aan de taak om datgene te doen wat heilzaam is.[8]

De kracht van wijsheid bestaat hierin: Een edele volgeling(e) is begiftigd met die wijsheid welke het ontstaan en vergaan van verschijnselen ziet, welke edel is en doordringend, en welke leidt tot de volledige vernietiging van onvoldaanheid, lijden.[9]

Daarom moet men zich erin oefenen om die vijf krachten van iemand in hogere training te verkrijgen.”

“Er zijn twee verdere krachten: de kracht van oplettendheid en de kracht van concentratie.

De kracht van oplettendheid bestaat hierin: Een edele volgeling(e) is begiftigd met volle aandacht en behoedzaamheid; hij of zij herinnert zich goed wat lang geleden gezegd en gedaan is en onthoudt dat.[10]

De kracht van concentratie bestaat hierin: Een edele volgeling(e) treedt binnen in en verblijft in de eerste, de tweede, de derde en de vierde meditatieve verdieping.”

Monniken, deze vijf geestelijke krachten zijn er.

A.V.15. Waaraan herkent men de vijf geestelijke krachten? - Datthabba sutta

(Begin als in tekst A.V.13)

De kracht van vertrouwen herkent men aan de vier factoren van de stroomintrede.[11]

De kracht van de wil herkent men aan de vier juiste inspanningen.[12]

De kracht van oplettendheid herkent men aan de vier grondslagen van oplettendheid.[13]

De kracht van concentratie herkent men aan de vier jhanas.

De kracht van wijsheid herkent men aan de vier edele waarheden.

A.V.16 De kracht van wijsheid II - 6. Punakūta sutta

Als in tekst A.V.12, maar hier toegepast op de vijf geestelijke krachten.

A.V.17. Eigen heil en dat van anderen I - Pathama-hita sutta

Een monnik bij wie de volgende vijf omstandigheden aanwezig zijn, handelt tot eigen heil en niet tot heil van anderen. Hij is zelf deugdzaam, maar spoort anderen niet tot deugdzaamheid aan.

Hij is zelf begiftigd met concentratie, wijsheid, bevrijding en inzicht van bevrijding, maar hij spoort anderen niet ertoe aan.

A.V.18. Eigen heil en dat van anderen II - Dutiya-hita sutta

Een monnik bij wie de volgende vijf omstandigheden aanwezig zijn, handelt tot heil van anderen maar niet tot eigen heil. Hij is zelf niet deugdzaam maar spoort anderen aan deugdzaam te leven.

Hij spoort anderen aan tot concentratie, wijsheid, bevrijding en inzicht van bevrijding, maar zelf heeft hij die eigenschappen niet.

A.V.19. Eigen heil en dat van anderen III - Tatiya-hita sutta

Een monnik bij wie de volgende vijf omstandigheden aanwezig zijn, handelt niet tot eigen heil noch tot heil van anderen. Hij is zelf niet deugdzaam, noch spoort hij anderen aan tot deugdzaamheid.

Hij is zelf niet begiftigd met concentratie, wijsheid, bevrijding en inzicht van bevrijding, noch spoort hij anderen ertoe aan.

A.V.20. Eigen heil en dat van anderen IV - Catuttha-hita sutta

Een monnik bij wie de volgende vijf omstandigheden aanwezig zijn, handelt zowel tot eigen heil als tot heil van anderen. Hij is zelf deugdzaam, en ook spoort hij anderen aan tot deugdzaamheid.

Hij is zelf begiftigd met concentratie, wijsheid, bevrijding en inzicht van bevrijding, en ook spoort hij anderen ertoe aan.

Hoofdstuk 3. Pañcangika Vagga – (Pali)

A.V.21. Vooruitgang in etappes I - Pathama-agārava sutta

        Er is een monnik die zonder hoogachting en eerbied is en die niet in eendracht leeft met zijn medemonniken. Het is niet mogelijk dat die monnik de regels van voorbeeldig gedrag[14] zal vervullen.

Het is evenmin mogelijk dat hij dan de regels van de discipline zal vervullen.[15]

En dat hij, zonder de regels van discipline te vervullen, de regels van zedelijk gedrag[16] zal vervullen, is ook niet mogelijk.

Het is evenmin mogelijk dat hij, zonder de regels van zedelijkheid te vervullen, juist inzicht[17] zal verkrijgen.

En het is ook niet mogelijk dat hij zonder juist inzicht juiste concentratie[18] zal verkrijgen.

        Maar het is wel mogelijk dat een monnik die hoogachting en eerbied heeft en die in eendracht leeft met zijn medemonniken, de regels van voorbeeldig gedrag zal vervullen.

Het is ook mogelijk dat hij, wanneer hij de regels van voorbeeldig gedrag vervult, de regels van de discipline zal vervullen.

En het is goed mogelijk dat hij, wanneer hij de regels van discipline vervult, de regels van zedelijk gedrag zal vervullen.

Het is goed mogelijk dat hij, wanneer hij de regels van zedelijkheid vervult, juist inzicht zal verkrijgen.

En dat hij met juist inzicht juiste concentratie zal verkrijgen, is ook goed mogelijk.

A.V.22. Vooruitgang in etappes II - Dutiya-agārava sutta

        Monniken, dat een monnik die zonder hoogachting en zonder eerbied is, en die niet in eendracht leeft met zijn medemonniken, de regels van voorbeeldig gedrag zal vervullen, is niet mogelijk. En dat hij, zonder de regels van voorbeeldig gedrag te vervullen, de regels van discipline zal vervullen, is evenmin mogelijk. En dat hij zonder de regels van discipline te vervullen, het gebied van zedelijkheid zal beheersen, ook dat is niet mogelijk. En dat hij zonder het gebied van zedelijkheid te beheersen, het gebied van concentratie zal beheersen, ook dat is niet mogelijk. En dat hij zonder het gebied van de concentratie te beheersen, het gebied van de wijsheid zal beheersen, ook dat is niet mogelijk.[19]

        Maar dat een monnik die de regels van voorbeeldig gedrag vervult, de regels van discipline zal vervullen, dat is goed mogelijk. En dat hij, wanneer de regels van discipline vervuld worden, het gebied van zedelijkheid zal beheersen, dat is goed mogelijk. En dat, wanneer het gebied van zedelijkheid beheerst is, hij het gebied van de concentratie zal beheersen, dat is goed mogelijk. En dat, wanneer het gebied van de concentratie beheerst is, hij het gebied van de wijsheid zal beheersen, ook dat is goed mogelijk.

A.V.23. De zes hogere geestelijke krachten - Upakkilesa sutta

        Vijf onreinheden zijn er in goud waardoor het vertroebeld wordt, niet soepel, niet vormbaar is, zonder glans en niet geschikt is om er juist mee te werken. Die onreinheden zijn ijzer, koper, tin, lood en zilver. Maar zonder die vijf onreinheden is het goud soepel, vormbaar, het heeft glans en men kan er goed mee werken. Wat voor sieraden men er ook mee wil vervaardigen, hetzij hoofdband, oorring, halsketting, dat doel zal het goud vervullen.

        Evenzo zijn er vijf onreinheden van de geest waardoor de geest troebel wordt. Ze is dan niet soepel, [niet buigzaam], niet vormbaar, ze is dan zonder stralende helderheid en ze concentreert zich niet juist om de neigingen tot uitdroging te brengen. Die vijf onreinheden zijn:[20]

Genot der zintuigen, [zintuiglijk genot; zintuiglijke verlangens (kāmacchanda)];

boosheid, [kwaadwil (vyāpāda)];

starheid en matheid, [traagheid en luiheid (thīna -middha)];

opgewondenheid en onrustig geweten, [rusteloosheid, zich zorgen maken (uddhaccakukkucca)];

en twijfel [(vicikicchā)]

        Maar als de geest vrij is van deze onreinheden, dan is ze soepel en vormbaar [hanteerbaar], heeft dan de stralende helderheid en concentreert zich goed tot uitdroging van de neigingen. Als men dan de geest richt op een staat die gerealiseerd kan worden door de hogere geestelijke vermogens, dan kan die toestand verwerkelijkt worden indien aan de andere voorwaarden voldaan wordt.

        Wanneer men wenst zich over de verscheidene magische krachten te verheugen, … (zoals in A.III.102) ... dan bereikt men daarbij steeds die kundigheid van de verwerkelijking, steeds wanneer de voorwaarden vervuld zijn.

        Wanneer men met het hemelse oor, het gezuiverde, bovenmenselijke, beide soorten van geluiden wenst te horen, de hemelse en de menselijke, de geluiden veraf en nabij, dan bereikt men die kundigheid van de verwerkelijking steeds wanneer de voorwaarden vervuld zijn.

        Wanneer men met zijn geest de gezindheid van anderen wenst te kennen, ... (zoals in A.III.102) ... dan bereikt men daarbij steeds die kundigheid van de verwerkelijking wanneer de voorwaarden vervuld zijn.

Wanneer men wenst dat men zich de vroegere vormen van bestaan herinnert, ... (zoals in A.III.102) ... dan bereikt men steeds die kundigheid van de verwerkelijking wanneer de voorwaarden vervuld zijn.

        Wanneer men wenst met het hemelse oog het heengaan en de wedergeboorte van andere wezens te zien. ... (zoals in A.III.102) ... dan bereikt men daarbij steeds die kundigheid van de verwerkelijking wanneer de voorwaarden vervuld zijn.

        Wanneer men nu wenst om door opdroging van de neigingen nog in dit leven in het bezit van de neigingsvrije bevrijding van het gemoed en de bevrijding door wijsheid te komen, ze zelf inziende en verwerkelijkende, - wanneer men dat wenst dan bereikt men daarbij steeds de vaardigheid van de verwerkelijking, steeds wanneer de voorwaarden vervuld zijn.[21]

A.V.24. Het een gesteund op het andere - Dussīla sutta

        Zonder deugdzaamheid, bij gebrek aan deugdzaamheid is juiste concentratie zonder basis.[22] Zonder juiste concentratie is het inzicht van de werkelijkheid zonder basis. Zonder inzicht is afwending en loslaten zonder basis. Zonder afwending en loslaten is het inzicht van de bevrijding zonder basis.

        Zoals een boom zonder twijgen en bladeren zich niet volledig kan ontwikkelen, evenzo is bij iemand die zonder deugdzaamheid is, juiste concentratie (etc) zonder basis.

        In de deugdzame, degene die rein van zeden is, heeft juiste concentratie een basis. Met juiste concentratie heeft inzicht van de werkelijkheid een basis.[23] Met inzicht van de werkelijkheid heeft afwending en loslaten een basis.[24] Met afwending en loslaten heeft het inzicht van de bevrijding een basis.[25]

        Zoals een boom met twijgen en bladeren zich volledig kan ontwikkelen, evenzo heeft in de deugdzame de juiste concentratie (etc) een basis, een steun.

A.V.25. Het bevorderen van juist inzicht - Anuggahita sutta

        Juist inzicht dat door vijf dingen bevorderd wordt, heeft de vrucht van de bevrijding van het gemoed als resultaat, heeft de vrucht van de bevrijding door wijsheid tot resultaat.

        Het juiste inzicht wordt bevorderd door deugdzaamheid, door groot weten [grote kennis], door bespreking van de leer,[26] door kalmte van geest en door inzicht.

A.V.26. Vijf wegen naar bevrijding - Vimuttāyatana sutta

        Er zijn vijf wegen naar bevrijding. Op die vijf wegen wordt de onbevrijde geest van de ijverige, vlijtige, vastbesloten monnik bevrijd. De niet uitgedroogde neigingen komen er tot uitdroging. En hij wordt deelachtig aan de tot dan niet bereikte hoogste vrede (yogakkhema).

        De Meester of een waardige medemonnik wijst een monnik de leer. En in zoverre de leer uitgelegd wordt, in zoverre begrijpt hij de leer en de betekenis ervan. Door dat begrijpen komt vreugde bij hem op. In degene die zich verheugt ontstaat verrukking, extase; en innerlijk wordt hij kalm, rustig. Innerlijk tot rust gekomen ondervindt hij geluk. En zijn geest concentreert zich. – Dit is de eerste weg naar bevrijding.

        Verder wordt de leer niet door de Meester of een waardige medemonnik onderwezen. Maar in zoverre de monnik de leer gehoord en geleerd heeft, in zoverre legt hij ze de anderen uitvoerig uit. Terwijl hij de leer zo uitvoerig uitlegt, begrijpt hij de leer en de betekenis ervan. Door dat begrijpen komt vreugde bij hem op. In degene die zich verheugt ontstaat vervoering; en innerlijk wordt hij kalm, rustig. Innerlijk tot rust gekomen ondervindt hij geluk. En zijn geest concentreert zich. – Dit is de tweede weg naar bevrijding.

        Of hij zegt de leer uitvoerig op. Terwijl hij de leer reciteert, begrijpt hij de leer en de betekenis ervan. Door dat begrijpen komt vreugde bij hem op. In degene die zich verheugt ontstaat verrukking; en innerlijk wordt hij kalm, rustig. Innerlijk tot rust gekomen ondervindt hij geluk. En zijn geest concentreert zich. – Dit is de derde weg naar bevrijding.

        Of in zoverre hij de leer gehoord en geleerd heeft, denkt hij over de leer na. Tijdens dat nadenken begrijpt hij de leer en de betekenis ervan. Door dat begrijpen komt vreugde bij hem op. In degene die zich verheugt ontstaat verrukking; en innerlijk wordt hij kalm, rustig. Innerlijk tot rust gekomen ondervindt hij geluk. En zijn geest concentreert zich. – Dit is de vierde weg naar bevrijding.

        Of hij heeft een bepaald object van concentratie van de geest[27] grondig opgevat, grondig overwogen, goed begrepen, in wijsheid goed doordrongen. In zoverre begrijpt hij de leer en de betekenis ervan. Door dat begrijpen komt vreugde bij hem op. In degene die zich verheugt ontstaat verrukking; en innerlijk wordt hij kalm, rustig. Innerlijk tot rust gekomen ondervindt hij geluk. En zijn geest concentreert zich. – Dit is de vijfde weg naar bevrijding.

A.V.27. Vijf soorten weten - Samādhi sutta

        Ontplooi de onbegrensde concentratie,[28] wijs en bezonnen. Bij degenen die wijs en bezonnen onbegrensde concentratie ontplooien, komen als persoonlijke ervaring[29] vijf [soorten] weten[30] tot ontstaan. Het zijn:

'Deze concentratie van de geest is een tegenwoordig heil en heeft toekomstig heil als resultaat.’

'Deze concentratie van de geest is edel en bovennatuurlijk.’

'Deze concentratie van de geest wordt niet door slechte mensen beoefent.’

'Deze concentratie van de geest is vol vrede, verheven, vol rust en harmonie; ze is geen door moeizaam onderdrukken gedwongen oefening'.[31]

'Bezonnen treed ik in in deze concentratie , en bezonnen verhef ik me eruit.’

Bij degene die onbegrensde concentratie ontplooit, wijs en bezonnen, komen deze vijf [soorten] weten tot ontstaan als persoonlijke ervaring.

A.V.28. De vijfvoudige concentratie - Pañcangika sutta

        De ontplooiing van de edele juiste concentratie die uit vijf schakels bestaat volgt hier.

1. Een monnik verkrijgt, helemaal afgescheiden van de zinnendingen, afgescheiden van onheilzame toestanden van de geest, de met denken en overleggen verbonden, in de afgescheidenheid geboren, met vervoering en geluksgevoel vervulde eerste meditatieve verdieping en vertoeft erin. En dit lichaam laat hij doorstromen met de in de afgescheidenheid geboren vervoering en gelukzaligheid. Hij verzadigt, vervult en doordrenkt het ermee, zodat aan zijn lichaam geen enkele plek ondoordrenkt blijft met de in de afgescheidenheid geboren vervoering en gelukzaligheid.

2. En verder, na het tot rust brengen van denken en overleggen verkrijgt de monnik de innerlijke vrede, de eenheid van de geest, die vrij is van denken en overleggen, die geboren is in de concentratie, de met vervoering en geluksgevoel vervulde tweede meditatieve verdieping en vertoeft erin. En zijn lichaam laat hij doorstromen met de in de concentratie geboren vervoering en gelukzaligheid. Hij verzadigt, vervult en doordrenkt het ermee, zodat aan zijn lichaam geen enkele plek ondoordrenkt blijft met de in de concentratie geboren vervoering en gelukzaligheid.

3. En verder, na het losmaken van de vervoering vertoeft hij gelijkmoedig, oplettend, helder bewust, en hij ondervindt in zijn binnenste een geluk waarvan de edelen zeggen: "De gelijkmoedige, oplettende vertoeft gelukkig;" zo verkrijgt hij de derde verdieping en vertoeft erin.

En zijn lichaam laat hij doorstromen met het van vervoering vrije gevoel van geluk. Hij verzadigt, vervult en doordrenkt het ermee, zodat aan zijn lichaam geen enkele plek ondoordrenkt blijft met het van vervoering vrije gevoel van geluk.

4. En verder, na het verdwijnen van geluk en pijn en het al eerder uitdoven van vreugde en verdriet, verkrijgt hij de vierde verdieping die vanwege gelijkmoedigheid noch iets pijnlijks noch iets aangenaams in zich heeft; maar ze heeft de zuiverheid van de oplettendheid. En hij vertoeft erin. En terwijl hij zo zit, doordrenkt hij dit lichaam met een zuiver, helder hart zó dat er geen enkel lichaamsdeel is dat niet doordrongen is door het zuivere, heldere hart.

5. En verder: daar heeft de monnik het object van retrospectief inzicht[32] goed vastgehouden, het goed in de geest overwogen, met wijsheid helder doordrongen.

        Wanneer men deze edele vijf schakels goed heeft ontplooid en vaak heeft geoefend, dan kan men het volgende verwachten: op welke toestand die door hogere krachten van de geest bereikbaar is, men ook steeds zijn geest richt, om ze door de hogere krachten van de geest te verwerkelijken, daarbij bereikt men altijd het vermogen tot verwerkelijking, steeds wanneer aan de voorwaarden is voldaan.[33]

A.V.29. Voordelen van het heen- en weer lopen - Cankama sutta

Vijf voordelen heeft het heen- en weer lopen,[34] namelijk:

1. Men houdt lange afstanden uit;

2. Men verdraagt inspanningen;

3. Men blijft gezond;

4. Wat men eet, drinkt, kauwt, proeft, wordt grondig verteert;

5. De bij het op- en neer lopen verkregen concentratie van de geest houdt lang stand.[35]

A.V.30. Het geluk van de bevrijding - Nâgita sutta

        Eens kwam de Verhevene op zijn tocht aan in een brahmanendorp in het land van de Kosalas, begeleid door een grote schare van monniken. Het dorp heette Icchanangala. Daar vertoefde de Verhevene in het bos. De brahmaanse gezinshoofden van Icchanangala vernamen dat de asceet Gotama was aangekomen en dat over hem de volgende mooie roem verkondigd werd:

         "Waarlijk, hij is de Verhevene, de heilige, de volmaakt Verlichte. Hij is in weten en gedrag een meester; hij is de Gezegende, de kenner van de wereld, de onvergelijkbare leider van mensen die leiding nodig hebben, de meester van goden en van mensen, de Verlichte, de Verhevene. Hij legt deze wereld uit met haar goede en kwade geesten en haar Brahma-goden, met haar schare van asceten en brahmanen, met haar goden en mensen, nadat hij ze zelf herkend en doorschouwd heeft. Hij verkondigt de leer die mooi is in het begin, mooi in het midden en mooi aan het einde. Hij verkondigt het geheel volkomen, zuivere, heilige leven naar de zin en naar de letter. - Het is goed een dergelijke heilige te zien."

        In de morgen gingen de brahmaanse gezinshoofden van Icchanangala met veel harde en zachte spijzen naar de rand van het bos. Met veel lawaai bleven zij er staan.

        De eerwaarde Nagita was toen de verzorger van de Verhevene. Deze vroeg wie er zo’n kabaal maakte. De eerwaarde Nagita antwoordde dat het de gezinshoofden van die plaats waren en dat ze te eten hadden meegebracht voor de Verhevene en de gemeenschap van de monniken vanwege de roem van de Boeddha.

        “Ik wil niets te maken hebben met roem. Wie niet, zoals ik, naar wens zonder moeite en zonder probleem deelachtig wordt aan dit geluk van ontzegging, aan dit geluk van bevrijding, aan dit geluk van vrede en Verlichting, die kan verlangen naar dat trage geluk, naar de vreugde van bezit, eer en roem.”

        De eerwaarde Nagita vroeg dat de Boeddha mededogen zou hebben. Want waar de Verhevene ook heen zou gaan, daar zou de bevolking naar hem toekomen. En wel vanwege de deugd en wijsheid van de Verhevene.

        Weer zei de Boeddha dat hij niets te maken wilde hebben met roem. “Eten, drinken, kauwen en proeven eindigen in ontlasting en urine; dat is het resultaat ervan. Bij de wisseling en verandering van de dingen die we liefhebben, ontstaan zorgen, gejammer, pijn, leed en wanhoop; dat is het gevolg. Wie echter zich oefent in de beschouwing van het walgelijke (asubha-nimitta), bij hem vestigt zich de afkeer voor de voorstelling van het lieflijke (subha-nimitta); dat is het gevolg. En wie bij de zes grondslagen van de zinsindrukken bij de beschouwing van de vergankelijkheid ervan vertoeft, bij hem vestigt zich de afkeer voor de zinsindruk (phassa); dat is het gevolg. En wie bij de vijf groepen van bestaan die de objecten van hechten vormen (upâdâna-kkhandha) zo vertoeft bij de beschouwing van het ontstaan en vergaan ervan, bij hem vestigt zich de afkeer voor het hechten (upâdâna); dat is het gevolg.[36]

Hoofdstuk 4. sumana-vagga

A.V.31. Het voordeel van aalmoezen geven – Sumana sutta

        

        Eens vertoefde de Verhevene in het Jetavana klooster te Savatthi. De vorstendochter Sumanâ ging toen met een groot gevolg naar de Verhevene toe, begroette hem eerbiedig, ging terzijde zitten en vroeg:

        “Heer, stel dat er twee volgelingen van de Verhevene zijn die hetzelfde vertrouwen hebben, dezelfde deugdzaamheid en dezelfde wijsheid. Maar de een geeft aalmoezen en de ander niet. Als beiden na de dood in een hemelse wereld wedergeboren worden, bestaat er dan verschil, een onderscheid tussen beide hemelbewoners?”

        “Ja, Sumanâ, er bestaat een verschil, een onderscheid. Degene die aalmoezen heeft gegeven, overtreft als hemelbewoner de ander die geen aalmoezen heeft gegeven, en wel in vijf dingen: in hemelse levensduur, in hemelse schoonheid, in hemels geluk, in hemelse eer en in hemelse heerschappij.”

        “Heer, wanneer nu beiden van daar heengaan en naar deze wereld terugkeren, bestaat ook dan nog voor de als mensen wedergeborenen een verschil, een onderscheid?”

        “Ja, Sumanâ, degene die aalmoezen heeft gegeven zal als een menselijk wezen de ander die geen aalmoezen heeft gegeven, overtreffen in vijf dingen: in menselijke levensduur, menselijke schoonheid, menselijk geluk, menselijke eer en menselijke heerschappij.”

        “Heer, wanneer nu beiden van huis uit in de huisloosheid gaan, bestaat dan nog tussen beiden een verschil, een onderscheid?”

        “Ja, Sumanâ, er bestaat een onderscheid. Degene die aalmoezen heeft gegeven, overtreft als huisloze de ander die geen aalmoezen heeft gegeven, in vijf dingen: Alleen na vragen gebruikt hij rijkelijk gewaden; weinig echter wanneer niet gevraagd. Alleen na vragen geniet hij rijkelijk aalmoezenspijs; weinig echter wanneer niet gevraagd. Alleen na vragen gebruikt hij rijkelijke woonplek; een bescheidene echter wanneer niet gevraagd. Alleen na vragen gebruikt hij rijkelijk geneesmiddelen en medicijnen; weinig echter wanneer niet gevraagd. De medemonniken echter met wie hij samenwoont, zijn hem steeds in daden, woorden en gedachten vriendelijk gezind, nooit onvriendelijk. Zij maken hem steeds alleen maar vriendelijke verzoeken, geen onvriendelijke.

        “Heer, wanneer nu beiden de volmaakte heiligheid bereiken, bestaat dan nog tussen beiden een verschil, een onderscheid.”

        “Tussen bevrijding en bevrijding bestaat natuurlijk geen enkel verschil.”

        “Voortreffelijk, heer. Men heeft alle reden om aalmoezen te geven en goede werken te doen, in zoverre de goede werken iemand als hemels wezen tot voordeel strekken, als mens tot voordeel strekken, als monnik tot voordeel strekken.”

        “Inderdaad”, zei de Verhevene.

        “Zoals de onbevlekte maan met zijn glans de sterren overstraalt, zo overstraalt de deugdzame, edele mens die vol vertrouwen is, door zijn vrijgevigheid de gierigen in alle werelden.

        Zoals de regen bij onweer de vlakten en dalen vult, zo wordt de gierige man in vijf punten overtroffen door degene vol inzicht, de volgeling van de Verlichte, de wijze mens,en wel:

in hoge ouderdom, hoog aanzien, in schoonheid en in welzijn; hier wordt hij met schatten overstelpt, en daar wordt hemels geluk zijn deel.”

A.V.32. Hoogste zegen - 2. Cundî sutta

        

        Eens vertoefde de Verhevene in het bamboebosje nabij Rajagaha. Toen ging de vorstendochter Cundî met een groot gevolg naar de Verhevene toe, begroette hem eerbiedig, ging terzijde neerzitten en zei:

        “Mijn broer prins Cunda beweert het volgende: 'Wie van de mannen of vrouwen zijn toevlucht heeft genomen tot de Verlichte, tot zijn leer en tot de gemeenschap van de monniken, en afziet van doden, van nemen wat niet is gegeven, van echtbreuk, van liegen en van het genot van bedwelmende drank, die verschijnt na de dood steeds in een gelukkige wereld, nooit in een ongelukkige.' Ik vraag u nu, Verhevene, op welke aard van meester, welke aard van leer en welke aard van monnikengemeenschap vertrouwende, welke aard van regels van deugdzaamheid navolgende, verschijnt men na de dood steeds in een gelukkige sfeer van bestaan, nooit in een sfeer vol lijden?”

        “Cundî, wat er ook voor wezens bestaan, voetloze, tweevoeters, viervoeters, veelvoeters, wezens met een lichaam of lichaamloze wezens, bewuste, onbewuste of halfbewuste wezens: als hoogste onder hen geldt de Volmaakte, de heilige, de volledig Verlichte. Degenen nu die op de Verlichte vertrouwen, die vertrouwen op de hoogste. En degenen die op de hoogste vertrouwen, zullen hoogste zegen krijgen.

        Wat er ook voor leringen bestaan, gevormde of ongevormde,[37] als hoogste eronder geldt de onthechting, namelijk de vernietiging van onwetendheid, het stillen van de dorst, de vernietiging van het hechten, het doorbreken van de kringloop van bestaan, het uitdrogen van begeerte, de onthechting, het uitdoven, het Nibbâna. Degenen die op de leer van onthechting vertrouwen, die vertrouwen op het hoogste. En degenen die op het hoogste vertrouwen, zullen hoogste zegen krijgen.

        Wat er ook bestaat aan gemeenschappen van volgelingen of monniken, als hoogste eronder geldt de gemeenschap van de volgelingen van de Volmaakte, d.z.w. de vier paren van heiligen, de acht soorten van heiligen.[38] Deze gemeenschap van volgelingen is offers waard, is gastgeschenken waard, is gaven waard, is waard vol eerbied gegroet te worden, is het beste veld in de wereld voor goede werken. Degenen nu die op de gemeenschap van de volgelingen vertrouwen, die vertrouwen op het hoogste. En degenen die op het hoogste vertrouwen, zullen hoogste zegen krijgen.” [39]

        “Wat er ook bestaat aan deugden die de heiligen dierbaar zijn, als hoogste eronder gelden de ongebroken, ongedeerde, onbevlekte, onverdorven, bevrijdende, door wijzen geprezen deugden, die onbeïnvloed zijn en die de geestelijke concentratie bevorderen. Degenen nu die deze deugden die de edelen dierbaar zijn, vervullen, die vervullen het hoogste.[40] En degenen die het hoogste vervullen, zullen hoogste zegen krijgen.”

        

        “Wie vertrouwen heeft in de Hoogste,

        en de hoogste leer kent;

wie vertrouwen heeft in de Boeddha als de hoogste,

        degene die de grootste eer waard is;

        wie vertrouwen heeft in de leer als de hoogste,

        vredig geluk van onthechting;

wie vertrouwen heeft in de [heilige] Orde als de hoogste,

        het beste veld van goede werken;

        wie op deze drie vertrouwt,

        ook aan de hoogste gaven geeft,

        hem verwacht de hoogste zegen,

        hoge ouderdom, schoonheid, roem,

        geluk en kracht en hoog aanzien.

        Een wijze die aan de hoogste geeft,

        die toegewijd is aan de hoogste leer,

        zal als goddelijk wezen of ook als mens

        de hoogste vreugde deelachtig worden.”

A.V.33. De plichten van de echtgenote - Uggaha sutta

        Eens vertoefde de Verhevene in het bos bij de stad Bhaddika. Toen ging Uggaha, de kleinzoon van Mendaka[41]  naar hem toe, begroette hem eerbiedig, ging terzijde zitten en zei: “Heer, moge de Verhevene voor morgen zijn toezegging geven voor de maaltijd, voor vier monniken, inclusief de Verhevene.” Door zwijgen gaf de Verhevene zijn toestemming te kennen. Uggaha stond toen op, groette de Verhevene eerbiedig en vertrok.

        In de vroege morgen kleedde de Verhevene zich aan en ging met zijn nap naar de woning van Uggaha. Daar ging hij op de hem aangewezen zitplaats zitten. En Uggaha bediende de Verhevene eigenhandig met voortreffelijke harde en zachte spijzen. Toen hij merkte dat de Verhevene zijn maaltijd beëindigd had en zijn handen van de aalmoezennap had teruggetrokken, ging hij terzijde zitten en zei tot de Verhevene: “Mijn dochters zullen een echtelijk leven gaan leiden. Moge de Verhevene haar vermanen en onderrichten opdat het haar lang tot heil en zegen strekke.”

        “Wel, meisjes, jullie moeten naar het volgende streven: 'Welke echtgenoot onze ouders ook voor ons hebben uitgezocht, denkende aan ons heil en welzijn, wij zullen vóór hem opstaan en na hem naar bed gaan. Wij zullen gewillige helpers en aangename metgezellen voor hem zijn en hem met vriendelijke woorden bejegenen.’

        Verder moeten jullie ernaar streven: 'De personen die de echtgenoot dierbaar zijn, zoals vader en moeder, asceten en brahmanen, die zullen wij eren, waarderen, hoogachten, en hun bij hun aankomst een zitplaats en water aanbieden.'

        Verder moeten jullie ernaar streven: 'Wat er voor de echtgenoot aan huiselijke werken te verrichten zijn, zoals in katoen en wol, daarin zullen wij bekwaam zijn en ijverig, met kennis van de juiste middelen om te handelen en toe te wijzen.'

        Verder moeten jullie ernaar streven: 'Wat het inwonend personeel betreft, zo zullen wij erop letten welk werk zij verrichten en welke arbeid zij nog niet verricht hebben. Als zij ziek zijn, zullen wij nagaan of zij hun werk wel of niet kunnen doen. Harde en zachte spijzen zullen wij hun in passende mate geven.'

        Verder moeten jullie ernaar streven: 'Wat de echtgenoot aan waardevolle goederen, aan graan, zilver en goud meebrengt, dat zullen wij bewaren en behoeden. Wij zullen hem niet bedriegen en niet iets stelen, wij zullen ons niet aan de drank overgeven en hem niet te gronde richten.’

        De echtgenote die met deze vijf eigenschappen is uitgerust, wordt na de dood wedergeboren in de hemel van de lieflijke godheden.[42] 

De vrouw verwaarloost nooit de man die steeds zijn vrouw beschermt, voortdurend, ijverig, die al haar wensen vervult. De goede echtgenote brengt haar man nooit verdriet door haar jaloersheid.[43] De wijze vrouw toont achting voor de waardige bezoekers van de man. Steeds actief en vlijtig, en vriendelijk voor het personeel, maakt zij zich geliefd bij de man en behoedt zorgzaam zijn bezit. De vrouw die zich zodanig gedraagt, die de wens van de echtgenoot gewillig volgt, keert weer onder de hemelse wezens die men kent als de lieflijken.”

A.V.34. De zichtbare vruchten van aalmoezen geven - Sîhasenâpati sutta

        Eens vertoefde de Verhevene in het grote bos bij Vesali, in de hal van het gevelhuis. De veldheer Siha ging toen naar de Verhevene, groette hem eerbiedig, ging terzijde neerzitten en zei:

        “Heer, is het mogelijk een zichtbare vrucht van het geven van aalmoezen aan te tonen?”

        “Siha, dat is mogelijk. De gever is veel mensen lief en aangenaam. Dat is een zichtbare vrucht van aalmoezen geven. Verder zoeken goede, edele mensen omgang met iemand die gaven geeft. Ook dat is een zichtbare vrucht van aalmoezen geven. Verder verspreidt zich over de gever van gaven een goede faam. Verder, tot welke vergadering een gever ook gaat, hetzij edelen, brahmanen, gezinshoofden of asceten, daar treedt hij vol zekerheid op, vrij van bevangenheid. Verder komt de gever na de dood in een gelukkige sfeer van bestaan, in een hemelse wereld.“

        Na deze woorden zei de veldheer Siha tot de Verhevene: “Wat deze door de Verhevene genoemde vruchten van aalmoezen geven betreft, zo ken ik vier ervan uit eigen ervaring. Want ik geef aalmoezen, ben veel mensen dierbaar; goede, edele mensen zoeken mijn omgang, en een goede faam heeft zich over mij verspreid. In elke vergadering treed ik vol zekerheid op, onbevangen. En wat betreft de vrucht na de dood, zo vertrouw ik daarbij op de woorden van de Verhevene.”

        

        "Geliefd is wie geeft; hem zoeken velen op. Een goede naam wordt hem deelachtig; zijn aanzien groeit. Vrij van verwarring treedt hij onder de mensen, vol zekerheid, omdat hij niet gierig is.        Daarom geven alle wijzen gaven, de laster van de gierigheid schuwend, op hun heil bedacht. Dan zullen zij lange tijd in de hemel vertoeven en worden zij gelukkig onder de hemelse wezens.

        De toegang voor zich openend door hun goede daden wanneer vrijgevigen uit dit leven heengaan, zelflichtend zullen zij door de hemelse sferen gaan, zich verheugend in geluk, welgemoed en vrolijk, in het volle bezit van de vreugden der zinnen zullen zij daar leven.

        Het woord van de heilige, de Bevrijde, navolgend, zal de volgeling van de Verlichte hemels geluk ondervinden."[44]        

A.V.35.  Vijfvoudige zegen van aalmoezen geven

        “Het geven van aalmoezen brengt vijfvoudige zegen, namelijk:

Men is veel mensen lief en aangenaam;

goede, edele mensen zoeken iemand op;

een goede naam verspreidt zich over iemand;

men vervult de plichten als gezinshoofd;

na de dood komt men in een gelukkige sfeer van bestaan, in een hemelse wereld.

        Wie gaven geeft, is geliefd, omdat hij de leer van goeden navolgt. Goede mensen, die zelfbeheerst en heilig zijn, sluiten zich bij hem aan. Zij leggen hem de leer uit die alle leed laat uitdrogen. Als hij ze helemaal begrijpt, wordt hij reeds hier vrij van elke neiging.”

A.V.36. Te juister tijd geven - Kâladâna sutta

        Vijf gaven zijn er op de juiste tijd, namelijk: Men biedt de aankomende gast gaven aan; men biedt de vertrekkende gaven aan; de zieke biedt men gaven aan; bij gebrek aan voedsel biedt men gaven aan; maar wat er aan eerste graan en eerste vruchten is, dat biedt men als eerste aan de deugdzamen aan.

        Gaven op de juiste tijd geeft de wijze die mild gezind is, vrij van gierigheid. Wie gaven aanbiedt aan de edelen die oprecht en heilig zijn, wie dit vol vertrouwen doet, diens gave is van hoge waarde.

        En degenen die zo’n goede daad goedkeuren, en gewillig daarbij dienst verlenen, ook hun gave is niet klein; zij hebben deel aan de verdienste ervan.

        Daarom moet men onversaagd geven waar gaven hoog loon brengen. Want goede werken zijn voor de wezens de ondersteuningen voor de volgende wereld.

A.V.37. Vijfvoudige zegen door het geven van voedsel - Bhojana sutta

        Door het geven van voedsel verschaft de gever aan de ontvanger vijf voordelen, namelijk: hij verschaft hem een lang leven, schoonheid, welzijn, kracht en scherpzinnigheid.

        De wijze die hulp biedt voor een lang leven, voor scherpzinnigheid, schoonheid, kracht en die andere mensen gelukkig maakt, hij krijgt deel aan gelukzaligheid.

        Degene die leven, schoonheid, kracht, verstand en welzijn helpt bevorderen, wacht roem en een lang leven, waar hij ook wedergeboren wordt.[45]

A.V.38. De zegen van vertrouwen - Saddha sutta

        Vijf voordelen geniet de edele zoon die vol vertrouwen is,[46] namelijk:

        Wat er in de wereld bestaat aan goede, edele mensen, dezen geven eerst hun vriendschap aan degene vol vertrouwen, niet aan degene zonder vertrouwen. Zij gaan eerst naar degene vol vertrouwen, niet naar degene zonder vertrouwen. Zij ontvangen eerst degene vol vertrouwen, niet degene zonder vertrouwen. Zij onderrichten de leer eerst aan degene vol vertrouwen, niet aan degene zonder vertrouwen. Verder komt degene vol vertrouwen na de dood in een gelukkige sfeer van bestaan, in een hemelse wereld. De edele zoon die vol vertrouwen is, is een toevluchtsoord voor veel mensen, voor monniken, nonnen, mannelijke en vrouwelijke lekenvolgelingen. Met de deugdzame, edele mens die vol vertrouwen is, die deemoedigheid oefent, die niet koppig is, die mildheid, goedheid, zachtmoedigheid toont, met een dergelijk mens hebben de heiligen graag omgang, de heiligen die vrij zijn van begeerte en haat, vrij van waan en neigingen, het beste veld voor goede daden. Zij leggen hem de leer uit, die alle leed laat uitdrogen, en als hij ze helemaal heeft begrepen, wordt hij reeds hier verlost, vrij van elke neiging.

A.V.39. Waarom wenst men zich een zoon? - Putta sutta

Om vijf redenen wensen wijze ouders de geboorte van een zoon.

1. Opdat hij later hun verzorger wordt;

2. opdat hij dan het werk voor hen doet;

3. opdat de stamboom lang behouden blijft;

4. opdat hij de erfenis overneemt;

5. opdat hij voor de gestorvenen offers brengt.

        Daarom is een goed, edel mens zijn eigen vader en moeder behulpzaam, uit dank en waardering, en omdat hij zich de vroegere diensten van hen voor hem herinnert. Zoals het behoort, zorgt hij voor hen die vroeger voor hem gezorgd hebben. Hij verpleegt hen die vroeger hem verpleegden. Hij is volgzaam en behoudt de stamboom, deugdzaam, vol vertrouwen. Een dergelijke zoon is waard geprezen te worden.

A.V.40. De invloed van degene vol vertrouwen –  Mahasalaputta sutta

        In de nabijheid van een edele zoon die vol vertrouwen is, nemen de huisgenoten toe aan vijf dingen: Aan vertrouwen, aan deugdzaamheid, aan weten, aan vrijgevigheid, en aan wijsheid.

[dan volgen verzen zoals in A.III.49]

Hoofdstuk 5. mundarāja-vagga – (Pali)

A.V.41. Juist gebruik van vermogen – Âdiya sutta

        De Verhevene zei tot Anathapindika:

        "Het bezit kan op vijf manieren gebruikt worden, namelijk:

        Met het bezit dat de edele volgeling met inspanning van zijn kracht verworven heeft, door de vlijt van zijn handen, in het zweet van zijn aangezicht, op juiste, eerlijke manier, daarmee maakt hij zichzelf gelukkig en tevreden en bewaart hij voor zich een volkomen welzijn. En vader en moeder, vrouw, kind(eren) en personeel maakt hij gelukkig en tevreden en hij bewaart voor hen een volkomen welzijn.

        Verder maakt de edele volgeling met dit bezit vrienden en goede kennissen gelukkig en tevreden en bewaart voor hen een volkomen welzijn.

        Verder wendt de edele volgeling met dit bezit ongeluk af, dat hem door vuur of water, door de overheid, dieven of door hatelijke erfgenamen kan ontstaan. Zo beschermt hij zijn eigen persoon.

        Verder brengt de edele volgeling met dit bezit vijf soorten gaven: gaven voor familieleden, gaven voor gasten, gaven voor gestorvenen, gaven aan de overheid, gaven voor de godheden.

        Verder geeft hij met dit bezit geschenken aan die asceten en brahmanen die vrij zijn van bedwelming en luiheid, die geduld en verdraagzaamheid bezitten, die enkel hun ik bedwingen, enkel hun ik tot rust brengen, enkel hun ik laten uitdoven, aan zulke asceten maakt hij met dit bezit geschenken die hoge vruchten brengen, hemelse, die geluk produceren en die naar de hemel leiden.

        Wanneer nu bij die edele volgeling, als hij zijn bezit op die vijfvoudige manier gebruikt, zijn bezit afneemt, dan denkt hij: “Wat voor passende gebruiksmethoden van het bezit er zijn, daarvoor gebruik ik ze en daarbij wordt mijn bezit kleiner.” Hij is daarbij zonder spijt.

        En wanneer bij die edele volgeling, wanneer hij zijn bezit op die vijfvoudige manier gebruikt, zijn bezit toeneemt, dan denkt hij: “Wat voor passende gebruiksmethoden van het bezit er zijn, daarvoor gebruik ik ze en daarbij neemt mijn bezit toe.” Hij is zo daarbij op tweevoudige wijze vrij van spijt."

        [Dan volgen verzen zoals in A.IV.61]

        

A.V.42. De invloed van de goede mens - Sappurisa sutta

        De in een goede familie wedergeboren edele mens strekt veel mensen tot heil, zegen en welzijn. Vader en moeder, vrouw en kind, personeel, vrienden en makkers, asceten en brahmanen: hen allen strekt hij tot heil, zegen en welzijn.

        Zoals een sterke regen het hele gewas tot rijpheid brengt en daardoor velen tot heil, zegen en welzijn strekt, evenzo strekt de in een goede familie wedergeboren edele mens veel mensen tot heil, zegen en welzijn.

        De mensenvriend die veel gaven geeft, de hoeder van deugdzaamheid, hij wordt ook door de goden behoed. Een goede faam volgt steeds degene die rijk aan weten is, zuiver in deugdzaam gedrag, plichtgetrouw. Wie zou de plichtbewuste, deugdzame mens, oprecht, vol schaamtegevoel, gelijk aan zuiver goud, kunnen berispen? Zelfs hemelse wezens prijzen zo iemand en Brahma zelf brengt hem zijn lofprijzing.

A.V.43. Vijf gewenste dingen - Ittha sutta

        De Verhevene zei tot Anâthapindika:

        "Er zijn vijf gewenste, begeerde, aangename dingen, die moeilijk in de wereld te verkrijgen zijn, namelijk: 1) een lang leven, 2) schoonheid, 3) geluk, 4) eer en 5) hemelse wedergeboorte.

        Niet door gebeden en geloften verkrijgt men die vijf aangename dingen. Want als men ze door gebeden en geloften kon verkrijgen, wie zou dan ervan afzien?

        (1) Het is niet passend voor de edele volgeling die een lang leven wenst, dat hij daarom smeekt, daarin behagen vindt of er hevig naar verlangt. Om een lang leven te krijgen moet de ernaar strevende edele volgeling het pad volgen dat naar een lang leven leidt.[47] Want als hij dat pad volgt, zal hij een hoge ouderdom bereiken; en hij zal een lang leven krijgen, zij het in de hemel of als mens.

        (2-4) Het is niet passend voor de edele volgeling die schoonheid wenst, geluk wenst, eer wenst, dat hij daarom smeekt, er behagen aan vindt of er hevig naar verlangt. Om die dingen te verkrijgen moet hij het ernaartoe leidende pad begaan. Wanneer hij dat ernaartoe leidende pad begaat, zal hij schoonheid, geluk, en eer bereiken. Schoonheid, geluk en eer zal hij krijgen, zij het hemelse of menselijke.

        (5) Het is niet passend voor de edele volgeling die hemelse wedergeboorte wenst, dat hij daarom smeekt, er behagen aan vindt of er hevig naar verlangt. Om hemelse wedergeboorte te verkrijgen moet hij het ernaartoe leidende pad begaan. Wanneer hij over dat ernaartoe leidende pad gaat, zal hij hemelse wedergeboorte bereiken. Een leven in de hemelse werelden zal hem ten deel vallen.

        Wie een lang leven wenst, schoonheid, wie naar eer en roem begeert en ernaar streeft, en ook wie naar hemels geluk en hoge stand streeft, wie zulke hoge goederen verlangt voor zich, hem geven wijzen deze goede raad:

        Men moet zich met ernstig streven oefenen in goede werken en in edele daden. Als men zo als een wijs man serieus streeft, zal men tweevoudig heil voor zich verwerven: in deze wereld en ook in het toekomstige bestaan.         

        Wie zo op zijn heil bedacht is, hem noemt men een wijze man.[48]

A.V.44. Wie schenkt, krijgt geschenken - Manâpadâyî sutta

        Eens verbleef de Verhevene in het grote bos bij Vesâlî, in de hal van het gevelhuis. Op een morgen kleedde hij zich aan en ging met gewaad en nap naar de woning van het gezinshoofd Ugga uit Vesali. Deze ging naar de Verhevene toe, groette hem vol eerbied, ging terzijde neerzitten en zei:

        “Uit de mond van de Verhevene heb ik het vernomen, ‘Wie iets goeds schenkt, krijgt iets goeds terug.’ Heer, mijn sâlabloesem-gebak[49] is iets goeds. Moge de Verhevene dat van mij aannemen, uit medelijden.”

        En de Verhevene nam die spijs aan, uit medelijden.

        Ugga zei weer: “Uit de mond van de Verhevene heb ik het vernomen, ‘Wie iets goeds schenkt, krijgt iets goeds terug.’ Heer, mijn varkensvlees met zoete bessen is iets goeds. Moge de Verhevene dat van mij aannemen, uit medelijden.”

        Ook andere gerechten en kostbare gewaden van Benares werden door Ugga als iets goeds genoemd. En de Verhevene nam die aan, uit medelijden.[50]

        “Uit de mond van de Verhevene heb ik het vernomen, ‘Wie iets goeds schenkt, krijgt iets goeds terug.’ Heer, mijn rustbed is iets goeds. Het is belegd met een geitenharen deken, een witte wollen deken, een deken uit zeer fijn antilopenvel, en voorzien van een bovendeken en purperen kussens aan beide einden. Ik weet echter, Heer, dat iets dergelijks voor de Verhevene niet aanneembaar is.[51] Maar deze blok sandelhout, die 100.000 waard is, moge de Verhevene die van mij aannemen, uit medelijden.”

        En de Verhevene nam die blok sandelhout aan, uit medelijden. Daarop sprak de Verhevene zijn waardering voor het gezinshoofd Ugga uit met de volgende woorden:

        “Wie iets goeds geeft, krijgt ook iets goeds. Wie graag aan degenen met een oprecht gedrag[52] gewaad en verblijfplaats geeft, en ook drank en eten en andere dingen die nuttig zijn, de heiligen als een vruchtbaar veld beschouwend, hij heeft geen spijt[53] van wat hij schenkt en weggeeft. Een goede persoon die weggeeft wat moeilijk te ontberen is, krijgt het goede dat hij zo schenkt, terug."

        Na deze woorden van de Verhevene stond het gezinshoofd Ugga op en verwijderde zich.

        Korte tijd daarna stierf Ugga en verscheen na zijn dood in een geestgeproduceerde wereld[54] weer. De Verhevene vertoefde toen in het Jetavana-klooster te Sâvatthi. Ugga, de hemelszoon, kwam in de nacht, met zijn heerlijke glans het hele Jetavana-park verlichtend, naar de Verhevene toe, groette hem eerbiedig en bleef terzijde staan. Toen zei de Verhevene:

        “Ugga, gaat het goed met je, is alles naar wens?”

        “Ja, Heer, alles is naar mijn wens.”

        De Verhevene zei toen in verzen tot Ugga, de hemelbewoner (hemelszoon):

“Wie iets goeds geeft, krijgt ook iets goeds;

wie het hoogste geeft, krijgt het hoogste;

wie het verhevene schenkt, krijgt ook het verhevene.

Wie het beste geeft, komt aan het beste oord aan.

Wie uitgelezen gave schenkt,

iemand die de beste gave geeft,

verwerft voor zich roem en een lang leven,

waar hij ook in het bestaan treedt

(waar hij ook wedergeboren wordt).”

A.V.45. Stromen van verdienste - Puññabhisanda sutta

        

In A.IV.51 worden vier stromen van verdienste genoemd; in A.V.45 worden vijf stromen van verdienste opgesomd. De verdere tekst is in beide suttas gelijk.

        Vijf stromen van verdienste, van het heilzame, zijn er. Ze brengen zegen, zijn hemels, produceren geluk, leiden naar de hemel. Ze brengen blijde, aangename dingen en heil en zegen. Die vijf stromen zijn:

        Een monnik vertoeft in de onbegrensde concentratie van het gemoed[55] en met wiens gewaad hij is gekleed, wiens aalmoezenmaaltijd hij geniet, wiens klooster hij bewoont, wiens slaapplaats (bed en stoel) hij gebruikt, wiens medicijnen hij gebruikt, de gever daarvan krijgt een onmetelijk grote stroom van verdienste, een stroom van het heilzame, een zegen brengende, hemelse, geluk producerende, hemelwaarts leidende, die naar het gewenste, verheugende, aangename leidt, naar heil en zegen.

        Monniken, het is moeilijk de verdienste van de edele volgeling die met deze vijf stromen van verdienste, stromen van het heilzame beleend is, af te wegen en te zeggen hoe groot de stroom van verdienste, de stroom van het heilzame is, de zegen brengende, hemelse, geluk producerende, hemelwaarts leidende, die naar het gewenste, verheugende, aangename leidt, tot heil en zegen. Maar het is een onmetelijke, grenzeloze, geweldige volheid van verdienste.

        Juist zoals het niet mogelijk is om het water van de grote oceaan te meten en te zeggen hoeveel schepmaten water erin zijn, maar men het water erin als een onmetelijke, grenzeloze, geweldige massa water beschouwt, evenzo ook kan men bezwaarlijk de stroom van verdienste afwegen van iemand die met deze vier stromen van verdienste beleend is. Maar men rekent het gewoon als een onmetelijke, grenzeloze, geweldige volheid van verdienste.

        Zoals de rivieren, woonplaats van veel vissen, in grote getale in de zee uitmonden, in dat water dat zo onmetelijk groot is, dat veel kleinoden herbergt en veel verschrikkelijks, - evenzo vloeien de stromen van verdienste naar de mens toe die vol inzicht is, die voedsel, drank en kleding geeft, en dekens, slaapplaats, bed schenkt.

A.V.46. Vijf soorten meesterschap -Sampadâ sutta

Er zijn vijf soorten meesterschap (sampada), namelijk:

Meesterschap in vertrouwen.         

Meesterschap in deugdzaamheid.         

Meesterschap in weten.         

Meesterschap in vrijgevigheid.         

Meesterschap in wijsheid.         

A.V.47 De vijf schatten - Dhana sutta

        Er zijn vijf schatten, namelijk: De schat van vertrouwen, de schat van deugdzaamheid, de schat van weten, de schat van vrijgevigheid en de schat van wijsheid.

        De schat van vertrouwen bestaat hierin: De edele volgeling heeft vertrouwen in de Verlichting van de Verhevene, aldus:

        ‘Waarlijk, de Verhevene is heilig, volledig verlicht, volmaakt in kennis en volmaakt in gedrag. Hij is gezegend, een kenner van de werelden. Hij is de onvergelijkbare leider van mensen die bedwongen moeten worden en van mensen die volgzaam zijn. Hij is de leraar van goden en van mensen. Hij is de Ontwaakte en Verhevene.’

        

        De schat van deugdzaamheid bestaat in het navolgen van de vijf regels van goed gedrag.

        De schat van weten bestaat hierin: De edele volgeling bezit rijk weten, hij is een drager van weten, heeft groot weten verzameld. En de leringen die in het begin voortreffelijk zijn, die in het midden voortreffelijk zijn, en die aan het einde voortreffelijk zijn, die naar de zin en naar het woord een heel volmaakt gezuiverd heilig leven verkondigen, naar die leringen heeft hij vaak geluisterd, ze zich eigen gemaakt, de tekst ervan geleerd, ze in de geest overwogen en ze wijs begrepen.

        

        Wat is de schat van vrijgevigheid? - Een edele volgeling leeft in het huis met een gemoed dat vrij is van de smet van gierigheid. Hij is vrijgevig en geeft met open handen, hij geeft graag, is de behoeftigen toegedaan en heeft vreugde aan het uitdelen van gaven.

        De schat van wijsheid bestaat hierin: De edele jongeling bezit wijsheid, hij is uitgerust met die wijsheid die het ontstaan en vergaan begrijpt, de edele wijsheid, de doordringende, die leidt naar volledige vernietiging van het lijden.

        Dit zijn de vijf schatten.

(Dan volgen verzen zoals in A.IV.52)

A.V.48. Vijf onbereikbare dingen - Alabbhanîyathâna sutta

        Vijf dingen kan niemand bereiken, geen asceet, geen brahmaan, geen goddelijk wezen, geen goede of boze geest, noch iemand anders in de wereld. Die vijf dingen zijn:

1. Dat datgene wat aan ouderdom onderhevig is, niet ouder zal worden.

2. Dat wat aan ziekte onderhevig is, niet ziek zal worden.

3. Dat wat aan het sterven onderhevig is, niet zal sterven.

4. Dat wat aan het verval onderhevig is, niet zal vervallen.

5. Dat wat aan de ondergang, het vergaan onderhevig is, niet zal vergaan.

        Bij de onwetende wereldling begint datgene wat aan ouderdom onderhevig is, ouder te worden.

(voortzetting zoals in A.V.50, inclusief de verzen) [56]

A.V.49. Mallika’s dood - Kosala sutta

        Eens vertoefde de Verhevene in het Jetavana klooster te Sâvatthi. Koning Pasenadi van Kosala ging naar de Verhevene toe, begroette hem eerbiedig en ging terzijde zitten. Juist op die tijd stierf koningin Mallika.

        Iemand kwam naar de koning toe en fluisterde hem de boodschap toe dat de koningin gestorven was. De koning werd vervuld met pijn en leed. Met gebogen lichaam en terneergebogen hoofd zat hij daar voor zich te staren, zonder een woord te spreken. De Verhevene zag het en zei: Koning, vijf dingen kan niemand bereiken, geen asceet, geen brahmaan, geen goddelijk wezen, geen goede of slechte geest, noch iemand anders in de wereld. Die vijf dingen zijn:

1. Dat wat aan ouderdom onderhevig is, niet ouder zal worden.

2. Dat wat aan ziekte onderhevig is, niet ziek zal worden.

3. Dat wat aan het sterven onderhevig is, niet zal sterven.

4. Dat wat aan het verval onderhevig is, niet zal vervallen.

5. Dat wat aan de ondergang, het vergaan onderhevig is, niet zal vergaan.

        Dat kan niemand bereiken, geen asceet, geen brahmaan geen goddelijk wezen, geen goede of slechte geest, noch iemand anders in de wereld.

(Verder, inclusief de verzen, zoals in tekst A.V.50.)

A.V.50. Het uittrekken van de stekel van lijden -  Nârada sutta

        Eens vertoefde de eerwaarde Nârada in het Hanenklooster te Pâtaliputta. Toen was juist koningin Bhadda de dierbare gemalin van koning Munda gestorven.[57] Ten gevolge van haar dood nam hij geen bad meer en zalfde zich niet meer, hij at niet meer en deed zijn werk niet meer. Dag en nacht zat hij verstoord naast het lijk van koningin Bhadda. En hij zei tot zijn schatmeester Piyaka:

        "Piyaka, leg het lijk van koningin Bhaddâ in een ijzeren, met olie gevulde zerk (doni)[58] en bedek die met een andere ijzeren houder, opdat wij het lijk van de koningin nog langer kunnen zien."

        "Ja, Heer", gaf Piyaka ten antwoord en deed wat hem opgedragen was.

        Maar schatmeester Piyaka dacht: “Na de dood van zijn dierbare koningin Bhadda verwaarloost koning Munda zichzelf en zijn regeringsplichten. Dag en nacht zit hij verstoord naast het lijk van de koningin. Het zou goed zijn als de koning naar een asceet of brahmaan ging, diens leer vernam en van de stekel van de zorg bevrijd zou worden.”

        En verder dacht hij: “De eerwaarde Narada vertoeft nu te Pataliputta in het Hanenklooster. Van hem wordt gezegd dat hij wijs is en ervaren, vol inzicht, met veel weten, een voortreffelijke redenaar met edele slagvaardigheid, daarbij op rijpe leeftijd en een heilige. Als koning Munda hem opzocht, en van hem de leer gehoord heeft, zou hij wellicht van de stekel van smart bevrijd worden.”

        En de schatmeester Piyaka ging naar de koning en deelde hem dat mede. “Goed, Piyaka,” zei de koning, “geef hiervan bericht aan de eerwaarde Narada. Want zonder voorafgaande aankondiging kan iemand van mijn stand een asceet die in mijn land leeft, niet opzoeken.”

        De schatmeester Piyaka ging daarop naar de eerwaarde Narada en vertelde hem over de dood van de koningin en over het gedrag van de koning. Het zou goed zijn als de eerwaarde Narada de koning zou onderrichten.

        De eerwaarde Narada gaf zijn toestemming. De schatmeester deelde dat de koning mee, die daarop een wagen liet aanspannen. Met zijn gevolg ging hij naar de eerwaarde Narada toe, groette hem eerbiedig en ging terzijde zitten. De eerwaarde Narada zei toen tot koning Munda:

        “Koning, vijf dingen kan niemand bereiken, geen asceet, geen brahmaan, geen goddelijk wezen, geen goede of slechte geest, noch iemand anders in de wereld. Die vijf dingen zijn:

1. Dat wat aan ouderdom onderhevig is, niet ouder zal worden.

2. Dat wat aan ziekte onderhevig is, niet ziek zal worden.

3. Dat wat aan sterven onderhevig is, niet zal sterven.

4. Dat wat aan verval onderhevig is, niet zal vervallen.

5. Dat wat aan ondergang, vergaan onderhevig is, niet ten onder zal gaan, niet zal vergaan.

        Dat kan niemand bereiken, geen asceet, geen brahmaan, geen goddelijk wezen, geen goede of slechte geest, noch iemand anders in de wereld.

        Bij de onwetende wereldling begint datgene wat aan ouderdom onderworpen is, ouder te worden. Tijdens dat ouder worden overweegt hij niet: 'Ik ben niet de enige bij wie datgene wat aan ouderdom onderhevig is, ouder wordt. In zoverre er wezens zijn die komen en gaan, sterven en geboren worden, bij alle wezens wordt ouder wat aan ouderdom onderhevig is. Zou ik nu, wanneer het aan ouderdom onderhevige ouder wordt, klagen, steunen, jammeren, mij wenend op de borst slaan en wanhopig worden, dan zou het kunnen dat het eten mij niet goed doet, dat het lichaam er ellendig uitziet, dat het werk niet vooruit gaat. De vijanden echter zullen zich verheugen en de vrienden zullen bedroefd zijn. Van die onwetende wereldling wordt gezegd dat hij, getroffen door de giftige pijl van smart, zich nu zelf kwalen bezorgd."

        Verder begint bij de onwetende wereldling ziek te worden wat aan ziekte onderhevig is – te sterven wat aan sterven onderhevig is – te vervallen wat aan verval onderhevig is – te vergaan wat aan ondergang en verval onderhevig is. Hij overweegt dan niet: "Ik ben immers niet de enige bij wie wat aan ziekte onderhevig is, ziek wordt – bij wie sterft wat aan sterven onderhevig is – bij wie vervalt wat aan verval onderhevig is – bij wie onder gaat wat aan ondergang onderhevig is. In zoverre er wezens zijn die komen en gaan, sterven en geboren worden, bij alle wezens wordt ziek wat aan ziekte onderhevig is, sterft wat aan sterven onderhevig is, vervalt wat aan verval onderhevig is, gaat onder wat aan ondergang onderhevig is. Zou ik nu klagen, steunen, jammeren, mij wenend op de borst slaan en in wanhoop raken, dan zou het kunnen dat het eten mij niet goed doet, dat het lichaam er ellendig uitziet, dat het werk niet vooruit gaat. De vijanden echter zullen zich verheugen en de vrienden zullen bedroefd zijn. Van die onwetende wereldling wordt gezegd dat hij, getroffen door de giftige pijl van smart, zich nu zelf kwalen bezorgd."

        “Daar echter begint bij de wetende, edele volgeling ouder te worden wat aan ouderdom onderhevig is – ziek te worden wat aan ziekte onderhevig is – te sterven wat aan sterfte onderhevig is – te vervallen wat aan verval onderhevig is – onder te gaan wat aan ondergang onderhevig is. Tijdens die processen van ouderdom, ziekte, sterven, verval en ondergang zegt hij: "Ik ben immers niet de enige bij wie dat alles zo is. In zoverre er wezens zijn die komen en gaan, sterven en geboren worden, bij alle wezens is dat zo. Als ik nu zou klagen, steunen, jammeren, mij wenend op de borst zou slaan en in wanhoop raken, dan zou het eten mij niet kunnen bekomen, het lichaam ellendig uitzien, het werk geen vooruitgang boeken. De vijanden zouden zich verheugen en de vrienden zouden bedroefd zijn.

        Wanneer daarom nu datgene wat aan ouderdom, ziekte, dood, verval, ondergang onderhevig is, ouder wordt, ziek wordt, sterft, vervalt en ondergaat, dan klaagt, steunt en jammert hij daarbij niet; hij weent niet en wordt niet wanhopig. Van die wetende, edele volgeling wordt gezegd dat hij de giftige pijl van het leed heeft verwijderd, de pijl waardoor de onwetende wereldling zichzelf kwalen bezorgd. Bevrijd van leed, bevrijd van de stekel van lijden, bewerkstelligt de edele volgeling zijn eigen uitdoving van illusie.

        Dit zijn de vijf dingen, koning, die niemand kan bereiken. Door leed en klagen wordt niets bereikt.

        Door reciteren[59] of door het opzeggen van spreuken[60], of een treffend gesprek, een grote maaltijd als gave, of het navolgen van de familiegebruiken, wat ook steeds behulpzaam[61] daarbij kan zijn, daaraan moge men zich ijverig wijden. Zodra men weet dat men dit of dat[62] niet zelf kan bereiken en dat ook niemand anders dat ooit heeft bereikt, dan moet men het zonder klagen verdragen en ijverig weer aan het werk gaan.”

        Na deze woorden vroeg de koning wat de naam van deze leerrede is. En de eerwaarde Narada gaf ten antwoord: “Koning, de naam van deze leerrede is 'het uittrekken van de stekel van lijden.’

        “Eerwaarde heer, het was inderdaad een uittrekken van de stekel van lijden. Want na het luisteren naar deze leerrede is de stekel van mijn leed verdwenen.”

        Koning Munda liet het lijk van de koningin verbranden en liet er een stoepa boven bouwen. En hij gedroeg zich weer normaal.

Hoofdstuk 6. nīvarana-vagga

A.V.51. De vijf hindernissen - Avarana sutta

        “Er zijn vijf belemmeringen en hindernissen, overdekkingen van de geest die inzicht krachteloos maken, namelijk: zintuiglijk verlangen, kwaadwil, traagheid en luiheid, rusteloosheid en bezorgdheid, en twijfel.

          Zonder dat hij deze vijf heeft overwonnen, is het voor een monnik, wiens inzicht aldus kracht en energie mist, onmogelijk om zijn eigen ware heil te weten, het heil van anderen en het heil van beiden. En hij zal niet in staat zijn om die bovenmenselijke sfeer van onderscheidend niveau te verwerkelijken, namelijk de kennis en visie waardoor het bereiken van heiligheid mogelijk wordt.

          Maar als een monnik de vijf belemmeringen en hindernissen heeft overwonnen, deze overdekkingen van de geest die inzicht krachteloos maken, dan is het mogelijk dat hij met zijn sterk inzicht zijn eigen ware heil kan weten, het heil van anderen en het heil van beiden. En hij zal in staat zijn om die bovenmenselijke sfeer van onderscheidend niveau te verwerkelijken, namelijk de kennis en visie waardoor het bereiken van heiligheid mogelijk wordt.

          Wiens hart overweldigd is door onbeheerst verlangen, kwaadwil, traagheid en luiheid, rusteloosheid en bezorgdheid, en door twijfel, die persoon doet wat hij niet moet doen en verwaarloost wat hij moet doen. En daardoor komt zijn goede naam en zijn geluk tot verderf.”

A.V.53. De vijf geestelijke krachten  - Padhāniyanga sutta

Monniken, er zijn vijf geestelijke krachten. Welke vijf?

De monnik bezit vertrouwen; hij gelooft in de Verlichting van de Volmaakte, namelijk: “Waarlijk, de Volmaakte is de Gezegende; hij is heilig, volledig verlicht, volmaakt in kennis en zuiver van gedrag. Hij is verheven, de kenner van de werelden, de onvergelijkbare leider van mensen die bedwongen moeten worden. Hij is de leraar van goden en van mensen, verlicht en gezegend.”

Hij is gezond, vrij van gebreken. Zijn lichaamsvloeistoffen[63] zorgen voor een gelijkmatige spijsvertering, zijn niet te koud noch te warm, maar hebben een gemiddelde warmte en maken hem in staat tot de strijd.

Hij is eerlijk en open. Overeenkomstig de waarheid bekent hij zich aan de meester of aan verstandige broeders in de Orde.

Hij leeft vol wilskracht om de onheilzame dingen te overwinnen en om de heilzame dingen op te wekken; hij is standvastig, van gestaalde kracht, niet nalatig in het goede.

Wijs is hij; uitgerust met die wijsheid die het ontstaan ​​en het vergaan begrijpt; de edele wijsheid, de doordringende  die leidt naar volledige vernietiging van lijden.

Monniken, dat zijn de vijf geestelijke krachten.

A.V.54. Gunstige en ongunstige tijd

Er zijn vijf ongunstige tijden, monniken, voor geestelijk strijden. Welke vijf?

Daar is de monnik oud, geplaagd door ouderdom; dat, monniken, is de eerste ongunstige tijd om te strijden.

Daar is de monnik zwak, door zwakte geplaagd; dat, monniken, is de tweede ongunstige tijd om te strijden.

Er is een tekort aan voedsel in het land en de oogst is slecht, aalmoezen-voedsel is moeilijk te verkrijgen en het is niet gemakkelijk om te leven van wat er is verzameld; dat, monniken, is de derde ongunstige tijd om te strijden.

Er is gevaar door onrust in de beboste berggebieden en de inwoners van het land bestijgen hun voertuigen en proberen te ontsnappen; dit, monniken, is de vierde ongunstige tijd om te strijden.

Er is een splitsing in de gemeenschap ; en als de gemeenschap van de monniken verdeeld is, dan beschuldigt de een de ander, beledigt de een de ander, intrigeert de een tegen de ander, verdrijft de een de ander; en wie geen vertrouwen heeft, die krijgt het niet, en bij menigeen van degenen vol vertrouwen treedt een verandering op;[64] dat, monniken, is de vijfde ongunstige tijd om te strijden.

Dit zijn de vijf ongunstige tijden, monniken, voor geestelijk strijden.

Monniken, er zijn vijf gunstige tijden voor geestelijk strijden. Welke vijf?

Daar is de monnik een jongeling, jong, met zwart haar, in de beste jeugd, in de eerste mannelijke leeftijd; dit, monniken, is de eerste gunstige tijd om te strijden.

De monnik is gezond, vrij van zwakte; zijn sappen zorgen voor een gelijkmatige spijsvertering, zijn niet te koud noch te heet, maar hebben een gemiddelde warmte en maken dat hij de strijd aankan; dat, monniken, is de tweede gunstige tijd om te strijden.

Er is genoeg voedsel in het land en de oogst is goed, het is gemakkelijk om aalmoezen-voedsel te krijgen en van het verzamelde voedsel te leven; dat, monniken, is de derde gunstige tijd om te strijden.

        Daar leven de mensen in harmonie en vriendschap, zonder ruzie, zijn mild van aard en kijken elkaar met vriendelijke blikken aan; dat, monniken, is de vierde gunstige tijd om te strijden.

De gemeenschap van de monniken leeft in vrede en harmonie, zonder ruzie; ze volgt dezelfde voorschriften en leeft ongestoord. Want als de gemeenschap van de monniken in harmonie leeft, dan geeft de een de ander niet de schuld, beledigt de een niet de ander, intrigeert de een niet tegen de ander, verdrijft de een niet de ander; maar daardoor krijgen degenen zonder vertrouwen vertrouwen en degenen vol vertrouwen worden gesterkt. Dat, monniken, is de vijfde gunstige tijd om te strijden.

Dit zijn vijf de gunstige tijden, monniken, voor geestelijk strijden.

A.V.55. De valstrik van Māra [de gestalte van de vrouw]

        In het Jetavana-klooster te Sāvatthī leefden een monnik en een non er in de regentijd. Zij wilden elkaar vaak zien. Door het vaak elkaar bezoeken ontstond vertrouwelijkheid en daardoor kwam verleiding en toen hadden zij met elkaar seksuele omgang zonder het leven van asceet op te geven.

        Dit werd door meerdere monniken aan de Verhevene verteld. De Boeddha zei toen:

        “Monniken, ik ken geen andere gestalte die zo wellustig, zo prikkelend, zo opwindend, zo verstrikkend, zo betoverend en zo hinderlijk is om de onvergelijkelijke veiligheid te bereiken dan juist de gestalte van de vrouw.

Monniken, vanwege de gestalte van de vrouw zijn de wezens in lust en begeerte ontbrand, geboeid en betoverd; en lang klagen zij in de ban van de vrouwelijke gestalte.

Geen andere stem, geen andere geur, geen andere smaak, geen andere aanraking ken ik, monniken, die zo wellustig, zo prikkelend, zo opwindend, zo verstrikkend, zo betoverend en zo hinderlijk is om de onvergelijkelijke veiligheid te bereiken dan juist de stem, de geur, de smaak, de aanraking van de vrouw.

Monniken, vanwege de de stem, de geur, de smaak, de aanraking van de vrouw zijn de wezens in lust en begeerte ontbrand, geboeid en betoverd; en lang klagen zij in de ban van de vrouwelijke gestalte.[65]

Monniken, of de vrouw loopt of staat, zit of ligt, of zij lacht of praat, zingt of huilt; zelfs misvormd door ziekte, monniken, zelfs als lijk boeit de vrouw het hart van de man. Als men dus, monniken, iets terecht als de volledige val van Māras zou willen aanduiden, dan zou men terecht de vrouw als volledige val van Māras kunnen aanduiden.

Laat men liever praten met demonen

en moordenaars met getrokken zwaard,

laat men eerder giftige slangen aanraken,[66]

zelfs als hun beet de dood veroorzaakt,

dan dat men ooit praat

met een vrouw helemaal alleen.

De onvoorzichtige namelijk wordt

door blik en glimlachen altijd door de vrouw geboeid,

door haar dunne kleding,

en ook door de charme van haar stem.

Zelfs als haar lichaam misvormd is

en als men het als lijk ziet,

het is niet goed dat men zich

dicht bij zo'n wezen voegt.

Er zijn vijf zinnelijke objecten

die men aan het vrouwelijke lichaam gewaar wordt:

gestalte en stem, geur, smaak,

aanraking die de zin fascineert.

Gedreven door de stroom van de hartstocht,

zonder inzicht in de zinnelijkheid,

loopt men altijd snel achter tijd,

vaardigheid en worden aan[67]

in deze veranderende wereld.

Maar wie, door de zinnelijkheid heen kijkend,

aan elke angst is ontkomen,

hij heeft de stroom van de wereld overgestoken,

heeft de uitdroging van de neigingen verwerkelijkt.

A.V.56. Voorwaarden voor vooruitgang

Eens ging een monnik naar zijn adviseur en zei tegen hem: "Als versuft,[68] Heer, komt mij mijn lichaam voor, ik ben de richting kwijt, de dingen worden mij niet duidelijk, starheid en moeheid houden mijn geest gevangen en zonder enthousiasme leid ik het leven van monnik; ook heb ik twijfels wat betreft de leer."  

Hierna gingen zij samen naar de Boeddha, groetten hem eerbiedig en de adviseur vertelde over de problemen van de jonge monnik.

        Het antwoord van de Boeddha luidde: “Monnik, zo gaat het met iemand die de deuren van de zintuigen niet bewaakt, die bij de maaltijd geen maat houdt, die niet toegewijd is aan waakzaamheid, die aan de dingen die heilzaam zijn, geen aandacht schenkt, en die niet bij het begin en einde van de nacht de ontplooiing van de naar de Verlichting leidende dingen oefent.[69] Daarom moet je ernaar streven bovenvermelde dingen te bewaken, te beoefenen en te ontplooien.”  

        De jonge monnik stond op, groette de Verhevene eerbiedig en vertrok. En in afzondering, ijverig en vastbesloten vertoevend, verkreeg hij na niet lange tijd het hoogste doel van de heiligheid.

Nadat hij een volmaakte heilige was geworden, ging hij naar zijn adviseur en vertelde hem dat zijn lichaam niet meer als versuft was, dat de richting hem duidelijk was, dat de dingen hem helder werden, dat starheid en moeheid zijn geest niet meer gevangen hielden en dat hij vol enthousiasme als monnik leefde en dat hij geen twijfels meer had wat betreft de leer.

Samen gingen zij naar de Verhevene en de adviseur vertelde wat de jonge monnik hem had gezegd. En de Verhevene gaf ten antwoord: “Monnik, zo gaat het met iemand die de deuren van de zintuigen bewaakt, die bij de maaltijd maat houdt, die toegewijd is aan waakzaamheid, die aan de dingen die heilzaam zijn, aandacht schenkt, en die bij het begin en einde van de nacht de ontplooiing van de naar de Verlichting leidende dingen oefent.

Monniken, daarom moeten jullie ernaar streven bovenvermelde dingen te bewaken, te beoefenen en te ontplooien.”  

A.V.57. Vijf overwegingen voor iedereen -  Abhinhapaccavekkhitabbathâna sutta

Vijf feiten zou iedereen vaker moeten overwegen, namelijk:

“Aan het ouder worden ben ik onderworpen, kan de ouderdom niet ontgaan.

Aan ziekte ben ik onderworpen, kan ziekte niet ontgaan.

Aan het sterven ben ik onderworpen, kan het sterven niet ontgaan.

Van alles wat dierbaar en aangenaam is, moet ik scheiden.

Eigenaar en erfgenaam van mijn daden ben ik, uit mijn daden ben ik ontsproten, ik ben ermee verbonden, heb ze tot toevlucht en de goede en slechte daden die ik doe zal ik tot erfenis hebben.”

        Dat men ouderdom niet kan ontgaan, zou iedereen vaker moeten overwegen. En waarom? - De wezens zijn tijdens hun jeugd vervuld van jeugdige overmoed,[70] en daardoor verdwaasd leiden zij in daden, woorden en gedachten een slecht leven. Maar wie dat feit[71] vaker overweegt, bij hem verdwijnt die jeugdige overmoed ofwel helemaal of die wordt minder. Daarom moet men vaker overwegen dat men aan de ouderdom onderworpen is, dat men ouderdom niet kan ontgaan.

        Dat men aan ziekte onderworpen is, dat men ziekte niet kan ontgaan, moet men vaker overwegen om de volgende reden. - De wezens zijn tijdens hun gezondheid vervuld van gezondheids-overmoed en daardoor verdwaasd leiden zij een slecht leven in daden, woorden en gedachten. Maar wanneer men dat feit vaker overweegt, dan verdwijnt die gezondheids-overmoed ofwel helemaal of hij wordt minder. Daarom moet men vaker overwegen dat men aan ziekte onderhevig is, dat men ziekte niet kan ontgaan.

        Waarom moet men vaker overwegen dat men aan het sterven onderworpen is, dat men het sterven niet kan ontgaan? - De wezens zijn tijdens hun leven vervuld van levens-overmoed, en daardoor verdwaasd leiden zij een slecht leven in daden, woorden en gedachten. Maar wie dat feit vaker overweegt, bij hem verdwijnt die levens-overmoed hetzij helemaal of die wordt minder. Daarom moet men vaker overwegen dat men aan het sterven onderworpen is, dat men het sterven niet kan ontgaan.

        Waarom moet men vaker overwegen dat men van alles wat iemand dierbaar en aangenaam is, scheiden moet, afscheid nemen moet? - De wezens zijn tot datgene wat hen dierbaar is, wat hen aangenaam is, ontbrand in begeerlijk verlangen en daardoor verdwaasd leiden zij een slecht leven in daden, woorden en gedachten. Maar wie dat feit vaker overweegt, bij hem verdwijnt dat begeerlijke verlangen ofwel helemaal of het wordt minder. Daarom moet men vaker overwegen dat men van alles wat dierbaar en aangenaam is, scheiden moet, afscheid nemen moet.

        Waarom moet men vaker overwegen dat men eigenaar en erfgenaam is van zijn daden, dat men uit eigen daden ontsproten is, dat men ermee verbonden is, dat zij de toevlucht zijn en dat de goede en slechte daden die men doet, iemands erfenis worden? - Een slecht gedrag in daden, woorden en gedachten is eigen aan de wezens. Maar wie dat feit vaker overweegt, bij hem verdwijnt dat slechte gedrag helemaal of het wordt minder. Daarom moet men vaker overwegen dat men eigenaar en erfgenaam is van de goede en slechte wilsacties.

        De edele volgeling overweegt als volgt: ‘Ik ben immers niet de enige die aan ouderdom onderworpen is, die ouderdom niet kan ontgaan. Maar waar ook wezens zijn die komen en gaan, sterven en geboren worden, al die wezens zijn aan het ouder worden onderworpen, kunnen de ouderdom niet ontgaan.’ Terwijl hij dit feit vaker overweegt, ontsluit zich bij hem het pad.[72] Dat pad onderhoudt hij nu; hij gaat met volharding op dat pad. En zo worden bij hem de boeien geopend en de neigingen verdwijnen.

        En verder overweegt hij: ‘Ik ben immers niet de enige die aan ziekte onderworpen is, die ziekte niet kan ontgaan … - ik ben immers niet de enige die aan het sterven onderworpen is, die het sterven niet kan ontgaan … - ik ben immers niet de enige die van al wat dierbaar en aangenaam is, scheiden moet, afscheid ervan nemen moet… - ik ben immers niet de enige die eigenaar en erfgenaam is van zijn goede en slechte daden. … Maar waar ook wezens zijn die komen en gaan, sterven en geboren worden, al die wezens zijn aan ziekte onderworpen, kunnen ziekte niet ontgaan, … zijn aan sterven onderworpen, kunnen het sterven niet ontgaan… moeten scheiden, afscheid nemen van wat dierbaar en aangenaam is… al die wezens zijn eigenaar en erfgenaam van hun goede en slechte daden.'

        Terwijl hij dit feit vaker overweegt, ontsluit zich bij hem het pad. Dat pad onderhoudt hij nu, gaat er met volharding op. En zo worden bij hem de boeien geopend en de neigingen verdwijnen.

(Dan volgen verzen als in A.III.39 b)

A.V.58. De zegen van geven

        Eens vertoefde de Verhevene te Vesali in het grote bos, in de hal van het Gevelhuis. In de vroegte kleedde hij zich aan, nam oppergewaad en nap en ging naar Vesali voor aalmoezenvoedsel. Na het rondgaan voor aalmoezen, na het beëindigen van de maaltijd, 's middags, ging hij diep het grote bos in en ging aan de voet van een boom zitten om daar de dag door te brengen.

        Meerdere Licchavi-prinsen echter die toen juist, met gespannen bogen uitgerust en door een meute honden omgeven, in het grote bos rondzwierven, zagen de Verhevene aan de voet van de boom zitten. Zij legden toen de gespannen bogen weg, dreven de honden weg en gingen naar de Verhevene toe. Zij begroetten hem eerbiedig en gingen stil en zwijgzaam zitten met de handpalmen samengevouwen. De Licchavier Mahānāma was toen in de buurt en zag hoe de prinsen stil en zwijgzaam daar neerzaten. Ook hij ging naar de Verhevene toe, groette hem eerbiedig, ging terzijde neerzitten en riep uit: "Zij zullen toch nog goede vorsten van Vajji worden."

        De Verhevene vroeg toen: "Mahānāma, wat bedoel je daarmee?"

        "Heer, deze Licchavi-prinsen zijn wild, onbeschaafd en koppig. Wat er in hun huizen aan zoetigheden gestuurd wordt, zoals suikerriet, bessen, koek en suikergoed, dat nemen zij er weg, eten ervan en bekogelen van achteren de fatsoenlijke vrouwen en meisjes ermee. Maar nu zitten zij stil en zwijgzaam voor de Verhevene met gevouwen handen."

        De Boeddha: "Mahānāma, of het nu een gezalfde koning is of een burger die van zijn vaders erfenis leeft, of een veldheer, een dorpsheer, de voorzitter van een gilde, of iemand die in de stam alleen de leiding heeft, bij welke edele zoon vijf dingen zijn te vinden, daar heeft men zegen te verwachten en geen nadeel. Die vijf dingen zijn:

        Met het bezit dat de edele volgeling met inspanning van zijn kracht verworven heeft, door de vlijt van zijn handen, in het zweet van zijn aangezicht, op juiste, eerlijke manier, daarmee maakt hij geschenken aan zijn ouders, en hij acht en eert hen, is hen toegenegen. Zij van hun kant geven hem hun zegen: "Moge je lang leven; moge een lang leven je toebedeeld worden." Door hen gezegend heeft de edele zoon zegen te verwachten, geen nadeel.

        Verder geeft de edele zoon met zijn bezit geschenken aan zijn vrouw en kinderen, knechten en arbeiders – hij geeft geschenken aan de buren van zijn veld en van zijn werkplaats, en ook aan de landmeters, - hij geeft geschenken aan de godheden die offers ontvangen,[73] - hij geeft geschenken aan asceten en brahmanen, hij acht en eert hen, is hen toegenegen. Zij van hun kant geven hem met goedgunstig hart hun zegen: "Moge u lang leven; moge een lang leven u toebedeeld zijn." Door hen gezegend heeft de edele zoon zegen te verwachten, geen nadeel.

        "Werk verrichtend voor de ouders

        en liefdevol voor vrouw en kind,

        strekt hij tot zegen voor het gezin

        en voor degenen die hem zijn toevertrouwd.

        De deugdzame, vol grootmoedigheid,

        hij werkt tot welzijn van beiden,

        van de eens gestorven verwanten

        en van degenen die nog in leven zijn.

        Aan de monniken en ook de brahmanen,

        ja zelfs aan de hemelse wezens

        wordt vreugde gebracht door de wijze man

        die deugdzaam thuis woont.

        Doordat hij goede werken verricht

        wordt lof en eer hem ten deel.

        Hier prijzen hem allen

        en daar bereikt hij hemels geluk."

Hoofdstuk 7. Sañña Vagga - (Pali)

A.V.61-62. Vijf zegenrijke overwegingen I-II -  Pathama-, Dutiya-sañña sutta

Monniken, als men vijf overwegingen ontplooit en vaak heeft geoefend, brengen ze hoog loon en zegen; ze monden uit in het doodloze,[74] eindigen in het doodloze.

(61) De overweging van het onreine, de overweging van de dood, de overweging van het lijden, de overweging van het walgelijke bij de maaltijd, de overweging van het onaantrekkelijke van het hele bestaan.

In A.V.62 worden verder nog genoemd: 

De overweging van de vergankelijkheid, de overweging van de onpersoonlijkheid, de overweging van de dood.

Deze overwegingen, ontplooid en vaak geoefend, brengen hoog loon en zegen, monden uit in het doodloze, eindigen in het doodloze.

 

A.V.63-64. Edele vooruitgang

Een edele volgeling[75] die in vijf dingen een vooruitgang maakt, die maakt een edele vooruitgang, kiest voor zich het meest waardevolle en het beste. Die vijf dingen zijn: de vooruitgang in vertrouwen, in deugdzaamheid, in weten, in vrijgevigheid en in wijsheid.

Vertrouwen, deugdzaamheid, ook vooruitgang in ontzegging, in weten en in wijsheid, zo’n deugdzame lekenvolgeling(e) die rein van zeden is, bereikt al in dit leven wat wezenlijk is.

A.V.67. De wegen naar macht I - iddhi-pada

Monniken, wie van  de monniken of nonnen vijf dingen ontplooit en vaak beoefent, die kan één van twee vruchten verwachten: nog tijdens het leven het weten van heiligheid of, als er nog een rest van hechten is, de  niet-wederkeer. Wat zijn deze vijf dingen?

Daar ontplooit de monnik het pad van macht (iddhi-pāda) dat bestaat in concentratie van intenties en dat gepaard gaat met inspanning en vastberadenheid van de wil; hij ontplooit het pad van macht dat bestaat in concentratie van de wilskracht - dat bestaat in concentratie van de geest - dat bestaat in concentratie van de kracht van onderzoek en dat gepaard gaat met inspanning en vastberadenheid van de wil; en als vijfde: de volharding.

Wie deze vijf dingen ontplooit en vaak beoefent, die kan één van twee vruchten verwachten: het weten van heiligheid nog tijdens het leven of, als er nog een rest van hechten is, de niet-wederkeer.

A.V.69-70. Overwegingen leidende naar Nibbana I - Nibbida, Asavakkhaya sutta

Vijf overwegingen, wanneer ze ontplooid en vaak geoefend worden, leiden naar algehele afwending [van het bestaan], naar onthechting, opheffing en naar de vrede, naar hoger inzicht, naar Verlichting, naar Nibbana.

Men vertoeft in de overweging van de onreinheid van het lichaam, overweegt het walgelijke bij het eten, overweegt het onaantrekkelijke van het hele bestaan, men overweegt de vergankelijkheid van alle formaties, en de voorstelling van de dood heeft zich in zijn innerlijk goed gevestigd.

(Vgl. A.V.61-62)

Hoofdstuk 8. yodhājīva-vagga

A.V.71-72. Overwegingen leidende naar nibbana II - Pathama-, Dutiya-cetovimuttiphala sutta

vgl. A.V.69-70

A.V.77.  Gevaren voor de monnik in het bos

vgl. A.VIII.74.

A.V.79.  Dreigende gevaren voor de Orde - Tatiya-anagatabhaya sutta

        “In de toekomst zullen er monniken zijn die ongeoefend zijn in lichaam, ongeoefend in moreel gedrag, ongeoefend in de geest, ongeoefend in wijsheid. Aldus ongeoefend zullen zij anderen de wijding tot monnik geven.[76] Het is zeker dat zij niet in staat zullen zijn om hen op de weg te leiden naar volmaakt moreel gedrag, volmaakte geestelijke ontwikkeling, volmaakte wijsheid.

        En ook de nieuwe monniken zullen ongeoefend zijn in lichaam, ongeoefend in moreel gedrag, ongeoefend in de geest, ongeoefend in wijsheid. En dezen zullen anderen tot monniken wijden. En die nieuwe monniken zullen ongeoefend zijn in lichaam, ongeoefend in moreel gedrag, ongeoefend in de geest, ongeoefend in wijsheid.

        Waarlijk, zo zal het verval van de leer leiden tot het verval van de discipline, en het verval van de discipline zal leiden tot het verval van de leer.

        Dat is het eerste gevaar.”

 

        “In de toekomst zullen er monniken zijn die ongeoefend zijn in lichaam, ongeoefend in moreel gedrag, ongeoefend in de geest, ongeoefend in wijsheid. Aldus ongeoefend zullen zij steun geven[77] aan andere (nieuwe) monniken. En het is zeker dat zij niet in staat zullen zijn om hen op de weg te leiden naar volmaakt moreel gedrag, volmaakte geestelijke ontwikkeling, volmaakte wijsheid.

        En ook de nieuwe monniken zullen ongeoefend zijn in lichaam, ongeoefend in moreel gedrag, ongeoefend in de geest, ongeoefend in wijsheid. En dezen zullen anderen tot monniken wijden. En die nieuwe monniken zullen ongeoefend zijn in lichaam, ongeoefend in moreel gedrag, ongeoefend in de geest, ongeoefend in wijsheid.

        Waarlijk, zo zal het verval van de leer leiden tot het verval van de discipline, en het verval van de discipline zal leiden tot het verval van de leer.

        Dat is het tweede gevaar.”

 

        “In de toekomst zullen er monniken zijn die ongeoefend zijn in lichaam, ongeoefend in moreel gedrag, ongeoefend in de geest, ongeoefend in wijsheid. Aldus ongeoefend zullen zij, wanneer zij spreken over de hoge leer, niet volledig oplettend zijn. Zij zullen de slechte dingen (kanham dhammam) waartoe zij vervallen, niet inzien maar in een staat van duisternis verkeren; zij zullen kritiek leveren, uit zijn op eigen voordeel.

        Waarlijk, zo zal het verval van de leer leiden tot het verval van de discipline, en het verval van de discipline zal leiden tot het verval van de leer.

        Dat is het derde gevaar.”

 

        “In de toekomst zullen er monniken zijn die ongeoefend zijn in lichaam, ongeoefend in moreel gedrag, ongeoefend in de geest, ongeoefend in wijsheid. Aldus ongeoefend zullen zij niet willen luisteren naar de leerreden die door de Verhevene gesproken zijn, de leerreden die een diepe betekenis hebben, handelende over de leegheid. Die monniken zullen er niet naar luisteren wanneer ze gereciteerd worden, zullen ze niet meer als Dhamma beschouwen die van buiten geleerd moet worden. Maar de leerreden die door dichters in dichterlijke stijl gemaakt zijn, alleen maar mooie woorden en frasen, gesproken door mensen buiten de leer en door (wereldlijke) discipelen, die leerreden zullen zij als Dhamma beschouwen en van buiten leren.

        Waarlijk, zo zal het verval van de leer leiden tot het verval van de discipline, en het verval van de discipline zal leiden tot het verval van de leer.

        Dat is het vierde gevaar.”

 

        “In de toekomst zullen er monniken zijn die ongeoefend zijn in lichaam, ongeoefend in moreel gedrag, ongeoefend in de geest, ongeoefend in wijsheid. Aldus ongeoefend zullen zij in luxe willen leven; zij zullen laks zijn en niet het leven in afzondering willen leven. Zij zullen geen moeite doen om het nog niet bereikte te bereiken, om te verwerkelijken wat nog niet verwerkelijkt is. En hun discipelen zullen eenzelfde gedrag hebben.

        Waarlijk, zo zal het verval van de leer leiden tot het verval van de discipline, en het verval van de discipline zal leiden tot het verval van de leer.

        Dat is het vijfde gevaar.”

        Dit zijn de vijf dreigende gevaren die ooit zullen ontstaan. Weest volledig waakzaam en streeft ernaar vrij te zijn van die gevaren.”

A.V.80. Gevaren voor de monnik - Catuttha-anagatabhaya sutta

        "Vijf andere dreigende gevaren zullen ooit ontstaan. Die gevaren moeten jullie onderkennen en dan jullie best doen om ze te overwinnen.

        "Eens  zullen er in latere tijden monniken zijn die goede gewaden begeren; en door het begeren van goede gewaden mijden zij de gewaden uit lompen, mijden zij de afgezonderde, eenzame woonplekken in het bos, en gaan zij naar het dorp of de stad of de koninklijke residentie. Daar nemen zij hun verblijf, en omwille van het gewaad gedragen zij zich op veel manieren opdringerig en onfatsoenlijk. Dat, monniken, is het eerste dreigende gevaar."

        "Verder zullen er in latere tijden monniken zijn die een goede aalmoezenmaaltijd begeren; en door een goede aalmoezenmaaltijd te begeren, mijden zij het rondgaan voor aalmoezen, mijden zij de afgezonderde, eenzame woonplekken in het bos. Zij gaan naar het dorp of de stad of de koninklijke residentie. Daar nemen zij hun verblijf, en omwille van de aalmoezenmaaltijd gedragen zij zich op veel manieren opdringerig en onfatsoenlijk. Dat, monniken, is het tweede dreigende gevaar."

        "Verder zullen er in latere tijden monniken zijn die goede woongelegenheden wensen; en door naar goede woongelegenheden te verlangen mijden zij het wonen aan de voet van een boom, mijden zij de afgezonderde, eenzame woonplekken in het bos, en gaan zij naar dorp of stad of koninklijke residentie. Daar nemen zij hun verblijf, en omwille van de woongelegenheid gedragen zij zich op veel manieren opdringerig en onfatsoenlijk. Dat, monniken, is het derde dreigende gevaar."

        “In de toekomst zullen er monniken zijn die in het gezelschap van nonnen en vrouwelijke novices leven. Te verwachten is in zo’n geval dat de monniken geen behagen scheppen in het heilige leven. Zij zullen ofwel het monnikenleven zonder animo voeren ofwel de regels van discipline overtreden of de training opgeven en weer tot het leven van leek terugkeren. Ook dat is een gevaar.”

 

        “In de toekomst zullen er monniken zijn die in het gezelschap leven van lekenarbeiders van het klooster en in het gezelschap van sāmaneras (novicen). Te verwachten is in zo’n geval dat de monniken zich bezig gaan houden met veel opgeslagen bezittingen en dat zij landerijen en gewassen laten bewerken. Ook dat is een gevaar.”

        "Dit zijn de vijf dreigende gevaren die ooit zullen ontstaan. Die gevaren moeten jullie onderkennen en dan jullie inspannen om ze te overwinnen."

Hoofdstuk 9. thera-vagga

Hoofdstuk 10. kakudha-vagga

A.V.91. Meesterschap

        Er zijn vijf soorten meesterschap, en wel: meesterschap in vertrouwen, deugdzaamheid, weten, vrijgevigheid en wijsheid.

A.V.92. Meesterschap II

Er zijn vijf soorten meesterschap, en wel: meesterschap in deugdzaamheid, concentratie, wijsheid, in bevrijding en in het onderkennen van de bevrijding.

A.V.94. Welbevinden; jhanas

Er zijn vijf soorten van welbevinden, namelijk: De monnik verkrijgt de eerste jhana, de tweede, de derde, de vierde jhana. En door het opdrogen van de neigingen bereikt hij nog in dit leven de neigingsvrije bevrijding van het gemoed en de bevrijding door inzicht, ze zelf inziende en verwerkelijkende.

A.V.95.  Onwrikbaar I

Voorzien van vijf dingen, monniken, zal de monnik in helemaal niet lange tijd tot onwrikbaarheid (akuppam)[78]  voordringen. Wat zijn deze vijf?

Daar heeft de monnik het analytische weten van de ware betekenis bereikt, het analytische weten van de wetmatigheid, het analytische weten van de taal en

het analytische weten van de scherpzinnigheid; en hij overweegt in hoeverre zijn geest bevrijding vond.

        

A.V.96-98. Onwrikbaar II-IV

        Voorzien van vijf dingen, monniken, zal een monnik die zich toelegt op het oplettend in- en uitademen, in helemaal niet lange tijd tot onwrikbaarheid voordringen. Wat zijn deze vijf?

De monnik is niet actief, niet druk bezig, is genoegzaam en gemakkelijk in zijn levensbehoeften te voorzien. Hij is tevreden met weinig voedsel, is het lichamelijke genot niet toegedaan. Hij slaapt weinig, koestert de waakzaamheid. Hij is rijk aan weten, heeft veel kennis opgebouwd.

Deze laatste eigenschap wordt in de teksten A.V.97 en 98 vervangen door:

(97) Wat die ascetisch-achtige gesprekken zijn die de ontwikkeling van de geest bevorderen, zoals gesprekken over behoeften-loosheid, tevredenheid, eenzaamheid, afzondering, wilskracht, zedelijkheid, concentratie, wijsheid, bevrijding en het inzien van de bevrijding, zulke gesprekken worden hem naar wens, zonder moeite en problemen ten deel.

(98) Hij is een bosbewoner, woont in afgelegen woningen.

(96-98) Hij overweegt goed in hoeverre zijn geest bevrijding heeft gevonden. Uitgerust met deze vijf dingen, monniken, zal een monnik die zich toelegt op de oplettendheid bij inademing en uitademing, in helemaal niet lange tijd doordringen tot onwrikbaarheid.

A.V.99. De leeuw; de Volmaakte

        Monniken, de leeuw treedt 's avonds uit zijn hol. Hij springt dan omhoog en speurt naar alle kanten. Drie keer stoot hij zijn leeuwengebrul uit waarna hij op buittocht gaat. Slaat hij met zijn klauw toe, - hetzij een olifant, buffel, rund of panter, of ook kleine dieren, ja zelfs een haas of een kat , - dan treft hij grondig, niet oppervlakkig. De reden is dat hij zijn waardigheid niet verliest.

        Monniken, de leeuw is een benaming van de Verhevene, de heilige, volmaakt Verlichte. Dat namelijk de Verhevene in een bijeenkomst de leer verkondigt, dat geldt als zijn leeuwengebrul. Onderricht echter de Verhevene de leer, hetzij aan monniken, nonnen, mannelijke of vrouwelijke lekenvolgelingen, of zelfs aan knechten die voer uitstrooien of vogelvangers,[79] dan onderricht de Verhevene de leer grondig, niet oppervlakkig. En waarom? Omdat de Verhevene de leer eert, de leer in ere houdt.

Hoofdstuk 11. phāsuvihāra-vagga

Hoofdstuk 12. andhakavinda-vagga

Hoofdstuk 13. gilāna-vagga

A.V.123. De moeilijk te verplegen zieke – Pathamaupatthaka sutta

Monniken, een zieke bij wie vijf dingen zijn te vinden, is moeilijk te verzorgen. Welke vijf?

Hij doet wat niet behulpzaam is; in het nuttige weet hij geen maat te houden; hij neemt de voorgeschreven medicijn niet in; aan de ziekenverzorger die voor zijn gezondheid zorgt, geeft hij geen informatie over zijn ziekte volgens de feiten: als ze toeneemt, dat ze toeneemt; als ze afneemt, dat ze afneemt; als ze tot stilstand komt, dat ze tot stilstand komt; en de opstijgende lichamelijke gevoelens, de pijnlijke, scherpe, stekende, bittere, lastige, onaangename, levensbedreigende, verdraagt hij niet geduldig. Een zieke bij wie deze vijf dingen te vinden zijn, is moeilijk te verzorgen.

        Een zieke die gemakkelijk te verzorgen is, is het tegendeel hiervan.

A.V.124. De ongeschikte ziekenverzorger -  Dutiyaupatthaka sutta

Monniken, een ziekenverzorger bij wie vijf dingen te vinden zijn, is niet geschikt om een zieke te verzorgen. Welke vijf dingen?

Hij is niet in staat om de medicijn te bereiden; hij weet niet wat nuttig en wat niet nuttig is; hij geeft wat niet nuttig is, en het nuttige geeft hij niet; hij ondervindt walging ervoor om uitwerpselen, urine, braaksel en speeksel te verwijderen; hij heeft niet de vaardigheid om van tijd tot tijd de patiënt in woorden over de leer te onderwijzen, te vermanen, aan te moedigen en op te vrolijken. Een ziekenverzorger bij wie deze vijf dingen zijn te vinden, is niet geschikt om voor een zieke te zorgen.

        Een bekwame ziekenverzorger is het tegendeel hiervan.

A.V.129.  ongeneeslijk; de vijf zware fouten -  Parikuppa sutta

Vergelijk A.I.25.

A.V.130. Winst en verlies - Byasana sutta

Vergelijk A.I.16.

Hoofdstuk 14. rāja-vagga

A.V.131. Het onverwoestbare rijk. I - Pathama-cakkanuvattana sutta [eigenschappen van de Verhevene]

        Monniken, de koninklijke wereldheerser die met vijf eigenschappen is voorzien, bestuurt zijn rijk in de zin van de wet,[80] en geen menselijk wezen, geen vijandig wezen kan dat rijk ten val brengen. Die vijf eigenschappen zijn:

1) Monniken, de koninklijke wereldheerser kent het heilzame.[81]

        2) Hij kent de wet.[82]

        3) Hij kent de juiste maat.[83]

        4) Hij kent de juiste tijd.[84]

        5) Hij kent de mensen.[85]

        

        Monniken, juist zo bestuurt met vijf eigenschappen voorzien de Verhevene, heilige, volmaakt Verlichte het hoogste rijk van de leer in de zin van de leer, en geen asceet of brahmaan, geen hemels wezen, god of Mara, noch iemand anders in de wereld kan het ten val brengen. Die vijf eigenschappen zijn:

1) De Verhevene, heilige, volmaakt Verlichte kent het heilzame.[86]

        2) Hij kent de leer.[87]

        3) Hij kent de juiste maat.[88]

        4) Hij kent de juiste tijd.[89]

        5) Hij kent de mensen.[90]

        Monniken, met deze vijf eigenschappen voorzien bestuurt de Verhevene, heilige, volmaakt Verlichte het hoogste rijk van de leer in de zin van de leer, en geen asceet of brahmaan, geen hemels wezen, god of Mara, noch iemand anders in de wereld kan het ten val brengen.

A.V.132. Het onverwoestbare rijk. I - Dutiya-cakkanuvattana sutta [eigenschappen van de eerwaarde Sariputta]

Monniken, uitgerust met vijf eigenschappen zet de oudste zoon van de koninklijke wereldheerser het door zijn vader gestichte rijk voort in de zin van de wet, en geen menselijk wezen, geen vijandig wezen kan dat rijk omverwerpen. Wat zijn deze vijf eigenschappen?

Monniken, daar kent de oudste zoon van de koninklijke wereldheerser het heilzame, kent de wet, kent de juiste maat, kent de juiste tijd, kent de mensen.

Evenzo, monniken, zet Sāriputta, begiftigd met vijf eigenschappen, het door de Volmaakte gestichte hoogste rijk van de leer op volmaakte manier voort, en geen asceet of brahmaan, geen hemels wezen, God of duivel, noch kan iemand in de wereld dit rijk omverwerpen. Wat zijn deze vijf kenmerken?

Monniken, Sāriputta kent het heilzame, kent de leer, kent de juiste maat, kent de juiste tijd, kent de mensen.

A.V.133.  De wet als medeheerser - Dhammaraja sutta

        "Monniken, zelfs de wereldheerser, de rechtvaardige koning van de wet, ook hij bestuurt zijn rijk niet zonder een medeheerser."

        Een monnik vroeg toen aan de Verhevene: "Heer, wie is de medeheerser van de wereldheerser, van de rechtvaardige koning van de wet?"

        "Monnik, dat is de wet," sprak de Verhevene. "Monnik, daarop steunt de wereldheerser, de rechtvaardige koning van de wet, op de wet. Hij eert de wet, acht de wet, de wet huldigt hij. En met de wet als bannier, de wet als vlag, de wet als leider geeft hij rechtvaardige bijstand, beschutting en bescherming aan zijn volk: de edellieden en zijn onderdanen, zijn krijgsmacht, de brahmanen en burgers, de stad- en landbewoners, de asceten en brahmanen, de dieren en vogels. Op die manier bestuurt deze wereldheerser, de rechtvaardige koning van de wet, zijn rijk, en wel met behulp van de wet, met de wet als steun. En dat rijk kan geen menselijk wezen, geen vijandig wezen ten val brengen.

        Monnik, evenzo nu steunt de Volmaakte, de heilige, de volmaakt Verlichte, de rechtvaardige koning van de wet, op de wet. De wet eert hij, de wet acht hij, de wet huldigt hij. En met de wet als banier, met de wet als vlag, met de wet als leider geeft hij de monniken rechtvaardige bijstand, beschutting en bescherming doordat hij onderricht:

        'Een dergelijk gedrag in daden, woorden en gedachten moet men oefenen; een dergelijk gedrag in daden, woorden en gedachten moet men niet oefenen. Zo'n levenswijze moet men leiden; zo'n levenswijze moet men niet leiden. Een dergelijk dorp en een dergelijke stad moet men bezoeken, een dergelijk dorp en een dergelijke stad moet men niet bezoeken.'

        Deze Volmaakte dus, de heilige, volmaakt Verlichte, de rechtvaardige koning van de wet, hij bestuurt, met de wet als steun, het hoogste rijk van de waarheid. En dit rijk kan geen asceet of brahmaan, geen hemels wezen, god of Mara, noch iemand anders in de wereld ten val brengen."[91]

        

A.V.134. De overwinnaar

        Monniken, in welke streek ook de met vijf dingen voorziene gezalfde adellijke koning vertoeft, daar bevindt hij zich steeds in zijn eigen rijk. Die vijf dingen zijn:

        Monniken, de gezalfde adellijke koning is zowel van vaders als van moeders kant van zuivere afstamming, zuiver ontvangen tot in het zevende geslacht van de voorvaderen, perfect en onberispelijk volgens de wet van de kasten. Hij is rijk, met veel goederen, zeer vermogend, en zijn kamers zijn met schatten gevuld. Hij is machtig en bezit een viervoudige krijgsmacht (namelijk olifanten, wagens, voetvolk en cavalerie) die hem gehoorzaamt en zijn bevelen uitvoert. Zijn raadgever is wijs, ervaren, scherpzinnig en in staat om de verleden, tegenwoordige en toekomstige voordelen te bedenken. Deze vier dingen vervolmaken zijn roem. En met deze roem als vijfde eigenschap bevindt hij zich, in welke streek hij ook vertoeft, steeds in zijn eigen rijk. En wel omdat het zo bij overwinnaars gesteld is.

        Monniken, evenzo: in welke streek de met vijf eigenschappen voorziene monnik ook vertoeft, daar vertoeft hij steeds met bevrijd gemoed. Die vijf eigenschappen zijn:

        Monniken, juist zoals de gezalfde adellijke koning van zuivere afstamming is, zo is de monnik rein van deugd, hij volgt de discipline na, is volmaakt in gedrag en omgang, hij schrikt terug voor het geringste vergrijp, en oefent zich in de regels van deugdzaamheid die hij op zich heeft genomen. Juist zoals de gezalfde adellijke koning rijk is, met veel goederen, zeer vermogend, zo is de monnik rijk aan weten, een drager van het weten; hij heeft een groot weten vergaard. En die leerstellingen die in het begin voortreffelijk zijn, die in het midden voortreffelijk zijn en die aan het einde voortreffelijk zijn, die naar de zin en de letterlijke inhoud ervan een volmaakt, gezuiverd reinheidsleven verkondigen, naar deze leerstellingen heeft hij vaak geluisterd, die heeft hij zich ingeprent, die heeft hij woord voor woord geleerd, in de geest overwogen en ze wijs begrepen. Juist zoals de gezalfde adellijke koning machtig is, zo strijdt de monnik met macht om de onheilzame dingen te overwinnen en om de heilzame dingen zich eigen te maken; hij is standvastig, met gestaalde kracht en hij is niet nalatig in het goede. Juist zoals de gezalfde adellijke koning een raadgever heeft, evenzo heeft de monnik die wijsheid die het ontstaan en vergaan begrijpt, de edele, doordringende, die leidt naar volledige vernietiging van het lijden. Deze vier eigenschappen brengen zijn bevrijding tot rijpheid. En met deze bevrijding als vijfde eigenschap voorzien heeft hij, in welke streek hij ook vertoeft, steeds een bevrijd gemoed. En wel omdat het zo gesteld is bij degenen met bevrijd gemoed.

A.V.135. vijf dingen leidende naar nibbana

vgl. A.V.53.

A.V.140. De gemakkelijk te onderwijzen koningsolifant; de gemakkelijk te onderwijzen monnik

Monniken, de koningsolifant die vijf kenmerken heeft, is de koning waardig, is geschikt voor koninklijke dienst, kan worden beschouwd als  koninklijke lijf-olifant. Welke zijn deze vijf kenmerken?

De koningsolifant neemt snel alles aan, is een vechter, is waakzaam, standvastig en een verkenner.

Hoe nu, monniken, neemt de koningsolifant snel alles aan? Bij elke oefening die de olifantentemmer de koningsolifant laat uitvoeren, of hij ze nu eerder heeft gedaan of niet, daarbij is hij ijverig en oplettend, en, ze in de geest onthoudend, luistert hij. In zoverre, monniken, neemt de koningsolifant snel alles aan.

Hoe nu is de koningsolifant een vechter? Daar gaat de koningsolifant naar buiten in de veldslag en vernietigt de olifant samen met de berijder, vernietigt het paard inclusief de berijder, vernietigt de wagen, de wagenmenner en het voetvolk. In zoverre, monniken, is de koningsolifant een vechter.

Hoe nu is de koningsolifant waakzaam? Daar gaat de koningsolifant naar buiten in de veldslag; hij waakt over de voorkant van zijn lichaam, waakt over de achterkant van zijn lichaam, waakt over zijn voorpoten, waakt over zijn achterpoten, waakt over zijn hoofd, waakt over zijn slagtanden, waakt over zijn slurf, waakt over zijn staart en waakt over zijn berijder. In zoverre is de koningsolifant waakzaam.

Hoe nu is de koningsolifant standvastig? Daar trekt de koningsolifant naar buiten in de veldslag  en verdraagt geduldig lanssteken, pijlschoten, sabelslagen, bijlslagen, evenals het lawaai en het kabaal van de pauken, trommels en schelp-horens. In zoverre is de olifant standvastig.

Hoe nu is de koningsolifant een verkenner? Waarheen de olifanten-leider de koningsolifant stuurt, of hij daar nu eerder is gegaan of niet, daarheen zal hij snel zijn weg vinden. In zoverre is de koningsolifant een verkenner.

Monniken, de koningsolifant die deze vijf kenmerken heeft, is de koning waardig, is geschikt voor koninklijke dienst, kan worden beschouwd als  koninklijke lijf-olifant.

Evenzo, monniken, is de monnik die met vijf eigenschappen is voorzien, offers waard, geschenken waard, gaven waard, eerbiedige groeten waard, is het beste veld voor goede werken in de wereld. Welke zijn deze vijf eigenschappen?

Daar is een monnik leergierig, is een vechter, is waakzaam,  standvastig en een verkenner.

Monniken, hoe nu is de monnik leergierig? Wanneer de door de Volmaakte verkondigde leer en discipline worden voorgedragen, dan is hij ijverig en oplettend, neemt alles in zijn geest op en luistert. In zoverre is de monnik leergierig.

Hoe nu is de monnik een vechter? Daar laat de monnik een opgestegen gedachte van zinnelijk verlangen, van kwaadwil en van schade toebrengen geen voet vatten; laat opgestegen slechte, onheilzame toestanden van de geest geen voet vatten, overwint ze, verdrijft ze, vernietigt ze, laat ze verdwijnen. In zoverre is de monnik een vechter.

Hoe nu is de monnik waakzaam? Als de monnik met het oog een vorm  ziet, dan hecht hij noch aan het geheel noch aan de details. En omdat bij het onbewaakte oog verlangen en ontevredenheid, slechte, onheilzame invloeden in hem zouden kunnen binnenstromen, daarom doet hij moeite om ze af te weren; hij bewaakt het oog en beteugelt het. Als hij  met het oor een geluid hoort - als hij met de neus  een geur ruikt - als hij met de tong  een smaak proeft -  als hij met het lichaam een aanraking  voelt - als hij in de geest zich bewust is van een gedachte, dan hecht hij noch aan het geheel, noch aan de details. En omdat bij een  onbewaakt geest verlangen en ontevredenheid slechte, onheilzame invloeden in hem zouden kunnen binnenstromen, daarom doet hij moeite ze af te weren; hij bewaakt de geest en beteugelt hem. In zoverre is de monnik waakzaam.

Hoe nu is de monnik standvastig? Daar verdraagt de monnik hitte en kou, honger en dorst, het lastig gevallen worden door horzels, muggen en kruipende dieren; hij verdraagt onvriendelijke, onwelkome manieren van spreken, en de opstijgende gevoelens van lichamelijke pijn, de sterke, stekende, bittere, onaangename, die verdraagt hij geduldig. In zoverre is de monnik standvastig.

Hoe nu is de monnik een verkenner? Dat doel, monniken, dat de monnik op deze lange reis eerder nog niet heeft bereikt, namelijk het stilstaan van alle formaties, de bevrijding van alle steunen van bestaan, het opdrogen van de begeerte, het afwenden, de opheffing, het nibbāna - dit doel bereikt hij in in heel korte tijd. In zoverre is de monnik een verkenner.

 De monnik die met deze vijf eigenschappen is voorzien, is offers waard, geschenken waard, gaven waard, eerbiedige groeten waard, is het beste veld voor goede werken in de wereld.[92]

Hoofdstuk 15. tikanda-vagga

A.V.141. Vijf soorten mensen

        Monniken, er zijn vijf soorten mensen in de wereld te vinden, namelijk:

(dit geldt speciaal voor monniken)

de een ondervindt verachting omdat hij de gever is;

de een ondervindt verachting vanwege het samenleven;

de een is lichtgelovig;

de een is wispelturig;

de een is dom en dwaas.

        In hoeverre evenwel ondervindt iemand verachting omdat hij de gever is? - Iemand geeft aan een ander gewaad, aalmoezenvoedsel, slaapplaats en de benodigde geneesmiddelen. En hij denkt: "Ik ben de gever, de ander is de ontvanger. Ten gevolge van zijn geven veracht hij de ander. Zo ondervindt iemand verachting omdat hij de gever is.

        In hoeverre echter ondervindt iemand verachting vanwege het samenleven? - Iemand leeft twee of drie jaar samen met een ander, en ten gevolge van het samenleven veracht hij de ander.[93] Zo ondervindt iemand verachting vanwege het samenleven.

        In hoeverre is iemand lichtgelovig? - Iemand is heel snel bereid om vertrouwen te schenken zodra men iemand anders prijst of verwijten maakt. In zoverre is iemand lichtgelovig.

        In hoeverre is iemand wispelturig? - Iemand bezit een beetje vertrouwen, een beetje toeneiging, weinig liefde, weinig geloof. In zoverre is hij wispelturig.

        In hoeverre is iemand dom en dwaas? - Iemand kent niet de heilzame dingen noch de onheilzame; noch de berispelijke dingen noch de onberispelijke; noch de lage dingen noch de edele; noch de dingen met licht- en schaduwzijden. In zoverre is iemand dom en dwaas.

        

Monniken, deze vijf soorten mensen zijn in de wereld te vinden.

A.V.142. Vijf soorten mensen II

        Monniken, er zijn vijf soorten mensen in de wereld te vinden, namelijk:

        Iemand maakt een fout [tegen de discipline] en maakt zich verwijten, heeft wroeging.[94] En hij kent niet overeenkomstig de werkelijkheid die bevrijding van het gemoed en bevrijding door wijsheid waardoor bij hem de ontstane kwade, onheilzame dingen zonder rest verdwijnen.

        Iemand maakt een fout, maar maakt zich geen verwijten, heeft geen wroeging meer.[95] Maar hij kent niet overeenkomstig de werkelijkheid die bevrijding van het gemoed en bevrijding door wijsheid waardoor bij hem de ontstane kwade, onheilzame dingen zonder rest verdwijnen.

        Iemand maakt geen fout, maar heeft wroeging, maakt zich verwijten.[96] En hij kent niet overeenkomstig de werkelijkheid die bevrijding van het gemoed en bevrijding door wijsheid waardoor bij hem de ontstane kwade, onheilzame dingen zonder rest verdwijnen.

        Iemand maakt geen fout en maakt zich geen verwijten, heeft geen wroeging. Maar hij kent niet overeenkomstig de werkelijkheid die bevrijding van het gemoed en bevrijding door wijsheid waardoor bij hem de ontstane kwade, onheilzame dingen zonder rest verdwijnen.

        Iemand maakt geen fout en maakt zich geen verwijten, heeft geen wroeging. En hij kent overeenkomstig de werkelijkheid die bevrijding van het gemoed en bevrijding door wijsheid waardoor bij hem de ontstane kwade, onheilzame dingen zonder rest verdwijnen.

        De eerste persoon moet aldus onderwezen worden: "Er bestaan in de geachte persoon de door zijn fout ontstane neigingen,[97] en de door wroeging ontstane neigingen nemen toe. Het zou goed zijn als de geachte de door zijn fout ontstane neigingen overwon,[98] de door wroeging ontstane neigingen verdreef en dan zijn geest en zijn wijsheid ontplooide.[99] Dan zou de geachte aan de vijfde soort mens helemaal gelijk worden."

        De tweede persoon moet aldus onderwezen worden: "Er bestaan in de geachte persoon de door zijn fout ontstane neigingen, maar geen door wroeging ontstane neigingen nemen toe. Het zou goed zijn als de geachte de door zijn fout ontstane neigingen overwon, en dan zijn geest en zijn wijsheid ontplooide. Dan zou de geachte aan de vijfde soort mens helemaal gelijk worden."

        De derde persoon moet aldus onderwezen worden: "Er bestaan in de geachte persoon geen door fouten ontstane neigingen, maar de door wroeging ontstane neigingen nemen toe. Het zou goed zijn als de geachte de door wroeging ontstane neigingen verdreef,[100] en dan zijn geest en zijn wijsheid ontplooide. Dan zou de geachte aan de vijfde soort mens helemaal gelijk worden."

        De vierde persoon moet aldus onderwezen worden: "Er bestaan in de geachte persoon geen door fouten ontstane neigingen noch door wroeging ontstane neigingen. Het zou goed zijn als de geachte zijn geest en zijn wijsheid ontplooide. Dan zou de geachte aan de vijfde soort mens helemaal gelijk worden."

        Monniken, zo bereiken dan deze vier mensen, door die vijfde persoon aldus vermaand, aldus onderwezen, geleidelijk de opdroging van de neigingen.

A.V.147. Verkeerd en juist geven – Asappurisadana sutta

        Op vijfvoudige manier geeft de slechte mens gaven, namelijk:

hij geeft zonder ijver,

hij geeft zonder eerbied,

hij geeft niet eigenhandig,

hij geeft resten, afval,

hij geeft zonder vertrouwen in een toekomstige vrucht ervan.

        Op vijfvoudige manier geeft de goede mens gaven, namelijk:

hij geeft vol ijver,

hij geeft vol eerbied,

hij geeft eigenhandig,

hij geeft geen resten, geen afval,

hij geeft met vertrouwen in een toekomstige vrucht ervan.

A.V.148 juist geven - Sappurisadana sutta

        Op vijfvoudige manier geeft de goede mens gaven, namelijk:

hij geeft vol vertrouwen;

hij geeft vol ijver;

hij geeft op de juiste tijd;

hij geeft met een vrijgevig hart;

hij geeft zonder zich en anderen schade toe te brengen.

        Degene die vol vertrouwen een gave geeft, die is, waar die gave ook vrucht zal dragen, rijk, zeer gegoed, zeer vermogend, en hij of zij heeft een mooie gestalte, een bevallig uiterlijk, vol charme en heeft een edele verschijning.

        Degene die vol ijver een gave geeft, die is, waar die gave ook vrucht zal dragen, rijk, met veel goederen, zeer vermogend. En zijn vrouw en kinderen evenals zijn dienstpersoneel luisteren naar hem, gehoorzamen hem, proberen hem met begrip van dienst te zijn.

        Degene die op de juiste tijd een gave geeft, die is, waar die gave ook vrucht zal dragen, rijk, zeer gegoed, zeer vermogend. En te juister tijd [d.w.z. niet pas op hoge leeftijd] komt hij of zij in het bezit van rijkelijke goederen.

        Degene die met een vrijgevig hart een gave geeft, die is, waar die gave ook vrucht zal dragen, rijk, zeer gegoed, zeer vermogend. En zijn hart is geneigd naar het genot van uitgelezen vreugden der vijf zintuigen.

        Degene die een gave geeft zonder zich en anderen schade toe te brengen, die is, waar die gave ook vrucht zal dragen, rijk, zeer gegoed, zeer vermogend. En zijn bezit kan door niets schade lijden, noch door vuur, water, vorst, dieven noch door liefdeloze erfgenamen.

        Op deze vijfvoudige manier geeft de goede mens gaven.

Hoofdstuk 16. saddhamme-vagga

A.V.154. Behoud en verval van de leer I -  Pathama-saddhammasammosa sutta

Vijf omstandigheden, monniken, leiden tot de verdwijning en het verval van de goede leer. Welke vijf? - De monniken luisteren niet vol ijver naar de leer; leren niet vol ijver de leer; onthouden niet vol ijver de leer; onderzoeken niet vol ijver de betekenis van de geleerde leer; en zelfs wanneer zij de leer en de betekenis ervan kennen, leven zij niet vol ijver in de zin van de leer.

        Deze vijf omstandigheden, monniken, leiden tot het verdwijnen en het verval van de goede leer.

        Maar vijf omstandigheden, monniken, leiden tot het voortbestaan van de goede leer, tot het behoud en de verspreiding ervan. Welke vijf? - De monniken luisteren vol ijver naar de leer; leren vol ijver de leer; onthouden vol ijver de leer; onderzoeken vol ijver de betekenis van de geleerde leer; en wanneer zij de leer en de betekenis ervan weten, leven zij vol ijver in de zin van de leer.

        Deze vijf omstandigheden, monniken, leiden tot het voortbestaan van de goede leer.

A.V.155. Behoud en verval van de leer II

        Vijf omstandigheden, monniken, leiden tot de verdwijning en het verval van de goede leer. Welke vijf? - De monniken leren de leer niet, namelijk leerteksten, gemengd proza, exegese, verzen, hymnes, spreuken, geboorteverhalen, wonderbaarlijke dingen en uitleg. Dat is de eerste omstandigheid.

        De monniken onderrichten anderen niet uitvoerig in de leer, zoals zij door hen vernomen en geleerd werd. Dat is de tweede omstandigheid.

        Zij laten anderen de leer niet uitvoerig reciteren. Dat is de derde omstandigheid.

        Zelf reciteren zij de leer niet uitvoerig. Dat is de vierde omstandigheid.

        Zij denken niet na over de leer, peinzen er niet over en overwegen ze niet in de geest. Dat is de vijfde omstandigheid.

        Deze vijf omstandigheden, monniken, leiden tot het verdwijnen en verval van de goede leer.

        Vijf omstandigheden, monniken, leiden tot het behoud en de verspreiding van de goede leer. Welke vijf? - De monniken leren de leer, namelijk leerteksten, gemengd proza, exegese, verzen, hymnes, spreuken, geboorteverhalen, wonderbaarlijke dingen en uitleg. Dat is de eerste omstandigheid.

        De monniken onderrichten anderen uitvoerig in de leer, hoe zij van hen vernomen en geleerd werd. Dat is de tweede omstandigheid.

        Zij laten anderen de leer uitvoerig reciteren. Dat is de derde omstandigheid.

        Zelf reciteren zij de leer uitvoerig. Dat is de vierde omstandigheid.

        Zij denken na over de leer, peinzen er over en overwegen ze in de geest. Dat is de vijfde omstandigheid.

        Deze vijf omstandigheden, monniken, leiden tot het behoud en de verspreiding van de goede leer.

A.V.156. Behoud en verval van de leer III –  Tatiya-saddhammasammosa sutta

Monniken, vijf omstandigheden leiden tot de verdwijning en ondergang van de goede leer. Welke vijf?

(De eerste vier omstandigheden zijn identiek aan die genoemd in A.IV.160.)

Bovendien, monniken, wanneer er een splitsing in de gemeenschap van de monniken bestaat, wanneer de gemeenschap van de monniken gesplitst is, dan beschuldigt de een de ander, beschimpt de een de ander, intrigeert de een tegen de ander, verjaagt de een de ander; en wie geen vertrouwen heeft, die krijgt het niet, en bij menigeen die vertrouwen heeft, treedt een verandering op. Dat is een vijfde omstandigheid die leidt tot het verdwijnen en het verval van de goede leer.

        Maar wanneer de gemeenschap van de monniken in vrede en harmonie leeft, zonder ruzie, dan volgt die gemeenschap dezelfde regels en leeft ongestoord. En dan zijn er onderling geen beschuldigingen, beschimpingen, intriges; dan verjaagt de een de ander niet. Daardoor krijgen degenen zonder vertrouwen vertrouwen en wie vol vertrouwen is, wordt erin versterkt.

A.V.157. onpassende en passende gesprekken

        Monniken, het is verkeerd tot vijf soorten mensen te spreken zinspelend op hun persoon.

         Het is verkeerd tot iemand zonder vertrouwen te spreken over vertrouwen. Het is verkeerd tot iemand zonder deugdzaamheid te spreken over deugdzaamheid. Het is verkeerd tot iemand zonder weten te spreken over het grote weten. Het is verkeerd tot een gierigaard te spreken over vrijgevigheid. Het is verkeerd tot een dwaas te spreken over wijsheid. En waarom?

Als men tot iemand zonder vertrouwen spreekt over vertrouwen, wordt hij vervelend en opgewonden, wordt ontstemd en koppig, en laat toorn, haat en wantrouwen zien. En wel omdat hij geen vertrouwen in zich bemerkt en daarom geen behagen en geen vreugde eraan heeft. Daarom is het verkeerd tot iemand zonder vertrouwen te spreken over vertrouwen.

        Als men tot iemand zonder deugdzaamheid spreekt over deugdzaamheid, wordt hij vervelend en opgewonden, wordt ontstemd en koppig, en laat toorn, haat en wantrouwen zien. En wel omdat hij geen deugdzaamheid in zich bemerkt en daarom geen behagen en geen vreugde eraan heeft. Daarom is het verkeerd tot iemand zonder deugdzaamheid te spreken over deugdzaamheid.        

        Als men tot iemand zonder weten spreekt over groot weten, wordt hij vervelend en opgewonden, wordt ontstemd en koppig, en laat toorn, haat en wantrouwen zien. En wel omdat hij geen weten in zich bemerkt en daarom geen behagen en geen vreugde eraan heeft. Daarom is het verkeerd tot iemand zonder weten te spreken over groot weten.

        Als men tot een gierigaard spreekt over vrijgevigheid, wordt hij vervelend en opgewonden, wordt ontstemd en koppig, en laat toorn, haat en wantrouwen zien. En wel omdat hij geen vrijgevigheid in zich bemerkt en daarom geen behagen en geen vreugde eraan heeft. Daarom is het verkeerd tot een gierigaard te spreken over vrijgevigheid.

        Als men tot een dwaas spreekt over wijsheid, wordt hij vervelend en opgewonden, wordt ontstemd en koppig, en laat toorn, haat en wantrouwen zien. En wel omdat hij geen wijsheid in zich bemerkt en daarom geen behagen en geen vreugde eraan heeft. Daarom is het verkeerd tot een dwaas te spreken over wijsheid.

        Maar het is passend tot vijf soorten mensen te spreken zinspelend op hun persoon.

        Het is passend tot iemand vol vertrouwen te spreken over vertrouwen. Als men tot iemand vol vertrouwen spreekt over vertrouwen, dan wordt hij niet vervelend noch opgewonden, hij wordt niet ontstemd noch koppig, en laat ook geen enkele toorn, haat of wantrouwen zien. En wel omdat hij bij zich de aanwezigheid van vertrouwen merkt en daarom behagen en vreugde eraan heeft. Daarom is het passend tot iemand vol vertrouwen te spreken over vertrouwen.

        Het is passend tot een deugdzame te spreken over deugdzaamheid. Als men tot een deugdzame spreekt over deugdzaamheid, dan wordt hij niet vervelend noch opgewonden, hij wordt niet ontstemd noch koppig, en laat ook geen enkele toorn, haat of wantrouwen zien. En wel omdat hij bij zich de aanwezigheid van deugdzaamheid merkt en daarom behagen en vreugde eraan heeft. Daarom is het passend tot een deugdzame te spreken over deugdzaamheid.

        Het is passend tot iemand die rijk aan weten is, te spreken over groot weten. Als men tot iemand die rijk aan weten is, spreekt over groot weten, dan wordt hij niet vervelend noch opgewonden, hij wordt niet ontstemd noch koppig, en laat ook geen enkele toorn, haat of wantrouwen zien. En wel omdat hij bij zich de aanwezigheid van weten merkt en daarom behagen en vreugde eraan heeft. Daarom is het passend tot iemand die rijk aan weten is, te spreken over groot weten.

        Het is passend tot een vrijgevige te spreken over vrijgevigheid. Als men tot een vrijgevige spreekt over vrijgevigheid, dan wordt hij niet vervelend noch opgewonden, hij wordt niet ontstemd noch koppig, en laat ook geen enkele toorn, haat of wantrouwen zien. En wel omdat hij bij zich de aanwezigheid van vrijgevigheid merkt en daarom behagen en vreugde eraan heeft. Daarom is het passend tot een vrijgevige te spreken over vrijgevigheid.

        Het is passend tot iemand met inzicht te spreken over wijsheid. Als men tot iemand met inzicht spreekt over wijsheid, dan wordt hij niet vervelend noch opgewonden, hij wordt niet ontstemd noch koppig, en laat ook geen enkele toorn, haat of wantrouwen zien. En wel omdat hij bij zich de aanwezigheid van inzicht merkt en daarom behagen en vreugde eraan heeft. Daarom is het passend tot iemand met inzicht te spreken over wijsheid.

A.V.158. Innerlijke onzekerheid en zelfvertrouwen

Monniken, wanneer de monnik met vijf eigenschappen is voorzien, voelt hij zich innerlijk onzeker. Met welke vijf? Als hij zonder vertrouwen is, immoreel, onwetend, traag en onverstandig.

Monniken, wanneer de monnik met vijf eigenschappen is voorzien, heeft hij zelfvertrouwen. Met welke vijf? Als hij vol vertrouwen is, deugdzaam, rijk aan weten, wilskrachtig en met inzicht.

A.V.159. Juiste manier van uitleg van de leer - Udayi sutta

Eens verbleef de Verhevene bij Kosambi in het Ghosita-klooster. Op die tijd nu zat de eerwaarde Udāyi midden in een grote bijeenkomst van huisbewoners en legde hun de leer uit. Dit zag de eerwaarde Ananda en hij deelde het aan de Verhevene mee.

[En de Verhevene zei:]

“Ananda, het is niet gemakkelijk om de leer aan anderen uit te leggen. Wie de leer aan anderen uitlegt, zou daarbij vijf dingen zich voor de geest moeten houden. Welke vijf?

'Ik wil een trapsgewijze uitleg[101] geven', zo denkend moet men de leer aan anderen uitleggen.

'Ik wil een goed onderbouwde uitleg geven', zo moet men de leer aan anderen uitleggen.

'Ik wil uit mededogen spreken,[102] zo denkend moet men de leer aan anderen uitleggen.

'Ik wil niet spreken omwille van een wereldlijk voordeel', zo men moet de leer aan anderen uitleggen.

'Noch zinspelend op mijzelf, noch zinspelend op anderen,[103] wil ik spreken', zo denkend moet men de leer aan anderen uitleggen.

Ananda, het is niet gemakkelijk om de leer aan anderen uit te leggen. Wie de leer aan anderen uitlegt, zou daarbij deze vijf dingen zich voor de geest moeten houden.”

A.V.160. Vijf dingen die moeilijk te verdrijven zijn

        Wanneer vijf dingen eens zijn ontstaan, monniken, dan zijn ze moeilijk weer te verdrijven. Welke vijf?

Hebzucht, haat, verblinding, graag praten en steeds wisselende gedachten. Als deze vijf eens zijn ontstaan, dan zijn ze moeilijk weer te verdrijven.

Hoofdstuk 17. āghāta-vagga

A.V.161. Vijf manieren om wrok te overwinnen –  Pathama-aghatapativinaya sutta

        Er zijn vijf manieren om van een wrok af te komen: 1) Als een afkeer jegens iemand ontstaat, moet men liefdevolle vriendelijkheid ontwikkelen, 2) of mededogen of 3) gelijkmoedigheid jegens hem/haar. 4) Of men moet geen aandacht aan hem/haar schenken en niet aan hem/haar denken. 5) Of men moet de gedachte koesteren: “Zijn/haar enige bezit is zijn/haar daden; wat hij of zij ook doet, goed of slecht, hij/zij zal er de erfgenaam van zijn. Op die manier kunnen alle soorten van wrok die zijn ontstaan, worden verwijderd.

A.V.162. Vijf middelen om wrok te overwinnen II – Dutiya-aghatapativinaya sutta

De eerwaarde Sāriputta sprak aldus:

"Er zijn vijf middelen, broeders, om de wrok te overwinnen, middelen door welke de wrok die bij de monnik is ontstaan, volledig zou moeten worden overwonnen. Welke vijf?

        Broeders, er is een persoon van onzuiver gedrag in daden, maar van zuiver gedrag in woorden. Tegen een dergelijk persoon moet men de wrok overwinnen.

        Er is een persoon van onzuiver gedrag in woorden, maar van zuiver gedrag in daden. Ook tegen een dergelijk persoon moet men de wrok  overwinnen.

Er is een persoon van onzuiver gedrag in daden en woorden, maar van tijd tot tijd opent zich zijn hart,[104] krijgt zijn hart vertrouwen. Ook tegen een dergelijk persoon moet men de wrok overwinnen.

Er is een persoon van onzuiver gedrag in daden en woorden, en zijn hart opent zich niet van tijd tot tijd en wint  geen vertrouwen. Ook tegen een dergelijk persoon moet men de wrok overwinnen.

Er is een persoon van zuiver gedrag in daden en woorden, en van tijd tot tijd opent zich zijn hart en krijgt vertrouwen. Ook tegen een dergelijk persoon moet men de wrok overwinnen.

Broeders, hoe nu moet men de wrok tegen deze mensen overwinnen?

Broeders, juist zoals een monnik die zich kleedt in gewaden uit stukken stof, op straat een stuk stof ziet, dat met de linkervoet vasthoudt en met de rechter uitspreidt, en wat er aan vaste stof is, afsnijdt en meeneemt; evenzo, broeders, moet men bij een persoon van onzuiver gedrag in daden, maar zuiver gedrag in woorden, bij die gelegenheid niet zijn onzuiverheid in daden overwegen, maar zijn zuiverheid in woorden. Op deze manier moet men de wrok tegen die persoon overwinnen.

Broeders, stel dat er een vijver is bedekt met mos en waterplanten. En een man, gloeiend van hitte, door de hitte overweldigd, uitgeput, dorstig, door dorst gekweld, kwam daar langs. En hij ging omlaag naar die vijver, verwijderde met beide handen hier en daar het mos en de waterplanten, dronk uit zijn holle handen en ging dan zijns weegs.

Evenzo, broeders, moet men bij een persoon van onzuiver gedrag in woorden, maar zuiver gedrag in daden, bij die gelegenheid niet zijn onzuiverheid in woorden overwegen, maar zijn zuiverheid in daden. Op deze manier moet men de wrok tegen die persoon overwinnen.

Broeders, stel dat er wat water in het hoefspoor van een koe is. En een man, gloeiend van hitte, door de hitte overweldigd, uitgeput, dorstig, door dorst gekweld, kwam er langs. Hij dacht: 'Als ik dit beetje water dat in het hoefspoor van een koe is, met de hand of een beker drink, dan zou ik het storen en omwoelen en ongenietbaar maken. Dus ik ga liever op handen en voeten zitten en als een koe het water slurpen en dan verder gaan.' En dat deed hij.

Broeders, evenzo moet men bij een persoon van onzuiver gedrag in daden en in woorden, maar wiens hart van tijd tot tijd zich opent en vertrouwen krijgt, bij die gelegenheid niet zijn onzuiverheid in daden en woorden overwegen; maar wel moet men eraan denken dat zich zijn hart van tijd tot tijd opent en vertrouwen krijgt. Op deze manier moet men de wrok tegen die persoon overwinnen.

Broeders, stel dat er een zwakke, lijdende, ernstig zieke man over een lange straat liep. Zowel het dorp achter hem als ook het dorp voor hem lagen ver weg. En hij vond geen geschikt voedsel en geneesmiddelen, geen geschikte verzorger en niemand om hem de weg te wijzen. Maar een man die onderweg was, zag hem. En hij voelde medelijden, liefde en welwillendheid voor hem en dacht: 'Ach, dat deze man toch geschikt voedsel en geneesmiddelen vond, en ook een geschikte verzorger en iemand die hem de weg wees, opdat hij niet sterft.'

Evenzo, broeders, moet men voor een persoon van onzuiver gedrag in daden en woorden, wiens hart zich niet van tijd tot tijd opent en vertrouwen krijgt, mededogen, liefde en welwillendheid voelen en denken: 'Ach, dat toch deze geëerde zijn slecht gedrag in daden, woorden en gedachten moge opgeven en een goed gedrag in daden, woorden en gedachten moge hebben, opdat hij niet, na het verval van het lichaam, na de dood, in lagere werelden terecht komt, op een pad van lijden, in de afgronden van het bestaan, in de hel.' Op deze manier moet men de wrok tegen die persoon overwinnen.

Broeders, stel dat er een vijver is met helder, verfrissend, koel, zilver-helder water, mooi gelegen, verrukkelijk, in de schaduw van talrijke bomen. En een man, gloeiend van hitte, door de hitte overweldigd, uitgeput, dorstig, door dorst gekweld, kwam er langs. En hij ging omlaag in die vijver, nam er een bad en dronk van het water. Daarna ging hij weer eruit en ging zitten of liggen in de schaduw van de bomen.

Juist zo, broeders, moet men bij een persoon van zuiver gedrag in daden en woorden, wiens hart zich van tijd tot tijd opent en vertrouwen krijgt, bij deze gelegenheid zijn zuiver gedrag in daden en woorden overwegen en eraan denken dat zijn hart van tijd zich opent en vertrouwen krijgt. Op deze manier moet men de wrok tegen die persoon overwinnen.

Bij een persoon die in elk opzicht vertrouwen opwekt, broeders, komt de geest tot rust.”

A.V.166. Udāyi spreekt Sāriputta tegen

De eerwaarde Sariputta zei:

“Het is goed mogelijk, broeders, dat een monnik die deugdzaamheid, concentratie en wijsheid bezit, de 'opheffing van waarneming en gevoel'[105] bereikt en zich  weer eruit verheft. Als deze persoon niet al tijdens zijn leven het weten van heiligheid bereikt, dan kan hij, aan de andere kant van de hemelse wezens die van grofstoffelijke voeding leven,[106] weer verschijnen in een door de geest geschapen wereld[107], ook daar in de 'opheffing van waarneming en gevoel' binnentreden en zich er weer uit verheffen. Dat is goed mogelijk."

In antwoord op deze woorden sprak de eerwaarde Udāyi tot de eerwaarde Sāriputta: "Het is onmogelijk, broeder Sāriputta, het kan niet zijn dat die monnik die aan de andere kant van de hemelse wezens die van grofstoffelijke voeding leven, in een door de geest geschapen wereld weer verschijnt, daar de 'opheffing van waarneming en gevoel ' bereikt en zich er weer uit verheft."

En voor de tweede en derde keer deed de eerwaarde Sariputta zijn uitspraak. En voor de tweede en derde keer sprak de eerwaarde Udāyi hem tegen. Toen dacht de eerwaarde Sāriputta: "Waarlijk, drie keer spreekt de eerwaarde Udāyi mij tegen, en geen van de monniken is het met mij eens. Dus zal ik dan naar de Verhevene gaan.” En hij ging naar de Verhevene, begroette hem eerbiedig en ging terzijde zitten. En de eerwaarde Sariputta wendde zich vervolgens tot de monniken en deed de eerdere uitspraak. En opnieuw sprak de eerwaarde Udāyi hem drie keer tegen.

Toen dacht de eerwaarde Sāriputta: “Zelfs in de aanwezigheid van de Verhevene spreekt de eerwaarde Udāyi mij driemaal tegen, en geen van de monniken is het met me eens. Dus dan zal ik zwijgen." En de eerwaarde Sariputta zweeg.

Maar toen wendde de Verhevene zich tot de eerwaarde Udāyi en zei:

"Aan welke door de geest geschapen wereld denk je daar, Udāyi?"

"Aan de onstoffelijke hemelse wezens die door waarneming geschapen zijn,[108] Heer."

"Wat wil je met je toespraken, jij dwaas, onwetende mens. Je denkt zeker dat je ook iets moet zeggen."

En de Verhevene wendde zich tot de eerwaarde Ananda: “Wanneer, Ananda, een oudere monnik wordt aangevallen, kunnen jullie dan wel onverschillig blijven? Zouden jullie, Ananda, dan niet met hem meegevoel moeten hebben?"

En tot de monniken gekeerd, zei hij: "Het is goed mogelijk, monniken, dat een monnik die deugdzaamheid, concentratie en wijsheid bezit, de 'opheffing van waarneming en gevoel' bereikt en zich daaruit weer verheft. Wanneer nu deze persoon niet al tijdens zijn leven het weten van heiligheid bereikt, dan kan hij, aan de andere kant van de hemelse wezens die leven van grofstoffelijk voedsel in een door de geest geschapen wereld weer verschijnen, ook daar in de 'opheffing van waarneming en gevoel' binnentreden en zich weer eruit verheffen. Dat is goed mogelijk."

Zo sprak de Verhevene en na deze woorden stond hij op en ging naar binnen in zijn cel.

Kort evenwel nadat de Verhevene vertrokken was, ging de eerwaarde Ananda naar de eerwaarde Upavāna en zei:

"Sommigen vallen hier een oudere monnik aan, broeder Upavāna, en wij hebben er geen commentaar op gegeven. Het zou niet verwonderlijk zijn als de Verhevene, nadat hij zich 's avonds uit zijn afzondering heeft verheven, de kwestie naar voren zou brengen. Laat de eerwaarde Upavāna dan aan een antwoord denken. Wij zelf zijn er nu al ongerust over."

        Nadat nu de Verhevene zich ‘s avonds uit zijn afzondering had verheven, ging hij naar de ontvangsthal, ging daar op een voor hem gereed gemaakte zitplaats zitten en zei tegen de eerwaarde Upavāna aldus:

        "Met hoeveel eigenschappen begiftigd, Upavāna, wordt wel de oudere monnik door zijn broeders in de orde geliefd, gewaardeerd, gerespecteerd en geëerd?"

        "Met vijf eigenschappen, Heer. Als hij zuiver van zeden is, rijk aan weten, een goede spreker; als hij deel heeft aan de vier verdiepingen en als hij door opdroging van de neigingen nog tijdens zijn leven de neigingsvrije bevrijding van het gemoed en bevrijding door wijsheid heeft bereikt, ze zelf inziende en verwerkelijkende. Begiftigd met deze vijf eigenschappen, Heer, wordt de oudere monnik door zijn broeders in de orde geliefd, gewaardeerd, gerespecteerd en geëerd."

“Goed zo, goed zo, Upavana. Uitgerust met deze vijf eigenschappen, Upavāna, wordt de oudere monnik door zijn broeders in de orde geliefd, gewaardeerd, gerespecteerd en geëerd. Als namelijk bij de oudere monnik deze vijf eigenschappen niet worden aangetroffen, om welke reden zouden zijn broeders in de orde hem dan wel liefhebben, waarderen, respecteren en eren? Soms omdat hij gebrekkig, grijs en gerimpeld is? Voorwaar, Upavāna, wanneer bij een oudere monnik deze vijf eigenschappen te vinden zijn, dan is hij geliefd, gewaardeerd, gerespecteerd en geëerd door zijn broeders in de orde."

A.V.168. Het een gebaseerd op het andere

(Identiek met A.V.24. De spreker is hier de eerwaarde Sāriputta)

A.V.169. Goed inzicht, goed opvattingsvermogen

Gesprek tussen de eerwaarde Sāriputta en de eerwaarde Ananda in hoeverre de monnik een goed inzicht en een goed opvattingsvermogen heeft.

De eerwaarde Ananda zei: “Broeder Sāriputta, daar is de monnik goed bekend met de betekenis, goed bekend met de woord-uitleg,[109] goed bekend met de tekst van de leer, goed bekend met de manier hoe men zich bij het spreken moet uitdrukken, goed bekend met de volgorde.[110] In zoverre, broeder Sāriputta, heeft de monnik een doordringend scherp verstand, een goed opvattingsvermogen, eigent zich veel toe en vergeet niet wat hij heeft gehoord.”

        “Broeder Ananda, dat antwoord is prima. Met die vijf eigenschappen is ook de eerwaarde Ananda voorzien. Zo zullen wij aan hem denken.”

A.V.170. De vijf beste dingen

In het Ghosita-klooster te Kosambi vroeg de eerwaarde Ananda aan de eerwaarde Bhaddaji wat de beste aanblik, het beste geluid, het hoogste geluk, de beste waarneming en het beste bestaan was.

Het antwoord van de eerwaarde Bhaddaji luidde:

“De aanblik van Brahma, de almachtige die alles weet, is de beste aanblik. Er zijn de stralende goden (ābhassarā deva), die helemaal met gelukzaligheid vervuld zijn. Af en toe roepen zij uit: ‘Wat een gelukzaligheid.’ Dat is het beste geluid. Er zijn de alles verlichtende goden (subhakinha deva) die steeds een geluk van vrede ondervinden. Dat is het hoogste geluk. Er zijn de goden die wedergeboren zijn in de sfeer van niets-is-er. Dat is de beste waarneming. Er zijn goden die wedergeboren zijn in het gebied van de noch waarneming noch niet waarneming. Dat is het beste bestaan.”

De eerwaarde Ananda zei dat dit antwoord overeenkwam met wat in het algemeen gezegd werd. Hierna zei de eerwaarde Bhaddaji dat de eerwaarde Ananda een grote kennis had; en de eerwaarde Bhaddaji vroeg of de eerwaarde Ananda het hem kon uitleggen.

“Goed,” zei de eerwaarde Ananda, “dan luister.”

'Dat proces van zien, broeder, waarna direct de opdroging van de neigingen volgt, is de beste aanblik. Dat proces van horen waarna direct de opdroging van de neigingen volgt, is het beste geluid. Dat geluksgevoel, waarna direct de opdroging van de neigingen volgt,  is het hoogste geluk. Dat proces van waarnemen waarna direct de opdroging van de neigingen volgt, is de beste waarneming. Dat moment van bestaan,[111] waarna direct de opdroging van de neigingen volgt, dat is het beste bestaan.”[112]

Hoofdstuk 18. upāsaka-vagga

A.V.171-173. Zelfvertrouwen en onzekerheid - Sarajja, Visarada, Niraya sutta

Van vijf eigenschappen voorzien, monniken,

(171) voelt de lekenvolgeling zich innerlijk onzeker -

(172) woont de lekenvolgeling met innerlijke onzekerheid in het huis -

(173) komt de lekenvolgeling, overeenkomstig zijn daden, in de hel.

Welke zijn deze vijf eigenschappen? - Hij doodt, neemt wat niet is gegeven, begaat seksuele uitspattingen, liegt en geniet van bedwelmende middelen.

Uitgerust met vijf eigenschappen, monniken,

(171) voelt de lekenvolgeling zelfvertrouwen -

(172) woont de lekenvolgeling vol zelfvertrouwen in het huis -

(173) komt de lekenvolgeling, overeenkomstig zijn daden, in een hemels bestaan.

Welke zijn deze vijf eigenschappen? - Hij vermijdt het doden, vermijdt het nemen van wat niet is gegeven, vermijdt seksuele uitspattingen, vermijdt de leugen, en vermijdt het genot van bedwelmende middelen.

A.V.174. Vijf vreselijke wandaden - Vera sutta

        De Verhevene sprak tot huisvader Anāthapindika: “Wie vijf vreselijke wandaden niet heeft overwonnen, die geldt als zedeloos en verschijnt weder in de hel. Welke vijf? Het doden, het nemen van wat niet is gegeven, seksuele uitspattingen, liegen en het genot van bedwelmende middelen.

        Maar wie deze vijf vreselijke wandaden heeft overwonnen, die geldt als rein van zeden en verschijnt weer op een gelukkig pad van bestaan.

        Huisvader, terwijl degene die doodt, vanwege het doden verschrikkelijk kwaad veroorzaakt in het heden, verschrikkelijk kwaad veroorzaakt in het toekomstige bestaan, en ook in zijn innerlijk pijn en ontevredenheid ondervindt; zo veroorzaakt degene die het doden vermijdt, noch tegenwoordig noch in een toekomstig bestaan verschrikkelijk kwaad, en hij voelt innerlijk geen pijn, geen ontevredenheid.

Huisvader, terwijl degene die neemt wat niet is gegeven, die seksuele uitspattingen begaat, liegt, bedwelmende middelen geniet, op grond daarvan tegenwoordig en in een toekomstig bestaan vreselijk kwaad veroorzaakt en ook in zijn innerlijk pijn en ontevredenheid voelt; zo veroorzaakt degene die dit vermijdt, noch tegenwoordig noch in een toekomstig bestaan verschrikkelijk kwaad, en hij voelt innerlijk geen pijn, geen ontevredenheid. Want dat vreselijke kwaad is in hem uitgedoofd.

                

Wie levende wezens pijn doet,

niet oprecht is in zijn woord,

zich vergrijpt aan de goederen van iemand anders

en de vrouw van zijn buurman verleidt,

aan het genot van brandewijn en wijn

vol ijver toegewijd is:

        

Wie dit kwaad niet verwerpt,

die wordt voorwaar als zedeloos beschouwd;

en wanneer later ooit zijn lichaam in stukken breekt,

gaat een dergelijke dwaas haastig naar de hel.

                

Wie geen wezen pijn doet,

geen verkeerd woord laat wegglippen,

zich nooit aan het goed van iemand anders vergrijpt,

wie de vrouw van zijn naaste niet verleidt ,

zich tot het genot van brandewijn en wijn

nooit aangetrokken voelt:

wie zich onthoudt van dit kwaad,

die wordt voorwaar als rein van zeden beschouwd;

en wanneer later ooit zijn lichaam in stukken breekt,

gaat de wijze man snel naar de hemel.

A.V.175. De goede en de slechte lekenvolgeling

Een lekenvolgeling (upāsaka), monniken, die vijf eigenschappen heeft, geldt onder de lekenvolgelingen als verachtelijk, als een schande, een verworpene. Welke zijn deze vijf eigenschappen?

Hij is niet betrouwbaar, zedeloos, bijgelovig[113]; hij vertrouwt op geluk en niet op zijn actief handelen (mangalam pacceti no kammam); hij zoekt buiten [deze Orde] naar degene die gaven waard is, en daar vooral gaat hij op bezoek.

        Maar een lekenvolgeling die vijf eigenschappen heeft, geldt onder de lekenvolgelingen als een juweel, als een lelie, als een lotus. Welke zijn deze vijf eigenschappen?

Hij is vol vertrouwen, is deugdzaam, is niet bijgelovig; hij vertrouwt op zijn actief handelen en niet op geluk; hij zoekt niet buiten [deze Orde] naar degene die gaven waard is, en niet brengt hij daar vooral een bezoek.

A.V.176. Vervoering in meditatie

Eens ging Anāthapindika met veel lekenvolgelingen naar de Verhevene, groette hem eerbiedig, en ging terzijde zitten. De Verhevene sprak toen:

"Huisbewoners, jullie bedienen daar de gemeenschap van de monniken met gewaden, aalmoezen-voedsel, slaapplaats en de benodigde geneesmiddelen en medicijnen. Maar jullie huisbewoners moeten daarmee niet tevreden zijn. Jullie moeten veeleer ernaar streven: 'Van tijd tot tijd willen wij de afgezonderde vervoering[114] met inspanning bereiken.' Daar moeten jullie naar streven, huisbewoners."

Na deze woorden wendde de eerwaarde Sāriputta zich tot de Verhevene en zei: "Het is wonderbaarlijk, Heer, het is verbazingwekkend, Heer, hoe de Verhevene zo treffend heeft gesproken. Op een tijd namelijk, Heer, wanneer de edele discipel in het bezit van de afgezonderde vervoering vertoeft, is er voor hem geen van de volgende vijf mogelijkheden. Pijn en somberheid verbonden met zintuiglijke dingen[115] - dat bestaat er niet op een dergelijke tijd. Vreugde en blijdschap verbonden met zintuiglijke dingen - dat bestaat er niet op een dergelijke tijd. Pijn en somberheid verbonden met het onheilzame  - dat bestaat er niet op een dergelijke tijd. Vreugde en blijdschap verbonden met het onheilzame - dat bestaat er niet op een dergelijke tijd. Pijn en somberheid verbonden met  het heilzame - dat bestaat er niet op een dergelijke tijd. Heer, op een dergelijke tijd wanneer de edele discipel in het bezit van de afgezonderde vervoering vertoeft, is er voor hem geen van deze vijf mogelijkheden.”[116]

        De Verhevene: ”Precies, Sāriputta. Wanneer de edele discipel in het bezit van de afgezonderde vervoering vertoeft, is er voor hem geen van deze vijf mogelijkheden.”

A.V.177. Vijf verwerpelijke beroepen - Vanijja sutta

        Vijf soorten van handel moeten door een leek niet worden uitgeoefend: handel in wapens; handel in levende wezens; handel in vlees;[117] handel in bedwelmende middelen; handel in vergif.[118]

A.V.179. Het in de stroom getreden gezinshoofd -  Gihi sutta

        Het gezinshoofd Anāthapindika ging samen met 500 lekenvolgelingen naar de Verhevene, groette hem eerbiedig en ging terzijde zitten. Daarop wendde de Verhevene zich tot de eerwaarde Sāriputta en zei:

        "Sariputta, diegene onder de in het wit geklede gezinshoofden van wie u weet dat hij zich in zijn handelingen beheerst volgens de regels van deugdzaamheid, en dat hij de vier verheven geestelijke, tegenwoordig gelukkig makende toestanden naar wens, zonder moeite en inspanning deelachtig wordt, diegene kan, wanneer hij wil, van zich zeggen dat hij ontkomen is aan de hel, aan het dierenrijk, aan het rijk van de ongelukkige geesten, dat hij ontkomen is aan de lagere werelden van bestaan. Hij kan van zich zeggen dat hij in de stroom is ingetreden, niet meer onderhevig aan de afgronden van bestaan. Hij is veilig, zeker van de Verlichting.

        Sariputta, wat zijn die regels van deugdzaamheid volgens welke hij zich beheerst? - De edele volgeling ziet af van doden, ziet af van stelen, ziet af van seksueel verkeerd gedrag, ziet af van liegen, ziet af van het gebruik van bedwelmende middelen.

        Welke vier verheven geestelijke, tegenwoordig gelukkig makende toestanden wordt hij naar wens, zonder moeite en inspanning deelachtig? - De edele volgeling is vervuld van onwrikbaar vertrouwen in de Verhevene, aldus: ‘Waarlijk, de Verhevene is heilig, volledig verlicht, volmaakt in kennis en volmaakt in gedrag. Hij is gezegend, een kenner van de werelden. Hij is de onvergelijkbare leider van mensen die bedwongen moeten worden en van mensen die volgzaam zijn. Hij is de leraar van goden en van mensen. Hij is de Ontwaakte en Verhevene.’

        Deze eerste verheven geestelijke, gelukkig makende toestand heeft hij bereikt welke leidt naar de zuivering van de nog onzuivere geest, naar het helder worden van de onheldere geest.

        Verder, Sariputta, is de edele volgeling vervuld van onwrikbaar vertrouwen in de leer, aldus: ‘Duidelijk uitgelegd is de leer door de Verhevene; hier en nu op juistheid te controleren; met onmiddellijk resultaat. Ze nodigt ieder uit om alles zelf te testen; ze leidt naar Nibbāna. Ze is te begrijpen door de wijze, ieder voor zichzelf.’

        Deze tweede verheven geestelijke toestand heeft hij bereikt welke leidt naar de zuivering van de nog onzuivere geest, naar het helder worden van de onheldere geest.

        Verder, Sariputta, is de edele volgeling vervuld van onwrikbaar vertrouwen in de gemeenschap van de heiligen[119], aldus: ‘Van goed gedrag is de Orde van de discipelen van de Gezegende. Van oprecht gedrag is de Orde van de discipelen van de Gezegende. Van wijs gedrag is de Orde van de discipelen van de Gezegende. Van plichtsgetrouw gedrag is de Orde van de discipelen van de Gezegende. Deze Orde van de discipelen van de Gezegende – namelijk de vier paren van personen, de acht soorten individuen – is gaven waard, is gastvrijheid waard, is geschenken waard, is waard eerbiedig gegroet te worden, is een onvergelijkbaar veld van verdienste voor de wereld.’

        Deze derde verheven geestelijke, gelukkig makende toestand heeft hij bereikt welke leidt naar de zuivering van de nog onzuivere geest, naar het helder worden van de onheldere geest.

        Verder, Sariputta, is de edele volgeling voorzien van de deugden welke aan de edelen dierbaar zijn, de ongebroken, ongedeerde, onbevlekte, onbedorven, bevrijdende deugden die door wijzen geprezen worden, die onbeïnvloedbaar zijn en die geestelijke concentratie bevorderen.

        Deze vierde verheven geestelijke, gelukkig makende toestand heeft hij bereikt welke leidt naar de zuivering van de nog onzuivere geest, naar het helder worden van de onheldere geest.

        Deze vier verheven geestelijke, tegenwoordig gelukkig makende toestanden wordt hij naar wens deelachtig, zonder moeite en inspanning.

        Sariputta, diegene onder de in het wit geklede gezinshoofden van wie u weet dat hij zich zo gedraagt en dat hij die toestanden deelachtig wordt, zo iemand kan van zich zeggen dat hij in de stroom is getreden, dat hij zeker is van de Verlichting."

"Denkende aan de verschrikking van de hel

wordt elke slechte daad vermeden

door de wijze mens die op zich nam

wat als "edel reglement" geldt.[120]

Hij doet geen enkel wezen pijn,

zelfs niet als hij de macht ertoe bezit;

Hij spreekt nooit bewust een leugen uit

en vergrijpt zich niet aan andermans goed.

Hij heeft genoeg aan eigen vrouw

en begeert niet de vrouw van een ander.

Van wijn en bedwelmende drank blijft hij verre

omdat ze de geest in de war brengen.

Hij denkt aan de Boeddha

en denkt na over de leer;

Hij koestert een liefdevol gemoed

dat naar de hemel leidt.

Wanneer degene die naar het goede streeft,

de gaven die gereed gemaakt zijn

eerst aan de heiligen verdeelt,

ontstaat voor de gever een hoog loon.

Sariputta, de heiligen zal ik je tonen,

dus luister goed naar mij.

Of het nu een zwart of een wit rund is,

een rood- of geelbruin-kleurig,

gevlekt, met één kleur,

of de kleur van een duif, hoe het ook zij,

als het een goed getemde stier is

die krachtig als een lastdier dient,

met edele snelheid gaat,

alleen zo'n rund spant men aan,

en op de kleur let men niet.

Evenzo is het bij de mensen:

of zij krijgers, brahmanen of burgers zijn,

dienaren, schoonmakers of Candālas,

degene die onder al dezen,

van welke kaste hij ook mag zijn,

zelfbeheersing heeft en deugdzaam is,

de waarheid spreekt en schaamte heeft;

die ontgaan is aan de geboorte, aan de dood,

het heilige leven helemaal vervullend,

wie zonder lasten en zonder boeien,

wie vrij van plichten, vrij van neigingen is,

een meesterkenner van alle dingen,

die zonder hechten de bevrijding ziet,

- op een dergelijk onbevlekt veld

brengen gaven hoog loon.

Maar de onverstandige dwazen,

zonder inzicht en zonder kennis,

geven de gaven buiten de Orde

en zoeken niet de heiligen op.

Wie evenwel zulke heiligen vereren,

zulke waarachtig oprechte wijzen,

wier vertrouwen tot de Verhevene

diep geworteld en onwrikbaar is,

die gaan naar de hemel

of hier naar een hoge stand;

en geleidelijk zullen zij wijs

tot Nibbana aankomen."

A.V.180. Streeft steeds hoger

        Eens ging de Verhevene met een grote schare van monniken door het land van Kosala. Hij zag er een groot bos van sala-bomen, ging er binnen en op een bepaalde plek glimlachte hij. De eerwaarde Ananda vroeg zich af waarom de Verhevene een glimlach toonde. Volmaakten glimlachen niet zonder reden. Hij vroeg daarom aan de Verhevene waarom deze glimlachte.

        De Verhevene vertelde toen het volgende verhaal over de lekenvolgeling Gavesi.

        “Ananda, eens was op deze plek een bloeiende stad. Bij die stad leefde de Verheven Kassapa.[121] Hij had een lekenvolgeling met naam Gavesī, die de regels van deugdzaamheid niet navolgde. Gavesi had 500 lekenvolgelingen die door hem werden onderwezen; en ook die volgden de regels van deugdzaamheid niet na.

        Toen dacht Gavesī dat hij een grote steun was voor die 500 lekenvolgelingen, maar dat hij de vijf regels niet navolgde en dat zij die regels evenmin navolgden. ‘Wij zijn daarin gelijk. Maar ik wil hen overtreffen.’ Hij deelde toen mee dat hij de regels wilde navolgen. Hierop wilden ook de 500 lekenvolgelingen die regels navolgen. Gavesi wilde hen weer overtreffen en deelde mee dat hij kuis en in onthouding wilde leven. Dat deden toen zijn volgelingen ook. En weer wilde Gavesi hen overtreffen. Hij gebruikte alleen nog één maaltijd vóór de middag; ‘s nachts bleef hij nuchter. Maar de lekenvolgelingen deden zijn voorbeeld na. Gavesi ging toen naar de verheven Kassapa, de volmaakte heilige, en vroeg om de wijding tot novice en de wijding tot monnik. En na niet lange tijd bereikte hij het hoge doel; wedergeboorte was uitgedoofd, hij was een van de volmaakte heiligen geworden.

        Maar ook zijn lekenvolgelingen ontvingen van de verheven Kassapa de wijding tot monnik. En ook zij bereikten het hoogste doel van de heiligheid.

        Ananda, zo hadden die vijfhonderd monniken, door Gavesi geleid en door steeds naar iets hogers te streven, het onvergelijkbare geluk van de bevrijding verwerkelijkt.

Daarom, Ananda, mogen jullie ernaar streven: 'Naar steeds iets hogers, steeds iets edelers strevend, willen wij het onvergelijkbare geluk van de bevrijding verwerkelijken.' Laat dat, Ananda, jullie streven zijn."

Hoofdstuk 19. arañña-vagga

Hoofdstuk 20. brāhmana-vagga

A.V.193. De vijf hindernissen

De brahmaan Sangārava vroeg eens aan de Verhevene waarom hij zich soms wel en soms niet kon herinneren aan de spreuken die hij geleerd had.

Het antwoord van de Boeddha luidde:

      "Als de volgende vijf geestelijke hindernissen aanwezig zijn, kan men niet helder zijn eigen heil onderkennen, noch dat van anderen, noch dat van beiden."

Brahmaan, wanneer men met een door begeerte geboeide geest, met een door begeerte gekwelde geest vertoeft en opheffing van de ontstane zinnelijke lust niet overeenkomstig de werkelijkheid onderkent, op zo'n tijd ziet en onderkent men overeenkomstig de werkelijkheid noch zijn eigen heil, noch het heil van anderen, noch het gemeenschappelijke heil.

Brahmaan, wanneer men met een door haat geboeide geest, met een door haat gekwelde geest vertoeft en opheffing van de ontstane haat niet overeenkomstig de werkelijkheid onderkent, op zo'n tijd ziet en onderkent men overeenkomstig de werkelijkheid noch zijn eigen heil, noch het heil van anderen, noch het gemeenschappelijke heil.

        Brahmaan, wanneer men met een door starheid en luiheid geboeide geest, met een door starheid en luiheid  gekwelde geest vertoeft en opheffing van de ontstane starheid en luiheid niet overeenkomstig de werkelijkheid onderkent, op zo'n tijd ziet en onderkent men overeenkomstig de werkelijkheid noch zijn eigen heil, noch het heil van anderen, noch het gemeenschappelijke heil.

        Brahmaan, wanneer men met een door rusteloosheid en gewetenswroeging geboeide geest, met een door rusteloosheid en gewetenswroeging gekwelde geest vertoeft en opheffing van de ontstane rusteloosheid en gewetenswroeging niet overeenkomstig de werkelijkheid onderkent, op zo'n tijd ziet en onderkent men overeenkomstig de werkelijkheid noch zijn eigen heil, noch het heil van anderen, noch het gemeenschappelijke heil.

        Brahmaan, wanneer men met een door twijfel geboeide geest, met een door twijfel gekwelde geest vertoeft en opheffing van de ontstane twijfel niet overeenkomstig de werkelijkheid onderkent, op zo'n tijd ziet en onderkent men overeenkomstig de werkelijkheid noch zijn eigen heil, noch het heil van anderen, noch het gemeenschappelijke heil.

        Maar brahmaan, wanneer men in de geest niet geboeid en gekweld wordt door begeerte, haat, starheid en luiheid, rusteloosheid en gewetenswroeging, en twijfel, op zo'n tijd ziet en onderkent men overeenkomstig de werkelijkheid zowel zijn eigen heil, als ook het heil van anderen, en het gemeenschappelijke heil.

        Als deze vijf geestelijke hindernissen afwezig zijn, kan men wel helder zijn eigen heil onderkennen, en dat van anderen, en dat van beiden. En dan herinnert men zich ook weer aan de spreuken die men geleerd heeft."

        “Prima uitgelegd, heer.” En de brahmaan werd een lekenvolgeling van de verheven Gotama.

A.V.194. De bezielende leer

Eens verbleef de Verhevene in het grote bos bij Vesālī, in de hal van het gevelhuis. In die tijd nu was de brahmaan Karanapāli bezig met een werk voor de Licchaviers. En de brahmaan Karanapāli zag van verre de brahmaan Pingiyāni komen, en bij het zien van hem zei hij: “Hallo, heer Pingiyāni, waar komt u vandaan in de middag?” - “Ik kom van de asceet Gotama.”

“Welke mening heeft heer Pingiyāni over de grote kennis van de asceet Gotama? Denkt hij dat hij een wijze man is?” - “Wie ben ik, geachte,  dat ik de omvang van de kennis van de asceet Gotama zou kunnen meten? Waarlijk, men zou aan hem gelijk moeten zijn om de omvang van zijn kennis te meten.”

"Waarlijk, met hoge lofprijzing roemt heer Pingiyāni de asceet Gotama." - "Wie ben ik, geachte, dat ik de asceet Gotama zou moeten prijzen? Keer op keer wordt immers die heer Gotama geprezen, de beste van goden en mensen." - “En om welke reden is heer Pingiyāni zo enthousiast over de asceet Gotama?”-

“Geachte, juist zoals een man die zich zat heeft gegeten aan de heerlijkste gerechten, niet meer naar iets anders, minder lekkers verlangt, juist zo kan iemand geen verlangen meer hebben naar de leringen van die talrijke andere asceten en brahmanen, nadat men eenmaal de leer van deze heer Gotama heeft vernomen, of dat nu uit de leerreden was, het proza vermengd met verzen, de uitleggingen of de leringen van de wonderbaarlijke dingen.

Of zoals wanneer een man die door honger en zwakte overweldigd is, een stuk honinggebak krijgt, dan voelt hij, steeds wanneer hij ervan proeft, altijd slechts een zoete, aangename smaak; evenzo voelt degene die de leer van die heer Gotama heeft vernomen, voldoening en vreugdevol vertrouwen in het hart.

Of zoals wanneer een man een stuk geel of rood sandelhout vindt,  dan zal hij, steeds wanneer hij eraan ruikt - of het nu boven, beneden of in het midden is - een lieflijke, aangename geur waarnemen; evenzo voelt degene die de leer van die heer Gotama heeft gehoord, voldoening en vreugdevol vertrouwen in het hart.

Of zoals wanneer een man zwak is, lijdend, ernstig ziek is en een bekwame arts geneest zijn ziekte onmiddellijk; evenzo worden, zodra men de leer van die heer Gotama heeft vernomen, zorgen, geweeklaag, pijn, droefenis en wanhoop geëlimineerd.

Of er is een vijver met helder, verfrissend, koel, zilver-helder water, mooi gelegen en verrukkelijk. En een man, gloeiend van hitte, door de hitte overweldigd, uitgeput, dorstig, door dorst gekweld, kwam erlangs. En hij ging in die vijver en nam erin een bad. Daarna laafde hij zich aan het water en stilde zo alle kwelling, uitputting en gloed. Evenzo wordt, wanneer men de leer van die heer Gotama heeft gehoord, alle kwelling, uitputting en gloed gestild."

Na deze woorden stond de brahmaan Karanapāli op van zijn zitplaats,  gooide het buitengewaad over een schouder; en terwijl hij zijn rechterknie op de grond boog en de gevouwen handen ophief in de richting waar de Gezegende vertoefde, liet hij de vreugdevolle uitroep  klinken:

“Eer aan de Verhevene, de heilige, de volmaakt Ontwaakte.

Eer aan de Verhevene, de heilige, de volmaakt Ontwaakte.

Eer aan de Verhevene, de heilige, de volmaakt Ontwaakte.”

        “Voortreffelijk, heer Pirigiyani, prima uitgelegd. Ik neem mijn toevlucht tot de Boeddha, tot zijn leer en tot de gemeenschap van de monniken.”

A.V.196. De vijf dromen van de Bodhisatta - Mahasupina sutta

        Monniken, de Volmaakte, de heilige, volmaakt Verlichte, had kort voor zijn volmaakte Verlichting, toen hij nog een onverlichte, een Bodhisatta was, de volgende vijf verheven droombeelden.

        Deze enorme aarde vormde zijn grote bed. De Himālaya, de koning van de bergen, had hij als hoofdkussen. Op de oostelijke oceaan rustte zijn linker hand, op de westelijke oceaan lag zijn rechter hand en op de zuidelijke oceaan rustten zijn voeten. Monniken, dit was het eerste verheven droombeeld dat hij had.

        Verder, monniken, groeide een klimplant met naam Tiriya uit zijn navel omhoog tot aan het hemelgewelf. Dit is het tweede verheven droombeeld dat hij had.

        Verder, monniken, kropen witte wormen met zwarte koppen zijn benen omhoog en bedekten die tot aan de knieschijven. Dit is het derde verheven droombeeld dat hij had.

        Verder, monniken, kwamen vier vogels van verschillende kleuren uit de vier windrichtingen aangevlogen, lieten zich aan zijn voeten neer en werden toen volledig wit. Dit is het vierde verheven droombeeld dat hij had.

        Verder, monniken, liep hij steeds hoger op een hoge berg van uitwerpselen zonder door die uitwerpselen bevlekt te worden. Dit is het vijfde verheven droombeeld dat hij had.

        Het eerste verheven droombeeld toonde hem dat de Volmaakte, de heilige, volmaakt Verlichte de onvergelijkbare, hoogste Verlichting zal verkrijgen.

        Het tweede verheven droombeeld toonde hem dat de Volmaakte, de heilige, volmaakt Verlichte het edele achtvoudige pad zal inzien en het, zover er goden en mensen zijn, duidelijk zal uitleggen.

        Het derde verheven droombeeld toonde hem dat talrijke in het wit geklede leken bij de Volmaakte tijdens zijn leven hun toevlucht zullen nemen.

        Het vierde verheven droombeeld toonde hem dat de mensen van de vier kasten – edellieden, brahmanen, burgers en dienaren – bij het vernemen van de door de Volmaakte verkondigde leer en discipline van het leven in huis in de huisloosheid vertrekken en de onvergelijkbare bevrijding zullen verwerkelijken.[122]

        Het vijfde verheven droombeeld toonde hem dat de Volmaakte, heilige, volmaakt Verlichte rijkelijk voorzien wordt met gewaad, aalmoezenmaaltijd, rustplaats en de benodigde medicijnen en dat hij daarvan gebruikt maakt, zonder eraan te hechten, onverblind en er niet in verstrikt.

        Deze vijf verheven droombeelden had de Volmaakte, de heilige, volmaakt Verlichte, kort voor zijn volmaakte Verlichting, toen hij nog een onverlichte, een Bodhisatta was.[123]

A.V.198. Het goed gesproken woord

Monniken, een woord dat vijf eigenschappen heeft, is goed gesproken, niet slecht gesproken, onberispelijk, kan door verstandige mensen niet berispt worden. Welke zijn die vijf eigenschappen?

Wanneer een woord op het juiste moment wordt gesproken, wanneer het waar is, beleefd, doelmatig en uit een liefdevolle geest komt.

A.V.199. De invloed van de zedenreine monnik

        Op een tijd wanneer zedenreine monniken naar een huis gaan, dan verwerven de mensen er grote verdienste om vijf redenen.                

        Wanneer de gedachten van de mensen blij worden bij het zien van een zedenreine monnik die naar hun huis komt, op een dergelijke tijd heeft dat gezin het pad naar de hemel genomen.

        Wanneer de mensen een zedenreine monnik die naar hun huis komt, bedienen, hem vol eerbied begroeten en en een zitplaats aanbieden, op een dergelijke tijd heeft dat gezin het pad genomen naar wedergeboorte in een hooggeplaatste familie.

        Wanneer de mensen bij het naderen van een zedenreine monnik naar hun huis de smet van gierigheid ontzeggen, op een dergelijke tijd heeft dat gezin het pad naar grote macht genomen.

        Wanneer de mensen aan een zedenreine monnik die naar hun huis komt, naar beste vermogen gaven uitdelen, op een dergelijke tijd heeft dat gezin het pad naar groot vermogen genomen.

        Wanneer de mensen aan een monnik die naar hun huis komt, om uitleg vragen en naar de leer luisteren, op een dergelijke tijd heeft dat gezin het pad naar hogere wijsheid genomen.

        Wanneer zedenreine monniken zich naar een huis begeven, dan verwerven de mensen er grote verdienste vanwege deze vijf redenen.

A.V.200. De vijf elementen van ontkomen; nibbana

Er zijn vijf elementen van ontsnapping,[124] monniken. Welke vijf?

Monniken, wanneer een monnik een object van de zintuigen overweegt,[125] dan voelt zijn geest geen drang naar de objecten van de zintuigen, heeft er geen plezier in, blijft er niet bij, neigt zich niet ernaartoe.

Maar wanneer hij de verzaking[126] overweegt, dan voelt zijn geest een drang naar verzaking, vindt plezier eraan, blijft erbij, neigt zich ernaartoe. Dan is zijn geest goed gericht, goed ontwikkeld, goed bevrijd van [de zinnelijkheid], goed [ervan] bevrijd, goed losgemaakt van de dingen van de zintuigen. Hij is bevrijd van die beklemmende, kwellende neigingen die, veroorzaakt door de dingen van de zintuigen tot ontstaan komen; en die gewaarwordingen[127] vinden bij hem geen toegang meer. Dit nu noemt men het ontsnappen aan de lusten van de zintuigen.[128]

Wanneer verder een monnik de haat overweegt, dan voelt zijn geest geen drang tot haten, heeft er geen plezier in, blijft er niet bij, neigt zich niet ernaartoe. Maar wanneer hij de huisloosheid overweegt,[129] dan voelt zijn geest een drang naar huisloosheid, vindt plezier eraan, blijft erbij, neigt zich ernaar toe. Dan is zijn geest goed gericht, goed ontwikkeld, goed bevrijd van [de haat], goed [ervan] bevrijd, goed losgemaakt van de haat. Hij is bevrijd van die beklemmende, kwellende neigingen die, veroorzaakt door de haat tot ontstaan komen; en die gewaarwordingen vinden bij hem geen toegang meer. Dit nu noemt men het ontsnappen aan de haat.

Wanneer verder een monnik de vijandigheid[130] overweegt, dan voelt zijn geest geen drang tot vijandigheid, heeft er geen plezier in, blijft er niet bij, neigt zich niet ernaartoe.

Maar wanneer hij de verdraagzaamheid[131] overweegt, dan voelt zijn geest een drang naar verdraagzaamheid, vindt plezier eraan, blijft erbij, neigt zich ernaar toe. Dan is zijn geest goed gericht, goed ontwikkeld, goed bevrijd van [de vijandigheid], goed [ervan] bevrijd, goed losgemaakt van de vijandigheid. Hij is bevrijd van die beklemmende, kwellende neigingen die, veroorzaakt door de vijandigheid, tot ontstaan komen; en die gewaarwordingen vinden bij hem geen toegang meer. Dit nu noemt men het ontsnappen aan de vijandigheid.

Wanneer verder een monnik het lichamelijke  overweegt, dan voelt zijn geest geen drang tot het lichamelijke, heeft er geen plezier in, blijft er niet bij, neigt zich niet ernaartoe.

Maar wanneer hij het onlichamelijke[132] overweegt, dan voelt zijn geest een drang naar het onlichamelijke, vindt plezier eraan, blijft erbij, neigt zich ernaar toe. Dan is zijn geest goed gericht, goed ontwikkeld, goed bevrijd van [het lichamelijke], goed [ervan] bevrijd, goed losgemaakt van het lichamelijke. Hij is bevrijd van die beklemmende, kwellende neigingen die, veroorzaakt door het lichamelijke tot ontstaan komen; en die gewaarwordingen vinden bij hem geen toegang meer. Dit nu noemt men het ontsnappen aan het lichamelijke.

        Wanneer verder een monnik de persoonlijkheid [133] overweegt, dan voelt zijn geest geen drang tot de persoonlijkheid, heeft er geen plezier in, blijft er niet bij, neigt zich niet ernaartoe.

Maar wanneer hij de opheffing[134] van de persoonlijkheid overweegt, dan voelt zijn geest een drang naar de opheffing van de persoonlijkheid, vindt plezier eraan, blijft erbij, neigt zich ernaar toe. Dan is zijn geest goed gericht, goed ontwikkeld, goed bevrijd van [de persoonlijkheid], goed [ervan] bevrijd, goed losgemaakt van de persoonlijkheid. Hij is bevrijd van die beklemmende, kwellende neigingen die, veroorzaakt door de persoonlijkheid tot ontstaan komen; en die gewaarwordingen vinden bij hem geen toegang meer. Dit nu noemt men het ontsnappen aan de persoonlijkheid.

        Bij een dergelijk persoon kleeft geen zinnelijke lust meer aan, geen lust aan het haten, geen lust aan vijandigheid, geen lust aan het lichamelijke, geen lust aan de persoonlijkheid. En omdat hem daaraan geen lust meer aankleeft, daarom noemt men een dergelijke monnik vrij van hechten (nir-anusayo). Hij heeft de begeerte afgesneden, de ketenen verwijderd, en door volledig doorzien van de eigenwaan heeft hij een einde gemaakt aan het lijden.

Dat, monniken, zijn de vijf elementen van ontsnapping.

Hoofdstuk 21. kimbila-vagga

A.V.201. De duur van de leer - Kimila sutta

In het bamboebos bij Kimbila[135] vroeg de eerwaarde Kimbila aan de Verhevene:

“Heer, wat is wel de reden, wat is de oorzaak wanneer na het heengaan van de Volmaakte de goede leer niet meer lang bestaat?”

        "Kimbila, wanneer na het heengaan van de Volmaakte de monniken en nonnen, de mannelijke en vrouwelijke lekenvolgelingen geen respect en eerbied hebben voor de Meester, voor de leer, voor de gemeenschap van de monniken, voor de geestelijke training en voor elkaar, dat is dan de reden, dat is de oorzaak wanneer na het heengaan van de Volmaakte de goede leer niet meer lang blijft bestaan."

        “Heer, maar wat is de oorzaak wanneer na het heengaan van de Volmaakte de goede leer nog lang blijft bestaat?”

        "Kimbila, wanneer na het heengaan van de Volmaakte de monniken en nonnen, de mannelijke en vrouwelijke lekenvolgelingen respect en eerbied hebben voor de Meester, voor de leer, voor de gemeenschap van de monniken, voor de geestelijke training en voor elkaar, dan is dat een reden, een oorzaak ervoor dat na het heengaan van de Volmaakte de goede leer nog lang blijft bestaan."

A.V.202. Voordelen van het luisteren naar de leer

        Monniken, vijf voordelen krijgt men door het luisteren naar de leer. Die vijf voordelen zijn: Het niet gehoorde krijgt men te horen; het reeds gehoorde wordt iemand duidelijk; de twijfel wordt verstrooid; men verbetert zijn begrip van de leer;[136] en het hart klaart op.

A.V.203. Het koninklijke paard; de waardige monnik

Vgl. A.III.97; A.IV.112.

A.V.204. Vijf krachten - Bala sutta

Er zijn vijf krachten, monniken. Welke vijf? De kracht van vertrouwen, de kracht van schaamte, de kracht van morele vrees, de kracht van de wil en de kracht van wijsheid.

A.V.205. Vijf geestelijke hindernissen

Er zijn vijf verhardingen van de geest (ceto-khila), monniken. Welke vijf?

Monniken, daar wankelt en twijfelt een monnik wat betreft de Meester, is zonder zekerheid en vertrouwen. Maar bij een monnik die wat betreft de Meester wankelt en twijfelt, die zonder zekerheid en vertrouwen is, bij hem is de geest niet geneigd tot ijver, tot inspanning, doorzettingsvermogen en tot strijd. En dat de geest niet geneigd is tot ijver, tot inspanning, doorzettingsvermogen en tot strijd, dat geldt als de eerste verharding van de geest.

Verder monniken, wankelt en twijfelt een monnik wat betreft de leer - de gemeenschap van de monniken - de geestelijke training - hij ergert zich over zijn broeders in de Orde, is ontevreden over hen, is boos en koppig. Maar met een monnik die zich ergert over zijn broeders in de Orde, die ontevreden over hen is, die boos en koppig is, bij hem is de geest niet geneigd tot ijver, tot inspanning, doorzettingsvermogen en tot strijd. En dat de geest niet geneigd is tot ijver, tot inspanning, uithoudingsvermogen en tot strijd, dat geldt als de tweede - derde - vierde - vijfde verharding van de geest.

Deze vijf verhardingen van geest zijn er, monniken.

A.V.206. Vijf verwikkelingen van de geest