Facetten van het Boeddhisme


naar INDEX  of  naar Indeling van Ang.Nik.


5.2.4.10. Anguttara Nikaya, Dasaka-nipata, het boek van tien.

Copyright ©  2021 / 2564

Het is toegestaan om elektronisch of in gedrukte vorm fragmenten van deze compilatie of de compilatie in zijn geheel over te nemen voor eigen gebruik, of ook met als doel ze met anderen te delen, uitsluitend voor gratis verspreiding en zonder commercieel oogmerk.


indeling         inleiding


Anguttara Nikaya

Dasaka-Nipata

Het boek van tien

een selectie

Indeling

Het Dasaka-Nipata is verdeeld in 23 vaggas of hoofdstukken, met 219 suttas.

Hoofdstuk 1. ānisamsa-vagga (A.X.1-10)

A.X.1. Zegen van de deugdzaamheid

A.X.2. Wetmatigheid van geestelijke ontwikkeling

A.X.6. Concentratie I

A.X.7. Concentratie II

A.X.8. Volmaaktheid in het monnikschap

A.X.9-10. Volmaaktheid in het monnikschap II-III

Hoofdstuk 2. nātha-vagga (A.X.11-20)

A.X.12. De meest verheven mens

A.X.13. De tien boeien

A.X.14. Vijf geestelijke hindernissen en vijf verwikkelingen van de geest

A.X.15. Energiek streven - het begin van alle goede dingen 

A.X.16. Tien mensen die eer waard zijn

A.X.17. Beschermingen I

A.X.18. Beschermingen II

Hoofdstuk 3. mahā-vagga (A.X.21-30)

A.X.21. Het leeuwengebrul van de Volmaakte – de tien krachten van een Tathagata

A.X.23. Wegen van overwinning

A.X.25. De tien Kasina oefeningen

A.X.29. Vergankelijkheid van alles - Pathama-kosala Sutta

A.X.30. Eerbetoon door koning Pasenadi

Hoofdstuk 4. upāli-vagga (A.X.31-40)

A.X.31. Doel van de discipline

A.X.35. Splitsing in de Orde - I (Upāli)

A.X.36. Eensgezindheid in de Orde - I (Upāli)

A.X.37-38. Splitsing in de Orde- II (Ānanda)

A.X.39-40. Eensgezindheid in de Orde - II (Ānanda)

Hoofdstuk 5. akkosa-vagga (A.X.41-50)

A.X.46. De achtvoudige feestdag; uposatha

A.X.47. Redenen voor slechte en goede daden

A.X.48. Tien contemplaties voor de monnik

A.X.49. Met het lichaam verbonden

Hoofdstuk 6. sacitta-vagga (A.X.51-60)

A.X.51. Zelfonderzoek

A.X.52. Zelfonderzoek II

A.X.53. Achteruitgang en vooruitgang

A.X.56-57. Tien contemplaties

A.X.58. De wortel van alle dingen

A.X.60. Girimānanda sutta - De toespraak tot de eerwaarde Girimānanda [tien contemplaties]

Hoofdstuk 7. yamaka-vagga (A.X.61-70)

A.X.61. Oorzakelijk ontstaan

A.X.62. oorzakelijk ontstaan

A.X.63. Zekerheid; volmaaktheid

A.X.64 Onwrikbaar vertrouwen

A.X.65. Wat is geluk, wat is ellende [kenmerken van niet meer geboren worden]

A.X.66. Vreugde over de leer

A.X.69. Onedel en edel gesprek

A.X.70. Oorzaken voor lofprijzing

Hoofdstuk 8. ākankha-vagga (A.X.71-80)

A.X.71. Vervulling van alle wensen

A.X.72. Storingen bij de concentratie

A.X.73. Zelden in de wereld te verkrijgen

A.X.74. De edele winst

A.X.79-80. Overwinning van wrok

Hoofdstuk 9. thera-vagga (A.X.81-90)

A.X.81. De onbevlekte lotus

A.X.86. Beweren het hoogste weten te hebben

A.X.88. Het lot van degene die anderen beschimpt

A.X.89. Kokālika

Hoofdstuk 10. upāli-vagga (A.X.91-100)

Hoofdstuk 11. samanasaññā-vagga (A.X.101-112)

A.X.112. Degene die geen opleiding meer nodig heeft

Hoofdstuk 12. paccorohani-vagga (A.X.113-122)

A.X.117. Deze en de andere oever; nibbana

Hoofdstuk 13. parisuddha-vagga (A.X.123-133)

Hoofdstuk 14. sādhu-vagga (A.X.134-144)

Hoofdstuk 15. ariya-vagga (A.X.145-154)

Hoofdstuk 16. puggala-vagga (A.X.155-167)

Hoofdstuk 17. jānussoni-vagga (A.X.168-177)

A.X.177. Dodenoffer

Hoofdstuk 18. sādhu-vagga (A.X.178-188)

Hoofdstuk 19. ariyamagga-vagga (A.X.189-198)

Hoofdstuk 20. aparapuggala-vagga (A.X.199)

Hoofdstuk 21. karajakāya-vagga (A.X.200-209)

A.X.205. De manier van wegkruipen [kamma]

A.X.208. Zegeningen van mettā, karunā, muditā en upekkhā

Hoofdstuk 22. sāmañña-vagga (A.X.210-216)

Hoofdstuk 23. rāga-peyyāla (A.X.217-219)

Inleiding

        

Het boek van tien bevat de volgende onderwerpen: tien contemplaties: vergankelijkheid, niet-zelf, dood, onaangenaamheid van voedsel, onverschilligheid (neutraliteit) t.o.v. de wereld, gebeente, en vier niveaus van een lichaam in staat van ontbinding. Tien soorten van zuiverheid: door juiste kennis, juiste bevrijding, en door de acht stappen op het edele achtvoudige pad. De tien krachten van een Boeddha. Tien fundamentele vragen (een samenvatting van de hele leer van de Boeddha) over de tien redenen om het Pātimokkha in te stellen. Tien soorten van rijke mensen. Tien voordelen voor iemand die in sīla, deugdzaamheid, is gevestigd. Tien boeien: geloof in persoonlijkheid, sceptische twijfel, riten en ceremonies verkeerd opvatten als het ware pad, zintuiglijke verlangens, kwaadwil, gehechtheid aan de sfeer van vormen, gehechtheid aan de sfeer zonder vormen, bedrog, rusteloosheid, onwetendheid. Het is nodig af en toe zelf onderzoek te doen, om te zien of begeerte, kwaadwil, traagheid en starheid in iemand zijn ontstaan of niet; om te zien of bezorgdheid en opwinding, en twijfels in iemand bestaan; om te zien of men vrij is van boosheid (woede) en of iemands geest wel of niet door onheilzame gedachten besmet is; om te zien of het lichaam op zijn gemak is zonder rusteloosheid; om te zien of men door luiheid is overvallen; om te zien of men concentratie van de geest heeft met helder begrip.[1]

Hoofdstuk 1. ānisamsa-vagga (A.X.1-10)

A.X.1. Zegen van de deugdzaamheid

In het Jetavana te Sāvatthī vroeg de eerwaarde Ananda aan de Verhevene: “Heer, wat is de zegen en het loon van heilzame zeden?” - "Het zijn zonder spijt, Ananda, is de zegen en beloning van heilzame zeden."

"Maar wat, Heer, is de zegen en beloning van het zijn zonder spijt?" - "Vreugde, Ananda."

"En Heer, wat is de zegen en beloning van de vreugde?” - "Vervoering, Ananda."

"En de vervoering, Heer?" - Het stil worden, Ananda."

"En het stil worden, Heer?" - Geluk, Ananda."

"En geluk, Heer?" - "Concentratie van de geest, Ananda."

"En de concentratie van de geest, Heer?" - "Inzicht overeenkomstig de werkelijkheid, Ananda."

"En het inzicht overeenkomstig de werkelijkheid. Heer?" - "Afwending en onthechting, Ananda."

"En wat, Heer, is de zegen en het loon van afwending en onthechting?" - "Het inzicht van de bevrijding, Ananda."

"Zomede, Ananda, hebben de heilzame zeden het zijn zonder spijt tot zegen en loon; het zijn zonder spijt heeft vreugde tot zegen en loon; de vreugde heeft het stil zijn tot zegen en loon; het stil zijn heeft geluk tot zegen en loon; het geluk heeft de concentratie van de geest tot zegen en loon; de concentratie van de geest heeft het inzicht overeenkomstig de werkelijkheid tot zegen en loon; het inzicht overeenkomstig de werkelijkheid heeft afwending en onthechting tot loon; afwending en onthechting hebben het inzicht van de bevrijding tot zegen en loon.

Zo, Ananda, leiden dus de heilzame zeden geleidelijk tot het hoogste."

A.X.2. Wetmatigheid van geestelijke ontwikkeling

Monniken, de moreel zuivere, degene die zedelijkheid bezit, hoeft de wil niet in te spannen opdat bij hem het zijn zonder spijt ontstaat; het is een wet dat bij de moreel zuivere, degene die zedelijkheid bezit, het zijn zonder spijt ontstaat.

Monniken, degene zonder spijt hoeft de wil niet in te spannen opdat bij hem vreugde ontstaat; het is een wet dat bij degene zonder spijt vreugde ontstaat.

Monniken, degene met vreugde hoeft de wil niet in te spannen opdat bij hem vervoering ontstaat; het is een wet dat bij de vreugdige vervoering ontstaat.

Monniken, degene met vervoering hoeft de wil niet in te spannen opdat zijn innerlijk tot stilheid komt; het is een wet dat bij degene met vervoering het innerlijk tot stilheid komt.

Monniken, degene bij wie het innerlijk tot stilheid is gekomen, hoeft de wil niet in te spannen opdat hij geluk ondervindt; het is een wet dat degene die innerlijk tot stilheid komt geluk ondervindt.  

Monniken, de gelukkige hoeft de wil niet in te spannen opdat zijn geest zich concentreert; het is een wet dat bij de gelukkige de geest zich concentreert.  

Monniken, degene die in de geest geconcentreerd is hoeft de wil niet in te spannen opdat hij overeenkomstig de werkelijkheid inzicht heeft; het is een wet dat degene wiens geest geconcentreerd is, inzicht heeft overeenkomstig de werkelijkheid.

Monniken, degene die overeenkomstig de werkelijkheid inzicht heeft, hoeft de wil niet in te spannen opdat hij zich afwendt en onthecht wordt; het is een wet dat degene die overeenkomstig de werkelijkheid inzicht heeft, zich afwendt en onthecht wordt.

Monniken, degene die zich afwendt en onthecht is, hoeft de wil niet in te spannen opdat hij het inzicht van de bevrijding verwerkelijkt; het is een wet dat degene die zich afwendt en onthecht is, het inzicht van de bevrijding verwerkelijkt.

        

"Zomede hebben afwending en onthechting het inzicht van de bevrijding tot zegen en loon; heeft het inzicht overeenkomstig de werkelijkheid afwending en onthechting tot loon; heeft de concentratie van de geest het inzicht overeenkomstig de werkelijkheid tot zegen en loon; heeft het stil zijn geluk tot zegen en loon; heeft de vreugde het stil zijn tot zegen en loon; heeft het zijn zonder spijt vreugde tot zegen en loon; hebben de heilzame zeden het zijn zonder spijt tot zegen en loon.

Monniken, zo dus laat de ene verschijning de andere verschijning ontstaan, brengt de ene verschijning de andere verschijning tot voltooiing, zodat de verschijningen van deze kant naar het doel aan de andere kant leiden.”[2]

A.X.6. Concentratie I

De eerwaarde Ananda vroeg aan de Verhevene: "Heer, kan de monnik een dergelijke concentratie bereiken dat hij met het oog op de aarde zonder waarneming van de aarde is, dat hij met het oog op het water - het vuur - de wind - het gebied van de oneindigheid van de ruimte - van de oneindigheid van bewustzijn - van de nietsheid - van de noch waarneming noch niet waarneming - met het oog op deze wereld - met het oog op gene wereld zonder waarneming van al deze is en dat hij toch waarneming heeft?"

        "Ja, Ananda, dat is mogelijk"

        "Maar Heer, hoe kan de monnik een dergelijke concentratie bereiken?"

"Ananda, de monnik heeft dan de waarneming: 'Dit is de vrede, dit is het verhevene, namelijk het tot stilstand komen van alle karmische formaties, de bevrijding van alle grondslagen van bestaan, de opdroging van begeerte, de onthechting, uitdoving, het Nibbana.' Op deze manier kan de monnik een dergelijke concentratie bereiken."[3]

A.X.7. Concentratie II

De eerwaarde Ananda vroeg aan de eerwaarde Sariputta: "Heer, kan de monnik een dergelijke concentratie bereiken dat hij met het oog op de aarde zonder waarneming van de aarde is, dat hij met het oog op het water - het vuur - de wind - het gebied van de oneindigheid van de ruimte - van de oneindigheid van bewustzijn - van de nietsheid - van de noch waarneming noch niet waarneming - met het oog op deze wereld - met het oog op gene wereld zonder waarneming van al deze is en dat hij toch waarneming heeft?"

"Ja, Ananda, dat is mogelijk"

“Maar broeder Sariputta, hoe kan de monnik een dergelijke concentratie bereiken?”

“Eens, broeder Ananda, verbleef ik hier bij Sāvatthī in het donkere bos. Daar bereikte ik zo'n concentratie dat ik met het oog op de aarde zonder waarneming van de aarde was, dat ik met het oog op het water - het vuur - de wind - het gebied van de oneindigheid van de ruimte - van de oneindigheid van bewustzijn - van de nietsheid - van de noch waarneming noch niet waarneming - met het oog op deze wereld - met het oog op gene wereld zonder waarneming van al deze was en dat ik toch waarneming had.”

“Maar welke waarneming had de eerwaarde Sariputta bij deze gelegenheid?”

“Nibbāna is uitdoving van bestaan. Nibbāna is uitdoving van bestaan,[4] - deze ene waarneming, broeder, kwam in mij op en de andere waarneming verdween. Broeder, ongeveer net zoals bij een takkenvuur de ene vlam oplicht, maar de andere vlam verdwijnt; evenzo, broeder, kwam in mij bij de gedachte 'Nibbāna is de uitdoving van bestaan​​' deze ene waarneming op en de andere waarneming verdween. Dat Nibbāna de uitdoving van bestaan ​​is, deze waarneming had ik bij die gelegenheid."

A.X.8. Volmaaktheid in het monnikschap

Monniken, als een monnik vol vertrouwen is maar zonder deugdzaamheid, dan is hij in dit opzicht nog onvolmaakt. Hij moet deze eigenschap daarom tot volmaaktheid brengen en ernaar streven: 'Moge ik toch naast vertrouwen ook deugdzaamheid hebben.' Maar als hij naast vertrouwen ook nog deugdzaamheid heeft, dan is hij in dit opzicht volmaakt.

Monniken, als een monnik vol vertrouwen en rein van zeden is, maar geen groot weten heeft, dan is hij in dit opzicht nog onvolmaakt. Hij moet deze eigenschap daarom tot volmaaktheid brengen en ernaar streven: 'Moge ik toch naast vertrouwen ook groot weten hebben.' Maar als hij naast vertrouwen ook nog groot weten heeft, dan is hij in dit opzicht volmaakt.  

Monniken, als een monnik vol vertrouwen en rein van zeden is, maar geen verkondiger van de leer is, dan is hij in dit opzicht nog onvolmaakt. Hij moet deze eigenschap daarom tot volmaaktheid brengen en ernaar streven: 'Moge ik toch naast vertrouwen ook een verkondiger van de leer zijn.’ Maar als hij naast vertrouwen ook nog een verkondiger van de leer is, dan is hij in dit opzicht volmaakt.

Monniken, als een monnik vol vertrouwen en rein van zeden is, maar de vergaderingen niet bijwoont, dan is hij in dit opzicht nog onvolmaakt. Hij moet deze eigenschap daarom tot volmaaktheid brengen en ernaar streven: 'Moge ik toch naast vertrouwen ook de vergaderingen bijwonen.' Maar als hij naast vertrouwen ook nog de vergaderingen bijwoont, dan is hij in dit opzicht volmaakt.

Monniken, als een monnik vol vertrouwen en rein van zeden is, wel vergaderingen bijwoont maar daar niet met onbevangenheid de leer voordraagt, dan is hij in dit opzicht nog  onvolmaakt. Hij moet deze eigenschap daarom tot volmaaktheid brengen en ernaar streven: 'Moge ik toch naast vertrouwen ook onbevangen de leer voordragen.' Maar als hij naast vertrouwen ook nog onbevangen de leer voordraagt, dan is hij in dit opzicht volmaakt.

Monniken, als een monnik vol vertrouwen en rein van zeden is, maar geen kenner van de Orde-discipline is, dan is hij in dit opzicht nog onvolmaakt. Hij moet deze eigenschap daarom tot volmaaktheid brengen en ernaar streven: 'Moge ik toch naast vertrouwen ook een kenner van de Orde-discipline zijn.' Maar als hij naast vertrouwen ook nog een kenner van de Orde-discipline is, dan is hij in dit opzicht volmaakt.

Monniken, als een monnik vol vertrouwen en rein van zeden is, maar geen boskluizenaar is die in afgelegen huisvestingen woont, dan is hij in dit opzicht nog onvolmaakt. Hij moet deze eigenschap daarom tot volmaaktheid brengen en ernaar streven: 'Moge ik toch naast vertrouwen ook een boskluizenaar in afgelegen behuizingen zijn.' Maar als hij naast vertrouwen ook nog een boskluizenaar is die in afgelegen behuizingen woont, dan is hij in dit opzicht volmaakt. 

Monniken, als een monnik vol vertrouwen en rein van zeden is, maar niet naar wens, zonder moeite en problemen aan de vier verdiepingen deel heeft, de verheven geestelijke, tegenwoordig geluk brengende, dan is hij in dit opzicht nog onvolmaakt. Hij moet deze eigenschap daarom tot volmaaktheid brengen en ernaar streven: 'Moge ik toch naast vertrouwen ook naar wens en zonder problemen aan de vier verdiepingen deel hebben.' Maar als hij naast vertrouwen ook nog naar wens, zonder moeite deel heeft aan de vier verdiepingen, dan is hij in dit opzicht volmaakt.

 

Monniken, als een monnik vol vertrouwen en rein van zeden is, maar niet door opdroging van de neigingen nog tijdens het leven de van neigingen vrije bevrijding van het gemoed en bevrijding door wijsheid verkrijgt, ze zelf onderkennend en verwerkelijkend, dan is hij in dit opzicht nog  onvolmaakt. Hij moet deze eigenschap daarom tot volmaaktheid brengen en ernaar streven: 'Moge ik toch ook door opdroging van de neigingen nog tijdens het leven de van neigingen vrije bevrijding van het gemoed en bevrijding door wijsheid verkrijgen, ze zelf onderkennend en verwerkelijkend. Maar als hij dan ook de van neigingen vrije bevrijding van het gemoed en bevrijding door wijsheid verkrijgt, dan is hij ook in dit opzicht volmaakt.  

Monniken, wanneer de monnik voorzien is van deze tien eigenschappen, dan geeft hij overal voldoening, is op elke manier volmaakt.[5]

A.X.9-10. Volmaaktheid in het monnikschap II-III

De teksten A.X.9 en A.X.10 zijn vrijwel identiek met tekst A.X.8, met de volgende uitzonderingen: in tekst 9 is de negende eigenschap het bereiken van de onstoffelijke verdiepingen; in tekst 10 is de achtste eigenschap de 'herinnering aan vroegere vormen van bestaan' en de tiende eigenschap 'het hemelse oog'.

Hoofdstuk 2. nātha-vagga (A.X.11-20)

A.X.12. De meest verheven mens

Monniken, een monnik die vijf eigenschappen heeft opgegeven en vijf eigenschappen bezit, die wordt in deze leer en discipline als volkomen en volmaakt aangeduid, als de meest verheven mens.

Maar monniken, in hoeverre heeft de monnik vijf eigenschappen opgegeven? Daar heeft de monnik zinnelijk genot opgegeven, haat, starheid en loomheid, opgewondenheid en gewetensonrust, en twijfel.

Monniken, in hoeverre nu heeft de monnik vijf eigenschappen? Daar is de monnik uitgerust met de volheid van deugdzaamheid[6] (asekhena sīlakkhandhena) welke eigen is aan de volmaakte heilige, uitgerust met de volheid van concentratie, wijsheid, bevrijding en het inzicht van de bevrijding.

Monniken, een monnik die deze vijf eigenschappen heeft opgegeven en deze vijf eigenschappen bezit, die wordt in deze leer en discipline als volkomen en volmaakt aangeduid, als de meest verheven mens.

Wie zich van zinnelijk genot en haat,

van starheid en van loomheid,

opgewondenheid en twijfel

volledig vrij heeft gemaakt,

heeft de heilige deugdzaamheid bereikt,

de heilige concentratie- kracht van de geest,

heeft bevrijding zich verworven

en het inzicht van dergelijke aard:

Wie zich zo vijf dingen verwierf,

maar vijf dingen afwees,

die geldt in deze leer en discipline

als een volmaakte voorwaar.

A.X.13. De tien boeien

Monniken, er zijn tien boeien, vijf lagere boeien en vijf hogere.

De vijf lagere boeien zijn: geloof in persoonlijkheid, twijfel, vasthouden aan regels en riten, zinnelijk genot en haat.

De vijf hogere boeien zijn: verlangen naar een fijnstoffelijk bestaan, verlangen naar een onstoffelijk bestaan, eigendunk, opwinding en onwetendheid.

A.X.14. Vijf geestelijke hindernissen en vijf verwikkelingen van de geest

vgl. A.V.205 en A.V.206.

A.X.15. Energiek streven - het begin van alle goede dingen

Van alle levende wezens geldt de Volmaakte als de beste. En alle heilzame dingen hebben energiek streven als basis.[7] Energiek streven geldt als het beste ervan.

A.X.16. Tien mensen die eer waard zijn

Monniken, tien mensen zijn offergaven waard, gastvrijheid waard, geschenken waard, zijn waard eerbiedig gegroet te worden, zijn in de wereld het beste veld voor verdienstelijke werken. Welke tien mensen?

De Volmaakte, Heilige, volmaakt Verlichte; de Paccekaboeddha, de individuele Boeddha; de beiderzijds bevrijde; de door weten bevrijde; de lichaamsgetuige; degene die tot inzicht is gerijpt, de door inzicht bevrijde; de door vertrouwen bevrijde; de waarheid toegewijde; de vertrouwen toegewijde, en de rijp-gewordene (gotrabhū).[8] 

A.X.17. Beschermingen I

Tekst 17 is identiek aan tekst 18, maar zonder de zinnen die bij elk van de tien punten worden herhaald: "Aangezien hij [...]. Dat is een beschermende omstandigheid."

A.X.18. Beschermingen II

Monniken, mogen jullie beschermd leven, niet onbeschermd. Zonder bescherming leeft men ellendig. Er zijn tien beschermende dingen (nāthakaranā dhammā) monniken. Welke zijn zij?

Daar is de monnik rein van zeden; hij volgt de discipline van de Orde, is volmaakt in gedrag en omgang, en, terugschrikkend voor de geringste overtreding, oefent hij zich in de regels van de Orde die hij op zich heeft genomen.

Aangezien hij rein van zeden is, vinden zowel de oudere als de middelste en de jongere monniken het gepast om hem aan te spreken en te onderrichten. En aangezien ze hem toegedaan zijn, kan hij vooruitgang in het goede verwachten, geen achteruitgang. Dat is een beschermende omstandigheid.

Verder is de monnik rijk aan weten.[9] Hij is een bewaarder van het weten en heeft grote kennis vergaard. Die leringen die uitstekend zijn in het begin, uitstekend in het midden en uitstekend aan het einde, die in volmaakte zin en uitdrukking een heel volmaakt en gezuiverd heilig leven verkondigen, naar deze leringen heeft hij vaak geluisterd, ze uit het hoofd geleerd, heeft ze woord voor woord geleerd, in de geest overwogen en heeft ze wijs begrepen.

Aangezien hij rijk aan weten is, vinden zowel de oudere als de middelste en de jongere monniken het gepast om hem aan te spreken en te onderrichten. En aangezien ze hem toegedaan zijn, kan hij vooruitgang in het goede verwachten, geen achteruitgang. Dat is een beschermende omstandigheid.

Verder heeft de monnik een edele vriend, een edele metgezel, een edele kameraad.[10]  Aangezien hij een edele vriend heeft, vinden zowel de oudere als de middelste en de jongere monniken het gepast om hem aan te spreken en te onderrichten. En aangezien ze hem toegedaan zijn, kan hij vooruitgang in het goede verwachten, geen achteruitgang. Dat is een beschermende omstandigheid.

Verder is de monnik toegankelijk voor instructies; hij heeft eigenschappen die hem gemakkelijk te onderwijzen maken; hij is gewillig en schenkt aan het onderricht de juiste aandacht.

Aangezien hij toegankelijk voor instructies is, vinden zowel de oudere als de middelste en de jongere monniken het gepast om hem aan te spreken en te onderrichten. En aangezien ze hem toegedaan zijn, kan hij vooruitgang in het goede verwachten, geen achteruitgang. Dat is een beschermende omstandigheid.

Verder is de monnik energiek en ijverig in alle grote en kleine plichten jegens zijn broeders in de Orde. Hij weet op de juiste manier te handelen en te bepalen.

Aangezien hij energiek is en ijverig in alle grote en kleine plichten jegens zijn broeders in de Orde, vinden zowel de oudere als de middelste en de jongere monniken het gepast om hem aan te spreken en te onderrichten. En aangezien ze hem toegedaan zijn, kan hij vooruitgang in het goede verwachten, geen achteruitgang. Dat is een beschermende omstandigheid.

Verder heeft de monnik liefde voor de leer. Hij is vriendelijk in de omgang en heeft innige vreugde aan de hoge leer en de hoge discipline.

Aangezien hij liefde voor de leer heeft, vinden zowel de oudere als de middelste en de jongere monniken het gepast om hem aan te spreken en te onderrichten. En aangezien ze hem toegedaan zijn, kan hij vooruitgang in het goede verwachten, geen achteruitgang. Dat is een beschermende omstandigheid.

Verder heeft de monnik naar wens, zonder moeite en problemen deel aan de vier verdiepingen, die verheven geestelijk, tegenwoordig welzijn geven.

Aangezien hij naar wens, zonder moeite en problemen deel heeft aan de vier verdiepingen, vinden zowel de oudere als de middelste en de jongere monniken het gepast om hem aan te spreken en te onderrichten. En aangezien ze hem toegedaan zijn, kan hij vooruitgang in het goede verwachten, geen achteruitgang. Dat is een beschermende omstandigheid.

Hij is tevreden met elk gewaad, aalmoezen-maaltijd, rustplaats en geneesmiddelen.

Aangezien hij tevreden is met elk gewaad, aalmoezen-maaltijd, rustplaats en geneesmiddelen, vinden zowel de oudere als de middelste en de jongere monniken het gepast om hem aan te spreken en te onderrichten. En aangezien ze hem toegedaan zijn, kan hij vooruitgang in het goede verwachten, geen achteruitgang. Dat is een beschermende omstandigheid.

Hij is opmerkzaam, begiftigd met het hoogste niveau van opmerkzaamheid en bezonnenheid; zelfs wat lang geleden gedaan of gezegd werd, daar denkt hij aan, dat herinnert hij zich.

Aangezien hij opmerkzaam is, begiftigd met het hoogste niveau van opmerkzaamheid en bezonnenheid, vinden zowel de oudere als de middelste en de jongere monniken het gepast om hem aan te spreken en te onderrichten. En aangezien ze hem toegedaan zijn, kan hij vooruitgang in het goede verwachten, geen achteruitgang. Dat is een beschermende omstandigheid.

Hij is wijs; hij is uitgerust met die wijsheid die het ontstaan ​​en vergaan begrijpt, het edele, doordringende, die leidt naar de volledige vernietiging van lijden.

Aangezien hij wijs is, vinden zowel de oudere als de middelste en de jongere monniken het gepast om hem aan te spreken en te onderrichten. En aangezien ze hem toegedaan zijn, kan hij vooruitgang in het goede verwachten, geen achteruitgang. Dat is een beschermende omstandigheid.

Monniken, mogen jullie beschermd leven, niet onbeschermd. Zonder bescherming leeft men ellendig.

Monniken, dit zijn de tien beschermende dingen.[11] 

Hoofdstuk 3. mahā-vagga (A.X.21-30)

A.X.21. Het leeuwengebrul van de Volmaakte – de tien krachten van een Tathagata

"Monniken, de leeuw, de koning van de dieren, komt 's avonds uit zijn hol. Hij springt omhoog en kijkt uit naar alle vier zijden. Daarna stoot hij drie keer zijn leeuwengebrul uit. En waarom? - Om de kleine van het spoor afgedwaalde wezens geen schade toe te voegen.

Monniken, als leeuw duidt men de Volmaakte aan, de Heilige, volmaakt Verlichte. Wanneer namelijk de Volmaakte voor een bijeenkomst de leer uitlegt, dan geldt dit als zijn leeuwengebrul.

Monniken, tien krachten[12] zijn er waarmee voorzien de Volmaakte in de bijeenkomsten aanspraak maakt op de hoogste plaats, hij zijn leeuwengebrul in de bijeenkomsten laat horen, en hij het wiel van de leer in beweging zet. Die tien krachten zijn:

De Tathāgata onderkent overeenkomstig de werkelijkheid het mogelijke als mogelijk en het onmogelijke als onmogelijk.[13] En dat de Volmaakte het mogelijke als mogelijk en het onmogelijke als onmogelijk onderkent, dat is een kracht van de Verhevene met welke als steun de Volmaakte in de bijeenkomsten aanspraak maakt op de hoogste plaats, het leeuwengebrul laat weerklinken en het rijk van de heiligheid sticht.

Monniken, verder onderkent de Volmaakte overeenkomstig de werkelijkheid het resultaat van de daden die in het verleden, heden en toekomst verricht zijn; hij onderkent dat resultaat elk naar reden en oorzaak.[14] Monniken, dat hij dit onderkent, dat is een kracht met welke als steun de Volmaakte in de bijeenkomsten aanspraak maakt op de hoogste plaats, het leeuwengebrul laat weerklinken en het rijk van de heiligheid sticht.        

Monniken, verder onderkent de Volmaakte overeenkomstig de werkelijkheid elke afloop [van de daden].[15] Monniken, dat hij dit onderkent, dat is een kracht met welke als steun de Volmaakte in de bijeenkomsten aanspraak maakt op de hoogste plaats, het leeuwengebrul laat weerklinken en het rijk van de heiligheid sticht.                

Monniken, verder onderkent de Volmaakte overeenkomstig de werkelijkheid de uit veel verschillende elementen bestaande wereld.[16] Monniken, dat hij dit onderkent, dat is een kracht met welke als steun de Volmaakte in de bijeenkomsten aanspraak maakt op de hoogste plaats, het leeuwengebrul laat weerklinken en het rijk van de heiligheid sticht.

Monniken, verder onderkent de Volmaakte overeenkomstig de werkelijkheid de verschillende neigingen van de wezens.[17] Monniken, dat hij dit onderkent, dat is een kracht met welke als steun de Volmaakte in de bijeenkomsten aanspraak maakt op de hoogste plaats, het leeuwengebrul laat weerklinken en het rijk van de heiligheid sticht.

Monniken, verder onderkent de Volmaakte overeenkomstig de werkelijkheid de hogere of mindere vaardigheden van de andere wezens, van de andere personen.[18] Monniken, dat hij dit onderkent, dat is een kracht met welke als steun de Volmaakte in de bijeenkomsten aanspraak maakt op de hoogste plaats, het leeuwengebrul laat weerklinken en het rijk van de heiligheid sticht.

Monniken, verder onderkent de Volmaakte overeenkomstig de werkelijkheid bij de meditatieve verdiepingen, bij de bevrijdingen (vimokkha), bij de concentratie en de meditatieve bereikingstoestanden de droefheid ervan, de zuiverheid ervan en het zich eruit verheffen. Monniken, dat hij dit onderkent, dat is een kracht met welke als steun de Volmaakte in de bijeenkomsten aanspraak maakt op de hoogste plaats, het leeuwengebrul laat weerklinken en het rijk van de heiligheid sticht.

Monniken, verder herinnert de Volmaakte zich aan talrijke vroegere vormen van bestaan, met de specifieke kenmerken en eigenschappen ervan. Monniken, dat hij dit onderkent, dat is een kracht met welke als steun de Volmaakte in de bijeenkomsten aanspraak maakt op de hoogste plaats, het leeuwengebrul laat weerklinken en het rijk van de heiligheid sticht.

Monniken, verder onderkent de Volmaakte met het hemelse oog, het zuivere, bovenmenselijke, hoe de wezens heengaan en weer verschijnen, lage en edele, mooie en lelijke, gelukkige en ongelukkige, onderkent hoe de wezens overeenkomstig hun daden weer verschijnen. Monniken, dat hij dit onderkent, dat is een kracht met welke als steun de Volmaakte in de bijeenkomsten aanspraak maakt op de hoogste plaats, het leeuwengebrul laat weerklinken en het rijk van de heiligheid sticht.

Monniken, verder heeft de Volmaakte door opdroging van de neigingen nog tijdens zijn leven de neigingsvrije bevrijding van het gemoed en de bevrijding door wijsheid bereikt, heeft ze zelf ingezien en verwerkelijkt. Dat de Volmaakte door opdroging van de neigingen nog tijdens zijn leven de neigingsvrije bevrijding van het gemoed en de bevrijding door wijsheid heeft bereikt, ze zelf heeft ingezien en verwerkelijkt, monniken, dat is een kracht met welke als steun de Volmaakte in de bijeenkomsten aanspraak maakt op de hoogste plaats, het leeuwengebrul laat weerklinken en het rijk van de heiligheid sticht.

Monniken, dit zijn de tien krachten van de Volmaakte waarmee voorzien de Volmaakte in de bijeenkomsten aanspraak maakt op de hoogste plaats, zijn leeuwengebrul in de bijeenkomsten laat horen, en het wiel van de leer in beweging zet.

A.X.23. Wegen van overwinning

Monniken, er zijn dingen die overwonnen moeten worden in daden en niet in woorden. Er zijn dingen die overwonnen moeten worden in woorden en niet in daden. Er zijn dingen die niet overwonnen moeten worden in daden noch in woorden, maar eenvoudig door herhaald, wijs onderkennen.

In daden te overwinnen en niet in woorden is het slechte gedrag in daden opgeven en een goed gedrag hebben.

In woorden te overwinnen en niet in daden is het onheilzame gedrag in woorden opgeven en een goed gedrag in woorden hebben.

Dingen die niet overwonnen moeten worden in daden noch in woorden, maar eenvoudig door herhaald, wijs onderkennen, zijn hebzucht, haat, verblinding, toorn, woede, kleineren, overheersing,  gierigheid, kwade afgunst en kwade eerzucht.

Monniken, wanneer de monnik door hebzucht, haat, verblinding, toorn, woede, kleineren, overheersing, gierigheid, kwade afgunst, kwade eerzucht beheerst wordt, dan moet men van hem weten: 'Deze geëerde herkent niet op zo'n manier dat hem vanwege dit herkennen geen hebzucht, haat, verblinding, toorn, woede, kleineren, overheersing, gierigheid, kwade afgunst, kwade eerzucht meer bekruipt; daarom nu wordt deze geëerde door die dingen beheerst.

Maar wanneer die dingen hem niet beheersen, dan moet men van hem weten: 'Deze geëerde herkent op zo'n manier dat hem vanwege dit herkennen geen hebzucht, haat, verblinding, toorn, woede, kleineren, overheersing, gierigheid, kwade afgunst, kwade eerzucht meer bekruipt; daarom nu wordt deze geëerde niet meer door die dingen beheerst.

A.X.25 De tien kasina oefeningen

 zie: M.77.

A.X.29. Vergankelijkheid van alles - Pathama-kosala Sutta

Monniken, in hoeverre er  mensen uit Kasia en Kosala zijn en hoe ver het rijk van de Kosala-koning Pasenadi zich uitstrekt, tot zover nu geldt de Kosala-koning Pasenadi als de hoogste. Maar monniken, ook bij de Kosala-koning Pasenadi is er verandering en wisseling.[19] Dit inziende, monniken, wendt de wetende, edele discipel zich daarvan af. Als hij zich ervan afwendt, wordt hij bij het hoogste vrij van verslaafdheid, en hoeveel meer nog bij het lage.


Monniken, hoe ver zon en maan ronddraaien, de hemel in glans laten stralen, duizend keer zo ver strekt zich een wereld uit. In deze duizendvoudige wereld zijn er

duizend manen,

duizend zonnen

duizend Merus, de koningen van de bergen,

duizend rozenappel-continenten,

duizend westelijke Goyāna-continenten,

duizend noordelijke Kuru-continenten,

duizend oostelijke Videha-continenten,[20] 

vierduizend oceanen,

duizendmaal goden van de Vier Grote Koningen,

duizend hemelen van de Vier Grote Koningen,

duizend hemelen van de Drieëndertig,

duizend hemelen van de Yama-goden,

duizend hemelen van de zalige goden,

duizend hemelen van de goden die graag scheppen,

duizend hemelen van de goden die heersen over de scheppingen van anderen,

duizend Brahma-werelden.

Maar monniken, ook bij [deze goden en bij] de grote Brahma is er verandering en wisseling. Dit wetende, monniken, wendt de wetende, edele discipel zich daarvan af. Als hij zich ervan afwendt, wordt hij bij het hoogste vrij van verslaving, en hoeveel meer nog bij het lage.


Er komt een tijd, monniken, dat deze wereld vergaat. Maar bij het vergaan van de wereld, monniken, worden wezens gewoonlijk herboren onder de stralende goden. Geestelijk geschapen, genietend van gelukzaligheid, in hun eigen glans stralend, de lucht doorklievend en in gelukzaligheid levend, vertoeven zij daar lange tijd. Bij een vergaan van de wereld echter, monniken, gelden de stralende goden als de hoogsten. Maar monniken, ook bij de stralende goden is er verandering en wisseling. Dit inziende, monniken, wendt de wetende, edele discipel zich daarvan af. Als hij zich ervan afwendt, wordt hij bij het hoogste vrij van verslaving,  hoeveel meer nog bij het lage.


Monniken, er zijn tien totaal-gebieden (kasina-oefeningen).[21] Welke tien?

Iemand neemt de aarde als totaal waar, boven zich, onder zich, rondom, één geheel vormend, onmetelijk. Een ander neemt het water als totaal waar, anderen het vuur, de wind, het blauwe, het gele, het rode, het witte, de ruimte of het bewustzijn, boven zich, onder zich, rondom, één geheel vormend, onmetelijk.

Als hoogste echter, monniken, van deze tien totaal-gebieden geldt het wanneer iemand het bewustzijn als totaal waarneemt, boven zich, onder zich, rondom, één geheel vormend, onmetelijk. Op een dergelijke manier waarnemende wezens zijn er, monniken. Maar ook bij de op een dergelijke manier waarnemende wezens, monniken, is er verandering en wisseling. Dit inziende, monniken, wendt de wetende, edele discipel zich daarvan af. Als hij zich ervan afwendt, wordt hij bij het hoogste vrij van verslaving,  hoeveel meer nog bij het lage.


Er zijn acht overwinningsgebieden  (abhibhāyatana), monniken. Welke acht? Aan het eigen lichaam vormen waarnemend, ziet iemand naar buiten begrensde vormen, mooie of lelijke; en deze overwinnend, is hij zich ervan bewust dat hij dit weet en kent. Dit is het eerste overwinningsgebied.

Aan het eigen lichaam vormen waarnemend, ziet iemand naar buiten onbegrensde vormen, mooie of lelijke; en deze overwinnend, is hij zich ervan bewust dat hij dit weet en kent. Dit is het tweede overwinningsgebied.

Aan het eigen lichaam geen vormen waarnemend, ziet iemand naar buiten begrensde vormen, mooie of lelijke; en deze overwinnend, is hij zich ervan bewust dat hij dit weet en kent. Dit is het derde overwinningsgebied.

Aan het eigen lichaam geen vormen waarnemend, ziet iemand naar buiten onbegrensde vormen, mooie of lelijke; en deze overwinnend, is hij zich ervan bewust dat hij dit weet en kent. Dit is het vierde overwinningsgebied.

Aan het eigen lichaam geen vormen waarnemend, ziet iemand naar buiten blauwe vormen, van blauwe kleur, blauw uiterlijk, blauwe glans. Net zoals bijvoorbeeld vlasbloesem of een aan beide zijden gladgestreken Benares-stof blauw is, blauw van kleur, met blauw uiterlijk, blauwe glans; evenzo ziet iemand, aan het eigen lichaam geen vormen waarnemend, naar buiten blauwe vormen, van blauwe kleur, met blauw uiterlijk, blauwe glans. En deze overwinnend, is hij zich ervan bewust dat hij dit weet en kent. Dit is het vijfde overwinningsgebied.

Aan het eigen lichaam geen vormen waarnemend, ziet iemand naar buiten gele vormen, van gele kleur, geel uiterlijk, gele glans. Net zoals de Kannikāra-bloesem[22] of een aan beide zijden gladgestreken Benares-stof geel is, geel van kleur, met geel uiterlijk, gele glans; evenzo ziet iemand, aan het eigen lichaam geen vormen waarnemend, naar buiten gele vormen, van gele kleur, met geel uiterlijk, gele glans. En deze overwinnend, is hij zich ervan bewust dat hij dit weet en kent. Dit is het zesde overwinningsgebied.

Aan het eigen lichaam geen vormen waarnemend, ziet iemand naar buiten rode vormen, van rode kleur, rood uiterlijk, rode glans. Net zoals de heemstbloesem (bandhujīvaka, pentapetes phoenicea, hibiscus) of een aan beide zijden gladgestreken Benares-stof rood is, rood van kleur, met rood uiterlijk, rode glans; evenzo ziet iemand, aan het eigen lichaam  geen vormen waarnemend, naar buiten rode vormen, van rode kleur, met rood uiterlijk, rode glans. En deze overwinnend, is hij zich ervan bewust dat hij dit weet en kent. Dit is het zevende overwinningsgebied.

Aan het eigen lichaam geen vormen waarnemend, ziet iemand naar buiten witte vormen, met witte kleur, wit uiterlijk, witte glans. Net zoals de morgenster of een aan beide zijden gladgestreken Benares-stof wit is, wit van kleur, met wit uiterlijk, witte glans; evenzo ziet iemand, aan het eigen lichaam geen vormen waarnemend, naar buiten witte vormen, van witte kleur, met wit uiterlijk, witte glans. En deze overwinnend, is hij zich ervan bewust dat hij dit weet en kent. Dit is het achtste overwinningsgebied.

        Deze acht overwinningsgebieden zijn er, monniken.

Maar als hoogste van deze acht overwinningsgebieden, monniken, geldt het wanneer iemand, aan het eigen lichaam geen vormen waarnemend, naar buiten witte vormen ziet, van witte kleur, met wit uiterlijk, witte glans; en wanneer hij, deze overwinnend, zich ervan bewust is dat hij dit weet en kent. Op een dergelijke manier waarnemende wezens zijn er, monniken. Maar ook bij de op een dergelijke manier waarnemende wezens, monniken, is er verandering en wisseling. Dit inziende, monniken, wendt de wetende, edele discipel zich daarvan af. Als hij zich ervan afwendt, wordt hij bij het hoogste vrij van verslaving, hoeveel meer nog bij het lage.


Er zijn vier wegen van vooruitgang, monniken. Welke vier?

De moeizame vooruitgang verbonden met langzaam begrip;

de moeizame vooruitgang verbonden met snel begrip;

de moeiteloze vooruitgang verbonden met langzaam begrip;

de moeiteloze vooruitgang verbonden met snel begrip.[23] 

Maar de hoogste van deze vier wegen van vooruitgang is de gemakkelijke vooruitgang verbonden met snel begrip. Op een dergelijke manier waarnemende wezens zijn er, monniken. Maar ook bij de op een dergelijke manier waarnemende wezens, monniken, is er verandering en wisseling. Dit inziende, monniken, wendt de wetende, edele discipel zich daarvan af. Als hij zich ervan afwendt, wordt hij bij het hoogste vrij van verslaving, hoeveel meer nog bij het lage.  


Er zijn vier soorten van waarneming, monniken. Welke vier?

Iemand neemt het begrensde waar;

iemand neemt het verhevene waar;

iemand neemt het onbegrensde waar;

iemand neemt in de voorstelling 'er is niets' het gebied van 'niets is er' waar.[24] (*2).

Deze vier soorten van waarneming zijn er. Maar de hoogste van deze vier soorten waarneming is wanneer men, in de voorstelling van 'er is niets', het gebied van 'niets is er' waarneemt. Op een dergelijke manier waarnemende wezens zijn er, monniken. Maar ook bij de op een dergelijke manier waarnemende wezens, monniken, is er verandering en wisseling. Dit inziende, monniken, wendt de wetende, edele discipel zich daarvan af. Als hij zich ervan afwendt, wordt hij bij het hoogste vrij van verslaving, hoeveel meer nog bij het lage.  


Monniken, dat is de hoogste onder de opvattingen van de andere asceten, namelijk:

“Als er geen [wedergeboorte producerende activiteit in een vorig bestaan] was geweest, zou ik nu geen [bestaan] hebben gekregen;

als er [nu] geen [karma] zal zijn, dan zal mij geen [toekomstig bestaan] verleend worden."[25]

Monniken, bij iemand die zo'n  opvatting heeft, kan men verwachten dat hij geen sympathie voor het bestaan meer zal hebben ​​en geen afkeer van de opheffing van het bestaan. Op een dergelijke manier waarnemende wezens zijn er, monniken. Maar ook bij de op een dergelijke manier waarnemende wezens, monniken, is er verandering en wisseling. Dit inziende, monniken, wendt de wetende, edele discipel zich daarvan af. Als hij zich ervan afwendt, wordt hij bij het hoogste vrij van verslaving, hoeveel meer nog bij het lage.  


Monniken, er zijn enkele asceten en brahmanen die de absolute zuiverheid[26] verkondigen Als hoogste echter, monniken, geldt het bij de leraren van absolute zuiverheid wanneer men na volledige overwinning van het gebied van 'niets is er' ​​in het gebied van de noch waarneming noch niet waarneming is binnengegaan. Dit leren ze kennen en om dit te realiseren onderwijzen zij de leer. Op een dergelijke manier waarnemende wezens zijn er, monniken. Maar ook bij de op een dergelijke manier waarnemende wezens, monniken, is er verandering en wisseling. Dit inziende, monniken, wendt de wetende, edele discipel zich daarvan af. Als hij zich ervan afwendt, wordt hij bij het hoogste vrij van verslaving, hoeveel meer nog bij het lage.  


Monniken, er zijn enkele asceten en brahmanen die het hoogste Nibbāna in dit leven verkondigen. Als hoogste echter, monniken, geldt bij de leraren van het hoogste Nibbāna tijdens het leven, bij de zes grondslagen van het ontstaan en vergaan van de zintuiglijke indruk, het genot, de ellende en de ontsnapping overeenkomstig de werkelijkheid herkend te hebben en zo de bevrijding zonder hechten te verkrijgen. Maar ik, monniken, die zoiets onderwijs, zoiets verkondig, word door sommige asceten en brahmanen op een valse, ijdele, oneerlijke, onware manier beschuldigd doordat zij zeggen:

“De asceet Gotama verkondigt niet het volledige doorzien van de dingen van de zintuigen,

hij verkondigt niet het volledige doorzien van lichamelijke dingen,

hij verkondigt niet het volledige doorzien van de gevoelens."

“Maar monniken, zeer zeker verkondig ik

het volledige doorzien van de dingen van de zintuigen,

het volledige doorzien van de lichamelijke dingen,

het volledige doorzien van de gevoelens;

en al tijdens het leven stil geworden, zonder waanideeën, koel geworden, verkondig ik het volledige Nibbāna zonder hechten.”


A.X.30. Eerbetoon door koning Pasenadi

Eens vertoefde de Verhevene in het Jetapark bij Savatthi in het klooster van Anathapindika. Koning Pasenadi van Kosala was toen juist zegenrijk van een veldslag teruggekeerd, nadat hij zijn doel bereikt had.[27]

Koning Pasenadi ging met zijn wagen op weg naar het klooster, zover als de berijdbare weg reikte. Daarna ging hij te voet verder over het kloostergebied.        

Talrijke monniken liepen er toen juist heen en weer. De koning ging naar hen toe en vroeg waar de Verheven, heilige, volmaakt Verlichte nu verbleef. Hij wilde de Verhevene een bezoek brengen. De monniken gaven ten antwoord: "Koning, in die cel met gesloten deur verblijft de Verhevene. Ga er stil naar toe en stap zonder haast op het terras ervan. Kuch dan of schraap uw keel en klop aan de deur. De Verhevene zal dan de deur openen."

Koning Pasenadi van Kosala ging toen naar die kloostercel toe, stapte zonder haast op het terras, kuchte en klopte aan de deur. De Verhevene maakte open en de koning ging de cel binnen. Met zijn hoofd tot op de grond boog hij knielend neer aan de voeten van de Verhevene, kuste die voeten en omvatte ze met zijn armen. Daarbij noemde hij twee keer zijn naam: "Pasenadi ben ik, Eerwaarde, Pasenadi ben ik, de koning van Kosala."

"Koning, waarom bewijs je aan dit lichaam zo'n hoogste eerbied en liefdevolle toewijding?"

"Eerwaarde, uit dankbaarheid en erkentelijkheid bewijs ik aan de Verhevene zo'n hoogste eerbied en liefdevolle toewijding. Want Eerwaarde, de Verhevene gaat rond tot heil en zegen voor veel mensen. En velen heeft hij in de leer van het heilige pad gevestigd, namelijk in het goede en heilzame. Om deze reden bewijs ik aan de Verhevene zo'n hoogste eerbied en liefdevolle toewijding.

Eerwaarde, verder is de Verhevene rein van deugden; hij is van rijpe zedelijkheid, van edele heilbrengende deugdzaamheid, is met heilbrengende deugdzaamheid voorzien. Ook om deze reden bewijs ik aan de Verhevene zo'n hoogste eerbied en liefdevolle toewijding.

Eerwaarde, verder bewoont de Verhevene al lang als bos-eremiet eenzame afgelegen huisvestingen in het bos. Ook om deze reden bewijs ik aan de Verhevene zo'n hoogste eerbied en liefdevolle toewijding.

Eerwaarde, verder is de Verhevene tevreden met alles wat hij ook maar ontvangt aan gewaad, aalmoezenspijs, woonplek en de benodigde geneesmiddelen en medicijnen. Ook om deze reden bewijs ik aan de Verhevene zo'n hoogste eerbied en liefdevolle toewijding.

Eerwaarde, verder is de Verhevene offergaven waard, gastgeschenken waard, gaven waard, waard eerbiedig gegroet te worden, en is hij in de wereld het beste veld voor verdienstelijke daden. Ook om deze reden bewijs ik aan de Verhevene zo'n hoogste eerbied en liefdevolle toewijding.

Eerwaarde, verder, wat er voor gesprekken zijn die de ontsluiting van de geest bevorderen, zoals gesprekken over bescheidenheid, tevredenheid, eenzaamheid, afzondering, wilskracht, deugdzaamheid, concentratie, wijsheid, bevrijding en het inzicht van de bevrijding, - zulke gesprekken vallen de Verhevene naar wens, zonder inspanning en moeite ten deel. Ook om deze reden bewijs ik aan de Verhevene zo'n hoogste eerbied en liefdevolle toewijding.

Eerwaarde, verder verkrijgt de Verhevene naar wens, zonder inspanning en moeite de vier meditatieve verdiepingen, de verheven geestelijke, die momenteel welzijn verschaffen. Ook om deze reden bewijs ik aan de Verhevene zo'n hoogste eerbied en liefdevolle toewijding.

Eerwaarde, verder herinnert de Verhevene zich aan menigvuldige vroegere vormen van bestaan. [Zie verder bij: A.X.21, De tien krachten van een Tathagata, nr. 8]. Ook om deze reden bewijs ik aan de Verhevene zo'n hoogste eerbied en liefdevolle toewijding.

Eerwaarde, verder ziet de Verhevene met het hemelse oog dat gezuiverd is en het menselijke oog overtreft, hoe de wezens sterven en weer verschijnen, hoge en lage, mooie en lelijke, gelukkige en ongelukkige. En hij begrijpt hoe de wezens overeenkomstig hun daden wedergeboren worden. [Zie verder bij: A.X.21: De tien krachten van een Tathagata, nr. 9]. Ook om deze reden bewijs ik aan de Verhevene zo'n hoogste eerbied en liefdevolle toewijding.

Eerwaarde, verder heeft de Verhevene door opdroging van de neigingen nog in dit leven zich de neigingsvrije bevrijding van het gemoed en de bevrijding door wijsheid eigen gemaakt, ze zelf inziende en verwerkelijkende. [Vergelijk: A.X.21: De tien krachten van een Tathagata, nr. 10]. Ook om deze reden bewijs ik aan de Verhevene zo'n hoogste eerbied en liefdevolle toewijding.

Eerwaarde heer, ik moet nu gaan, veel zaken en aangelegenheden moet ik nog uitvoeren."

"Zoals het je belieft, koning."

En koning Pasenadi van Kosala verhief zich van zijn zitplaats, groette de Verhevene vol eerbied en met de rechterzijde naar hem toegekeerd, verwijderde hij zich.[28]

Hoofdstuk 4. upāli-vagga (A.X.31-40)

A.X.31. Doel van de discipline

De eerwaarde Upali sprak tot de Verhevene: "Heer, om hoeveel redenen heeft de Verhevene aan zijn discipelen de disciplinaire regels (vinaya) voorgeschreven en het Patimokkha?"[29]

"Upali, om tien redenen, namelijk: om het welzijn van de Orde; om zedeloze monniken op te voeden en om een vredig leven van de goede monniken te bevorderen; om aanwezige slechte invloeden af te weren en om toekomstige te voorkomen; om het vertrouwen op de wekken in degenen zonder vertrouwen en om het vertrouwen te versterken van degenen vol vertrouwen; om de goede leer sterk te maken en te laten voortbestaan en tot bescherming van de discipline.[30]

        

A.X.35. Splitsing in de Orde - I (Upāli)

“Heer, men spreekt van splitsing in de Orde. In hoeverre evenwel,  Heer, geldt de Orde als gesplitst?"

"Upāli, daar geven de monniken een valse leer uit voor de juiste en de juiste leer voor een valse; ze geven een valse Orde-discipline uit voor de juiste en de juiste Orde-discipline voor een valse. Ze geven datgene wat door de Volmaakte niet is gesproken en onderwezen uit als door hem gesproken en onderwezen, en geven datgene wat door hem is gesproken en onderwezen  uit als niet door hem gesproken en onderwezen. Ze geven datgene ​​wat door de Volmaakte niet is gedaan en niet is voorgeschreven uit als wat door hem is gedaan en voorgeschreven, en geven datgene wat door hem is gedaan en voorgeschreven uit als door hem niet gedaan en niet voorgeschreven.

Door deze tien dingen echter leiden ze af, leiden ze op een dwaalspoor, verrichten de Orde-handelingen gescheiden, reciteren gescheiden de Orde-regels. In zoverre, Upāli, geldt de Orde als gesplitst."

A.X.36. Eensgezindheid in de Orde - I (Upāli)

“Heer, men spreekt van eensgezindheid in de Orde. In hoeverre nu, Heer, geldt de Orde als eensgezind?”

“Upāli, daar leggen de monniken een valse leer uit als vals en een juiste leer als juist. Zij leggen een valse Orde-discipline uit als vals en en juiste Orde-discipline als juist. Zij leggen het door de Volmaakte niet gesprokene en niet onderwezene uit als door hem niet gesproken en niet onderwezen, en leggen het door de Volmaakte gesprokene en onderwezene uit als door hem gesproken en onderwezen. Zij leggen het door hem niet gedane en niet voorgeschrevene uit als niet door hem gedaan en niet door hem voorgeschreven, en het door hem gedane en voorgeschrevene uit als door hem gedaan en voorgeschreven.

Door deze tien dingen echter leiden zij niet af, leiden niet op een dwaalspoor, verrichten niet gescheiden de handelingen van de Orde, reciteren niet gescheiden de Orde-regels. Upali, in zoverre geldt de Orde als eensgezind.”

A.X.37-38. Splitsing in de Orde - II (Ananda)

Vraag van Ananda: Heer wat verkrijgt iemand die een Orde splitst?”

De Boeddha: “Ananda, hij verwerft voor zich een straf die een aeon lang duurt.”

“Heer, waarin bestaat die straf die een aeon lang duurt?”

“Ananda, die straf bestaat daarin dat hij een aeon in de hel lijden ondervindt.”[31]

A.X.39-40. Eensgezindheid in de Orde - II (Ananda)

“Heer, wat verkrijgt iemand die een verdeelde Orde weer verenigt?“

“Ananda, hij verwerft voor zich goddelijk loon.”

“Heer, waarin bestaat dat goddelijke loon?”

“Ananda, het bestaat daarin dat hij een aeon lang in de hemel gelukkig is.”

Hoofdstuk 5. akkosa-vagga (A.X.41-50)

A.X.46. De achtvoudige feestdag; uposatha

Toen de Verhevene eens in Kapilavatthu vertoefde, - het was op een uposatha-dag - kwamen talrijke lekenvolgelingen naar hem toe. Zij begroetten hem eerbiedig en gingen terzijde zitten. De Verhevene vroeg toen aan hen of zij de uposatha met de acht besluiten in acht namen. Hun antwoord luidde: “Soms wel, Heer, soms niet.”

“Dat is dan jammer voor jullie. Als een volgeling van mij tien jaren lang ijverig en vastbesloten volgens mijn instructies leeft, dan is het mogelijk dat hij 100 jaren of 100 x 100 jaren of 100 x 1000 jaren of 100 x 100.000 jaren in het gevoel van volmaakt geluk vertoeft. Of hij kan een eenmaal wederkerende zijn, een niet meer wederkerende of een onmiskenbaar in de stroom getredene.

Wat betreft die tien jaren, een volgeling van mij die 9, 8, 7, 6, 5, 4, 3, of 2 jaren of één jaar lang ijverig en vastbesloten volgens mijn instructies leeft, - ja die 9, 8, 7, 6, 5, 4, 3 of twee maanden of één maand lang - die 10, dagen en nachten, of 9, 8, 7, 6, 5, 4, 3 of 2 etmalen of één dag en één nacht lang ijverig en vastbesloten leeft volgens mijn instructies, dan is het mogelijk dat hij 100 jaren of 100 x 100 jaren of 100 x 1000 jaren of 100 x 100.000 jaren in het gevoel van volmaakt geluk vertoeft. Of hij kan een eenmaal wederkerende zijn, een niet meer wederkerende of een onmiskenbaar in de stroom getredene.

Daarom is het jammer voor jullie dat jullie soms wel en soms niet de uposatha in acht nemen.”

“Heer, vanaf vandaag zullen wij de feestdag met de acht besluiten regelmatig in acht nemen.”[32] 

A.X.47. Redenen voor slechte en goede daden

Eens vroeg de Licchavier Mahāli aan de Verhevene wat de reden is voor het uitoefenen of begaan van een slechte wilsactie (kamma).

Mahāli, hebzucht is een aanleiding, hebzucht is een reden voor het beoefenen en begaan van een slechte daad; haat is een aanleiding, begoocheling is een aanleiding, onverstandige overweging is een aanleiding, een verkeerd gerichte geest is een aanleiding.

Mahāli, dit zijn de aanleidingen, de redenen voor het uitoefenen en begaan van slechte daden.”

“Heer, wat is dan de aanleiding, wat is de reden voor het uitoefenen en begaan van een goede daad?”

Mahāli, het zijn zonder hebzucht is een aanleiding, een reden voor het beoefenen en begaan van een goede daad; het zijn zonder haat is een aanleiding, het zijn zonder begoocheling is een aanleiding, verstandige overweging is een aanleiding, een juist gerichte geest is een aanleiding.

Mahāli, dit zijn de aanleidingen, de redenen voor het uitoefenen en begaan van goede daden.

Mahāli, zouden namelijk deze tien dingen niet in de wereld te vinden zijn, dan zou men noch een zedeloos, onrechtvaardig gedrag kennen, noch een moreel en rechtvaardig gedrag. Maar Mahāli, omdat deze tien dingen in de wereld te vinden zijn, daarom kent men een zedeloos, onrechtvaardig gedrag en ook een moreel en rechtvaardig gedrag.”[33]

 

A.X.48. Tien contemplaties voor de monnik

zie: De Sangha. Tien overwegingen voor de monnik.

A.X.49. Met het lichaam verbonden

     

Tien dingen zijn met het lichaam verbonden, namelijk: koude, hitte, honger, dorst, uitwerpselen, urine, zich in toom houden in daden, zich in toom houden in woorden, zich in toom houden in de manier van leven en in de wedergeboorte-producerende wil om te bestaan.[34]

        Deze tien dingen zijn met het lichaam verbonden.

Hoofdstuk 6. sacitta-vagga (A.X.51-60)

A.X.51. Zelfonderzoek

De Boeddha onderwees dat een monnik af en toe zelf onderzoek moet doen, om te zien of begeerte, kwaadwil, traagheid en starheid in hem zijn ontstaan of niet; om te zien of opwinding en twijfels in hem bestaan; om te zien of hij vrij is van boosheid (woede) en of zijn geest wel of niet door hartstocht besmet is; om te zien of zijn lichaam (en geest) vaak in benauwde spanning is of er vaak vrij van is; om te zien of hij vaak traag is of vol energie; om te zien of hij vaak zonder concentratie van de geest is of vaak geestelijk geconcentreerd is.

Als de monnik bij zijn zelfonderzoek inziet dat hij vaak vol begeerte, kwaadwil, traagheid en starheid is, vaak opgewonden, twijfel heeft, toornig is, een bevlekte geest heeft, dat zijn lichaam (en geest) vaak in benauwde spanning is, traag en ongeconcentreerd is, dan moet die monnik uiterste wilskracht, energie, streven, doorzettingsvermogen, standvastigheid, opmerkzaamheid en bezonnenheid gebruiken om die slechte, onheilzame dingen te overwinnen.

Maar als de monnik inziet dat hij vaak van die dingen vrij is, dan moet die monnik in wie deze heilzame dingen gevestigd zijn, verder streven naar opdroging van alle neigingen.

A.X.52. Zelfonderzoek II

Gelijk aan A.X.51, maar nu gesproken door de eerwaarde Sariputta.

A.X.53. Achteruitgang en vooruitgang

Monniken, stilstand in de heilzame dingen wordt door mij niet geprezen, laat staan ​​de achteruitgang. Alleen de vooruitgang in de heilzame dingen wordt door mij geprezen.

Monniken, in hoeverre is er een achteruitgang in heilzame dingen, geen stilstand, geen vooruitgang? Hoe sterk een monnik ook mag zijn in vertrouwen, deugdzaamheid, kennis, vrijgevigheid, wijsheid en slagvaardigheid, als deze eigenschappen niet in hem blijven noch toenemen, in zoverre is er een achteruitgang in heilzame dingen, geen stilstand, geen vooruitgang.

Monniken, in hoeverre is er een stilstand in heilzame dingen? Hoe sterk een monnik ook mag zijn in die eigenschappen, als deze eigenschappen in hem niet afnemen noch toenemen, in zoverre is er een stilstand in heilzame dingen, geen achteruitgang, geen vooruitgang.

Monniken, in hoeverre is er een vooruitgang in heilzame dingen? Hoe sterk een monnik ook mag zijn in die eigenschappen, als ze in hem niet zo blijven noch afnemen, in zoverre is er een vooruitgang in heilzame dingen, geen stilstand, geen achteruitgang

[Dan volgt de volledige tekst van A.X.51]

A.X.56-57. Tien contemplaties

zie A.X.60 Girimananda sutta

A.X.58. De wortel van alle dingen

Monniken, wanneer rondtrekkende asceten van een ander geloof jullie vragen waarin alle verschijnselen wortelen, waardoor zij geschapen worden, door welke oorzaken zij ontstaan, waardoor zij samengehouden worden, wat de leider ervan is, waardoor zij beheerst worden, wat het hoogste ervan is en het ware doel ervan, waarin zij uitmonden en eindigen, - dan moeten jullie op die vragen aldus antwoorden:

In de wil[35] wortelen alle dingen[36];

door opmerkzaamheid (manasikāra) worden zij geschapen;[37]

door de zintuiglijke indruk veroorzaakt ontstaan zij;

het gevoel houdt ze samen;

de concentratie is de leider ervan;[38]

door de oplettendheid worden zij beheerst;

de wijsheid is het hoogste ervan;

de bevrijding is het ware doel ervan;

in het doodloze monden zij uit,

en zij eindigen in Nibbana.”[39] 

A.X.60. Girimānanda sutta - De toespraak tot de eerwaarde Girimānanda [tien contemplaties]

Eens verbleef de Verhevene te Savatthi, in het Jetavana-klooster van Anathapindika. Te dien tijde nu leed de eerwaarde Girimānanda aan een ziekte, hij werd erdoor gekweld en hij was zwaar ziek. Daarop begaf zich de eerwaarde Ānanda naar de Boeddha, groette hem, ging naast hem neerzitten, en zei:

“Bhante,[40] de eerwaarde Girimānanda lijdt aan een ziekte, hij wordt erdoor gekweld en hij is zwaar ziek. Het ware goed, Bhante, indien de Gezegende de eerwaarde Girimānanda zou opzoeken, uit medelijden met hem.”

Daarop sprak de Verhevene: “Ānanda, indien jij de monnik Girimānanda opzoekt en hem de tien contemplaties opzegt, dan zal die monnik, na ze te hebben vernomen, onmiddellijk van zijn ziekte genezen. Die tien contemplaties zijn:

1) Contemplatie over niet-bestendigheid.

2) Contemplatie over niet-zelf.

3) Contemplatie over walgelijkheid.

4) Contemplatie over nadeel (gevaar).

5) Contemplatie over het opgeven (het afzien).

6) Contemplatie over onthechting (zich afzonderen).

7) Contemplatie over beëindiging.

8) Contemplatie over afkeer van de hele wereld.

9) Contemplatie over niet-blijvendheid van alle samengestelde dingen.

10) Oplettendheid bij het in- en uitademen.

(1) En wat, Ānanda, is contemplatie over niet-bestendigheid? - Welnu, Ānanda, een monnik gaat naar het bos of naar de voet van een boom of naar een lege plek en overweegt er aldus: ‘Materie (vorm) is niet bestendig; gevoel of gewaarwording is niet bestendig; waarneming is niet bestendig; geestelijke formaties zijn niet bestendig; bewustzijn is niet bestendig.’ Aldus blijft hij niet-bestendigheid beschouwen in deze vijf groeperingen. Dit, Ānanda, heet contemplatie over niet-bestendigheid.

(2) En wat, Ānanda, is contemplatie over niet-zelf? - Welnu, Ānanda, een monnik gaat naar het bos of naar de voet van een boom of naar een lege plek en overweegt er aldus: ‘Het oog is niet-zelf, zichtbare objecten zijn niet-zelf; het oor is niet-zelf; geluiden zijn niet-zelf; de neus is niet-zelf, geuren zijn niet-zelf; de tong is niet-zelf, smaken zijn niet-zelf; het lichaam is niet-zelf, lichamelijke contacten (tastbare objecten) zijn niet-zelf; de geest is niet-zelf, mentale objecten zijn niet-zelf.’ Aldus blijft hij niet-zelf beschouwen in deze inwendige en uitwendige grondslagen. Dit, Ānanda, heet contemplatie over niet-zelf.

(3) En wat, Ānanda, is contemplatie over onzuiverheid? - Welnu, Ānanda, een monnik beschouwt dit lichaam van top tot teen, vanaf de voetzolen opwaarts, vanaf het puntje van het hoofdhaar neerwaarts. Hij beschouwt dit lichaam dat met huid overgoten is, zoals het vol is van vele soorten onzuiverheden. ‘Dit lichaam bestaat uit: hoofdharen, lichaamsharen, nagels, tanden, huid, vlees, pezen, beenderen, merg, nieren, hart, lever, borstvlies, milt, longen, darmen, buikvlies, maag, uitwerpselen, gal, slijm, etter, bloed, zweet, vet, tranen, bloedwater, speeksel, neusslijm, gewrichtsvloeistof, urine en de hersenen.’ Aldus blijft hij onzuiverheid beschouwen in dit lichaam. Dit, Ānanda, heet contemplatie over onzuiverheid.

(4) En wat, Ānanda, is contemplatie over nadeel (gevaar)? - Welnu, Ānanda, een monnik gaat naar het bos of naar de voet van een boom of naar een lege plek en overweegt er aldus: ‘Talrijk zijn de kwalen, talrijk zijn de nadelen (gevaren) van dit lichaam. Want in dit lichaam ontstaan verscheidene ziektes, zoals oogziekte, oorziekte, neusziekte, tongziekte, lichaamsziekte, hoofdpijn, de bof,[41] mondziekte, tandpijn, hoest, astma, verkoudheid, brandend maagzuur, koorts, maagkwalen, flauwte, dysenterie, gezwel, koliek, melaatsheid, steenpuist, klierziekte, tuberculose, vallende ziekte, ringworm, jeuk, huiduitslag, roos op het hoofd, puistjes, oververzadigdheid, suikerziekte, aambeien, kanker, etterkanaal (fistel), en ziektes ontstaan uit gal, uit slijm, uit winden, uit conflicten van de lichaamsvochten, uit weersveranderingen, uit ongunstige omstandigheden (onjuist gedrag), ziektes ontstaan door opzet van anderen, ziektes ontstaan uit resultaten van wilsakties,[42] en verder koude, hitte, honger, dorst, uitwerpselen en urine.’ Aldus blijft hij nadeel (gevaar) beschouwen in dit lichaam. Dit, Ānanda, heet contemplatie over nadeel (gevaar).

(5) En wat, Ānanda, is contemplatie over opgeven (vernietiging van de smetten)? - Welnu, Ānanda, een monnik staat geen gedachte van zinsverlangen toe die in hem is ontstaan. Maar hij geeft ze op, verdrijft ze, maakt er een einde aan en vernietigt ze. Hij staat geen gedachte van kwaadwil toe die in hem is ontstaan. Maar hij geeft ze op, verdrijft ze, maakt er een einde aan en vernietigt ze. Hij staat geen gedachte van wreedheid toe die in hem is ontstaan. Maar hij geeft ze op, verdrijft ze, maakt er een einde aan en vernietigt ze. Hij staat geen euvele, onheilzame gemoedstoestanden toe die in hem van tijd tot tijd ontstaan. Maar hij geeft ze op, verdrijft ze, maakt er een einde aan en vernietigt ze. Dit, Ānanda, heet contemplatie over opgeven.

(6) En wat, Ānanda, is contemplatie over onthechting? - Welnu, Ānanda, een monnik gaat naar het bos of naar de voet van een boom of naar een lege plek en overweegt er aldus: ‘Dit is vredig, dit is verheven, namelijk het tot stilstand komen van alle grondslagen van bestaan, de uitdoving van begeerte, onthechting, nibbāna.’ Dit, Ānanda, heet contemplatie over onthechting.

(7) En wat, Ānanda, is contemplatie over beëindiging? - Welnu, Ānanda, een monnik gaat naar het bos of naar de voet van een boom of naar een lege plek en overweegt er aldus: ‘Dit is vredig, dit is verheven, namelijk het tot stilstand komen van alle samengestelde dingen, het opgeven van alle grondslagen van bestaan, de uitdoving van begeerte, beëindiging, Nibbāna.’ Dit, Ānanda, heet contemplatie over beëindiging.

(8) En wat, Ānanda, is contemplatie over afkeer van de hele wereld? - Welnu, Ānanda, doordat een monnik wat voor betrokkenheid met en hechten aan deze wereld opgeeft, doordat hij geestelijke vooroordelen, verkeerde meningen en verborgen neigingen betreffende deze wereld opgeeft, doordat hij er niet naar verlangt maar ze opgeeft, daardoor wordt hij onthecht (vrij). Dit, Ānanda, heet contemplatie over afkeer van de gehele wereld.

(9) En wat, Ānanda, is contemplatie over niet-blijvendheid van alle samengestelde geestelijke dingen?[43] - Welnu, Ānanda, een monnik is teleurgesteld en misselijk van alle samengestelde geestelijke dingen, hij is ze beu. Dit, Ānanda, heet contemplatie over niet-blijvendheid van alle samengestelde geestelijke dingen.

(10) En wat, Ānanda, is oplettendheid bij het in- en uitademen? - Welnu, Ānanda, een monnik gaat naar het bos of naar de voet van een boom of naar een lege plek en hij gaat er met gekruiste benen neerzitten. Hij houdt het lichaam rechtop en zijn oplettendheid houdt hij levendig. En oplettend ademt hij in, oplettend ademt hij uit.

Wanneer hij lang inademt, weet hij: ‘Ik adem lang in.’ Wanneer hij lang uitademt, weet hij: ‘Ik adem lang uit.’ Wanneer hij kort inademt, weet hij: ‘Ik adem kort in.’ Wanneer hij kort uitademt, weet hij: ‘Ik adem kort uit.’

‘Bewust van het hele ademhalingsproces zal ik inademen,’ aldus oefent hij zich. ‘Bewust van het hele ademhalingsproces zal ik uitademen,’ aldus oefent hij zich.

‘Het hele ademhalingsproces tot rust brengend, zal ik inademen,’ aldus oefent hij zich. ‘Het hele ademhalingsproces tot rust brengend, zal ik uitademen,’ aldus oefent hij zich.

‘Vervoering ondervindend, zal ik inademen,’ aldus oefent hij zich. ‘Vervoering ondervindend, zal ik uitademen,’ aldus oefent hij zich.

‘Zaligheid ondervindend, zal ik inademen,’ aldus oefent hij zich. ‘Zaligheid ondervindend, zal ik uitademen,’ aldus oefent hij zich.

‘De geestelijke formaties ondervindend, zal ik inademen,’ aldus oefent hij zich. ‘De geestelijke formaties ondervindend, zal ik uitademen,’ aldus oefent hij zich.

‘De geestelijke formaties tot rust brengend, zal ik inademen,’ aldus oefent hij zich. ‘De geestelijke formaties tot rust brengend, zal ik uitademen,’ aldus oefent hij zich.

‘De geest ondervindend[44] zal ik inademen,’ aldus oefent hij zich. ‘De geest ondervindend, zal ik uitademen,’ aldus oefent hij zich.

‘De geest buitengewoon blij makend,[45] zal ik inademen,’ aldus oefent hij zich. ‘De geest buitengewoon blij makend, zal ik uitademen,’ aldus oefent hij zich.

‘De geest concentrerend,[46] zal ik inademen,’ aldus oefent hij zich. ‘De geest concentrerend, zal ik uitademen,’ aldus oefent hij zich.

‘De geest bevrijdend (van de hindernissen), zal ik inademen,’ aldus oefent hij zich. ‘De geest bevrijdend, zal ik uitademen,’ aldus oefent hij zich.

‘Nadenkend over niet-blijvendheid,[47] zal ik inademen,’ aldus oefent hij zich. ‘Nadenkend over niet-blijvendheid, zal ik uitademen,’ aldus oefent hij zich.

‘Nadenkend over onthechting, zal ik inademen,’ aldus oefent hij zich;. ‘Nadenkend over onthechting, zal ik uitademen,’ aldus oefent hij zich.

‘Nadenkend over beëindiging, zal ik inademen,’ aldus oefent hij zich. ‘Nadenkend over beëindiging, zal ik uitademen,’ aldus oefent hij zich.

‘Nadenkend over het opgeven, zal ik inademen,’ aldus oefent hij zich. ‘Nadenkend over het opgeven, zal ik uitademen,’ aldus oefent hij zich.

Dit, Ānanda, heet oplettendheid bij het in- en uitademen.

Ānanda, indien jij de monnik Girimānanda opzoekt en hem deze tien contemplaties opzegt, dan zal die monnik Girimānanda, na ze te hebben vernomen, onmiddellijk zijn genezen van zijn ziekte.”

Na deze tien contemplaties van de Gezegende geleerd te hebben, bezocht de eerwaarde Ānanda de eerwaarde Girimānanda en zei hem de tien contemplaties op. Toen de eerwaarde Girimānanda ze had vernomen, was zijn ziekte onmiddellijk genezen. Hij herstelde ervan en aldus verdween de ziekte van de eerwaarde Girimānanda.

Hoofdstuk 7. yamaka-vagga (A.X.61-70)

A.X.61. Oorzakelijk ontstaan

“Het begin van onwetendheid, monniken, is niet te kennen. Men kan niet zeggen dat er vóór een bepaald moment geen onwetendheid was en daarna wel. Maar het moet aldus ingezien worden, namelijk dat onwetendheid veroorzaakt is. Want onwetendheid moet voedsel hebben,[48] kan zonder voedsel niet bestaan. En wat is het voedsel van onwetendheid? Het is begeerte, haat, traagheid etc., slecht gedrag, onbezonnenheid, niets opmerken en om niets iets geven. Hierbij is steeds het ene het voedsel voor het andere. Als laatste voedingsbodem is er slecht gezelschap. Zo wordt onwetendheid gevoed en grootgebracht.

Maar zo kan ook alleen door voedsel de vrijheid van het weten tot stand komen, kan zich niet zonder voedsel ontwikkelen. Edel gezelschap is de voedingsbodem; aan edele leer gehoor geven is nuttig voor verdere groei; oplettend, helder bezonnen worden, de zintuigen goed behoeden, zuivere levenswandel uitoefenen, de vier grondslagen van oplettendheid veroveren, de zeven factoren van Verlichting leren verwerkelijken: dat laat tenslotte de vrijheid van het weten ontstaan.

A.X.62. Oorzakelijk ontstaan

“Het begin van bestaansdorst (bhava-tanhā), monniken, is niet te kennen. Men kan niet zeggen dat er vóór een bepaald moment geen bestaansdorst was en daarna wel. Maar het moet aldus ingezien worden, namelijk dat bestaansdorst veroorzaakt is. Want bestaansdorst moet voedsel hebben, kan zonder voedsel niet bestaan. En wat is het voedsel van bestaansdorst? Het is onwetendheid. En ook onwetendheid heeft voedsel als voorwaarde. Dat voedsel zijn de vijf hindernissen. Maar ook de vijf hindernissen hebben voedsel als voorwaarde. Dat voedsel is het drievoudige slechte gedrag (in daden woorden en gedachten).

Het drievoudige slechte gedrag heeft voedsel als voorwaarde. En dat voedsel is het onbeteugeld zijn van de zintuigen.

Het onbeteugeld zijn van de zintuigen heeft voedsel als voorwaarde. Dat voedsel is onoplettendheid en onbezonnenheid.

Ook onoplettendheid en onbezonnenheid hebben voedsel als voorwaarde, namelijk onwijs nadenken.

Onwijs nadenken heeft voedsel als voorwaarde, namelijk het zijn zonder vertrouwen.

Het zijn zonder vertrouwen heeft voedsel als voorwaarde, namelijk het luisteren naar verkeerde leringen.

Het luisteren naar verkeerde leer heeft voedsel als voorwaarde, namelijk omgang met slechte mensen.

Omgang met slechte mensen leidt naar het luisteren naar verkeerde leer. Het luisteren naar verkeerde leer leidt naar het zijn zonder vertrouwen. Het zijn zonder vertrouwen leidt naar onwijs nadenken. Onwijs nadenken leidt naar onachtzaamheid en onbezonnenheid. Onachtzaamheid en onbezonnenheid leiden naar het onbeteugeld zijn van de zintuigen. Het onbeteugeld zijn van de zintuigen leidt naar drievoudig slecht gedrag. Het drievoudige slechte gedrag leidt naar het optreden van de vijf hindernissen. De vijf hindernissen leiden naar onwetendheid.

De onwetendheid leidt naar bestaansdorst. Dat is dus de voedende voorwaarde van deze bestaansdorst. Zo komt die tot stand.

Ook de bevrijding door weten heeft een voedende voorwaarde, namelijk de zeven factoren van Verlichting.

De zeven factoren van Verlichting hebben een voedende voorwaarde, namelijk de vier grondslagen van oplettendheid.

De vier grondslagen van oplettendheid hebben een voedende voorwaarde, namelijk het drievoudige goede gedrag.

Het drievoudige goede gedrag heeft een voedende voorwaarde, namelijk beteugeling van de zintuigen.

Beteugeling van de zintuigen heeft een voedende voorwaarde, namelijk oplettendheid en bezonnenheid.

Oplettendheid en bezonnenheid hebben een voedende voorwaarde, namelijk wijs nadenken.

Wijs nadenken heeft een voedende voorwaarde, namelijk het vertrouwen.

Het vertrouwen heeft een voedende voorwaarde, namelijk het luisteren naar de goede leer.

Het luisteren naar de goede leer heeft een voedende voorwaarde, namelijk omgang met edele mensen.

Omgang met edele mensen leidt naar het luisteren naar de goede leer. Het luisteren naar de goede leer leidt naar vertrouwen. Het vertrouwen leidt naar wijs nadenken. Wijs nadenken leidt naar oplettendheid en bezonnenheid. Oplettendheid en bezonnenheid leiden naar beteugeling van de zintuigen. Beteugeling van de zintuigen leidt naar drievoudig goed gedrag. Het drievoudige goede gedrag leidt naar de vier grondslagen van oplettendheid. De vier grondslagen van oplettendheid leiden naar de zeven factoren van Verlichting. De zeven factoren van Verlichting leiden naar bevrijding door weten. Dat is dus de voedende voorwaarde van de bevrijding door weten, zo komt ze tot stand.

A.X.63. Zekerheid; volmaaktheid

Monniken, degenen die in mij zekerheid[49] hebben gevonden, zij allen zijn tot inzicht gekomen.[50] Van dezen die inzicht hebben, bereiken vijf hier (in deze wereld) de Volmaaktheid[51] (Nibbana); en vijf bereiken de Volmaaktheid na van hier heengegaan te zijn.[52]

Welke vijf bereiken hier de Volmaaktheid?

Degene die ten minste nog zeven keer wedergeboren wordt;

degene die van familie naar familie voortgaat;[53]

de eenmaal opkiemende;[54]

de eenmaal wederkerende; en

degene die nog in dit leven de heiligheid heeft bereikt.

Welke vijf bereiken, na van hier heengegaan te zijn, de Volmaaktheid?

Degene die op halve route uitdooft;

degene die na halve route uitdooft;

degene die moeiteloos uitdooft;

degene die met moeite uitdooft;

degene die stroomopwaarts gaat naar de verheven goden.[55]

A.X.64. Onwrikbaar vertrouwen

Monniken, degenen die tot mij onwrikbaar vertrouwen hebben, zij allen zijn in de stroom getreden. Van deze in de stroom getredenen bereiken vijf hier (in deze wereld) de volmaaktheid; en vijf bereiken de volmaaktheid na van hier heengegaan te zijn.

[Voortzetting als in A.X.63]

Welke vijf bereiken hier de volmaaktheid?

Degene die ten minste nog zeven keer wedergeboren wordt;

degene die van familie naar familie voortgaat;

de eenmaal opkiemende;

de eenmaal wederkerende; en

degene die nog in dit leven de heiligheid heeft bereikt.

Welke vijf bereiken, na van hier heengegaan te zijn, de Volmaaktheid?

Degene die op halve route uitdooft;

degene die na halve route uitdooft;

degene die moeiteloos uitdooft;

degene die met moeite uitdooft;

degene die stroomopwaarts gaat naar de verheven goden [de Zuivere Verblijven]

A.X.65.  Wat is geluk, wat is ellende [kenmerken van niet meer geboren worden]

Bij Nālakagāmaka in het land van Magadha zei de zwervende asceet Sāmandakāni tegen de eerwaarde Sāriputta:

“Wat, vriend Sāriputta, is geluk en wat is ellende?” -

“Vriend, wedergeboren worden is een ellende, niet wedergeboren worden is geluk.

Bij het wedergeboren worden moet men dergelijke ellende verwachten zoals koude, hitte, honger, dorst, ontlasting, urine, gevaar door vuur, stok en zwaard; of familieleden en vrienden verenigen zich en doen iemand kwaad. Een dergelijke ellende is te verwachten bij het wedergeboren worden.

Bij het niet wedergeboren worden is het geluk te verwachten dat er geen koude is, geen hitte, geen honger en dorst, geen ontlasting en urine, geen gevaar door vuur, stok en zwaard; en familieleden en vrienden verenigen zich niet om iemand kwaad te doen. Een dergelijk geluk is te verwachten bij het niet wedergeboren worden.

A.X.66. Vreugde over de leer

Bij Nālakagāmaka in het land van Magadha zei de zwervende asceet Sāmandakāni zei tegen de eerwaarde Sāriputta:

"Vriend Sāriputta, wat is geluk in deze leer en discipline, en wat is de ellende?"

"Het ongenoegen aan deze leer en discipline, vriend, is een leed, de vreugde eraan is geluk.

Vriend, bij ongenoegen kan men het volgende leed verwachten: Of men nu loopt of staat, zit of ligt, of men zich in het dorp bevindt of in het bos, aan de voet van een boom, in eenzame behuizing, in de open lucht  of onder monniken, men vindt gewoon geen geluk en geen vreugde. Als er ongenoegen is, vriend, kan men dit leed verwachten.

Maar heeft men vreugde eraan, dan kan men het volgende geluk verwachten: Of men nu loopt of staat, zit of ligt, of men zich in het dorp bevindt of in het bos, aan de voet van een boom, in eenzame behuizing, in de open lucht  of onder monniken, men ondervindt gewoon geluk en vreugde. Als men vreugde vindt aan deze leer en discipline, kan men dit geluk verwachten."

A.X.67. Vooruitgang en achteruitgang

Eens bevond zich de Boeddha op een tocht door het land Kosala, samen met een grote schare van monniken. Hij kwam er te Nālakapāna aan en verbleef er in het Palāsa-bos.[56]  Gedurende die tijd zat hij eens - het was op de dag van volle maan - in het midden van de gemeenschap van monniken. Een groot deel van de nacht onderwees hij de monniken in de leer, waarna hij de stille, zwijgzame schare van monniken overzag. Tot de eerwaarde Sāriputta zei hij toen: “Sāriputta, deze gemeenschap van monniken is vrij van loomheid en moeheid. Laat je voor hen een gesprek over de leer invallen. Mijn rug doet pijn[57] en ik wil gaan liggen.” - “Goed, Heer,” gaf de eerwaarde  Sāriputta ten antwoord. De Verhevene spreidde toen het in vieren gevouwen buitengewaad uit en ging er liggen als een leeuw op de rechter zijde, het ene been over het andere, nadat hij oplettend en bezonnen gedacht had aan het tijdstip wanneer hij zou opstaan.

De eerwaarde Sāriputta wendde zich nu tot de monniken met de woorden:

"Broeders, bij wie het bij de heilzame dingen ontbreekt aan vertrouwen, aan schaamte en morele vrees, aan wilskracht en wijsheid, die kan, hetzij overdag of 's nachts, een achteruitgang verwachten in de heilzame dingen, geen vooruitgang.

Dat een mens zonder vertrouwen is, broeders, dat is een achteruitgang. Dat iemand geen schaamte heeft en geen morele vrees, dat hij traag is en geen wijsheid heeft, vol toorn en woede, vol slechte ambitie, in slecht gezelschap verkeert en verkeerde opvattingen heeft, dat, broeders, is een achteruitgang.

Maar broeders, wie bij de heilzame dingen vertrouwen heeft, schaamte en morele vrees, wilskracht en wijsheid, die kan, hetzij overdag of 's nachts, vooruitgang verwachten in de heilzame dingen, geen achteruitgang.

Dat een man vertrouwen heeft, broeders, dat is een vooruitgang. Dat een persoon schaamte heeft en morele vrees, wilskracht en wijsheid, dat hij vrij is van toorn, woede en kwade ambitie, dat hij edel gezelschap onderhoudt en juiste kennis bezit, dat, broeders, is een vooruitgang."

(Dan volgt de goedkeuring door de Boeddha die alles herhaalt). 

A.X.69. Onedel en edel gesprek

Eens verbleef de Verhevene in het Jetapark bij Sāvatthī, in het klooster van Anāthapindika. Toen echter zaten talrijke monniken, na beëindiging van de maaltijd, 's middags in de ontvangsthal samen en voerden allerlei lage gesprekken, zoals: gesprekken over koningen en rovers, ministers en legers, gevaar en oorlog, eten en drinken, kleding en rustplaatsen, bloemen en geuren, verwanten en wagens, dorpen en marktplaatsen, steden en landen, vrouwen en helden[58]; straat- en bronnen-gesprekken, gesprekken over vroeger gestorvenen, roddels, verhalen over de wereld en de zee, winst en verlies.

Toen de Verhevene tegen de avond uit zijn afzondering was opgestaan, ging hij naar de ontvangsthal en ging daar op de voorbereide zitplaats zitten. Daarna sprak hij aldus tegen de monniken:

"Bij welk gesprek, monniken, zitten jullie hier samen? Welk gesprek hebben jullie onderbroken?"

“Heer, na beëindiging van de maaltijd zaten wij hier samen en voerden allerlei lage gesprekken.” [Herhaling van de onderwerpen van de gesprekken].

“Monniken, voor jullie die uit vertrouwen van het huis in de huisloosheid zijn vertrokken, is het echt niet gepast om allerlei lage gesprekken te voeren. Er zijn tien gespreksonderwerpen, monniken, namelijk: Gesprekken over bescheidenheid, genoegzaamheid, afzondering, afkeer van de wereld, gebruik van de wilskracht, deugdzaamheid, concentratie, wijsheid, bevrijding en het inzicht van de bevrijding. Dat, monniken, zijn tien (waardige) gespreksonderwerpen. Als jullie, monniken, bij jullie gesprekken u altijd aan deze tien objecten wilt houden, dan zouden jullie zelfs het licht van zon en maan, de zo zeer krachtige en machtige, overtreffen, om nog maar te zwijgen van die dolende asceten van andere religie."

A.X.70. Oorzaken voor lofprijzing

Er zijn tien redenen voor lofprijzing, monniken. Welke tien?

Een monnik is zelf bescheiden, en over bescheidenheid voert hij gesprekken met de monniken. Dat hij echter zelf bescheiden is en over bescheidenheid met de  anderen spreekt, dat is een reden om hem te prijzen.

Hij is zelf genoegzaam, afgezonderd, van de wereld afgewend, vol wilskracht, moreel zuiver, geestelijk geconcentreerd, wijs, deelhebbend aan de bevrijding, deelhebbend aan het inzicht van de bevrijding; en hij voert daarover gesprekken met de monniken. Dat hij echter zelf deze eigenschappen bezit en erover gesprekken voert met de monniken, dat is een reden om hem te prijzen.

Deze tien redenen voor lofprijzing zijn er, monniken.

Hoofdstuk 8. ākankha-vagga (A.X.71-80)

A.X.71. Vervulling van alle wensen

Vergelijk M.6.

A.X.72. Storingen bij de concentratie

Eens was de Verhevene met talrijke monniken in een bos nabij Vesali. Meerdere monniken hadden last van het lawaai dat door de wagens van invloedrijke mensen te Vesali in het bos gemaakt werd. De monniken zeiden: “Deze talrijke invloedrijke mensen zijn met hun wagens het bos in gereden om de Verhevene te bezoeken. Lawaai is echter een storing voor de meditatieve verdieping, zo heeft de Verhevene gezegd. Laten wij naar het Gosinger sala-bos gaan. Daar kunnen wij, veraf van geluiden en zonder storing, vredig vertoeven.” Die monniken gingen dus naar dat bos en vertoefden er in vrede, veraf van lawaai en zonder storing.

De Verhevene vroeg waar die monniken naartoe waren gegaan. En de andere monniken vertelden wat er gebeurd was.

“Goed, monniken, het is inderdaad zo als die monniken uitlegden. Geluid is door mij als een storing van de meditatieve verdieping genoemd.

Monniken, er zijn tien storingen, en wel:         

Voor wie van eenzaamheid houdt, is vreugde aan gezelschap een storing.

Voor degene die de beschouwing van de onreinheid (van het lichaam) koestert, is het zich bezig houden met een lieflijke denkbeeld een storing.

Voor degene die over zijn zintuiglijke poorten waakt, is het zien van tentoonstellingen een storing.

Voor het kuise leven is de nabijheid van de vrouw een storing.

Voor de eerste verdieping is geluid een storing.[59] 

Voor de tweede verdieping zijn denken en overwegen een storing.

Voor de derde verdieping is vervoering een storing.

Voor de vierde verdieping is in- en uitademen een storing.

Voor het bereiken van de opheffing van waarneming en gevoel[60] zijn waarneming en gevoel een storing.

Hebzucht is een storing. Haat is een storing. Verblinding is een storing.

Vertoeft vrij van storing en ontrukt aan storing, monniken. Vrij van storing, monniken, zijn de heiligen. Aan de storing ontrukt zijn de heiligen.

A.X.73. Zelden in de wereld te verkrijgen

Monniken, tien gewenste, begeerde, aangename dingen zijn moeilijk in de wereld te verkrijgen. Welke tien?

Rijkdom, schoonheid, gezondheid, deugdzaamheid, een leven in kuisheid, vrienden, rijkdom aan kennis, wijsheid, de (bovennatuurlijke) toestanden[61] en de hemelse werelden - al deze gewenste, begeerde, aangename dingen zijn moeilijk te verkrijgen in de wereld.

Voor deze tien dingen die gewenst, begeerd, aangenaam, zo moeilijk in de wereld te verkrijgen zijn, monniken, zijn er tien dingen waardoor ze in gevaar gebracht worden. Welke zijn deze tien?

Luiheid en passiviteit brengen de rijkdom in gevaar.

Het zich niet versieren en reinigen brengt de schoonheid in gevaar.

Ongepast gedrag brengt de gezondheid in gevaar.

Slechte omgang brengt de deugdzaamheid in gevaar.

Onbeteugelde zintuigen brengen het leven in kuisheid in gevaar.

Bedrog brengt de vriendschap in gevaar.

Niet herhalen brengt de rijkdom aan kennis in gevaar.

Niet goed luisteren en geen vragen stellen brengt de wijsheid in gevaar.

Gebrek aan toewijding en gebrek aan zelfonderzoek brengen de bovennatuurlijke dingen in gevaar.

Slecht leven brengt (wedergeboorte in de) hemelse werelden in gevaar.

Voor die tien dingen die gewenst, begeerd, aangenaam, moeilijk in de wereld te verkrijgen zijn, zijn er deze tien dingen waardoor ze in gevaar gebracht worden.

Voor die tien dingen die gewenst, begeerd, aangenaam, moeilijk in de wereld te verkrijgen zijn,  monniken, zijn er tien dingen[62] waardoor ze bevorderd worden. Welke zijn deze tien?

Vlijt en ambitie bevorderen de rijkdom.

Zich versieren en schoonmaken bevordert de schoonheid.

Passend gedrag bevordert de gezondheid.

Edele omgang bevordert de deugdzaamheid.

Beteugeling van de zintuigen bevordert het leven in kuisheid.

Eerlijkheid bevordert de vriendschap.

Herhaling bevordert de rijkdom aan kennis.

Goed luisteren en vragen stellen bevordert de wijsheid.

Toewijding en zelfonderzoek bevorderen de (bovennatuurlijke) dingen.

Een goede manier van leven bevordert (wedergeboorte in de) hemelse werelden.

Dat, monniken, zijn de tien bevorderende dingen.

A.X.74. De edele winst

Monniken, wie onder de edele discipelen bij tien dingen toeneemt, die ondervindt een edele winst en verwerft voor zich iets solide en goeds. Wat zijn de tien dingen?

Veld en grond, geld en graan, vrouwen en kinderen, bedienden en arbeiders alsmede vee; verder vertrouwen, deugdzaamheid, kennis, vrijgevigheid en wijsheid.

Wie winst ondervindt aan geld en goederen,

aan kudden en aan vrouwen en kinderen,

die is rijk, zeer gerespecteerd en geëerd

door vrienden en familieleden en ook door vorsten.

Maar wie gesterkt is in vertrouwen, deugdzaamheid,

in weldadigheid, kennis en wijsheid,

aan zo'n edele persoon vol begrip valt ten deel

een tweevoudige winst (namelijk wereldlijke en deugdzame winst) al hier op aarde.

A.X.79-80. Overwinning van wrok

[79]. Door verkeerd denken ontstaat boosheid. Door te denken: "Hij doet me pijn, hij zal me pijn doen, hij heeft iemand pijn gedaan die mij dierbaar is, hij heeft iemand geholpen die mij onaangenaam is," - bij zulke gedachten overwint men de woede niet. En ook zonder zichtbare reden ergert men zich.

[80] Men overwint de woede door juist te denken. Men denkt: "Wat heeft het voor nut als ik denk dat hij me pijn zal doen, dat hij iemand geholpen heeft die mij onaangenaam is." - Bij zulke gedachten overwint men de woede. En ook zonder zichtbare reden ergert men zich niet.

Hoofdstuk 9. thera-vagga (A.X.81-90)

A.X.81. De onbevlekte lotus

Nabij Campā, aan de oever van het Gaggarā-meer, sprak de eerwaarde Bāhuna tot de Verhevene:

"Heer, van hoeveel dingen afgewend, losgemaakt en bevrijd, vertoeft het onbeperkte gemoed van de Volmaakte?"

"Bāhuna, van tien dingen: van lichamelijkheid, gevoel, waarneming, formaties en bewustzijn; van geboorte, ouderdom, dood, lijden en hartstochten. Van die dingen afgewend, losgemaakt en bevrijd vertoeft de Volmaakte met onbeperkt gemoed.

Bāhuna, juist zoals een blauwe, rode of witte lotusbloem die in het water is ontstaan, in het water opgegroeid, zich boven de waterspiegel verheft en daar staat onberoerd door het water, evenzo vertoeft de Verhevene van deze dingen afgewend, losgemaakt en bevrijd, met onbeperkt gemoed."

A.X.86. Beweren het hoogste weten te hebben

Te Rajagaha, in het bamboepark, bij de eekhoornvoederplaats sprak de eerwaarde Mahā Kassapa aldus: "Monniken, een monnik zegt dat hij het hoogste weten heeft als hij beweert dat de wedergeboorte is opgeheven, dat de heilige levenswandel is vervuld, dat gedaan is wat gedaan moest worden, dat er hierna verder niets meer te doen is. De Volmaakte echter of een discipel van de Volmaakte die vertrouwd is met de geestelijke eigenschappen, die de geest van anderen kent en weet wat erin voorgaat, die vraagt en onderzoekt. Die monnik aan wie vragen worden gesteld, wordt dan terneergeslagen.

Het gemoed van die monnik in de geest doorziende, denkt dan de Volmaakte of een van zijn discipelen erover na waarom die monnik voorgeeft hoogste weten te hebben. En hij ziet dan in dat die monnik zich overschat. Hij heeft niets bereikt maar meent toch iets bereikt te hebben. Hij meent iets verkregen te hebben maar hij heeft niets verkregen. Hij overschat zichzelf en daarom beweert hij het hoogste weten te hebben.

        Waarom heeft die monnik zichzelf overschat? - Hij bezit weliswaar veel weten, heeft zich grote kennis toegeëigend. Hij heeft vaak naar de leerrreden geluisterd, heeft ze van buiten geleerd, in de geest overwogen en ze wijs begrepen. Daarom overschat hij zichzelf.

En de Volmaakte of een van zijn discipelen zien in dat die monnik vol hebzucht is, vol begeerte. En daarom is dat een teruggang. Vol afkeer is die monnik, vol starheid en traagheid, opgewonden, vol twijfel. En daarom is dat een teruggang voor hem. Hij heeft verder vreugde aan lichamelijke activiteiten, aan praten, slapen, aan omgang met anderen. Daarom is dat een teruggang. Zonder oplettendheid is die monnik. Er was nog iets hogers te doen, maar hij stopte halverwege om een voordeel te verkrijgen. Dat geldt als een teruggang.

Dat een monnik die deze tien dingen niet heeft overwonnen, in deze leer en discipline vooruitgang en grootte kan verkrijgen, is niet mogelijk. Maar dat is wel mogelijk als hij deze tien dingen heeft overwonnen.”

A.X.88. Het lot van degene die anderen beschimpt

Zoals in A.XI.6, maar zonder het daar genoemde punt 7 (het opgeven van de ascese en het terugkeren naar het lagere leven in de wereld).

A.X.89. Kokālika

Vijandelijke gezindheid jegens heiligen brengt leed. Ook (met afwijkingen) in S.6.10; verder, met verzen, in Sn.III.10. (verzen 657-678) Kokāliya Sutta. 

Het gedeelte met de Brahmā Tudu ook als afzonderlijke tekst, S.6.9.

Hoofdstuk 10. upāli-vagga (A.X.91-100)

Hoofdstuk 11. samanasaññā-vagga (A.X.101-112)

A.X.112. Degene die geen opleiding meer nodig heeft

Er zijn tien dhammas die iemand bezit die geen opleiding meer nodig heeft, die volledig heilig is, die een Arahant is geworden: juist inzicht van iemand die geen opleiding meer nodig heeft, juist denken van iemand die geen opleiding meer nodig heeft, juist spreken (juist taalgebruik) van iemand die geen opleiding meer nodig heeft, juist handelen van iemand die geen opleiding meer nodig heeft, juist levensonderhoud van iemand die geen opleiding meer nodig heeft, juiste inspanning van iemand die geen opleiding meer nodig heeft, juiste oplettendheid van iemand die geen opleiding meer nodig heeft, juiste concentratie van iemand die geen opleiding meer nodig heeft, juist weten (juiste kennis) van iemand die geen opleiding meer nodig heeft, juiste bevrijding van iemand die geen opleiding meer nodig heeft.

Hoofdstuk 12. paccorohani-vagga (A.X.113-122)

A.X.117. Deze en de andere oever; nibbana

Sangārava de Brahmaan ging naar de Verhevene en vroeg:

"Heer Gotama, wat is de oever aan deze kant en wat is de oever aan de andere kant?"

"Brahmaan, verkeerde visie is de oever aan deze kant, juist inzicht is de oever aan de andere kant. Verkeerde gezindheid, verkeerd denken is de oever aan deze kant, juiste gezindheid, juist denken is de oever aan de andere kant. Verkeerd taalgebruik is de oever aan deze kant, juist taalgebruik is  de oever aan de andere kant. Verkeerde manier van handelen is de oever aan deze kant, juiste manier van handelen is de oever aan de andere kant. Verkeerd levensonderhoud is de oever aan deze kant, juist levensonderhoud is de oever aan de andere kant. Verkeerd streven is de oever aan deze kant, juist streven is de oever aan de andere kant. Verkeerde oplettendheid is de oever aan deze kant, juiste oplettendheid is de oever aan de andere kant. Verkeerde concentratie is de oever aan deze kant, juiste concentratie is de oever aan de andere kant. Verkeerde kennis is de oever aan deze kant, juiste kennis is de oever aan de andere kant. Verkeerde bevrijding is de oever aan deze kant, juiste bevrijding is de oever aan de andere kant. Brahmaan, dat is de oever aan deze kant, en dat is de oever aan de andere kant."

Zij die bij de correct onderwezen leer in harmonie met de leer leven, zullen de andere oever bereiken wanneer zij het rijk van de dood, dat men moeilijk overwint, overgestoken zijn.

Slechts een kleine menigte

bereikt de andere oever;

de anderen evenwel gaan allen

langs de oever heen en weer.

Zij die bij de correct onderwezen leer

in harmonie met de leer leven,

zij zullen de andere oever bereiken,

wanneer zij het rijk van de dood oversteken,

dat men moeilijk overwint.

Laat de wijze het donkere opgeven,

laat hij het licht ontplooien.

Van het huis naar het huisloze gekomen.

laat hij het geluk van de eenzaamheid zoeken,

waar men niet gemakkelijk zich gelukkig voelt.

En zonder wens en eigendom

moge de verstandige zijn hart zuiveren

van verontreiniging van de geest.

Zij die in de factoren van de Verlichting

hun geest hebben ontwikkeld,

die door bevrijding van de drang tot bestaan

gelukkig zijn zonder enige gehechtheid -

degenen in wie de neigingen uitgedroogd zijn,

de stralenden zijn aan alle waan van de wereld ontkomen.

Hoofdstuk 13. parisuddha-vagga (A.X.123-133)

Hoofdstuk 14. sādhu-vagga (A.X.133-144)

Hoofdstuk 15. ariya-vagga (A.X.145-154)

Hoofdstuk 16. puggala-vagga (A.X.155-167)

Hoofdstuk 17. jānussoni-vagga (A.X.168-177)

A.X.177. Dodenoffer

Jānussoni, de brahmaan zei tot de Verhevene dat brahmanen gaven geven, dodenoffers aanbieden met de woorden: "Moge deze gave onze gestorven familieleden en verwanten ten goede komen. Mogen zij van deze gave genieten."

De brahmaan vroeg of die gave werkelijk de gestorvenen ten goede komt, of zij werkelijk ervan genieten.

De Boeddha gaf ten antwoord dat die gave hen op een geschikte plaats ten goede komt, niet op een ongeschikte plaats.

De brahmaan: "Heer, wat is de geschikte plaats en wat is de ongeschikte plaats?"

De Boeddha: "Iemand doodt, steelt, heeft verkeerd gedrag in zinnelijke lusten, liegt, is een lasteraar, gebruikt barse taal, kletst, is hebzuchtig, hatelijk, heeft verkeerde inzichten. En na de dood wordt hij wedergeboren in een hel. Daar leeft hij van het voedsel van de hellenwezens, en daarmee voedt hij zich. Dat is een ongeschikte plaats; die gave komt degene die daar vertoeft niet ten goede.

Iemand doodt, steelt, heeft verkeerd gedrag in zinnelijke lusten, liegt, is een lasteraar, gebruikt barse taal, kletst, is hebzuchtig, hatelijk, heeft verkeerde inzichten. En na de dood wordt hij wedergeboren in de dierenwereld. Daar leeft hij van het voedsel van de dieren, daarmee voedt hij zich. Ook dat is een ongeschikte plaats; die gave komt degene die daar vertoeft niet ten goede.

Iemand ziet af van doden, stelen, van verkeerd gedrag in zinnelijke lusten, ziet af van liegen, van lasteren, van het gebruik van barse taal en van kletsen; hij is vrij van hebzucht, vrij van hatelijkheid, en hij heeft juiste inzichten. Na de dood wordt hij wedergeboren onder de mensen. Daar leeft hij van het voedsel der mensen, daarmee voedt hij zich. Ook dat is een ongeschikte plaats; die gave komt degene die daar vertoeft niet ten goede.

Iemand ziet af van doden, stelen, van verkeerd gedrag in zinnelijke lusten, ziet af van liegen, van lasteren, van het gebruik van barse taal en van kletsen; hij is vrij van hebzucht, vrij van hatelijkheid, en hij heeft juiste inzichten. Na de dood wordt hij wedergeboren bij de hemelse wezens. Daar leeft hij van het voedsel van de hemelse wezens, daarmee voedt hij zich. Ook dat is een ongeschikte plaats; die gave komt degene die daar vertoeft niet ten goede.

Iemand doodt, steelt, heeft verkeerd gedrag in zinnelijke lusten, liegt, is een lasteraar, gebruikt barse taal, kletst, is hebzuchtig, hatelijk, heeft verkeerde inzichten. En na de dood wordt hij wedergeboren in de sfeer van de ongelukkige geesten.

Daar leeft hij van het voedsel van de wezens in de sfeer van de ongelukkige geesten; daarmee voedt hij zich. En wat hem hier door zijn vrienden, familieleden en verwanten aangeboden wordt, daarop teert hij; daarmee voedt hij zich. Dat is de geschikte plaats; daar komt die gave hem ten goede."

De brahmaan: "Heer Gotama, wanneer nu het gestorven familielid niet op die plaats wedergeboren wordt, wie geniet dan van die gave?"

De Boeddha: "Ook anderen van zijn familieleden of verwanten zijn op die plaats wedergeboren."

De brahmaan: "Wanneer nu geen enkel familielid of geen enkele verwant daar wedergeboren is, wie geniet dan van de gave?"

De Boeddha: "Het is onmogelijk dat die plaats in deze lange tijd onbewoond is gebleven door gestorven bloed- of aanverwanten. Overigens blijft ook de gever niet zonder loon."

De brahmaan: "Heer Gotama belooft dus succes zelfs op een ongeschikte plaats?"

De Boeddha: "Brahmaan, zelfs op een ongeschikte plaats komt succes. Iemand doodt, steelt, heeft verkeerd gedrag in zinnelijke lusten, liegt, is een lasteraar, gebruikt barse taal, kletst, is hebzuchtig, hatelijk, heeft verkeerde inzichten. Maar hij voorziet asceten en priesters van spijs en drank, kleding, voertuig, bloemen, reukwerken, zalven, slaapplaats, woning en licht. Na de dood wordt hij wedergeboren onder olifanten, paarden, runderen of honden. Daar echter krijgt hij eten en drinken, guirlanden en velerlei sieraden. Vanwege zijn slechte gedrag in daden, woorden en denken,[63] is hij daar wedergeboren. Maar vanwege zijn gedrag t.o.v. asceten en priesters krijgt hij daar eten en drinken, guirlanden en sieraden.

Iemand ziet af van doden, stelen, van verkeerd gedrag in zinnelijke lusten, ziet af van liegen, van lasteren, van het gebruik van barse taal en van kletsen; hij is vrij van hebzucht, vrij van hatelijkheid, en hij heeft juiste inzichten. En hij voorziet asceten en priesters van spijs en drank, kleding, voertuig, bloemen, reukwerken, zalven, slaapplaats, woning en licht. Na de dood wordt hij wedergeboren bij de mensen of bij de hemelse wezens. Daar heeft hij deel aan menselijke of hemelse zinnelijke vreugden. En wel vanwege zijn goede bovenvermelde gedrag.

Zo blijft ook de gever niet zonder loon."

De brahmaan: "Heer Gotama, verbazingwekkend hoe gerechtvaardigd het is dodenoffers te brengen waarbij ook de gever niet zonder beloning blijft."

De Boeddha: "Inderdaad, ook de gever blijft niet zonder beloning."

De brahmaan prees de Boeddha voor de uitleg en nam zijn toevlucht tot de Boeddha, diens leer en tot de gemeenschap van de monniken. Vanaf toen werd hij een lekenvolgeling van de Boeddha.

Hoofdstuk 18. sādhu-vagga (A.X.178-188)

Hoofdstuk 19. ariyamagga-vagga (A.X.189-198)

Hoofdstuk 20. aparapuggala-vagga (A.X.199)

Hoofdstuk 21. karajakāya-vagga (A.X.200-209)

A.X.205. De manier van wegkruipen [kamma]

Monniken, de manier van wegkruipen zal ik jullie  laten zien, en de manier van de leer.

Wat nu, monniken, is de manier van wegkruipen en wat is de manier van de leer?

Eigenaren en erfgenamen van hun daden, monniken, zijn de wezen, aan hun daden ontsproten, ermee verbonden, zij hebben hun daden tot toevlucht, en de goede en slechte daden die zij verrichten, zullen zij tot erfenis hebben.

Monniken, iemand brengt een levend wezen om, steelt, leidt een onrechtvaardig leven in zinnelijke lusten, hij is een leugenaar, een roddelaar, praat ruw, kletst, is hebzuchtig, hatelijk en heeft verkeerde opvattingen. Hij kruipt weg in daden, kruipt weg in woorden, kruipt weg in gedachten. Krom zijn zijn daden in acties, krom zijn zijn daden in woorden, krom zijn zijn daden in gedachten, krom is zijn pad van bestaan, krom is zijn wedergeboorte. Wie evenwel een krom spoor van bestaan, een kromme wedergeboorte heeft, hij zal een van deze twee paden van bestaan kunnen verwachten: een extreem kwaalvolle hel of de dierlijke baarmoeder van de kruipende dieren.

Maar wat, monniken, geldt als de dierlijke baarmoeder van de kruipende dieren? Slangen, schorpioenen, duizendpoten, mangoesten, katten, muizen, uilen of wat er verder nog is aan wezens van de dierlijke baarmoeder die wegkruipen bij het zien van de mens. Zo, monniken, vindt de wedergeboorte van een wezen plaats volgens zijn aard: overeenkomstig naar wat men doet, wordt men wedergeboren, en de wedergeborenen worden door de indrukken getroffen.[64] Daarom zeg ik, monniken, dat de wezens de erfgenamen zijn van hun daden.

Eigenaren en erfgenamen van hun daden, monniken, zijn de wezens, aan hun daden ontsproten, ermee verbonden, zij hebben hun daden tot toevlucht, en de goede en slechte daden die zij doen, zullen zij tot erfenis hebben.

Monniken, iemand ziet af van het doden, van stelen, hij leidt een rechtvaardig leven, hij is geen leugenaar, geen roddelaar, zijn taalgebruik is aangenaam om te horen, hij kletst niet, en hij heeft echt inzicht. Hij kruipt niet weg in daden, kruipt niet weg in woorden, kruipt niet weg in gedachten. Recht zijn zijn daden in handelen, recht zijn daden in woorden, recht zijn daden in gedachten, recht zijn pad van bestaan, recht zijn wedergeboorte. Monniken, wie nu een recht pad van bestaan heeft, een rechte wedergeboorte, die kan een van deze twee paden van bestaan verwachten: een extreem gelukkige hemel of wedergeboorte in een voornaam geslacht, een machtig adellijk geslacht, een machtig brahmanen-geslacht een machtig burger-geslacht, dat rijk is, met veel goederen, heel vermogend, rijk aan zilver en goud, bezittingen, geld en graan. Zo, monniken, vindt de wedergeboorte van een wezen plaats volgens zijn aard: overeenkomstig  naar wat men doet, wordt men wedergeboren, en de wedergeborene ervaart de indrukken. Daarom zeg ik, monniken, dat de wezens de erfgenamen zijn van hun daden.

Eigenaren en erfgenamen van hun daden, monniken, zijn de wezens, aan hun daden ontsproten, ermee verbonden, zij hebben hun daden tot toevlucht, en de slechte en goede daden die zij doen, zullen zij als erfenis hebben.

Dat, monniken, is de manier van wegkruipen en de manier van de leer.

A.X.208. Zegeningen van mettā, karunā, muditā en upekkhā

Eens richtte de Boeddha zich tot zijn volgelingen met deze leerrede: “Ik verklaar, volgelingen, dat de resultaten van wilsacties die men vaak deed, niet worden uitgewist. De morele gevolgen ervan zullen worden ondervonden hetzij in dit leven, hetzij in het volgende leven of in een toekomstig bestaan. En zolang als de activiteiten die men wilde, uitvoerde en vaak deed, niet zijn ondervonden, net zolang is er geen einde aan onvoldaanheid en lijden.

Maar vrij van begeerte, vrij van afkeer, niet verward, met helder begrip en oplettend verblijft een edele volgeling met zijn hart vol van liefdevolle vriendelijkheid (mettā). En hij doordringt één richting, en evenzo de tweede, de derde en de vierde richting, en op gelijke wijze opwaarts en neerwaarts en rondom. Hij verblijft met zijn hart vervuld van liefdevolle vriendelijkheid, terwijl hij de gehele wereld waar dan ook en in gelijke mate doordringt. En hij doet dit overvloedig, onmetelijk, vrij van vijandschap en vrij van angst.

Hij weet verder: 'Vroeger was mijn geest eng en onontwikkeld; maar nu is mijn geest onbeperkt en goed ontwikkeld. Geen wilsactiviteit van een beperkte orde zal erin verblijven.'

Als iemand vanaf zijn jeugd liefdevolle vriendelijkheid ontwikkelt, de bevrijding van het hart, dan zal hij geen kwade daad kunnen doen. En als hij geen kwade daad doet, zal hem geen leed kwellen. Waarlijk, liefdevolle vriendelijkheid, de bevrijding van het hart, moet ontwikkeld worden door man en vrouw. Noch man noch vrouw kan na de dood het lichaam meenemen; stervelingen hebben bewustzijn als verbindende schakel. Maar de edele volgeling weet: 'Wat voor slechte daden ik voorheen ook deed met dit lichaam, de morele gevolgen ervan zullen worden ondervonden hier in dit leven en zij zullen mij niet verder volgen.'

Liefdevolle vriendelijkheid, indien op zo'n manier ontwikkeld, zal leiden naar de staat van Niet-Wederkeer in het geval van de volgeling die gevestigd is in de wijsheid van deze leer, maar die niet verder doorgedrongen is naar een hogere bevrijding.

Vrij van begeerte, vrij van afkeer, niet verward, met helder begrip en oplettend verblijft de edele volgeling met zijn hart vol van mededogen (karunā). En hij doordringt één richting, en evenzo de tweede, de derde en de vierde richting, en op gelijke wijze opwaarts en neerwaarts en rondom. Hij verblijft met zijn hart vervuld van mededogen, terwijl hij de gehele wereld waar dan ook en in gelijke mate doordringt. En hij doet dit overvloedig, onmetelijk, vrij van vijandschap en vrij van angst.

Hij weet verder: 'Vroeger was mijn geest eng en onontwikkeld; maar nu is mijn geest onbeperkt en goed ontwikkeld. Geen wilsactiviteit van een beperkte orde zal erin verblijven.'

Als iemand vanaf zijn jeugd mededogen ontwikkelt, de bevrijding van het hart, dan zal hij geen kwade daad kunnen doen. En als hij geen kwade daad doet, zal hem geen leed kwellen. Waarlijk, mededogen, de bevrijding van het hart, moet ontwikkeld worden door man en vrouw. Noch man noch vrouw kan na de dood het lichaam meenemen; stervelingen hebben bewustzijn als verbindende schakel. Maar de edele volgeling weet: 'Wat voor slechte daden ik voorheen ook deed met dit lichaam, de morele gevolgen ervan zullen worden ondervonden hier in dit leven en zij zullen mij niet verder volgen.'

Mededogen, indien op zo'n manier ontwikkeld, zal leiden naar de staat van Niet-Wederkeer in het geval van de volgeling die gevestigd is in de wijsheid van deze leer, maar die niet verder doorgedrongen is naar een hogere bevrijding.

Vrij van begeerte, vrij van afkeer, niet verward, met helder begrip en oplettend verblijft de edele volgeling met zijn hart vol van medevreugde (muditā). En hij doordringt één richting, en evenzo de tweede, de derde en de vierde richting, en op gelijke wijze opwaarts en neerwaarts en rondom. Hij verblijft met zijn hart vervuld van medevreugde, terwijl hij de gehele wereld waar dan ook en in gelijke mate doordringt. En hij doet dit overvloedig, onmetelijk, vrij van vijandschap en vrij van angst.

Hij weet nu: 'Vroeger was mijn geest eng en onontwikkeld; maar nu is mijn geest onbeperkt en goed ontwikkeld. Geen wilsactiviteit van een beperkte orde zal erin verblijven.'

Als iemand vanaf zijn jeugd medevreugde ontwikkelt, de bevrijding van het hart, dan zal hij geen kwade daad kunnen doen. En als hij geen kwade daad doet, zal hem geen leed kwellen. Waarlijk, medevreugde, de bevrijding van het hart, moet ontwikkeld worden door man en vrouw. Noch man noch vrouw kan na de dood het lichaam meenemen; stervelingen hebben bewustzijn als verbindende schakel. Maar de edele volgeling weet: 'Wat voor slechte daden ik voorheen ook deed met dit lichaam, de morele gevolgen ervan zullen worden ondervonden hier in dit leven en zij zullen mij niet verder volgen.'

Medevreugde, indien op zo'n manier ontwikkeld, zal leiden naar de staat van Niet-Wederkeer in het geval van de volgeling die gevestigd is in de wijsheid van deze leer, maar die niet verder doorgedrongen is naar een hogere bevrijding.

Vrij van begeerte, vrij van afkeer, niet verward, met helder begrip en oplettend verblijft de edele volgeling met zijn hart vol van gelijkmoedigheid (upekkhā). En hij doordringt één richting, en evenzo de tweede, de derde en de vierde richting, en op gelijke wijze opwaarts en neerwaarts en rondom. Hij verblijft met zijn hart vervuld van gelijkmoedigheid, terwijl hij de gehele wereld waar dan ook en in gelijke mate doordringt. En hij doet dit overvloedig, onmetelijk, vrij van vijandschap en vrij van angst.

Hij weet nu: 'Vroeger was mijn geest eng en onontwikkeld; maar nu is mijn geest onbeperkt en goed ontwikkeld. Geen wilsactiviteit van een beperkte orde zal erin verblijven.'

Als iemand vanaf zijn jeugd gelijkmoedigheid ontwikkelt, de bevrijding van het hart, dan zal hij geen kwade daad kunnen doen. En als hij geen kwade daad doet, zal hem geen leed kwellen. Waarlijk, gelijkmoedigheid, de bevrijding van het hart, moet ontwikkeld worden door man en vrouw. Noch man noch vrouw kan na de dood het lichaam meenemen; stervelingen hebben bewustzijn als verbindende schakel. Maar de edele volgeling weet: 'Wat voor slechte daden ik voorheen ook deed met dit lichaam, de morele gevolgen ervan zullen worden ondervonden hier in dit leven en zij zullen mij niet verder volgen.'

Gelijkmoedigheid, indien op zo'n manier ontwikkeld, zal leiden naar de staat van Niet-Wederkeer in het geval van de volgeling die gevestigd is in de wijsheid van deze leer, maar die niet verder doorgedrongen is naar een hogere bevrijding.”

Hoofdstuk 22. sāmañña-vagga (A.X.210-216)

Hoofdstuk 23. rāga-peyyāla (A.X.217-219)

Einde van het boek van tien

        


[1] U Ko Lay 1985, p. 123-124; Webb 1975, p. 29; Winternitz 1983, p. 59.

[2]  apārā pāram gamanāyā'ti; commentaar: De verschijningen van de drie niveaus van de ronde van bestaan (zinnelijk, fijnstoffelijk en onstoffelijk bestaan) welke verschijningen de oever aan deze kant vormen, leiden naar de oever aan de andere kant, het Nibbāna. - Parallelle teksten: A.V.24, A.VI.50, A.VII.61, A.VIII.81.

[3] Commentaar: dit heeft betrekking op de toestand van het bereiken van de vrucht (van heiligheid, phalasamāpatti).

[4]  bhavanirodho nibbānan'ti; ook in S.12.68.

[5] Vgl. A.VIII.71; A.IX.4

[6] vgl. A.V.251, A.III.58 met opm. 

[7] vgl. A.VI.53.  

[8] Deze heeft het ontwikkelingsniveau bereikt dat onmiddellijk vóór stroomintrede is. (A.IX.10)

[9]  zie: A.IV.186.

[10]  zie: A.III.136.

[11] vgl. A.XI.15

[12] dasa tathāgata-balāni; ook in M.12.         

[13] Voorbeelden voor zulke mogelijkheden en onmogelijkheden zijn genoemd in A.I.25. - Commentaar: Het weten van wat een oorzaak voor het ontstaan van een gebeurtenis kan zijn en wat niet.

[14] Dit heeft betrekking op de wijziging van een kamma-resultaat (vipāka) elk naar bestaansvorm (gati), uiterlijke levensomstandigheden (upadhi), tijdsomstandigheden (kāla), juist of onjuist gedrag (payoga).         

[15] sabbatthagāmini-patipadam, letterlijk: het overal heen leidende pad. Commentaar: een handelen (patipadā = kamma), dat naar alle paden van bestaan, d.i. wedergeboorten kan leiden. Wanneer onder veel mensen ieder slechts één wezen heeft gedood, dan weet de Volmaakte onfeilbaar dat de gesteldheid van de wil (cetanā) de een naar de hel zal leiden, de ander naar het dierenrijk.         

[16] Vibhanga-commentaar: De verscheidenheid van de groepen van bestaan (khandha), de grondslagen van de zintuigen (āyatana) en bewustzijn-selementen (dhātū). 

[17] Edele of lage gezindheid, met de neiging naar overeenkomende omgang.

[18] Dit heeft betrekking op de sterkte of zwakte van de vijf geestelijke vaardigheden (vertrouwen, energie, oplettendheid, concentratie en inzicht) of van de geestelijke smetten (kilesa), op aanleg van karakter, aanwezige of ontbrekende talenten, etc.         

[19]  "wisseling" viparināma; het commentaar legt het uit als 'sterven'.

[20]   Dit zijn de vier continenten die volgens Indiase cosmologie rondom de berg Meru (Sineru) gegroepeerd zijn: 1. Jambudīpa (= India), 2. Aparagoyāna, 3. Uttarakuru, 4. Pubbavideha.

[21] vgl. M.77.

[22]  Skr: karnikāra, sterospermum acerifolium; een boombloesem, die vaak als voorbeeld voor de gele kleur wordt gebruikt.

[23] vgl. A.IV.161.

[24]  commentaar: De begrensde waarneming is die van de zintuiglijke sfeer; de verheven waarneming is die van de fijnstoffelijke sfeer; de onbegrensde waarneming is die van de bovennatuurlijke sfeer (lokuttara, dat wil zeggen, in het bewustzijn van het achtvoudige pad en vrucht van de niveaus van heiligheid); het "gebied van 'er is niets' is de derde onstoffelijke verdieping. De vierde onstoffelijke verdieping, het gebied van 'noch waarneming noch niet waarneming', telt niet meer als een soort van waarneming (zie A.IX.36 einde).

[25]  De weergave volgt de uitleg van het commentaar. Zie aantekening bij A.VII.52.

[26]  paramattha-visuddhi; vgl. Sn. IV.4, vers 788.

[27] Volgens het commentaar was het doel koning Ajatasattu een nederlaag toe te brengen.

[28]  vgl. M.89.

[29] Het Patimokkha bevat de opsomming van alle fouten tegen de discipline. Deze lijst van fouten wordt om de veertien dagen, bij nieuwe maan en volle maan, op een afgebakende plaats, de zogenaamde sima, hardop gereciteerd. Wie zich daarbij van een fout bewust is, moet zijn schuld bekennen. 

[30]  Vgl. A.II.201.

[31] Vergelijk Sn.III.10, verzen 657-678, Kokāliya sutta.

[32]  zie ook A.III.71. 

[33] vgl. A.VI.39.

[34] ponobhaviko bhavasankhāro; commentaar: de wilsacties die het bestaan vormen (bhavasankaranaka-kammam).

[35] chanda (bedoeling, wil, intentie)

[36] Alle veroorzaakte dingen

[37] De wereld van de objecten komt alleen door oplettendheid bewust tot bestaan.

[38] In de concentratie bereikt de geest haar grootste intensiteit van kracht, en in zoverre is concentratie het hoogste van alle veroorzaakte verschijnselen.

[39] vgl. A.IX.14.

[40] Bhante = eerwaarde Heer.

[41] de bof = ontsteking van de oorspeekselklier.

[42] M.a.w. door eigen verschulden.

[43] Bedoeld zijn de geestelijke formaties, namelijk gedachten, ideeën, gevoelens, waarneming

[44] Volgens de vier meditatieve verdiepingen (jhanas).

[45] Zowel door samatha (kalmte) als ook door vipassana (inzicht).

[46] Namelijk op de ademhaling.

[47] In lichaam, gevoel, waarneming, wilsformaties en bewustzijn.

[48] Eventueel weer te geven met: [het vuur van] onwetendheid moet brandstof hebben.

[49] nitthangatā. Dit heeft dezelfde betekenis als "onwrikbaar vertrouwen" (aveccappasāda), een kenmerk van het niveau van stroomintrede.         

[50] ditthi-sampannā, een aanduiding van de 'in de stroom getredene' (sotāpanna).

[51] nitthā: hier in de betekenis van "het einde" (van de wedergeboorten).

[52] Commentaar: zij verlaten deze wereld en worden in de Brahma-wereld van de 'Zuivere Verblijven' (suddhāvāsa) wedergeboren.

[53] Letterlijk staat er: van geslacht naar geslacht gaat.

[54] Dit zijn de drie soorten van een Sotāpanna; zie: A.IX.12 en A.III.88.

[55] De vijf soorten van een niet meer wederkerende (anāgāmī) zie: A.IX.12 en A.III.88. - De vijf eerstgenoemde discipelen bereiken de volmaaktheid hier in de wereld van de zintuigen (kāma-loka), en wel in een latere wedergeboorte; de andere vijf evenwel bereiken de volmaaktheid in de tot de fijnstoffelijke wereld (rūpa-loka) behorende 'Zuivere Verblijven'. - Meer over de niveaus van heiligheid, zie: De smetten van de geest en de niveaus van heiligheid, hoofdstuk 2.

[56]  palāsa, ook wel pulasboom genoemd (butea frondosa), is een boom met mooie rode bloesem.

[57]  Het commentaar zegt dat de Verhevene als gevolg van zijn zes jaren durende ascese die voorafging aan het bereiken van Boeddhaschap, op zijn leeftijd leed aan reuma.

[58]  In de commentaren worden nog vier andere lage gesprekken genoemd, zodat het aantal oploopt tot 32, zoals meestal in de exegetische literatuur vermeld is. De vier andere gespreksonderwerpen zijn: gesprekken over zinnelijk genot en zelfkastijding, geloof in de eeuwigheid en geloof in vernietiging.

[59] Wanneer er geluid is, is het voor een ongeoefende  moeilijk om in de verdieping in te treden of erin te blijven. In de verdieping is elke activiteit van de vijf zintuigen tijdelijk opgeheven. Als dus door een geluid de activiteit van horen is hervat, dan geldt de verdieping als afgebroken.

[60] nirodha-samapatti: meditatieve sfeer van een volmaakte heilige waarin gevoel en gewaarwording zijn uitgedoofd. Elke soort van bewustzijn en geestelijke activiteit is er tijdelijk opgeheven.

[61]  dhamma. Hier worden volgens het commentaar de negen bovennatuurlijke toestanden (lokuttara-dhamma) bedoeld, namelijk de vier bovennatuurlijke paden en vier vruchten, en als negende het Nibbāna.

[62] āhāra, letterlijk: voedingsstoffen

[63] namelijk doden, stelen, verkeerd gedrag in zinnelijke lusten, liegen, lasteren, gebruik van barse taal, kletsen, hebzuchtig en hatelijk zijn, verkeerde inzichten hebben

[64] phassā phusanti; commentaar: vipākaphassā, de als karma-resultaat optredende zintuiglijke indrukken.

===