in de Pali Canon
______________________________________________
Copyright © 2026 / 2569
Het is toegestaan om elektronisch of in gedrukte vorm fragmenten van dit overzicht of het overzicht in zijn geheel over te nemen voor eigen gebruik, of ook met als doel het met anderen te delen, uitsluitend voor gratis verspreiding en zonder commercieel oogmerk.
_______________________________________________
Ten geleide - Vinaya Pitaka - Sutta Pitaka - Digha Nikaya - Majjhima Nikaya - Samyutta Nikaya - Anguttara Nikaya - Khuddaka Nikaya - Khuddhakapatha - Dhammapada - Udana - Itivuttaka - Sutta-nipata - Vimanavatthu - Petavatthu - Theragatha - Therigatha - Jataka - Niddesa - Pathisambhidamagga - Apadana - Buddhavamsa - Cariyapitaka - Abhidhamma Pitaka
Om het mezelf - en de lezers van deze website - gemakkelijker te maken om een bepaalde leerrede (sutta) in de Pali Canon te vinden, is een lijst gemaakt van die suttas.
1.1. Mahāvibhangha (= Bhikkhu vibhangha) - de regels voor de monniken met het Patimokkha. - verdeeld in 8 groepen, 8 soorten overtredingen.
1.2. Bhikkhunī-vibhanga - de regels voor de nonnen.
2. Khandaka - regels voor de leden van de Orde. Ze regelen hoe harmonisch met elkaar en met de leken te leven. Deze sectie is verdeeld in twee delen:
2.1. Mahavagga (10 delen)
In dit deel staat ook de leerrede over de vier edele waarheden:
Vin.Mv.Kh.1. – Dhammacakkappavattana sutta
2.2. Cullavagga. - 12 boeken met diverse regels
3. Parivāra - soort handboek.
Digha Nikaya sectie 1. Sīlakkhanda-vagga (D.1-13)
D.1. Brahmajala sutta – "Het net van Brahma” of het volmaakte net
// De raad om bij lofprijzing zich niet verheugd te tonen noch zich te ergeren als kwaad wordt gesproken. Verder weerlegging van alle 62 ketterse vormen van speculatie betreffende de wereld en het zelf
D.2. Samaññaphala sutta – Het loon van een leven in ascese
// Het eerste deel van deze leerrede gaat over de leerstellingen van zes ketterse leraren. Het tweede deel gaat over "De vruchten van het huisloze leven". De Boeddha legt aan koning Ajātasattu de voordelen uit van het leven als monnik en van het verzaken van de wereld.
D.3. Ambattha sutta – Over Ambattha // De ware brahmaan
D.4. Sonadanda sutta – Over Sonadanda // De ware brahmaan
D.5. Kutadanta sutta – Over Kutadanta // dierenoffers
D.6. Mahali sutta – Over Mahali // goddelijk horen en goddelijk zien
D.7. Jaliya sutta – Over Jaliya // ziel-lichaam
D.8. Mahasihanada sutta – De roep van de leeuw // zelfkwelling
D.9. Potthapada sutta – Over Potthapada // concentratie
D.10. Subha sutta – Over Subha // concentratie; inzicht, wijsheid
D.11. Kevaddha sutta – Over Kevaddha // waar komen de vier grondstoffen tot vernietiging; Brahmā is niet almachtig
D.12. Lohicca sutta – Over Lohicca // soorten leraren
D.13. Tevijja sutta – De drievoudige wijsheid // brahma-vihara; drievoudige wijsheid
Digha Nikaya sectie 2. Mahā-vagga (D.14-23)
D.14. Mahapadana sutta – De openbaring // Boeddhas; oorzakelijk ontstaan
D.15. Mahanidana sutta – Over afstamming. Het zelf // atta; keten van oorzakelijkheid
D.16. Mahaparinibbana sutta – De grote uitdoving, het definitieve heengaan
D.17. Mahasudassana sutta – De grote heerlijke // vroegere grootheid van Kusinara
D.18. Janavasabha sutta – Over Janavasabha // bijeenkomsten in de deva-wereld; uposatha; vertrouwen in het Drievoudige Juweel
D.19. Mahagovinda sutta – Over Govinda // brahma-vihara
D.20. Mahasamaya sutta – De bijeenkomst van de goden
D.21. Sakkapañha sutta – Vragen van Sakka // oorzaak van afgunst en van egoïsme, van vijandschap en van geweld; verwijdering van illusies; ontstaan-vergaan
D.22. Mahasatipatthana sutta – De vier grondslagen van oplettendheid
D.23. Payasi sutta – Over Payasi // Pāyāsi, gouverneur, leraar en filosoof; juist geven van offergaven
Digha Nikaya sectie 3. Pātika-vagga (D.24-34)
D.24. Patika sutta – Over de zoon van Patika // ontwikkeling van het universum
D.25. Udumbarika sutta – Over de vogelvrije
D.26. Cakkavatti sutta – De keizer // universele koning
D.27. Aggañña sutta – Over de oertijd // de ware brahmaan
D.28. Sampasadaniya sutta – Om helder te worden // volle vertrouwen van Sariputta
D.29. Pasadika sutta – Bevredigend // soorten leraren
D.30. Lakkhana sutta – De 32 kentekenen
D.31. Sigalovada sutta – De leerrede tot de jonge Sigāla // gedragsregels voor leken
D.32. Atanatiya sutta – Ondeerbare bescherming // bescherming tegen kwaadwillende geesten (yakkhas)
D.33. Sangiti sutta – Overeenstemming // raad van Sariputta; hoofdlijnen van de Dhamma
D.34. Dasuttara sutta – De serie van tien // hoofdlijnen van de Dhamma
M.1. (M.I.1) Mūlapariyāya sutta - De wortel van alle verschijnselen (dukkha; anattā)
M.2. (M.I.2) Sabbāsava sutta - Het opgeven van de neigingen, het verdwijnen van alle waan door juiste oplettendheid; hoe de geest te reinigen van de smetten
M.3. (M. I.3.) Dhammadāyāda sutta - Erfgenamen van de leer en het beoefenen van eenzaamheid
M.4. (M.I.4) Bhayabherava sutta - Onzuivere gedachten, woorden en daden brengen schade; overwinning van angst en vrees.
M.5. (M.I.5) Anangana sutta - Vier soorten mensen; Schuldig–onschuldig
M.6. (M.I.6) Ākankheyya sutta - Wees op de hoede voor de geringste fout
M.7. (M.I.7) Vattha sutta (Vatthūpama sutta) - De gelijkenis van smerige stuk stof en de bevuilde geest
M.8. (M.I.8) Sallekha sutta - Opheffing van verkeerde inzichten - Uitwissing
M.9. (M.I.9) Sammāditthi sutta - Juist inzicht; vier soorten voedsel
M.10. (M.I.10) Satipatthāna sutta - De grondslagen van oplettendheid
M.11. (M.II.1) Cūlasīhanāda sutta - De ware monnik; vier soorten van asceten
M.12. (M.II.2) Mahāsīhanāda sutta - De kippenvel-leerrede; over de bovennatuurlijke krachten, over de tien krachten van een Boeddha, over vier soorten van zekerheid, de vijf sferen van bestaan; de ascetische oefeningen van de Bodhisatta
M.13. (M.II.3) Mahādukkhakkhandha sutta - Over onvoldaanheid, lijden
M.14. (M.II.4) Cūladukkhakkhandha sutta - Korte toespraak over onvoldaanheid, lijden
M.15. (M.II.5) Anumāna sutta - Over de waarde van zelfonderzoek
M.16. (M.II.6) Cetokhila sutta - Over de vijf geestelijke boeien
M.17. (M.II.7) Vanapattha sutta - De voor- en nadelen van het leven in het bos
M.18. (M.II.8) Madhupindika sutta - Het einde van hechten
M.19. (M.II.9) Dvedhāvitakka sutta - Hoe slechte gedachten overwonnen kunnen worden
M.20. (M.II.10) Vitakkasanthāna sutta - Vijf methoden om onheilzame gedachten te verdrijven
M.21. (M.III.1) Kakacūpama sutta - de koppige monnik; de gelijkenis van de zaag; verdraagzaamheid; liefdevolle vriendelijkheid; voordeel van eenmaal eten per dag
M.22. (M.III.2) Alagaddūpama sutta - Gelijkenis van de slang; gelijkenis van het vlot; anatta
M.23. (M.III.3) Vammīka sutta - De gelijkenis van de smeulende mierenheuvel. Een dergelijke heuvel wordt er vergeleken met het menselijke lichaam
M.24. (M.III.4) Rathavinīta sutta - de zeven halteplaatsen op de weg naar nibbana
M.26. (M.III.6) Āriyapariyesana sutta (Pāsarāsi sutta) - het edele streven. De Boeddha vertelt er over zijn ervaringen vanaf het begin van zijn zoektocht, hoe hij de Verlichting bereikte en hoe hij het Wiel der leer in beweging bracht en de vijf asceten bekeerde. Uit het zicht van het kwaad (gedeelte uit M.26)
M.27. (M.III.7) Cūlahatthipadopama sutta - De korte gelijkenis van de olifantenvoetafdruk; beschrijving van iemand die het arahant-ideaal nastreeft.
M.28. (M.III.8) Mahāhatthipadopama sutta. De lange leerrede van het olifantenvoetspoor; alle heilzame toestanden kunnen in de vier edele waarheden worden ingepast.
M.29. (M.III.9) Mahāsāropama sutta. Over het gevaar van winst, eer en roem.
M.30. (M.III.10) Cūlasāropama sutta. Over het bereiken van het wezenlijke van de Dhamma.
M.31 (MN.IV.1) Cūlagosinga sutta. Monniken die in eendracht en harmonie leven, worden geprezen.
M.32 (MN.IV.2) Mahāgosinga sutta. Door de aanwezigheid van een monnik met het vaste voornemen niet eerder op te staan totdat hij de uiteindelijke bevrijding van het kwade had verwerkelijkt, neemt een bos in grootheid toe.
M.33 (MN.IV.3) Mahāgopālaka sutta. Factoren tot groei in de leer.
M.34 (MN.IV.4) Cūlagopālaka sutta. Gelijkenis van de onbekwame koeherder die zijn kudde vee op een verkeerde plaats de rivier laat oversteken en ze zo tot de dood leidt. Verder de gelijkenis van de bekwame koeherder die zijn kudde vee op een goede plaats de rivier laat oversteken. Zij komen allemaal veilig aan de andere oever. Op gelijke wijze gaat het met de volgelingen van de Boeddha. Wie naar de Boeddha luistert en in hem vertrouwen stelt, dat zal hem of haar lang tot heil en geluk strekken. Besproken worden de niveaus van heiligheid.
M.35 (MN.IV.5) Cūlasaccaka sutta. Klein gesprek tussen de Boeddha en de trotse Jain Niganthaputta Saccaka over de aard van de vijf khandhas. De Boeddha toonde aan dat alles vergankelijk is en dat er geen zelf is.
M.36 (MN.IV.6) Mahāsaccaka sutta. Verblinde en niet-verblinde levenswijze.
M.37 (MN.IV.7) Cūlatanhāsankhaya sutta. De manier waarop iemand door de vernietiging van begeerte bevrijd is.
M.38 (MN.IV.8) Mahātanhāsankhaya sutta. De Boeddha legt uit dat geen enkele factor verhuist van het ene naar het andere lichaam. Het bewustzijn ontstaat door oorzaken, kan zonder oorzaken niet ontstaan.
M.39 (MN.IV.9) Mahā Assapura sutta. Grote toespraak te Assapura over de plichten van een asceet.
M.40 (MN.IV.10) Cūla Assapura sutta. Kleine toespraak te Assapura over de plichten van een asceet.
M.41 (MN.V.1) Sāleyyaka sutta. Redenen waarom sommigen naar de hemel gaan en anderen naar de hel.
M.42 (MN.V.2) Verañja(ka) sutta. Dezelfde toespraak, nu tot de brahmanen van Verañja.
M.43 (MN.V.3) Mahāvedalla sutta. Toespraak van de eerwaarde Sāriputta tot Makākotthita. De volgende vragen worden er behandeld: Wie is wijs en wie niet? Wat zijn de juiste betekenissen van de termen vedanā (gevoel), saññā (waarneming) en viññāna (bewustzijn)? Ontstaan ze samen of afzonderlijk? Wat is juist inzicht? Wat is leven na de dood? Wat is een jhāna (meditatieve verdieping)? Wat is het bereiken van een ophouden van het proces van bewustzijn? En wat is de bevrijding van de geest?
M.44 (MN.V.4) Cūlavedalla sutta. Korte reeks van vragen en antwoorden over persoonlijkheid.
M.45 (MN.V.5) Cūladhammasamādāna sutta. Korte toespraak over het hebben van een aangenaam of onaangenaam leven in de toekomst.
M.46 (MN.V.6) Mahādhammasamādāna sutta. Vier soorten hoe men een leven kan leiden; lange toespraak over het tot rijping komen van een aangenaam of onaangenaam leven in de toekomst.
M.47 (MN.V.7) Vimañsaka sutta. Over de juiste methode van onderzoek.
M.48 (MN.V.8) Kosambiya sutta. Twist onder de monniken te Kosambi. De Boeddha preekte toen over nadelen van twisten en de voordelen van vrede en vriendschap onder elkaar. Men moet metta beoefenen in daden, woorden en gedachten jegens de medemonniken.
M.49 (MN.V.9) Brahmanimantanika sutta. Een hemelse wereld is niet eeuwig. Het bewustzijn dat niets zijn eigen noemt, is oneindig en helder stralend. Dat niet-indicatieve bewustzijn determineert niets als basis voor de illusie van een "ik". Het is doorzichtig, onvindbaar.
M.50 (MN.V.10) Māratajjaniya sutta. Mara stoort de eerwaarde Mahā Moggallāna. De vier Brahma-viharas, liefdevolle vriendelijkheid, medeleven, medevreugde en gelijkmoedigheid.
M.51. (M.VI.1) Kandaraka sutta. Vier soorten mensen: degenen die zichzelf kwellen, degenen die andere kwellen, degenen die zichzelf en anderen kwellen, en degenen die niet kwellen en een heilig leven leiden.
M.52. (M.VI.2) Atthakanāgara sutta. Elf deuren die naar Nibbāna leiden.
M.53. (M.VI.3) Sekha sutta. Over de opleiding van de discipel
M.54. (M.VI.4) Potaliya sutta. De ware betekenis van het opgeven van de wereld.
M.55. (M.VI.5) Jīvaka sutta. Over het eten van vlees.
M.56. (M.VI.6) Upāli sutta. De bekering van de Jain Upāli; de wil of de mentale daad (kamma) is het belangrijkste.
M.57. (M.VI.7) Kukkuravatika sutta. Gesprek met twee asceten over vier soorten daden en vier soorten resultaten ervan.
M.58. (M.VI.8) Abhayarājakumāra sutta. Zes manieren waarop woorden geuit kunnen worden.
M.59. (M.VI.9) Bahuvedaniya sutta. Uitleg van de verschillende soorten van gevoel.
M.60. (M.VI.10) Āpannaka sutta. De onbetwistbare leer.
M.61 (MN.VII.1) Ambalatthika-Rāhulovāda sutta. Leerrede tot de zevenjarige Rahula; liegen, het bewust zeggen van de onwaarheid, is niet goed.
M.62 (MN.VII.2) Mahā Rāhulovāda sutta. De Boeddha onderwees er Rahula die toen 18 jaar was. "Vorm is niet zelf; en evenmin gevoel, waarneming, formaties en bewustzijn." De eerwaarde Sariputta gaf verder de raad om oplettendheid te ontwikkelen bij het in- en uitademen.
M.63 (MN.VII.3) Cūla Mālunkya sutta. Gelijkenis van de giftige pijl; de praktijk van het heilige leven hangt niet af van vragen. Dood, ziekte etc. blijven bestaan. De Boeddha onderwijst alleen dukkha, de oorzaak ervan, de opheffing ervan en de weg die leidt naar de opheffing ervan.
M.64 (MN.VII.4) Mahā Mālunkya sutta. De vijf lagere boeien.
M.65 (MN.VII.5) Bhaddālī sutta. Voordelen van niet meer te eten na 12 uur ΄s middags; over regels van discipline.
M.66 (MN.VII.6) Latukikopama sutta. Gelijkenis van de kwartel. Leerrede m.b.t. het navolgen van regels en voorschriften. Vier soorten personen.
M.67 (MN.VII.7) Cātumā sutta. Over de gevaren in een leven als monnik
M.68 (MN.VII.8) Nalakapāna sutta. Zolang de vervoering en gelukzaligheid van de jhanas nog niet bereikt zijn, zolang dringt hebzucht in de geest binnen; maar wanneer de vervoering en gelukzaligheid van de jhanas verkregen zijn, dringen hebzucht en de andere smetten van de geest niet binnen.
M.69 (MN.VII.9) Gulissāni sutta. Leerrede over 18 dhammas die een in het bos levende monnik moet navolgen.
M.70 (MN.VII.10) Kītāgiri sutta. Over de voordelen van eten vóór 12:00 uur en het nadeel van eten in de avond; de zevenvoudige indeling van de edele volgelingen.
M.71 (MN.VIII.1) Tevijja-Vacchagotta sutta. De Boeddha is niet alwetend, maar heeft wel het drievoudige weten (tevijja).
M.72 (MN.VIII.2) Aggi-Vacchagotta sutta. Het gevaar van theorieën opstellen over de wereld en over atta, een zelf. De gelijkenis van een uitgedoofd vuur en de bestemming van een volmaakte heilige.
M.73 (MN.VIII.3) Mahā Vacchagotta sutta. Over het heilzame en het onheilzame.
M.74 (MN.VIII.4) Dīghanakha sutta. Ten gevolge van een meningsverschil kan er ruzie ontstaan, en daaruit ontstaat frustratie. Daarom moet men eigen visies overwinnen. Het lichaam is samengesteld uit de vier grote elementen, het is ontstaan, is vergankelijk, is aan verval onderhevig.
M.75 (MN.VIII.5) Māgandiya sutta. Over zintuiglijk genot; het geluk van volmaakte heiligheid is veel hoger.
M.76 (MN.VIII.6) Sandaka sutta. De eerwaarde Ānanda onderwijst de dolende asceet Sandaka en diens volgelingen en weerlegt hun verkeerde meningen.
M.77 (MN.VIII.7) Mahāsakuludāyi sutta. Deugden op grond waarvan de Boeddha wordt geëerd.
M.78 (MN.VIII.8) Samanamandikā sutta. Heilzame en onheilzame gewoonten.
M.79 (MN.VIII.9) Cūlasakuludāyi sutta. De praktijk van de leer.
M.80 (MN.VIII.10) Vekhanassa sutta. Geluk ontsproten uit geestelijke niveaus is hoger dan geluk verkregen door zintuiglijke genietingen.
M.81 (MN.IX.1) Ghatīkāra sutta. Over het vorige leven van de Verhevene ten tijde van de Boeddha Kassapa als Jotipāla.
M.82 (MN.IX.2) Ratthapāla sutta. Het verhaal over Ratthapāla, wiens ouders tevergeefs probeerden hem ervan af te houden in de Sangha in te treden.
M.83 (MN.IX.3) Makhādeva sutta. Het verhaal van het vroegere leven van de Boeddha als koning Maghādeva.
M.84 (MN.IX.4) Madhura sutta. Over de ware brahmaan en de ware betekenis van kaste.
M.85 (MN.IX.5) Bodhirājakumāra sutta. Het verhaal van de Boeddha over zijn opgeven van de wereld en zijn Verlichting.
M.86 (MN.IX.6) Angulimāla sutta. Bekering van de moordenaar Angulimala (Ahimsaka), diens intrede in de Orde en bereiking van volmaakte heiligheid.
M.87 (MN.IX.7) Piyajātika sutta. Innig geliefde personen brengen verdriet.
M.88 (MN.IX.8) Bāhitikā sutta. Onheilzame daden, woorden en gedachten zijn afkeurenswaardig. Heilzame daden, woorden en gedachten zijn prijzenswaardig.
M.89 (MN.IX.9) Dhammacetiya sutta. Koning Pasenadi van Kosala eert de Boeddha.
M.90 (MN.IX.10) Kannakatthala sutta. Over alwetendheid, over goden, het kaste-systeem met de vier klassen van personen en hun bestemming na de dood, en over de wereld van de Brahmas.
M.91. (M.X.1) Brahmāyu sutta. De 32 kenmerken van een groot man; bekering van de oude brahmaan Brahmāya.
M.92. (M.X.2) Sela sutta. De 32 kentekenen van een Groot Man; bekering van de brahmaan Sela en zijn leerlingen.
M.93. (M.X.3) Assalāyana sutta. Over het kastensysteem: bekering van de jonge brahmaan Assalāyana.
M.94. (M.X.4) Ghotamukha sutta. De praktijk van het heilige leven; vier soorten personen; bekering van de brahmaan Ghotamukha.
M.95. (M.X.5) Cankī sutta. De gelijkenis van een rij blinde mannen van wie de een op de voorganger vertrouwde zonder zelf te zien.
M.96. (M.X.6) Esukāri sutta. Over de vier klassen; de ware brahmaan.
M.97. (M.X.7) Dhānañjāni sutta. De plichten voor een gezin zijn geen excuses om verkeerd te handelen.
M.98. (M.X.8) Vāsettha sutta. Over de aard van de ware brahmaan.
M.99. (M.X.9) Subha sutta. Niet alleen gezinshoofden kunnen verdienstelijke daden op de juiste manier uitvoeren, maar ook monniken en nonnen.
M.100. (M.X.10) Sangārava sutta. Verkeerde meningen en de weerlegging ervan.
M.101. (M.XI.1) Devadaha sutta. Niganthas hadden verkeerde meningen over wilsacties (kamma); weerlegging ervan door de Boeddha.
M.102. (M.XI.2) Pañcattaya sutta. Verschillende visies over verleden en toekomst; de weg naar bevrijding (nibbāna) hangt af van geen enkele theorie ervan.
M.103. (M.XI.3) Kinti sutta. De leer van de Boeddha is er voor het verkrijgen van hogere kennis die leidt naar het einde van dukkha.
M.104. (M.XI.4) Sāmagāma sutta. Onvolmaakte en volmaakte leraren.
M.105. (M.XI.5) Sunakkhatta sutta. De gelijkenis van het uittrekken van de pijl van begeerte.
M.106. (M.XI.6) Ānañjasappāya sutta. De gevaren van zinnelijke genietingen.
M.107. (M.XI.7) Ganaka-Moggallāna sutta. Geleidelijke oefening in het temmen van de geest.
M.108. (M.XI.8) Gopaka-Moggallāna sutta. De Sangha kan in harmonie en eendracht blijven bestaan omdat zij hun toevlucht hebben genomen tot de leer, omdat de leer hun leidraad is; elke 14 dagen wordt de Pātimokkha gereciteerd, de samenvatting van disciplinaire regels.
M.109. (M.XI.9) Mahā Punnama sutta. Persoonlijkheid; de vijf groepen van bestaan waaraan men hecht.
M.110. (M.XI.10) Cūla Punnama sutta. De onrechtschapen mens en de rechtschapen mens.
M.111. (M.XII.1) Anupada sutta. Lofprijzing van de eerwaarde Sariputta door de Boeddha; het intreden in de meditatieve toestanden, de een nade andere.
M.112. (M.XII.2) Chabbisodhana sutta. Hoe iemand te testen die beweert de volmaakte heiligheid bereikt te hebben.
M.113. (M.XII.3) Sappurisa sutta. Over het karakter van een rechtschapen monnik en dat van een onrechtschapen monnik.
M.114. (M. XII.4) Sevitabba sutta. Over wat wel en wat niet gedaan moet worden.
M.115. (M.XII.5) Bahudhātuka sutta. Raad van de Boeddha aan de monniken om wijze mensen te zijn, om onderzoekenden te zijn; meester in de elementen; meester in de basis van de zintuigen; meester in oorzakelijk ontstaan; meester in wat mogelijk en wat onmogelijk is.
M.116. (M.XII.6) Isigili sutta. De toespraak op de Isigili-heuvel; de namen van Paccekaboeddhas.
M. 117. (M.XII.7) Mahacattarisa sutta. Over juiste concentratie en de ondersteunende factoren ervan.
M.118. (M.XII.8) Anāpānasati sutta. Ānāpānassati, ontwikkeling van oplettendheid bij de ademhaling.
M.119. (M.XII.9) Kāyagatāsati sutta. Meditatie over het lichaam.
M.120. (M.XII.10) Sankhāruppatti sutta. Over wedergeboorte.
M.121 (MN.XIII.1) Cūlasuññata sutta. De bevrijding van leegheid is de bevrijding door inzicht dat alles leeg is van een zelf.
M.122 (MN.XIII.2) Mahāsuññata sutta. Meditatie over leegheid.
M.123 (MN.XIII.3) Accharlyabbhutadhamma sutta. Verslag over de wonderbaarlijke gebeurtenissen voor en tijdens de geboorte van de Bodhisatta en de 20 wonderbaarlijke eigenschappen van de Boeddha.
M.124 (MN.XIII.4) Bakkula sutta. De wonderbaarlijke eigenschappen van een arahant.
M.125 (MN.XIII.5) Dantabhūmi sutta. De verschillen van een arahant en een gewoon niet onderwezen persoon; de gelijkenis van de tamme en de wilde olifant; hoe men de geest temt.
M.126 (MN.XIII.6) Bhūmija sutta. Heiligheid kan alleen worden bereikt door de navolging van het edele achtvoudige pad; verkeerde manieren van praktijk leveren geen resultaat op.
M.127 (MN.XIII.7) Anuruddha sutta. Soorten van bevrijding.
M.128 (MN.XIII.8) Upakkilesa sutta. Troebelingen van de geest.
M.129 (MN.XIII.9) Bālapandita sutta. De dwaas en de wijze; werelden van bestaan; hel; het dierenrijk; gelijkenis van blinde zeeschildpad; hemel; een universeel heerser.
M.130 (MN.XIII.10) Devadūta sutta. Het lot van degenen die de boodschappers van de dood negeren; slechte daden hebben slechte gevolgen; details over de hellen, de sferen van ellende.
M.131 (MN.XIV.1) Bhaddekaratta sutta. De ideale liefhebber van eenzaamheid.
M.132 (MN.XIV.2) Ānandabhaddekaratta sutta. Ānanda's uitleg van M.131.
M.133 (MN.XIV.3) Mahākaccānabhaddekratta sutta. Mahākaccāna’s uitleg van M.131.
M.134 (MN.XIV.4) Lomasakangiyabhaddekaratta sutta. De Boeddha legt M.131 uit aan Lomasakangiya.
M.135 (MN.XIV.5) Cūlakammavibhanga Sutta. Korte uitleg over kamma, wilsacties.
M.136 (MN.XIV.6) Mahākammavibhanga sutta. Grote uiteenzetting over kamma, wilsacties.
M.137 (MN.XIV.7) Salāyatanavibhanga sutta. Uitleg van de zesvoudige basis.
M.138 (MN.XIV.8) Uddesavibhanga sutta. Onderzoek van de leer.
M.139 (MN.XIV.9) Aranavibhanga sutta. Uiteenzetting van vrijheid van conflicten.
M.140 (MN.XIV.10) Dhātuvibhanga sutta. De uiteenzetting van de elementen.
M.141 (MN.XIV.11) Saccavibhanga sutta. De analyse van de leer.
M.142 (MN.XIV.12) Dakkhināvibhanga sutta. Soorten van donaties.
M.143 (MN.XV.1) Anāthapindikovāda sutta. Leerrede van de eerwaarde Sāriputta tot Anāthapindika op diens sterfbed.
M.144 (MN.XV.2) Channovāda sutta. Zelfdoding en volmaakte heiligheid van de Thera Channa.
M.145 (MN.XV.3) Punnovāda sutta. Raad van de Boeddha aan de eerwaarde Punna voordat deze naar het land van een wild, onbeschaafd volk vertrok.
M.146 (MN.XV.4) Nandakovāda sutta. Raad van Nandaka aan 500 bhikkhunis over vergankelijkheid, het frustrerende ervan, en over niet-zelf.
M.147 (MN.XV.5) Cūlarāhulovāda sutta. Kleine aansporing tot Rahula over de vergankelijke aard van de 12 zintuiglijke bases; Rāhula bereikte arahantschap.
M.148 (MN.XV.6) Chachakka sutta. De zesvoudige zesheid; zes inwendige gebieden; zes uitwendige gebieden; zes bewustbare rijken; zes aanraakbare rijken; zes voelbare rijken; zes dorstbare rijken; niet-zelf; persoonlijkheid.
M.149 (MN.XV.7) Mahāsalāyatanika sutta. De grote zesvoudige basis.
M.150 (MN.XV.8) Nagaravindeyya sutta. Leerrede tot de mensen van Nagaravinda.
M.151 (MN.XV.9) Pindapātapārisuddhi sutta. De zuivering van aalmoezen.
M.152 (MN.XV.10) Indriyabhāvanā sutta. Over het in bedwang hebben van de zintuigen.
- Vragen of uitingen van godheden. 81 suttas.
Najavagga, de groep van het riet
S.1.4. Dagen en nachten vergaan
Nandanavagga, de groep van het Nandana park
S.1.11. Zinnelijke genietingen
S.1.12. Levensbenodigdheden brengen zorgen
S.1.13. Het eigen zelf en inzicht
S.1.17. Moeilijk te volbrengen
Sattivagga, de groep van het spit
S.1.22. Als stof tegen de wind
S.1.24. Terughouden van de geest
S.1.27. Opheffing van naam en vorm
S.1.28. Wie heeft begeerte opgegeven?
Satullapakāyikavagga - De sectie over de Satullapa-Devatās
S.1.35. De Ujjhānasaññinaka devata
S.1.38. De splinter en nibbana
Ādittavagga, het gedeelte van de vlammen
Jarāvagga, gedeelte over ouderdom
Addhavagga, het gedeelte van het beheersen
Chetvāvagga. Het gedeelte van afsnijden
- Vragen van de zonen van godheden. 30 suttas.
Pathama vagga - Het eerste deel
S.2.9. Candima - De bede van de maangod om bescherming
S.2.10. Suriya paritta - De bede van de zonnegod om bescherming
Anāthapindikavagga - Het gedeelte over Anāthapindika
S.2.18. Kakudha [nibbana]
S.2.19. Uttara [ouderdom, dood]
S.2.20. Devaputta Anathapindika
Nānātitthiyavagga - Over de leerstellingen van de verschillende scholen
S.2.23. Serin [geven]
S.2.30. De verschillende sektenleraren
- Verhalen over koning Pasenadi van Kosala. 25 suttas
Pathama vagga - Het eerste deel. S.3. 01-10
S.3.8. Iedereen is zichzelf het dierbaarst
Dutiya vagga - Het tweede deel. S.3.11-20
S.3.11. Het onderkennen van sterkte van geest
S.3.14. Overwinning en nederlaag
S.3.15. Overwinning en nederlaag
S.3.16. Een vrouw kan meer waard zijn dan een man
S.3.18. Vriendschap met het goede
S.3.19. Juist gebruik van rijkdom
S.3.20. Wilsacties zijn ons eigendom
Tatiya vagga - Het derde deel. S.3.21-25
S.3.22. Dood komt voor iedereen
S.3.23. Eigenschappen tot onheil
S.3.25. Wedergeboorte als mens is moeilijk te bereiken
- De vijandige daden van Māra jegens de Boeddha en zijn discipelen. 25 suttas.
Pathama vagga - Eerste deel. S.4.01-10
S.4.8. Zonder zorgen [nibbana]
Dutiya vagga - Tweede deel. S.4.11-20
S.4.14. Onderwijs uit mededogen [nibbana]
S.4.15. Zonder verlangen [nibbana]
S.4.16. “Niet ik” maakt vrij [nibbana]
S.4.17. Buiten het bereik van de dood [nibbana]
S.4.19. Geen toegang voor Mara [nibbana]
Tatiya vagga - Derde deel. S.4.21-25
S.4.25. Vergeefse verleiding door de dochters van Mara [nibbana]
- De vergeefse verleiding van Māra van nonnen en zijn woordentwist met haar. 10 suttas.
S.5.1-10. Getuigenissen van heilige nonnen [nibbana]
- Brahmā Sahampati richt tot de Boeddha het verzoek om de leer aan de wereld te verkondigen. 15 suttas.
S.6.1. De leer is moeilijk te begrijpen
S.6.5. vergankelijk; magische krachten
S.6.6. Brahmās eren de Boeddha
S.6.7-8. Brahmās eren de Boeddha
S.6.9. vijandelijke gezindheid jegens heiligen brengt leed
S.6.10. vijandelijke gezindheid jegens heiligen brengt leed
S.6.12. Brahmā Sahampati spreekt over Devadatta
- De ontmoeting van de brahmaan Bhāradvāja met de Boeddha; en hun gesprek. 22 suttas.
Arahantavagga - Het gedeelte over de volmaakte heilige
S.7.4. Als fijn stof in de wind
S.7.7. Reinheid niet door afkomst
Upāsakavagga - Het gedeelte over de lekenvolgelingen
S.7.13. Hoe wordt de gave tot zegen?
S.7.21. Zuiverheid niet door water
S.7.22. Vergadering te Khomadussa
- Vangisa's uitroeiing van begeerte. 12 suttas.
S.8.11. de Verhevene overtreft allen
- Bos-godheden leiden onontwikkelde monniken op het juiste pad. 14 suttas.
S.9.4. bhikkhus leven zonder vaste woonplaats
- De ontmoeting van demonen met de Boeddha en met nonnen. 12 suttas.
S.10.2. De yakkha met naam Sakka
S.10.5. Sanu bezeten door een yakkha
S.10.6. Een yakkhini luistert naar recitaties
S.10.7. Een yakkhini luistert naar de leer
S.10.9. Een yakkha spoort de mensen aan
S.10.10. Een yakkha prijst een lekenvolgeling
S.10.11. Een yakkha prijst een lekenvolgeling
S.10.12.Wat is het beste bezit?
- De Boeddha somt de eigenschappen op van Sakka, de koning der goden. 25 suttas.
S.11.1. strijd tussen goden en demonen [nibbana]
S.11.2. strijd tussen goden en demonen [nibbana]
S.11.9. De geur van gewijde wijzen
S.11.10. De demonenvorst Sambara
S.11.16. Verwerven van verdienste
S.11.17. Huldiging van de Verhevene
S.11.23. de demonenvorst Vepacitti
- De uitleg van paticcasamuppāda (de leer van oorzakelijk ontstaan). (S.12.1-93)
Buddhavagga – het gedeelte over de Boeddha
S.12.1. De verkondiging van oorzakelijk ontstaan
S.12.2. Analyse van oorzakelijk ontstaan
S.12.3. De verkeerde en de juiste weg
S.12.5-9. Sikhin, Vessabhū, Kakusandha, Konāgamana, Kassapa
S.12.10. Gotama, de grote wijze van de Sakyas
Āhāra-vagga – over de voedingsstoffen
S.12.11. De voedingsstoffen, voedsel
S.12.13. Die ouderdom en dood niet/wel kennen
S.12.15. De telg uit het huis Kaccāyana - Kaccānagotta sutta
S.12.16. De verkondiger der waarheid [nibbana]
S.12.17. Vragen van de naakte asceet Kassapa
S.12.19. Hoe de wijze zich van de dwaas onderscheidt
S.12.20. De wet van oorzakelijk ontstaan
Dasabalavagga – Over de 10 krachten
S.12.24. De asceten met een ander geloof
S.12.26. Upavāna - het lijden is veroorzaakt door contact
S.12.28. De Bhikkhu - de edele discipel
Kalārakhattiya-Vagga - over de edelman Kalāra
S.12.31. Geworden [bevrijd; nibbana]
S.12.32. Kalāra, de bhikkhu edelman
S.12.33. De onderwerpen van het weten (1)
S.12.34. De onderwerpen van het weten (2)
S.12.35. Uit onwetendheid, het niet-weten als oorzaak ontstaan (1)
S.12.36. Uit onwetendheid, het niet-weten als oorzaak ontstaan (2)
S.12.37. Niet jullie toebehorend [oorzakelijk ontstaan]
S.12. 41-50 Nidāna-Samyutta - Van de oorzaken
Gahapativagga – van het gezinshoofd
S.12.49. [oorzakelijk ontstaan]
S.12.51. Oorzakelijk ontstaan en kamma [nibbana]
S.12.52 [oorzakelijk ontstaan]
S.12.53. [oorzakelijk ontstaan]
S.12.54-56. oorzakelijk ontstaan
S.12.57 [oorzakelijk ontstaan]
S.12.58. [oorzakelijk ontstaan]
S.12.59. [oorzakelijk ontstaan]
S.12.60. [oorzakelijk ontstaan]
Mahāvagga – het grote gedeelte
S.12.68. de eerwaarde Musila, te Kosambi
S.12.69. zoals de oceaan toeneemt of afneemt
Samana-Brāhmana-Vagga – van samanas en brahmanen
S.12.71-81
Antara-peyyāla-Vagga – van de afgekorte stukken
S.12.82-93.
- De aansporing om de belemmeringen volledig te verwijderen. (S.13.1-11)
S.13.1-11. Stroomintrede
- De beschrijving van fysieke, mentale en abstracte elementen.
Nānattavagga – het deel van de verscheidenheid
S.14.6. Verscheidenheid der elementen
S.14.8. Verscheidenheid der elementen
Dutiya vagga – het tweede deel
S.14.12. Met oorzakelijke basis
S.14.13. Het element onwetendheid
S.14.14. overeenkomstig hun elementen
S.14.15. overeenkomstig hun elementen
S.14.30-39. Vier elementen en ontkomen eraan
- Over het ontelbare begin (van samsāra). Twintig suttas. (S.15.1-20)
S.15.1-4. Geen eerste begin bekend
S.15.9. Begin van de kringloop van bestaan is onbekend
S.15.10. Begin van de kringloop van bestaan is onbekend
S.15.13. begin van de kringloop van bestaan is onbekend
S.15.14-19. Familie in kringloop van bestaan
S.15.20. vergankelijk en troosteloos zijn de formaties
- Over de eerwaarde Kassapa. Dertien suttas. (S.16.1-13)
S.16.2. Niet en wel ijverig en fijngevoelig
S.16.4. Bezoeker van de gezinnen
S.16.5. Maha Kassapa, oud geworden
S.16.9. De meditatieve verdiepingen en de wonderkrachten
S.16.10. Maha Kassapa en Ananda
S.16.12. Is de Tathagata na het overlijden?
S.16.13. Vervalsing van de goede leer
- Winst, eer en roem zijn een hindernis, een gevaar voor de bhikkhu. (S.17.1-43)
S.17.35. Na de dood van Devadatta - Acirapakkanta Sutta
- Instructie van Rāhula. (S.18.1-22)
S.18.1-10. Toespraak tot Rahula over vergankelijkheid
S.18.21. Toespraak tot Rahula over niet-ik
- Vragen van Lakkhana. (S.19.1-21)
- Gelijkenissen
- Aanmaningen van de Boeddha en de eerwaarde Maha Moggallāna tot de monniken. (S.21.1-12)
S.21.1. Kolita (Mahā-Moggallāna)
- De lichamelijke en geestelijke aggregaten die het “individu” vormen. (S.22.1-158)
S.22.32. Het onverwoestbare [nibbana]
S.22.59. De kenmerken van anatta
- Vragen van Rādha. 46 suttas. (S.23.1-46)
- Misleidende visies ontstaan door het hechten aan de aggregaten. 96 suttas. (S.XXIV.1-96)
- Het betreden van het Pad door vertrouwen (saddhā). (S.25.1-10)
- Het ontstaan van de aggregaten leidt tot onvoldaanheid, lijden. (S.26.1-10)
- Verontreinigingen ontstaan vanuit de zesvoudige zintuiglijke basis en zinsbewustzijn. 10 suttas. (S.27.1-10)
- Over de meditatieve verdiepingen. 10 suttas.
- Opsomming van vier soorten nāgas. 50 suttas. (S.29.1-50)
- Opsomming van vier soorten garudas. 46 suttas. (S.30.1-46)
- Beschrijving van de gandhabba godheden. 112 suttas. (S.31.1-112)
- Beschrijving van de geesten in de wolken. 57 suttas. (S.32.1-57)
- Vacchagotta's metafysische vragen. 55 suttas. (S.33.1-55)
- Opsomming van de vier typen van beoefenaars van de meditatieve verdiepingen (jhanas). 55 suttas. (S.34.1-55)
- De zesvoudige basis der zintuigen en de juiste houding ten opzichte ervan. 207 suttas. (S.35.1-207)
S.35.60-62. Doorzien en meesterschap
- De drie soorten van gevoelens en de juiste houding ten opzichte ervan. 29 suttas. (S.36.1-29)
- De bestemmingen en krachten van vrouwen overeenkomstig haar eigenschappen. 34 suttas. (S.37.1-34)
- Vragen van de rondtrekkende asceet, de roze-appel-eter, aan de eerwaarde Sāriputta. 16 suttas. (S.38.1-16)
- Vragen van de rondtrekkende asceet Sāmandaka aan de eerwaarde Sāriputta. 16 suttas. (S.39.1-16)
- De eerwaarde Maha-Moggallāna legt de meditatieve verdiepingen uit aan de monniken. (S.40.1-9). En hij legt aan Sakka uit dat toevluchtname tot de Boeddha, Dhamma en Ariyasangha heel goed is. (S.40.10-11)
S.40.1 Met overwegingen - Paṭhamajhānapañhā Sutta
S.40.9 Zonder voorstelling - Animittapañhā Sutta
S.40.10-11 Sakka II (Goed is toevluchtname) - Sakka Sutta
- Gezinshoofd Citto. Zintuigen en zinsobjecten zijn niet innerlijk slechts; alleen de onheilzame gedachten (verlangens) die ontstaan door contact ermee zijn slecht. 10 suttas. (S.41.1-10)
- De definities van “toornig” en “vriendelijk”. 13 suttas. (S.42.1-13)
S.42.11. De wil - Bhadraka Sutta
- Het niet-samengestelde (nibbāna). 44 suttas. (S.43.1-44)
- Bespiegelende (speculatieve) vragen gesteld aan de eerwaarden Khemā, Anuruddha, Sāriputta en Moggallāna. 11 suttas. (S.44.1-11)
- Het achtvoudige pad. 180 suttas. (S.45.1-180)
S.45.4. Eigenschappen naar de overwinning
S.45.6. Het achtvoudige pad II
S.45.8. Het edele achtvoudige pad
S.45.35-40. Edele achtvoudige pad en doel
S.45.160. Terugkeer niet mogelijk
- De zeven factoren van Verlichting (oplettendheid, onderzoek van de leer, inspanning met volharding, vervoering, kalmte, concentratie, gelijkmoedigheid). 187 suttas. (S.46.1-187)
46.14. Mahā Kassapa Thera bojjhanga
46.15. Mahā Moggallāna Thera bojjhanga
46.16. Mahā Cunda Thera bojjhanga
- De vier grondslagen van oplettendheid. 50 suttas. (S.47.1-50)
S.47.3. Het begin van heilzame dingen
S.47.4. oefenen in de vier grondslagen van oplettendheid
S.47.5. Vijf hindernissen. Onheilzaam en heilzaam
S.47.7. Raak niet op een verkeerde weg
S.47.8. ontplooiing van de vier grondslagen van oplettendheid
S.47.10. ontplooiing van de vier grondslagen van oplettendheid
S.47.13. Bij het overlijden van de eerwaarde Sariputta
S.47.14. Na het heengaan van de eerwaarden Sariputta en Maha Moggallana
S.47.15. Bahiya. Korte uitleg van de leer
S.47.17. De vier grondslagen van oplettendheid
S.47.26-27. Ten dele en volledig
S.47.28. Vrucht van het ontplooien van oplettendheid
S.47.29. Het gezinshoofd Sirivaddha
S.47.32-34. Vrucht van de vier grondslagen van oplettendheid
S.47.37. grondslagen van oplettendheid en afnemen van de wil
S.47.40. Uitleg van de vier grondslagen van oplettendheid
- Krachten, voornamelijk de vijf vermogens (vertrouwen, energie, oplettendheid, concentratie, wijsheid). 185 suttas. (S.48.1-185)
S.48.6-7. Brahmanen en asceten
S.48.19. meester in de vijf krachten
S.48.21. niet en wel overeenkomstig de werkelijkheid
S.48.26-27. Stroomintrede en heiligheid
S.48.29-30. Asceten en brahmanen
S.48.42. De brahmaan Unnabha; toevlucht van de zintuigen
S.48.59-60. Ontstaan van de vijf vermogens
S.48.65-66. Twee vruchten; zeven voordelen
- De vier juiste inspanningen. (Zie ook M.77).
- De vijf vermogens of krachten, namelijk de kracht van vertrouwen, de kracht van energie, de kracht van oplettendheid, de kracht van concentratie, de kracht van wijsheid. (Zie ook S.48.1-8)
- Iddhi-pada; wegen naar macht (succes), namelijk de vier psychische vermogens (wil, energie, denken, onderzoek). 86 suttas. (S.51.1-86)
S.51.7. bevrijding van het gemoed en bevrijding door wijsheid
S.51.9. De vier wegen naar macht
S.51.11. ontplooiing van geestelijke krachten
S.51.12. De vier wegen naar macht
S.51.18. de vier wegen naar macht
- Bovennatuurlijke krachten verworven door Anuruddha, door oplettendheid. 24 suttas. (S.52.1-24)
- De vier meditatieve verdiepingen (jhānas).
- Oplettendheid bij het ademhalen. 20 suttas. (S.54.1-20)
S.54.1. Meditatie bij in- en uitademen
S.54.2. Oplettend in- en uitademen
S.54.8. concentratie bij het in- en uitademen
S.54.10. Uitleg van de concentratie op de ademhaling
- Beschrijving van de in de stroom getredene. 74 suttas. (S.55.1-74)
S.55.3. Dhigavu. Stroomintrede
S.55.24-25. Over de niveaus van heiligheid
S.55.52. Niveaus van heiligheid
S.55.54. Ziekte; stroomintrede; heiligheid
- De edele waarheden. 131 suttas. (S.56.1-131)
S.56.1-2. Ontwikkel concentratie
S.56.3-4. Tot begrip van de edele waarheden
S.56.5-6. Door middel van de edele waarheden
S.56.7-10. Overdenk de vier edele waarheden
S.56.11. Dhammacakkappavattana vagga - het middenpad
S.56.12-16. De vier edele waarheden
S.56.17-18. onwetend en wetend
S.56.19-21. De edele waarheden
S.56.23. De volmaakt Ontwaakte
S.56.29. Te doorzien en te ontplooien
S.56.34. Doordringen van de edele waarheden
S.56.35. Geen voorstelbaar begin
S.56.36. Inzien van de edele waarheden
S.56.38. Gelijkenis van de zon
S.56.39. Inzien van de edele waarheden
S.56.40. Inzien van de edele waarheden
S.56.41. overdenken van de edele waarheden
S.56.42-44. De vier edele waarheden
S.56.47-48. Gelijkenis van eenogige zeeschildpad. Heel zelden
S.56.61-131. wedergeboorte; vier edele waarheden
verdeeld in elf groepen, (nipātas).
Het Ekaka-Nipata, het boek van een, is verdeeld in 20 hoofdstukken of vaggas en bevat 37 suttas.
A.I.1. (A.I.1-10) Man en vrouw
2. nīvaranappahāna-vagga (II.1-10)
A.I.2. (A.I.2.1-10) De vijf geestelijke hindernissen
3. akammaniya-vagga (III.1-10)
A.I.3. (A.I.3.1-10) De ongetemde en de getemde geest
A.I.4. (A.I.4.1-7) Temmen van de geest
5. panihita-accha-vagga (V.1-10)
A.I.5. (A.I.5.1-2) Verkeerd en juist gerichte geest
A.I.6. (A.I.5.3-4) Doorschouwen van de geest
A.I.7. (A.I.5.5-6) De poel water
A.I.8. (A.I.5.7) Ontplooide geest
A.I.9. (A.I.5.8) De snelle wisseling van het bewustzijn
A.I.10. (A.I.5.9-10) Het heldere bewustzijn
6. acharā-sanghāta-vagga (VI.1-7)
A.I.11. (A.I.6.1-2) Het heldere bewustzijn II
A.I.13. (A.I.6,6-7) De bron van alle goed en kwaad
7. viriyārambhādi-vagga (VI.10; VII.1-10; VIII.1-3)
A.I.14. (A.I.6,10; A.I.7,1-10; A.I.8,1-3) Verwaarlozing en energie I
8. kalyānamittādi-vagga (VIII.4-10; IX.1)
A.I.15. (A.I.8.4-5) De factoren van Verlichting
A.I.16. (A.I.8.6-10; A.I.9.1) De hoogste winst
A.I.17. (A.I.9.2-17) Achteloosheid en deugden II
10. dutiya-pamādādi-vagga (X.1-32)
A.I.18. (A.I.10.1-16) Achteloosheid en deugden III
A.I.19. (A.I.10.17-32) Achteloosheid en deugden IV
11. adhamma-vagga (X.33-42; XI.1-10)
A.I.20. (A.I.10.33-42; A.I.11.1-10) Leer en discipline
A.I.21. (A.I.12.1-20) Leer en discipline II
13. ekapuggala vagga – (Pali) (XIII.1-17)
A.I.22. (A.I.13.1-16) Het enige wezen
14. etadagga vagga – (Pali) (XIV.1-7)
A.I.24. (A.I.14.1-7) De top van de discipelen
A.I.25. (A.I.15.1-28) Onmogelijk en mogelijk
16. ekadhamma-pâli – (Pali) (XVI.1-4)
A.I.26. (A.I.16.1. 1-10) De tien overwegingen
A.I.27. (A.I.16.2. 1-8) Juist inzicht en verkeerde opvatting
A. I.28-31. Onontwikkelde en ontwikkelde geest
A.I.28. (A.I.16.2. 9-10) Juist inzicht
A.I.29. (A.I.16.3. 1-3) De invloed van verkeerde opvatting en van juist inzicht
A.I.30. (A.I.16.3. 4) Makkhali Gosâla
A.I.31. (A.I.16.3. 5-12) Goede en slechte heilsleer
A.I.32. (A.I.16.3. 13-14) De gelijkenis van uitwerpselen
A.I.33. (A.I.16.4. 1-44) Wedergeboorte. De gelijkenis van de Indiase aarde
17. pasāda-kara-dhamma-vagga (XVII.1-16)
18. apara-accharāsanghāta-vagga (XVIII)
A.I.35. (A.I.18) Wegen van de meditatie
A.I.36. (A.I.19) Beschouwing van het lichaam I
A.I.37. (A.I.20) Beschouwing van het lichaam II
Het boek van twee is verdeeld in 19 vaggas die 246 suttas bevatten.
1. kammakarana-vagga (A.II.1-10)
A.II.1 (A.II.1.1.) Vajja sutta - De schuld
A.II.2 (A.II.1.2.) Padhana sutta - Inspanningen
A.II.3-4 (A.II.1.3-4) - Tapaniya sutta en Atapaniya sutta - Dingen met en zonder pijn
A.II.5 (A.II.1.5) Upaññata Sutta - Onophoudelijk streven
A.II.7-8 (A.II.1.7-8) Twee eigenschappen - Kanha sutta en Sukka sutta
A.II.9 (A.II.1.9) De beschermers van de wereld - Cariya sutta
A.II.10 (A.II.1.10) De regentijd - Vassupanayika sutta
2. adhikarana-vagga (A.II.11-21)
A.II.11 (A.II.2.1) Overweging en ontplooiing - I
A.II.12 (A.II.2.2) Overweging en ontplooiing - II
A.II.13 (A.II.2.3) Overweging en ontplooiing - III
A.II.14 (A.II.2.4) Manieren van uitleg
A.II.15 (A.II.2.5) Zelfonderzoek bij ruzies [tussen monniken]
A.II.16. (A.II.2.6) Verschillende wedergeboorte
A.II.17. (A.II.2.7) Het gedane en het niet gedane
A.II.18. (A.II.2.8A) Te vermijden en uit te oefenen
A.II.19. (A.II.2.9) Overwinning en opwekking
A.II.20-21. (A.II.2.10-11) Waarheidsgetrouwe overlevering
A.II.22. (A.II.3.1) Dwazen en wijzen
A.II.23-26. (A.II.3.2-5) Verkeerde beweringen
A.II.27-30. (A.II.3.6-9) Twee soorten resultaat
A.II.31. (A.II.3.10) Eenzaamheid in het bos
A.II.32. (A.II.3.11) Kalmte van geest en inzicht
4. samacitta-vagga (A.II.33-42)
A.II.33. (A.II.4.1) Dankbaarheid
A. II.34. (A.II.4.2) De ouders
A.II.35. (A.II.4.3) Handelen en niet handelen
A.II.36. (A.II.4.4.) Gaven waardig
A.II.37. (A.II.4.5.) De geboeiden
A.II.38. (A.II.4.6) Oorzaken van ruzie
A.II.39. (A.II.4.7) Rang van de rijpen (volgroeiden) en rang van de onrijpen (onvolgroeiden)
A.II.40. (A.II.4.8) De gelijkenis van de rovers
A.II.41. (A.II.4.9) Gezinshoofd en thuisloze
A.II.42 (A.II.4.10) Getrouwe overlevering - II
A.II.43 (A.II.5.1) Ondiepe en diepzinnige bijeenkomst
A.II.44. (A.II.5.2.) Niet-harmonieuze en harmonieuze bijeenkomst
A.II.45 (A.II.5.3) Edele en onedele bijeenkomst
A.II.46 (A.II.5.4) Niet heilige en heilige bijeenkomst
A.II.53-56 (A.II.6.1-4) De Verlichte en de wereldheerser
A.II.57 (A.II.6.5) Twee soorten Ontwaakten
A.II.58-60 (A.II.6.6-8) Onwrikbaar
A. II.65-77. (A.II.7.1-13) Twee soorten geluk
8. sanimitta-vagga (A.II.78-87)
A.II.78-87 (A.II.8.1-10) Oorzakelijk ontstaan van het onheilzame
A.II.88-98 (A.II.9.1-11) Twee dingen
A.II.99-108 (A.II.10.1-10) Dwazen en wijzen
A.II.109-118. De slechte invloeden
11. āsāduppajaha-vagga (A.II.119-130)
A.II.119 (A.II.11.1) Twee soorten dorst
A.II.120-121 (A.II.11.2-3) Zelden te ontmoeten
A.II.122-123 (A.II.11.4-5) Tevreden
A.II.124-125 (A.II.11.6-7) Afhankelijk ontstaan van begeerte en haat
A.II.126-127 (A.II.11.8-9) Voorwaardelijk ontstaan van inzicht
A.II.128-130 (A.II.11.10-12) Fouten, misstappen tegen de discipline
12. āyācana-vagga (A.II.131-141)
A.II.131-134 (A.II.12.1-4) De voorbeelden
A.II.135-136 (A.II.12.5-6) De dwaas en de wijze - I
A.II.137-138 (A.II.12.7-8) De dwaas en de wijze - II
A.II.139-141 (A.II.12.9-11) Twee dingen - II
A.II.142-151 (A.II.13.1-10) Twee soorten gaven
14. santhāra-vagga (A.II.152-163)
A.II.152-163 (A.II.14.1-12) Twee soorten hulp
15. samāpatti-vagga (A.II.164-180)
A.II.164-180 (A.II.15.1-16) Twee dingen - III
16. kodha-peyyāla A.II.181-190)
A.II.181-190 (A.II.16.1-10) Twee dingen - IV
17. akusala-peyyāla (A.II.191-200)
A.II.191-200 (A.II.17.1-10) Twee dingen - V
18. vinaya-peyyāla (A.II.201-230)
A.II.201-230 (A.II.18.1-30) De discipline van de Orde
19. rāga-peyyāla (A.II.231-246)
A.II.231-246 (A.II.19.1-16) De serie over het herkennen van begeerte
Het Tika-Nipāta, het boek van drie, is verdeeld in 18 vaggas, 18 hoofdstukken. Ze bevatten samen 184 suttas.
A.III.1 (A.III.1.1) Bhaya sutta - Gevaar
A.III.2 (A.III.1.2) Lakkhana sutta - De kenmerken van de dwaas en van de wijze
A.III.3 (A.III.1.3) Cintī sutta - De kentekenen van de dwaas en van de wijze
A.III.4 (A.III.1.4) Accaya sutta - Fouten tegen de Orde
A.III.5 (A.III.1.5.) Ayonisa sutta - Vraag en antwoord
A.III.6-8 (A.III.1.6-8) Akusala sutta, Sāvajja sutta, Sabyābajjha sutta - De drie daden
A.III.9 (A.III.1.9) Khata sutta - De onverstandige en de verstandige
A.III.10 (A.III.1.10) Mala sutta - De drie smetten
Hoofdstuk 2. rathakāra-vagga – (A.III.11-20)
A.III.11 (A.III.2.1) Ñata sutta - Slechte en goede invloed
A.III.12 (A.III.2.2) Saraniya sutta - Drie onvergetelijke oorden
A.III.13 (A.III.2.3) Āsamsa sutta - Hoop
A.III.14 (A.III.2.4) Cakkavatti sutta - De koning van de wet
A.III.15 (A.III.2.5) De gelijkenis van de wagenbouwer
A.III.16 (A.III.2.6) Apannaka sutta - De middelen om de neigingen te laten uitdrogen
A.III.17 (A.III.2.7) Attabyābādha sutta - Kwelling brengende
A.III.18 (A.III.2.8) Redenen voor schaamte
A.III.19 (A.III.2.9) De gelijkenis van de koopman
A.III.20 (A.III.2.10) De gelijkenis van de koopman - II
Hoofdstuk 3. puggala-vagga (A.III.21-30)
A.III.21 (A.III.3.1) Samiddha sutta - De edele volgelingen
A.III.22 (A.III.3.2) Gilāna sutta - De drie zieken
A.III.23 (A.III.3.3) Sankhāra sutta - Drie soorten mensen
A.III.24 (A.III.3.4) Bahukara sutta - Drie grote weldoeners
A.III.25 (A.III.3.5) Vajirûpama sutta - De drie harten
A.III.26 (A.III.3.6) Sevitabba sutta - De omgang - I
A.III.27 (A.III.3.7) Jigucchitabba sutta - De omgang - II
A.III.28 (A.III.3.8) Gūthabhānī sutta - Drie soorten gesprekken
A.III.29 (A.III.3.9) Andha sutta - De ogen
A.III.30 (A.III.3.10) Avakujja sutta - Drie soorten toehoorders
Hoofdstuk 4. Devadûta Vagga – (A.III.31-40)
A.III.31 (A.III.4.1) Sabrahmaka sutta - De ouders - 1
A.III.32 (A.III.4.2) Ānanda sutta - Vrij van de ik-waan I
A.III.33 (A.III.4.3) Sāriputta sutta - Vrij van ik-waan II
A.III.34 (A.III.4.4.) Nidāna sutta - De drie oorzaken voor het ontstaan van de daden
A.III.35 (A.III.4.5) Over de goede slaap
A.III.36 (A.III.4.6) Devadūta sutta - De drie goddelijke boden
A.III.37 (A.III.4.7) Yama, de vorst van de dood
A.III.38a (A.III.4.8) De vastendag, Uposatha - Catumaharaja sutta
A.III.38b (A.III.4.9) Sakka, de koning der goden - I
A.III.38c (A.III.4.10) Sakka, de koning van de goden - II
A.III.39a (A.III.4.11) Drie soorten van roes - I
A.III.39b (A.III.4.12) Drie soorten van roes - II
A.III.40 (A.III.4.13) De drie beweegredenen tot het goede
Hoofdstuk 5. cūla-vagga (A.III.41-51)
A.III.41 (A.III.5.1) Drie voorwaarden van de vrijgevigheid
A.III.42 (A.III.5.2) Kenmerken van de persoon vol vertrouwen
A.III.43 (A.III.5.3) Voorwaarden voor onderricht van de leer
A.III.44 (A.III.5.4) Recitatie van de leer met succes
A.III.45 (A.III.5.5) Door wijzen geprezen
A.III.46 (A.III.5.6) De invloed van de deugdzamen
A.III.47-48 (A.III.5.7-8) Het gevormde en het ongevormde [nibbana]
A.III.49 (A.III.5.9) De invloed van degene vol vertrouwen
A.III.50 (A.III.5.10) Redenen voor inspanning
A.III.51 (A.III.5.11) De gelijkenis van de bandieten
Hoofdstuk 6. brāhmana-vagga (A.III.52-61)
A.III.52-53 (A.III.6.1-2) Pathama, Dutiya-dvebrāhmana sutta - Ouderdom, ziekte en dood I-II
A.III.54-55 (A.III.6.3-4) Aññatarabrahmana, Paribbajaka sutta - De zichtbare leer I-II
A.III.56 (A.III.6.5) Nibbuta sutta - Het zichtbare Nibbāna
A.III.57 (A.III.6.6.) Paloka sutta - Oorzaken van de afname van mensen
A.III.58 (A.III.6.7) Vacchagotta sutta - Het geven
A.III.59 (A.III.6.8) Kundig in de drie soorten weten - I
A.III.60 (A.III.6.9) Kundig in de drie soorten weten - II
A.III.61 (A.III.6.10) De drie wonderen
Hoofdstuk 7. mahā-vagga (A.III.62-71)
A.III.62 Titthāyatanādi sutta - De drie standpunten van geloof - 1.
A.III.64 De drie verheven rustplaatsen
A.III.65 Sarabha, de dolende asceet
A.III.66 Kālama sutta (Kesamutti sutta)
A.III.67 De toespraak tot de Sālhers
A.III.68 Over praten en discussiëren
A.III.69 (A.III.7.8) De wortels van het onheilzame I - Aññatitthiya sutta
A.III.70 (A.III.7.9) Akusalamala sutta - De wortels van het onheilzame en het heilzame
A.III.71 (A.III.7.10) Uposatha sutta - De vastendag met de acht voornemens
Hoofdstuk 8. Ânanda-vagga (A.III.72-81)
A.III.72 (A.III.8.1) Channa sutta - De wortels van het onheilzame II
A.III.73 (A.III.8.2) Het juiste pad
A.III.74 (A.III.8.3) Concentratie en weten
A.III.75 (A.III.8.4) De weg naar de vernietiging van lijden
A.III.76 (A.III.8.5) Onwrikbaar vertrouwen
A.III.77-78 (A.III.8.6-7) Pathama-, Dutiya-bhava sutta - Wedergeboorte I-II - 6-7
A.III.79 (A.III.8.8) De maatstaf van levenswijze - Silabbata sutta
A.III.80 (A.III.8.9) De geur - Gandhajata sutta
A.III.81 Het machtbereik van een Ontwaakte
Hoofdstuk 9. samana-vagga (A.III.82-92)
A.III.85-89 (A.III.9.5-9) Orderegels
A.III.85 (A.III.9.4) De 150 regels van oefening - Vajjiputta sutta
A.III.87 (A.III.9.6) Waarin de regels van oefening inbegrepen zijn I –Pathamasikkha sutta
A.III.88 (A.III.9.7) Waarin de regels van oefening inbegrepen zijn II - Dutiyasikkha sutta
A.III.89 (A.III.9.8) Waarin de regels van oefening inbegrepen zijn III - Tatiyasikkha sutta
A.III.90-91 (A.III.9.9-10) De drie hoge oefeningen - Pathama-, Dutiya-sikkhattaya sutta
Hoofdstuk 10. lonakapalla-vagga (A.III.93-103)
A.III.93 (A.III.10.1) Gelijkenis van het rijpen van het zaad
A.III. 94 (A.III.10.2) De ontzegging
A.III.95. (A.III.10.3) De herfstzon
A.III.96 (A.III.10.4) Drie bijeenkomsten
A.III.97-99 (A.III.10.5-7) Het koninklijke lijfpaard
A.III.100 (A.III.10.8) Het gewaad van hennep en het gewaad uit Kasi
A.III.101 (A.III.10.9) Lonakapalla sutta - niet elke daad heeft eenzelfde resultaat
A.III.102 (A.III.10.10) De hogere oefening van de geest I
A.III.103 (A.III.10.11) De hogere oefening van de geest II
Hoofdstuk 11. samboha-vagga (A.III.104-113)
A.III.104 (A.III.11.1) Voor de volledige Ontwaking
A.III.105 (A.III.11.2) Het zoeken
A.III.106 (A.III.11.3) Als er geen genot was
A.III.107 (A.III.11.4) Echte asceten
A.III.108 (A.III.11.5) Zingen en dansen
A.III.109 (A.III.11.6) Onverzadigd
A.III.110 (A.III.11.7) De gelijkenis van het gevelhuis I
A.III.111 (A.III.11.8) De gelijkenis van het gevelhuis II
A.III.113 (A.III.11.10) Ontstaan en einde van de begeerte - Dutiyanidāna sutta
Hoofdstuk 12. āpāyika-vagga – (Pali) (A.III.114-123)
A.III.114 (A.III.12.1) De weg naar de hel - Āpāyika sutta
A.III.115 (A.III.12.2) Zeldzaam in de wereld
A.III.116 (A.III.12.3) Meetbaar en onmeetbaar
A.III.117 (A.III.12.4) Wereldling en heilige
A.III.118 (A.III.12.5) Falen en meesterschap I
A.III.119 (A.III.12.6) Falen en meesterschap II
A.III.120 (A.III.12.7) Falen en meesterschap III
A.III.121 (A.III.12.8) Drie soorten van reinheid I
A.III.122 (A.III.12.9) Drie soorten van reinheid II
A.III.123 (A.III.12.10) Het drievoudige stil zijn
Hoofdstuk 13. kusināra-vagga (A.III.124-133)
A.III.124 (A.III.13.1) Bij Kusinara - Kusināra sutta
A.III.125 (A.III.13.2) Eendracht en tweedracht
A.III.126 (A.III.13.3) Gotamaka
A.III.127 (A.III.13.4) In de kluis van Bharandu Kālāma
A.III.128 (A.III.13.5) Hatthaka, de godenzoon
A.III.129 (A.III.13.6) De gelijkenis van de vliegen
A.III.130 (A.III.13.7) De vrouw
A.III.131 (A.III.13.8) Anuruddhas verkrijging van de heiligheid - Dutiya-anuruddha sutta
A.III.132 (A.III.13.9) Heimelijkheid en openheid
A.III.133 (A.III.13.10) De drie afdrukken
Hoofdstuk 14. yodhājīva-vagga (A.III.134-146)
A.III.134 (A.III.14.1) Drie eigenschappen van de monnik
A.III.135 (A.III.14.2) De drie bijeenkomsten
A.III.136 (A.III.14.3) De echte vriend - Mitta sutta
A.III.137 (A.III.14.4) De drie eigenschappen van het bestaan - Uppādā sutta
A.III.138 (A.III.14.5) Makkhali Gosāla - Kesakambala sutta
A.III.139-140 (A.III.14.6-7) Meesterschap en vooruitgang
A.III.141 (A.III.14.8) De drie paarden I
A.III.142-143 (A.III.14.9-10) De drie paarden II-III
A.III.144-146 (A.III.14.11-13) De hoogste volmaaktheid
Hoofdstuk 15. mangala-vagga – Pali (A.III.147-156)
A.III.155 (A.III.15.9) Drie soorten huldiging
A.III.156 (A.III.15.10) De feestdag - Pubbanha sutta
Hoofdstuk 16. acelaka-vagga (A.III.157-163)
A.III.157-163 (A.III.16.1-7) Drie paden
Hoofdstuk 17. kammapthapeyyāla (A.III.164-183)
A.III.164-183 (A.III.17.1) Resultaat van wilsacties
Hoofdstuk 18. rāga-peyyāla (A.III.184)
A.III.184 (A.III.18.1) het onderkennen van de begeerte
Anguttara Nikaya, Catukka-Nipāta, het boek van vier, is verdeeld in 28 vaggas, die 271 suttas bevatten.[1]
Hoofdstuk 1. bhandagāma-vagga – (Pali)
A.IV.2. Afzijdig van de leer en discipline
A.IV.5. De stroom; heiligheid; nibbana
A.IV.8. het zelfvertrouwen van de Volmaakte
A.IV.10. De vier soorten juk, last
A.IV.13. De vier juiste inspanningen
A.IV.23. Lof aan de Boeddha, de Volmaakte - Loka Sutta
A.IV.34. Het hoogste vertrouwen
A.IV.36. Overwinning van de wereld
A.IV.45. Rohitassa I. Het einde van de wereld
A.IV.49. Vier verkeerde en vier juiste zienswijzen
Hoofdstuk 6. puññābhisanda-vagga
A.IV.51. Stromen van verdienste I
A.IV.52. Stromen van verdienste II
A.IV.55. Nakulapitā en Nakulamātā
A.IV.56. Onverwoestbaar huwelijk - Dutiya-samajīvī Sutta
A.IV.57. Suppavasa (of: het aanbieden van voedsel)
A.IV.59. De gever - Bhojana sutta
A.IV.60. Het passende pad van de leek
A.IV.61. Over het juiste gebruik van het bezit - Pattakamma sutta
A.IV.62. Het geluk - Ānanya sutta
A.IV.64. De vier slechte daden
A.IV.67. Bescherming van de groepen - Khandha paritta (de macht van metta)
A.IV.71-72. Middelen voor opdroging van de neigingen
A.IV.73. De onedele en de edele mens
A.IV.76. Het ophelderen van alle twijfels
A.IV.77. Vier niet te vatten dingen
A.IV.78. Zuiverheid van de gave
A.IV.83. Lofprijzing en berisping
A.IV.91. Vier soorten mensen; demon en deva
A.IV.92-94. Vier soorten mensen; inzicht en vrede van geest [heiligheid]
A.IV.101-102. Gelijkenis van de vier soorten wolken
A.IV.112. Het koninklijke paard
A.IV.115. Kamma; onaangename en aangename daden
A.IV.118. De vier bezienswaardige plaatsen
A.IV.122. De vier gevaren - Ūmibhaya Sutta
A.IV.123. Vier soorten mensen; wereldling en heilige; meditatieve verdiepingen
A.IV.124. Vier soorten mensen; wedergeboorte in de Zuivere Verblijven; meditatieve verdiepingen
A.IV.125. Vier soorten mensen; wereldling en heilige; metta
A.IV.126. Wedergeboorte in de Zuivere Verblijven
A.IV.127. Vier wonderbaarlijke dingen
A.IV.128. Vier wonderbaarlijke dingen II (de Volmaakte)
A.IV.129. Vier wonderbaarlijke dingen III [Ananda]
A.IV.130. Vier wonderbaarlijke dingen IV. [Ananda]
A.IV.150. De vier kernpunten van de leer
A.IV.151. De vier geestelijke vermogens
A.IV.152-155. Vier geestelijke krachten
A.IV.156. De vier onmetelijke wereldperioden
A.IV.159. De genezing van een liefdeszieke non
A.IV.160. Behoud en verdwijnen van de ware leer
A.IV.161. Vier soorten vooruitgang
A.IV.167. Maha-Moggallana's nibbana
A.IV.169. Vier soorten mensen; wegen naar bevrijding
Hoofdstuk 18. sañcetaniya-vagga
A.IV.173. De vier soorten analytische kennis
A.IV.174a. De grens van het uitlegbare; nibbana
A.IV.174b. De grens van het uitlegbare II (nibbana)
A.IV.175. Het einde van lijden; nibbana
A.IV.177. Leerrede tot Rahula; de elementen inwendig en uitwendig; niet-zelf; nibbana
A.IV.178. De opheffing van persoonlijkheid; heiligheid
A.IV.180. De vier grote autoriteiten
A.IV.181. De krijger; de waardige monnik
A.IV.185. De waarheden van de brahmaan
A.IV.189. Vier te verwerkelijken dingen
A.IV.190. Uposatha dag [en meditaties]
A.IV.194. De vier soorten strijd voor reinheid; nibbana
A.IV.195. De Sakyer Vappa [kamma; nibbana]
A.IV.199. De 36 sporen van begeerte
Hoofdstuk 21. sikkhāpada-vagga
A.IV.201. De vijf regels van deugdzaamheid; slechte en goede persoon
A.IV.202. Zeven eigenschappen; de slechte en de goede persoon
A.IV.212-220. De weg naar de hemel en de weg naar de hel
Hoofdstuk 23. duccarita-vagga (A.IV.221-231)
A.IV.221. Viervoudig gedrag in woorden
Hoofdstuk 24. kamma-vagga A.IV.232a-240
A.IV.232a. Wilsacties (kamma) - I
A.IV.232b. Wilsacties (kamma) - II
A.IV.234a. De vijf regels van deugdzaamheid
A.IV.234b. De donkere daden en heldere daden; de vijf ernstige vergrijpen
A.IV.235-236. Het achtvoudige pad en de zeven factoren van Verlichting
A.IV.240. Viervoudige zegen door omgang met goede mensen
Hoofdstuk 25. āpattibhya-vagga (A.IV.241-250)
A.IV.244. Vier soorten van rusten
A.IV.246a. Vier dingen bevorderlijk voor de groei van wijsheid; stroomintrede
A.IV.246b. Vier dingen bevorderlijk voor de groei van wijsheid
A.IV.247-248. Vier uitspraken I
A.IV.249-250. Vier uitspraken II
Hoofdstuk 26. abhiññā-vagga (A.IV.251-260)
A.IV.252. Edele en onedele doelen
A.IV.254. Mālunkyaputta; nibbana
A.IV.255. Tegenspoed en voorspoed van families
A.IV.256-257. Het edele paard; de volmaakte monnik
A.IV.258. Vier geestelijke krachten
Hoofdstuk 27. kammapatha-vagga (A.IV.261-270)
Hoofdstuk 28. rāga-peyyāla (A.IV.271)
Het boek van vijf is verdeeld in 26 hoofdstukken of vaggas, met in totaal 302 suttas. De hoofdstukken 1-25 hebben elk tien suttas; en vagga 26 heeft 152 suttas.[1]
Hoofdstuk 1. sekhabala-vagga – A.V.1 t/m A.V.10 - De vijf krachten van oefening
A.V.1. De vijf krachten voor oefening
A.V.2. De vijf krachten van oefening II
A.V.3. Een ongelukkig en een gelukkig monnikenleven
A.V.4. De weg naar de hel en de weg naar de hemel
A.V.6. Vijf voorwaarden voor het heilzame en voor het onheilzame
A.V.7. De Verhevene waakt over zijn leerlingen tot zij zelf mondig zijn
A.V.8. Achteruitgang en vooruitgang in de leer I
A.V.9. Achteruitgang en vooruitgang in de leer II
A.V.10. Achteruitgang en vooruitgang in de leer III
Hoofdstuk 2. Bala Vagga – (Pali)
A.V.11. De vijf krachten van de Volmaakte - 1. Ananussuta sutta
A.V.12. De kracht van onderricht en van wijsheid - Kūta sutta
A.V.13. De vijf geestelijke krachten I - Samkhitta sutta
A.V.14. De vijf geestelijke krachten II - Vitthata sutta
A.V.15. Waaraan herkent men de vijf geestelijke krachten? - Datthabba sutta
A.V.16. De kracht van wijsheid II - Punakūta sutta
A.V.17. Eigen heil en dat van anderen I - Pathama-hita sutta
A.V.18. Eigen heil en dat van anderen II - Dutiya-hita sutta
A.V.19. Eigen heil en dat van anderen III - Tatiya-hita sutta
A.V.20. Eigen heil en dat van anderen IV - Catuttha-hita sutta
Hoofdstuk 3. Pañcangika Vagga – (Pali)
A.V.21. Vooruitgang in etappes I - Pathama-agārava sutta
A.V.22. Vooruitgang in etappes II - Dutiya-agārava sutta
A.V.23. De zes hogere geestelijke krachten - Upakkilesa sutta
A.V.24. Het een gesteund op het andere - Dussīla sutta
A.V.25. Het bevorderen van juist inzicht - Anuggahita sutta
A.V.26. Vijf wegen naar bevrijding - Vimuttāyatana sutta
A.V.27. Vijf soorten weten - Samādhi sutta
A.V.28. De vijfvoudige concentratie - Pañcangika sutta
A.V.29. Voordelen van het heen- en weer lopen - Cankama sutta
A.V.30. Het geluk van de bevrijding - Nāgita sutta
A.V.31. Het voordeel van aalmoezen geven – Sumana sutta
A.V.32. Hoogste zegen - 2. Cundî sutta
A.V.33. De plichten van de echtgenote - Uggaha sutta
A.V.34. De zichtbare vruchten van aalmoezen geven - Sīhasenāpati sutta
A.V.35. Vijfvoudige zegen van aalmoezen geven
A.V.36. Te juister tijd geven - Kāladāna sutta
A.V.37. Vijfvoudige zegen door het geven van voedsel - Bhojana sutta
A.V.38. De zegen van vertrouwen - Saddha sutta
A.V.39. Waarom wenst men zich een zoon? - Putta sutta
A.V.40. De invloed van degene vol vertrouwen – Mahasalaputta sutta
Hoofdstuk 5. mundarāja-vagga – (Pali)
A.V.41. Juist gebruik van vermogen – Ādiya sutta
A.V.42. De invloed van de goede mens - Sappurisa sutta
A.V.43. Vijf gewenste dingen - Ittha sutta
A.V.44. Wie schenkt, krijgt geschenken - Manāpadāyī sutta
A.V.45. Stromen van verdienste - Puññabhisanda sutta
A.V.46. Vijf soorten meesterschap -Sampadā sutta
A.V.47 De vijf schatten - Dhana sutta
A.V.48. Vijf onbereikbare dingen - Alabbhanīyathāna sutta
A.V.49. Mallika’s dood - Kosala sutta
A.V.50. Het uittrekken van de stekel van lijden - Nārada sutta
A.V.51. De vijf hindernissen - Avarana sutta
A.V.53. De vijf geestelijke krachten - Padhāniyanga sutta
A.V.54. Gunstige en ongunstige tijd
A.V.55. De valstrik van Māra [de gestalte van de vrouw]
A.V.56. Voorwaarden voor vooruitgang
A.V.57. Vijf overwegingen voor iedereen - Abhinhapaccavekkhitabbathāna sutta
Hoofdstuk 7. Sañña Vagga - (Pali)
A.V.61-62. Vijf zegenrijke overwegingen I-II - Pathama-, Dutiya-sañña sutta
A.V.67. De wegen naar macht I - iddhi-pada
A.V.69-70. Overwegingen leidende naar Nibbana I - Nibbida, Asavakkhaya sutta
A.V.71-72. Overwegingen leidende naar nibbana II - Pathama-, Dutiya-cetovimuttiphala sutta
A.V.77. Gevaren voor de monnik in het bos
A.V.79. Dreigende gevaren voor de Orde - Tatiya-anagatabhaya sutta
A.V.80. Gevaren voor de monnik - Catuttha-anagatabhaya sutta
A.V.99. De leeuw; de Volmaakte
Hoofdstuk 11. phāsuvihāra-vagga
A.V.108. Contemplatie over niet-blijvendheid
Hoofdstuk 12. andhakavinda-vagga
A.V.123. De moeilijk te verplegen zieke – Pathamaupatthaka sutta
A.V.124. De ongeschikte ziekenverzorger - Dutiyaupatthaka sutta
A.V.129. ongeneeslijk; de vijf zware fouten - Parikuppa sutta
A.V.130. Winst en verlies - Byasana sutta
A.V.131. Het onverwoestbare rijk. I - Pathama-cakkanuvattana sutta [eigenschappen van de Verhevene]
A.V.133. De wet als medeheerser - Dhammaraja sutta
A.V.135. vijf dingen leidende naar nibbana
A.V.140. De gemakkelijk te onderwijzen koningsolifant; de gemakkelijk te onderwijzen monnik
A.V.142. Vijf soorten mensen II
A.V.147. Verkeerd en juist geven – Asappurisadana sutta
A.V.148 juist geven - Sappurisadana sutta
A.V.154. Behoud en verval van de leer I - Pathama-saddhammasammosa sutta
A.V.155. Behoud en verval van de leer II
A.V.156. Behoud en verval van de leer III – Tatiya-saddhammasammosa sutta
A.V.157. onpassende en passende gesprekken
A.V.158. Innerlijke onzekerheid en zelfvertrouwen
A.V.159. Juiste manier van uitleg van de leer - Udayi sutta
A.V.160. Vijf dingen die moeilijk te verdrijven zijn
A.V.161. Vijf manieren om wrok te overwinnen – Pathama-aghatapativinaya sutta
A.V.162. Vijf middelen om wrok te overwinnen II – Dutiya-aghatapativinaya sutta
A.V.166. Udāyi spreekt Sāriputta tegen
A.V.168. Het een gebaseerd op het andere
A.V.169. Goed inzicht, goed opvattingsvermogen
A.V.171-173. Zelfvertrouwen en onzekerheid - Sarajja, Visarada, Niraya sutta
A.V.174. Vijf vreselijke wandaden - Vera sutta
A.V.175. De goede en de slechte lekenvolgeling
A.V.176. Vervoering in meditatie
A.V.177. Vijf verwerpelijke beroepen - Vanijja sutta
A.V.179. Het in de stroom getreden gezinshoofd - Gihi sutta
A.V.196. De vijf dromen van de Bodhisatta - Mahasupina sutta
A.V.198. Het goed gesproken woord
A.V.199. De invloed van de zedenreine monnik
A.V.200. De vijf elementen van ontkomen; nibbana
A.V.201. De duur van de leer - Kimila sutta
A.V.202. Voordelen van het luisteren naar de leer
A.V.203. Het koninklijke paard; de waardige monnik
A.V.204. Vijf krachten - Bala sutta
A.V.205. Vijf geestelijke hindernissen
A.V.206. Vijf verwikkelingen van de geest
A.V.207. De goede uitwerking van rijstsoep
A.V.208. Het nut van het reinigen van de tanden
A.V.209. Nadelen van het zingend reciteren van de teksten
A.V.210. Helder bewust inslapen
A.V.211. Gevolgen van de belediging
A.V.213. Resultaten van slecht en goed gedrag - Sila sutta
A.V.214. Nadelen en voordelen bij het houden van een toespraak
A.V.215-216. Ongeduld en geduld – Pathama-, Dutiya-akkhanti sutta
A.V.217. Onvriendelijkheid en vriendelijkheid I – Pathama-apasadika sutta
A.V.218. Onvriendelijkheid en vriendelijkheid II – Dutiya-apasadika sutta
Hoofdstuk 23. dīghacārika-vagga
A.V.225. Gevaren van omgang met gezinnen
A.V.227. Nadelen en voordelen van bezit - Bhoga sutta
A.V.228. Nadelen van te laat eten
A.V.241-248. Gevolgen van slecht en goed gedrag
Hoofdstuk 26. upasampadā-vagga
A.V.251-253. De waardige Orde-leraar
A.V.272-285. Orde in het klooster
A.V.286-302. De universele wet van kamma
A.V.303. Inzicht van begeerte; leidende naar nibbana
Het Chakka-Nipāta, het boek van zes van de Anguttara Nikaya, is verdeeld in 12 hoofdstukken. In totaal zijn er 140 suttas in dit boek. Het gaat vooral over onderwerpen betreffende de monnik.
A.VI.1-4. De monnik die eer waard is I-IV - Pathama-, Dutiya-ahuneyya, Indriya, Bala sutta
A.VI.5-7. Het standhaftige paard I-III – Pathama-, Dutiya-, Tatiya-ājānīya sutta
A.VI.8. Onovertrefbare goederen
A.VI.9. De zes overwegingen I - Anussatitthana sutta
A.VI.10. De zes overwegingen II - Mahanama sutta
2. Hoofdstuk 2: sāranīya-vagga
A.VI.11-12. Zes dingen die de monnik in acht moet nemen
A.VI.13. De zes elementen van ontkomen. - Nissāranīya sutta
A.VI.14-15. Slechte en goede dood I-II
A.VI.16. De vrouw als raadgeefster van de man. - Nakula sutta
A.VI.18. De dieren- en mensendoder - Macchabandha sutta
A.VI.19. Het beschouwen van de dood I.
A.VI.20. Het beschouwen van de dood II
A.VI.23. De ellende van de zinnelijke lusten
A.VI.24. De macht van concentratie
A.VI.25. Zuivering door de zes overwegingen - Anussatitthāna sutta
A.VI.26. Middelen naar de bevrijding
A.VI.29. Udāyî Sutta - Zes gebieden waaraan men moet denken - [jhanas; contemplaties]
A.VI.32-33. Zes bevorderlijke dingen
A.VI.34. Hemelse in de stroom getredenen
A.VI.35. Overwegingen leidende naar weten
A.VI.37. Zes voordelen bij het geven van aalmoezen - Chalangadāna sutta
A.VI.38. Eigen en vreemde daad
A.VI.39. Zes redenen van ontstaan van de daden
A.VI.40. De duur van de goede leer
A.VI.41. De boomstam [de elementen]
A.VI.43. De edele Naga [eerbetoon aan de Boeddha]
A.VI.44. Oordeel niet over de mensen
A.VI.50. Het een gebaseerd op het andere
A.VI.51. Hoe verkrijgt men kennis?
A.VI.54. Het lot van de slechte mens
A.VI.55. De gelijkenis van de luit
A.VI.56. De dood van Phagguna; voordelen van het luisteren naar de leer
A.VI.57. Pūrana Kassapa en de zes soorten mensen
A.VI.58. De opdroging van alle neigingen
A.VI.59. De kieskeurige aalmoezengever
A.VI.60. Citta, de zoon van de olifanten-drijver
A.VI.61. De naaister ‘begeerte’
A.VI.62. Het inzicht van de Volmaakte van de menselijke vaardigheden
A.VI.63. De doordringende uiteenzetting
A.VI.64. De zes krachten van de Volmaakte
A.VI.67. Het een uit het andere I
A.VI.68. Het een uit het andere II
A.VI.69. Zes bevorderlijke eigenschappen
A.VI.70. De zes hogere geestelijke krachten
A.VI.71. Het vermogen van het verwerkelijken
A.VI.72. Vastheid in de concentratie
A.VI.73. Het bereiken van het eerste jhana
A.VI.74. Het bereiken van het eerste jhana II
A.VI.76. Verwerkelijking van de heiligheid
A.VI.77. Verwerkelijking van het hoogste inzicht
A.VI.78. De middelen tot opdroging van de neigingen
A.VI.79. Het verwerven van het goede
A.VI.83. Het bereiken van heiligheid
A.VI.84. Achteruitgang en vooruitgang
A.VI.86. Het pad van zekerheid I
A.VI.87. Het pad van zekerheid II
A.VI.88. Het pad van zekerheid III
A.VI.89-91. Meesterschap in inzicht I-III
A.VI.92-95. Zes onmogelijkheden I-IV
A.VI.97. Voordelen van stroomintrede
A.VI.98. Overtuiging overeenkomstig de leer I
A.VI.99. Overtuiging overeenkomstig de leer II
A.VI.100. Overtuiging overeenkomstig de leer III
A.VI.101. Overtuiging overeenkomstig de leer IV
A.VI.102. Onbeperkte voorstelling van de vergankelijkheid
A.VI.103. Onbeperkte voorstelling van dukkha, het lijden
A.VI.104. Onbeperkte voorstelling van de onpersoonlijkheid [anatta]
A.VI.105. Het einde van dukkha I
A.VI.106. Het einde van dukkha II
A.VI.107-116. Te overwinnen en te ontplooien
A.VI.117. Hindernissen bij de contemplatie over het lichaam
A.VI.118. Hindernissen bij de oefening van oplettendheid
A.VI.119-139. Edele lekenvolgelingen
Het boek van zeven, Sattaka-Nipāta, is verdeeld in tien hoofdstukken, vaggas, met in totaal 84 suttas.[1]
A.VII.1-2. Niet en wel geliefd
A.VII.7. Twee soorten schatten
A.VII.11-12. Zeven neigingen I-II
A.VII.13. Te vermijden gezinnen
A.VII.14. Zeven waardige mensen I
A.VII.16. Zeven waardige mensen II
A.VII.17. Zeven waardige mensen III
A.VII.18. Zeven grondslagen van eerwaardigheid
Hoofdstuk 3: vajji-sattaka-vagga
A.VII.19. Te Sarandada - Dingen leidende naar voorspoed van een volk
A.VII.20. Vassakāra - Dingen leidende naar voorspoed van een volk II
A.VII.21. Tot voorspoed van de Orde I
A.VII.22-25. Tot voorspoed van de Orde II-V
A.VII.26. Nadelig en voordelig voor de monnik
A.VII.27-30. Nadelig en voordelig voor de lekenvolgeling
A.VII.31-33. Zeven bevorderlijke dingen I-III
A.VII.34. Zeven bevorderlijke dingen
A.VII.37. De vier soorten analytische kennis
A.VII.39. Grondslagen van de eerwaardigheid I
A.VII.40. Grondslagen van de eerwaardigheid II
A.VII.41. De zeven sferen van bewustzijn
A.VII.42. De werktuigen van de concentratie
A.VII.45-46. Zeven zegenrijke overwegingen
A.VII.47. Het leven in kuisheid
A.VII.48. Verbinding en losmaken
A.VII.51. De onuitlegbare problemen; nibbana
A.VII.52. De zeven paden van hogere mensen, en Nibbana zonder hechten
A.VII.53. Niet alle goden hebben hoger inzicht
A.VII.54. De vrucht van het geven
A.VII.55. Zonder angst en blaam
A.VII.57. Eigenschappen naar de Verlichting
A.VII.58. Tot overwinning van slaperigheid
A.VII.58. II. De zegen van metta
A.VII.60. De gevolgen van hatelijkheid
A.VII.61. Het een gebaseerd op het andere
A.VII.63. Zeven goede eigenschappen van de edele
A.VII.64. Zeven eigenschappen van de edele
A.VII.65. De hemelse koraal-boom
A.VII.66. Zeven voorwerpen van eerbied
A.VII.67. Zonder oefening geen vooruitgang
A.VII.68. Het lot van de valse asceet - Aggikkhandha-Sutta
A.VII.69. Het honen, smaden van de edelen
A.VII.70. Heel kort is het leven
A.VII.71-78. Beschermer van de discipline
A.VII.79. De juiste leer van de Meester
A.VII.80. Het zevenvoudige bijleggen van geschillen
A.VII.81. De naam monnik waard
A.VII.82. Goede en slechte eigenschappen
A.VII.83. Zeven mensen die verering waard zijn
A.VII.84. De factoren van Verlichting
Het boek van acht bestaat uit elf hoofdstukken met in totaal 92 suttas.
A. VIII.1. Mettanisamsa sutta - Zegeningen van metta
A.VIII.2. Ontplooiing van de wijsheid
A.VIII.3-4. Niet en wel geliefd
A.VIII.5. De acht wereldwetten I
A.VIII.6. De acht wereldwetten II
A.VIII.7. Devadatta’s ondergang I
A.VIII.8. Devadatta’s ondergang II
A.VIII.9. De voortreffelijke eigenschappen van Nanda
A.VIII.12. De bekering van veldheer Sīha
A.VIII.13. Het edele koningspaard
A.VIII.14. Acht ondeugden van de paarden
A.VIII.16. De waardige verspreider van de boodschap
A.VIII.19. Gelijkenis van de oceaan
A.VIII.22. Ugga uit Hatthigāma
A.VIII.23. Hatthaka uit Ālavi. I
A.VIII.24. Hatthaka uit Ālavi. II
A.VIII.25. De lekenvolgeling I
A.VIII.26. De lekenvolgeling II
A.VIII.28. Het zelf-inzicht van de heilige
A.VIII.29. De gunstige gelegenheid voor het heilige leven
A.VIII.30. De acht gedachten van een groot man
A.VIII.34. Het vruchtbare veld
A.VIII.35. Wedergeboorte afhankelijk van geven
A.VIII.36. De drie soorten van verdienstelijk handelen
A.VIII.37. Hoe een goed mens gaven geeft
A.VIII.38. De invloed van de goede mens
A.VIII.39. De acht stromen van verdienste
A.VIII.40. De gevolgen van het overtreden van de regels van deugdzaamheid
A.VIII.41-43. De zegen van de vastendag. I-III
A.VIII.44. De zegen van de vastendag. IV
A.VIII.45. De zegen van de vastendag. V
A.VIII.46. Wedergeboorte bij de manapakayika deva
A.VIII.47. Visākhā I - Acht goede eigenschappen van een vrouw
A.VIII.50. De victorie van de vrouw
A.VIII.51. De stichting van de Bhikkhuni Sangha
A.VIII.52. De waardige vermaner van de nonnen
A.VIII.53. De kenmerken van de goede leer
A.VIII.54. Vyagghapajja-Sutta - De basis voor welzijn
A.VIII.56. De ellende van de zinnelijke lusten
A.VIII.65. Acht overwinningsgebieden
A. VIII.68. Taalgebruik door een edele
A.VIII.69. De acht bijeenkomsten
A.VIII.70. Laatste poging van Mara om de Boeddha tot andere gedachten te brengen
A.VIII.71-72. Volmaaktheid in monnikschap
A.VIII.73. De contemplatie over de dood
A.VIII.74. Contemplatie over de dood. II
A.VIII.75-76. Meesterschap I-II
A.VIII.79. Acht nadelige dingen
A.VIII.81. Het een gebaseerd op het andere
A.VIII.83. De wortel van alle dingen
A.VIII.85. De Volmaakte, de Verhevene
A.VIII.92. De serie over het herkennen van begeerte
Het Navaka-Nipāta, het boek van negen, heeft tien hoofdstukken (vaggas), met in totaal 93 suttas.
A.IX.1. De basis van de Verlichting
A.IX.3. Meghiya - voorwaarden voor goede concentratie
A.IX.4. De zegeningen van de leertoespraak
A.IX.5. Bevrijd van vijfvoudige angst; vier krachten
A.IX.6. Twee dingen moet men weten
A.IX.7. Onmogelijkheden voor een heilige I
A.IX.8. Onmogelijkheden voor een heilige II
A.IX.10. Negen waardige mensen; nibbana
A.IX.11. Sāriputtas gebrul van de leeuw
A.IX.12. Ontkomen aan de lagere sferen van bestaan
A.IX.13. Het doel van het heilige leven
A.IX.14. het wezenlijke van gedachten-overwegingen
A.IX.15. Het ettergezwel (walgelijkheid van het lichaam)
A.IX.17. Te vermijden gezinnen
A.IX.18. De zegen van de vastendag
A.IX.19. De berouwvolle godheden
A.IX.20. Het beschouwen van de vergankelijkheid – de hoogste verdienste
A.IX.21. De bewoners van Uttarakuru
A.IX.23. Dingen die in hevig verlangen wortelen
A.IX.24. De negen vormen van bestaan
A.IX.25. Volmaakte ontwikkeling van de geest I
A.IX.26. Volmaakte ontwikkeling van de geest II
A.IX.31. Trapsgewijze bevrijding
A.IX.32. Negen trapsgewijze meditatieve toestanden
A.IX.33. Negen trapsgewijze meditatieve toestanden
A.IX.34. Een geluk hoger dan de gevoelens; nibbana
A.IX.35. De koe in de bergen; de onverstandige monnik
A.IX.36. Kalmte van geest en inzicht
A.IX.37. De wonderbaarlijke leer
A.IX.38. Het einde van de wereld
A.IX.39. De strijd tussen goden en demonen
A.IX.40. De olifant van de eenzaamheid
A.IX.41. De afgrond van de verzaking; meditatieve verdiepingen
A.IX.42. De uitweg uit de benauwdheid
A.IX.44. De door weten bevrijde
A.IX.45. De beiderzijds bevrijde [de tweevoudig bevrijde]
Hoofdstuk 7: satipatthāna-vagga
Hoofdstuk 8: sammappadhāna-vagga
Hoofdstuk 10: rāgapeyyāla-vagga
A.IX.93. De reeks over het inzien van begeerte
Het Dasaka-Nipata, het boek van tien, is verdeeld in 23 vaggas of hoofdstukken, met 219 suttas.
Hoofdstuk 1. ānisamsa-vagga (A.X.1-10)
A.X.1. Zegen van deugdzaamheid
A.X.2. Wetmatigheid van geestelijke ontwikkeling
A.X.8. Volmaaktheid in het monnikschap
A.X.9-10. Volmaaktheid in het monnikschap II-III
Hoofdstuk 2. nātha-vagga (A.X.11-20)
A.X.11. vijf eigenschappen tot steun voor de bevrijding
A.X.12. De meest verheven mens
A.X.14. Vijf geestelijke hindernissen en vijf verwikkelingen van de geest
A.X.15. Energiek streven - het begin van alle goede dingen
A.X.16. Tien mensen die eer waard zijn
A.X.20 De tien oorden van de edelen
Hoofdstuk 3. mahā-vagga (A.X.21-30)
A.X.21. Het leeuwengebrul van de Volmaakte – de tien krachten van een Tathagata
A.X.25 De tien kasina oefeningen
A.X.29. Vergankelijkheid van alles - Pathama-kosala Sutta
A.X.30. Eerbetoon door koning Pasenadi
Hoofdstuk 4. upāli-vagga (A.X.31-40)
A.X.31. Doel van de discipline
A.X.35. Splitsing in de Orde - I (Upāli)
A.X.36. Eensgezindheid in de Orde - I (Upāli)
A.X.37-38. Splitsing in de Orde - II (Ananda)
A.X.39-40. Eensgezindheid in de Orde - II (Ananda)
Hoofdstuk 5. akkosa-vagga (A.X.41-50)
A.X.46. De achtvoudige feestdag; uposatha
A.X.47. Redenen voor slechte en goede daden
A.X.48. Tien contemplaties voor de monnik
A.X.49. Met het lichaam verbonden
Hoofdstuk 6. sacitta-vagga (A.X.51-60)
A.X.53. Achteruitgang en vooruitgang
A.X.58. De wortel van alle dingen
A.X.60. Girimānanda sutta - De toespraak tot de eerwaarde Girimānanda [tien contemplaties]
Hoofdstuk 7. yamaka-vagga (A.X.61-70)
A.X.61. Voedsel voor onwetendheid en voor vrijheid van het weten
A.X.62. Voedsel voor bestaansdorst en voor vrijheid van het weten
A.X.63. Zekerheid; volmaaktheid
A.X.65. Wat is geluk, wat is ellende [kenmerken van niet meer geboren worden]
A.X.67. Vooruitgang en achteruitgang
A.X.69. Onedel en edel gesprek
A.X.70. Redenen voor lofprijzing
Hoofdstuk 8. ākankha-vagga (A.X.71-80)
A.X.71. Vervulling van alle wensen
A.X.72. Storingen bij de concentratie
A.X.73. Zelden in de wereld te verkrijgen
A.X.75. Oordeel niet over andere mensen
A.X.76. Oorzakelijk ontstaan van geboorte, ouder worden en dood
A.X.79-80. Overwinning van wrok
Hoofdstuk 9. thera-vagga (A.X.81-90)
A.X.82. Voorwaarden voor vooruitgang
A.X.83. De uitleg van de leer van de Volmaakte
A.X.84. Hoogste weten veinzen - I
A.X.85. Verworvenheden veinzen
A.X.86. Beweren het hoogste weten te hebben
A.X.87. Redenen voor liefde en respect
A.X.88. Het lot van degene die anderen beschimpt
A.X.90. De tien krachten van een heilige
Hoofdstuk 10. upāli-vagga (A.X.91-100)
A.X.92. De in de stroom getredene
A.X.93. De ontoereikende visies
A.X.96. De dolende asceet Kokanuda en diverse meningen
A.X.99. Het is moeilijk om in eenzaamheid te leven
A.X.100. Verwerkelijking van heiligheid
Hoofdstuk 11. samanasaññā-vagga
A.X.101. Drie overwegingen voor monniken
A.X.102. Werking van de zeven factoren van Verlichting
A.X.103. Het verkeerde en het juiste pad
A.X.104. Bittere en zoete vruchten
A.X.105. Onwetendheid en weten
A.X.106. Naar beëindiging leidend
A.X.109. Het braakmiddel [het juiste behouden, het verkeerde verwijderen]
A.X.110. Tien zuiverende dingen
A.X.111. Degene die vrij van oefening is – I [de heilige]
A.X.112. Degene die de opleiding voltooid heeft
Hoofdstuk 12. paccorohani-vagga
A.X.113. Niet en wel overeenkomstig de leer - I
A.X.114. Niet en wel overeenkomstig de leer - II
A.X.115. Niet en wel overeenkomstig de leer - III
A.X.116. Normen van wetenschap
A.X.117. Deze en de andere oever; nibbana
A.X.118. (Zoals tekst A.X.117)
A.X.119. De edele reiniging II
A.X.120. De edele reiniging IIa
A.X.121. Het ochtendgloren van juist inzicht
A.X.122. Uitdrogen van de neigingen
Hoofdstuk 13. parisuddha-vagga
A.X.123-131. Geen volmaaktheid buiten de leer
A.X.132-133. Het verkeerde en het juiste
A.X.134-144. Het slechte en het goede
A.X.145-154. Het onedele en het edele pad
A.X.155-166. Slechte en goede omgang
A.X.167. De edele reiniging IV
A.X.168-173. (Gelijkluidend met eerdere teksten)
A.X.176. Drievoudige zuivering
A.X.178-188. (Gelijkluidend met eerdere teksten)
Hoofdstuk 19. ariyamagga-vagga
A.X.189-198. (Gelijkluidend met eerdere teksten)
Hoofdstuk 20. aparapuggala-vagga
A.X.199. (Gelijkluidend met eerdere teksten)
Hoofdstuk 21. karajakāya-vagga
A.X.200-204. De tien paden van handelen
A.X.205. De manier van wegkruipen [kamma]
A.X.206. De opdroging van daden [kamma]
A.X.208. Zegeningen van mettā, karunā, muditā en upekkhā
A.X.209. Twee soorten levenswijze [kamma]
A.X.214-216. De gevolgen van juist en onjuist handelen [kamma]
A.X.217-219. De reeks over het inzien van begeerte
Het Ekadasaka-Nipāta, het boek van elf, is verdeeld in vier hoofdstukken. In totaal zijn er maar 24 suttas, waarvan meerdere gelijkluidend zijn met vroegere teksten.
A.XI. 1-5. (Identiek met eerdere suttas)
A.XI. 6. Het lot van degene die anderen beschimpt
A.XI. 7-8. Niet meer gewaarworden
A.XI. 10. Het overwegen van de edelen
A.XI. 11. Het hoogste - Moranivāpa Sutta
A.XI. 12-13. Juiste contemplatie voor leken - Contemplatie over de Boeddha, Dhamma en Ariyasangha
A.XI. 14. Nandiya - juiste overwegingen voor de leek - kenmerken van vertrouwen
A.XI. 15. De kenmerken van vertrouwen
A.XI. 16. Mettanisamsa sutta - De zegeningen van liefdevolle vriendelijkheid
A.XI. 17. De elf poorten van het doodloze
A.XI. 19-22. (identiek met eerdere teksten)
A.XI. 24. De reeks over het inzien van begeerte
Khp.1. Saranattaya - De drievoudige toevlucht
Khp.2. Dasasikkhāpada - De tien regels van deugdzaamheid
Khp.3. Dvattimsākāra - De 32 delen van het lichaam
Khp.4. Sāmanera pañha - Vragen te beantwoorden door een novice
Khp.5. Mahā mangala sutta - De leerrede over de grootste zegeningen
Khp.6. Ratana Sutta - De Juweel-toespraak
Khp.7. Tirokudda Sutta - Buiten de muren // het geven van gaven aan petas
Khp.8. Nidhikanda Sutta - De verborgen schat // verdiensten
Khp.9. Metta Sutta - De toespraak over liefdevolle vriendelijkheid
Verhaal I:1 bij 1 (1:1) De blinde Arahant Cakkhupala
Verhaal I:2 bij 2 (1:2) De weg naar de hemel
Verhaal I:3 bij 3-4 (1:3-4) Wraak leidt niet naar vrede
Verhaal I:4 bij 5 (1:5) Haat wordt overwonnen door liefdevolle vriendelijkheid
Verhaal I:5 bij 6 (1:6) Verdraagzaamheid
Verhaal I:6 bij 7-8 (1:7-8) Onjuist en juist denken
Verhaal I:7 bij 9-10 (1:9-10) De zuivere is het gele gewaad waard, maar de onzuivere niet
Verhaal I:10 bij 15 (1:15) Boosdoeners lijden hier en hierna
Verhaal I:11 bij 16 (1:16) Gelukkig is de weldoener hier en hierna
Verhaal I:12 bij 17 (1:17) De boosdoener klaagt hier en hierna
Verhaal I:13 bij 18 (1:18) Gelukkig is de rechtvaardige
Verhaal I:14 bij 19 en 20 (1:19-20) Leren zonder praktijk is waardeloos
Verhaal II:2 bij 24 (2:4) De stem van een rijke man (Kumbha Ghosaka) - De energieke gaat vooruit
Verhaal II:3 bij 25 (2:5) Cula Panthaka bereikt arahantschap - Onafgebroken inspanning
Verhaal II:4 bij 26-27 (2:6-7) Kinderlijk gedrag op een festival - Wees oplettend, niet onoplettend
Verhaal II:5 bij 28 (2:8) Onoplettendheid moet overwonnen worden door oplettendheid
Verhaal II:7 bij 30 (2:10) Hoe Magha Sakka werd - Serieus streven leidt naar heerschappij
Verhaal II:8 bij 31 (2.11) Het vuur van het edele pad - De waakzame boekt vooruitgang
Verhaal III:2 bij 35 (3:3) Matika Mata leest gedachten van monniken - Beheers de geest
Verhaal III:3 bij 36 (3:4) Bewaak de gedachten
Verhaal III:8 bij 42 (3:10) Nanda de herder - Een slecht gerichte geest is de ergste vijand
Verhaal IV:2 bij 46 (4:3) Dit lichaam is als een luchtspiegeling
Verhaal IV:3 bij 47 (4:4) Vidudabha neemt wraak op de Sakyas - De verwoesting van Kapilavatthu
Verhaal IV:4 bij 48 (4:5) De vrouw die in de Tavatimsa hemel wedergeboren werd (Pati Pujika Kumari)
Verhaal IV:6 bij 50 (4:7) Zoek niet de fouten bij anderen maar alleen die van jezelf
Verhaal IV:8 bij 53 (4:10) De zeer devote mevrouw Visakha - Doe veel goeds
Verhaal IV:9 bij 54-55 (4:11-12) De geur van de deugdzamen waait in alle richtingen
Verhaal V:2 bij 61 (5:2) Een ongehoorzame novice - Vermijdt omgang met de dwazen
Verhaal V:3 bij 62 (5:3) Het lot van een gierige rijke man - Men is niet van zichzelf
Verhaal V:4 bij 63 (5:4) Wijs is hij die zijn dwaasheid erkent
Verhaal V:5 bij 64 (5:5) Een dwaas kan de waarde van de Dhamma niet waarderen
Verhaal V:6 bij 65 (5:6) De wijze kan de waarde van de Dhamma waarderen
Verhaal V:7 bij 66 (5:7) De melaatse Suppabuddha - De vrucht van kwaad is bitter
Verhaal VI:1 bij 76 (6:1) Heb omgang met de wijzen die u proberen te corrigeren
Verhaal VI:2 bij 77 (6:2) Raadgevers zijn aangenaam voor de goeden maar niet voor de slechten
Verhaal VI:3 bij 78 (6:3) De koppige monnik Channa - Koester goede vriendschap
Verhaal VI:5 bij 80 (6:5) De bereiking van de jonge novice Pandita - De wijzen beheersen zichzelf
Verhaal VI:7 bij 82 (6:7) De wijzen zijn vreedzaam
Verhaal VI:8 bij 83 (6:8) De wijzen zijn noch opgetogen noch gedeprimeerd
Verhaal VII:1 bij 90. (7:1) Geen lijden voor de bevrijde - De Boeddha en zijn arts Jivaka
Verhaal VII:2 bij 91 (7:2) Een Arahant is vrij van gehechtheid (Maha Kassapa)
Verhaal VII:3 bij 92 (7:3) De monnik die voedsel verzamelde - Wees niet gehecht aan voedsel
Verhaal VII:4 bij 93 (7:4) Anuruddha en de godin - Vrij zijn degenen zonder smetten
Verhaal VII:7 bij 96 (7:7) Het verlies van een oog - De gekalmeerden zijn de vreedzamen
Verhaal IX:5 bij 121 (9:6) De slordige monnik - Denk niet licht over het kwaad
Verhaal IX:11 bij 127 (9:12) Niemand is vrij van de gevolgen van slechte wilsacties
Verhaal X:1 bij 129 (10:1) De monniken die ruzie maakten over een tempel - Doodt niet
Verhaal X:2 bij 130 (10:2) De tweede ruzie - Het leven is dierbaar aan allen
Verhaal X:11 bij 145 (10:17) Sukha de novice - De goeden beheersen zichzelf
Verhaal XI:1 bij 146 (11:1) Visakha en haar dronken metgezellinnen - Zoek het licht
Verhaal XII:1 bij 157 (12:1) Prins Bodhiraja Kumara die geen nakomelingen had - Wees waakzaam
Verhaal XII:2 bij 158 (12:2) De hebzuchtige monnik Upananda - Laat men eerst zichzelf opvoeden
Verhaal XII:4 bij 160 (12:4) De zoon van een bhikkhuni (Kumara Kassapa) - Zelf is men zijn toevlucht
Verhaal XII:8 bij 164 (12:8) De jaloerse monnik (Kala) - Veracht niet de edelen
Verhaal XII:10 bij 166 (12:10) De ijverige ouderling Attadattha - Streef naar je geestelijk welzijn
Verhaal XIII:1 bij 167 (13:1) Een monnik die ruzie had met een jong meisje - Geef lage verlangens op
Verhaal XIII:3 bij 170 (13:4) Als een luchtbel is deze wereld
Verhaal XIII:7 bij 174 (13:8) Op de Calika-heuvel en de weversdochter - Weinigen hier zien helder
Verhaal XIV:3 bij 182 (14:4) De koning van de Nagas en zijn dochter - De goeden zijn zeldzaam
Verhaal XIV:7 bij 193 (14:15) De edelen zijn zeldzaam
Verhaal XIV:8 bij 194 (14:16) Dingen die naar geluk leiden
Verhaal XIV:9 bij 195-196 (14: 17-18) Eer degenen die eer waard zijn
Verhaal XV:3 bij 201 (15:5) Overwinning brengt haat voort (de koning van Kosala)
Verhaal XV:4 bij 202 (15: 6) Het vuur van lust
Verhaal XV:5 bij 203 (15:7) De Boeddha en een hongerige man - Honger is de grootste kwaal
Verhaal XV:6 bij 204 (15:8) Wees matig bij het eten - Gezondheid is de grootste zegening
Verhaal XVI:2 bij 212 (16.4) De Boeddha troost de bedroefden - Uit genegenheid ontstaat verdriet
Verhaal XVI:3 bij 213 (16: 5) De Boeddha troost Visakha - Verdriet ontstaat uit genegenheid
Verhaal XVI:5 bij 215 (16:7) Anitthi Gandha Kumara verliest zijn bruid - Verdriet ontstaat uit lust
Verhaal XVI:6 bij 216 (16: 8) Verdriet ontstaat uit begeerte
Verhaal XVII:1 bij 221 (17:1) Mevrouw Rohini die genezen werd van haar huidziekte - Geef boosheid op
Verhaal XVII:2 bij 222 (17:2) Een monnik en de boomgeest - Beheers je woede
Verhaal XVII:4 bij 224 (17:4) De weg naar de hemel - Wees eerlijk, verdraagzaam en edelmoedig
Verhaal XVIII:4 bij 241 (18:7) De monnik die valse beweringen deed (Laludayi) - Oorzaken van smetten
Verhaal XVIII:7 bij 246-248 (18:12-14) Het is niet gemakkelijk om de regels na te volgen
Verhaal XIX:9 bij 270 (19:15) Door geen kwaad te doen wordt men een edele (Ariya)
Verhaal XX:2 bij 277 (20:5) Meditatie over anicca - Vergankelijk zijn veroorzaakte dingen
Verhaal XX:3 bij 278 (20:6) Meditatie over dukkha - Vol smart zijn alle veroorzaakte dingen
Verhaal XX:4 bij 279 (20:7) Meditatie over anatta - Alles is zonder zelf
Verhaal XX:5 bij 280 (20:8) Wees waakzaam en wees niet lui - De trage verwerkelijkt het pad niet
Verhaal XX:6 bij 281 (20:9) Bewaak en zuiver uw gedachten, woorden en daden
Verhaal XX:9 bij 285 (20:13) Meditatie over een lotusbloem - Ontwikkel het pad van vrede
Verhaal XXI:2 bij 291 (21:2) Haat wordt alleen gestild door liefdevolle vriendelijkheid
Verhaal XXI:6 bij 302 (21:13) Moeilijk is verzaking
Verhaal XXI:9 bij 305 (21:16) Het is beter om alleen te blijven (Ekavihari)
Verhaal XXII:1 bij 306 (22:1) Een kwaadaardig complot tegen de Boeddha (Sundari) - Leugenaars lijden
Verhaal XXII:2 bij 307 (22:2) Verdorven monniken lijden
Verhaal XXII:4 bij 309-310 (22:4-5) De man van wie vrouwen hielden - Echtbreuk is slecht
Verhaal XXIII:2 bij 323 (23:4) Men moet zichzelf bedwingen - Zelfbeheersing leidt naar iemands doel
Verhaal XXIII:4 bij 325 (23:6) Wees matig bij het eten
Verhaal XXIII:5 bij 326 (23:7) De novice en de moeder geest (Sanu) - Beheers je gedachten
Verhaal XXIII:6 bij 327 (23:8) Een oude olifant reageert op oorlogstrommels - Bewaak uw geest
Verhaal XXIV:6 bij 348 (24:15) Een acrobaat die een heilige werd (Uggasena) - Bevrijdt uw geest
Verhaal XXIV:11 bij 355 (24:22) Rijkdom ruïneert de onwetende
Verhaal XXV:5 bij 365-366 (25:6-7) Een monnik moet tevreden zijn - Veracht niet wat men krijgt
Verhaal XXV:8 bij 377 (25:18) Meditatie over jasmijnbloemen - Leg lust en haat af
Verhaal XXVI:1 bij 383 (26:1) Niet alle bhikkhus zijn Arahants
Verhaal XXVI:2 bij 384 (26:2) Cultiveer concentratie en inzicht
Verhaal XXVI:3 bij 385 (26:3) Waar is de andere oever? - De ongebonden persoon is een brahmaan
Verhaal XXVI:5 bij 387 (26:5) De Boeddha schijnt dag en nacht
Verhaal XXVI:7 bij 389-390 (26:7-8) Doe een Arahant geen kwaad - Een Arahant neemt geen wraak
Verhaal XXVI:8 bij 391 (26:9) Maha Pajapati Gotami - Hij is een ware brahmaan die goed bedwongen is
Verhaal XXVI:9 bij 392 (26:10) Eer degene die eer waard is
Verhaal XXVI:14 bij 397 (26:15) Een brahmaan is hij die alle boeien heeft vernietigd
Verhaal XXVI:16 bij 399 (26:17) Een brahmaan is hij die verdraagzaam is
Verhaal XXVI:18 bij 401 (26:19) Hij is een brahmaan die niet gehecht is aan zinnelijk genot
Verhaal XXVI:22 bij 405 (26:23) Een brahmaan is hij die absoluut geen kwaad doet
Verhaal XXVI:23 bij 406 (26:24) Een brahmaan is hij die vriendelijk is onder de vijandigen
Verhaal XXVI:25 bij 408 (26:26) Macht der gewoonte - Een brahmaan is hij die niemand aanstoot geeft
Verhaal XXVI:26 bij 409 (26:27) Een brahmaan is hij die niet steelt
Verhaal XXVI:29 bij 412 (26:30) Een brahmaan is hij die goed en kwaad te boven is gekomen
Verhaal XXVI:33 bij 416 (26:34) Een brahmaan is hij die begeerte heeft opgegeven
Verhaal XXVI:34 Het hemelse herenhuis van Jotika
Verhaal XXVI:39 bij 422 (26:40) Angulimala en de olifant - Een brahmaan is hij die verlicht is
Ud. 1.1. Onder de Bodhiboom (1)
Ud. 1.2. Onder de Bodhiboom (2)
Ud. 1.3. Onder de Bodhiboom (3)
Ud. 1.4. Onder de geitenhoedersvijgenboom
Ud. 1.7. Te Pava bij het Ajakalāpaka-gedenkteken
Ud. 1.8. De eerwaarde Sangāmaji
Ud. 1.9. De Jatila-asceten - Zuiverheid
Ud. 1.10. Bahiya - in het geziene is enkel het geziene
Ud. 2.1. Mucalinda - afzondering is geluk
Ud. 2.5. De lekenvolgeling - geluk is, niets zijn eigen te noemen
Ud. 2.7. De enige zoon - geef op wat dierbaar is
Ud. 2.10. Bhaddiya, de vroegere koning
Ud. 3.3. Yasoja - zonder verlangens
Ud. 3.4. Sāriputta - onwankelbaar
Ud. 3.5. Mahā Moggallāna - nibbana
Ud. 3.6. Pilindavaccha - de ware brahmaan
Ud. 3.8. Leven van aalmoezenspijs
Ud. 4.9. Upasena Vangantaputta
Ud. 5.3. Suppabuddha de lepra zieke
Ud. 5.6. Sona - De staat zonder aanklampen
Ud. 5.9. Aanstoot - De lawaai-makers
Ud. 6.1. Het afstand nemen van het leven
Ud. 6.2. De Jatila asceten - geen handel met de dhamma
Ud. 6.4. Verschillende sekte-volgelingen (1). De blinden en de olifant
Ud. 6.5. Verschillende sekte-volgelingen (2)
Ud. 6.6. Verschillende sekte-volgelingen (3) eigenwaan
Ud. 6.7. Subhūti - het vormloze
Ud. 6.10. Het verschijnen van Tathāgatas
Ud.7.1. Bhaddiya (1) - Nibbana
Ud. 7.2. Bhaddiya (2) - het begeerteloze
Ud. 7.5. Bhaddiya, de dwerg (3)
Ud. 7.6. Het einde van begeerte
Ud. 7.7. Het einde van conceptualiseren - Het verdwijnen van de wereld der verschijnselen
It.1. (1.1.1.) Begeerte - Lobha sutta
It.2. (1.1.2) Haat - Dosa sutta
It.3. (1.1.3) Verblinding - Moha sutta
It.4. (1.1.4) Woede - Kodha sutta
It.5. (1.1.5) Huichelarij, verachting - Makkha sutta
It.6. (1.1.6) Eigendunk - Māna sutta
It.7. (1.1.7) Het ‘alles’ - Sabbapariññā sutta
It.8. (1.1.8) Verwaandheid - Mānapariññā sutta
It.9. (1.1.9) Begeerte - Lobhapariññā sutta
It.10. (1.1.10) Haat, afkeer - Dosapariññā sutta
It.11. (1.2.1) Verblinding - Mohapariññā sutta
It.12. (1.2.2) Toorn - Kodhapariññā sutta
It.13. (1.2.3) Makkhapariññā Sutta - huichelarij en verachting
It. 14. (1.2.4) De hindernis van onwetendheid - Avijjānīvarana sutta
It.15. (1.2.5) De boei van verlangen - Tanhāsamyojana sutta
It.16. (1.2.6) De lerende - Paṭhamasekha sutta
It 17. (1.2.7) De lerende en goede vriendschap - Dutiyasekha sutta
It.18. (1.2.8) Verdeeldheid in de Orde - Sanghabheda sutta
It.19. (1.2.9) Eendracht in de Orde - Sanghasāmaggī sutta
It.20. (1.2.10) Een verdorven geest - Padutthacitta sutta
It.21. (1.3.1) De heldere geest - Pasannacitta sutta
It.22. (1.3.2) Verdienstelijke daden - Metta sutta
It.23. (1.3.3) Onvermoeibaarheid - Ubhayattha sutta
It.24. (1.3.4) De berg van beenderen - Atthipuñja sutta
It.25. (1.3.5) Bewuste leugen - Musāvāda sutta
It.26. (1.3.6) Geven -Dāna sutta
It. 27. (1.3.7) Ontwikkeling van liefdevolle vriendelijkheid - Mettābhāvanā sutta
It.28. (2.1.1) Leven in ongemak - Dukkhavihāra sutta
It.29. (2.1.2) Leven op zijn gemak - Sukhavihāra sutta
It.30. (2.1.3) Spijt - Tapanīya sutta
It.31. (2.1.4) Geen spijt - Atapanīya sutta
It. 32. (2.1.5) Gevolg van slecht gedrag - Pathamasīla sutta
It. 33. (2.1.6) Gevolg van goed gedrag - Dutiyasīla sutta
It.34. (2.1.7) Inspanning - Ātāpī sutta
It.35. (2.1.8) Zonder te misleiden - Paṭhamanakuhana sutta
It.36. (2.1.9) Zonder te misleiden - Dutiyanakuhana Sutta
It.37. (2.1.10) Geluk - Somanassa sutta
It.38. (2.2.1) Twee overwegingen - Vitakka sutta
It.39. (2.2.2) Twee leerinstructies - Desanā sutta
It.40. (2.2.3) Het weten - Vijjā sutta
It.41. (2.2.4) Gemis aan wijsheid - Paññāparihīna sutta
It.42. (2.2.5) De heldere beschermers - Sukkadhamma sutta
It.43. (2.2.6) Het niet geborene - Ajāta sutta
It. 44. (2.2.7) Het Nibbana-element - Nibbānadhātu sutta
It.45. (2.2.8) Afzondering - Paṭisallāna sutta
It.46. (2.2.9) Zegen van de oefening - Sikkhānisaṃsa sutta
It.47.(2.2.10) Waakzaam - Jāgariya sutta
It. 48. (2.2.11) Staat van ellende - Āpāyika sutta
It.49. (2.2.12) Twee visies - Ditthigata sutta
It.50. (3.1.1) Wortels van het onheilzame - Mūla sutta
It.51. (3.1.2) Drie elementen - Dhātu sutta
It.52. (3.1.3) Drie gevoelens - Paṭhamavedanā sutta
It.53. (3.1.4) Drie gevoelens - Dutiyavedanā sutta
It.54. (3.1.5) Drie verlangens - Pathamaesanā sutta
It.55.(3.1.6) Drie wensen - Dutiyaesanā Sutta
It.56. (3.1.7) De smetten (1) - Paṭhamāsava sutta
It.57. (3.1.8) De smetten (2) - Dutiyāsava sutta
It.58. (3.1.9) Drie soorten verlangens - Tanhā sutta
It.59. (3.1.10) Māra’s domein - Māradheyya sutta
It.60.(3.2.1) Verdienste - Puññakiriyavatthu sutta
It.61. (3.2.2) Drie ogen - Cakkhu sutta
It.62. (3.2.3) Drie krachten - Indriya sutta
It.63.(3.2.4) De drie tijden - Addhā sutta
It.64.(3.2.5) Verkeerd gedrag - Duccarita sutta
It.65. (3.2.6) Goed gedrag - Sucarita sutta
It.66. (3.2.7) Zuiverheid - Soceyya sutta
It.67. (3.2.8) Drievoudig stil zijn - Moneyya sutta
It.68. (3.2.9) Gehechtheid (1) - Pathamarāga sutta
It.69. (3.2.10) Gehechtheid (2) - Dutiyarāga sutta
It.70. (3.3.1) Zelf gezien - Micchāditthika sutta
It.71. (3.3.2) Zelf gezien - Sammāditthika sutta
It.72. (3.3.3) Ontsnapping - Nissaraniya sutta
It.73. (3.3.4) Vrediger - Santatara sutta
It.74. (3.3.5) Ouders en zonen - Putta sutta
It.75. (3.3.6) Regen - Avutthika sutta
It.76. (3.3.7) Het geluk - Sukhapatthanā sutta
It.77. (3.3.8) Aan verval onderhevig - Bhidura sutta
It.78. (3.3.9) Afhankelijk van hun aard - Dhātusosaṃsandana sutta
It.79. (3.3.10) Achteruitgang - Parihāna sutta
It.80. (3.4.1) Drie onheilzame gedachten - Vitakka sutta
It.81. (3.4.2) Eer en niet-eer - Sakkāra sutta
It.82. (3.4.3) Vreugdevolle uitingen - Devasadda sutta
It.83. (3.4.4.) De vijf voortekenen - Pañcapubbanimitta sutta
It.84. (3.4.5) Tot welzijn van velen - Bahujanahita sutta
It.85. (3.4.6) Drie contemplaties - Asubhānupassī sutta
It.86. (3.4.7) Overeenkomstig de leer - Dhammānudhammapaṭipanna sutta
It.87. (3.4.8) Blind makend - Andhakaranna sutta
It.88. (3.4.9) Innerlijke vlekken - Antarāmala sutta
It.89. (3.4.10) Devadatta - Devadatta sutta
It.90. (3.5.1) Hoogste vertrouwen - Aggappasāda sutta
It.91. (3.5.2) Een middel van bestaan - Jīvika sutta
It.92. (3.5.3) Wie de leer ziet, ziet mij - Sanghātikanna sutta
It.93. (3.5.4) De vuren - Aggi sutta
It.94. (3.5.5) Onderzoeken - Upaparikkha sutta
It.95. (3.5.6) Zinnelijk verlangen - Kāmūpapatti sutta
It.96. (3.5.7) De banden - Kāmayoga sutta
It.97. (3.5.8) Voortreffelijk - Kalyānasīla sutta
It.98. (3.5.9) Twee soorten gaven - Dāna sutta
It.99. (3.5.10) Het drievoudige weten - Tevijja sutta
It.100. (4.1) De brahmaan - Brāhmanadhammayāga sutta
It.101. (4.2) Gemakkelijk verkrijgbaar - Sulabha sutta
It.102.(4.3) De vernietiging van de smetten - Āsavakkhaya sutta
It.103. (4.4) Asceten en brahmanen - Samanabrāhmana sutta
It.104. (4.5) Overtreffen in deugd - Sīlasampanna sutta
It.105. (4.6) Begeerte - Tanhuppāda sutta
It.106. (4.7) Met Brahma: Het eren van ouders - Sabrahmaka sutta
It.107. (4.8) Met wederzijdse steun - Bahukāra sutta
It.108. (4.9) Misleidend - Kuha sutta
It.109. (4.10) De stroom van de rivier - Nadīsota sutta
It.110. (4.11) In alle lichaamshoudingen - Cara sutta
It.111. (4.12) Volmaakt in deugd - Sampannasīla sutta
It. 112. (4.13) De wereld en de Tathāgata - Loka sutta
Genoemd naar het eerste sutta.
1.1. (verzen 1-17) Uraga-Sutta, de slang
1.2. (verzen 18-34) Dhaniya Sutta
1.3. (verzen 35-75) Khaggavisāna-Sutta, de neushoorn
1.4. (verzen 76-82) Kasi-Bhāradvāja-Sutta, de ploeger Bharadvaja
1.5. (verzen 83-90) Cunda-Sutta
1.6. (verzen 91-115) Parābhava-Sutta, achteruitgang
1.7. (verzen 116-142) Vasala-Sutta, de verschoppeling
1.8. (verzen 143-152) Mettā-Sutta, liefdevolle vriendelijkheid
1.9. (verzen 153-180) Hemavata-Sutta
1.10. (verzen 181-192) Ālavaka-Sutta
1.11. (verzen 193-206) Kayavicchandanika-Sutta of Vijaya-Sutta, beschouwing van het lichaam
1.12. (verzen 207-221) Muni-Sutta, de wijze
II.1. (verzen 222-238) Ratana-Sutta, de juwelen
II.2. (verzen 239-252) Āmagandha-Sutta, ongunstig
II.3. (verzen 253-257) Hiri-Sutta, schaamte
II.4. (verzen 258-269) Mahā-Mangala-Sutta, de grootste zegeningen
II.5. (verzen 270-273) Sūciloma Sutta
II.6. (verzen 274-283) Dhammacariya-Sutta, juist gedrag
II.7. (verzen 284-315) Brāhma-Dhammika-Sutta
II.8. (verzen 316-323) Nāvā-Sutta, de boot
II.9. (verzen 324-330) Kimsīla-Sutta, hoe moet een mens zich gedragen?
II.10. (verzen 331-334) Utthāna-Sutta, spant u in
II.11. (verzen 335-342) Rāhula-Sutta
II.12. (verzen 343-358) Vangīsa-Sutta
II.13. (verzen 359-375) Sammā-Paribbājaniya-Sutta
II.14. (verzen 376-404) Dhammika-Sutta
III.1. (verzen 405-424) Pabbajja-Sutta
III.2. (verzen 425-449) Padhana-Sutta
III.3. (verzen 450-454) Subhasita-Sutta
III.4. (verzen 455-486) Sundarika-Bharadvaja-Sutta
III.5. (verzen 487-509) Magha-Sutta
III.6. (verzen 510-547) Sabhiya-Sutta
III.7. (verzen 548-573) Sela-Sutta
III.8. (verzen 574-593) Salla-Sutta
III.9. (verzen 594-656) Vasettha-Sutta
III.10.(verzen 657-678) Kokalika-Sutta
III.11. (verzen 679-723) Nalaka-Sutta
III.12. (verzen 724-765) Dvayatanupassana-Sutta
IV.1. (verzen 766-771) Kāma-Sutta, lust
IV.2. (verzen 772-779) Guhatthaka-Sutta, de grot
V.3. (verzen 780-787) Dutthatthaka-Sutta, boosaardig
IV.4. (verzen 788-795) Suddhatthaka-Sutta, zuiver
IV.5. (verzen 796-803) Paramatthaka-Sutta, het hoogste
IV.6. (verzen 804-813) Jarā-Sutta, ouderdom
IV.7. (verzen 814-823) Tissa-Metteyya-Sutta
IV.8. (verzen 824-834) Pasūra-Sutta
IV.9. (verzen 835-847) Māgandiya-Sutta
IV.10. (verzen 848-861) Purābheda-Sutta, voor het verval
IV.11. (verzen 862-877) Kalaha-Vivāda-Sutta, ruzie en tweedracht
IV.12. (verzen 878-894) Cūla-Viyūha-Sutta, de korte ontmoeting
IV.13. (verzen 895-914) Mahā-Viyūha-Sutta, de grote ontmoeting
IV.14. (verzen 915-934) Tuvataka-Sutta, snel
IV.15. (verzen 935-954) Attadanda-Sutta, geweld
IV.16. (verzen 955-975) Sāriputta-Sutta
De vragen van de brahmaan-discipelen
(verzen 976-1031) Verhalende verzen
V.2. (verzen 1040-1042) Tissa-Metteyya
V.3. (verzen 1043-1048) Punnaka
V.4. (verzen 1049-1060) Mettagū
V.5. (verzen 1061-1068) Dhotaka
V.6. (verzen 1069-1076) Upasīva
V.8. (verzen 1084-1087) Hemaka
V.9. (verzen 1088-1091) Todeyya
V.10. (verzen 1092-1095) Kappa
V.11. (verzen 1096-1100) Jatukannī
V.12. (verzen 1101-1104) Bhadrāyudha
V.13. (verzen 1105-1111) Udaya
V.14. (verzen 1112-1115) Posāla
V.15. (verzen 1116-1119) Mogharāja
V.16. (verzen 1120-1123) Pingiya
1. Dhammasanganī
2. Vibhanga
3. Dhātukathā
4. Puggalapaññatti
5. Kathāvatthu
6. Yamaka
7. Patthāna
-=oOo=-