|
Copyright © 2025 / 2568 Het is toegestaan deze compilatie over te nemen voor eigen gebruik, of ook met als doel ze met anderen te delen, uitsluitend voor gratis verspreiding en zonder commercieel oogmerk. |
In landen waar het Boeddhisme overheerst, worden meerdere feest- en gedenkdagen gevierd die met de leer van de Boeddha te maken hebben. Hier worden enkele feest- en gedenkdagen besproken zoals die in Thailand (en andere Theravada landen) gevierd worden. Die dagen worden berekend naar de maankalender en niet naar de zonnekalender. Ze wijken daarom elk jaar af van datum.
Het maanjaar bevat 12 omlopen van de maan om de aarde; het telt 354 dagen.
De maand in de tijd van de Boeddha werd berekend naar de maanstand: de omloop van de maan om de aarde. De maand is dan de tijdsduur tussen de ene grootste zonne-nabijheid (nieuwe maan) tot de andere. Die tijdsduur is gemiddeld 29 dagen, 12 uren, 44 minuten en 3 seconden (circa 29,5 dagen).
De Pali-namen van de maanmaanden zijn:
magasira = november-december
phussa = december-januari
magha = januari-februari
phagguna = februari-maart
citta = maart-april
vesakha = april-mei
jettha = mei-juni
asalha = juni-juli
savana = juli-augustus.
potthapada = augustus-september
assayuja = september-oktober
kattika = oktober-november
Magha Puja is op de dag van volle maan van de derde maanmaand (februari/maart).
Vesak of Visakha Puja is op de dag van volle maan van de zesde maanmaand (mei/juni).
Asalha Puja is op de dag van volle maan van de achtste maanmaand (juli/augustus).
Khao Phansa of Wan Khao Phansa is de volgende dag (eerste dag van afnemende maan van de achtste maanmaand).
Sat Thai is op de dag van nieuwe maan van de tiende maanmaand (september/oktober).
Ok Phansa of Wan Ok Phansa is op de dag van volle maan van de elfde maanmaand (oktober)
De Kathin-ceremonie is de volgende dag (eerste dag van afnemende maan van de elfde maanmaand)
Uposatha = vier keer per maand.
Magha Puja is op de dag van volle maan in de derde maanmaand (Magha) van het Thaise jaar (eind februari of begin maart).
Op die dag wordt herdacht dat 1250 volmaakte heiligen spontaan samen kwamen in het Veluvana park te Rajagaha (Rajgir).
Toen het regenseizoen in het eerste jaar na de Verlichting van de Boeddha ten einde liep, sprak de Meester zijn directe discipelen - die allen volledig bekwaam waren om anderen te onderwijzen - toe met de volgende woorden: “Monniken, ik ben bevrijd van alle boeien, zowel menselijke als goddelijke. Gaat nu en trekt rond voor het heil en geluk van velen, uit mededogen met de wereld, tot welzijn, heil en geluk van goden en mensen. Laten niet twee van jullie in dezelfde richting gaan. Verkondigt de leer die uitstekend is in het begin, uitstekend in het midden en uitstekend aan het einde. Verkondigt de leer in haar eigen zin en haar eigen wijze; verkondigt ze naar bedoeling en naar de letter. Toont de leer die volkomen volmaakt is. Verkondigt het heilige leven dat volmaakt en zuiver is. Er zijn wezens met weinig stof in hun ogen die verloren zullen gaan als zij de leer niet horen. Zij zullen de leer begrijpen. Ook ik zal op weg gaan en wel naar Uruvela, naar Senanigāma, om de leer te onderwijzen. Na afloop van zes jaren moeten jullie weer samenkomen om op plechtige wijze de Orde-regels[1] op te zeggen.”
Toen vertrokken al die monniken, op één en dezelfde dag. En steeds na afloop van een jaar verkondigden godheden dat een jaar verstreken was en hoeveel jaren er nog over waren.
Na afloop van de periode van zes jaren die de Boeddha had vastgesteld, verkondigden godheden aan de Arahants dat de termijn van zes jaren verstreken was en dat het tijd was om weer samen te komen om de Orde-regels plechtig op te zeggen.
Toen begaven die Arahants zich op weg en kwamen samen[2] in het Veluvana-park te Rajagaha. Daar zei de Verhevene toen plechtig de Orde-regels op:
“Geduld en verdraagzaamheid is de hoogste boete-oefening;
de Boeddhas noemen Nibbāna het hoogste.
Geen pelgrim is hij die anderen aangrijpt;
geen boeteling is degene die iemand anders schade berokkent.[3]
Het nalaten van alle kwaad,
het constant zich moeite doen voor het goede,
de reiniging van de eigen geest:
dat is de leer en het voorschrift van de Boeddhas.
Zonder te berispen, zonder te strijden,
wel-beschermd door de Orde-regel,
steeds matig bij de maaltijd
en gericht naar afgelegen verblijfplaats
en naar verheven denken:
dat is de leer en het voorschrift van de Boeddhas.”
In de tempel worden op deze dag de volgende verzen gereciteerd.
(Handa mayam buddhassa bhagavato pubbabhāganamakāram karoma se)
namo tassa bhagavato arahato sammāsambuddhassa
namo tassa bhagavato arahato sammāsambuddhassa
namo tassa bhagavato arahato sammāsambuddhassa
ajjāyam māghapunnamī sampattā, māghanakkhattena punnacando yutto, yattha tathāgato araham sammāsambuddho, cāturangike sāvakasannipte, ovādapāti-mokkham uddisi addhaterasāni bhikkhusatāni sabbesam-yeva khīnāsavānam, sabbete ehibhikkhukā, sabbepi te anāmantitāva bhagavato santikam āgatā veluvane kalandakanivāpe, māghapunnamiyam vaddhamānakacchā-yāya, tasmim sannipāte bhagavā visiddhuposatham akāsi, ovādapātimokkham uddisi ayam amhākam bhaga-vato ekoyeva sāvakasannipāto ahosi, cāturangiko addhaterasāni bhikkhusatāni sabbesamyeva khīnāsavā-nam, mayandāni imam māghapunnamīnakkhattasamayam takkālasadisam sampattā, suciraparinibbutampi tam bhagavantam anussaramānā, imasmim tassa bhagavato sakkhibhūte cetiye imehi dandadīpadūpapupphādisakkā-rehi tam bhagavantam tāni ca addhaterasāni bhikkhu-satāni abhipūjayāma.
Sādhu no bhante bhagavā sāvakasangho suciraparinib-butopi gunehi dharamāno ime sakkāre duggatapannā-kārabhūte patigganhātu amhākam dīgharattam hitāya sukhāya.
(Laten wij allen de inleidende eer brengen aan de Gezegende, de Boeddha)
Eer aan de Verhevene, de Heilige, de Volmaakt Ontwaakte.
Eer aan de Verhevene, de Heilige, de Volmaakt Ontwaakte.
Eer aan de Verhevene, de Heilige, de Volmaakt Ontwaakte.
Vandaag is de gunstige dag van volle maan in de derde maan-maand Māgha. Op die dag zette de Boeddha, de Volmaakt Verlichte, de Ovādapatimokkha uiteen voor een bijeenkomst van (1250) personen die vier eigenschappen hadden:
1) allen van hen waren Arahants;
2) allen van hen waren door de Boeddha zelf gewijd;
3) zij kwamen vanuit alle richtingen spontaan, zonder eerdere maatregelen, samen in het Veluvana park (te Rajagaha);
4) en wel tijdens volle maan van de maand Māgha. Op die dag sprak de Boeddha niet alleen over de regels van discipline, de Ovādapatimokkha, maar hij nam ook de zuivering van de Uposatha in acht.
Nu wij leven om deze Māgha-Pūjā dag te zien die als de dag is van die grote bijeenkomst, brengen wij ons weer de Verhevene in herinnering hoewel hij is heengegaan in Parinibbāna. Wij vereren hem en zijn 1250 Arahants met deze offergaven van kaarsen, reukwaren en bloemen.
Mogen de Verhevene en zijn 1250 Arahants die lang geleden in Parinibbāna zijn heengegaan, ons met deze offergaven blijvend heil en geluk brengen, door hun mededogen en andere deugden.
Visakha Puja is op de dag van volle maan in de zesde maanmaand (Visakha, mei/juni). Op die dag worden drie gebeurtenissen uit het leven van de Boeddha herdacht, namelijk de geboorte, de volmaakte Verlichting, en het definitieve uitdoven (Parinibbana) van de Boeddha Gotama.
Het is een officiële feestdag.
In Thailand is het gebruikelijk dat de mensen op deze dag de vijf of de acht regels van goed gedrag strikt naleven. In de vroege morgen geven zij eten aan de monniken en nonnen. Dan gaan ze naar een tempel en brengen er eer aan het Drievoudige Juweel door het aanbieden van bloemen, reukwerk en kaarsen. Aan de tempel en aan de monniken worden gaven gegeven. De mensen luisteren er naar toespraken over de leer. Sommigen van hen beoefenen meditatie.
In de namiddag of avond lopen de mensen rond stoepas en vereerde plaatsen. Ze lopen drie keer rond, met bloemen, wierook en kaarsen in hun handen.
Op deze dag worden de volgende verzen gereciteerd:
(Handa mayam buddhassa bhagavato pubbabhāganamakāram karoma se)
namo tassa bhagavato arahato sammāsambuddhassa
namo tassa bhagavato arahato sammāsambuddhassa
namo tassa bhagavato arahato sammāsambuddhassa
yamamha kho mayam bhagavantam saranam gatā, yo no bhagavā satthā, yassa ca mayam bhagavato dhammam rocema, ahosi kho so bhagavā, majjhimesu janapadesu ariyakesu manussesu uppanno, khattiyo jātiyā gotamo gottena, sakyaputto sakyakulā pabbajito, sadevake loke samārake sabrahmake, sassamanabrāhmaniyā pajāya sadevamanussāya, anuttaram sammāsambodhim abhisambuddho, nissa msayam kho so bhagavā, araham sammāsambuddho, vijjācarana-sampanno, sugato, lokavidū, anuttaro purisadammasārathi, satthā devamanussānam, buddho, bhagavā.
svakkhato kho pana tena bhagavatā dhammo, sanditthiko, akāliko, ehipassiko, opanayiko, paccattam veditabbo viññūhi.
Supatipanno kho panassa bhagavato sāvakasangho, ujupatipanno bhagavato sāvakasangho, ñāyapatipanno bhagavato sāvakasangho, sāmīcipatipanno bhagavato sāvakasangho, yadidam cattāri purisayugāni, attha purisapuggalā, esa bhagavato sāvakasangho, āhuneyyo, pāhuneyyo, dakkhineyyo, añjalīkaranīyo anuttaram puññakkhettam lokassa.
avam kho pana thūpo*[4] tam bhagavantam uddissa kato*[5] yāvadeva dassanena, tam bhagavantam anussaritvā, pasādasamvegapatilābhāya, mayam kho etarahi, imam visākhapunnamīkālam, tassa bhagavato, jātisambodhinibbānakālasammatam patvā, imam thānam sampattā, ime dandadīpadhūpapupphādisakkāre gahetvā, attano kāyam sakkārupadhānam karitvat tassa bhagavato. yathābhucce gune anusarantā, imam thūpam,*[6] tikkhattum padakkhinam karissāma, yathāgahitehi sakkārehi pūjam kurumānā, sādhu no bhante bhagavā suciraparinibbutopi, ñātabbehi gunehi atītarammanatāya paññāyamāno, ime amhehi gahite sakkāre patigganhātu, amhākam dīgharattam hitāya sukhāya.
(Laten wij allen de inleidende eer brengen aan de Gezegende, de Boeddha)
Eer aan de Verhevene, de Heilige, de Volmaakt Ontwaakte.
Eer aan de Verhevene, de Heilige, de Volmaakt Ontwaakte.
Eer aan de Verhevene, de Heilige, de Volmaakt Ontwaakte.
Wij gaan naar Heer Boeddha als onze leraar en toevlucht. Wij respecteren de leer van de Boeddha die in een sfeer van weelde was geboren bij de Sākya-stam op de grens van India-Nepal, in de plaats waar de Ariyakas woonden. Van geboorte was hij prins[7] Siddhattha en zijn familienaam was Gotama. Hij gaf een wereldlijk leven op om een leven als asceet aan te nemen. Hij verwerkelijkte de volmaakte Verlichting die de hoogste is in de wereld met haar goden, met haar Māras en Brahmas, in deze wereld met haar goden en mensen.
Hij is de Verhevene, de Heilige, volledig verlicht op eigen kracht. Hij heeft de bovennatuurlijke kennis verkregen en is volmaakt van gedrag. Hij is de beste leider van mensen die bedwongen moeten worden en van mensen die volgzaam zijn. Hij is de leraar van goden en van mensen. Hij is verheven en verlicht.
Duidelijk uitgelegd is de leer door de Verhevene; hier en nu op juistheid te controleren; met onmiddellijk resultaat. Ze nodigt iedereen uit om alles zelf te testen; ze leidt naar Nibbāna. Ze is te begrijpen door de wijze, ieder voor zichzelf.
Van goed gedrag is de Orde van de discipelen van de Gezegende. Van oprecht gedrag is de Orde van de discipelen van de Gezegende. Van wijs gedrag is de Orde van de discipelen van de Gezegende. Van plichtsgetrouw gedrag is de Orde van de discipelen van de Gezegende.
Deze Orde van de discipelen van de Gezegende - namelijk de vier paren van personen, de acht soorten individuen, - is offergaven waard, is gastvrijheid waard, is geschenken waard, is waard eerbiedig gegroet te worden, is een onvergelijkbaar veld van verdienste voor de wereld.
Bij deze stoepa (of dit Boeddha-beeld), opgedragen door wijzen en opgericht ter herinnering aan de Verhevene, komen wij Boeddhisten samen op de dag van volle maan van de zesde maan-maand. Deze dag wordt erkend als de dag waarop prins Siddhattha is geboren, de dag waarop hij de volmaakte Verlichting verkreeg, en de dag waarop hij heenging.
Met de bloemen, geurstokjes en kaarsen herdenken wij de deugd van de Verhevene zoals ze werkelijk is en gaan wij drie keer om de stoepa (of het Boeddha-beeld) heen, met de rechter schouder ernaartoe gewend. En met deze gaven betonen wij onze eer. Moge de Verhevene, - hoewel hij reeds lang geleden Parinibbāna heeft bereikt, maar met volmaakt mededogen, volmaakte wijsheid en zuiverheid, - deze gaven die wij in onze handen hebben, aannemen voor ons blijvend heil en geluk.
Asalha Puja is op de dag van volle maan in de maand Asalha van het Thaise jaar (juni/juli).
Herdacht worden dan twee gebeurtenissen:
1. de eerste verkondiging van de leer van de Boeddha. Daarom heet deze dag ook de Dhamma-dag.
2. De dag waarop de Sangha werd gesticht.
Toen de Boeddha op de dag van volle maan van de zesde maanmaand de Verlichting bereikte, overdacht hij of hij datgene wat hij had ontdekt, zou gaan onderwijzen en wie de juiste mensen zouden zijn om zijn leerstellingen te begrijpen.
Hij ging toen naar het dierenpark te Isipatana waar de vijf asceten verbleven die hem eens vergezelden op zijn zoektocht naar de hoogste innerlijke vrede. Eerst maakte de Boeddha de weg gereed dat zij ontvankelijk werden om de hogere leer te kunnen begrijpen. Daarom richtte hij eerst het gebruikelijke gesprek tot hen, namelijk het gesprek over het geven (vrijgevigheid), over deugdzaamheid, over een betere wereld en over de zegen van ontzegging. Ook verkondigde hij de ellende, de leegheid en onreinheid van begeerte en de zegen van ontzegging en verzaking. (Zie D.16)
Na dit gebruikelijke gesprek verkondigde de Boeddha de ware leer van het midden, namelijk het middenpad, het edele achtvoudige pad en de vier edele waarheden. (S.LVI.11.)
Het middenpad vermijdt uitersten: geen extreme zelfverwenning en geen extreme zelfkwelling. Dat middenpad geeft visie, kennis en het leidt tot vrede, tot direct inzicht, tot Verlichting en tot Nibbāna. En wat is nu dat middenpad? Het is niets anders dan het edele achtvoudige pad, namelijk: juist inzicht, juist denken, juist spreken, juist handelen, juist levensonderhoud, juiste concentratie, juiste oplettendheid en juiste ontwikkeling van de geest. (M.139; Vin.Pit. Mv. I.1.6.)
Na de toespraak over het middenpad volgde de leerrede over de vier edele waarheden, namelijk:
“Afhankelijk van de zes elementen heeft de ontvangenis van het embryo plaats. Waar ontvangenis is, daar is het geestelijke en het lichamelijke. Door het geestelijke en het lichamelijke veroorzaakt zijn de zes zintuiglijke grondslagen. Veroorzaakt door de zes zintuiglijke grondslagen is de zintuiglijke indruk. Door de zintuiglijke indruk veroorzaakt is het gevoel. Met betrekking tot degene die voelt onderwijs ik wat dukkha, lijden, onvoldaanheid is, wat het ontstaan van dukkha is, wat de uitdoving, het beëindigen van dukkha is en wat het pad is dat leidt naar de uitdoving, de beëindiging van dukkha. Dit zijn de vier edele waarheden.” (A.III.62; M.141; D.22)
I. “Wat nu is de edele waarheid van dukkha, onvoldaanheid, het niet tevreden stellende? - Die edele waarheid is als volgt: geboorte is dukkha; ouder worden is dukkha; ziekte is dukkha; sterven is dukkha; verdriet, geweeklaag, pijn, leed en wanhoop zijn dukkha; het verenigd zijn met wie of waarmee men een afkeer heeft, is dukkha; het gescheiden zijn van wie of van wat men liefheeft, is dukkha; niet te krijgen wat men graag heeft, is dukkha; kortom de vijf groeperingen van hechten zijn dukkha. Dat noemt men de edele waarheid van onvoldaanheid, het niet tevreden stellende.” (S.56.11; M.141; A.III.62)
II. “Wat is de edele waarheid van het ontstaan van dukkha, onvoldaanheid, het niet tevreden stellende?" [8]- Door niet-weten veroorzaakt zijn de wedergeboorte producerende wilsacties. Door die wilsacties veroorzaakt is het [wedergeboorte-] bewustzijn. Door het bewustzijn veroorzaakt is het geestelijke en lichamelijke. Door het geestelijke en lichamelijke veroorzaakt zijn de zes grondslagen van de zintuigen. Door de zes grondslagen van de zintuigen veroorzaakt is de zintuiglijke indruk (het contact). Door de zintuiglijke indruk veroorzaakt is het gevoel. Door het gevoel veroorzaakt is de begeerte. Door de begeerte veroorzaakt is het hechten. Door het hechten veroorzaakt is het proces van worden. Door het proces van worden veroorzaakt is de geboorte. Door de geboorte veroorzaakt ontstaan ouderdom en sterven, zorgen, pijn, leed, geweeklaag en wanhoop. Zo ontstaat de hele massa van dukkha. Monniken, dat noemt men de edele waarheid van het ontstaan van onvoldaanheid, het niet tevreden stellende.” (A.III.62)
III. “Wat is de edele waarheid van de uitdoving van dukkha, onvoldaanheid, het niet tevreden stellende? - Door de volledige opheffing en uitdoving van de onwetendheid komt het tot het uitdoven van de wedergeboorte producerende wilsacties. Door het uitdoven van die wilsacties komt het tot het uitdoven van het [wedergeboorte-]bewustzijn. Door het uitdoven van het bewustzijn komt het tot het uitdoven van het geestelijke en lichamelijke. Door het uitdoven van het geestelijke en lichamelijke komt het tot het uitdoven van de zes zintuiglijke grondslagen. Door het uitdoven van de zes zintuiglijke grondslagen komt het tot het uitdoven van de zintuiglijke indruk. Door het uitdoven van de zintuiglijke indruk komt het tot het uitdoven van het gevoel. Door het uitdoven van het gevoel komt het tot het uitdoven van de begeerte. Door het uitdoven van de begeerte komt het tot het uitdoven van het hechten. Door het uitdoven van het hechten komt het tot het uitdoven van het proces van worden. Door het uitdoven van het proces van worden komt het tot het uitdoven van de wedergeboorte. Door het uitdoven van de wedergeboorte doven ouderdom en sterven uit, en ook zorgen, pijn, leed, geweeklaag en wanhoop. Zo komt het tot het uitdoven van deze hele massa van onvoldaanheid, het niet tevreden stellende. Monniken, dat noemt men de edele waarheid van de uitdoving van onvoldaanheid, het niet tevreden stellende.” (A.III.62)
IV. “Wat is de edele waarheid van het middenpad, het pad dat leidt naar de uitdoving van dukkha, onvoldaanheid, het niet tevreden stellende? - Het is dit edele achtvoudige pad, ook het middenpad genoemd. Dat pad is als volgt: juist inzicht, juist denken, juist spreken, juist handelen, juist levensonderhoud, juiste inspanning, juiste oplettendheid, juiste ontwikkeling van de geest of juiste concentratie.
Dat is de edele waarheid van het pad dat leidt naar de uitdoving van onvoldaanheid, het niet tevreden stellende.”
“‘Dit is de edele waarheid van lijden, dukkha.’
‘Dit lijden, dukkha, als een edele waarheid, moet verwerkelijkt worden.’
‘Dit lijden, dukkha, als een edele waarheid, is volledig verwerkelijkt.’
‘Dit is de edele waarheid van het ontstaan van lijden, dukkha.’
‘Dit ontstaan van lijden, dukkha, als een edele waarheid, moet uitgeroeid worden.’
‘Dit ontstaan van lijden, dukkha, als een edele waarheid, is volledig uitgeroeid.’
‘Dit is de edele waarheid van het beëindigen van lijden, dukkha.’
‘Dit beëindigen van lijden, dukkha, als een edele waarheid, moet verwerkelijkt worden.’
‘Dit beëindigen van lijden, dukkha, als een edele waarheid, is volledig verwerkelijkt.’
‘Dit is de edele waarheid van het pad dat leidt naar het beëindigen van lijden, dukkha.’
‘Dit pad, dat leidt naar het beëindigen van lijden, dukkha, als een edele waarheid, moet ontwikkeld worden.’
‘Dit pad dat leidt naar het beëindigen van lijden, dukkha, als een edele waarheid, is volledig ontwikkeld.’
Aldus was in de Verhevene de visie, de kennis, de wijsheid en het weten over de vier edele waarheden. Zolang als zijn kennis en zijn zien van de dingen zoals ze werkelijk zijn, niet geheel helder was in deze drie aspecten, op deze twaalf manieren betreffende de vier edele waarheden, zolang maakte hij er geen aanspraak op de onvergelijkbare Ontwaking verwerkelijkt te hebben, die verheven is in deze wereld met haar goden, Maras, en Brahmas, in deze generatie met haar boetelingen en brahmanen, met haar goden en mensen. Maar zodra zijn kennis en zijn zien van de dingen zoals ze werkelijk zijn, geheel helder was in deze drie aspecten, op deze twaalf manieren betreffende de vier edele waarheden, toen maakte de Verhevene er aanspraak op dat hij de onvergelijkbare en verheven Ontwaking verwerkelijkt had die verheven is in deze wereld met haar goden en mensen. En de visie, het inzicht ontstond in hem aldus: ‘Onwrikbaar is de bevrijding van mijn gemoed; dit is de laatste geboorte. Nu is er voor mij geen verder bestaan meer in dit leven van dukkha.’”
De vijf asceten waren blij en verheugden zich over de woorden van de Verhevene. (S.LVI.11; D.22; M.141; Vin.Pit. Mv. I.1.6.)
Tijdens het luisteren naar deze leerrede ontstond in de eerwaarde Kondañña de hartstochtvrije, vlekkeloze visie van de waarheid: “Alwat de natuur heeft van ontstaan, heeft ook de natuur van vergaan.” (Vin.Pit.Mv.Kh.1)
Hij bereikte toen sotāpatti, het eerste niveau van heiligheid.
Toen onderwees de Verhevene de overige asceten in de leer. Zij begrepen de leer en kregen de volle wijding. (Vin.Pit. Mv. I.1.6) Dat was het begin van de Bhikkhu Sangha.
Met de verkondiging van de leer, met het in beweging zetten van het wiel der waarheid, en met de bekering en wijding van de vijf asceten werd het hertenpark te Isipatana de geboorteplaats van de leer van de Boeddha (sāsana) en van zijn gemeenschap van monniken (Bhikkhu Sangha).
Op deze dag worden de volgende verzen gereciteerd:
(handa mayam buddhassa bhagavato pubbabhāganamakāram karoma se)
namo tassa bhagavato arahato sammāsambuddhassa
namo tassa bhagavato arahato sammāsambuddhassa
namo tassa bhagavato arahato sammāsambuddhassa
yamamha kho mayam bhagavantam saranam gatā, yo no bhagavā satthā, yassa ca mayam bhagavato dhammam rocema, ahosi kho so bhagavā araham sammāsambuddho, sattesu kāruññam paticca karunāyako hitesī anukampam upādāya, āsālhapunnamiyam bārānasiyam isipatane
migadāye pañcavaggiyānam bhikkhūnam anuttaram dhammacakkam pathamam pavattetvā cattāri ariyasaccāni pakāsesi.
tasmiñca kho samaye pañcavaggiyāham bhikkhūnam
pamukho āyasmā aññākondañño bhagavato dhammam sutvā, virajam vītamalam dhammacakkhum patilabhitvā, yankiñci samudayadhammam, sabbantam nirodhadhammanti.
bhagavantam upasampadam yācitvā, bhagavatoyeva
santikā ehibhikkhu-upasampadam patilabhitvā bhagavato dhammavinaye ariyasāvakasangho loke pathamam uppanno ahosi.
tasmiñcāpi kho samaye sangharatanam loke pathamam uppannam ahosi.
buddharatanam dhammaratanam sangharatanti tiratanam sampunnam ahosi.
mayam kho etarahi imam āsālhapunnamīkālam tassa
bhagavato dhammacakkappavattanam kālasammatam ariyasāvakasangha-uppattikālasammatañca ratanattayasampuranakālasammatañca patvā, imam thānam sampattā, ime sakkāre gahetvā, attano kāyam sakkārupadhānam karitvā, tassa bhagavato yathābhucce gune anussarantā imam thūpam tikkhattum padakkhinam karissāma, yathāgahitehi sakkārehi pūjam kurumānā.
sādhu no bhante bhagavā suciraparinibbutopi ñātabbehi gunehi atī tārammanatāya paññāyamāno, ime amhehi gahite sakkāre pātigganhātu, amhākam dīgharattam hitāya sukhāya.
(Laten wij allen de inleidende eer brengen aan de Gezegende, de Boeddha)
Eer aan de Verhevene, de Heilige, de Volmaakt Ontwaakte.
Eer aan de Verhevene, de Heilige, de Volmaakt Ontwaakte.
Eer aan de Verhevene, de Heilige, de Volmaakt Ontwaakte.
Wij gaan naar de Boeddha als onze leraar en toevlucht. Wij respecteren de leer van de Boeddha die,
ver van verontreinigingen, volmaakt zelf-verlicht is. Uit mededogen voor velen heeft hij het wiel van de Leer in beweging gezet en voor de eerste keer de Vier Edele Waarheden verkondigd aan de vijf asceten in het hertenpark te Isipatana nabij Varanasi, op de vijftiende dag van de wassende maan in de achtste maan-maand.
Op die tijd luisterde de eerwaarde Aññā-Kondañña, de leider van de vijf asceten, naar de leer van de Boeddha en hij bereikte het stofvrije, smetteloze oog van de waarheid en besefte dat alles wat van nature ontstaat, ook van nature vergaat. De eerwaarde Kondañña vroeg om de hogere wijding en hij was de eerste in de wereld die door de Boeddha gewijd werd. Op die tijd was voor het eerst het Juweel van de Sangha in de wereld ontstaan. Het Drievoudige Juweel, namelijk de Boeddha, de Dhamma en de [Ariya-]Sangha, was vanaf toen volledig.
Nu komen wij samen op de vijftiende dag van de wassende maan op de achtste maanmaand welke beschouwd wordt als de dag waarop de eerste toespraak door de Boeddha werd gehouden, waarop de eerste bhikkhu werd gewijd, waarop door de Boeddha de leer werd verkondigd aan de wereld, waarop het Drievoudige Juweel was voltooid en waarop de eerste discipel het stofvrije, smetteloze oog van de waarheid bereikte. En met deze gaven roepen wij alle deugden van de Verhevene ons voor de geest en gaan wij drie keer om de stoepa heen, met de rechter schouder ernaartoe gewend. En met deze gaven betonen wij onze eer.
Moge de Verhevene, - hoewel hij reeds lang geleden Parinibbāna heeft bereikt, maar met volmaakt mededogen, volmaakte wijsheid en zuiverheid, - deze gaven die wij in onze handen hebben, aannemen voor ons blijvend heil en geluk.
Khao Phansa is het begin van de regentijd, op de dag na Asalha Puja, dus na de dag van volle maan van de achtste maanmaand (juli/augustus).
De regentijd (vassa) is een periode van drie maanden. Gedurende die tijd is het volgens de regels van de Vinaya aan de monniken niet toegestaan om de verblijfplaats die men had bij het begin van de regentijd, langer dan zeven dagen te verlaten. Alleen om belangrijke redenen en in speciale omstandigheden mogen zij gedurende zeven dagen afwezig zijn van hun klooster of van de verblijfplaats waar zij volgens hun gelofte de regentijd moeten doorbrengen. De officiële regentijd van de monniken begint ofwel in juli of in augustus. Wat dat betreft spreekt men van een vroeger of later begin van de regentijd.
Voordat bovenstaande regel vastgesteld was, reisden de monniken rond in de winter, in de zomer en in het regenseizoen, vertrapten jonge planten en gras, en doodden veel kleine levende wezens. Zelfs de andersdenkende asceten respecteerden de regentijd. Maar de monniken liepen dan door de velden en brachten schade toe aan de rijstvelden van de boeren.
De mensen ergerden zich daarover. De monniken hoorden dat en vertelden de kwestie aan de Boeddha. Deze besprak de zaak in een bijeenkomst van de monniken. Aan het einde ervan sprak hij de maatregel uit dat alle monniken zich tijdens de regentijd moesten terugtrekken en onderdak moesten vinden op een bepaalde plek. Zij mochten niet rondreizen.[9]
De regenperiode diende ook als rusttijd voor de monniken. Zij trokken dan niet door het land. In die tijd was er ook gelegenheid om jonge monniken en leken te onderwijzen. Wijdingen mochten in die tijd net zoals anders toegediend worden. (Vin.Pit. Mv.III.9)
Sat Thai of Sart Thai is de dodengedenkdag op de dag van nieuwe maan van de tiende maanmaand van het Thaise jaar. (sept/okt).
Het feest wordt speciaal in het zuiden van Thailand gevierd.
Van oorsprong is het een oogstfeest in het midden van het jaar, met veel kenmerken van animisme, waarbij aan dieren, planten en andere wezens een ziel of geest wordt toegeschreven. Later zijn er boeddhistische tradities aan toegevoegd. Het is nu een feest waar verdiensten worden overgedragen aan gestorven voorouders en familieleden.[10]
Het woord Sat komt van het Pali woord sārada, en betekent 'herfst'. Het verwijst naar het seizoen waarin de rijstaren slap hangen omdat de zaden hun volledige grootte bereiken in de dagen vóór de oogst.
Op die dag worden verdiensten verworven door de geesten van het seizoen te eren. Ook worden verdiensten overgedragen aan de gestorven familieleden.
Naar voorbeeld van Chinese en Vietnamese Boeddhisten kan men dan ook het voornemen nemen om negen dagen lang alleen maar vegetarisch voedsel te nuttigen.
Ok Phansa is op de dag van volle maan van de elfde maanmaand (okt). Op die dag eindigt de regenperiode van de monniken in hun klooster.
Herdacht wordt dan de neerdaling van de Boeddha uit de hemel van de Drieëndertig - waar hij aan de devas de hogere leer onderwees - naar de stad Samkassa.
Ok Phansa wordt meestal samen gehouden met de Kathina ceremonie.
Volgens de traditie bracht de Verhevene het zevende regenseizoen door in de hemel van de Drieëndertig (Tavatimsa hemel). Hij zou er de hogere leer[11] onderwezen hebben aan de godheden. Ook zijn moeder, die als een godheid herboren was in de Tavatimsa-hemel, zou toen naar hem zijn komen luisteren.[12] Als resultaat hiervan bereikte zij het eerste niveau van heiligheid. En talrijke andere godheden en Brahmas bereikten eveneens dat niveau.
Tijdens deze periode bracht de Eerwaarde Sariputta de regentijd door te Savatthi. Naar men beweert legde hij op verzoek van de Boeddha de hogere leer uit aan de monniken die daar bij hem waren. Aan het einde van de regentijd zou Sariputta de hele hogere leer hebben behandeld. De hogere leer is de leer die naar Nibbana leidt. Aan leken werd meestal de weg gewezen van deugdzaamheid, vrijgevigheid en de route naar een betere wereld, de hemelse sferen.
Tegen het einde van de regentijd ging de Eerwaarde Maha Moggallana naar de Boeddha in de Tavatimsa hemel. De Verhevene deelde hem mee dat hij op de dag van volle maan op het einde van de regentijd zou terugkeren naar de menselijke wereld en wel naar de stad Samkassa waar de Eerwaarde Sariputta de regentijd doorbracht.
De dag van zijn nederdaling uit de hemel naar de aarde is de Ok Phansa dag.[13]
Op de dag van volle maan van de maand Assayuja (oktober-november) ging de Boeddha, terwijl de zeskleurige stralen van zijn lichaam schenen, naar de stad Samkassa. Hij werd door een groot gevolg van goden en Brahmas vergezeld. En hij werd ontvangen door een groot aantal monniken, met de Eerwaarde Sariputta aan het hoofd. De monniken waren met ontzag vervuld door de grootheid en glorie van het hele tafereel van de terugkeer van de Verhevene. De Eerwaarde Sariputta bracht zijn eerbetuiging en sprak: “Eerwaarde Heer, wij hebben nog nooit zulke prachtige en schitterende heerlijkheid gezien, zelfs niet in onze verbeelding. Eerwaarde Heer, gij zijt inderdaad geliefd en gerespecteerd zowel door goden en Brahmas, als door mensen.” De Boeddha gaf ten antwoord: “Mijn zoon Sariputta, de Boeddhas die begiftigd zijn met unieke eigenschappen, zijn waarlijk geliefd zowel bij mensen als bij goden.”
En verder sprak hij het vers:
“De wijzen die graag mediteren,
die behagen scheppen in de vrede van de verzaking,
zulke oplettende volmaakte Boeddhas
zijn zelfs aan de goden dierbaar.”[14]
Ter herinnering aan deze gebeurtenis wordt het einde van de regentijd gevierd als een bijzondere feestdag en worden aalmoezen gegeven.[15]
De Pavarana ceremonie is op het einde van de regenperiode. De bhikkhus komen dan bijeen en elke monnik, van oud tot jong, vraagt drie keer aan de Sangha op de Pavarana-dag, of een overtreding is gezien of gehoord, of dat men vermoedt dat tijdens de regentijd een overtreding is begaan, zodat hij ze in dit geval kan boeten. (Vin.Pit. Mv.IV.01)
De Kathina ceremonie wordt gehouden op de dag na Ok Phansa, aan het einde van de regentijd (op de eerste dag van de afnemende maan van de elfde maanmaand). Maar meestal wordt Kathina samen met Ok Phansa gevierd.
Tijdens deze ceremonie worden aan de monniken nieuwe gewaden en badkleding geschonken. De lekenvolgelingen kunnen zo verdiensten verwerven; tevens betonen zij op die manier hun dank aan de monniken.
Een grote kaars wordt aan de tempel aangeboden, waarna de “bad- of regengewaden” (vassikasatika) aan de monniken worden geschonken, gevolgd door recitaties.
Eens verbleef de Verhevene in het Jeta-park van Anāthapindika. Toen kwam mevrouw Visākhā naar de Verhevene. Nadat zij hem eer betoond had, ging zij er terzijde zitten. Toen sprak de Verhevene tot Visākhā een leerrede en hij zorgde ervoor dat zij die begreep, in zich opnam, erdoor gemotiveerd werd en zich erover verheugde. Na de leerrede zei Visakha tegen de Verhevene het volgende: "Moge de Eerwaarde Verhevene voor morgen de maaltijd aannemen, samen met de Orde van de monniken." Door zwijgen nam de Verhevene het aanbod aan. Toen Visakha wist dat de Verhevene het aanbod had aanvaard, stond zij van haar zitplaats op, betoonde eer aan de Verhevene en vertrok, met haar rechterkant naar hem toegekeerd.
In de nacht ontstond een grote wolk en het regende. Toen zei de Verhevene aan de monniken dat zij de regen op hun lichamen moesten laten regenen. De monniken legden gehoorzaam hun gewaden neer en lieten de lichamen nat regenen.
Nadat mevrouw Visākhā vaste en zachte spijzen had laten klaarmaken, zei zij aan een dienares: "Ga naar de Verhevene in het kloosterpark en zeg hem dat het eten klaar is. - "Jawel, meesteres." De dienares ging naar het park en zag er naakte mannen die zich nat lieten regenen. Toen zij dit gezien had, dacht zij: “Hier zijn geen monniken, maar naakte asceten laten hun lichamen nat regenen.” Ze ging naar Visākhā en vertelde wat zij had gezien, geen monniken maar wel naakte asceten. Toen dacht de wijze Visākhā dat de monniken ongetwijfeld de gewaden hadden neergelegd en het lichaam nat lieten regenen. En dat de ongeschoolde dienares van mening was dat er geen monniken waren, wel naakte asceten. Visakha zei toen aan de dienares dat zij weer naar het kloosterpark moest gaan en moest zeggen: "Eerwaarde, het is tijd, het eten is klaar."
Toen werden de ledematen van die monniken koud en was het lichaam rein. Ze namen hun gewaden en ieder van hen ging naar zijn eigen kloostercel. Toen de dienares in het kloosterpark kwam, zag zij geen monniken, en zij dacht: "Er zijn geen monniken in het park; het Jetavana is leeg." De dienares ging naar Visākhā en berichtte dat het kloosterpark leeg was. Toen dacht de verstandige Visākhā dat de ledematen van die monniken ongetwijfeld koud waren en hun lichamen rein, en dat ieder van hen naar zijn eigen kloostercel was gegaan. Visakha zei weer aan de dienares: "Ga naar het kloosterpark en deel aan de Verhevene mee dat het tijd is, dat het eten klaar is."
De dienares ging weer naar het park en deelde aan de Boeddha mee dat het klaar was. Na dat bericht zei de Verhevene aan de monniken dat zij aalmoezennap en oppergewaad moesten nemen, dat het tijd was voor de maaltijd. - “Jawel, Eerwaarde,” gaven de monniken ten antwoord. Nadat de Verhevene zich in de ochtend had aangekleed, oppergewaad en de aalmoezennap had gepakt, verdween hij in een handomdraai uit het Jetavana en verscheen hij in de voorkamer van Visākhā. De Verhevene ging er samen met de Orde van de monniken op de voorbereide zitplaatsen zitten.
Toen zei Visākhā: "Wonderbaarlijk, overweldigend is de grote bovennatuurlijke kracht, de grote majesteit van de Volmaakte, omdat de voeten of het gewaad van geen enkele monnik nat werden, hoewel de vloed kniehoog stond, of toen de vloed middelhoog stond.” Blij en tevreden bediende en verzorgde Visakha persoonlijk de Verhevene en de gemeenschap van de monniken.
Toen de Verhevene had gegeten en zijn hand van de aalmoezennap had teruggetrokken, ging zij terzijde zitten en vroeg aan de Verhevene acht wensen. - "Visakha, de Volmaakten zijn boven het vervullen van wensen uit." - "Die wensen zijn passend, zijn onberispelijk." - "Spreek, Visakha."
"Eerwaarde, ik wens, zolang ik leef, aan de Sangha kleding voor het regenseizoen te geven, gastmaaltijden te geven, proviand voor de reis te geven, aan zieken voedsel te geven, aan ziekenverplegenden voedsel te geven, medicijnen te geven, steeds rijstsoep te geven, aan de Sangha van de nonnen badkleding te geven."
"Welk doel zie jij erin deze acht wensen aan de Volmaakte te vragen?"
"Eerwaarde, toen ik de dienares de opdracht gaf naar het Jetavana te gaan en bekend te maken dat de maaltijd klaar was, ging zij erheen en zag alleen naakte mannen die hun lichamen nat lieten regenen. Zij dacht dat die mannen geen monniken waren maar naakte asceten die er hun lichamen nat lieten regenen. Zij kwam naar mij toe en vertelde mij wat zij dacht gezien te hebben. Eerwaarde, naaktheid is niet rein, is walgelijk. Omdat ik dit doel zie, wil ik aan de Sangha, zolang ik leef, kleding voor het regenseizoen geven.
Bovendien, Eerwaarde, kennen de gastmonniken de straten en de omgeving niet; met moeite gaat de gastmonnik op aalmoezenrondgang. Nadat hij mijn gastmaaltijd heeft gegeten, zal hij, met kennis van de straten en omgeving, zonder moeite op aalmoezenrondgang gaan. Omdat ik dit doel zie, wil ik aan de Sangha zolang ik leef gastmaaltijden geven.
Bovendien, Eerwaarde, als een reizende monnik voor zichzelf voedsel zoekt, zal hij de karavaan (waarmee hij reist) verlaten. Waar het logies voor de reizigers is, daar komt hij op het verkeerde tijdstip aan. Met moeite maakt hij deze reis. Nadat hij mijn reisproviand heeft gegeten, hoeft hij de karavaan niet te verlaten; waar het logies voor de reizigers is, daar komt hij op tijd aan. Hij maakt deze reis zonder moeite. Met het oog op dit doel wil ik aan de Sangha zolang ik leef proviand voor de reis geven.
Bovendien, Eerwaarde, krijgt een zieke monnik niet het passende voedsel; omdat hij dat niet krijgt, kan de ziekte verergeren of de zieke kan sterven. Nadat hij mijn eten voor zieken heeft gekregen, kan het zijn dat de ziekte niet erger wordt en dat hij niet zal sterven. Omdat ik dit doel zie, wil ik aan de Sangha zolang ik leef voedsel voor zieken geven.
Bovendien, Eerwaarde, als de monnik die zieken verpleegt, het benodigde voedsel zoekt, brengt hij het eten 's middags en mist de maaltijd. Nadat hij mijn eten voor ziekenverplegers heeft gegeten, zal hij op tijd het eten aan de zieke brengen, hij zal zijn maaltijd niet missen. Omdat ik dit doel zie, wil ik aan de Sangha zolang ik leef voedsel voor ziekenverplegers geven.
Bovendien, Eerwaarde, kan de zieke monnik mogelijk geen adequate medicijnen krijgen. Zo kan de ziekte verergeren of de zieke kan sterven. Nadat hij mijn medicijn heeft gekregen, zal bij hem de ziekte niet erger worden, of hij zal niet sterven. Omdat ik dit doel zie, wil ik aan de Sangha zolang ik leef medicijnen geven.
Bovendien, Eerwaarde, heeft de Verhevene tien voordelen gezien in rijstsoep[16] en het eten ervan toegestaan. Ook ik, Eerwaarde, zie tien voordelen erin, en wil aan de Sangha zolang ik leef steeds rijstsoep geven.
Eerwaarde, hier zag ik de nonnen samen met prostituees naakt baden in de rivier Aciravati, in een doorwaadbare plaats. De nonnen werden door die prostituees bespot met de woorden: ‘Hoe kunnen jullie het leven van reinheid voeren terwijl jullie zo jong zijn? Is het niet zo dat men moet genieten van de geneugten van de zintuigen? Als jullie oud zijn geworden, leef dan het reinheidsleven, op die manier hebben jullie beide doelen bereikt.’ Eerwaarde, die nonnen, door de prostituees bespot, schaamden zich. Eerwaarde, de naaktheid van vrouwen is niet mooi, is walgelijk en afstotend. Met het oog op dit doel wil ik zolang ik leef aan de Sangha van de nonnen badkleding geven."
"Welke acht voordelen zie je dat je deze acht wensen aan de Volmaakte kenbaar hebt gemaakt?" - "Eerwaarde, nu zullen uit alle richtingen monniken, die het regenseizoen hebben doorgebracht, naar Savatthi komen om de Verhevene te zien. Die zullen naar de Verhevene komen en hem vragen: 'De zo-en-zo genaamde monnik, Verhevene, is gestorven. Naar welk bestaan zal hij na de dood wederkeren?' Dan zal de Verhevene de vrucht van stroomintrede uitleggen, en de vrucht van eenmaal wederkeer, de vrucht van niet wederkeer en de vrucht van heiligheid. Nadat ik naar andere monniken ben gegaan, zal ik vragen: 'Bent u, eerwaarde, voordien met die gestorven meesters in Sāvatthi geweest?'
Als zij me vertellen dat die monnik voordien in Sāvatthi was, kom ik tot de conclusie dat zij genoten hebben van stoffen voor de regentijd, van gastenvoedsel, reisproviand, voedsel voor zieken, medicijnen en altijd rijstsoep. Als ik hieraan denk, wordt mijn gemoed gelukkig; als het gemoed gelukkig is, wordt het vol vreugde, het lichaam wordt kalm, met een kalm lichaam wordt men gelukkig, en het gemoed van iemand die zich gelukkig voelt, wordt geconcentreerd. Zo worden door mij de vaardigheden, de krachten, de factoren van Verlichting uitgeoefend. Omdat ik deze voordelen zie, heb ik deze acht wensen aan de Volmaakte kenbaar gemaakt."
"Goed, Visākhā, goed heb je deze voordelen gezien en aan de Volmaakte deze acht wensen gevraagd. Ik sta je die acht wensen toe.” Toen richtte de Verhevene zich tot Visākhā met dit vers:
"Wie te eten en te drinken geeft, zich enorm erover verheugt, wie de deugdzaamheid op zich heeft genomen, de volgelinge van de Volmaakte - nadat zij gierigheid heeft overwonnen, geeft zij gaven die naar de hemel leiden, verdriet vernietigen, geluk brengen - zij verwerft hemelse vitaliteit, bereikt de zuivere, vlekkeloze weg - zij die verdienste wenst, de gelukkige, gezonde, geniet lange tijd van het hemelse lichaam."
Na Visākhā toen met dit vers te hebben toegesproken, stond de Verhevene van zijn zitplaats op en vertrok.
Nadat de Verhevene in deze samenhang een leerrede had gehouden, sprak hij tot de monniken: "Ik sta toe, monniken: kleding voor het regenseizoen, gastenmaaltijd, reisproviand, voedsel voor de zieken, voedsel voor de ziekenverplegers, medicijnen, steeds rijstsoep, badkleding voor de Sangha van de nonnen."[17]
Dit is de oorsprong van de traditie om regenkleding aan monniken aan te bieden tijdens de Khao Phansa ceremonie.
Bij het aanbieden van badkleren en gewaden worden de volgende teksten gereciteerd.
Imāni mayam bhante, vassikasātikāni, saparivārāni,
bhikkhusanghassa, onojayāma, sādhu no bhante, bhikkhusangho, imāni, vassikasātikāni, saparivārāni,
patigganhātu, amhākam, dīgharattam, hitāya, sukhāya, nibbānāya ca.
Eerwaarde monniken, mogen wij deze badkleren voor de regenperiode samen met de andere benodigdheden aan de gemeenschap van de monniken aanbieden. Eerwaarde Heer, neemt a.u.b. deze badkleren voor de regenperiode en de andere benodigdheden aan van ons, voor ons heil, geluk en voorspoed in volgende levens.
Imām mayam bhante, saparivāram, kathinacīvaradussam,
sanghassa, onojayāma, sādhu no bhante, sangho,
imām, saparivāram, kathinadussam, patigganhātu,
patiggahetvā ca, iminā dussena, kathinam, atharatu,
amhākam dīgharattam hitāya sukhāya nibbānāya ca.
Eerwaarde monniken, mogen wij deze Kathina-gewaden samen met de andere benodigdheden aan de gemeenschap van de monniken aanbieden. Eerwaarde Heer, neemt a.u.b. deze Kathina-gewaden en de andere benodigdheden aan van ons, voor ons heil, geluk en voorspoed in volgende levens.
Behalve deze officiële feest- en gedenkdagen kent het Theravada Boeddhisme nog de Uposatha dagen.
Uposatha is een vastendag, een feestdag op een van de dagen van de maan: volle maan, halve maan, eerste kwartier en laatste kwartier. Op de dagen van volle maan en nieuwe maan wordt het reglement voor de Orde (patimokkha)[18] voor de verzamelde gemeenschap van monniken gereciteerd. Nonnen, novicen en leken mochten aan deze vieringen niet deelnemen. Bijeenkomsten hadden ook aan het einde van het regenseizoen plaats.
Op de Uposatha dagen volgt de devote leek de acht regels[19] na. In Sutta Nipata II.4, verzen 402-403 beveelt de Boeddha de viering van de Uposatha-dagen aan. De wijze kan dan ’s morgens met eten en drinken op een passende manier voor de gemeenschap van de monniken zorgen. En in het Uposatha sutta (A.III.71) wordt gezegd dat de viering van deze vastendag op de juiste wijze hoog loon en hoge zegen brengt. Ze is machtig aan waardigheid en grootheid. Het is mogelijk dat een man of vrouw door het navolgen van de vastendag met de acht praktijken na de dood wedergeboren wordt in een van de hemelse werelden.
Het woord Uposatha betekent in Boeddhistische zin: “binnengaan om te blijven” in een vihāra of klooster. Het gaan naar gewijde plaatsen was al lang vóór Boeddhistische tijden het gebruik van de Brahmanen die de Vedische rites en offerandes volbrachten. Die gewijde plaatsen lagen veraf van hun woonplaatsen. Zij zuiverden zich op de gewijde plaatsen door gedurende een etmaal een afgezonderd leven te leiden. Als de rites beëindigd waren, keerden zij weer terug naar hun gezinnen. De dagen waarop zij zich afzonderden, waren bepaald door de fasen van de maan.
In de tijd van de Boeddha gebruikten verschillende groepen asceten en ronddolende lieden de traditionele volle en nieuwe maandagen om hun theorieën en praktijken te verkondigen. Zo kregen de mensen vertrouwen in hun leer. De Verhevene en zijn discipelen hadden zulke praktijken niet.
Eens vertoefde de Verhevene te Rājagaha op de Gierenpiek. Koning Bimbisāra ging toen naar hem toe en vroeg hem aan de monniken toe te staan samen te komen op de dagen van de maan, net zoals de andersdenkende asceten deden. De Verhevene stond daarop aan de monniken toe om op de dagen van de maan bij elkaar te komen.
De monniken kwamen op die dagen bij elkaar maar verder zaten zij dan in stilte samen. De mensen protesteerden hiertegen; zij wilden onderwezen worden in de leer. Daarop stond de Boeddha toe dat de monniken op die dagen de leer verkondigen.
Toen de Verhevene alleen vertoefde, kwam in zijn geest de volgende gedachte: “Het zou goed zijn als ik aan de monniken toestond de door mij verkondigde regels te reciteren om een Patimokkha voor hen in te stellen.”
‘s Avonds sprak de Verhevene een leerrede hierover tot de monniken en zei verder dat hij toestond dat de monniken het Patimokkha reciteren.
(Vin.Pit. Mv.II.01)
Vanaf die tijd tot heden worden de Uposatha-dagen door Boeddhisten in alle landen gevierd. De leken gaan op die dagen naar een klooster of naar een tempel en brengen er voedsel aan de monniken. Zij vragen de acht regels en verblijven er een hele dag en nacht. Zij worden er in de leer onderwezen, mediteren er of helpen de monniken met het werk.
Als er geen klooster of tempel in de buurt is, of als men weinig tijd heeft om zich vrij te maken, kan men op die dagen iets meer in de schrijnkamer vertoeven (als men zo'n kamer heeft). Daar kan men dan de acht regels reciteren en de een of andere toespraak van de Boeddha hardop of stil lezen.
Ook kan men op die dag meer tijd besteden aan meditatie. Wanneer de acht regels gesteund worden door de kalme, sterke geest die voortkomt uit meditatie, kunnen die regels gemakkelijk(er) onderhouden worden.[20]
Tot de devote mevrouw Visakha te Savatthi en ook tot de lekenvolgeling Vāsettha te Vesālī sprak de Boeddha over de zegeningen van het houden van de Uposatha dag.
“Wanneer de Uposatha is opgenomen met de acht praktijken ervan, wanneer men ze heeft aanvaard, dan is het zeer vruchtbaar, brengt veel voordeel, is van een grote pracht, van grote draagwijdte. En hoe doet men dat? – Wel, een edele volgeling overweegt aldus:
‘Waarlijk, de Verhevene is heilig, volledig verlicht, volmaakt in kennis en volmaakt in gedrag. Hij is gezegend, een kenner van de werelden. Hij is de onvergelijkbare leider van mensen die bedwongen moeten worden en van mensen die volgzaam zijn. Hij is de leraar van goden en van mensen. Hij is de Ontwaakte en Verhevene.’
Denkend aan de Volmaakte, verheugt zich zijn geest, vreugde ontstaat, en wat er aan smetten van de geest bestaat, dat verdwijnt.
Van deze edele volgeling zegt men dat hij de vastendag van Brahmā[21] onderhoudt, dat hij met Brahmā vertoeft en dat zijn geest ten gevolge van Brahmā opvrolijkt, dat vreugde ontstaat en dat de smetten van de geest verdwijnen.
De edele volgeling denkt aan de leer: ‘Duidelijk uitgelegd is de leer door de Verhevene; hier en nu op juistheid te controleren; met onmiddellijk resultaat. Ze nodigt iedereen uit om alles zelf te testen; ze leidt naar Nibbāna. Ze is te begrijpen door de wijze, ieder voor zichzelf.’
Denkend aan de leer verheugt zich zijn geest, vreugde ontstaat en wat er aan smetten van de geest bestaat, dat verdwijnt.
Van deze edele volgeling zegt men dat hij de vastendag van de leer onderhoudt, dat hij met de leer vertoeft en dat zijn geest ten gevolge van de leer opvrolijkt, dat vreugde ontstaat en dat de smetten van de geest verdwijnen.
De edele volgeling denkt aan de Orde: ‘Van goed gedrag is de Orde van de discipelen van de Gezegende. Van oprecht gedrag is de Orde van de discipelen van de Gezegende. Van wijs gedrag is de Orde van de discipelen van de Gezegende. Van plichtsgetrouw gedrag is de Orde van de discipelen van de Gezegende. Deze Orde van de discipelen van de Gezegende – namelijk de vier paren van personen, de acht soorten individuen[22] – is offergaven waard, is gastvrijheid waard, is geschenken waard, is waard eerbiedig gegroet te worden, is een onvergelijkbaar veld van verdienste voor de wereld.’
Denkend aan de Ariyasangha verheugt zich zijn geest, vreugde ontstaat en wat er aan smetten van de geest bestaat, dat verdwijnt.
Van deze edele volgeling zegt men dat hij de vastendag van de Ariyasangha onderhoudt, dat hij met de Ariyasangha vertoeft en dat zijn geest ten gevolge van de Ariyasangha opvrolijkt, dat vreugde ontstaat en dat de smetten van de geest verdwijnen.
De edele volgeling denkt aan eigen deugdzaamheid, aldus: 'Mijn deugd is ongebroken, ongedeerd, onbesmet, zonder blaam, bevrijdend, door de wijzen geprezen, onbeïnvloed; ze bevordert geestelijke concentratie.'
Denkend aan eigen deugdzaamheid verheugt zich zijn geest, vreugde ontstaat en wat er aan smetten van de geest bestaat, dat verdwijnt.
Van deze edele volgeling zegt men dat hij de vastendag van deugdzaamheid onderhoudt, dat hij met deugdzaamheid vertoeft en dat zijn geest ten gevolge van deugdzaamheid opvrolijkt, dat vreugde ontstaat en dat de smetten van de geest verdwijnen.
De edele volgeling denkt aan de goden: ‘Er zijn de goden in de sfeer van de Vier Grote Koningen. Er zijn de goden in de sfeer van de Drieëndertig. Er zijn de gelukzalige goden. Er zijn de tevreden goden. Er zijn de goden die zich verheugen in scheppen. Er zijn goden die heersen over de scheppingen van anderen. Er zijn goden in de sfeer van het gevolg van Brahmā. Er zijn goden hoger dan deze sferen. En die goden bezaten zo'n vertrouwen dat zij na de dood daar wedergeboren werden; en zo'n vertrouwen is ook in mij aanwezig. En die goden bezaten deugdzaamheid, zij waren leergierig, waren edelmoedig en vrijgevig, en zij bezaten begrip zodat zij na de dood daar wedergeboren werden. En zulke eigenschappen zijn ook in mij aanwezig.’
Bij de herinnering aan deze eigenschappen van zichzelf en van die goden verheugt zich zijn geest, vreugde ontstaat en wat er aan smetten van de geest bestaat, dat verdwijnt.
Van deze edele volgeling zegt men dat hij de vastendag van de godheden onderhoudt, dat hij met de godheden vertoeft en dat zijn geest ten gevolge van de godheden opvrolijkt, dat vreugde ontstaat en dat de smetten van de geest verdwijnen.
Zo komt door de juiste procedure de zuivering van de bevlekte geest tot stand.[23]
Verder overweegt die edele volgeling aldus:
‘Hun hele leven lang hebben de Arahants het doden van levende wezens opgegeven, zien zij af van het doden van levende wezens. Zij hebben hun stokken (om te straffen) en hun wapens afgelegd. Zij zijn plichtsgetrouw, tonen medegevoel en zijn medelijdend omwille van het heil van alle levende wezens. Ook ik zal vandaag, gedurende deze dag en nacht, het doden van levende wezens opgeven, zal van het doden van levende wezens afzien. Ik ben dan iemand die zijn stok en zijn wapen heeft afgelegd, ben plichtsgetrouw, toon medegevoel en ben medelijdend omwille van het heil van alle levende wezens. In deze eigenschap volg ik de Arahants na, en de Uposatha zal door mij in acht worden genomen.’
Verder overweegt hij: ’Hun hele leven lang hebben de Arahants opgegeven te nemen wat niet is gegeven. Zij zien ervan af te nemen wat niet is gegeven. Zij nemen alleen wat is gegeven, wachten alleen op wat is gegeven. Zo vertoeven zij met zuiver hart. Ook ik zal vandaag, gedurende deze dag en nacht, het nemen wat niet is gegeven, opgeven. Het gegevene wacht ik af, niet als een dief gezind. Zo vertoef ik met zuiver hart. In deze eigenschap volg ik de Arahants na, en de Uposatha zal door mij in acht worden genomen.’
De edele volgeling overweegt: ‘Hun hele leven lang hebben de Arahants onkuis gedrag opgegeven. Zij hebben een kuis gedrag. Zij leven afzijdig, zien af van seks die de gewone weg is van de samenleving. Ook ik zal vandaag, gedurende deze dag en nacht, onkuis gedrag opgeven. Kuis en afzijdig levend zie ik af van seks die de gewone weg is van de samenleving. In deze eigenschap volg ik de Arahants na, en de Uposatha zal door mij in acht worden genomen.’
De edele volgeling overweegt: ‘Hun hele leven lang vermijden de Arahants de leugen, zij houden zich verre van verkeerde taal. Zij spreken de waarheid, zij zijn met de waarheid verbonden, oprecht, vertrouwen waard, zij zijn geen bedriegers van de wereld. En ook ik zal vandaag, gedurende deze dag en nacht, leugens vermijden, ik houd me verre van onware taal. Ik zal de waarheid spreken, met de waarheid ben ik verbonden, oprecht, vertrouwen waard, geen bedrieger van de wereld. In deze eigenschap volg ik de Arahants na, en de Uposatha zal door mij in acht worden genomen.’
De edele volgeling overweegt: ‘Hun hele leven lang hebben de Arahants het genot opgegeven van gedistilleerde en alcoholische drank die de aanleiding is tot onvoorzichtigheid en slordigheid. Zij houden zich verre ervan. En ook ik zal vandaag, gedurende deze dag en nacht, het genot van gedistilleerde en alcoholische drank opgeven die de aanleiding is tot onvoorzichtigheid en slordigheid. Ik houd me verre ervan. In deze eigenschap volg ik de Arahants na, en de Uposatha zal door mij in acht worden genomen.’
De edele volgeling overweegt: ‘Hun hele leven lang gebruiken de Arahants slechts één maaltijd per dag. 's Nachts blijven zij nuchter. Zij zien af van eten buiten de [daarvoor bestemde] tijd. En ook ik zal vandaag, deze dag en nacht, slechts één maaltijd gebruiken, blijf 's nachts nuchter, onthoud me ervan te eten buiten de tijd.[24] In deze eigenschap volg ik de Arahants na, en de Uposatha zal door mij in acht worden genomen.’
De edele volgeling overweegt: ‘Hun hele leven lang zien de Arahants af van dansen, zingen, muziek en het bezoeken van vermakelijkheden. Zij zien af van het dragen van sieraden, zien af van het gebruik van welriekende vloeistoffen en van het zich mooi maken met cosmetica. En ook ik zie vandaag, deze dag en nacht, af van dansen, zingen, muziek en het bezoeken van vermakelijkheden. Ik zie af van het dragen van sieraden, zie af van het gebruik van welriekende vloeistoffen en van het mij mooi maken met cosmetica. In deze eigenschap volg ik de Arahants na, en de Uposatha zal door mij in acht worden genomen.’
De edele volgeling overweegt: ‘Hun hele leven lang vermijden de Arahants hoge en brede bedden, houden zich verre van hoge en brede bedden. Zij maken gebruik van een lage slaapplaats, een hard bed of een bundel stro. En ook ik geef vandaag hoge en brede bedden op, zie af van een hoog en breed bed. Ik maak gebruik van een lage slaapplaats, een hard bed of een bundel stro. In deze eigenschap volg ik de Arahants na, en de Uposatha zal door mij in acht worden genomen.’
Aldus is de Uposatha, de heilige vastendag. En wanneer men zo de vastendag van de heiligen doorbrengt, brengt dat hoog loon, hoge zegen. Ze is machtig aan waardigheid en grootheid.
In welke mate echter brengt die dag hoge zegen en hoog loon, en hoe is die machtig aan waardigheid en grootheid?
Juist alsof men macht, heerschappij en koningschap had over zestien grote landen[25] waarin de zeven schatten[26] overvloedig aanwezig zijn, toch is het niet een zestiende deel waard van de Uposatha opgenomen met de acht praktijken ervan. - En om welke reden? - Diep ongelukkig is koningschap over mensen vergeleken met hemelse zaligheid.
Wat bij de mensen 50 jaren zijn, dat is bij de goden van de Vier Grote Koningen een etmaal. Dertig van zulke etmalen vormen een maand, twaalf van zulke maanden vormen een jaar en 500 van zulke jaren is de levensspanne van die goden.
Het is mogelijk dat een man of vrouw door het navolgen van de vastendag met de acht praktijken na de dood wedergeboren wordt in de gemeenschap van de goden van de Vier Grote Koningen. Juist met betrekking hierop heb ik gezegd: ‘Diep ongelukkig is koningschap over mensen vergeleken met hemelse zaligheid.’
Datgene wat bij de mensen 100 jaren is, is een etmaal bij de godheden van de Drieëndertig. Hun maand heeft 30 van die etmalen, hun jaar 12 van die maanden. De levensspanne van deze godheden is 1000 van die hemelse jaren.
Het is mogelijk dat een man of vrouw door het navolgen van de vastendag met de acht praktijken na de dood wedergeboren wordt in het gezelschap van de godheden van de Drieëndertig. Juist met betrekking hierop heb ik gezegd: ‘Diep ongelukkig is koningschap over mensen vergeleken met hemelse zaligheid.’
Datgene wat bij de mensen 200 jaren is, is een etmaal bij de Yama-godheden. Hun maand heeft 30 van die etmalen, hun jaar 12 van die maanden. De levensspanne van deze godheden is 2000 van die hemelse jaren.
Het is mogelijk dat een man of vrouw door het navolgen van de vastendag met de acht praktijken na de dood wedergeboren wordt in het gezelschap van de Yama-godheden. Juist met betrekking hierop heb ik gezegd: ‘Diep ongelukkig is koningschap over mensen vergeleken met hemelse zaligheid.’
Datgene wat bij de mensen 400 jaren is, is een etmaal bij de Tusita-godheden. Hun maand heeft 30 van die etmalen, hun jaar 12 van die maanden. De levensspanne van deze godheden is 4000 van die hemelse jaren.
Het is mogelijk dat een man of vrouw door het navolgen van de vastendag met de acht praktijken na de dood wedergeboren wordt in het gezelschap van de Tusita-godheden. Juist met betrekking hierop heb ik gezegd : ‘Diep ongelukkig is koningschap over mensen vergeleken met hemelse zaligheid.’
Datgene wat bij de mensen 800 jaren is, is een etmaal bij de Nimmanarati-godheden, de godheden die graag scheppen. Hun maand heeft 30 van die etmalen, hun jaar 12 van die maanden. De levensspanne van deze godheden is 8000 van die hemelse jaren.
Het is mogelijk dat een man of vrouw door het navolgen van de vastendag met de acht praktijken na de dood wedergeboren wordt in het gezelschap van de Nimmanarati-godheden. Juist met betrekking hierop heb ik gezegd: ‘Diep ongelukkig is koningschap over mensen vergeleken met hemelse zaligheid.’
Datgene wat bij de mensen 1600 jaren is, is een etmaal bij de Paranimmitavasavatti-godheden, de goden die heersen over de scheppingen van anderen. Hun maand heeft 30 van die etmalen, hun jaar 12 van die maanden. De levensspanne van deze godheden is 16000 van die hemelse jaren.
Nu is het mogelijk dat een man of een vrouw door het navolgen van de vastendag met de acht praktijken na de dood wedergeboren wordt in het gezelschap van de Paranimmitavasavatti-godheden. Juist met betrekking hierop heb ik gezegd: ‘Diep ongelukkig is koningschap over mensen vergeleken met hemelse zaligheid.’
"Dood geen leven, noch neem wat niet is gegeven;
spreek geen leugen, en drink geen bedwelmende drank;
zie af van seks en van onkuis gedrag;
eet in de avond en nacht geen ‘buitentijds’ voedsel;
vermijdt bloemen en ook welriekend parfum,
en maak als je bed een mat op de grond:
dit geldt als het achtvoudige gebod op de vastendag,
onderwezen door de Boeddha
die het einde van lijden heeft bereikt.
De zon en de maan zijn beide mooi om te zien.
Zij blijven in hun baan en stralen ver,
verdrijven de duisternis, gaan door de luchten,
en schitteren aan de hemel, alles verlichtend.
Alle schatten in hun lichtcirkel:
parels, juwelen, goud en turkoois,
gouden korrels[27] en goud uit de diepten van de bergen,
geelkleurig goud[28] en nog ander goud[29];
waarlijk, dat alles is geen zestiende waard
van de achtdelige Uposatha,
zoals in het heldere licht van de maan
de sterren zullen verbleken.
Of man of vrouw, wie deugdzaam
de achtdelige vastendag houdt
en zegenrijke, goede werken verricht,
die gaat zonder blaam naar de hemelse wereld.”
[A.III.71; A.VIII.44]
Na deze woorden sprak de lekenvolgeling Vāsettha tot de Verhevene aldus:
"Ja, Heer, mochten ook mijn geliefde neven en familieleden de vastendag van de acht besluiten navolgen, dan zou het ook voor hen lange tijd tot heil en welzijn strekken. En Heer, mochten ook alle edelen, brahmanen, burgers en dienaren de vastendag van de acht besluiten navolgen, dan zou het ook voor hen lang tijd tot heil en welzijn strekken."
"Zo is het, Vāsettha, zo is het. Mochten ook alle edelen, brahmanen, burgers en dienaren de vastendag van de acht besluiten navolgen, dan zou het ook voor hen lange tijd tot heil en welzijn strekken. En mocht ook de hele wereld bewoond door hemelse wezens, goede en slechte geesten, met haar schare van asceten en priesters, goden en mensen, de vastendag van de acht besluiten navolgen, dan zou het ook voor hen tot heil en welzijn strekken.
En Vāsettha, als ook deze machtige salabomen[30] een wil hadden en de vastendag van de acht besluiten zouden navolgen, dan zou het ook voor hen lange tijd tot heil en welzijn strekken. Wat moet men dan eerst van de menselijke wezens zeggen?" [A.VIII.44]
Op de achtste dag van de helft van de maand gaan de waardigheidsbekleders uit het gevolg van de Vier Grote Koningen rond in deze wereld om te zien of veel mensen hun plicht doen jegens vader, moeder, asceten en brahmanen, of zij het hoofd van de familie eren, de vastendag houden en goede werken doen.
Op de veertiende dag van de helft van de maand gaan de zonen van de Vier Grote Koningen rond in deze wereld om te zien of veel mensen hun plicht doen jegens vader, moeder, asceten en brahmanen, of zij het hoofd van de familie eren, de vastendag houden en goede werken doen.
Op de vastendag zelf, die de vijftiende van de helft van de maand is, gaan de Vier Grote Koningen zelf rond in deze wereld om te zien of veel mensen hun plicht doen jegens vader, moeder, asceten en brahmanen, of zij het hoofd van de familie eren, de vastendag houden en goede werken doen.
Wanneer er weinig mensen zijn die hun plicht jegens vader, moeder, asceten en priesters vervullen, het hoofd van de familie eren, de vastendag houden en goede werken doen, dan berichten de Vier Grote Koningen dat aan goden van de Drieëndertig. Daarover zijn de goden van de Drieëndertig bedroefd en zij denken: ‘Ach, de hemelse scharen zullen minder worden en de scharen van de demonen zullen groter worden.'
Wanneer er veel mensen zijn die hun plicht jegens vader, moeder, asceten en priesters vervullen, het hoofd van de familie eren, de vastendag houden en goede werken doen, dan berichten de Vier Grote Koningen dat aan goden van de Drieëndertig. Daarover zijn de goden van de Drieëndertig verheugd en zij denken: 'Waarlijk, groter zullen de hemelse scharen worden en de scharen van de demonen zullen kleiner worden.' [A.III.38a]
Door het navolgen van de vijf regels van goed gedrag vaart men wel in dit leven en ook in het hiernamaals. En wanneer men ook nog de Uposatha met de acht praktijken ervan op zich neemt, dan is het zeer vruchtbaar, brengt veel voordeel. Daardoor is de zuivering van de bevlekte geest mogelijk en het intreden op het pad van heiligheid.
-=oOo=-
Buddhist Traditions and Ceremonies. Slightly adapted from a talk by Ajahn Vorasak Jandamit M.A., June 13th 1992. Step by Step, The Buddharama Temple, Waalwijk, 1993, nr. 2, p. 16-19.
Grotefend, H. (entw.): Taschenbuch der Zeitrechnung des deutschen Mittelalters und der Neuzeit. Entworfen von H. Grotefend; hrsg. von Th. Ulrich. (10. erw. Aufl.) - Hannover: Hahnsche Buchhandlung, 1960. (1. Aufl. 1898).
Yearly Ceremonies. Step by Step 2536/1993, no. 1, p. 10. / Step by Step Vol. 13 Nr. 2/2002. / Step by Step, Vol. 15 Nr. 3/2004, p. 5 en p. 59.
Khantipâlo, Bhikkhu: Lay Buddhist Practice : The Shrine Room; Uposatha Day; Rains Residence. Kandy : BPS, 1974. The Wheel No. 206/207, p. 45-58.
Piyadassi Thera: The Buddha. A short Study of His Life and Teaching. (3rd enlarged ed.) Kandy: BPS, 1970. The Wheel No. 5ab.
Piyadassi Thera: Aspects of Buddhism. (repr.) Kandy 1976, Bodhi Leaves No. B 21
de.wikipedia.org
en.wikipedia.org/wiki/Buddhist_calendar
www.watdhammapateep.be/nl/ok-phansa
www.palikanon.com/angutt/a.html (door Nyanatiloka en Nyanaponika)
[1] Orde-regels = patimokkha.
[2] Zij kwamen samen in de maand Māgha (= februari/maart).
[3] in daad, woord of gedachten.
[4] Indien de ceremonie gehouden wordt voor een Boeddhabeeld en niet voor een stoepa (pagoda), wijzig dan thūpo in: patimā.
[5] Indien de ceremonie gehouden wordt voor een Boeddhabeeld en niet voor een stoepa (pagoda), wijzig dan udissa kato in: udissa katā.
[6] Indien de ceremonie gehouden wordt voor een Boeddhabeeld en niet voor een stoepa (pagoda), wijzig dan thūpam in: patimāgharam.
[7] zoon van de gouverneur van de Sakyas.
[8] In de gebruikelijke versie van de vier waarheden (S.56.11) wordt als de oorzaak van het ontstaan van dukkha alleen de begeerte (tanhā) genoemd. Onze tekst (A.III.62) legt de oorsprong van dukkha uitvoeriger uit door de reeks van 'oorzakelijk ontstaan'.
[9] Vin.Pit. Mv. III.01, Vassūpanāyikānujānanā.
[10] Ook in Ierland is er een dergelijk oogstfeest. Een Keltisch overblijfsel ervan is in Zuid-Limburg nog de "kroedwusj", de zegening van kruiden. Die bos kruiden werd tegen onheil gebruikt.
[11] hogere leer: In de oude teksten betekent Abhidhamma niet de Abhidhamma Pitaka. Die is volgens de meeste geleerden pas twee eeuwen na het overlijden van de Boeddha ontstaan. Maar het woord Abhidhamma betekent er: hogere leer. (Voetnoot van de eerwaarde Nyanaponika bij A.III.141)
[12] Khantipâlo 1987, p. 84-85.
[13] www.watdhammapateep.be/nl/ok-phansa
[14] Dhp verhaal XIV:2 bij vers 181 (14:3).
[15] www.watdhammapateep.be/nl/ok-phansa
[17] Vin.Pit. Mv.VIII.15. - Meer regels voor monniken wat betreft Kathina zijn in Vin.Pit. Mahavagga VII.01-13.
[18] Patimokkha: deel van de Vinaya teksten, oorspronkelijk een bevestiging van vertrouwen, later een lijst van 227 kloosterregels met uitvoerig commentaar.
[20] Khantipâlo, Bhikkhu: Lay Buddhist Practice : The Shrine Room; Uposatha Day; Rains Residence. Kandy : BPS, 1974. The Wheel No. 206/207, p. 45-58.
[21] Brahmā duidt hier de Boeddha aan, als het eerste van de 'drie Juwelen' (ti-ratana); de beide andere – leer en gemeenschap van de monniken – worden in het volgende genoemd.
[22] De vier paren van personen, d.w.z. de personen die het 1e, 2e, 3e of 4e niveau van heiligheid bereikt hebben. Tot hen kunnen zowel monniken en nonnen, als ook mannelijke en vrouwelijke lekenvolgelingen behoren.
[23] Deze overwegingen behoren tot de eigenschappen van iemand die in de stroom is getreden. (Zie: 9.3.2. De vier niveaus van heiligheid > Sotapanna, de in de stroom getredene).
[24] Monniken gebruiken slechts één hoofdmaaltijd tussen 06:00 en 12:00 uur.
[25] Genoemd worden de landen Anga, Magadha, Maccha, Kasia, Kosala, Vajjhi, Malla, Cetiya, Bengalen, Kuru, Pancala, Surasena, Assaka, Avanti, Gandhāra, Cambodja.
[26] De zeven schatten zijn: goud, zilver, parels, kristal, turkoois, diamant en koraal.
[27] singi-suvanna; een goudsoort die in hoornvormige goudkorrels gevonden wordt en die erg geschikt is voor het maken van sieraden.
[28] jatarūpa; deze goudsoort zou lijken op de huidskleur van de Boeddha.
[29] hātaka; goudstof die door mieren zou zijn verzameld.