Facetten van het Boeddhisme


naar Index

3.6.05. Anuruddha



Copyright ©  2024 / 2567

Het is toegestaan om elektronisch of in gedrukte vorm fragmenten van deze compilatie of de compilatie in zijn geheel over te nemen voor eigen gebruik, of ook met als doel ze met anderen te delen, uitsluitend voor gratis verspreiding en zonder commercieel oogpunt

Inleiding

Bereiken van volmaakte heiligheid I

Bereiken van volmaakte heiligheid II - De acht gedachten van een groot man

Door pijn werd Anuruddha niet verstoord

Vermogens

Na het overlijden van de Boeddha

Anuruddha

Inleiding

Anuruddha was een neef van de Boeddha en een van zijn meest uitstekende discipelen. Hij werd in de Orde opgenomen samen met Ānanda, Devadatta, Upāli en enkele anderen.

Bereiken van volmaakte heiligheid I -

Hoe hij arahantschap bereikte, is in twee leerreden vermeld. Hier de versie in het Dutiya-anuruddha sutta (A.III.131), na goede raad van de eerwaarde Sariputta.

Eens ging de eerwaarde Anuruddha naar de plek waar de eerwaarde Sāriputta vertoefde. Hij groette hem vriendelijk, wisselde enkele vriendelijke woorden met hem en ging terzijde neerzitten. De eerwaarde Anuruddha zei toen tot de eerwaarde Sāriputta:

“Broeder Sariputta, ik kan met het hemelse oog een duizendvoudig wereldsysteem zien. Mijn kracht is dan ingespannen, de geest geconcentreerd. En toch wordt mijn geest niet zonder hechten bevrijd van de neigingen.”

“Broeder Anuruddha, dat is eigenwaan, een gevoel van superioriteit bij jou dat je eraan denkt dat je met het hemelse oog een duizendvoudig wereldsysteem kunt zien.

Dat jij denkt dat je kracht dan ingespannen is, dat de geest geconcentreerd is, dat is opgewondenheid bij jou.

Dat je denkt dat desondanks de geest niet zonder hechten bevrijd wordt van de neigingen, dat is gewetensonrust bij jou.[1]

Waarlijk, het zou goed zijn als de eerwaarde Anuruddha die drie dingen opgeeft, er geen acht op slaat en zijn geest naar het doodloze element (het Nibbāna) richtte.”

Daarna gaf de eerwaarde Anuruddha die drie dingen op, schonk er geen achting aan en richtte zijn geest op het doodloze element. En eenzaam, afgezonderd, onvermoeibaar, ijverig, vastbesloten vertoevend, kwam de eerwaarde Anuruddha na niet lange tijd in het bezit van dat hoogste doel van het reinheidsleven, omwille waarvan edele jongelingen van huis uit in de huisloosheid gaan, doordat hij het zelf inzag en verwerkelijkte.

"Opgedroogd is de wedergeboorte, vervuld het heilige leven, gedaan is wat gedaan moest worden, er is verder niets meer te doen," zo zag hij in. En de eerwaarde Anuruddha was een van de heiligen geworden. (A.III.131)

Bereiken van volmaakte heiligheid II - De acht gedachten van een groot man

In de leerrede over “De acht gedachten van een groot man” (A.viii.30) is een andere versie vermeld hoe de eerwaarde Anuruddha de volmaakte heiligheid bereikte, en wel na instructie door de Boeddha.

Eens verbleef de Verhevene in het land Bhagga, nabij Sumsumāragira, in het Bhesakalā-bos, in het wildpark. Op die tijd nu leefde de eerwaarde Anuruddha in het land Cetiya, in het oostelijke bamboepark. Terwijl hij daar eenzaam en afgezonderd vertoefde, kwam bij hem de volgende gedachte op:

"Deze leer is alleen geschikt voor de bescheidenen, niet voor de onbescheidenen. Deze leer is alleen geschikt voor de genoegzame, niet voor de veeleisende. Deze leer is alleen geschikt voor de afgezonderde, niet voor degene die gezelligheid zoekt. Deze leer is alleen geschikt voor degene met sterke wil, niet voor de trage. Deze leer is alleen geschikt voor de oplettende, niet voor de onoplettende. Deze leer is alleen geschikt voor degene die geestelijk geconcentreerd is, niet voor de ongeconcentreerde. Deze leer is alleen geschikt voor de wijze, niet voor de onwijze."

De Verhevene herkende in zijn geest de overwegingen van de eerwaarde Anuruddha en verdween in een handomdraai[2] uit het Bhesakalā-bos en kwam in het land Cetiya, in het oostelijke bamboepark weer tevoorschijn voor de eerwaarde Anuruddha. Hij ging op de hem aangeboden zitplaats zitten. De eerwaarde Anuruddha begroette de Verhevene vol eerbied en ging terzijde zitten. Daarna zei de Verhevene tot hem:

"Goed zo, Anuruddha, goed zo. Je hebt de zeven gedachten van een groot man goed overwogen. Dan kun je ook nog de volgende achtste gedachte van een groot man overwegen: 'Alleen voor degene die toegewijd is tot het niet wereldlijke[3], voor degene die zich verheugt aan het niet wereldlijke is deze leer geschikt, niet voor degene die toegewijd is tot het wereldlijke, die zich aan het wereldlijke verheugt.'

Anuruddha, wanneer jij deze acht gedachten van een groot man overweegt, dan kun je naar wens, geheel afgezonderd van de zinnendingen, afgezonderd van onheilzame toestanden van de geest, het eerste jhana bereiken dat met indrukken, overwegingen en redeneren gepaard gaat, in afzondering geboren en vervuld van vervoering en zaligheid. Anuruddha, wanneer jij deze acht gedachten van een groot man overweegt, dan kun je naar wens het tweede jhana bereiken dat vrij is van overwegingen en redeneren en vol vreugde en vervoering is. Dan kun je het derde jhana bereiken dat vrij is van overwegingen en redeneren, en vol vreugde en vervoering is. Dan kun je het vierde jhana bereiken, in gelijkmoedigheid, oplettend en helder bewust.

Anuruddha, wanneer jij deze acht gedachten van een groot man overweegt en jij deze vier jhanas, de verheven geestelijke, die tijdelijk welzijn verlenen, geheel naar wens, zonder moeite en inspanning bereikt, dan zal jou, Anuruddha, in jouw genoegzaamheid jouw gewaad uit lompen zo voorkomen zoals een gezinshoofd of zijn zoon de met veel bonte gewaden gevulde kleerkast voorkomt; nuttig tot vreugde, tot onverstoorbaarheid, tot welbevinden en tot intrede in Nibbana. En zoals een gezinshoofd of zijn zoon onder alle soorten rijst de van zwarte korrels gezuiverde, met allerlei sauzen en bestanddelen voorziene rijst voorkomt, evenzo zal jou dan in jouw genoegzaamheid de uit brokken bestaande aalmoezenspijs voorkomen; nuttig tot vreugde, tot onverstoorbaarheid, tot welbevinden en tot intrede in Nibbana. En zoals een gezinshoofd of zijn zoon zijn huis met topgevel voorkomt, binnen en buiten bepleisterd, tegen de wind beschermd, vergrendeld, met afsluitbare ramen, evenzo zal jou dan in jouw genoegzaamheid de legerstede voorkomen, nuttig tot vreugde, tot onverstoorbaarheid, tot welbevinden, tot intrede in Nibbana. En zoals een gezinshoofd of zijn zoon zijn rustplaats voorkomt, die bedekt is met een witte wollen deken met franjes en met bloemenmotief, of bedekt met een mooi antilopenvel en voorzien van een bedsprei en purperen kussens aan beide bed-einden, evenzo zal jou dan in jouw genoegzaamheid een legerstede uit stro als slaapplaats voorkomen, nuttig tot vreugde, tot onverstoorbaarheid, tot welbevinden en tot intrede in Nibbana. En zoals een gezinshoofd of zijn zoon de verschillende geneesmiddelen voorkomen, zoals boterolie, boter, olie, honing en suiker, evenzo zal jou dan bedorven runderurine als geneesmiddel[4] voorkomen, nuttig tot vreugde, tot onverstoorbaarheid, tot welbevinden en tot intrede in Nibbana.

Anuruddha, zo kun je dan ook de komende regentijd hier in het land Cetiya, in het oostelijke bamboepark doorbrengen."

"Ja, Heer," gaf de eerwaarde Anuruddha aan de Verhevene ten antwoord.

De Verhevene ging toen snel terug naar Sumsumāragira in het land Bhagga, in het Bhesakalā-bos. Daar ging hij op de gereed gemaakte zitplaats zitten en toonde de monniken de acht gedachten van een groot man. (Zie A.viii.30)

En de eerwaarde Anuruddha bracht nu ook de komende regentijd door op dezelfde plaats, in het land Cetiya, in het oostelijke bamboepark. Terwijl hij daar eenzaam, afgezonderd, onvermoeibaar, ijverig en vastbesloten vertoefde, kwam hij na niet lange tijd in het bezit van dat hoogste doel van het reinheidsleven omwille waarvan edele zonen helemaal van huis weggaan in de huisloosheid, doordat hij het zelf inzag en verwerkelijkte. En hij zag in: "De wedergeboorte is opgedroogd, het heilige leven is vervuld, gedaan is wat gedaan moest worden, hierna is niets verder meer te doen." Zo was de eerwaarde Anuruddha een van de heiligen geworden.

Toen evenwel de eerwaarde Anuruddha de heiligheid bereikt had, sprak hij op dat ogenblik de volgende verzen:

"Toen de hoogste Meester in de wereld

de gedachten in mij zag,

kwam hij met geest-geproduceerd lichaam

door magische kracht naar mij toe.

Wat ik in mijn geest overwoog,

de Meester onderwees nog meer:

de bovenwereldlijke zalige Boeddha

wees mij wat boven de wereld uit gaat.

Ik doorschouwde zijn wet

en vond vreugde aan zijn woord.

Drie soorten weten heb ik verkregen,

de instructie van de Meester is vervuld."[5]

Door pijn werd Anuruddha niet verstoord

Te Savatthi was de eerwaarde Anuruddha eens erg ziek. Maar zijn gemoed werd niet verstoord door de opstijgende lichamelijke gevoelens van pijn. Zijn medemonniken vroegen hem toen in welke toestand hij verbleef dat die pijn hem niet verstoorde.

De eerwaarde Anuruddha antwoordde: “Met een gemoed dat vast gebaseerd is in de vier grondslagen van oplettendheid kunnen ontstane lichamelijke gevoelens van pijn het gemoed niet verstoren. (S.52.10.)

Vermogens

De eerwaarde Anuruddha stond op de eerste plaats van degenen die het goddelijk oog (helderziendheid) bezaten. Ook bezat hij andere iddhi-vermogens. Hij legde de nadruk op inzicht-meditatie (satipatthāna). Hij was geen beroemde leraar. In het Sanskriet is zijn naam Aniruddha.

Na het overlijden van de Boeddha

Anuruddha was de Boeddha erg genegen. Hij was aanwezig bij het overlijden van de Boeddha te Kusināra. Bij het eerste concilie zou hij van mening zijn geweest dat Ānanda nog geen arahant was en hem niet hebben toegelaten totdat deze de volmaakte heiligheid bereikt had. Maar dat is een latere toevoeging.

Op het eerste concilie werd hij belast met het bewaren van de Anguttara Nikāya. Hij stierf in de plaats Veluvagāma in het land van de Vajjis.

◻  ◻  ◻


[1] Eigendunk' en 'opgewondenheid', zijn de 8e en 9e boei (samyojana). Ze verdwijnen pas bij intrede in de volmaakte heiligheid. 'Gewetensonrust' is daarentegen al verdwenen bij de niet-wederkerende. Anuruddha had op die tijd dus nog geen van die beide niveaus van heiligheid bereikt.

[2] Letterlijk staat er: zo snel als een sterke man de gebogen arm kan strekken en de gestrekte arm kan buigen.

[3] nippapañca, het vrij zijn van de veelheidswereld, Nibbana.

[4]  Runderurine vermengd met de bittere Myrobalan-vrucht (harītakī), in de grond begraven en opgeslagen, geldt als werkzaam genees- en versterkingsmiddel.

[5]  Zoals Theragāthā 901-903. 

---