Facetten van het Boeddhisme


naar Index

3.2.09. Subhadda



Copyright ©  2021 / 2564

Het is toegestaan om elektronisch of in gedrukte vorm fragmenten van deze tekst of de tekst in zijn geheel over te nemen voor eigen gebruik, of ook met als doel die met anderen te delen, uitsluitend voor gratis verspreiding en zonder commercieel oogmerk.

Enkele bekende en minder bekende discipelen van de Boeddha

Subhadda

Inleiding

Subhadda was voordat hij in de Orde intrad een barbier. Hij had twee zonen. Hij trad in de Orde in op oude leeftijd. Hij was een novice toen de Boeddha Ātumā[1] bezocht. Die plaats was gelegen tussen Kusināra en Sāvatthi.[2] 

Te Atuma

Toen de Verhevene Kusināra verliet samen met 1250 monniken en naar Ātumā kwam, vernam Subhadda dit. Hij wilde rijst-melk (yāgu) aanbieden en vertelde dit aan zijn twee zonen die novicen waren. Hij vroeg aan hen van huis tot huis te gaan met de benodigdheden van een barbier, een oliezakje en een grote zak. Daarin moesten zij zout, olie, rijst en vast voedsel verzamelen.[3] Hij wilde daarmee rijstepap maken voor de Verhevene. Toen de mensen hoorden wat de bedoeling was van de monnik Subhadda en van de novicen, gaven zij heel veel. De Boeddha kwam te Ātumā aan en ging naar het huis met de dorsvloer. Subhadda vroeg toen aan de mensen van het dorp om hem te helpen met het klaarmaken van de maaltijd. De hele nacht waren zij ermee bezig.        

        Vroeg in de morgen ging de Boeddha met de gemeenschap van de monniken naar de stad Ātumā om er voedsel te vergaren. Subhadda knielde met zijn rechter knie op de grond voor de Verhevene neer en vroeg hem om de pap aan te nemen. De Verhevene stelde toen vragen over de gave en toen hij het antwoord hoorde, berispte hij Subhadda dat hij als monnik anderen liet nemen wat niet geoorloofd was.[4] De Boeddha stelde toen twee nieuwe regels vast: 1) niet nemen wat niet geoorloofd is; 2) niet de benodigdheden van een barbier ronddragen[5].[6]        

        Volgens Buddhaghosa ging de Boeddha verder met het rondgaan voor voedsel. Tot de monniken zei hij dat het eten dat door Subhadda was aangeboden, niet geoorloofd was en dat zij vele duizenden levens in de hel zouden wedergeboren worden als zij ervan aten. Daarom nam geen enkele monnik iets ervan. Subhadda werd toen erg ongelukkig omdat de Boeddha zijn gave niet aannam. En zo werd hij vijandig gezind jegens de Verhevene. Maar zolang als deze leefde, kon hij niets zeggen. Toen hij dan ook vernam dat de Verhevene parinibbāna had bereikt, was hij erg blij.[7]        

Onderweg naar Kusinara

Toen Mahā Kassapa onderweg was van Pāvā naar Kusināra met een grote menigte monniken, ontmoette hij een naakte asceet, een Ajīvaka, die op weg was naar Pāvā. Die asceet had een mandārava-bloem in Kusināra tot zich genomen. De eerwaarde Mahā Kassapa vroeg aan de Ajīvaka of deze iets wist over de Boeddha. De asceet vertelde toen dat de boeteling Gotama een week geleden volledig uitgedoofd was en dat hij vandaar die mandarava-bloem had meegebracht.

Na de mededeling van die asceet hieven sommige monniken die nog niet vrij van hartstochten waren, hun armen omhoog en weenden. Anderen wierpen zich op de grond neer, rolden heen en weer en zeiden: “Veel te vlug is de Verhevene uitgedoofd; veel te vlug is de Gezegende uitgedoofd; veel te vlug is het oog der wereld verdwenen.” Maar de monniken die vrij van hartstochten waren, oplettend en bezonnen, zeiden: “Vergankelijk is alles wat samengesteld is. Een andere mogelijkheid is er niet.”

In die bijeenkomst zat ook de monnik Subhadda. Hij zei tot die monniken: “Houdt op, vrienden, maakt u geen zorgen, jammert niet. Wel-bevrijd zijn wij van die grote boeteling. Al te lang zijn wij onderdrukt door zijn woorden: ‘Dat is betamelijk voor jullie; dat is niet betamelijk voor jullie.’ Thans echter kunnen wij datgene doen wat wij willen; en wat wij niet willen, zullen wij niet doen.”

Maar de eerwaarde Mahā Kassapa zei tot de monniken: “Houdt op, vrienden, maakt u geen zorgen, jammert niet. Want de Verhevene heeft immers voorheen aan jullie verkondigd dat er bij alles wat lief en dierbaar is, verandering, scheiding en afzondering moet zijn.” (D.16).

Na de crematie van het lichaam van de Verhevene herinnerde Mahā Kassapa zich de woorden van Subhadda dat zij nu konden doen wat zij graag wilden. Daarom riep Kassapa de monniken samen en werd te Rajagaha het eerste concilie gehouden.

Hoe het verder met de monnik Subhadda ging, is niet vermeld.

-=-


[1] An, Yang-Gyu (transl.): The Buddha's Last Days : Buddhaghosa's Commentary on the Mahāparinibbāna Sutta. Oxford 2003, p. 196 noot 4.

[2] An 2003, p. 197 noot 2.

[3] Een andere reden is dat hij ieder een paar scharen gaf en hun vroeg om de hoofden van alle kinderen te scheren die zij tegenkwamen, als teken dat zij de religie aangenomen hadden (An 2003, p. 197 noot 7).

[4] Het was monniken eerst niet toegestaan voedsel te eten dat in het klooster was klaargemaakt. (Vin.Pit.I.211) Die regel werd later gewijzigd. (An 2003, p. 198 noot 2).

[5] Elders stond de Boeddha toe dat monniken benodigdheden van een barbier meedragen. (Vin.II.134). (An 2003, p. 199 noot 5).

[6] An 2003, p. 196-199.