Facetten van het Boeddhisme


naar Index

3.2.08. Nanda



Copyright ©  2021 / 2564

Het is toegestaan om elektronisch of in gedrukte vorm fragmenten van deze tekst of de tekst in zijn geheel over te nemen voor eigen gebruik, of ook met als doel die met anderen te delen, uitsluitend voor gratis verspreiding en zonder commercieel oogmerk.

Enkele bekende en minder bekende discipelen van de Boeddha

Nanda

Inleiding

Nanda was de zoon van Maha Pajapati Gotami. Pajāpatī, de moeder van Nanda, en Māyā, de moeder van de Verhevene, waren zussen. Nanda was dus een neef van de Boeddha. Māyā was kort na de geboorte van de latere Boeddha gestorven, en Pajāpatī trouwde met diens vader, koning Suddhodana, en voedde het moederloze kind op. De Boeddha en Nanda waren dus ook halfbroers omdat zij dezelfde vader hadden maar verschillende moeders.

Wijding van Nanda

Volgens een verhaal kwam de Boeddha ‘s morgens op de dag van Nanda’s bruiloft naar diens huis voor aalmoezen. Nadat hij zijn aalmoezen-nap aan Nanda had gegeven zonder die terug te vragen, draaide hij om en ging op weg naar zijn klooster. Nanda volgde hem met de bedoeling de nap terug te geven, en omdat hij op het punt stond het huis te verlaten vroeg zijn bruid hem dringend - misschien uit angst hem te verliezen - om vlug terug te komen. De Boeddha ging rechtstreeks naar het klooster zonder te stoppen. Toen Nanda naar hem toekwam om de nap terug te geven, vroeg de Boeddha hem of hij een monnik wilde worden. Hoewel Nanda naar de bruiloft terug wilde gaan, antwoordde hij uit eerbied voor zijn oudere halfbroer instemmend. Daarom gaf de Boeddha hem de wijding en hierna was Nanda onderhevig aan ontevredenheid.

Nanda is ontevreden

Eens verbleef de Verhevene te Sāvatthī in het Jeta-park in het klooster van Anāthapindika. Op die tijd klaagde de eerwaarde Nanda tegen meerdere monniken: "Vrienden, ik ben ontevreden ermee het heilige leven te leiden. Ik ben niet in staat om het heilige leven uit te houden. Ik wil de oefening opgeven en naar het lage leven[1] terugkeren."

Daarop ging een monnik naar de Verhevene, knielde met het hoofd tot op de grond voor hem neer, ging terzijde zitten en zei: “Eerwaarde Heer, de eerwaarde Nanda, de halfbroer en neef van de Verhevene, de zoon van zijn tante van moeders kant, heeft tegen meerdere monniken geklaagd: 'Vrienden, ik ben ontevreden ermee het heilige leven te leiden. Ik ben niet in staat om het heilige leven uit te houden. Ik wil de oefening opgeven en naar het lage leven terugkeren.”

Toen zei de Verhevene tegen een monnik: "Ga, monnik en zeg in mijn naam tegen de monnik Nanda: 'De Leraar roept je, vriend Nanda.'" - "Ja, Heer," zei die monnik, ging naar de eerwaarde Nanda en bracht hem de boodschap.    

"Goed, vriend," zei de eerwaarde Nanda, ging naar de Verhevene en ging terzijde zitten. Tegen de terzijde zittende Nanda zei de Verhevene: "Is het waar, Nanda, dat jij tegen meerdere monniken hebt geklaagd: 'Vrienden, ik ben ontevreden ermee het heilige leven te leiden. Ik ben niet in staat om het heilige leven uit te houden. Ik wil de oefening opgeven en naar het lage leven terugkeren.’?” - "Ja, zo is het, Heer." - "Maar Nanda, waarom ben jij ontevreden ermee om het heilige leven te leiden?”

"Eerwaarde Heer, toen ik uit het huis ging, keek een Sākya-meisje met half losgemaakt haar - het mooiste meisje van het hele land - mij aan en zei: 'Meester, kom toch snel terug.' Omdat ik daaraan moet denken, Eerwaarde Heer, ben ik ontevreden ermee om het heilige leven te leiden, ben ik niet in staat om het heilige leven uit te houden, wil ik de oefening opgeven en naar het lage leven terugkeren."

Toen nam de Verhevene de eerwaarde Nanda bij de arm, en in een handomdraai verdween hij met hem uit het Jeta-park en verscheen in de Tavatimsa-hemel bij de goden van de Drieëndertig. Daar begonnen juist vijfhonderd nimfen met roze voeten hun dienst bij Sakka, de koning van de devas. De Verhevene vroeg aan de eerwaarde Nanda: "Nanda, zie jij daar die vijfhonderd nimfen met roze voeten?" - "Ja, Eerwaarde Heer." - "Wat denk je, Nanda: wie is er mooier, sierlijker, verleidelijker: het mooiste Sākya-meisje van het land of deze vijfhonderd nimfen met roze voeten?" - "Eerwaarde Heer, vergeleken met deze vijfhonderd nimfen met roze voeten is dat mooiste Sākya-meisje van het land als een verminkte aap bij wie men oren en neus heeft afgesneden. Dat is helemaal geen vergelijking; die is volledig uitgesloten; zij is geen fractie waard vergeleken met haar. Deze vijfhonderd nimfen met roze voeten zijn veel mooier, sierlijker, verleidelijker." - "Dan verheug je, Nanda, verheug je. Ik garandeer je dat jij deze vijfhonderd nimfen met roze voeten kunt krijgen." - "Eerwaarde Heer, wanneer de Verhevene ervoor garandeert dat ik deze vijfhonderd nimfen met roze voeten kan krijgen, dan zal ik tevreden ermee zijn om het heilige leven onder de Verhevene te leiden."

Toen nam de Verhevene de eerwaarde Nanda bij de arm en in een handomdraai verdween hij met hem uit het gebied van de goden van de Drieëndertig en verscheen in het Jeta-park.

De monniken vernamen: "Men zegt dat de eerwaarde Nanda, de halfbroer en neef van de Verhevene, het heilige leven leidt omwille van nimfen. De Verhevene zou hem hebben gegarandeerd dat hij vijfhonderd nimfen met roze voeten zal krijgen." Toen noemden de mede-monniken van de eerwaarde Nanda hem een loondienaar, een knecht, met de woorden: "Een loondienaar, een knecht is de eerwaarde Nanda: hij leidt het heilige leven omwille van nimfen. De Verhevene zou hem hebben gegarandeerd dat hij vijfhonderd nimfen met roze voeten zal krijgen.”

Omdat zijn monnik-vrienden hem loondienaar en knecht noemden, was de eerwaarde Nanda vernederd, beschaamd en onthutst. Hij leefde alleen, afgezonderd, ijverig, vurig en vastberaden, en al snel had hij hier en nu door zijn eigen directe kennis dat onvergelijkbare doel van het heilige leven verwerkelijkt omwille waarvan zonen van goede families terecht uit het huis in de huisloosheid vertrekken, en erin gaande, bleef hij erin: "Beëindigd is geboorte, het heilige leven is voltooid, gedaan is wat gedaan moest worden: niets meer dan dit", dat zag hij nu in. En de eerwaarde Nanda werd een van de volmaakte heiligen. Als Arahant was zijn geest helemaal bevrijd van gehechtheden; zijn geest was gezuiverd van elke soort van lustvolle gedachten.

En bij de Verhevene ontstond de kennis: "Nanda heeft door het beëindigen van de smetten hier en nu de smetvrije bevrijding van het gemoed en bevrijding door wijsheid verwerkelijkt, en erin gaande, blijft hij erin.”

Toen de nacht ver was gevorderd, ging een godheid van wonderbaarlijke schoonheid, die het hele Jeta-park met zijn prachtige glans verlichtte, naar de Verhevene, knielde met het hoofd tot op de grond voor hem neer, ging terzijde staan en zei: "Eerwaarde Heer, de eerwaarde Nanda, de halfbroer en neef van de Verhevene, heeft door het beëindigen van de smetten hier en nu door zijn eigen directe kennis de smetvrije bevrijding van het gemoed en bevrijding door wijsheid verwerkelijkt, en erin gaande, blijft hij erin."  

Toen die nacht ten einde was, ging de eerwaarde Nanda naar de Verhevene toe, knielde met het hoofd tot op de grond voor hem neer, ging terzijde zitten en zei aan de Verhevene: "Eerwaarde Heer, wat betreft de garantie van de Verhevene dat ik vijfhonderd nimfen met roze voeten zal krijgen, zo spreek ik de Verhevene van die belofte vrij."

“Wel, Nanda, jouw geest met mijn geest omvattend, wist ik: 'Nanda heeft hier en nu de smetvrije bevrijding van het gemoed en bevrijding door wijsheid verwerkelijkt.’ En ook een godheid heeft mij dat verteld. Nanda, toen je hart zonder hechten was bevrijd van de smetten, was ik ontbonden van die belofte." [2]

Bij het besef van de betekenis hiervan deed de Verhevene toen de volgende korte uitspraak:

"Die bhikkhu die het moeras [van de lust] heeft overgestoken,

die de stekel van zintuiglijk verlangen heeft verpletterd,

en aankwam bij de vernietiging van verblinding,

hij wordt niet meer bewogen door genoegens en pijnen[3]." [4]

En de Boeddha vergeleek de vroegere toestand van Nanda’s geest met het slecht bedekte dak van een huis en de gewijzigde zuivere toestand van de geest met een huis dat een goed dak heeft.[5]

“Zoals regen een huis binnendringt waarvan het dak niet goed bedekt is, zo dringt vurig verlangen een onontwikkeld hart binnen.”

“Zoals regen een huis niet binnendringt waarvan het dak goed bedekt is, zo dringt vurig verlangen niet een goed ontwikkeld hart binnen.[6] [7]

De voortreffelijke eigenschappen van Nanda

Monniken, terecht kan men Nanda aanduiden als een edele zoon, als begiftigd met kracht, als bevallig, als vervuld met sterke ijver. Hoe zou Nanda anders het heel gezuiverde kuise leven kunnen leiden als hij niet over de deuren van zijn zintuigen waakte, als hij niet matig was bij de maaltijd, als hij geen oplettendheid en helder inzicht had?[8]

  Monniken, dit geldt bij Nanda als het bewaakt zijn van de deuren van de zintuigen: wanneer hij naar het oosten of westen, noorden of zuiden moet kijken, of naar boven of naar beneden of naar een richting ertussen, dat vat hij bij het kijken alles in de geest samen en denkt: ‘Als ik op een dergelijke manier kijk, dan kunnen begeerte en droefenis alsmede andere, slechte, onheilzame dingen niet bij mij binnendringen.’ Zo is hij daarbij helder bewust. Dat is Nanda’s bewaakt zijn van de deuren van de zintuigen.

Monniken, dit nu is Nanda’s matigheid bij de maaltijd: hij eet het voedsel bezonnen, noch tot tijdverdrijf noch tot genot noch om mooier te worden, maar alleen tot behoud van het lichaam, om schade te voorkomen en om het heilige leven te kunnen leiden; en hij zegt tot zichzelf: 'Zo zal ik het vroegere gevoel verdrijven en geen nieuw gevoel laten opkomen; en een lang leven, onberispelijkheid en goede gezondheid zal mij ten deel vallen.' Monniken, dat geldt als Nanda’s matigheid bij de maaltijd.

Monniken, dit nu is Nanda's beoefening van de waakzaamheid: overdag en tijdens de eerste nachtwake, lopend of zittend, zuivert Nanda zijn geest van belemmerende dingen; in de midden nachtwake rust hij als een leeuw op zijn rechter zijkant, het ene been boven op het andere, nadat hij oplettend en helder bewust zijn geest heeft gericht op de gedachte van het opstaan. In de laatste nachtwake[9] staat hij weer op en, lopend of zittend, zuivert hij zijn geest van belemmerende dingen. Monniken, dat geldt als Nanda's beoefening van de waakzaamheid.

Monniken, dit nu is Nanda's oplettendheid en helder inzicht: Nanda merkt hoe de gevoelens in hem ontstaan, hoe ze bestaan en hoe ze verdwijnen; hij merkt hoe de waarnemingen in hem ontstaan, hoe ze bestaan en hoe ze verdwijnen; hij merkt hoe de gedachten in hem ontstaan, hoe ze bestaan en hoe ze verdwijnen. Monniken, dat geldt als Nanda's oplettendheid en helder inzicht.

Hoe zou Nanda anders het heel gezuiverde kuise leven kunnen leiden als hij niet over de deuren van zijn zintuigen waakte, als hij niet matig was bij de maaltijd, als hij geen oplettendheid en helder inzicht had?” [10]

◻  ◻  ◻


[1] d.w.z. naar de status van een leek.

[2] Ud. 3.2. en Dhp. verhaal I:9 bij de verzen 13-14.

[3] die blijft in geluk en ongeluk altijd bezonnen.

[4] Ud. 3.2.

[5] De geest wordt geoefend door concentratie hetwelk naar eenpuntigheid en zuivering van de geest leidt. De geest wordt ook geoefend door contemplatie hetwelk leidt naar het begrijpen van de dingen zoals ze werkelijk zijn. Het opperste doel van een Boeddhist wordt bereikt door deze twee fasen van geestelijke ontwikkeling. Een goed ontwikkelde geest wordt niet gemakkelijk overheerst door vurige verlangens.

[6] Als het denken goed is ontplooid, dan blijft hebzucht weg; m.a.w. lust dringt binnen in een onontwikkelde geest, maar niet in een goed ontwikkelde geest.

[7] Dhp. verzen 13-14.  

[8]  Vurig verlangen doordringt het hart van de onontwikkelde, maar niet dat van de ontwikkelde. Zie ook Dhammapada, verhaal I:9 bij de verzen 13-14 (1:13-14). Nanda werd door de Boeddha aan het hoofd van die discipelen geplaatst die de poorten van de zintuigen bewaken.

[9] De drie nachtwaken zijn van 18.00 uur tot 22.00 uur, van 22.00 uur tot 02.00 uur en van 02.00 uur tot 06.00 uur.

[10] A.VIII.9.