Facetten van het Boeddhisme


naar Index

3.2.03. Maha Kassapa



Copyright ©  2021 / 2564

Het is toegestaan om elektronisch of in gedrukte vorm fragmenten van deze tekst of de tekst in zijn geheel over te nemen voor eigen gebruik, of ook met als doel die met anderen te delen, uitsluitend voor gratis verspreiding en zonder commercieel oogmerk.

Enkele bekende en minder bekende discipelen van de Boeddha

Maha Kassapa

huwelijk

Maha Kassapa was een van de vooraanstaande discipelen van de Boeddha. Volgens het commentaar op Samyutta Nikaya werd hij geboren in Magadha, in het dorp Mahātittha als zoon van de rijke brahmaan Kapila.[1] Zijn moeder heette Sumanādevi. Hijzelf werd Pippali genoemd.[2]

        Hij zou al op jonge leeftijd de wens hebben gehad om als asceet te leven. Hij wilde daarom niet trouwen. Hij wilde wel voor zijn ouders zorgen tot aan hun dood. Maar daarna wilde hij een asceet worden. Op herhaald verzoek van zijn ouders stemde hij uiteindelijk toe om te gaan trouwen. Een meisje werd voor hem uitgekozen, de dochter van een rijke brahmaan. Zij heette Bhadda Kapilani. Ook zij wilde liever een religieus leven leiden als vrouwelijke asceet. Maar de ouders van beiden regelden het huwelijk. Pippali en Bhadda Kapilani besloten toch een celibatair leven te leiden. Vele jaren leefden zij in geluk en rijkdom samen, zonder zorgen.

Pippali kreeg na de dood van zijn ouders de zorg voor hun uitgebreide bezittingen. Volgens de overlevering zag hij op een dag bij het ploegen van de velden hoe vogels de wormen oppikten. Hij zag dat het werken op het veld leed bracht aan andere levende wezens. Hij vroeg aan een van zijn arbeiders wie de gevolgen van zo’n daad zou dragen. Het antwoord luidde dat hij zelf verantwoordelijk ervoor was. Hij ging naar huis en dacht dat het beter was de weelde op te geven in plaats van te doden. Hij wilde alles aan zijn vrouw geven en een ascetisch leven gaan leiden.

Maar thuis had zijn vrouw een gelijksoortige ervaring. Sesam zaad was uitgespreid om te drogen en kraaien en andere vogels aten de insecten die door het zaad waren aangelokt. Zij vroeg haar bedienden wie verantwoordelijk was voor de dood van zoveel schepsels. Het antwoord luidde dat zij zelf verantwoordelijk ervoor was. Zij wilde toen wachten tot Pippali thuis was, hem dan alles wilde overhandigen en dan een ascetisch leven wilde gaan leiden.[3]

        Toen Pippali thuis kwam, wilden beiden het leven in huis opgeven en een huisloos leven als asceet leiden. Zij kleedden zich in vaalgele gewaden, schoren het hoofdhaar af en gingen met een aarden nap op weg. “Wij dragen de verdiensten van dit uit het huis gaan op aan de Arahants in de wereld,” zouden zij gezegd hebben. Zij gingen niet samen maar kozen ieder een andere route, op zoek naar het hoge doel van arahantschap.[4] Aldus het commentaar.[5]

na de wijding

Hellmuth Hecker geeft veel verhalen over de vroegere levens van Kassapa en Bhadda Kapilani. Maar die verhalen zijn van oorsprong volksverhalen die omgevormd zijn tot educatieve verhalen door Kassapa en/of Bhadda Kapilani tot hoofdpersoon ervan te maken. Het zijn geen werkelijk gebeurde feiten; het zijn geen echt gebeurde levensverhalen. Daarom heb ik die zogenaamde geboorteverhalen hier weggelaten. Ze geven een verkeerd beeld van beide personen.

De Jatakas met Maha Kassapa als hoofdpersoon erin moeten pas na zijn overlijden zijn uitgekozen. Iemand met zulke eigenschappen moest die in vroegere levens al ontwikkeld hebben. Dat wilde men met die verhalen aantonen. Maar we moeten niet vergeten dat het aangepaste volksverhalen zijn.

In het eerste jaar na de Verlichting van de Boeddha ontstond bij Pippali de gedachte dat het niet gemakkelijk is voor iemand die in het huis leeft om een heel volkomen, heel rein heilig leven te leiden. Iets daarna liet hij hoofdhaar en baard afscheren, trok het gele gewaad aan en ging leven als asceet. Hij maakte voor zich een gewaad uit stukken van oude weggeworpen kleren en ging op weg van Rajagaha naar Nalanda. Onderweg zag hij de Boeddha zitten bij een gedenkteken.[6] Pippali ging naar hem toe, wierp zich met het hoofd bij de voeten van de Verhevene terneer en zei: “De Verhevene is mijn meester, ik ben zijn leerling.” De Boeddha antwoordde dat Pippali zich als volgt moest oefenen: “Pijnlijke zekerheid en fijngevoeligheid moeten aanwezig zijn. Wat voor leerreden je ook zult horen die het goede bevatten, die moet je allemaal opnemen en overwegen. Oplettend moet je naar de leer luisteren. Voortdurend moet je oplettendheid bij het lichaam uitoefenen.”[7] Pippali werd in de Orde opgenomen en kreeg de naam Kassapa.

ruiling van gewaad

Niet lang daarna ging de Verhevene langs de weg aan de voet van een boom zitten. De eerwaarde Kassapa vouwde toen zijn gewaad uit stukken stof viervoudig op en spreidde het uit. Hij vroeg aan de Boeddha erop te gaan zitten opdat het Kassapa lange tijd tot heil en zegen zou strekken. De Boeddha ging op het opgevouwen gewaad zitten en zei dat het zacht was. Kassapa vroeg toen aan de Boeddha het gewaad aan te nemen. De Boeddha vroeg of Kassapa dan het versleten gewaad van de Boeddha wilde dragen. En beiden ruilden van gewaad.[8]

Maha Kassapa

Op de achtste dag na de wijding kreeg de eerwaarde Kassapa het hoogste inzicht, hij werd toen een volmaakte heilige. (S.16.11).

Hij werd een van de vooraanstaande discipelen van de Boeddha.

De eerwaarde Kassapa kreeg later de naam Mahā Kassapa om hem te onderscheiden van andere monniken met de naam Kassapa en omdat hij grote eigenschappen had. Hij oefende de strenge praktijken (dhutanga) uit. Hij leefde voornamelijk in een bos of op een heuvel. Hij leefde van aalmoezen. Hij droeg gewaden gemaakt van lompen. Hij bezat alleen de drie gewaden (ondergewaad, bovengewaad en mantel). Hij was genoegzaam en energiek.

Hij werd door de Boeddha als voorbeeld gesteld wat betreft tevredenheid. Want Kassapa was tevreden met elk gewaad, met elk aalmoes, met elke slaapplaats, met elk gebruiksvoorwerp en elk geneesmiddel.[9]

Eens kreeg de eerwaarde Mahā Kassapa een beetje eten van een melaatse. Toen deze het voedsel in de nap deed, viel een vinger van die melaatse in de nap. Mahā Kassapa at het eten op en voelde geen afkeer tijdens het eten noch erna.[10]

Mahā Kassapa was graag alleen, in de bossen of op de heuvels. Hij vermeed zoveel mogelijk het gezelschap van anderen. Hij vond dat men dan te veel afgeleid wordt en dat concentratie dan moeilijk is.[11] Na de rondgang voor aalmoezen ging Mahā Kassapa onvermoeid naar de top van een heuvel. Daar ging hij dan mediteren, vrij en ongebonden.[12] Hij hield ervan te vertoeven in de vrije natuur. Hij was graag in de heuvels, bedekt met wijnranken, waar heldere koele beken stroomden, waar de geluiden van olifanten en pauwhanen weerklonken, waar apen rondklommen en herten rondliepen, en waar vogels in groepen rondvlogen. Op zulke plekken ging hij graag mediteren, vastberaden en oplettend.[13]

Mahā Kassapa verbleef echter ook bij de monniken in kloosters, zoals blijkt uit meerdere suttas. Hij had enkele leerlingen die de strenge praktijken navolgden (zie S.14.15). En hij preekte ook tot anderen.

De eerwaarde Maha Kassapa werd eens door de Boeddha aan de Orde voorgesteld als iemand die alle meditatieve verdiepingen kon intreden net zoals de Boeddha zelf dat kon. Ook bezat Mahā Kassapa de bovennatuurlijke krachten net zoals de Boeddha; hij had het hemelse oog en het hemelse oor net zoals de Boeddha; hij onderkende het gemoed van anderen net zoals de Boeddha; hij herinnerde zich aan verscheidene vroegere vormen van bestaan net zoals de Boeddha; hij zag net zoals de Boeddha met het hemelse oog hoe de wezens wedergeboren werden overeenkomstig hun wilsacties; hij had de volmaakte heiligheid verwerkelijkt, net zoals de Boeddha dat had verwerkelijkt.[14]

Verzoek om te vermanen

Eens, te Rājagaha, in het Kalandakanivāpa, ging de eerwaarde Mahā Kassapa naar de Verhevene toe, begroette hem eerbiedig en ging terzijde neerzitten. De Boeddha vroeg toen aan Kassapa: “Vermaan de bhikkhus, Kassapa, houdt een leerrede. Als jij het niet doet, zal ik preken.”[15]

De eerwaarde Maha Kassapa gaf ten antwoord: “Tegenwoordig is het moeilijk om tot de bhikkhus te praten. Ze hebben eigenschappen die het moeilijk maken tot hen te praten. Ze zijn ontoegankelijk.[16] Ze tonen geen eerbied voor een toespraak.[17]

De Boeddha: “Maar vroeger, Kassapa, zijn de eerwaarde bhikkhus bosbewoners geweest en hebben het bosleven geprezen. Zij leefden van aalmoezen en hebben een dergelijk leven geprezen. Zij droegen kleren van lompen en prezen het dragen van kleren van lompen. Zij bezaten slechts drie gewaden en prezen het bezit van drie gewaden. Zij waren genoegzaam en hebben genoegzaamheid geprezen. Zij waren tevreden en hebben tevredenheid geprezen. Zij leefden alleen en hebben het alleen leven geprezen. Zij waren zonder seksuele omgang en hebben een dergelijk leven geprezen. Zij waren energiek en hebben de energie geprezen.

Wanneer dan een bhikkhu die een bosbewoner was en het bosleven prees, of een bhikkhu die van aalmoezen leefde en dat leven prees, of iemand die lompenkleren droeg en het dragen ervan prees, of iemand die slechts drie gewaden bezat en het bezit ervan prees, of iemand die genoegzaam was en de genoegzaamheid prees, of iemand die tevreden was en de tevredenheid prees, of iemand die alleen leefde en dat leven prees, of iemand die zonder seksuele omgang was en dat leven prees, wanneer een bhikkhu energiek was en de energie prees, dan plachten de eerwaarde bhikkhus hem uit te nodigen om te gaan zitten. Zij vroegen dan naar zijn naam en prezen hem, met de gedachte dat hij graag onderricht wilde geven.

Dan kwam bij de jonge bhikkhus de volgende gedachte op: “Wanneer een bhikkhu een bosbewoner is, van aalmoezen leeft, lompenkleren draagt, slechts drie gewaden bezit, genoegzaam is, tevreden is, alleen leeft, geen seksuele omgang heeft, energiek is, en dat leven prijst, dan plegen de ouderlingen hem uit te nodigen om te gaan zitten. En die jonge bhikkhus zullen dan ernaar streven zoals die bosmonniken te worden. En dat zal hun lang tot heil en zegen strekken.

Maar tegenwoordig, Kassapa, zijn de eerwaarde bhikkhus geen bosbewoners meer en prijzen het leven in een bos niet. Zij leven niet van aalmoezen, dragen geen lompenkleren, bezitten niet slechts drie gewaden, zijn niet genoegzaam, zijn niet tevreden, leven niet alleen, hebben seksuele omgang, zijn niet energiek en prijzen de energie niet.

Wanneer dan een bhikkhu welbekend is en beroemd, en wanneer hij gewaden, aalmoezenspijs, bed en uitrusting met gebruiksvoorwerpen en geneesmiddelen voor zieken (rijkelijk) ontvangt, dan nodigen de eerwaarde bhikkhus hen uit om te gaan zitten. De jonge bhikkhus zien dat en bij hen komt de gedachte op dat beroemde bhikkhus uitgenodigd worden om te gaan zitten. Zij streven er dan naar om zo te worden zoals die welbekende bhikkhus. En dat zal hen lang tot onheil en leed strekken.

Terecht kan men dan, Kassapa, zeggen: “Schade hebben de vrienden van het heilige leven ondervonden door datgene wat het heilige leven schaadt,[18] geteisterd zijn zij daardoor.”[19]

Ook bij twee andere gelegenheden vroeg de Boeddha aan Maha Kassapa om een leerrede te houden. Als Mahā Kassapa het niet deed, dan zou de Boeddha zelf preken. Mahā Kassapa gaf toen eveneens het antwoord dat het moeilijk was om tot de bhikkhus te spreken, dat zij niet geduldig waren om iets aan te nemen, dat zij niet toegankelijk waren voor vermaningen en dat zij geen eerbied toonden als zij een toespraak gehoord hadden.[20] 

Als hij voor aalmoezen rondging, was Mahā Kassapa steeds welkom bij de gezinnen. Hij was nooit onbescheiden. Hij had geen voorkeur voor bepaalde gezinnen. Hij koesterde ook geen gedachten dat zij hem veel zouden geven. Als hij niets kreeg, was hij niet bedroefd. Hij werd daarom door de Boeddha als voorbeeld gesteld wat betreft het opzoeken van gezinnen.[21]

Verder zei de Verhevene dat Mahā Kassapa de leer aan anderen preekte uit mededogen, met zuivere gedachten. Hij wenste geen voordeel ervan voor zich. Maar Mahā Kassapa onderwees de leer met de gedachte: “De Verhevene heeft de leer goed uitgelegd. Ze nodigt uit tot onderzoek. Ze leidt naar het hoge doel en is door wijzen op eigen kracht te begrijpen. Mogen degenen die de leer vernemen, die dan begrijpen.” Ook wat betreft de zuivere gedachten bij het onderrichten werd Mahā Kassapa als voorbeeld gesteld.[22]

aanbieding van gebak

Op een feestdag ging de Boeddha naar de stad Rajagaha voor aalmoezen, vergezeld van een groep monniken. Onderweg kwamen zij enkele jongens tegen die naar een tuin gingen. De jongens droegen enkele manden met gebak. Zij brachten hulde aan de Boeddha, maar boden hun gebak niet aan. De Boeddha zei aan zijn monniken: "Hoewel deze jongens niets van het gebak aanboden, komt er toch een monnik die de taarten zal ontvangen vlak achter ons. Wij gaan pas verder nadat deze jongens hun gave hebben gebracht." Na deze woorden rustten de Boeddha en zijn monniken in de schaduw van een boom. Precies op dat moment kwam de eerwaarde Maha Kassapa langs. De jongens mochten hem meteen, brachten hulde en boden hem het gebak aan.

De eerwaarde Maha Kassapa gaf de jongens toen de raad: "Mijn leraar, de Verhevene, rust daarginds onder een boom, vergezeld van enkele monniken. Ga en biedt hem jullie gebak aan." De jongens deden wat hun werd gezegd. De Boeddha nam hun gave aan. Later merkten sommige monniken op dat de jongens begunstiging voor Maha Kassapa toonden. De Boeddha legde toen uit: "Bhikkhus, alle monniken die zijn zoals mijn zoon Kassapa, zijn geliefd bij zowel devas als mensen. Dergelijke monniken ontvangen altijd de vier benodigdheden van monniken.”

“Wie volmaakt is in deugdzaamheid en inzicht, wie gevestigd is in de Dhamma, de waarheden heeft verwerkelijkt, en zijn eigen plichten vervult, - hem houden mensen dierbaar.”[23]

op een bijeenkomst van nonnen

Eens vertoefde de eerwaarde Mahā Kassapa te Savatthi in het Jetavana-park. Hij werd er door de eerwaarde Ānanda uitgenodigd om naar een bijeenkomst van de nonnen te gaan. Samen met Ānanda ging Mahā Kassapa toen naar haar toe en preekte tot haar. De non Thullatissā was er ontevreden over en zei: “Hoe kan Kassapa het passend vinden om de leer te preken in bijzijn van de wijze Ānanda.” Mahā Kassapa was gekwetst[24] door deze woorden. Ānanda bracht hem tot rust.[25]

Mahā Kassapa zei toen aan Ānanda dat hij persoonlijk door de Boeddha aan de Orde was voorgesteld als iemand die alle meditatieve verdiepingen kon intreden net zoals de Boeddha zelf dat kon. Ook had de Verhevene Mahā Kassapa aan de Sangha voorgesteld als iemand die de bovennatuurlijke krachten bezat, die het hemelse oog en het hemelse oor had, die het gemoed van anderen onderkende, die zich aan verscheidene vroegere vormen van bestaan herinnerde, die met het hemelse oog zag hoe de wezens wedergeboren werden overeenkomstig hun wilsacties, die de volmaakte heiligheid had verwerkelijkt, net zoals de Boeddha dat had verwerkelijkt.[26]

Mahā Kassapa verwees toen naar woorden van de Boeddha, tot hem gesproken te Savatthi.[27] Hij stelde zich met die woorden op gelijk niveau als de Boeddha. Maar was dat ook zo? Mahā Kassapa werd genoemd als de vooraanstaande van degenen die de strenge praktijken navolgden maar niet als de eerste van degenen die bovennatuurlijke krachten bezaten. Dat was de eerwaarde Mahā Moggallana. En degene die de vooraanstaande was van degenen die het hemelse oog hadden, was de eerwaarde Anuruddha.[28]

Het hebben van die eigenschappen was toen niet iets bijzonders. Veel discipelen van de Boeddha waren zo wonderkrachtig, zo machtig als de eerwaarden Mahā Moggallāna, Mahā Kassapa, Kappina en Anuruddha. Veel discipelen hadden wonderkracht (iddhi), konden zich aan vroegere vormen van bestaan herinneren, hadden het goddelijk oog en waren volmaakte heiligen.[29]

Waarom Mahā Kassapa toen aan Ānanda vertelde welke vermogens hij allemaal had en zich op gelijk niveau stelde als de Boeddha, is onduidelijk. Volgens Hellmuth Hecker was het bedoeld om Ānanda aan te sporen ook naar die niveaus van meditatie en naar volmaakte heiligheid te streven. Volgens mij kan het ook zijn dat die passage later is toegevoegd. Want een volmaakte heilige pocht niet met zijn verworven eigenschappen en acht zich niet minder, gelijkwaardig of meer dan iemand anders.

ongedisciplineerde jonge monniken

Eens verbleef Mahā Kassapa te Rajagaha. Ānanda trok toen ten zuiden van de heuvels van Rājagaha rond met een groep jonge monniken. En dezen waren niet erg gedisciplineerd. Na zijn rondgang ging Ānanda naar de plek waar Mahā Kassapa vertoefde. Mahā Kassapa verweet Ānanda toen het gebrek aan oefening van die jongelingen. Hij maakte Ānanda verwijten, noemde hem een vertrapper van gewassen en een bederver van gezinnen. Ook zei Mahā Kassapa: “Deze knaap kent zijn eigen maat niet.” Ānanda gaf ten antwoord: “Kassapa, mijn hoofd is al vol met grijze haren en toch zegt u nog steeds ‘knaap’ tegen mij.” De non Thullanandā ergerde zich over deze gebeurtenis. “Hoe durft Kassapa, die eens tot een andere sekte behoorde, de wijze Ânanda te berispen door hem knaap te noemen.” Mahā Kassapa zei toen dat die non te vlug en zonder overleg gesproken had. Want vanaf zijn intrede in de Orde had hij geen andere meester tot toevlucht gehad dan de Verhevene. Hij sprak toen ook erover dat hij eens zijn gewaad had geruild tegen dat van de Verhevene. Daarom was Mahā Kassapa een echte zoon van de Verhevene, een erfgenaam van de waarheid.[30] Verder zei Mahā Kassapa toen weer dat hij alle jhanas kon intreden net zoals de Boeddha dat kon, dat hij beschikte over de zes bovennatuurlijke krachten en dat hij net zoals de Boeddha de volmaakte Verlichting had bereikt.[31]

Kassapa bezat de iddhi-vermogens. Die kunnen ook verkregen worden door mensen die geen volgelingen van de Boeddha zijn. Het verkrijgen van die vermogens is door de Boeddha niet aanbevolen. Ānanda bezat de kracht van onderrichten. Dat vermogen wordt bij Maha Kassapa niet vermeld.

Waarom Mahā Kassapa die toch een volmaakte heilige was, hier weer zijn vermogens opsomde, is mij niet duidelijk. Is dat tekstgedeelte misschien door leerlingen van Mahā Kassapa ingevoegd?

in de Pipphali grot

Eens vertoefde de Verhevene te Rājagaha in het Veluvana-park. Op die tijd verbleef de eerwaarde Mahā Kassapa in de Pipphali-grot. Hij werd er door een ziekte gekweld; hij leed zeer daaronder en was zwaar ziek. Toen stond de Gezegende op van zijn eenzame plek en bracht in de avonduren een bezoek aan de eerwaarde Mahā Kassapa, ging naast hem zitten op een voor hem gereed gemaakte stoel en sprak: “Wel, Kassapa, hoe is het met je? Kun je het uithouden? Kun je je lijden verdragen? Zijn er tekenen dat je pijn afneemt? Of neemt ze toe?” Het antwoord van Maha Kassapa luidde: “Neen, Eerwaarde Heer, ik kan het niet uithouden, ik kan het niet verdragen, de pijn is erg groot. Er is geen teken dat de pijn afneemt, maar wel dat ze toeneemt.” De Boeddha zei daarop: “Welnu, Kassapa, de volgende zeven factoren van Verlichting zijn goed door mij uitgelegd. Het zijn: 1. Oplettendheid. 2. Onderzoek van de leer. 3. Inspanning met volharding. 4. Vervoering. 5. Kalmte. 6. Concentratie. 7. Gelijkmoedigheid. Deze zeven factoren van Verlichting zijn goed door mij uitgelegd, beoefend en volledig door mij tot ontwikkeling gebracht. Zij leiden naar een volmaakt begrip, naar een volledige verwerkelijking van de vier edele waarheden en naar Nibbāna.” De eerwaarde Maha Kassapa verklaarde hierop: “Waarlijk, zij zijn de factoren van Verlichting. Waarlijk, zij zijn de factoren van Verlichting.” Hij verheugde zich in zijn hart over de woorden van de Boeddha. Hierna herstelde de eerwaarde Maha Kassapa van zijn kwaal en die kwaal verdween.[32]

goddelijk voedsel

De eerwaarde Maha Kassapa vertoefde eens nabij Rajagaha en werd er ziek. Toen hij weer aan de beterhand was, ging hij naar Rajagaha voor aalmoezen. Veel godheden wilden hem hemels voedsel brengen. Maar Maha Kassapa weigerde dat.[33] Hij ging naar de wijk van de wevers, waar veel armen en behoeftigen woonden. De Boeddha die toen ook te Rajagaha verbleef, zag dit en zei: “Wie alleen gaat, niet voor anderen zorgt, niet bekend vanwege zijn eigenschappen, beheerst, gevestigd in de kern van de waarheid, zonder smetten of fouten, hem noem ik een brahmaan.” [34]

Bij de meerderheid van de udanas moet de samensteller het verhaal en de oude uitspraak hebben samengevoegd. Of bovenstaand verhaal over Mahā Kassapa en de uitspraak van de Boeddha inderdaad bij elkaar horen, is niet zeker.

Bij twee andere gelegenheden is eveneens sprake van een ontmoeting van Maha Kassapa met een godheid. Of die verhalen inderdaad betrekking hebben op Maha Kassapa, is niet zeker. Ik heb ze echter hier opgenomen.

Eens verbleef de eerwaarde Maha Kassapa zeven dagen lang in onafgebroken meditatie in de Pipphali grot. Toen hij uit die meditatie kwam, zag hij een arme maar devote jonge vrouw die eten klaarmaakte. Om haar de gelegenheid te geven iets aan een volmaakte heilige te geven, ging hij naar het huis van haar toe en bleef er staan voor aalmoezen. De jonge vrouw was erg blij toen zij de eerwaarde Maha Kassapa zag. Vol eerbied zei zij: “Eerwaarde heer, moge ik door deze nederige gave van mij de waarheid inzien.” De eerwaarde Maha Kassapa gaf ten antwoord: “Zo zal het zijn.”

Iets later werd de jonge vrouw door een giftige slang gebeten. Zij werd in de Tavatimsa hemel wedergeboren als een godheid met grote pracht. De godheid besefte dat zij daar was wedergeboren dankzij het eten dat zij aan de eerwaarde Maha Kassapa had gegeven. Zij was hem erg dankbaar en besloot verder te gaan met het doen van verdienstelijke daden. Elke morgen ging zij naar het klooster en veegde er het erf, vulde de waterpotten, en deed andere diensten.

Aanvankelijk dacht Maha Kassapa dat jonge novicen die diensten hadden verricht. Maar op een dag ontdekte hij dat een vrouwelijke godheid die diensten had verricht. Hij vroeg haar niet meer naar het klooster te komen. De mensen zouden anders beginnen te praten omdat zij vaker gezien was in het klooster. De godheid was erg bedroefd en smeekte hem luidkeels: “Eerwaarde heer, vernietig niet mijn rijkdom, mijn weelde.”

De Boeddha hoorde haar. Hij troostte haar met de woorden dat verdienstelijke daden erg belangrijk zijn. Maar als een jonge vrouw was het niet raadzaam voor haar om naar het klooster te komen en er activiteiten te verrichten. De eerwaarde Maha Kassapa moest immers ontzegging uitoefenen.

 “Als iemand een verdienstelijke daad verricht,

dan moet hij het steeds weer doen.

Hij moet er behagen in scheppen.

Vol zegen is het ophopen van verdienste.”[35]

Eens vertoefde de Boeddha nabij Rajagaha in een bos. De eerwaarde Maha Kassapa zat toen zeven dagen lang in een grot in diepe meditatie verzonken. Na uit die meditatieve sfeer gekomen te zijn, ging de eerwaarde Maha Kassapa naar een wijk waar arme mensen woonden in de stad Rajagaha om er aalmoezen te vergaren. Vijfhonderd vrouwelijke godheden waren toen bezig om maaltijden voor de eerwaarde Maha Kassapa gereed te maken. Hij wees die hemelse gaven echter af. Want hij wilde een arm mens de gelegenheid geven om grote verdienste te verwerven.

Sakka, de koning van de goden, wilde van de gelegenheid gebruik maken om aan Maha Kassapa aalmoezen te geven en ook verdiensten te verwerven. Hij ging met zijn vrouw naar Rajagaha en nam de vorm aan van een arme oude wever. De eerwaarde Maha Kassapa ging van huis tot huis en kwam ook bij de deur van Sakka. De oude wever nam de nap van Kassapa en vulde die nap met voedsel. De heerlijk geur van die maaltijd verspreidde zich overal. Toen besefte Maha Kassapa dat die oude man Sakka zelf was.

“Doe dat niet meer,” zei Kassapa. “Maar ook wij hebben verdiensten nodig,” zei Sakka. “Ook wij moeten verdiensten verwerven.” Maha Kassapa zei dat Sakka verdiensten verworven had. Hierna groetten Sakka en zijn vrouw de eerwaarde Maha Kassapa vol eerbied en vertrokken.

In de lucht sprak Sakka drie keer vol vreugde: “Het geven van aalmoezen aan Kassapa is zeer goed.” [36]

De Boeddha vertelde aan de bhikkhus over die gebeurtenis. De monniken vroegen zich af hoe Sakka had geweten dat Kassapa uit zijn meditatieve verdieping was gekomen en dat het de juiste tijd was om hem iets aan te bieden. Het antwoord van de Boeddha luidde: “Monniken, de reputatie van een deugdzame zoals Maha Kassapa verspreidt zich wijd en zijd, tot zelfs in de wereld van de godheden. Op grond van zijn goede reputatie kwam Sakka zelf om aan Maha Kassapa eer te betuigen.”

“De monnik die rondgaat voor aalmoezen tot onderhoud voor zichzelf, die niemand anders heeft om voor te zorgen, iemand in vrede, en steeds oplettend, - hij is dierbaar bij godheden.” [37]

“De geur van tagara en van sandelhout is erg zwak. Maar de geur (reputatie) van de deugdzame is zeer sterk. Hij strekt zich uit tot zelfs in de verblijven van de goden.[38]

over zelfoverschatting

Eens vertoefde Mahā Kassapa in het bamboepark te Rajagaha. Hij hield er een toespraak tot de monniken. “Wie beweert dat hij de volmaakte Verlichting heeft bereikt, maar dat niet heeft bereikt, overschat zichzelf. Hij kan veel weten maar hij heeft niets bereikt. Hij is nog vol hebzucht, vol begeerte, vol starheid en traagheid, hij is opgewonden en heeft twijfel. Hij vindt plezier in praten, slapen, omgang met anderen. Hij is niet oplettend. Er was nog iets hogers te doen maar die monnik stopte halverwege om een voordeel te verkrijgen. Dat geldt als een teruggang. Maar als hij die dingen heeft overwonnen, kan hij de volmaakte heiligheid bereiken.”[39]

wat is heilzaam

Eens vertoefden de eerwaarden Mahā Kassapa en Sāriputta te Isipatana. In de avond ging Sāriputta na de meditatie naar Mahā Kassapa toe en vroeg hem of de Verhevene na de dood is of niet is of zowel is als niet is. Het antwoord luidde dat de Verhevene daarover niets had meegedeeld omdat het niet heilzaam is, niet naar de volmaakte Verlichting leidt. Sariputta vroeg toen wat de Boeddha wel had meegedeeld. En Kassapa gaf ten antwoord dat de Boeddha de vier edele waarheden – lijden, oorsprong ervan, opheffing ervan en pad dat leidt naar de opheffing van lijden – had meegedeeld. Want dat is heilzaam, leidt naar de volmaakte Verlichting.[40]

Sariputta, een volmaakte heilige, kende de antwoorden op de vragen die hij aan Mahā Kassapa stelde. Maar omwille van de bhikkhus in zijn gevolg voor wie de antwoorden van Mahā Kassapa nuttig waren, werden die vragen gesteld.

fijngevoelig

Bij een andere gelegenheid, te Isipatana, spraken Mahā Kassapa en Sariputta weer met elkaar. Degene die niet fijngevoelig en niet ijverig is, kan de volmaakte heiligheid niet verkrijgen. Maar degene die fijngevoelig en ijverig is, kan de volmaakte heiligheid verkrijgen. Want hij denkt: “Het kwade dat in mij nog niet is ontstaan, kan, als het ontstaat, tot nadeel strekken. Het kwade dat in mij is ontstaan, moet opgegeven worden. In mij moet het goede ontstaan en het moet daar blijven.”[41]

voorschriften

Eens vertoefde de Verhevene in het Jetavana-park te Savatthi. De eerwaarde Mahā Kassapa ging naar hem toe en vroeg waarom er vroeger minder voorschriften waren en meer bhikkhus die volmaakt heilig waren; en waarom er thans meer voorschriften waren en minder bhikkhus die volmaakt heilig waren. De Boeddha zei dat de goede leer verdwijnt als het moreel gedrag van de mensen achteruit gaat. Dan komen er meer voorschriften en dan zijn er minder heiligen. Als dwaze mensen de goede leer vervalsen, dan gaat de leer verdwijnen. Maar de goede leer zal niet verdwijnen zolang de volgelingen van de Boeddha vol eerbied en hoogachting zijn tegenover de Meester, tegenover de leer, tegenover de gemeenschap (van de heiligen), tegenover de training en tegenover geestelijke concentratie.[42]

leven als bosbewoner

Eens zei de Boeddha tot Mahā Kassapa: “Kassapa, je bent oud geworden. De versleten lompenkleren zijn lastig voor je. Draag daarom gewaden die door leken geschonken zijn, geniet van hun uitnodigingen en woon in mijn nabijheid.” Mahā Kassapa antwoordde dat hij al lang een bosbewoner was en van aalmoezen leefde en dat hij zo'n leven prees. Hij zei dat hij al lang de strenge praktijken navolgde, tevreden was en alleen leefde. Op de vraag van de Boeddha waarom Mahā Kassapa zo’n leven leidde, zei Kassapa: “Omwille van mijn eigen welbevinden en uit medelijden met het latere geslacht. Dat zal er een voorbeeld aan nemen en ernaar streven zo te worden. En dat zal hen tot heil en zegen strekken.” De Boeddha zei toen dat Mahā Kassapa had gestreefd naar het heil en geluk van veel mensen. Hij zou maar zo blijven leven als hij gewend was.[43]

onderweg van Pāvā naar Kusināra

Mahā Kassapa was niet aanwezig bij het overlijden van de Boeddha. Hij was toen onderweg van Pāvā naar Kusināra met een grote menigte monniken. Op zijn route ging de eerwaarde Mahā Kassapa van de weg af en ging aan de voet van een boom zitten.[44] Intussen naderde een naakte asceet, een Ajīvaka,[45] die op weg was naar Pāvā. Hij had een mandārava-bloem[46] in Kusināra tot zich genomen. De eerwaarde Mahā Kassapa zag de Ajīvaka van verre aankomen. Toen deze naderbij kwam, zei hij tot hem: “Vriend, weet jij iets over onze Leraar?”[47] – “Ja, vriend, ik weet iets. Heden zijn het zeven dagen geleden dat de boeteling Gotama volledig uitgedoofd is. Vandaar heb ik deze mandarava-bloem meegebracht.”[48]

Na de mededeling van die asceet hieven sommige monniken die nog niet vrij van hartstochten waren, hun armen omhoog en weenden. Anderen wierpen zich op de grond neer, rolden heen en weer en zeiden: “Veel te vlug is de Verhevene uitgedoofd; veel te vlug is de Gezegende uitgedoofd; veel te vlug is het oog der wereld verdwenen.” Maar de monniken die vrij van hartstochten waren, oplettend en bezonnen, zeiden: “Vergankelijk is alles wat samengesteld is. Een andere mogelijkheid is er niet!”[49]

In die bijeenkomst zat ook een monnik, geheten Subhadda,[50] die pas op oude leeftijd de wijding ontvangen had. En hij zei tot die monniken: “Houdt op, vrienden, maakt u geen zorgen, jammert niet. Wel-bevrijd zijn wij van die grote boeteling. Al te lang zijn wij onderdrukt door zijn woorden: ‘Dat is betamelijk voor jullie; dat is niet betamelijk voor jullie.’ Thans echter kunnen wij datgene doen wat wij willen; en wat wij niet willen, zullen wij niet doen.”[51]

Maar de eerwaarde Mahā Kassapa zei tot de monniken: “Houdt op, vrienden, maakt u geen zorgen, jammert niet. Want de Verhevene heeft immers voorheen aan jullie verkondigd dat er bij alles wat lief en dierbaar is, verandering, scheiding en afzondering moet zijn. Vrienden, hoe zou dat anders mogelijk zijn. Dat iets dat geboren, ontstaan, samengesteld, aan verval onderhevig is, niet tot verval geraakt, zoiets is een onmogelijkheid.”[52]

Het vuur van de brandstapel kon door de Mallas zeven dagen lang niet aangestoken worden. Volgens de overlevering hadden de goden[53] een andere bedoeling dan de Mallas. De eerwaarde Anuruddha legde uit dat de bedoeling van de goden als volgt was: ‘De eerwaarde Mahā Kassapa is met een grote menigte monniken op weg van Pāvā naar Kusināra. Niet eerder zal de brandstapel van de Verhevene opvlammen voordat de eerwaarde Mahā Kassapa aan de voeten van de Verhevene zijn verering bewezen heeft.’”

Toen de eerwaarde Mahā Kassapa en zijn groep monniken waren aangekomen en drie keer rond de brandstapel waren gelopen en de voeten van de Verhevene hadden geëerd, vloog de brandstapel volgens de overlevering vanzelf in brand.[54]

Dit moet een verzinsel zijn en later toegevoegd. Misschien heeft men van zijn komst vernomen en met de crematie van de Boeddha gewacht totdat hij met zijn discipelen arriveerde.

eerste concilie

Mahā Kassapa herinnerde zich de woorden van Subhadda dat zij nu konden doen wat zij graag wilden. Daarom riep Kassapa de monniken samen. Hij was de oudste van hen. Hij zou, vanwege het feit dat de Boeddha met hem van gewaad geruild had, door deze beschouwd zijn als geschikt voor de taak om als voorzitter van de vergadering van monniken te fungeren. Op zijn verzoek moesten alle monniken die geen Arahant waren, Rājagaha in het regenseizoen verlaten.

        

Op het einde van het concilie zou de eerwaarde Ānanda gezegd hebben dat de mindere regels konden worden opgegeven. Hij werd ervan beschuldigd niet te hebben gevraagd welke die mindere regels waren. Er zouden toen verschillende meningen geopperd zijn. Omdat er geen eenheid onder de monniken kwam, zou Mahā Kassapa besloten hebben dat alle regels opgevolgd moesten worden. Maar Ānanda en Mahā Kassapa en ook de andere monniken wisten toen heel goed welke de mindere regels waren. Ānanda hoefde dus niet te vragen wat die regels inhielden. En Mahā Kassapa heeft toen ook niet besloten dat alle regels opgevolgd moesten worden. Dat hele verhaal moet later zijn toegevoegd.

Aan Mahā Kassapa en diens leerlingen werd op het concilie gevraagd zorg te dragen voor de Samyutta Nikaya.

Volgens Hecker zou Maha Kassapa later de nap van de Boeddha overhandigd hebben aan Ānanda, als een symbool van het trouw handhaven van de leer. Op die manier zou Maha Kassapa die algemeen in de Orde als de waardigste in opvolging werd beschouwd, op zijn beurt Ānanda hebben gekozen als de waardigste na hem.

wonderbaarlijke verhalen

Mahā Kassapa werd erg oud. Volgens het commentaar was hij op het eerste concilie 120 jaar, d.w.z. heel oud.

Rond zijn figuur zijn veel wonderbaarlijke verhalen verzonnen. Ze zijn onder andere te vinden in de commentaren en in de Jatakas.

Volgens noordelijke bronnen stierf Mahā Kassapa niet, maar vertoeft hij in de bergen, in samādhi, wachtende op de komst van de volgende Boeddha, Metteyya.[55]

◻  ◻  ◻


[1] Deze brahmaan bezat 16 dorpen.

[2] Het verhaal over de jaren voordat Maha Kassapa in de Orde intrad, is ontleend aan: Hecker, Hellmuth: Maha Kassapa, Father of the Sangha. Revised and enlarged translation from the German by Nyanaponika Thera. Kandy: BPS, 1995. (Internet-versie).

[3] Het verhaal over de vogels die de wormen pikten en opaten en dat hij daarna inzicht zou hebben gekregen in de wet van morele daden en de gevolgen ervan (kamma-vipaka) moet verzonnen zijn. Kassapa was een brahmaan en had voordien waarschijnlijk niets gehoord van de leer van de Boeddha. Het verhaal zelf lijkt erg veel op de legende van prins Siddhattha toen deze mediteerde onder een boom nadat zijn vader het eerste ploegen van de velden had verricht.

           Dit gaat eveneens op voor het verhaal over zijn vrouw Bhadda die inzicht in kamma-vipaka zou hebben gekregen bij het zien van vogels die insecten opaten.

           De wet van kamma-vipaka, wilsacties en morele gevolgen, is zuiver Boeddhistisch. In die leer kunnen beiden niet vóór kennismaking met de leer van de Boeddha inzicht hebben gekregen.

[4] Commentaar: Toen Kassapa en zijn vrouw de wereld verzaakten door verschillende richtingen te gaan op een kruispunt, beefde de aarde. De Boeddha zat toen in het Veluvana in zijn Gandhakuti en merkte wat die aardbeving betekende. Hij liep toen drie gāvutas om zijn latere discipel te ontmoeten. (An 2003, p. 201 noot 4).

[5] Maar ook dit is een verzinsel. Het kan waar zijn dat Kassapa al vroeg in zijn leven een ascetisch leven wilde leiden. Maar dat hij toen al de verdiensten ervan aan de arahants zou hebben opgedragen, lijkt me onwaarschijnlijk. Beslist had hij toen als brahmaan nog niets vernomen van de Boeddhistische niveaus van heiligheid. -  Aan de voorgaande verhalen moet men weinig of geen waarde hechten.

[6] Volgens het commentaar zag Kassapa de aura van de Boeddha en ook zag hij diens 32 kentekenen van een groot man. – Over de 32 kentekenen van een groot man, zie: De Bodhisatta in het Theravāda Boeddhisme. De 32 kentekenen.

[7] S.16.11.

[8] S.16.11. - Hecker merkte op dat dit ruilen van gewaden beschouwd kan worden als een grote eer voor Kassapa. Maar de Boeddha kan er volgens het commentaar ook mee bedoeld hebben Kassapa te motiveren om andere ascetische praktijken (dhutanga) te gaan beoefenen, zoals: alleen drie gewaden dragen en bij het rondgaan voor aalmoezen geen enkel huis overslaan. Zo’n gedrag zou meer in overeenstemming zijn met het dragen van het gewaad van de Boeddha.

           Het is echter eerder aan te nemen dat de Boeddha’s gave een spontane daad was als reactie op de gave van Kassapa’s gewaad aan hem. (An 2003, p. 201 noot 6).

[9] S.16.1.

[10] Thag. 1054-1057.

[11] Thag. 1051-1053.

[12] Thag. 1058-1061.

[13] Thag. 1062-1070.

[14] S.16.9. (S.II.211) Die Versenkungen und die Wunderkräfte, in: Geiger, Wilhelm (Übers.): Samyutta-Nikâya. Die in Gruppen geordnete Sammlung aus dem Pâli-Kanon der Buddhisten. 2. Band, München-Neubiberg 1925, p. 270-276.

[15] Volgens Hecker betekent dit verzoek van de Boeddha dat deze Kassapa’s vaardigheid om de leer te verkondigen erg waardeerde. Want niet elke arahant kon de leer goed uitleggen. – Het commentaar zegt dat de Boeddha hier Kassapa vroeg om de leer te verkondigen, en niet Sariputta en Maha Moggallana, omdat hij wist dat beiden eerder dan hem zouden overlijden. Maar Kassapa zou hem overleven.

[16] niet geduldig om iets aan te nemen.

[17] Ze tonen geen eerbied als ze een toespraak hebben gehoord.

[18] het commentaar zegt dat ermee bedoeld is geschaad door te veel begeerte. (Geiger II, 1925, p. 270, noot 2)

[19] S.16.8. (S.II.208) Ermahnung (3), in: Geiger II, 1925, p. 268-270.

[20] S.16.6; S.16.7.

[21] S.16.3 en S.16.4.

[22] S.16.3.

[23] Dhammapada verhaal XVI:7 bij vers 217 (16: 9): De deugdzamen zijn         aan allen dierbaar.

[24] Het woord “gekwetst” past hier niet. Het is beslist een woordkeuze van latere reciteerders. Een Arahant heeft geen enkel egoïsme meer. De volmaakte heilige voelt zich niet gekwetst door wat dan ook, omdat er niets meer in hem is dat op een “ik” betrekking heeft. Woorden kunnen hem dan ook niet deren. Ananda hoefde hem dan ook niet tot rust te brengen. De gemoedsrust van Maha Kassapa zal door de woorden van de non Thullatissa niet verstoord zijn geworden.

[25] S.16.10.  

[26] S.16.10.

[27] S.16.9.

[28] A.I.24.

[29] S.6.5.

[30] Door het ruilen van gewaden is men geen echte zoon van de Boeddha, is men geen erfgenaam van de waarheid. Maar door de leer juist na te volgen, door een of meer niveaus van heiligheid te bereiken is men een zoon van de Boeddha. – Ik denk dat hier weer iets is ingevoegd.

[31] S.16.11.

[32] S.V.2.

[33] Hecker schreef dat dit aantoont dat Maha Kassapa onafhankelijk van geest was en dat hij vastbesloten was zijn ascetisch leven vol te houden en geen privileges aan te nemen.

[34] Ud. I.6. - De ware brahmaan is volgens de Verhevene degene die vrij is van euvele dingen, die niet hoogmoedig is en die zelfbeheerst is. Hij bedoelde er de volmaakte heilige mee.

[35] Dhp. 118 in: K. Sri Dhammananda: The Dhammapada. 1988, p. 264; en in: Narada: The Dhammapada, 1978, p. 112-113.

[36] Ud. III.7.

[37] Ud. III.7.

[38] Dhp.56, in: Dhammananda 1988, p. 143; en in: Narada 1978, p. 57-58; en Ud. III.7 in: Woodward, F.L. (tr.): Udana. Verses of Uplift; and Itivuttaka. As it was said. (repr.) - London 1985, p. 34-36.; en in: Ireland, John D. (tr.): The Udâna. Inspired Utterances of the Buddha. Kandy 1990, p. 45-47.

[39] A.X.86.

[40] S.16.12.

[41] S.16.2.

[42] S.16.13. - Hecker merkte op dat volgens deze tekst ook de mannelijke en vrouwelijke lekenvolgelingen bewaarders van de leer zijn. Als de Dhamma niet meer leeft bij de monniken, kunnen de leken die nog eren en waarderen.

[43] S.16.5.

[44] D.16. - Volgens het commentaar van Buddhaghosa ging hij er neerzitten om er te rusten in de hete middaguren. (An 2003, p. 193).

[45] Ajīvaka = een naakte boeteling. - Een Ajīvaka was een klasse van naakte asceten die Makkhali Gosala navolgden, een tijdgenoot van de Boeddha. Zij ontkenden karma en de resultaat ervan en geloofden in het lot (voorbestemming). (An 2003, p. 194 noot 1).

[46] mandārava-bloem = hemelse koraalbloem.

[47] Het parinibbāna van de Verhevene zou gepaard zijn gegaan met een aardbeving en door die aardbeving besefte Kassapa dat de Boeddha was overleden. (An 2003, p. 195 noot 4).

[48] Volgens Buddhaghosa dacht Maha Kassapa bij het zien van de mandārava-bloem: “Deze bloem verschijnt niet elke dag onder de mensen. Maar als iemand met bovennatuurlijke krachten een wonder verricht, kan ze verschijnen. Zo verschijnt ze wanneer de alwetende Bodhisatta neerdaalt in de schoot van zijn moeder. Maar vandaag is dat niet het geval. Vandaag heeft mijn Meester ook niet de Verlichting bereikt noch de leer voor het eerst verkondigd. Hij heeft ook niet het tweelingwonder verricht noch afstand gedaan van zijn leven. Beslist heeft mijn Leraar die erg oud is, parinibbāna bereikt.” En Kassapa dacht toen dat het goed was de asceet te vragen. Hij vond het niet eerbiedig tegenover de Leraar als hij zittend zou vragen. Daarom stond hij op, ging terzijde en kleedde zich met het gewaad gemaakt van lompen hetwelk hem door de Verhevene geschonken was. (An 2003, p. 194).

[49] Buddhaghosa vermeldt in zijn commentaar dat er onder het gevolg van Maha Kassapa sommige monniken waren die de Verhevene al hadden ontmoet. Maar anderen hadden hem nog niet ontmoet. Degenen die hem al ontmoet hadden, wilden hem nog een keer zien; en degenen die hem nog niet ontmoet hadden, wilden hem graag zien. Maha Kassapa dacht: “Als degenen die de Verhevene nog niet gezien hebben, nu naar Kusināra gaan met een groot verlangen om hem te zien en dan daar te horen krijgen dat de Verhevene parinibbāna heeft bereikt, zullen zij niet in staat zijn om zich te beheersen. Zij zullen hun gewaden en nappen neerleggen, slechts gekleed in het ondergewaad zich op de bort slaan en luid wenen. Dan zullen de mensen mij berispen en zeggen dat de monniken die met Kassapa kwamen, luid wenen als vrouwen. En zij zullen vragen hoe die monniken dan anderen kunnen troosten. Maar hier is het een afgelegen plek en het is niet verkeerd om te wenen. Als zij het van tevoren weten, wordt hun verdriet verminderd.” Daarom vroeg Maha Kassapa het aan de asceet, hoewel hij het al wist, zodat de monniken in staat waren oplettendheid te herkrijgen. (An 2003, p. 195-196).

[50] Meer over deze monnik, zie: Subhadda.  

[51] Kassapa hoorde de woorden van Subhadda en was bezorgd over de leer. Hij dacht: “Als deze man inderdaad in staat is om anderen om zich heen te verzamelen die net zoals hij denken, dan zal de leer verdwijnen. En als ik hier ter plekke die oude man uit de Orde zet, zullen de mensen denken dat er al twist is onder de monniken terwijl de Verhevene nog niet gecremeerd is. Laat ik daarom geduld beoefenen en de Dhamma en de Vinaya laten reciteren. Dan zullen die stevig gegrondvest zijn. Om die reden liep de Verhevene drie mijlen om mij te ontmoeten, gaf mij de wijding met drie leerreden, ruilde zijn eigen gewaad tegen dat van mij en liet mij de leer inzien. Ik zal de Dhamma en de Vinaya laten reciteren om verkeerde leringen eruit te verwijderen. Dan zullen de monniken weten wat juist en wat niet juist is. En dan zal de boze man gecensureerd worden en zich niet kunnen handhaven. De leer zal voorspoedig en populair zijn.” Zonder deze gedachtegang mee te delen, troostte hij de monniken. (An 2003, p. 200-202).

[52] D.16. - Schneider merkte op dat de episode met de monnik Subhadda later toegevoegd is. (Schneider 1980, p. 128-132).

[53] Met die goden zijn volgens het commentaar bedoeld de goden die Maha Kassapa begeleidden. Tachtigduizend families die voor de tachtig grote discipelen zorgden, kregen vertrouwen in hen en werden wedergeboren in de hemel. Toen die goden Maha Kassapa niet bij de gemeenschap rond de brandstapel zagen, vroegen zij zich af waar de ouderling was. Zij zagen dat hij onderweg was en besloten de brandstapel niet eerder te laten ontbranden totdat Maha Kassapa er zijn opwachting had gemaakt. (An 2003, p. 202-203).

           Volgens een andere versie gaf Anuruddha ten antwoord dat de goden Maha Kassapa dankbaar waren en dat door hun macht de vlammen niet wilden branden voordat de ouderling was aangekomen. (An 2003, p. 203 noot 3).

[54] D.II.163. - Buddhaghosa’s commentaar: Na om de brandstapel te zijn heengegaan, keek Maha Kassapa goed waar de voeten waren. Hij ging er dicht bij staan en bereikte er het vierde jhāna dat de basis is van intuïtieve kennis. Hij kwam weer uit die meditatieve verdieping en besloot: “Laten de voeten van de Verhevene de honderd paren van gewaden met de omhulsels van katoen in tweeën splijten, en de gouden kist, en de brandstapel van sandelhout, en moge dat alles op mijn hoofd geplaatst worden.” En zo geschiedde. De ouderling strekte zijn armen uit, greep de goudkleurige voeten van de Verhevene vast bij de enkels en legde ze op zijn hoofd. (An 2003, p. 203-204).

                 De grote menigte zag het wonder en zij brachten eer met reukwerken en bloemenkransen. De voeten van de Verhevene maakten zichzelf vrij van de handen van de ouderling en gingen naar hun eigen plaats terug zonder iets te verstoren in de brandstapel. Alles was weer zoals tevoren. (An 2003, p. 205).

           Volgens Chinese versies was Maha Kassapa teleurgesteld toen hij vlekken van tranen zag op de voeten van de Boeddha, welke vlekken gemaakt waren door een arme oude vrouw. (An 2003, p. 204 noot 2).

           Het groeten van de voeten van de Boeddha kan symboliseren dat Maha Kassapa vraagt om de Boeddha’s autoriteit als een erfgenaam, terwijl het spontaan in vlammen opgaan een bevestiging kan betekenen van Kassapa’s opvolging van de Boeddha. (An 2003, p. 205 noot 2).

           In een Chinese versie vraagt Maha Kassapa aan Ānanda drie keer hem het lichaam van de Boeddha te laten zien voordat de crematie zal plaatsvinden. Ānanda weigert drie keer met de woorden dat dit moeilijk is omdat alle voorbereidingen al getroffen zijn. Op dat ogenblik komt het lichaam van de Boeddha tevoorschijn uit de dubbele lijkkist en de voeten komen eruit. Kassapa groet de voeten. (An 2003, p. 203/4 noot 6).

[55] An 2003, p. 195 noot 3.