Facetten van het Boeddhisme


naar Index

3.2.01. Sariputta



Copyright ©  2021 / 2564

Het is toegestaan om elektronisch of in gedrukte vorm fragmenten van deze tekst of de tekst in zijn geheel over te nemen voor eigen gebruik, of ook met als doel die met anderen te delen, uitsluitend voor gratis verspreiding en zonder commercieel oogmerk.

Enkele bekende en minder bekende discipelen van de Boeddha

Sariputta

Inleiding

        Upatissa, zoon van Sari, werd geboren in het dorp Upatissa nabij Rajagaha en behoorde tot de kaste van de brahmanen. Zijn familie-eigendommen lagen bij Nālaka, een brahmaans dorp in Magadha, niet ver van Rājagaha.[1] Hij was bevriend met Kolita, zoon van Moggali. Tijdens het kijken naar een toneelstuk beseften zij de onwerkelijkheid van de dingen. Zij besloten daarom op zoek te gaan naar de weg naar bevrijding. Eerst gingen zij naar de asceet Sanjaya die te Rajagaha verbleef. Maar zij waren niet tevreden met zijn leringen. Toen gingen zij afzonderlijk op zoek in het hele land met de belofte dat degene van hen die de ware Dhamma vond, de ander zou informeren.

inzicht

Op een dag ontmoette Upatissa de volmaakte heilige Assaji, een van de vijf asceten die door de Verhevene na de Verlichting bekeerd werden. Upatissa was onder de indruk van diens uitstraling en waardig gedrag en vroeg wiens meester Assaji navolgde en wat diens leer inhield. Het antwoord luidde dat de grote wijze uit de stam van de Sakyas zijn leermeester was en dat Assaji zelf pas in de Orde was opgenomen en de leer nog niet helemaal kende maar wel het wezenlijke ervan kon uitleggen. Assaji zei toen het vers: “Van alle dingen die oorzakelijk zijn ontstaan, heeft de Volmaakte de oorzaak uitgelegd. En ook hoe die tot uitdoving komen.” Dat was genoeg voor Sāriputta om de waarheid in te zien: “Alles wat aan ontstaan onderhevig is, is ook onderhevig aan vergaan.” Door dit inzicht bereikte hij het eerste niveau van heiligheid. Niet lang daarna werd hij door de Boeddha in de Orde opgenomen. Hij kreeg als monnik de naam Sariputta.[2] Veertien dagen na de wijding bereikte Sāriputta de volmaakte heiligheid. Zijn hart werd toen zonder hechten van de neigingen bevrijd op de weg die moeiteloos is en die met snel begrijpen verbonden is.[3] Dit betekent dat de drie eerste hoge paden met moeiteloze vooruitgang en langzaam begrip verbonden waren, maar dat het pad van heiligheid met moeiteloze vooruitgang en snel begrip gepaard ging.

        De eerwaarde Sariputta kon de verschillende meditatieve staten doorlopen, inclusief de beëindiging van waarneming en gevoel. En toen hij die laatste staat bereikte, zag hij met wijsheid in dat alle meditatieve toestanden slechts tijdelijk zijn. Door dit inzicht droogden de neigingen geheel en al op. Hij begreep 'Er is verder niets meer te doen.’ Hij bereikte toen volmaakte heiligheid, arahantschap. Hij had meesterschap en volmaaktheid bereikt in edele deugdzaamheid, in edele concentratie, in edele wijsheid, in edele bevrijding.[4]

generaal van de dhamma

De eerwaarde Sariputta was een van de hoofddiscipelen van de Boeddha. Sariputta was ouder dan de Boeddha.

        Hij wordt ook de “generaal van de Dhamma” (dhammasenāpati) genoemd. Hij was een bekwaam meester van de leer. Zijn speciale bekwaamheid zou de Abhidhamma zijn geweest. Men zegt dat hij als eerste de Abhidhamma reciteerde.[5]

        In de oude teksten betekent het woord Abhidhamma: de hogere leer, d.w.z. de leer voor de monniken en nonnen, de leer die naar Nibbana leidt. Voor leken werd toen alleen de weg naar de hemel onderwezen. De Abhidhamma Pitaka is vermoedelijk meer dan 300 jaar na het overlijden van de Boeddha ontstaan.

        Volgens de overlevering hielp de eerwaarde Sâriputta eens 100.000-den goden die arahantschap bereikten. En het is onmogelijk het aantal van de goden op te sommen die het derde niveau van heiligheid bereikten.[6] - Het eerste heeft betrekking op het Sâriputta suttanta[7]. Dit sutta evenwel werd gepreekt door de Boeddha tot Sâriputta op verzoek van een groot aantal goden. Er is geen vermelding dat veel goden arahantschap bereikten. Maar verhaald wordt dat bij het horen van dit sutta 100.000 wezens arahantschap bereikten.[8]

Toen de eerwaarde Sariputta eens tot zijn medemonniken preekte, rees hij, volgens Buddhaghosa, in de lucht omhoog en bleef er in de lucht staan zo hoog als zeven palmbomen op elkaar.[9] Een dergelijk vertoon van magische krachten is elders door de Boeddha afgekeurd. Dit en andere wonderbaarlijke gebeurtenissen in het verhaal over het overlijden van Sariputta zijn m.i. latere toevoegingen om de macht van Sāriputta aan te tonen.

definitieve heengaan

        Zeer waarschijnlijk is de eerwaarde Sāriputta overleden in de 43e regenperiode na de Verlichting van de

Boeddha. In het commentaar van Buddhaghosa staat een legende over het definitieve heengaan van Sariputta.

        Van het dorp Beluva, waar de Verhevene het regenseizoen had doorgebracht, ging hij via Ukkacela, een dorp aan de oevers van de Ganges in het land van de Vajjis, naar Vesāli voor aalmoezen. Volgens Buddhaghosa’s commentaar wilde de Boeddha toen naar Sāvatthi gaan. Na verloop van tijd kwam hij daar aan en ging het Jetavana-park binnen. Sāriputta betoonde eer aan de Boeddha en ging daarna naar de plek waar hij gewoonlijk de dag doorbracht. Hij ging er op zijn zitmat neerzitten en bereikte er de fase van meditatieve verdieping genoemd phala-samāpatti. Hij kwam weer uit die meditatieve verdieping en dacht: “Wie bereikt parinibbāna het eerst, de Boeddhas of hun hoofddiscipelen?” Hij besefte dat de hoofddiscipelen het eerst overlijden en dat zijn levensspanne nog maar zeven dagen zou duren. Hij dacht na over de plek waar hij parinibbāna zou bereiken. Ook dacht hij toen aan zijn moeder en zag dat zij in staat was het eerste niveau van heiligheid te bereiken. Daarom besloot hij parinibbāna te bereiken in de kamer waar hij geboren was, na eerst zijn moeder tot de leer van de Boeddha bekeerd te hebben. Want de mensen zouden denken dat hij wel heel veel andere mensen hielp, maar dat hij niet zorgde voor het heil van zijn moeder. De moeder van Sāriputta was geen volgelinge van de Boeddha. Al haar kinderen (vier zonen en drie dochters) waren in de Orde ingetreden en hadden haar alleen gelaten.[10]

        De eerwaarde Sāriputta vroeg aan zijn verzorger Cunda Thera,[11] een jongere broer van hem, om de groep van 500 monniken mee te delen dat hij naar het dorp Nālaka, nabij Rajagaha, wilde gaan. Zij zouden nap en gewaden nemen. Samen met de 500 monniken ging hij naar de Verhevene en nam afscheid met de woorden: “Grote Wijze, mijn levensproces loopt ten einde; het is tijd voor mijn parinibbāna.”

De Boeddha vroeg hem toen om nog een keer tot zijn medemonniken te preken. Daarna nam Sāriputta afscheid van de monniken en ging met zijn eigen groep van 500 monniken naar het dorp Nālaka. ’s Avonds kwam hij er aan en bleef staan bij de ingang van het dorp.

        Zijn neef Uparevata kwam toen juist het dorp uit, zag Sāriputta, ging naar hem toe en groette hem. Sāriputta vroeg of zijn moeder thuis was. Uparevata bevestigde dit en Sāriputta vroeg hem naar haar toe te gaan en haar mee te delen dat hij samen met 500 monniken was aangekomen. Hij zou maar één nacht blijven. Zij zou de kamer waar hij geboren was, voor hem gereed maken en voor de andere monniken een onderdak regelen.

        Uparevata deed wat hem was gevraagd. De moeder van Sāriputta dacht dat hij op zijn oude leeftijd weer leek wilde worden. Zij liet de kamer gereedmaken en onderdak regelen voor de 500 monniken. Sāriputta ging toen met de monniken naar zijn geboortehuis, ging de kamer binnen waar hij geboren was en ging er zitten. De monniken stuurde hij weg met de woorden dat zij naar hun onderdak moesten gaan. Toen zij vertrokken waren, werd hij erg ziek. Zijn moeder was bezorgd om de toestand van haar zoon en stond geleund tegen de deur van haar slaapkamer.

        De Vier Grote Koningen zagen Sāriputta op zijn parinibbāna-bed liggen in de kamer waar hij geboren was in het dorp Nālaka. Zij wilden hem graag voor de laatste keer zien en voor hem zorgen. Maar Sāriputta stuurde hen weg met de woorden dat hij een verzorger had. (Zijn verzorger Cunda Thera was dus bij hem gebleven). Achtereenvolgend kwamen toen nog Sakka, de koning van de goden, Suyāma, hoofd van de Yāma-devas, en Mahābrahmā, de hoogste god van de brahmanen. Ook hen stuurde Sāriputta op dezelfde manier weg.

        Sāriputta’s moeder zag die goden komen en gaan en zij vroeg aan Cunda wat er gaande was. Hij legde het haar uit en zei aan Sāriputta dat zijn moeder was gekomen. Zij vroeg aan haar zoon wie daar bij hem op bezoek waren geweest. “Eerst kwamen de Vier Grote Koningen,” zei Sāriputta. “Mijn zoon, ben jij dan groter dan die Vier Grote Koningen?” - “Moeder, zij zijn als tempeldienaren. Zij beschermen mijn Meester al vanaf zijn geboorte.” - “En wie kwam na hen?” - “Sakka, de koning van de goden.” - “Mijn zoon, ben jij groter dan de koning van de goden?” - “Moeder, hij is als een novice die gebruiksvoorwerpen draagt. Toen onze Meester van de Tāvatimsa hemel afdaalde, daalde ook Sakka af met zijn nap en gewaden.” - “En wie kwam na hem?” - “Moeder, toen kwam jouw leraar genaamd Mahābrahmā.” - “Mijn zoon, ben je zelfs groter dan Mahābrahmā?” - “Ja, moeder.  Op de dag dat onze Leraar geboren werd, ontvingen hem de vier Mahābrahmās in een gouden net.”

        Toen dacht Sāriputta’s moeder dat de macht van haar zoon erg groot was. Hoe groot moest dan wel de macht zijn van zijn leraar. Vijfvoudige vreugde vervulde haar hele lichaam. Sāriputta merkte dit en vond het nu de juiste tijd om tot haar te preken. Na die preek bereikte zij het eerste niveau van heiligheid. Daarna stuurde hij haar weg. Het was al vroeg in de morgen. Sāriputta vroeg aan Cunda om de monniken bijeen te roepen. Die waren echter al uit eigen beweging gekomen. Sāriputta sprak toen de monniken toe: “Vrienden, 44 jaren zijn jullie met mij rondgezworven. Als ik iets verkeerds heb gedaan, vergeeft het mij dan.” Zij gaven ten antwoord dat hij niets verkeerds had gedaan, maar dat hij hen zou vergeven.

        Toen bereikte de ouderling de staat van nibbāna zonder materiële grondslag. Veel goden en menselijke wezens betoonden hun eer bij het parinibbāna van de ouderling. De eerwaarde Cunda ging naar het Jetavana-klooster met de nap en gewaden van Sāriputta en met zijn relieken in een zeef.

        Tot zover de legende. Verder gaat het met een tekst uit Samyutta Nikāya XLIII.13:

        Cunda ging met de relieken naar de eerwaarde Ānanda in het Jeta-bosje te Sāvatthi. Hij bracht eer aan hem en zei: ”Heer, de eerwaarde Sāriputta heeft uiteindelijk nibbāna bereikt. Hier zijn zijn nap en gewaden.”

“Vriend Cunda, dit moet aan de Verhevene meegedeeld worden. Laten wij daarom naar de Verhevene gaan en het hem meedelen.”

        “Goed, heer,” gaf de novice Cunda ten antwoord. Samen gingen zij naar de Gezegende en brachten hem eer. Zij gingen terzijde neerzitten en de eerwaarde Ānanda zei: “Heer, deze novice Cunda heeft me verteld dat de eerwaarde Sāriputta uiteindelijk nibbāna heeft bereikt. Hier zijn nap en gewaden van hem. Waarlijk, Heer, toen ik dit hoorde, had ik het gevoel alsof mijn lichaam heel koud was; en ik kon niet logisch denken; al mijn gedachten waren onduidelijk.”

        “Waarom, Ānanda, denk je soms dat met het uiteindelijk bereiken van nibbāna hij de code van deugdzaamheid of de code van concentratie of de code van begrip of de code van bevrijding of de code van kennis en visie van bevrijding heeft weggenomen?”

        “Neen, Heer. Maar ik denk eraan hoe behulpzaam hij was voor degenen die samen met hem het heilige leven leidden. Hij gaf advies, onderwees hen, spoorde hen aan en gaf hun moed. Hij werd niet moe bij het onderrichten van de leer. Wij herinneren ons hoe de eerwaarde Sâriputta ons te eten gaf, ons rijker maakte en ons hielp met de leer.”

        “Ānanda, heb ik je niet reeds gezegd dat er afscheid en scheiding is van alles wat dierbaar is? Hoe kan het zijn dat iets dat geboren, ontstaan, gevormd en aan verval onderhevig is, niet tot verval zal komen? Zoiets is niet mogelijk. Het is net zoals wanneer een hoofdtak van een grote boom die sterk en stevig staat, is afgevallen. Evenzo heeft Sāriputta uiteindelijk nibbāna bereikt in een grote gemeenschap die sterk en stevig staat. Hoe kan het zijn dat iets dat geboren, ontstaan, gevormd en aan verval onderhevig is, niet tot verval zal komen? Zoiets is niet mogelijk. Daarom, Ānanda, moet ieder van jullie zichzelf tot eiland maken, zichzelf tot toevlucht en geen andere toevlucht. Ieder van jullie moet de leer tot zijn eiland maken en niets anders als toevlucht.”[12] 

De Boeddha liet een stoepa bouwen voor de relieken. De Chinese pelgrim Hsüan Tsang berichtte dat hij de stoepa boven de relieken van Sāriputta zag in de stad Kālapināka.

◻  ◻  ◻


[1] An, Yang-Gyu (tr,): The Buddha's Last Days : Buddhaghosa's Commentary on the Mahâparinibbâna Sutta. Oxford 2003, p. 80 noot 5.

[2] Dhammapada, verhaal I:8 bij de verzen 11-12.

[3] A.IV.168.

[4] M.111.

[5] Zie o.a. het Sangīti suttanta en het Dasuttara suttanta. (An 2003, p. 78 noot 3).

[6] An 2003, p. 79

[7] A.I.63.

[8] An 2003, p. 79 noot 5.

[9] An 2003, p. 81.

[10] An 2003, p. 79 noot 4.

[11] De leraar van Cunda was de eerwaarde Ananda. Cunda was één van de verzorgers van de Boeddha voordat de eerwaarde Ananda daartoe benoemd werd.

[12] S.XLIII.13.