Facetten van het Boeddhisme


naar Index

3.1. De Sangha - Inleiding, voorbereidende plichten, kloosterzegeningen, overwegingen, concilies en synoden



Copyright ©  2021 / 2564

Het is toegestaan om elektronisch of in gedrukte vorm fragmenten van deze tekst of de tekst in zijn geheel over te nemen voor eigen gebruik, of ook met als doel die met anderen te delen, uitsluitend voor gratis verspreiding en zonder commercieel oogmerk.


I. Inleiding

Het begin van de Sangha

De wijding

De wijding tot novice

De wijding tot monnik

De regentijd

De regels voor de monniken

Waarin de regels van oefening inbegrepen zijn  –  Pathamasikkha Sutta (A.III.87)

Redenen waarom de regels zijn vastgesteld

Kloosters

De orde, een democratische instelling

Bos- en stads-bhikkhus

De gunstige praktijken

Monniken en leken

Verblijfplaats

Voedsel

Kleding

Medicijnen

Bhikkhuni-sangha

De kenmerken van de goede leer

II. Voorbereidende plichten voor een nieuwe bhikkhu

Bindukappa - Het kenmerken van de gewaden

Adhittāna - Het vaststellen voor gebruik

paccuddharana – het opgeven van gebruik

Vikappa - Het delen van extra-eigenaarschap

Verlies van een persoonlijk gewaad

Verlies van een extra gewaad

Het teruggeven van een gewaad aan een andere monnik

Belijdenis van kleinere overtredingen

Woorden om vergiffenis te vragen

Pattidānagāthā – Overdracht van verdienste

Woorden bij het afleggen van het gewaad

III. Kloosterzegeningen

bhojanābananumodanāgāthā -  Verzen van dankzegging bij het aanbieden van voedsel

anumodanāvidhī

Ratanattayānubhāvadigāthā - Verzen over de macht van het Drievoudige Juweel

cullamangalacakkavāla - De kleinere sfeer van zegeningen

ātānātiyaparitagāthā - Verzen van de Atānatiya-bescherming

De zegeningen van de leertoespraak

IV. Overwegingen

Inleidende huldebetuiging en een denken aan de Boeddha

Ovādapātimokkhādipātho – De orderegel tot aansporing (de leer van de Boeddhas)

Samvegaparikittanapātha - Overwegingen bijdragende tot bedaardheid

Tien overwegingen voor de monnik

Tien overwegingen voor de goede vriend

Tankhanikapaccavekkhanapātha – Verzen ter overdenking bij het gebruik van de rekwisieten

Atītapaccavekkhanapātha - Verzen ter overdenking ná het gebruik van de rekwisieten

Dhātūpatikūlapaccavekkhanapātha - overdenking van de elementen en van walgelijkheid

V. De Sangha congressen

Inleiding

1e Sangha-congres, te Rājagaha

2e en 3e Sangha-congres, te Vesali

4e Sangha-congres, te Pataliputta

5e Sangha-congres, te Anuradhapura

6e Sangha-congres, te Anuradhapura

7e Sangha-congres, te Sri Lanka

8e Sangha-congres, te Kasjmir

9e Sangha-congres, te Lhasa

10e Sangha-congres, te Pulatthinagara

11e Sangha-congres, te Chiangmai

12e Sangha-congres, te Bangkok

13e Sangha-congres, te Ratnapura

14e Sangha-congres, te Mandalay)

15e Sangha-congres, te Thailand)

16e Sangha-congres, te Rangoon)

Geraadpleegde bronnen

De Sangha

I. Inleiding

        

                Het woord “ Sangha” kan vier betekenissen hebben. De savaka-sangha is de gemeenschap van alle leerlingen van de Boeddha, zowel monniken en nonnen, als ook mannelijke en vrouwelijke leken. Elke gemeenschap van bhikkhus van vier of meer in aantal is een bhikkhu-sangha.[1] De gemeenschap van bhikkhunis is een bhikkhuni-sangha. En de gemeenschap van alle mensen die het 1e, 2e, 3e of 4e niveau van heiligheid bereikt hebben, zij allen vormen de ariya-sangha of edele sangha. Leken kunnen die vier niveaus ook bereiken. Hier bespreken wij de Sangha als gemeenschap van de bhikkhus (monniken) en de bhikkhunis (nonnen).

Het begin van de Sangha

            Op het einde van de eerste toespraak in het hertenpark te Isipatana (Sarnath) bereikte Kondañña het eerste niveau van heiligheid. Hij vroeg aan de Boeddha of hij een discipel van hem mocht worden.[2] De Boeddha nam hem aan met de woorden: “Kom, bhikkhu”. Het woord bhikkhu werd toen al gebruikt voor religieuze rondtrekkende asceten. Thans wordt het alleen gebruikt voor Boeddhistische monniken. Letterlijk betekent bhikkhu: iemand die bedelt. Maar bhikkhus bedelen niet; zij nemen alleen aan wat vrijwillig gegeven is.[3]

Afb. 1.

Chaukhandi stoepa (met toren uit 1555 n.C.)  te Sarnath, India, op de plek waar de leer voor het eerst verkondigd werd.

Chaukhandi stoepa

             

Na de eerste toespraak tot de vijf asceten en nadat Añña-Kondañña een bhikkhu en een in de stroom getredene was geworden, wordt in de Vinaya vermeld dat de Verhevene die asceten onderwees met een gesprek over de Dhamma. We weten niet wat hij toen precies onderwees.[4] De overige vier asceten werden verder onderwezen totdat zij het eerste niveau van heiligheid bereikt hadden. Daarna richtte de Boeddha zich tot hen met de tweede ons bekende toespraak, en wel over niet-zelf. Alle vijf bereikten toen arahantschap. De vier andere asceten vroegen toen of ook zij bhikkhu konden worden.[5]

              Eén of twee bhikkhus vormen geen Sangha. Er moeten minstens vier monniken samen zijn.[6] Het begin van de Sangha is dus in het hertenpark te Isipatana nadat die vier asceten bhikkhu waren geworden.

 

          Na de bekering van de vijf asceten volgde de bekering van Yasa, diens vader en vier vrienden. Zij allen werden Arahants. Yasa vroeg om als bhikkhu toegelaten te worden. De Boeddha antwoordde: “Kom bhikkhu, de leer is goed uitgelegd. Leidt het heilige leven om aan het lijden een einde te maken.”[7]

         

          De vrouw en de moeder van Yasa wachtten tevergeefs. Zij gingen naar het hertenpark en ook zij werden er onderwezen. Zij werden de eerste vrouwelijke lekenvolgelingen.

Vijftig andere vrienden van Yasa volgden en ook zij werden volmaakte heiligen. Er waren toen in totaal 61 heiligen (Arahants) in de wereld.

 

          Toen het regenseizoen ten einde liep, zond de Boeddha zijn directe discipelen - die allen volledig bekwaam waren om anderen te onderwijzen – heen in alle richtingen om de leer te verspreiden. Zij moesten de leer verkondigen in haar eigen zin en haar eigen wijze, naar bedoeling en naar de letter.

          Na afloop van zes jaar moesten zij weer samenkomen om op plechtige wijze de orde-regels op te zeggen. Hoewel het er niet uitdrukkelijk bij vermeld is, moeten die orderegels toen al bij die bhikkhus bekend zijn geweest. En het is aan te nemen dat zij ook de tien regels van discipline navolgden.

 

Toen vertrokken al die monniken, op één en dezelfde dag. En steeds na afloop van een jaar verkondigden godheden dat een jaar verstreken was en hoeveel jaren er nog over waren.

De wijding

         

          Van degenen die de leer van die Arahants vernamen, wilde een aantal in de Orde opgenomen worden. Volgens Khantipalo zeiden de Arahants toen dat zij de wijding van de Boeddha zelf moesten krijgen en brachten zij hun leerlingen dan helemaal naar het hertenpark te Isipatana.[8] Dat moet dan gebeurd zijn tijdens het eerste regenseizoen na de Verlichting, toen de Boeddha in dat park aanwezig was.

          De Boeddha stond de monniken toe de wijding te geven aan degenen die erom vroegen. Hoofdhaar en baard moesten afgeschoren worden, de wijdeling moest een geel ondergewaad dragen en het oppergewaad over de linker schouder, de rechter schouder bloot. Dan moest hij drie keer eer betonen aan de voeten van zijn leraar, neerknielen met de handpalmen tegen elkaar, en drie keer zeggen: “Ik neem mijn toevlucht tot de Boeddha, Dhamma en Sangha.”[9] 

 

          De eerste methode van wijding, (door de Boeddha zelf) werd genoemd de “Kom bhikkhu-intrede”.

 

          De tweede methode heet: “Wijding door de drie Toevluchtnamen”. Deze methode wordt nu gebruikt voor de wijding van novice (samanera).

 

          Daarna kwam nog een derde methode. Personen met verkeerde motieven en bedoelingen kwamen in de Orde. Daarom werden regels vastgesteld waaraan voldaan moest worden vóór de wijding, zoals bezit van eigen nap en eigen gewaden. Ook werden de eigenschappen vastgesteld welke iemand moet hebben om een bhikkhu te worden.[10] 

          De wijding tot monnik is de wijding van intrede in de Orde: de upasampadā. Na de aanname-ceremonie moet een bhikkhu tenminste vijf jaren bij een leraar blijven.[11]

          In principe kan iedereen gewijd worden. Ook leden uit de laagste kaste, de Sudra-kaste, konden tot de Orde toetreden. De kaste is niet belangrijk. Of een vuur nu met kostbaar hout aangemaakt wordt, of met goedkoop hout, het vuur heeft dezelfde vlam, dezelfde glans, dezelfde lichtsterkte.[12] Minderjarigen hadden toestemming van hun familie nodig. Slaven en onvrijen moesten toestemming hebben van hun heren. Minderjarigen die geen toestemming van hun ouders hadden, werden geweigerd, evenals veroordeelden, dieven, mensen die uit de gevangenis gevlucht waren en mensen die een van de vijf zware vergrijpen begaan hadden (vadermoord, moedermoord, moord van een Arahant, verwonding van een Boeddha, poging tot schisma). Graag gezien waren zonen van goeden huize.[13] 

         

          Er zijn in de Boeddhistische Orde geen geloften die iemand voor een heel leven binden. Men kan vrijwillig uittreden uit de Orde.

          Pas laat ontwikkelde zich een strenge hiërarchie.[14]

De wijding tot novice

 

          Zoals voorheen vermeld wordt de tweede methode nu gebruikt voor de wijding van novice (samanera). Die wijding heet de wijding van uittrede uit de wereld: de pabbajjā. Minimaal vijf bhikkhus komen dan samen, eerst om de naam van de wijdeling te vernemen. Drie keer luisteren zij in stilte naar de aankondiging van de naam. Als iemand bezwaren maakt, heeft de wijding geen waarde.[15]

Rahula was de eerste novice, samanera. Toen de Boeddha voor de eerste keer na de Verlichting in Kapilavatthu was, zei Yasodharā aan Rahula dat hij zijn erfenis moest gaan vragen. De kleine Rāhula ging naar de Verhevene, bleef voor hem staan en zei: “Geef mij mijn erfenis, asceet.” Daarop wendde de Meester zich tot Sariputta en sprak: “Geef hem de wijding, Sariputta, geef hem het gaan uit de wereld.” Sariputta vroeg hoe hij de wijding moest doen. De Verhevene zei, dat de tweede methode zoals boven omschreven, gebruikt moest worden. Aldus werd de kleine Rāhula een novice (sāmanera) op zevenjarige leeftijd. Koning Suddhodana was er niet gelukkig mee. Op zijn verzoek werden geen wijdingen meer gegeven aan minderjarigen zonder de toestemming van de ouders.[16]

         

          De novice moet tien regels navolgen. Die tien regels zijn:

1.      Ik neem het vaste voornemen geen enkel levend wezen te doden en geen enkel levend wezen te kwellen.

2.      Ik neem het vaste voornemen niet te stelen en niet te nemen wat niet is gegeven.

3.      Ik neem het vaste voornemen af te zien van alle seksuele wilsacties in daad, woord en gedachte.

4.      Ik neem het vaste voornemen juiste taal te gebruiken.

5.      Ik neem het vaste voornemen me te onthouden van alle bedwelmende drank en drugs door welke onachtzaamheid veroorzaakt wordt.

6.      Ik neem het vaste voornemen geen vast voedsel noch bepaalde drank te gebruiken op een onpassende tijd.

7.      Ik neem het vaste voornemen me te onthouden van dansen, zingen, muziek en van het bezoeken van onpassende shows.

8.      Ik neem het vaste voornemen af te zien van het gebruik van guirlandes, parfums, crèmes, en van dingen die dienen tot het mooier maken van de persoon.

9.     Ik neem het vaste voornemen geen hoge en luxueuze zitplaats en geen hoog en comfortabel bed te gebruiken.

10.   Ik neem het vaste voornemen geen goud en zilver (d.w.z. geld) aan te nemen.

 

              Men moet minstens zeven jaar zijn om novice (sāmanera) te kunnen worden.[17] Men krijgt een leraar (upajjihāya), het hoofdhaar wordt afgeschoren en men ontvangt het gele gewaad. Daarna knielt de novice buigend met het hoofd tot op de grond en spreekt drie keer de toevluchtname uit. En hij krijgt een leraar (ācariya) die de tien regels moet uitleggen.[18]

          De novicen zijn de dienaren van hun leermeesters en verrichten de dagelijkse werkzaamheden.[19]

                                                

Afb. 2.                                                        

Afscheren van het hoofdhaar

De wijding tot monnik

 

              In het begin werden degenen die in de Orde wilden intreden, direct opgenomen, zonder eerst tot novice te zijn gewijd. Maar later werd men eerst tot novice gewijd en pas daarna kreeg men de volle wijding (upasampadâ). Wie eerst aanhanger van een andere leer was en in de leer en discipline van de Boeddha de wijding van uittrede uit de wereld en de wijding van de intrede in de Orde wenst, die heeft gewoonlijk vier maanden proeftijd. Na afloop van die vier maanden geven de monniken, als zij tevreden zijn, hem de wijding van uittrede uit de wereld en nemen hem in de Orde van de monniken op. Maar hierbij wordt onderscheid naar persoonlijkheid gemaakt.

Wanneer iemand bij de Orde wil intreden, moet hij hoofdhaar en baard (laten) afscheren en het drievoudige gewaad aantrekken. Hierbij moet het oppergewaad, de sanghati, de rechter schouder vrij laten. Dan moet de aspirant de voeten van een al gewijde monnik groeten. En met gevouwen handen spreekt hij dan de drievoudige formule.[20]

Voor de eigenlijke wijding tot monnik moet men minstens 20 jaar oud zijn. Het ritueel (kammavācā) schrijft voor dat ten minste tien monniken aanwezig moeten zijn. De kandidaat krijgt dan de intrede (upasampadā). Op de vastgestelde dag krijgt hij van zijn leermeester de aalmoezennap (pātra) en het gewaad (cīvara). De kandidaat moet dan drie keer opname in de Orde vragen. Men stelt hem dan een aantal vragen om te zien of hij daarvoor in aanmerking komt. In bepaalde gevallen kan hij geweigerd worden, bijvoorbeeld als hij lepra of vallende ziekte heeft, als hij een eunuch, slaaf of soldaat is. Ook mensen met grote schulden of met onzedelijk gedrag, of mensen die geen bedelnap en geen gewaad hebben, worden niet opgenomen. Voor de verzamelde gemeenschap moet de kandidaat dan drie keer opname in de Orde vragen. Als alle vragen bevredigend beantwoord zijn, stelt de leermeester met een drie keer gesproken verklaring (ñatti) de wijding voor, gevolgd door drie keer een voorstel met afstemmen. Door zwijgen wordt toestemming gegeven. De leermeester verklaart de wijding als voltrokken. Dag en uur van de wijding worden genoteerd en de betreffende persoon wordt nog eens met de regels van het kloosterleven vertrouwd gemaakt.[21]

          Oorspronkelijk volgde de monnik alleen de tien regels na. Later kwamen de Vinaya-regels erbij.

 

          Gewoonlijk moet de monnik na de wijding een aantal jaren doorbrengen met leraren die zijn gidsen zijn bij studie en praktijk.[22] Er zijn twee soorten leraren: de zedenmeester (upajjihāya) die hem in de discipline onderwijst, en de geestelijke leraar (ācariya) die hem in de leer onderwijst. Leerlingen en leermeesters wonen samen. De leerlingen zijn hun dienaren, helpen bij de dagelijkse werkzaamheden.[23]

Als leermeester mag de nieuwe bhikkhu alleen een monnik kiezen die ervaring heeft in de leer en de discipline van de Orde, met ten minste tien jaar ervaring in de Orde, een Thera of ouderling.

De regentijd

         

          In de tijd van de Boeddha trokken de bhikkhus rond, alleen of in kleine groepen. Tijdens de regentijd (vassa) waren de monniken verplicht gedurende drie maanden op één plaats te blijven. Als reden wordt genoemd de vrees dat planten en dieren schade toegebracht wordt als zij in die tijd rondtrekken. In werkelijkheid zou het eerder gaan om een oud gebruik van de brahmanen en van andere Indiase asceten. De oorsprong ervan was al vergeten en het Boeddhisme heeft dat gebruik vanaf het begin overgenomen.[24]

          De regentijd, van juli tot oktober, wordt gebruikt voor intensieve meditatie-praktijk of voor studie. In het algemeen komen bhikkhus dan samen rond bekende leraren om door hen onderwezen te worden. Ook leken kunnen dan de Dhamma leren.[25]

          Tijdens de regenperiode mogen de monniken en nonnen het klooster niet verlaten. Maar er zijn bepaalde uitzonderingen.[26] De regentijd wordt afgesloten met een ceremonie, pavāranā, op de 14e of 15e dag van de maand.[27]

          Op het einde van de regentijd was er nog een andere plechtigheid: de verdeling van de katoenen stoffen (kathina) waaruit de monniksgewaden gemaakt werden. De stof werd door de leken geschonken.[28] Tegenwoordig worden hele gewaden geschonken.

 

De regels voor de monniken

        

          Na afloop van de periode van zes jaren die de Boeddha had vastgesteld, kwamen de Arahants weer samen en wel te Rajagaha in het Veluvana-park.[29] Daar zei de Verhevene toen plechtig de Orde-regels op:

         

 “Geduld en verdraagzaamheid is de hoogste boete-oefening;

de Boeddhas noemen Nibbāna het hoogste.

Geen pelgrim is hij die anderen aangrijpt;

geen boeteling is degene die iemand anders schade berokkent.[30]

Het nalaten van alle kwaad,

het constant zich moeite doen voor het goede,

de reiniging van de eigen geest:

dat is de leer en het voorschrift van de Boeddhas.

          Zonder te berispen, zonder te strijden,

          wel-beschermd door de Orde-regel,

          steeds matig bij de maaltijd

          en gericht naar afgelegen verblijfplaats

          en naar verheven denken:

dat is de leer en het voorschrift van de Boeddhas.”[31]

         

         Met de Orde-regel moeten bedoeld zijn de tien regels van discipline. En toen er veel kloosters ontstonden, kwamen er regels hoe de monniken zich moesten gedragen ten opzichte van elkaar, ten opzichte van nonnen en leken, en hoe zij zich moesten gedragen in de kloosters. Die regels waren nodig omdat er veel mensen in de Orde waren ingetreden met niet goede bedoelingen of met een geringe opvoeding.

Zo ontstond geleidelijk de Vinaya.

          Als eigenlijke kern van de Vinaya-Pitaka moet men het Patimokkha beschouwen.[32] Dit wordt aan het einde van elke halve maanstand (uposatha) gereciteerd, op de 14e of 15e dag al naargelang de lengte van de maand. De plechtigheid vindt plaats in een speciale ruimte van het klooster (uposathāgāra), welke groot genoeg moet zijn om alle plaatselijke monniken te kunnen bevatten.[33] De monniken die een fout gemaakt hebben, moeten die voor de andere monniken opbiechten en beloven die fout niet meer te maken. De voorzitter of een door hem aangewezen monnik preekt de leer en reciteert het Patimokkha. Bij deze recitatie mogen geen leken, nonnen en novicen aanwezig zijn, noch monniken die schuldig bevonden zijn aan zware vergrijpen en die daarom uit de Orde gestoten zijn.

          Na de recitatie vraagt de reciteerder aan de aanwezige monniken drie keer of zij fouten gemaakt hebben. Hij vraagt hun ze openlijk en onmiddellijk te bekennen. Degenen die hun fouten verborgen houden en er later op betrapt worden, staan zware straffen te wachten.[34]

         

          Het Patimokkha heeft ongeveer 250 artikelen in acht afdelingen:

1.       Foutief gedrag dat verwijdering uit de Orde tot gevolg heeft: met opzet seksuele omgang; iemand doden of iemand anders ertoe overhalen zichzelf of iemand anders te doden; diefstal; pochen met bovennatuurlijke krachten die men niet heeft.

          Een bhikkhu die zich schuldig maakt aan overtreding van deze artikelen heet ongeneeslijk en hij moet de Orde verlaten. Ook als hij het gele gewaad blijft dragen, is hij toch geen bhikkhu meer. Degene die “ongeneeslijk” is verklaard, kan niet meer in de Orde terugkeren.

         

2.       Foutief gedrag dat een tijdelijke verwijdering uit de Orde tot gevolg heeft. Deze groep bevat dertien overtredingen, o.a. zelfbevrediging, vrouwen met lustvolle bedoelingen aanspreken, het maken van koppeldiensten voor mannen om vrouwen te ontmoeten (of omgekeerd) voor een huwelijk of voor seksuele omgang, valse beschuldigingen uiten tegenover een monnik.

              Deze overtredingen zijn “te genezen”; de monnik mag in de Orde blijven en zijn oefening voortzetten.

         

3.       Moeilijk te beoordelen foutief gedrag. Twee overtredingen betreffende de omgang met vrouwen. Andere punten zijn:

- het vestigen van een klooster op land dat niet op de behoorlijke manier is toegewezen door geschikte oudere monniken en dat geen juiste aangrenzende omgeving heeft. Of het gebouw ervan is te groot.

- Als een bhikkhu voor zichzelf iets bouwt, mag hij een hut bouwen van ongeveer vier meter lang en circa 2,30 meter breed, binnenmaat.

- Proberen een andere monnik te verdrijven van het heilige leven door hem te beschuldigen van een van de vier grote overtredingen.

- Proberen een schisma te veroorzaken.

- Een volgeling zijn van iemand die probeert een schisma te veroorzaken.

- Een monnik die moeilijk is te vermanen, die de houding aanneemt: “Ik zal niets over jouw gedrag vertellen, dus vertel jij niets over mijn gedrag.”

- De monnik die een bederver van gezinnen is. Hij geeft gaven hier en daar teneinde zichzelf populair te maken zodat hij later veel offergaven krijgt.

 

          Een bhikkhu die zich schuldig maakt aan een van deze overtredingen, moet ze eerst aan zijn leraar opbiechten. Deze licht dan de Sangha in. De monniken komen bijeen en de schuldige bhikkhu moet hen eerst inlichten over de aard van zijn overtreding. Daarna vraagt hij de zes-nachten boete. En als hij zijn overtreding (aanvankelijk) heeft verborgen, moet hij eerst een proefperiode ondergaan welke gelijk is aan de lengte van het verborgen houden. Daarna moet hij de zes-nachten boete ondergaan.

         In ieder geval verliest hij tijdens die periode zijn senioriteit. Als jongste bhikkhu moet hij aanzitten. Hij mag ook niet deelnemen aan officiële Sangha-acties zoals wijding, noch mag hij de leer onderwijzen. Alle monniken die op bezoek komen (in het klooster) moeten door hem van zijn overtreding ingelicht worden. Na afloop van de boete-periode moet hij in bijzijn van niet minder dan twintig bhikkhus vragen of hij weer in zijn vroegere status terug mag keren.[35]     

         

4.       Foutief gedrag betreffende het zich ongeoorloofd toeëigenen van een voorwerp (vooral kledingstukken) van een monnik. Deze groep bevat dertig overtredingen in totaal. De meeste ervan gaan over de rekwisieten: gewaden of geld om ze te kopen, dekens, nappen, medicijnen e.d. Een bhikkhu mag die alleen een bepaald aantal dagen gebruiken of mag alleen een bepaalde hoeveelheid ervan bezitten.

          Er zijn ook belangrijke regels over de omgang met geld. Een goede bhikkhu probeert vrij te zijn van geld.

          Als hij teveel bezit aan goederen, moet hij die afgeven aan een andere bhikkhu. En wat geld betreft, geeft hij dat aan de Sangha die een bestemming eraan geeft.

          De schuldige bhikkhu biecht zijn overtreding op en belooft dat hij zich in de toekomst zal beheersen.

          Deze methode van zuivering geldt ook voor de onderstaande overtredingen.[36]

 

5.       Foutief gedrag dat bepaalde straffen vereist. Hierin zijn 92 overtredingen, o.a. geen respect tonen tegenover leraar-bhikkhus, liegen, slecht over anderen spreken, wijn drinken, andere monniken slaan of bedriegen. Andere overtredingen zijn thans van weinig betekenis zoals het niet hebben van een naaidoosje van been, ivoor of hoorn. Er is ook een groep van tien regels over de omgang van bhikkhus met bhikkhunis, zoals zonder toestemming van de Orde tot nonnen spreken.[37]

 

6.       Foutief gedrag waarbij het voldoende is dat men zichzelf ervan beschuldigt en dat men er berouw over heeft. Het zijn vier kleinere artikelen, o.a. zich bij het eten door een non laten bedienen.

         

7.       Regels van goed gedrag. Het zijn 57 manieren van oefening. Ze gaan meestal over goede manieren en beschaafd gedrag wat betreft het dragen van gewaden, het vergaren van voedsel en het eten ervan, gelegenheden geschikt om de leer te verkondigen, en plaatsen voor ontlasting en urineren.

Deze regels gelden ook voor novicen.

          De Boeddha zou het nodig gevonden hebben die regels vast te stellen toen de Sangha groter werd en ook meer supporters kreeg.[38] 

         

8.       Regels over de besluitvorming van rechtskwesties. Het zijn zeven artikelen in totaal.[39]

          Daarna volgen overtredingen die niet in het Patimokkha zijn opgenomen. Vaak zijn ze een mindere graad van ernstige overtredingen, zoals zich naakt vertonen in het openbaar, het drinken van bloed, vrijwillig de seks-zintuigen stimuleren.[40] 

Sangha betekent hierboven een groep van bhikkhus. Om het Patimokkha te reciteren moeten vier bhikkhus samen komen. Vijf bhikkhus zijn er nodig om een nieuwe bhikkhu te wijden (buiten het dal van de Ganges); in het Middenland zijn daarvoor tien monniken nodig. Minstens twintig bhikkhus vormen een Sangha om een bhikkhu te rehabiliteren na een zware overtreding.

             De procedures moeten steeds strikt nagevolgd worden, anders hebben ze geen waarde. Als woorden of hele zinnen vergeten worden, of als iemand jonger is dan de vastgestelde leeftijd, heeft de procedure geen waarde.[41]

Waarin de regels van oefening inbegrepen zijn  –  Pathamasikkha Sutta (A.III.87)  

“De 150 regels van oefening, monniken, die elke halve maand gereciteerd worden, zijn in drie oefeningen inbegrepen, namelijk:

De oefening van hoge deugdzaamheid;

De hoge geestesoefening;

De hoge wijsheidsoefening.

             In deze drie oefeningen is dat alles inbegrepen.

Een monnik is volkomen in de regels van deugdzaamheid, maar slechts matig ontwikkeld in de concentratie van de geest, slechts matig ontwikkeld in wijsheid. Wat er bestaat aan die kleine en nog geringere regels van oefening, daar valt hij soms en staat ook weer op.

                Hoe is dat mogelijk? Ik heb uitgelegd dat dit een onkundigheid [tot het bereiken van het doel] betekent. Maar wat er bestaat aan die regels van oefening die het oerheilige gedrag[42] betreffen, die aan het heilige gedrag aangepast zijn, daar is hij sterk in deugd, vast in deugd, en hij oefent zich in de opgenomen regels van oefening. Na het verdwijnen van de drie boeien is hij een in de stroom getredene, aan de afgronden van het bestaan ontkomen, veilig, zeker van de volle Verlichting.

                Verder, monniken, is een monnik volmaakt in de regels van deugdzaamheid, maar slechts matig ontwikkeld in de concentratie van de geest, slechts matig ontwikkeld in wijsheid. Wat er bestaat aan die kleine en nog geringere regels van oefening, daar valt hij soms en staat ook weer op. Hoe is dat mogelijk? Ik heb uitgelegd dat dit een onkundigheid (abhabbata) [tot het bereiken van het doel] betekent. Maar wat er bestaat aan die regels van oefening die het oerheilige gedrag betreffen, die aan het heilige gedrag aangepast zijn, daar is hij sterk in deugd, vast in deugd, en hij oefent zich in de opgenomen regels van oefening. Na het verdwijnen van de drie boeien en na afzwakking van begeerte, haat en onwetendheid keert hij nog een keer terug in deze wereld. En dan maakt hij aan het lijden een einde.

                Verder, monniken, is een monnik volmaakt in de regels van deugdzaamheid, volmaakt in de concentratie van de geest, slechts matig ontwikkeld in wijsheid. Wat er bestaat aan die kleine en nog geringere oefeningsregels, daar valt hij soms en staat ook weer op. Hoe is dat mogelijk? Ik heb uitgelegd dat dit een onkundigheid [tot het bereiken van het doel] betekent. Maar wat er bestaat aan die regels van oefening die het oerheilige gedrag betreffen, die aan het heilige gedrag aangepast zijn, daar is hij sterk in deugd, vast in deugd, en hij oefent zich in de opgenomen regels van oefening. Na het verdwijnen van de vijf lagere boeien keert hij onder de geestgeboren wezens weer, en daar dooft hij uit van de onwetendheid, keert niet meer terug vanuit die wereld.

                Verder, monniken, is een monnik volmaakt in de regels van deugdzaamheid, volmaakt in de concentratie van de geest, en volmaakt in wijsheid. Wat er bestaat aan die kleine en nog geringere regels van oefening, daar valt hij soms en staat ook weer op. Hoe is dat mogelijk? Ik heb uitgelegd dat dit een onkundigheid [tot het bereiken van het doel] betekent. Maar wat er bestaat aan die regels van oefening die het oerheilige gedrag betreffen, die aan het heilige gedrag aangepast zijn, daar is hij sterk in deugd, vast in deugd, en hij oefent zich in de opgenomen regels van oefening. En door uitdroging van de hartstochten komt hij nog in dit leven in het bezit van de hartstocht-vrije bevrijding van het gemoed en de bevrijding door wijsheid, ze zelf inziende en verwerkelijkende.

        Op die manier nu verwerkelijkt degene die de leer ten dele vervult, een deel; degene die de leer helemaal vervult, verwerkelijkt de Volmaaktheid.

        Monniken, de regels van oefening zijn niet doelloos.

Redenen waarom de regels zijn vastgesteld

         

          Eens vroeg de eerwaarde Upali, te Savatthi: "Waarom zijn er regels vastgesteld voor de discipelen van de Verhevene; waarom is het Patimokkha ingesteld?"

          Het antwoord van de Boeddha luidde:

       

1. "Voor de goede vestiging van de Sangha.”

(Zonder Vinaya zou de Sangha niet lang blijven bestaan).

2. “Voor het gemak van de Sangha”

(zodat bhikkhus weinig hindernissen hebben en in vrede mogen leven).

3. “Voor het verwijderen van stijfkoppige mensen”

(die onrust zouden veroorzaken in de Sangha).

4. “Voor het gelukkig verblijven van goedgemanierde bhikkhus.”

(Zuivere regels veroorzaken geluk hier en nu).

5. “Om bhikkhus te beschermen tegen moeilijkheden in dit leven.”

(Veel problemen worden vermeden door iemand met een goed gedrag).

6. “Om bhikkhus te beschermen tegen moeilijkheden in een toekomstig leven.”

(Problemen zullen niet ontstaan voor de mens die zich goed gedraagt).

7. “Om degenen blij te maken die nog niet blij zijn.”

(Mensen die de leer nog niet kennen, zijn blij door het goede gedrag van een bhikkhu).

8. “Voor de toename van degenen die blij zijn.”

(Degenen die de leer al kennen, zijn blij als ze zien dat ze uitgeoefend wordt).

9. “Voor het vestigen van de ware leer.”

(De Dhamma blijft lang bestaan als de Vinaya goed wordt nagevolgd door bhikkhus).

            De kloosterregels en de Dhamma zijn twee onderling afhankelijke zaken. Als bhikkhus gedisciplineerd zijn en de Dhamma navolgen, blijft de leer bestaan. Maar als de bhikkhus niet gedisciplineerd zijn en de Dhamma niet navolgen, blijft de leer niet bestaan. Ook leken kunnen de Dhamma navolgen en tot een behoud van de leer bijdragen.

10. “Voor het heil van de Vinaya.”

(Zodat de Vinaya veel wezens tot heil kan zijn en uit het lijden naar Nibbana kan leiden.[43]

        De Vinaya kan mensen niet uit het lijden leiden; de Dhamma kan dat wel. Maar zonder regels, zoals de 5, 8 en 10 regels, blijft de Dhamma niet lang bestaan.

        

          Een monnik kan vrijwillig uittreden als hij het moeilijk vindt om de regels na te volgen.[44]

Kloosters

 

          In de tijd van de Boeddha trokken de bhikkhus rond, ofwel alleen of in kleine groepen rond een leraar-monnik (ācariya). Als zij een geschikte plaats vonden, konden zij er maanden of jaren blijven. Zij sliepen in de open lucht, in hutten van bladeren, of in grotten. In sommige gevallen werden zij door mensen uitgenodigd die dan voor hun maaltijden en andere eenvoudige behoeften zorgden. Die mensen maakten dan hutten en een ontmoetingshal. Dat was het begin van Boeddhistische kloosters.[45] Reizende monniken mochten overnachten bij leken.[46]

                 

          Ten tijde van de Boeddha waren er nog weinig kloosters. Ze lagen ver uit elkaar. Die kloosters waren parken (ārāma) of bossen geweest. Er waren woon- en nevengebouwen in opgericht. De monniken woonden er in eenvoudige hutten (kutikā) gemaakt van takken, gras en aarde. De voorgeschreven maten ervan waren circa 3,5 x 2 meter.[47] Uit de inrichting van latere kloosters kan opgemaakt worden dat de woonhutten rondom de vergaderzaal lagen met de ingang ervan naar de zaal gewend.

              Het merendeel van de monniken verliet de kloosters niet, behalve voor pelgrimage. Daarom werden de kloosters uit vast materiaal gebouwd (steen, baksteen). Ze bestonden uit een vierkante hof met een gang eromheen. Hieraan lagen de kloostercellen. In het midden van de binnenhof was de vergaderzaal. Daarin kwamen de monniken bijeen op de Uposatha-viering. De zaal werd ook gebruikt bij andere bijeenkomsten en om er te preken. De cellen waren net als de hutten ongeveer 2 x 3 m.[48] Het meubilair bestond uit een laag en smal bed met een deken uit geitenwol; een stoel en een stromat. Een vijver diende om er te baden. Drinkwater kwam uit een bron. De toiletten lagen afgelegen.[49]

     

         De suttas werden hardop gereciteerd. Om monniken die graag mediteerden, niet te storen, kregen dezen een verblijfplaats aangewezen die verder weg lag. Degenen die de suttas reciteerden, werden weer gescheiden van degenen die de Vinaya reciteerden.[50]         

         Elk klooster was het centrum van een gemeente (sīmā) die niet groter mocht zijn dan ongeveer 5 km.[51]

 

          ’s Morgens gingen de monniken op weg om voedsel te halen (verzamelen) bij de leken. Bij het ontvangen van de aalmoezen moesten zij hun ogen op de nap richten en een bescheiden houding aannemen.[52]

            De monnik verzamelde zijn voedsel in de nap. Hij moest alles aannemen. De Boeddha legde geen regels vast betreffende vegetarisch eten. Als een monnik vegetariër was, was hij dat op eigen initiatief. En als leken vlees of vis in zijn nap legden, kon hij dat eten aan andere monniken geven.

Na het verzamelen van de aalmoezen werd de maaltijd onder alle monniken verdeeld en nog vóór de middag gegeten. Het was niet geoorloofd voedsel tot zich te nemen tussen 12:00 u. en de volgende morgen. Het overgebleven eten werd weggeschonken of achtergelaten. Want het was niet toegestaan om voorraden aan te leggen.[53]

 

             Een Boeddhistisch klooster wordt gewoonlijk aangeduid met de naam “vihāra” of “āvāsa”. In Thailand gebruikt men de naam “Wat”, in Sri Lanka “Pansala” en in Myanmar (Birma) de naam “Phonyi-kyaung”. Het is de plek waar bhikkhus verblijven, met een tempel erbij.

            De vihāra in de stad is duidelijk verdeeld in verschillende ruimtes. De Boeddha-vihara is het deel waar Boeddhabeelden zijn, in of buiten tempels. De Sangha-vihara is de plaats waar de bhikkhus vertoeven. Er kunnen meerdere gebouwen staan met kamers, of steeds één gebouw voor één monnik. De kuti of residentie van de abt kan een gebouw zijn met veel kamers. In de sālā of hal met open zijkant komen bhikkhus samen op speciale uitnodigingen van leken. Nabij de hoofdtempel is de Bodhi boom. De stoepa of cetiya ligt vaak achter de grootste tempel. In een stoepa kunnen relieken bewaard worden of objecten die verering waard zijn zoals Boeddhabeelden of Boeddhistische teksten. Maar ook goud en juwelen kunnen er bewaard worden. Badkamers en toiletten liggen vaak iets verwijderd van de andere gebouwen.[54]

              De dorps-viharas zijn gewoonlijk kleiner dan de stads-viharas.[55]

De orde, een democratische instelling

 

              De Boeddha kwam van de Sakyas die een democratie kenden. De gezinshoofden kwamen er samen en ieder had er een stem. De aanzienlijkste burger was voorzitter van de bijeenkomst. Op gelijke wijze gaat het bij de Sangha. Belangrijke besluiten worden genomen door de Sangha, niet door één belangrijk of invloedrijk persoon, zoals een abt.[56]

 

               Dat de Sangha een democratische instelling is, blijkt duidelijk uit de leerrede waarin de Boeddha de voorwaarden voor het welzijn van monniken uitlegt.[57] Bij die voorwaarden worden o.a. genoemd:

* Vaak samenkomen en elkaar in grote aantallen ontmoeten.[58]

* In vrede samenkomen en in vrede uiteengaan, en in eendracht de zaken van de Orde (Sangha) behartigen.[59]

* Geen nieuwe regels vaststellen en de bestaande regels niet verwerpen, maar verder gaan in overeenstemming met het reglement van oefening (Vinaya) dat vastgesteld is.

* Respect betonen tegenover de oudere monniken,[60] omdat die meer ervaring hebben. Zij zijn de leiders van de Sangha. En men moet het waard achten naar hen te luisteren.

 

             Verder moeten de monniken goed voor elkaar zorgen. Zij moeten alles wat zij aan gepaste gaven ontvangen, ook wat zij in hun nap krijgen, delen met deugdzame leden van de Orde. (D.16).

 

              In de gemeenschap van de monniken heerst volkomen gelijkheid in rechten. De enige rangorde bestaat in de leeftijd (van intrede). De bhikkhu die het langst in de Orde is, heet "de oudste". Hem moet respect betoond worden. Kloosters hebben een abt, maar ook hij moet eer betonen aan iemand die langer in de Orde is.[61] Zo kon het gebeuren dat een brahmaan of een edelman eer moest betonen aan zijn vroegere slaaf die eerder was ingetreden.[62] 

 

              De monniken kwamen uit alle kasten en uit alle sociale klassen, brahmanen, edellieden, kooplieden, en ook handwerkslieden, boeren, armen en slaven. De slaven konden alleen met toestemming van hun heer intreden. De gelijkheid in rechten ontmoette in de praktijk daarom moeilijkheden, en die namen toe met de groei van het aantal monniken. Niet allen hadden een gelijke intelligentie; niet ieder had een gelijk streven. Daarom moest de Boeddha maatregelen nemen tegen fouten en nieuwe kloosterregels opstellen. Soms zelfs werd zijn autoriteit genegeerd.[63]

Bos- en stads-bhikkhus

         

          Bij de bhikkhus kunnen twee groepen onderscheiden worden: degenen die de nadruk leggen op meditatie; en degenen die de nadruk leggen op studie van de teksten. Degenen die graag mediteren, worden ook wel bos-bhikkhus genoemd. Soms onderbreekt de een zijn studie en gaat mediteren, of omgekeerd.[64] Een bhikkhu die in de stad woont, bestudeert meestal de boeken. Maar dat is niet altijd het geval. Bhikkhus in de bossen besteden de meeste tijd aan meditatie.[65] De meeste bos-bhikkhus, zeker als zij nog in de fase van oefening zijn, leven samen met een meditatieleraar.[66]

 

              De eerste regels voor bos-bhikkhus vinden we in Sutta Nipata III.1, verzen 698-723 met commentaar erbij.[67] Daar wordt de Brahmanen-jongeling Nalaka, neef van de ziener Asita, door de Boeddha onderwezen in de levensregel van de 'muni':

Bewaar het evenwicht van de geest in het dorp. Dit wil zeggen, blijf gelijkmoedig. Wanneer op je gescholden wordt, bescherm dan je hart tegen ergernis, erger je dan niet. En wanneer je vereerd wordt, al is het door een koning, ga dan rustig verder, wees dan niet hoogmoedig.

Ook in het bos kunnen gewenste en ongewenste objecten opstijgen, zoals geluiden van dieren en vogels, vormen van bloemen en vruchten, vreesaanjagende objecten en ook objecten die begeerte, afkeer of illusie doen ontstaan. Die objecten geraken in het bereik van zien, horen, ruiken, proeven, aanraken en denken. Ze kunnen de hartstochten opwekken.

Naar vrouwen moet de wijze geen lustgevoelens hebben. Als monniken op hun tocht door parken of bosgebieden gaan en zij zien dan, zonder dat anderen erbij zijn, een vrouw, - een vrouw die steeds daar woont of een houtsprokkelaarster - dan kan zij door haar lachen, spreken, huilen of door haar spaarzame kleding de wijze tot lust prikkelen. Maar dan moet hij geen lust tot haar hebben, moet zich niet tot lust laten verleiden.

Hij ziet af van seksuele omgang; van de paring ziet hij af; hij heeft geen lusten.

Tot wezens, hetzij zwak of sterk, is hij niet vijandig noch is hij hen genegen. Hij heeft geen voorkeur voor noch afkeer van iemand.

Hij stelt zich gelijk aan anderen door te denken: ‘Zoals ik ben, zo zijn ook zij; en zoals zij zijn, zo ben ook ik.’ Als hij zich zo aan anderen gelijkstelt, doodt hij niet, noch laat hij doden.

Met een licht lichaam, met afgemeten kost, heeft hij geen wensen en geen lusten. Hij moet heel wensloos zijn en gestild.

Na het rondgaan voor bedelspijs gaat hij naar het bos, zonder zich door leken te laten ophouden. De wijze neemt dan een zitplaats aan de voet van een boom.

De wijze moet beschouwing ontwikkelen. Over het bos moet zijn hart verheugd zijn. Aan de voet van een boom moet hij diep nadenken. Hij wekt zaligheid in zich op.

Als dan de nacht voorbij is, gaat hij naar het bereik van het dorp. Wanneer hij daar uitgenodigd wordt, moet hij die uitnodiging niet aannemen. - Wie deze oefening van een muni naleeft, en wel hier in het bijzonder de strikte naleving van degene die enkel de aalmoezen-gang vervult, die moet zich niet verheugen over een uitnodiging. Hij moet die uitnodiging niet aannemen. Zulke gedachten als: “Geeft men wel of geeft men niet; geeft men iets goeds of geeft men iets slechts,” mag hij niet in zich billijken. En ook aan het eten zelf mag hij zich niet verlustigen. Als men hem echter met geweld de nap wegneemt, ze vult en ze weer teruggeeft, dan moet hij na de maaltijd zich weer tot zijn ascetenwerk wenden. De reinigingsoefening is daardoor niet afgebroken. Maar vanwege deze gebeurtenis moet hij het betreffende dorp in de toekomst niet meer betreden.

En hij moet ook niet de gave aannemen die hem vanuit het dorp wordt gebracht. - Als men degene die het dorp betreedt, zelfs 100 schotels voedsel tegemoet brengt, dan moet hij zich daarover niet verheugen en zelfs geen handvol ervan aannemen. Maar hij moet alleen in volgorde van ligging van de huizen voor aalmoezen rondgaan.

Als de wijze in het dorp is aangekomen, gaat hij niet haastig naar de gezinnen toe. - Volgens het commentaar betekent dit: hij mag geen onpassende gezelligheid met leken hebben, mag zich niet samen met hen zorgen maken, mag zich niet met hen verheugen enz.

Als hij op zoek is naar voedsel, moet het spreken geheel en al zijn opgegeven. Hij mag geen berekenend woord spreken. Hij mag geen woorden spreken die erop zinspelen gaven te verkrijgen. “Ontvangen heb ik, het is goed; indien niet ontvangen, zo is het ook goed,” door beide gedachten blijft hij onberoerd.

Naar de boom keert hij dan terug. Met de nap in de hand moet hij voorwaarts gaan, voor stom gehouden zonder stom te zijn.

Zelfs kleine gaven moet hij niet verachten. De gever moet hij daarom niet geringschatten.

In wie geen hechten is, in wie de stroom is uitgedroogd, in de monnik die zowel goede als verkeerde daad opgaf,[68] in hem is geen koortsachtig branden meer te vinden.

Zoals de gelijkenis van de messnede[69] leert, zo moet de bhikkhu leven: met de tong tegen het verhemelte gedrukt, moet hij bij het lichaam beteugeld zijn. Zijn geest moet levendig en wakker zijn; hij moet niet piekeren. Vrij van verdorvenheid moet hij zijn en zonder hechten. De reinheidslevenswandel moet hij als doel hebben.

De bhikkhu moet zich scholen in eenzaam vertoeven en in ascetenwerk. Ware eenzaamheid is het vertoeven zonder begeerte als metgezel.

 

          De levensregel van de wijze is moeilijk te verrichten, is moeilijk steeds na te volgen. Een monnik die de regel van de muni met hoogste inspanning vervult, leeft maar zeven maanden; bij middelmatige inspanning leeft hij zeven jaren; bij geringere inspanning leeft hij zestien jaren.”[70]

         

          Bos-bhikkhus verschillen van stads-bhikkhus op veel manieren. De Boeddha prees eenzaamheid (alleen-vertoeven) aan voor degenen die de Dhamma wensen uit te oefenen. Lichamelijke eenzaamheid is gemakkelijk te bereiken. Moeilijk te verwerven is geestelijke eenzaamheid, het leven zonder begeerte en zonder afkeer als metgezel.

     

          Drie belangrijke aspecten zijn er bij de beoefening in de bos-viharas: 1) de Vinaya strikt navolgen; 2) enige van de 13 gunstige oefeningen (dhūtanga) op zich nemen; 3) oplettendheid en meditatie.[71] 

De gunstige praktijken

 

          De 13 gunstige praktijken gaan over: de gewaden; aalmoezen; verblijfplaats; lichaamshoudingen.[72]

1.      De drager van weggegooide kledij. Hij maakt zijn gewaden van stukken stof die weggegooid zijn. Hij wast die, verft ze, knipt ze in rechthoekige stukken en naait ze samen tot een gewaad. Hij weigert kant en klare gewaden.

2.      De drager van het drievoudige gewaad (onder- en bovengewaad en mantel). Deze praktijk is nu gebruikelijker. Als een bhikkhu te voet gaat, draagt hij twee van zijn gewaden. De mantel draagt hij opgevouwen in zijn nap (of over de linker schouder).

3.      Degene die eet wat is gegeven. Hij eet alleen wat is gegeven. Hij vraagt niet om nog iets speciaals te bereiden. Deze regel geldt voor alle bhikkhus. In geval van ziekte mag speciaal voedsel gevraagd worden.

4.      Degene die van huis tot huis gaat. Hij slaat geen enkel huis over. Bij elk huis staat hij even zwijgend stil en gaat dan verder.

5.      Degene die slechts één keer eet. Hij eet alleen één keer in de morgen. Hij gebruikt geen tweede maaltijd omstreeks 11 uur.

6.      Degene die uit de nap eet. Alle voedsel komt in de nap waaruit hij dan eet.

7.      Degene die te laat voedsel weigert. Als een bhikkhu al begonnen is met eten, kunnen er nog leken komen die voedsel willen aanbieden. De te-laat-eten-weigeraar accepteert dat voedsel niet meer. Hij legt beleefd uit waarom hij dat niet aanneemt. Als de mensen van heel ver komen, kan hij een uitzondering maken om die mensen niet teleur te stellen, Hij onderbreekt dan zijn oefening en neemt ze later weer op.

8.      Degene die in het bos vertoeft. De bhikkhu die in een kuti in het bos leeft. Bos betekent hier circa 800 m. verwijderd van een dorp.

9.      Degene die aan de voet van een boom vertoeft. Deze oefening kan niet uitgeoefend worden in de regentijd. Een bhikkhu moet dan een dak boven zijn hoofd hebben en omgeven zijn door vier muren.

10.  Degene die in de open lucht vertoeft. Ook deze oefening kan niet in de regentijd uitgeoefend worden.

11.  Degene die op begraafplaatsen vertoeft. In de tijd van de Boeddha was dat gemakkelijk uit te oefenen; nu is dat (bijna) niet meer mogelijk. Wel kan een bhikkhu dicht bij een crematieplaats vertoeven. (Bijna) elke Thaise tempel heeft een eigen crematorium.

12.  Degene die met elke slaapplaats tevreden is. Hij is tevreden met elke verblijfplaats.

13.  Degene die het zitten oefent. Degene die deze oefening op zich neemt, gaat niet meer liggen, maar heeft alleen nog drie lichaamshoudingen: staan, lopen en zitten. Hij slaapt in zithouding.

         

               Sommigen bhikkhus leggen zich meer toe op de studie van teksten; anderen mediteren liever. Inzicht in de leegheid en vergankelijkheid is echter het voornaamste.[73]


         

          De suttas werden toen [en ook tegenwoordig] hardop gereciteerd. De monniken die graag mediteerden, hadden een verblijfplaats die gescheiden was van de verblijfplaats van de bhikkhus die de suttas reciteerden.[74]

          Al in de tijd van de Boeddha bestond er rivaliteit tussen degenen die graag studeerden en degenen die graag mediteerden.[75] De Verhevene zei daarom dat degenen die graag studeren, ook degenen die graag mediteren, moeten prijzen, en andersom.[76]

Monniken en leken

 

          De Boeddha preekte eerst tot twee kooplieden en daarna tot de vijf asceten. Tot onderhoud en steun van asceten traden toen vooral kooplieden op. De asceten hadden geringe behoeften en waren niet in staat om voor zichzelf te zorgen. Daarom was zo'n steun wel nodig.

          In het vroege Boeddhisme werden monniken vaak uitgenodigd door kooplieden. Gewoonlijk reisden die rond in karavanen of met schepen. Hun reizen duurden soms langer dan een jaar. Als tegenprestatie voor de steun van de kooplieden werden zij door de monniken in de leer onderwezen. Als een koopman vertrouwen had in de leer van de Boeddha, ging hij voordat hij verder ging, naar de monnik die hem onderwezen had en gaf het hele klooster een maaltijd. Hij zal zeker de zegeningen voor zijn reis gevraagd hebben.[77]

          Soms werden monniken ook uitgenodigd door koningen. Vaak werden koningen en hun hofhouding snel devote Boeddhisten.[78]

          Het aantal volgelingen nam snel toe. Sommigen werden monnik; anderen werden lekenvolgelingen. De leken volgden de vijf regels na[79] en zij voorzagen de monniken van verblijfplaats, voedsel, kleding en medicamenten. De belangrijkste deugd voor leken was vrijgevigheid (dāna) ten gunste van monniken. Zij konden daarmee verdiensten verwerven.[80] De leken kregen van de monniken onderricht in de leer van de Boeddha. En wanneer zij het juiste pad volgen, kunnen ook leken het einde van dukkha, lijden zien.[81]

          Volgens Gombrich werd voor leken de hele leer en de weg naar Nibbāna toen te moeilijk uitvoerbaar gevonden.[82] Maar dit moet een latere opvatting zijn. Ook thans zijn er per klooster andere opvattingen over eenzelfde thema van de leer.[83]

          Voor de leek zijn vijf punten van belang:

1. Vertrouwen (saddhā), en wel in de leer van de Boeddha.

2. Zedelijk gedrag (sīla): de vijf regels van goed gedrag. Verder zijn voor een leek acht punten van belang wat betreft de omgang met monniken: Hij mag een monnik niet hinderen bij het rondgaan voor aalmoezen. Hij mag een monnik niet tot kwaad brengen. Hij mag een monnik niet hinderen bij het nemen van logies. Hij mag een monnik niet beledigen. Hij mag een monnik niet tot ruzie aanzetten. Hij mag niet over de Boeddha, Dhamma of Sangha kwaad spreken.

3. Offerbereidwilligheid (cāga). Hieronder verstaat men elke soort van steun aan de Orde.

4. Geleerdheid (suta).

5. Inzicht, wijsheid (paññā).

             De punten 4 en 5 werden in zeer geringe mate verlangd. Waarschijnlijk konden veel monniken de leer alleen maar oppervlakkig uitleggen.[84] De leer mocht niet door een leek gepreekt worden.[85] Leken die de monniken over de leer konden onderwijzen, waren niet gewenst.

         

          Zoals boven vermeld, werden de monniken door leken voorzien van verblijfplaats, voedsel, kleding en medicamenten.

 

afb. 3

monniken tijdens rondgang voor gaven

Verblijfplaats

        

          Als slaapplaats worden in het begin van het Boeddhisme plaatsen in de open lucht genoemd, maar ook hutten van bladeren, grotten e.d.  Kloosters komen later.[86]

 

Voedsel

           ’s Morgens gingen de monniken op weg om hun voedsel te halen (bedelen) bij de leken. Bij het ontvangen van de aalmoezen moesten zij hun ogen op de nap richten en een bescheiden houding aannemen. Na het verzamelen van de aalmoezen werd het voedsel onder alle monniken verdeeld en nog vóór de middag gegeten. Uitzondering hierop is als een monnik bij een leek uitgenodigd is.[87]

                Het was [en is] niet geoorloofd voedsel tot zich te nemen tussen 12:00 u. en de volgende morgen.

             Het overgebleven eten werd weggeschonken of achtergelaten. Want het was niet toegestaan om voorraden aan te leggen.

          Het eten van vlees en vis is toegestaan als men niet direct voor de dood van het betreffende dier verantwoordelijk is.[88]

Kleding

            De kleding van de monniken bestaat uit drie kledingstukken (tri cīvara): Het antaravāsaka, een doek die om de lendenen en dij wordt gewonden, ook het binnen- of ondergewaad genoemd. Het uttarāsanga of oppergewaad, om het hele lichaam te bedekken. En het sanghāti of buitengewaad; dit gewaad dient als mantel en is van dubbele stof voor als het echt koud is. Alle drie bestaan uit een rechthoekig stuk stof dat uit meerdere delen samengenaaid is. De kleur ervan varieert van citroengeel tot bruinviolet, is meestal okergeel. Behalve deze gewaden is nog toegestaan een gewaad voor te baden.[89]

           In Thailand draagt de monnik onder het oppergewaad nog een schoudergewaad (amsa), een soort vest, met veel grote en kleine tassen erin.

afb. 4a.              afb. 4b                                                                                          

4a. monnik gekleed in vest (amsa) en ondergewaad (antaravāsaka). 

4b. monnik volledig gekleed. De mantel of het buitengewaad wordt samengevouwen over de schouder gedragen. Het oppergewaad laat de rechter schouder vrij.             

        

Tot de uitrusting van de monniken behoort verder een aalmoezennap (patta) uit hout, gebrande aarde of gewoon metaal, een mes of scheermes om haren en baard af te scheren, een naald om de kleren te herstellen, een riem, een waterfilter om kleine dieren, insecten e.d. uit het water te zeven en het inslikken ervan te vermijden. Verder nog leren sandalen, een regencape (een eenvoudig rechthoekig stuk stof), een houten stokje om de tanden te reinigen, en een waaier.[90]

Medicijnen

        

          Als medicijn gebruikten de monniken de urine van koeien. Van leken kregen zij de medicijn die voor hun ziekte nodig was.

Bhikkhuni-sangha

 

          Maha Pajapati, de tante en pleegmoeder van de Boeddha, realiseerde zich steeds meer de waarheid van de leer van de Boeddha. En toen haar zoon, prins Nanda, bij de Sangha was ingetreden, wilde ook zij een leven van ontzegging leiden, als een non. Maar tot dan toe bestond er geen Boeddhistische Orde van nonnen. Daarom vroeg zij aan de Verhevene toe te staan dat vrouwen in de Orde konden intreden. Maar om verscheidene redenen was de Boeddha er toen geen voorstander van. “Het gaan uit het huis en het huisloze leven zou u wel eens niet kunnen bevallen,” zei hij. Dit is geen uitdrukkelijk nee van de Boeddha. Veeleer geeft hij Maha Pajapati de raad van haar verlangen af te zien.

              Maar Maha Pajapati was niet ontmoedigd door dit antwoord. Onverschrokken sneed zij haar haren af, kleedde zich in gele gewaden en liep, vergezeld van verscheidene Sakya-dames, van Kapilavatthu naar Vesāli. Moe van het reizen stond zij buiten het portiek van de torenhal te Mahavana, waar de Boeddha zijn verblijf had. Zij vertelde aan de eerwaarde Ānanda die haar aan de poort had zien staan, wat zij graag wilde.

             De eerwaarde Ānanda was diep bewogen en deed een beroep op de Boeddha ten behoeve van Maha-Pajapati en de andere Sakya-dames. Eerst weigerde de Boeddha een vrouwenorde te stichten. Toen vroeg Ānanda of ook vrouwen de volmaakte heiligheid, arahantschap, kunnen bereiken. Het antwoord van de Verhevene luidde dat ook vrouwen het 1e, 2e, 3e en 4e niveau van heiligheid kunnen bereiken. Hiermee stelde de Boeddha mannen en vrouwen op gelijk niveau. En zo bereikte Ānanda dat de Verhevene aan vrouwen toestemming gaf om in de Orde in te treden. Maar volgens de overlevering moest Maha Pajapati acht speciale regels (garudhammas) aannemen.[91]

Zij vroeg aan de Boeddha hoe de Sakya vrouwen die met haar meegekomen waren, gewijd konden worden. De Boeddha zei toen dat de Bhikkhu-sangha haar als bhikkhunis moest wijden. Een groot aantal van die eerste bhikkhunis werd Arahant.[92] 

              Dat de eerste nonnen door de Bhikkhu-sangha moesten worden gewijd, is een vanzelfsprekende zaak. Er was toen immers nog geen Bhikkhuni-sangha. Maar toen meer dan vier vrouwen gewijd waren, konden de bhikkhunis zelf de hogere wijding verrichten. De Orde van de nonnen was een onafhankelijke instelling.[93]

             De Boeddha zou Ānanda er toen op gewezen hebben dat moeilijkheden verwacht konden worden als aan vrouwen toegestaan werd het huiselijke leven te verlaten. Hij had daarom die acht regels vastgesteld.[94] De Boeddha zou gezegd hebben dat zonder vrouwen de Brahma-weg 1000 jaren duurde, maar met vrouwen in de Orde zou die weg slechts 500 jaren duren.[95]

            Zo werd toen te Vesāli de Orde van de nonnen (Bhikkhuni-sangha) ingesteld.[96]

 

              De acht speciale regels die Maha Pajapati moest aannemen, zijn:

(1)    Een bhikkhunī (non) moet achting tonen jegens een bhikkhu (monnik), ook al is zij 100 jaar in de Orde en hij slechts één dag.

(2)    Een non mag geen regentijd doorbrengen in een plaats waar geen monniken zijn.

(3)    Om de 14 dagen moet een non twee dingen doen: de Bhikkhu-sangha vragen naar de Uposatha-dag; en naar de Bhikkhu-sangha gaan voor instructies en aanmaningen.

(4)    Na de regentijd moet een non de pavāranā ceremonie bijwonen op de bijeenkomsten van zowel monniken als nonnen. Op elke ervan moet zij kritiek over haar gedrag vragen. De nonnen moeten elkaar onderling berichten of zij van elkaar een fout gezien, gehoord of vermoed hebben. Eerst wordt deze ceremonie gehouden voor de Orde van de nonnen. Op de volgende dag wordt die ceremonie herhaald voor de Orde van de monniken.

(5)    Een non die een van de acht speciale regels overtreedt of een sanghādisesa fout heeft begaan, moet een straf van een halve maand ondergaan zowel bij de bijeenkomst van monniken als bij die van de nonnen.

(6)    Een vrouwelijke novice (sāmanerī) moet, wanneer zij 18 jaar is geworden, twee jaar lang zes regels navolgen. Daarna kan zij toestemming tot intrede in de Orde van nonnen vragen bij beide gemeenschappen. Tijdens de proeftijd heet zij sikkhamāna. Na de wijding heet zij bhikkhuni.

           Die zes regels die zij moet navolgen, zijn: 1. niet doden; 2. niet stelen; 3. niet liegen; 4. geen alcoholische drank; 5. geen onkuis leven; 6. geen maaltijd op onpassende tijden.

(7)    Een non mag een monnik niet beschimpen, bespotten of honen en mag hem niet op fouten wijzen.

(8)    Een non moet de instructies die haar door monniken gegeven zijn, aannemen. Zijzelf mag geen instructies of advies geven aan monniken.[97]

 

ad 1.   Deze regel betekent dat een oudere non drie keer moet buigen ook voor een pas ingewijde monnik. Dit is niet aangenaam voor tegenwoordige vrouwen die denken vrij te zijn van mannelijke overheersing. Volgens de overlevering vroeg Maha Pajapati of het mogelijk was dat er geen verschil gemaakt werd tussen mannelijke en vrouwelijke leden van de Orde. Zij vroeg of jonge monniken en nonnen respect konden tonen tegenover oudere monniken en nonnen zonder onderscheid. Maar de Boeddha zou geantwoord hebben dat geen bhikkhu eer moet betonen aan een bhikkhuni.

            Volgens de eerwaarde Khantipalo had de Boeddha toen geen gevoelens van mannelijke superioriteit of vrouwelijke inferioriteit, maar hield hij rekening met de mening van de leken. In die tijd bogen mannen niet voor vrouwen. Als dit toegestaan zou worden, zou de sociale norm te zeer veranderd worden. En dat zou dan een oorzaak zijn voor het verval van de Boeddhistische religie.[98]

             Dit lijkt me een latere toevoeging. Eerst stelt de Boeddha mannen en vrouwen op gelijk geestelijk niveau. En ook maakt hij in de mannenorde geen onderscheid tussen vroegere rijke en arme personen, intelligente of domme mannen. Hij houdt ook geen rekening met andere geloofsgemeenschappen bij b.v. het Tweelingwonder. Waarom zou hij dan bij vrouwen wel rekening houden met anderen? Maar brahmanen die in de Orde intraden, kunnen de brahmaanse houding t.o.v. vrouwen in de Orde hebben gebracht.

         

ad 2.   Deze regel was voor de veiligheid van de nonnen. Slechte mannen zouden een non kunnen overvallen als zij alleen was. Maar als er monniken in de buurt waren, was die kans kleiner.[99]

 

ad 3.   In de tijd van de Boeddha waren er geen kalenders. Geleerde monniken berekenden de fasen van de maan en wanneer de Uposatha-dagen waren. De instructies en aanmaningen bestonden deels uit een gesprek over de leer gegeven door een uitmuntende monnik tot de nonnen, en deels uit een aansporing aangaande deze acht punten. De betreffende monnik moest een Thera zijn met meer dan twintig regentijden in de Orde. Hij moest de toestemming van de Bhikkhu-sangha hebben. En de leerrede moest gegeven worden overdag, vóór zonsondergang. In andere gevallen kon een monnik niet naar nonnen gaan om ze te onderrichten tenzij iemand van haar ziek was.[100]

              De nonnen hadden zelf ook leraren. Er waren ook veel Arahants bij de nonnen.[101]

         

ad 4.   Een non moet bij beide Sanghas vragen of iemand iets heeft gezien of gehoord of het vermoeden heeft dat zij een fout heeft gedaan. Eerst moet zij haar eigen Sangha vragen en dan de Bhikkhu-sangha.[102]

ad 5.   Sanghādisesa fouten voor nonnen, d.w.z. fouten die zowel de bijeenkomst van monniken als die van de nonnen noodzakelijk maken, bestaan uit een groep van 17 fouten.[103] Een aantal ervan gaat over seksueel fout gedrag. De boete voor een van die fouten duurde zeven dagen, plus een proeftijd gelijk aan de periode van verborgen houden als zij haar fout met opzet heeft verzwegen.

 

ad 6.   Degene die de proeftijd ondergaat (sikkhamāna) was een speciaal soort van vrouwelijke novice (sāmaneri). De novice had tien regels. Maar als men 18 jaar werd, kon de Bhikkhuni-sangha toestemming geven om de eerste zes regels na te volgen. Als de aspirant in twee jaren die regels niet overtreedt, kan zij aanname in de Bhikkhuni-sangha vragen.[104] De aspirant wordt dan in de Orde opgenomen bij proclamatie en zonder onderzoek. Zij is dan een volledig gewijde non. Maar als zij de aanname-ceremonie alleen ontvangt van de monniken, of als zij die krijgt van de nonnen en niet nog eens gewijd wordt door monniken, dan is zij enkel een “een-keer-aangenomen-bhikkhuni”. Volgens de Vinaya is zij dan niet ten volle ontwikkeld. Wanneer zij twee keer gewijd is, heet zij een “twee keer aangenomen bhikkhuni”.[105] 

             Dat een non niet volledig gewijd is als zij niet door beide Sanghas ingewijd is, lijkt mij niet juist. De eerste nonnen werden niet door andere nonnen gewijd, maar door de Boeddha of zijn discipelen. Dat was omdat er toen nog geen Bhikkhuni-sangha was. Daarna was de Bhikkhuni-sangha een onafhankelijke instelling. Zij kon zelf de wijding van bhikkhunis verrichten. De regel dat beide Sanghas de wijding moeten geven om als non volledig gewijd te zijn, moet later zijn toegevoegd.

              Weer blijkt hoe de orde van de nonnen afhankelijk gemaakt is van die van de monniken. Want de monniken beslisten of een vrouw in de orde opgenomen werd of niet.

 

ad 7.   Een non mag een monnik niet beschimpen en mag hem niet op fouten wijzen. Volgens Khantipalo heeft deze regel tot doel kwade roddel tegen te gaan en eendracht tussen beide Sanghas te bevorderen. Een bhikkhuni kon wel naar de leraar of abt van een monnik gaan, als de daden van die monnik tegen de Vinaya waren en de goede naam van de Sangha schade brachten. Maar een bhikkhuni mocht niet direct tot een bhikkhu spreken of achter zijn rug praten.[106] 

               

          Deze regel moet van latere datum zijn. Maha Kassapa had eens kritiek op Ānanda en diens jonge volgelingen. De non Thullanandā bekritiseerde toen Maha Kassapa. Zij mocht dat toen ongestraft doen.[107]

 

ad 8.   Verwacht werd dat door een monnik tenminste twee keer per maand tot de bhikkhunis gesproken werd om haar te vermanen en te onderrichten. Maar een bhikkhuni mocht geen onderricht geven aan bhikkhus. Zij mocht de leer niet verkondigen als geen monnik aanwezig was die de leer goed kende. Hij moest de juistheid van het gesprokene betuigen. Volgens Khantipalo was deze regel ingesteld om hoogmoed bij bhikkhunis te beteugelen en haar te helpen bij de oefening.[108]

                     

          Deze acht regels gaan over contact van bhikkhus met bhikkhunis, ofwel als Sangha ofwel als individu. De Boeddha zou die regels vastgesteld hebben om ongeregeld contact tussen leden van de twee Sanghas te vermijden. Dat kon gemakkelijk roddel veroorzaken ook als de acties geen slechte bedoelingen hadden. In de Vinaya zijn voorbeelden te vinden van leken die meenden dat de bhikkhunis de vrouwen waren van de bhikkhus. Dit onbegrip en dergelijke roddel moesten vermeden worden.[109]

          De acht regels scheiden de orde van de nonnen van die van de monniken. Maar er is ook een verstrengeling van beide Orden. Want in die regels wordt de persoonlijke verhouding tussen monniken en nonnen geregeld. De nonnen zijn daardoor erg onzelfstandig en ondergeschikt aan de monniken.[110]

 

               Dat er moeilijkheden verwacht konden worden, het verzoek van de Boeddha dat Maha Pajapati die acht speciale regels moest navolgen, en de opmerking over de lengte van de Brahma-weg - deze uitspraken moeten later toegevoegd zijn. Ze zijn moeilijk in overeenstemming ermee te brengen dat de Boeddha vrouwen zonder meer in staat vond om volmaakte heiligheid te bereiken.[111]

           De opname van vrouwen in ascetische gemeenschappen was toen niets nieuws. Andere ascetische orden, zoals de Jain, kenden een vrouwenorde. Als de Boeddha toen, zoals Khantipalo beweerde, rekening had gehouden met de publieke opinie, had hij zonder meer een vrouwenorde kunnen oprichten. Dat was toen niets ongewoons. Behalve deze plaats in Cullavagga zijn in de Vinaya geen andere teksten waaruit blijkt dat de Boeddha tegen de inrichting van een nonnenorde was.[112] 

         

          De mondelinge overlevering van de teksten lag bij de mannen. Het is mogelijk dat de mannen enkele passages die op vrouwen betrekking hadden, hebben verwaarloosd. De monniken kunnen getracht hebben het belang dat de Boeddha aan vrouwen gaf, te minimaliseren. Alleen gebeurtenissen die zo buitengewoon waren dat zij niet weggelaten konden worden, zijn dan overgeleverd. Het is daarom te betwijfelen of de Boeddha zelf een dergelijke volkomen ondergeschiktheid van de nonnen ten opzichte van de monniken vereiste, zoals in de acht garudhammas is vastgelegd. Het is heel goed mogelijk dat die acht regels na de dood van de Boeddha zijn samengesteld.[113] 

         

          Later moet veel zijn toegevoegd wat niet tot de oorspronkelijke woorden van de Boeddha behoorde. De Boeddha zelf was niet negatief ten opzichte van vrouwen. De positie van vrouwen ten tijde van de Verhevene was beter dan die van tegenwoordig. De vrouwen genoten toen grote vrijheid. De activiteiten van de vrouw waren niet beperkt tot huishoudelijk werk en het opvoeden van kinderen. Zij namen actief deel aan het openbare leven en genoten een liberale opvoeding. Retoriek en welsprekendheid werden toen ook door vrouwen uitgeoefend. Een teken van cultuur was het maken van verzen voor de vuist weg. Het gebruik van verzen was een manier om uiting te geven aan emotie of sentiment. De verzen van de nonnen (Theri Gatha) bij het bereiken van de Verlichting zijn spontane uitingen van vreugde. Vrouwen kregen toen onderwijs. Net zoals de mannen gingen zij naar openbare bijeenkomsten in parken of hallen om er te luisteren naar grote leraren. Geleerde vrouwen trokken door het land om te onderrichten. Vrouwen hadden het recht eigendom te hebben en er vrij over te beschikken.

              Vrouwen in die tijd werkten, indien nodig, voor haar eigen onderhoud. Zij waren werkzaam als hulp in de huishouding, fruit- of bloemen-verkoopster, weefster, spinster, kleermaakster, of zij deden licht werk in de landbouw. Het systeem om vrouwen te beknotten moet van latere oorsprong zijn.[114] 

         

          Vrouwen stonden bij de brahmanen niet goed aangeschreven. De houding van brahmanen die na hun wijding tot bhikkhu de traditionele brahmaanse houding ten opzichte van vrouwen bleven handhaven, heeft zeer zeker een negatieve uitwerking gehad op de Bhikkhu-sangha in zijn geheel.[115] 

               Er waren veel soorten van pre-boeddhistische nonnen, zoals bij de Jains. Die nonnen waren ondergeschikt aan monniken.[116] Bij de Jains werd de asceet gewaarschuwd voor omgang met vrouwen. Hij mocht niet naar haar kijken, ook niet als zij mismaakt of heel oud was.[117] 

          Volgens Gnanarama is het anachronisme van de instelling van de orde van bhikkhunis duidelijk.[118]

 

          De Boeddha zou gezegd hebben dat monniken niet met vrouwen mogen praten en niet naar haar mogen kijken. Dit is een latere toevoeging. De Boeddha en zijn discipelen hadden contact met vrouwen, o.a. bij het rondgaan voor de maaltijd en bij het nuttigen van maaltijden in huizen van leken. Vrouwen werden toen niet uitgesloten van het luisteren naar de leer. Zij namen deel aan het geestelijke leven.[119]

            Wat betreft de omgang met vrouwen in het algemeen en met nonnen in het bijzonder moet er later veel zijn toegevoegd. De Boeddha onderwees dat men oplettend moet zijn en niet door het geheel noch door details in beslag moet worden genomen (zie D.1). Bij het zien van iemand moeten begeerte en afkeer niet toegelaten worden. De zintuigen moeten oplettend gebruikt worden.[120] Begeerte en afkeer zitten niet in de zintuigen, noch in een object of persoon. Begeerte of afkeer kan ontstaan bij contact van een zintuig en een object, m.a.w. bij het zien, horen, ruiken, voelen, aanraken, denken, gewaarworden van iets of iemand.  Daarom zal de Boeddha alleen hebben aangeraden voorzichtig en oplettend te zijn.

            De kloof tussen mannen en vrouwen die door de Boeddha verkleind was door gelijkheid van status te geven aan vrouwen zowel sociaal als religieus, werd volgens Gnanarama vergroot door de Theras.[121] 

             Na het overlijden van de Boeddha hadden de Theras de verantwoordelijkheid om de discipline te handhaven. Er waren uitstekende nonnen, maar er is niet bericht dat zij hebben deelgenomen aan het eerste concilie. Evenmin is bericht wat zij deden na dat concilie.[122]

              De Sakya-vrouwen die Maha Pajapati Gotami vergezelden, werden door de Bhikkhu-sangha gewijd. Toen later aan een aspirante door bhikkhus vragen werden gesteld tijdens de wijdingsceremonie, werd zij verlegen. Daarom zou de Boeddha gezegd hebben dat eerst de Bhikkhuni-sangha de aspirante moest wijden met de gebruikelijke vragen, en dat daarna de Bhikkhu-sangha de wijding moest geven zonder vragen te stellen.[123]

         

          In het tweede deel van de Vinaya, de Bhikkhunī Vibhanga (of Bhikkhuni-suttavibhanga), staan de regels voor de nonnen, met commentaar.[124] De lijst van die regels is langer dan die voor de monniken. In totaal zijn er 311 regels voor nonnen.[125]

             Na verloop van tijd gebeurden in de Bhikkhuni-sangha dingen die niet pasten bij het heilige leven. Daarom zou de Boeddha regels van oefening hebben vastgesteld speciaal voor de bhikkhunis. Veel regels voor de bhikkhus golden ook voor de bhikkhunis. Maar er waren ook regels die alleen voor de nonnen golden.[126] Die gedragsregels voor nonnen moeten zijn samengesteld in de tweede of eerste eeuw v.C. toen het Mahāyāna floreerde.[127] Die regels worden gereciteerd tijdens de Uposatha-ceremonie op elke 14e dag van de maan. De nonnen moeten meer regels navolgen dan de monniken. Volgens de eerwaarde Khantipalo neigen vrouwen ertoe gelijk te zijn aan of mooier te zijn dan andere vrouwen. Zo'n eigendunk kan in een celibataire orde niet toegestaan worden. En daarom zou de Boeddha veel regels hebben opgesteld dat noch de persoon noch haar gewaden op enige manier versierd mag worden.[128]

         

          Als een bhikkhuni twaalf regentijden in de Orde had doorgebracht, heette zij oudere bhikkhuni of Theri. Zij kon dan onderwijzen bij de wijding. Maar soms waren jonge bhikkhunis niet juist geoefend. Dit duidt volgens Khantipalo op een gebrek om iets te kunnen organiseren. Daarom zou de Boeddha de aanname beperkt hebben tot één pupil elk tweede jaar voor een bhikkhuni-lerares. Bij de Bhikkhu-sangha was er geen beperking.[129] Maar hier is bijvoorbeeld te denken aan Ānanda die eens met jonge ongeoefende discipelen rondreisde en door Maha Kassapa daarom bekritiseerd werd. Ook andere monniken zullen met jonge ongeoefende pupillen te maken hebben gehad. De kritiek op de nonnen is daarom ongegrond. Deze regel moet m.i. van veel latere datum zijn.

 

           In de geschiedenis van het Theravada hebben de nonnen een onbetekenende rol gespeeld. Zij hebben de rol aanvaard die de monniken haar oplegden. Maar de overlevering heeft het aandenken aan veel heilige vrouwen bewaard; haar deugd, opoffering en wijsheid geprezen.[130]

De kenmerken van de goede leer

        In het grote bos bij Vesali, in de hal van het gevelhuis sprak Mahā-Pajāpati Gotamī tot de Verhevene als volgt:

        "Heer, het zou goed zijn wanneer de Verhevene mij in het kort de leer uitlegt, opdat ik, na ze vernomen te hebben, eenzaam, afgezonderd, onvermoeibaar, ijverig en vastbesloten kan vertoeven."

        "Gotami, bij die verschijningen, waarvan je weet dat zij naar begeerte leiden en niet naar afkeer van de begeerte, dat zij naar binding[131] leiden en niet naar het zich losmaken, dat zij naar opstapeling leiden en niet naar het afstapelen,[132] dat zij naar onbescheidenheid leiden en niet naar bescheidenheid, dat zij naar ongenoegzaamheid leiden en niet naar genoegzaamheid, dat zij naar gezelligheid leiden en niet naar afzondering, dat zij naar traagheid leiden en niet naar wilskracht, dat zij naar moeilijkheden bij de ondersteuning leiden en niet naar gemakkelijke ondersteuning, - daar kun je als zeker aannemen dat dit niet de leer is, niet de discipline, niet de instructie van de Meester.

        Maar Gotami, bij die verschijningen waarvan je weet dat zij naar afwending van de begeerte leiden en niet naar begeerte, dat zij naar het zich losmaken leiden en niet naar binding, dat zij naar het afstapelen leiden en niet naar opstapeling, dat zij naar bescheidenheid leiden en niet naar onbescheidenheid, dat zij naar genoegzaamheid leiden en niet naar ongenoegzaamheid, dat zij naar afzondering leiden en niet naar gezelligheid, dat zij naar wilskracht leiden en niet naar traagheid, dat zij naar gemakkelijke ondersteuning leiden en niet naar moeilijkheden bij de ondersteuning, - daar kun je als zeker aannemen dat dit de leer is, de discipline, de instructie van de Meester." (A.VIII. 53)

-=oOo=-

II. Voorbereidende plichten

voor een nieuwe bhikkhu

 

Bindukappa - Het kenmerken van de gewaden

 

              Voordat een bhikkhu een nieuw gewaad gaat gebruiken, moet hij het van een kenmerk voorzien, gewoonlijk in een van de hoeken ervan, met een stip die niet groter is dan een wandluis en niet kleiner dan de iris in het oog van een pauw. Deze stip kan blauw(groen), zwart of bruin zijn. Het doel ervan is zowel de attractiviteit van het gewaad te bederven als het als zijn eigen te kenmerken. Er wordt een overtreding van de pacittiya-soort gemaakt indien een bhikkhu een gewaad gebruikt dat niet op deze manier gekenmerkt is. Het is daarom de plicht van de instructeur, leermeester (acariya) of een andere bhikkhu om de nieuw gewijde bhikkhu te onderrichten dit onmiddellijk na de wijding te doen. Een pen of ander merkinstrument kan voor dit doel gebruikt worden, terwijl de eigenaar van het gewaad hardop of in stilte moet zeggen:

Namo tassa bhagavato arahato sammâsambuddhassa

Namo tassa bhagavato arahato sammâsambuddhassa

Namo tassa bhagavato arahato sammâsambuddhassa

Daarna moet hij het volgende herhalen:

Imam bindukappam karoni

Dutiyam pi imam bindukappam karoni

Tatiyam pi imam bindukappam karoni

              Als het gewaad eens is gekenmerkt, hoeft dit niet meer herhaald te worden, ook niet als het kenmerk door wassen verdwenen is. De tegenwoordige praktijk is om elk gewaad met drie stippen te kenmerken. Initialen of de naam kunnen toegevoegd worden als verder middel voor identificatie.

 

Adhittāna - Het vaststellen voor gebruik

 

              Er zijn twee groepen van benodigdheden welke een monnik kan gebruiken: (1) de benodigdheden die zijn eigen bezittingen zijn, en (2) accessoires die hij leent voor tijdelijk gebruik, en die dus niet tot zijn bezit behoren.

              Tot de persoonlijke bezittingen behoren de acht benodigdheden (atthaparikhâra) welke aan een monnik gegeven worden bij zijn wijding. Al zulke persoonlijke bezittingen moeten formeel opgevorderd worden wanneer zij pas verkregen zijn, en wel door de daad van "het vaststellen voor gebruik", voordat zij gebruikt kunnen worden. Indien men ophoudt met ze te gebruiken, dienen zij formeel onteigend te worden door de daad van "het opgeven". Deze nauwgezette procedure beperkt het aantal bezittingen dat een monnik in één keer kan hebben.

              De monnik moet onfeilbare zorg dragen voor zijn eigen persoonlijke bezittingen. Want als hij gescheiden wordt van zijn eigen gewaden (bij dageraad), is dat een overtreding die bestraft wordt door verlies van dat gewaad aan een andere monnik voordat de overtreding beleden en vergeven is.

              Accessoires zijn, behalve door de lengte van tijd waarvoor zij "geleend" kunnen worden, ook beperkt door regels. Indien benodigdheden langer dan tien dagen in bezit gehouden worden en dan niet met een andere bhikkhu (of novice) gedeeld zijn, dan moeten zij weer verbeurd worden aan een andere monnik voordat de overtreding beleden is en vergeven kan worden.

              Persoonlijke bezittingen zijn formeel vastgesteld voor gebruik door het reciteren van een Pali-formule.

        De rekwisieten zijn: een (dubbeldik) buitengewaad (sanghâti), een oppergewaad (uttarâsankam), een ondergewaad (antaravâsakam), een nap (pattam), andere kleine kledingstukken parikkhâracolam) (zoals ondergoed), badkleding tijdens de regentijd (vassikasâtikam).

paccuddharana – het opgeven van gebruik

Wanneer een van de voorwerpen behorende tot de groepen van benodigdheden teruggeplaatst moet worden, dan moet het artikel dat reeds vastgesteld is, eerst van gebruik ontheven worden.

Vikappa - Het delen van extra-eigenaarschap

 

              Met uitzondering van vastgestelde stukken stof wordt elk stuk stof, groter dan ca 10 x 20 cm, dat tot een gewaad samengesteld kan worden, een extra stuk stof (atireka-cīvaram) genoemd. Een extra stuk stof (of een extra nap) mag door een bhikkhu niet langer dan tien dagen in bezit gehouden worden. Indien men zo'n deel wil houden zonder het voor een verdere periode te gebruiken, dan kan men het recht van eigendom delen. Dit heet "vikappa". Eigendomsrecht kan gedeeld worden met een novice; maar het is gebruikelijker dat het gedeeld wordt met een andere bhikkhu.

        De daad van het delen van eigendomsrecht kan op meerdere manieren gebeuren. Er worden meerdere formules gebruikt.

Verlies van een persoonlijk gewaad

Wanneer de overtreding beleden wordt dat een persoonlijk gewaad 's nachts van een bhikkhu gescheiden is zonder toestemming, dan worden de volgende woorden gebruikt, voor een enkel gewaad:

idam me bbante cîvaram rattivippavattbam aññatara

bhikkbusammatiyâ nissaggiyam imâham âyasmato nissajjâmi.

Verlies van een extra gewaad

Wanneer de overtreding beleden wordt dat een extra gewaad waarvan het eigendomsrecht niet gedeeld is, langer dan tien dagen in bezit gehouden is, dan worden verschillende formules gebruikt, afhankelijk van de leeftijd.

Het teruggeven van een gewaad aan een andere monnik

Nadat de bhikkhu zijn overtreding beleden heeft dat het verbeurde gewaad een persoonlijk gewaad is of een extra gewaad, dan moet het na de bekentenis aan hem worden teruggegeven met de volgende woorden:

Imam bhante cîvaram âyasmato dammi.

Belijdenis van kleinere overtredingen

         

              Het is de plicht van een bhikkhu dagelijks kleinere overtredingen te belijden aan een mede-bhikkhu. Dit kan zuiverheid van kleinere overtredingen teweeg brengen. Het kan ook persoonlijke zwakte die geen schending van het kloostergedrag vormt, zuiveren.

              Een bhikkhu die een lichte overtreding wil belijden, moet zijn gewaad over zijn linker schouder schikken (met de rechter schouder ontbloot), naar een andere bhikkhu gaan en voor hem neerknielen. Met zijn handen gevouwen in het gebaar van respect, maakt hij dan zijn wens kenbaar om de overtreding te belijden. Indien hij zich de overtreding duidelijk kan herinneren, moet hij ze eerst aan de andere bhikkhu in zijn eigen taal vertellen. Hierdoor wordt verhinderd dat bhikkhus die dezelfde overtreding begaan hebben, ze samen belijden. Hierna gaat hij verder met het opzeggen van de traditionele Pali-teksten voor belijdenis.


        

              De formule voor het belijden van lichte overtredingen kan verschillen. Ze is afhankelijk ervan of één overtreding beleden wordt of dat meer dan één van een speciale klasse samen beleden worden. Ook hangt ze ervan af of de overtredingen te doen hebben met één of meer regels. Toch is de algemene vorm van belijdenis de enige die het eerst geleerd wordt door nieuwe monniken. Want ze wordt op elke Uposatha-dag gebruikt om zich te zuiveren van elke overtreding die men weet of niet weet, alvorens te luisteren naar het reciteren van het Pātimokkha. Het is een bhikkhu toegestaan om het aantal overtredingen die hij heeft begaan, te overdrijven, en om zich schuldig te bekennen aan een overtreding waarvan hij zich niet bewust is. Daarom kan de algemene vorm eveneens bij andere gelegenheden gebruikt worden, wanneer enkel een of meer overtredingen beleden worden.

 

Woorden om vergiffenis te vragen

(gebruikt om respect te tonen jegens oudere monniken)

              In de leer van de Boeddha wordt het als juist beschouwd dat, wanneer men zich ervan bewust is dat men iets verkeerds jegens iemand anders heeft gedaan, men vergiffenis moet vragen aan de persoon die verkeerd behandeld is. Wanneer de laatste dan om vergeving is gevraagd, moet deze geen wrok koesteren jegens de eerste, maar hem of haar vergeven. Onder bhikkhus in de begintijd van het Boeddhisme was de beste gelegenheid om vergiffenis te vragen en te geven, wanneer zij in de regenperiode bijeen kwamen. Het is aldus gebruikelijk geworden voor jongere bhikkhus om hun oudere monniken om vergeving te vragen op de eerste dag van het regenseizoen of spoedig erna, afhankelijk ervan of zij in hetzelfde klooster of in verschillende kloosters verblijven.

              De procedure voor het vragen van vergiffenis begint met het aanbieden van kaarsen, geurstokjes of bloemen.

Het vragen van vergiffenis gaat als volgt:

 

Junior:

there pamādena dvattayena katam sabbam aparādham khamatha me bhante.

 

(het woord “there” wordt respectievelijk gewijzigd in:

upajjhāye    (voor z'n instructeur);

ācariye        (voor z'n leermeester);

āyasmante  (een algemene term van respect voor een   oudere bhikkhu)

mahathere  (voor een veel oudere en gerespecteerde bhikkhu).

         

         In sommige kloosters werpen alle bhikkhus, wanneer zij vergiffenis vragen, zich ter aarde neer onmiddellijk na het reciteren ervan. Zij blijven in die houding terwijl de oudere monnik zijn vergiffenis uitspreekt samen met verzen van zegening. Op het einde ervan geven allen, nog steeds ter aarde neergeworpen, ten antwoord: "sādhu bhante." Zelfs wanneer niets verkeerds is gedaan, wordt dit gebruik nog nagevolgd. Wanneer een oudere monnik werkelijk een jongere monnik onrecht heeft aangedaan, dan moet ook hij vergiffenis vragen en zich niet laten voorstaan op het feit dat hij ouder is.

Pattidānagāthā – Overdracht van verdienste

(Laten wij allen nu de verdienste overdragen)

Mogen alle hemelse wezens die in deze tempel wonen, met de stoepas ervan en andere verblijfplaatsen, gezegend zijn door deze verdienstelijke recitatie, om in vrede in deze tempel te vertoeven. Mogen alle monniken van de heilige Orde, novicen, aalmoezen-gevers en leken van de tempel, en alle dorpelingen, de buitenstaanders, stedelingen, degenen met een hoge rang, en alle levende wezens, -

mogen zij allen geïnspireerd worden door de weldadige Dhamma die naar bevrijding voert; mogen alle wezens bevrijd worden van hun lijden.

Moge de leer van alle Boeddhas en van degenen die de Dhamma navolgen, steeds blijven bestaan. Moge de eenheid van de Orde van monniken aan allen heil en geluk brengen. Moge de goede leer ons beschermen en allen die de Dhamma beoefenen. Mogen wij allen voorspoed hebben door het volgen van de leer die door de Boeddha verkondigd is.

Woorden bij het afleggen van het gewaad

 

sikkam paccakkhāmi gihi'ti mam dhāreta. (3x)

Ik geef de training op. Gij kunt mij weer als een leek beschouwen.

-=o0o=-

III. Kloosterzegeningen

bhojanābananumodanāgāthā -  Verzen van dankzegging bij het aanbieden van voedsel

āyudo balado dhīro vannado patibhānado

sukhassa dātā medhāvi sukham so adhigacchati

ayum datvā balam vannam sukhañca patibhānado

dīghāyu yasavā hoti yattha yatthūpapajjatī’ti.

 

Moge er voor de wijze een lang leven zijn, kracht, goede geboorte en een goed verstand. Van hem/haar gaat geluk naar anderen, daarom krijgt hij/zij geluk. Bij degene die anderen een lang leven, kracht, goede geboorte en een goed verstand wenst, zal als resultaat ervan eveneens een lang leven, achting, en andere goede dingen toenemen.

anumodanāvidhī

yathā vārivahā pūra paripūrenti sāgaram

evameva ito dinnam petānam upakappati

icchitam patthitam tumham khippameva samijjhatu

sabbe pūrentu sankappā cando pannaraso yathā

mani jotiraso yathā.

sabbītiyo vivajjantu sabbarogo vinassatu

mā te bhavatvantarāyo sukhī dīghāyuko bhava

sabbītiyo vivajjantu sabbarogo vinassatu

mā te bhavatvantarāyo sukhī dīghāyuko bhava

sabbītiyo vivajjantu sabbarogo vinassatu

mā te bhavatvantarāyo sukhī dīghāyuko bhava

abhivādanasīlissa niccam vuddhāpacāyino

cattāro dhammā vaddhanti āyu vanno sukham balam.

Moge alle onheil afgeweerd worden. Mogen alle ziekten verdreven worden. Mogen er geen gevaren voor u zijn. Moge u gelukkig zijn, met een lang leven. Bij degene die respect heeft en die steeds de ouderlingen eert, bij hem/haar nemen vier eigenschappen toe: lang leven, schoonheid, geluk en kracht.

 

Ratanattayānubhāvadigāthā - Verzen over de macht van het Drievoudige Juweel

ratanattayānubhāvena ratanattayatejasā

dukkharogabhayā verā sokā sattu cupaddavā

anekā antarāyāpi vinassantu asesato

jayasiddhi dhanam lābham sotthi bhāgyam sukham balam

siri āyu ca vanno ca bhogam vuddhī ca yasavā

satavassā ca āyu ca jīvasiddhī bhavantu te.

bhavatu sabbamangalam rakkhantu sabbadevatā

sabba buddhā nubhā vena sadā sotthī bhavantu te

bhavatu sabbamangalam rakkhantu sabbadevatā

sabba dhammā nubhā vena sadā sotthī bhavantu te

bhavatu sabbamangalam rakkhantu sabbadevatā

sabba sanghā nubhā vena sadā sotthi bhavantu te.

Mogen door de macht van het Drievoudige Juweel, door de kracht van het Drievoudige Juweel, onvoldaanheid, ziekte, vijandschap, verdriet, gevaren en droefheid zonder overblijfsel vernietigd worden, moge er geen enkele belemmering meer zijn.

 

Mogen overwinning, succes, rijkdom en voordeel, veiligheid, geluk, kracht, fortuin, een lang leven en schoonheid, voorspoed en roem toenemen. En moge u honderd jaar worden en succes hebben in het leven.

 

        Mogen alle zegeningen geschieden; mogen de goden hun bescherming geven. Moge u door de macht van alle Boeddhas gezegend zijn met veiligheid voor alle tijden.

 

        Mogen alle zegeningen geschieden; mogen de goden hun bescherming geven. Moge u door de macht van de gehele leer gezegend zijn met veiligheid voor alle tijden.

 

        Mogen alle zegeningen geschieden; mogen de goden hun bescherming geven. Moge u door de macht van alle ariya-sanghas gezegend zijn met veiligheid voor alle tijden.

 

cullamangalacakkavāla - De kleinere sfeer van zegeningen

sabbabuddhānubhāvena sabbadhammānubhāvena sabba-sanghānubhāvena buddharatanam dhammaratanam sangha-ratanam tinnam ratanānam ānubhavena caturāsītisahassa-dhammakkhandhānubhāvena pitakatyānubhāvena jinasāva-kānubhāvena sabbe te rogā sabbe te bhayā sabbe te antarāyā sabbe te upaddavā sabbe te dunnimittā sabbe te avamangalā vinassantu āyuvaddhako dhanavaddhako sirivaddhako yasavaddhako balavaddhako vannavaddhako sukha vaddhako hotu sabbadā dukkharogabhayā verā sokā sattu cupaddavā anekā antarāyāpi vinassantu ca tejasā jayasiddhi dhanam lābham sotthi bhāgyam sukham balam siri āyu ca vanno ca bhogam vuddhī ca yasavā satavassā ca āyu ca jivasiddhī bhavantu te.

Door de macht van alle Boeddhas, door de macht van alle Dhammas, door de macht van alle Sanghas, door het Boeddha-juweel, door het Dhamma-juweel, door het Sangha-juweel, door de drie Juwelen, door de macht ervan, door de macht van de 84.000 onderdelen van de Dhamma, door de macht van de drie Pitakas, door de macht van de discipelen van de Overwinnaar, - mogen daardoor al uw ziekten, alle gevaren en alle hindernissen voor u, al uw leed, alle slechte voortekenen en alle onheil voor u geheel vernietigd zijn.

 

              Moge lang leven toenemen, moge rijkdom toenemen, moge fortuin toenemen, moge roem toenemen, moge invloed toenemen, moge schoonheid toenemen, moge geluk toenemen, - moge dat alles er steeds zijn.

 

      Mogen onvoldaanheid, ziekte, vijandschap, verdriet, gevaren en droefheid door de macht hiervan vernietigd worden, moge er geen enkele belemmering meer zijn.

 

              Mogen overwinning, succes, rijkdom en voordeel, veiligheid, geluk, kracht, fortuin, een lang leven en schoonheid, voorspoed en roem toenemen. En moge u honderd jaar worden en succes hebben in het leven.

 

      Mogen alle zegeningen geschieden; mogen de goden hun bescherming geven. Moge u door de macht van alle Boeddhas gezegend zijn met veiligheid voor alle tijden.

 

      Mogen alle zegeningen geschieden; mogen de goden hun bescherming geven. Moge u door de macht van de gehele leer gezegend zijn met veiligheid voor alle tijden.

 

      Mogen alle zegeningen geschieden; mogen de goden hun bescherming geven. Moge u door de macht van alle ariya-sanghas gezegend zijn met veiligheid voor alle tijden.

 

ātānātiyaparitagāthā - Verzen van de Atānatiya-bescherming

 

sabbarogavinimutto sabbasantāpavajjito

sabbaveramatikkanto nibbuto ca tuvam bhava

sabbītiyo vivajjantu sabbarogo vinassatu

mā te bhavatvantarāyo sukhī dīdhayuko bhava.

abhivādanasīlissa niccam vuddhāpacāyino

cattaro dhammā vaddhanti āyu vanno sukham balam.

        

              Moge u vrij zijn van alle ziekten; moge u aan alle leed ontkomen zijn; moge u al uw vijanden overwinnen en moge u bevrijd zijn. Moge alle onheil afgeweerd worden. Mogen alle ziekten verdreven worden. Mogen er geen gevaren voor u zijn. Moge u gelukkig zijn, met een lang leven. Bij degene die respect heeft en die steeds de ouderlingen eert, bij hem/haar nemen vier eigenschappen toe: lang leven, schoonheid, geluk en kracht.

De zegeningen van de leertoespraak

        Eens verbleef de Verhevene in het Jetavana bij Savatthi, in het klooster van Anathapindika. De eerwaarde Nandaka onderwees toen juist in de ontvangsthal de monniken met een leergesprek, vermaande ze, bemoedigde ze en moedigde ze aan.

        Toen nu de Verhevene 's avonds zich uit de afzondering verheven had, begaf hij zich naar de ontvangsthal. Daar bleef hij aan de deuringang staan om het einde van de leerrede af te wachten. Toen hij merkte dat de leerrede ten einde was, schraapte hij zijn keel en klopte aan de deur. De monniken openden de deur voor de Verhevene waarna hij de hal binnenging en op de hem aangeboden zitplaats ging zitten. Toen sprak hij tot de eerwaarde Nandaka als volgt:

        "Nandaka, lang was de leerrede die jou voor de monniken was ingevallen. Ja, mijn rug deed pijn toen ik daar bij de deuringang stond en het einde van je toespraak afwachtte."

        Na deze woorden sprak de eerwaarde Nandaka met verlegen gelaatsuitdrukking tot de Verhevene:

        "Heer, ik wist niet dat de Verhevene aan de deuringang stond; want als ik het had geweten dan was bij mij zeker niet de gedachte opgekomen om zo'n lange leerrede te houden."

        De Verhevene zag de verlegen gelaatsuitdrukking van de eerwaarde Nandaka en zei tot hem:

        "Goed zo, Nandaka, goed zo. Het betaamt jullie goed, jullie edele volgelingen die vol vertrouwen van thuis in de huisloosheid vertrokken zijn, dat jullie samen zitten om over de leer te spreken. Want Nandaka, wanneer jullie samenkomen dan betaamt jullie twee dingen: of een gesprek over de leer of heilig zwijgen.

        Nandaka, wanneer de monnik vol vertrouwen is maar zonder deugdzaamheid, dan is hij juist in dit opzicht nog onvolkomen. Deze eigenschap moet hij daarom tot volmaaktheid brengen en ernaar streven: 'Moge ik toch naast het vertrouwen ook deugdzaamheid bezitten.'

        Wanneer hij echter naast het vertrouwen ook nog deugdzaamheid bezit, dan is hij in dat opzicht volmaakt.        

        Nandaka, wanneer een monnik vol vertrouwen is en deugdzaam, maar niet in het bezit is van de innerlijke kalmte van geest, dan is hij in dat opzicht nog onvolmaakt. Deze eigenschap moet hij daarom tot volmaaktheid brengen en ernaar streven: 'Moge ik toch naast vertrouwen en deugdzaamheid ook nog innerlijke kalmte van geest bezitten.'

        Wanneer hij echter naast vertrouwen en deugdzaamheid ook nog innerlijke kalmte van geest bezit, dan is hij in dat opzicht volmaakt.

        Nandaka, wanneer een monnik vol vertrouwen is en deugdzaam en in het bezit is van innerlijke kalmte van geest, maar niet in het bezit is van het hogere inzicht, dan is hij juist in dat opzicht onvolmaakt.[133]

        Nandaka, wanneer een viervoetig dier een mismaakte voet heeft, dan is het juist met betrekking tot die voet onvolmaakt. Evenzo ook, Nandaka, is de monnik die wel vertrouwen, deugdzaamheid en innerlijke kalmte van geest heeft, maar niet het hogere inzicht bezit, onvolmaakt juist in deze eigenschap. Die eigenschap moet hij daarom tot volmaaktheid brengen en ernaar streven: 'Moge ik toch naast het vertrouwen, de deugdzaamheid en de innerlijke kalmte van geest ook nog het hogere inzicht bezitten.'

        Nandaka, wanneer echter de monnik naast het vertrouwen, de deugdzaamheid, de innerlijke kalmte van geest ook nog het hogere inzicht bezit, dan is hij in dit opzicht volmaakt."

        Zo sprak de Verhevene. Na deze woorden verhief hij zich van zijn zitplaats en ging naar zijn cel. Kort daarna wendde de eerwaarde Nandaka zich tot de monniken en zei:

        "Broeders, de Verhevene heeft zojuist in vier zinnen het heel volmaakte, zuivere heilige leven uitgelegd, waarna hij opstond en naar zijn cel ging."

[Dan herhaalt Nandaka de bovenvermelde uitleg van de Boeddha, en gaat verder met:]

        "Broeders, vijf zegeningen zijn er als men af en toe de leer verneemt, af en toe over de leer spreekt. Die vijf zegeningen zijn:

        Broeders, de monnik toont de monniken de leer die in het begin mooi is, in het midden mooi en aan het einde mooi. Hij verkondigt het heilige leven naar de zin en naar de woordelijke inhoud. Broeders, wanneer de monnik aan de monniken de leer uitlegt, dan is hem de Meester lief en dierbaar; de Meester wordt door hem geacht en geëerd. - Broeders, dit is de eerste zegening van het af en toe vernemen en bespreken van de leer.

        Broeders, wanneer de monnik aan de monniken de leer uitlegt, dan voelt hij enthousiasme voor het doel, enthousiasme voor de leer. - Broeders, dit is de tweede zegening.

        Broeders, wanneer de monnik aan de monniken de leer uitlegt, dan doordringt hij wijs de diepzinnige punten in deze leer en hij ziet ze in. - Broeders, dit is de derde zegening.

        Broeders, wanneer de monnik aan de monniken de leer uitlegt, dan wordt hij door zijn medebroeders in de Orde des te hoger gewaardeerd, denkende: 'Beslist heeft deze eerwaarde het doel bereikt of zal het bereiken.' - Broeders, dat is de vierde zegening.

        Broeders, wanneer de monnik aan de monniken de leer uitlegt, dan zullen diegenen onder de monniken die nog in opleiding zijn, die de bevrijding nog niet hebben bereikt en die naar de onvergelijkbare veiligheid streven, na het vernemen van die leer hun wilskracht inspannen om het nog niet bereikte te bereiken, om het nog niet verworvene te verwerven, om het nog niet verwerkelijkte te verwerkelijken. Degenen echter onder de monniken die reeds heiligen zijn, neigingsvrije, die het heilige leven hebben voltooid, hun taak hebben volbracht, die de last hebben afgeworpen en hun eigen heil hebben bereikt, die van de boeien van het bestaan bevrijd zijn en in het hoogste weten bevrijd zijn, zij wijden zich na het vernemen van deze leer helemaal aan hun huidig geluk. - Broeders, dit is de vijfde zegening van het af en toe vernemen en bespreken van de leer.

        Broeders, deze vijf zegeningen zijn er als men af en toe de leer verneemt, af en toe over de leer spreekt." (A.IX.4)

-=o0o=-

IV. Overwegingen

Inleidende huldebetuiging en een denken aan de Boeddha

(voor monniken)

Wij hebben het huiselijke leven verlaten en hebben onze toevlucht genomen tot de Verhevene. Wij hebben het huiselijke leven verlaten wegens de Verhevene die onze leraar is en in wiens Dhamma wij vreugde scheppen. Met deze gaven vereren wij ten hoogste die Verhevene samen met de ware Dhamma en de Orde van zijn discipelen. Waarlijk, laten wij allen een inleidende hulde betuigen aan de Boeddha en laten wij aan hem denken.

Eer aan de Verhevene, de Heilige, de Volmaakt Ontwaakte.

Eer aan de Verhevene, de Heilige, de Volmaakt Ontwaakte.

Eer aan de Verhevene, de Heilige, de Volmaakt Ontwaakte.

Ovādapātimokkhādipātho – De orderegel tot aansporing (de leer van de Boeddhas)

Handa mayam buddhassa ovādānusāsanīyo bhanāma se

Laten wij allen nu de orderegel tot aansporing reciteren.

Khantā paramam tapo tītikkhā

Nibbānam paramam vadanti buddhā

Na hi pabbajito parūpaghātī

Samano hoti param vihethayanto

Etam buddhānasāsanam.

Geduld en verdraagzaamheid

is de hoogste boete-oefening,

de Boeddhas noemen Nibbana het hoogste.

Geen pelgrim is hij die anderen aangrijpt;

geen boeteling is degene

die iemand anders schade berokkent.

 

Sabbapāpassa akaranam

Kusalass'ūpasampadā

Sacittapariyodapanam

Etam buddhānasāsanam.

Het nalaten van alle kwaad,

het constant zich moeite doen voor het goede,

de reiniging van de eigen geest:

dat is de leer en het voorschrift

van de Boeddhas.

Anūpavādo anūpaghāto

Patimokkhe ca samvaro

Mattaññutā ca bhattasmim

Pantañ ca sayanāsanam

Adhicitte ca āyogo

Etam buddhānasāsanan'ti.

Zonder te berispen, zonder te strijden,

wel-beschermd door de Orde-regel,

steeds matig bij de maaltijd

en gericht naar afgelegen verblijfplaats

en naar verheven denken:

dat is de leer en het voorschrift

van de Boeddhas.

Samvegaparikittanapātha - Overwegingen bijdragende tot bedaardheid

idha tathāgato loke uppanno araham sammāsambuddho,

dhammo ca desito niyyāniko upasamiko parinibbāniko

sambodhagāmī sugatappavedito, mayantam dhammam

sutvā evam jānāma, jātipi dukkhā, jarāpi dukkhā, maranampi dukkham, sokaparidevadukkhadomanassupāyāsāpi dukkhā,

appiyehi sampayogo dukkho, piyehi vippayogo dukkho,

yampiccham na labhati tampi dukkham, sankhittena

pañcupādanakkhandhā dukkhā, seyyathīdam,

rūpūpādānakkhandho, vedanūpādānakkhandho, saññūpādānakkhandho, sankharūpādānakkhandho, viññānūpādānakkhandho,

yesam, pariññāya, dharamāno so bhagavā, evam bahulam sāvake vineti, evam bhāgā ca panassa bhagavato sāvakesu anusāsanī, bahula pavattati,

rupam aniccam, vedanā aniccā,

saññā aniccā, sankhārā aniccā, viññānam aniccam, rūpam anattā, vedanā anattā, saññā anattā, sankhārā anattā, viññānam anattā,

sabbe sankhārā aniccā, sabbe dhammā anattā'ti,

te [tā]* mayam, otinnāmha jātiyā jarāmaranena, sokehi

paridevehi dukkhehi domanassehi upāyāsehi, dukkhotinnā dukkhaparetā, appevanāmimassa kevalassa

dukkhakkhandhassa antakiriyā paññayethā'ti.

ciraparinibbutampi tam bhagavantam saranam gato [gatā]* dhammañca (bhikkhu)sanghanca, tassa bhagavato sāsanam, yathāsati yathābalam manasikaroma anupatipajjāma, sā sā no patipatti imassa kevalassa dukkhakkhandhassa antakiriyāya samvattatu.

Geboren in deze wereld is het Grote Wezen, de Heilige en geheel-Verlichte. Door de Wel-Gegane is de Dhamma verkondigd die uit het lijden leidt, die bijdraagt tot vrede, die dient tot de volledige uitdoving, die leidt tot Verlichting. Nadat wij aldus die Dhamma gehoord hebben, komen wij te weten:

        geboorte is lijden; ouderdom is lijden; dood is lijden; verdriet, geweeklaag, pijn, leed en wanhoop lijden; het verenigd zijn met wie of waarmee men een afkeer heeft, is lijden; het gescheiden zijn van wie of van wat men liefheeft, is lijden; niet te krijgen wat men wenst, is lijden; kortom, de vijf groeperingen van hechten zijn lijden, namelijk:

        de groepering van lichamelijke vorm is lijden; de groepering van gevoelens is lijden; de groepering van waarnemingen is lijden; de groepering van geestelijke formaties is lijden; de groepering van bewustzijn is lijden.

        Ten einde de aard van deze zintuiglijke groeperingen te verwerkelijken, was de instructie die zeer vaak tot de discipelen gericht werd tijdens het leven van de Boeddha als volgt:

        Vorm is niet-blijvend; gevoel is niet-blijvend; waarneming is niet-blijvend; geestelijke formaties zijn niet-blijvend; bewustzijn is niet-blijvend;

vorm is niet-zelf; gevoel is niet-zelf; waarneming is niet-zelf; geestelijke formaties zijn niet-zelf; bewustzijn is niet-zelf.

        Alle samengestelde dingen zijn niet-blijvend; alle verschijnselen zijn niet-zelf.

        Wij allen, omringd met geboorte, ouderdom en ook met verdriet, geweeklaag, pijn, leed en wanhoop, overstelpt met lijden, wij allen hebben dit lijden in het vooruitzicht.

(voor monniken)

Hoewel het uiteindelijke Nibbana van de Gezegende, de heilige, de Volmaakt Verlichte, lang geleden was, zijn wij vol vertrouwen vanuit het huiselijke naar het huisloze leven gegaan, en in dat heilige leven van de Verhevene oefenen wij ons. Moge de juiste levenswijze voor monniken welke het heilige leven is, ons leiden naar de uiteindelijke bevrijding van alle lijden.

Tien overwegingen voor de monnik

1.         Wij monniken moeten steeds weer overdenken dat onze levenswijze van leek nu gewijzigd is; wij moeten de manieren en het gedrag aannemen die verwacht worden van een monnik.

2.         Wij monniken moeten steeds weer overdenken dat ons leven afhankelijk is van anderen; wij moeten daarom gemakkelijk te ondersteunen zijn.

3.         Wij monniken moeten steeds weer overdenken dat er nog veel meer manieren van lichaam en taal zijn die wij moeten verbeteren.

4.        Wij monniken moeten steeds weer overdenken dat wij onszelf moeten bekritiseren en kritiek van onszelf moeten aannemen, wat betreft de reinheid van onze voorschriften.

5.         Wij monniken moeten steeds weer overdenken dat wij van degenen die wijs zijn, kritiek moeten aannemen, en dat wij in staat moeten zijn kritiek aan te nemen, wat betreft de reinheid van onze voorschriften.

6.         Wij monniken moeten steeds weer overdenken dat wij eens gescheiden zullen zijn van allen die ons geliefd zijn en van alles dat ons dierbaar is.

7.         Wij monniken moeten steeds weer overdenken dat wij erfgenaam zijn van onze wilsacties. Als wij goede wilsacties verrichten, zullen er goede resultaten volgen; als wij slechte wilsacties verrichten, zullen er slechte resultaten volgen.

8.         Wij monniken moeten steeds weer overdenken dat dagen en nachten voorbijgaan; hoe brengen wij onze tijd door?

9.         Wij monniken moeten steeds weer overdenken of wij wel of niet behagen scheppen in eenzaamheid.

10.         Wij monniken moeten steeds weer overdenken of wij al enige deugden hebben vervuld op een dergelijke manier dat ze ons beschermt tegen stamelen, wanneer wij later door medemonniken ernaar gevraagd worden.

Tien overwegingen voor de goede vriend

 

1.         Wij, goede vrienden, moeten vaak overwegen dat wij als een goede vriend de manier en het gedrag moeten aannemen die verwacht worden van een goede vriend.

2.         Wij, goede vrienden, moeten vaak overwegen dat er nog veel meer manieren van lichaam en taal zijn die wij moeten verbeteren.

3.         Wij, goede vrienden, moeten vaak overwegen in hoeverre wij ons doel in het leven hebben bereikt om een goede vriend te zijn voor onszelf en voor anderen.

4.         Wij, goede vrienden, moeten vaak overwegen dat, hoe groot of klein de obstakels voor onze plicht ook zijn, wij geduldig en flexibel moeten zijn om die obstakels te overwinnen.

5.         Wij, goede vrienden, moeten vaak overwegen dat wij onszelf moeten bekritiseren, dat wij in staat moeten zijn om kritiek van onszelf aan te nemen, wat betreft de reinheid van de voorschriften.

6.         Wij, goede vrienden, moeten vaak overwegen dat wij van degenen die wijs zijn, kritiek moeten aannemen, dat wij in staat moeten zijn kritiek aan te nemen wat betreft de reinheid van onze voorschriften.

7.         Wij, goede vrienden, moeten vaak overwegen dat wij gescheiden zullen worden van allen die ons geliefd zijn en van alles dat ons dierbaar is.

8.         Wij, goede vrienden, moeten vaak overwegen dat wij erfgenaam zijn van onze wilsacties. Als wij goede wilsacties verrichten, zullen er goede resultaten volgen; als wij slechte wilsacties verrichten, zullen er slechte resultaten volgen.

9.         Wij, goede vrienden, moeten vaak overwegen dat dagen en nachten voorbijgaan; hoe brengen wij onze tijd door?

10.         Wij, goede vrienden, moeten vaak overwegen of wij al enige deugden hebben vervuld op zulke manier dat ze ons beschermt tegen stamelen, wanneer wij later door goede vrienden uit ons gezelschap ernaar gevraagd worden.

Tankhanikapaccavekkhanapātha – Verzen ter overdenking bij het gebruik van de rekwisieten

handa mayam tankhanika paccavekkhanapātham bhanama se

Laten wij nu de verzen reciteren ter overdenking bij het gebruik van de rekwisieten

patisankhā yoniso cīvaram patisevāmi, yāvadeva sītassa patighātaya, unhassa patighātaya, damsamakasavātā-tapasirimsapasamphassānam patighātāya, yāvadeva hirikopina paticchādanattham.

Wijs overwegende draag ik het gewaad alleen om mijzelf te beschermen tegen koude, hitte, horzels, muggen, wind en zon en tegen slangen; en ook draag ik het gewaad als een bestendige bedekking van de schaamte veroorzakende seksuele organen.

patisankhā yoniso pindapātam patisevāmi, neva davāya na madāya na mandanāya na vibhusanāya, yāvadeva imassa kāyassa thitiyā yāpanāya vihimsuparatiyā brahmacariyānuggahāya, iti purānanca vedanam patihankhāmi navañca vedanam na uppādessāmi, yātrā ca me bhavissati anavajjatā ca phāsuvihāro cāti.

Wijs overwegende gebruik ik het voedsel niet voor het plezier ervan, noch voor de ijdelheid (die ontstaat uit de verkrijgbare lichamelijke kracht), noch om dikker te worden, noch om het lichaam mooier te maken, maar enkel om dit lichaam in stand te houden, om de honger te stillen, om het ongedeerd te houden, en om de uitoefening van het heilige leven mogelijk te maken. Ik gebruik het voedsel ook om de oude gevoelens van honger te vernietigen en om geen nieuwe gevoelens van te veel eten op te wekken. Aldus blijf ik vrij van lichamelijke moeilijkheden en kan ik op mijn gemak leven.

patisankhā yoniso senāsanam patisevāmi, yāvadeva sītassa patighātāya, unhassa patighātāya, damsamakasavātā-tapasirimsapasamphassānam patighātāya, yāvadeva utuparissayavinodanam patisallānārāmattham.

Wijs overwegende maak ik gebruik van verblijfplaatsen alleen om mij te beschermen tegen koude en hitte, horzels en muggen, wind en zon, en tegen slangen, en eveneens als een bestendige bescherming tegen de guurheid van het klimaat, en ook om in afzondering te leven.

patisankhā yoniso gilānapaccayabhesajjaparikkhāram patisevāmi, yāvadeva uppannānam veyyābadhikānam vedanānam patighātāya, abyāpajjhaparamatāyā'ti.

Wijs overwegende maak ik gebruik van steun voor de zieken, namelijk medicijnen en gereedschappen, alleen als een hulp om lichamelijke pijnen die zijn ontstaan, te verminderen, en ook om de grootst mogelijke vrijheid van ziekten te behouden.

Atītapaccavekkhanapātha - Verzen ter overdenking ná het gebruik van de rekwisieten

 

Handa mayam atītapaccavekkhanapātham bhanāma se

Laten wij nu de verzen reciteren ter overdenking ná het gebruik van de rekwisieten

ajja mayā apaccavekkhitvā yam cīvaram paribhuttam, tam yāvadeva sītassa patighātāya, unhassa patighātāya, damsamakasavātātapasirimsapasamphassānam patighātāya, yāvadeva hirikopinapaticchādanattham.

Welk gewaad vandaag ook door mij gedragen is zonder overdenking, het geschiedde alleen om mijzelf te beschermen tegen koude, hitte, horzels, muggen, wind en zon en tegen slangen; en ook als een bestendige bedekking van de schaamte veroorzakende sexuele organen.

 

ajja mayā apaccavekkhitvā yo pindapāto paribhutto, so neva davāya na madāya na mandanāya na vibhūsanāya, yāvadeva imassa kāyassa thitiyā yāpanāya vihimsuparatiyā brahmacariyānuggahāya, iti purānañca vedanam patihankhāmi navānca vedanam na uppādessāmi,

yātrā ca me bhacissati anvajjatā ca phāsuvihāro cāti.

Welk voedsel ook door mij gebruikt is zonder overdenking, het geschiedde niet voor het plezier ervan, noch voor de ijdelheid (die ontstaat uit de verkrijgbare lichamelijke kracht), noch om dikker te worden, noch om het lichaam mooier te maken, maar enkel om dit lichaam in stand te houden, om de honger te stillen, om het ongedeerd te houden, en om de uitoefening van het heilige leven mogelijk te maken. Het geschiedde ook om de oude gevoelens van honger te vernietigen en om geen nieuwe gevoelens van te veel eten op te wekken. Aldus zal ik vrij blijven van lichamelijke moeilijkheden en kan ik op mijn gemak leven.

 

ajja mayā apaccavekkhitvā yam senāsanam paribhuttam, tam yāvadeva sītassa patighātāya, unhassa patighātāya, damsamakasavātātapasirimsapasamphassānam patighātāya, yāvadeva utuparissayavinodanam patisallānārāmattham.

Welke verblijfplaatsen vandaag ook door mij gebruikt zijn zonder overdenking, het geschiedde alleen om mij te beschermen tegen koude en hitte, horzels en muggen, wind en zon, en tegen slangen, en eveneens als een bestendige bescherming tegen de guurheid van het klimaat, en ook om in afzondering te leven.

ajja mayā apaccavekkhitvā yo gilānapaccayabhesajja-parikkhāro paribhutto, so yāvadeva uppannānam veyyābādhikānam vedanānam patighātāya, abhyāpajjhaparamatāyā ti .

Welke steun voor de zieken, namelijk medicijnen en hulpmiddelen, vandaag ook door mij gebruikt is zonder overdenking, het geschiedde alleen als een hulp om lichamelijke pijnen die waren ontstaan, te verminderen, en ook om de grootst mogelijke vrijheid van ziekten te behouden.

 

Dhātūpatikūlapaccavekkhanapātha - overdenking van de elementen en van walgelijkheid

handa mayam dhātupatikulapaccavekkhanapātham bhanāma se

Laten wij nu de verzen reciteren ter overdenking van de elementen en van walgelijkheid.

yathāpaccayam pavattamānam dhātumattamevetam, yadidam cīvaram, tadupabhuñjako ca puggalo dhātumattako nissatto nijjīvo suñño, sabbāni pana imāni cīvarāni ajigucchanīyāni imam pūtikāyam patvā ativiya

jigucchanīyāni jāyanti.

Afhankelijk van oorzaken en voorwaarden, enkel de combinatie van verscheidene natuurlijke elementen zijn zowel dit gewaad als de persoon die het gebruikt. Het is geen wezen, het zijn slechts elementen, niet in het bezit van een blijvend levensbeginsel, vrij van een zelfstandig iets of ziel. Dit hele gewaad is nog niet walgelijk, maar na dit rotte lichaam aangeraakt te hebben, wordt het buitengewoon walgelijk.

yathāpaccayam pavattamānam dhātumattamevetam,

yadidam pindapāto, tadupabhuñjako ca puggalo

dhātumattako nissatto nijjīvo suñño, sabbo panāyam

pindapāto ajigucchanīyo imam pūtikāyam patvā ativiya

jigucchanīyo jāyati.

Afhankelijk van oorzaken en voorwaarden, enkel de combinatie van verscheidene natuurlijke elementen zijn zowel voedselgaven als de persoon die ze nuttigt. Het is geen wezen, het zijn slechts elementen, niet in het bezit van een blijvend levensbeginsel, vrij van een zelfstandig iets of ziel. Dit geheel van voedselgaven is nog niet walgelijk, maar na dit rotte lichaam aangeraakt te hebben, wordt het buitengewoon walgelijk.

yathāpaccayam pavattamānam dhātumattamevetam,

yadidam senāsanam, tadupaphuñjako ca puggalo

dhātumattako nissatto nijjīvo suñño, sabbāni pana imāni

senāsanāni ajigucchanīyāni imam pūtikāyam patvā ativiya

jigucchanīyāni jāyanti.

Afhankelijk van oorzaken en voorwaarden, enkel de combinatie van verscheidene natuurlijke elementen, zijn zowel dit verblijf als de persoon die er leeft. Het is geen wezen, het zijn slechts elementen, niet in het bezit van een blijvend levensbeginsel, vrij van een zelfstandig iets of ziel. Deze hele verblijfplaats is nog niet walgelijk, maar na dit rotte lichaam aangeraakt te hebben, wordt ze buitengewoon walgelijk.

yathāpaccayam pavattamānam dhātumattamevetam,

yadidam gilanapaccayabhesajjaparikkhāro, tadupabhuñjako

ca puggalo dhātumattako nissatto nijjīvo suñño, sabbo

panāyam gilānapaccayabhesajjaparikkhāro ajigucchanīyo

imam pūtikāyam patvā ativiya jigucchanīyo jāyati.

Afhankelijk van oorzaken en voorwaarden, enkel de combinatie van verscheidene natuurlijke elementen, zijn zowel deze steun voor de zieken, namelijk medicijnen en gereedschappen, als de persoon die ze gebruikt. Het is geen wezen, het zijn slechts elementen, niet in het bezit van een blijvend levensbeginsel, vrij van een zelfstandig iets of ziel. Deze hele steun voor de zieken, medicijnen en gereedschappen, zijn nog niet walgelijk, maar na dit rotte lichaam aangeraakt te hebben, worden ze buitengewoon walgelijk.

-=o0o=-

V. De Sangha congressen

Inleiding

        De congressen of grote bijeenkomsten van de Sangha zijn te verdelen in concilies en synoden.[134] De concilies zijn grote bijeenkomsten waarop de Oudsten van de Gemeenschap samen kwamen om de Canon vast te leggen en om beslissingen te nemen van grotere betekenis. Onder de bijeenkomsten van de Gemeenschap vinden wij ook synoden die meestal met berichten over schisma’s verbonden zijn. Die laatste bijeenkomsten waren geen algemene concilies. Daartoe ontbraken de organisatorische voorwaarden. De leden van de betreffende gemeenschappen of scholen kwamen bijeen. En zulke bijeenkomsten konden geen bindende beslissingen nemen. Als geen overeenkomst gevonden kon worden, bleven beide groepen met gelijke rechten naast elkaar bestaan. Beter dan het woord “concilie” is dan te spreken van plaatselijke synode.[135] Gemakshalve vat ik beide begrippen samen onder de titel: Sangha-congressen.[136]

        De concilies van Rājagaha en van Vesali zijn traditioneel mondeling overgeleverd. De overlevering van het concilie te Rājagaha is betrouwbaar; die van het concilie te Vesali is minder betrouwbaar.[137]

        Voor het overlijden van de Boeddha wordt, volgens de Theravāda-traditie, het jaar 543 voor Christus aangehouden. Maar volgens anderen is het jaar 483 v.C. waarschijnlijker.[138]

        

1e Sangha-congres, te Rājagaha        

(1e concilie, te Rājagaha, ca 543 (483) v.C.)

De Boeddha zelf heeft geen geschreven teksten nagelaten. Ná zijn definitieve heengaan werd volgens de overlevering te Rājagaha een vergadering bijeengeroepen van veel heilige monniken (ouderlingen) om de Dhamma en de Vinaya te zuiveren van verkeerde leringen en verkeerde discipline.[139] De eerwaarde Mahā Kassapa was de voorzitter ervan. Het eerste concilie duurde zeven maanden.

        

        De procedure op het eerste concilie was eenvoudig. De ouderling Upāli, de erkende autoriteit wat betreft de Vinaya, werd aangewezen om de regels van gedrag van de Orde te reciteren samen met de omstandigheden die ertoe leidden dat zij vastgesteld werden.

         Toen de eerwaarde Upāli de recitatie beëindigd had, werd aan de ouderling Ānanda gevraagd om de leerreden te reciteren. Bijna de hele Sutta Pitaka werd samengesteld vanuit zijn recitatie ervan met de achtergrond en/of gelegenheid.[140]

        Aan de eerwaarde Upāli en diens pupillen werd verzocht de Vinaya Pitaka te bewaren. De eerwaarde Ānanda kreeg de opdracht om met zijn leerlingen de Digha Nikāya te bewaren. Aan de pupillen van de eerwaarde Sariputta - die zelf al vóór de Boeddha overleden was - werd gevraagd om zorg te dragen voor de Majjhima Nikāya. De Samyutta Nikāya was voor de eerwaarde Mahā Kassapa en diens leerlingen; en de Anguttara Nikāya was voor de eerwaarde Anuruddha en z'n pupillen.[141]

        Het doel van het eerste concilie is zeer zeker geweest de leer te beoordelen en valse leringen eruit te verwijderen. En de Boeddha heeft in meerdere dialecten gepreekt. Misschien was een andere reden dat men de leer in één taal wilde onthouden. Een aanwijzing daartoe zou kunnen zijn dat de eerwaarde Purāna de leer bleef onthouden zoals hij ze van de Boeddha zelf had vernomen.[142]

2e en 3e Sangha-congres, te Vesali

(2e concilie, te Vesali, ca 100 n.B. = ca 443 (383) v.C.

en synode te Vesali)

        Ongeveer honderd jaren na het overlijden van de Boeddha wilden monniken te Vesali de regels wijzigen door tien mindere punten op te geven. De oudere monniken in Pāvā, Kosambi, Avanti, en ook in Dekkhan hadden er bezwaar tegen. Dat was immers tegen het besluit van het eerste Sangha-congres. Daarom werd een tweede Sangha-congres (2e concilie) samengeroepen van 700 vooraanstaande monniken. Aan het hoofd van hen stonden de eerwaarden Yasa, Revata en Sabbakāmi. Het congres (concilie) werd gehouden te Vesali en duurde acht maanden. De tien punten werden verworpen en de Dhamma en de Vinaya werden weer gereciteerd en opnieuw vastgesteld.

        

        De monniken van Vesali en andere monniken waren het niet eens met dit concilie. Daarom werd een nieuw congres gehouden door de Vajjiputtakas en hun aanhangers. Dat congres werd bijgewoond door 10.000 monniken.[143] Het werd “de grote recitatie” of “het grote Sangha-congres” (mahasangiti) genoemd. Er ontstond toen een afzonderlijke school, de Mahāsanghikas. De orthodoxe groep werd genoemd de Theravādins of de Sthavīravādins (de groep van de Ouderlingen of Senioren).

Volgens sommigen was dit congres van de Mahāsanghikas op het einde van het tweede Sangha-congres (2e concilie). Volgens ande­ren is dit zeer onwaarschijnlijk, zo niet onmogelijk, en werd het ge­houden enige tijd na dit concilie en enige tijd vóór de periode van Asoka.

        Er werd toen geen schisma gevormd. Want zij verwierpen niet de Boeddha, Dhamma en Sangha. Zij waren het alleen niet eens met de orthodoxe gemeenschap van de Ouderlingen over bepaalde regels van discipline. De fundamentele en essentiële leringen van de Boeddha zijn in beide scholen gelijk.

4e Sangha-congres, te Pataliputta

(Synode te Pātaliputta, 236 n.B = 307 (247) v.C.)

        In 218 na Boeddha kreeg Asoka de heerschappij over heel India. Vier jaar daarna kroonde hij zichzelf in de stad Pātaliputta tot koning.[144] Ongeveer 18 jaar daarna, in de 3e eeuw v.C., bekeerde keizer Asoka zich tot het Boeddhisme.         

        Na de bekering van Asoka kreeg de Orde van de monniken veel privileges. De kloosters kregen materiële voorspoed. Vanwege de vele voordelen die de Boeddhistische monniken kregen, sneden veel brahmanen hun haren af, droegen gele gewaden en traden in de Orde in. In de kloosters hielden zij hun oude geloof en oude praktijken. Ieder van hen gaf zijn leer uit alsof het de ware leer van de Boeddha was.[145]

        Er was veel onachtzaamheid en slordigheid bij veel klooster­gemeenschappen. Als protest daartegen weigerden de devote monniken in het klooster Asokārama gedurende zeven jaren de Uposatha of Pavāranā-ceremonie te houden.[146] Asoka merkte dit en vroeg aan de eerwaarde Moggaliputta[147] om aan deze wantoestand een einde te maken.[148] 

        In 236 na Boeddha[149] werd daarom te Pātaliputta[150] onder patronage van keizer Asoka een Sangha-congres gehouden in het klooster Asokārama. De eerwaarde Tissa Moggaliputta was de voorzitter ervan. Dit congres duurde negen maanden. Door duizend vooraanstaande monniken werd er de Canon gereciteerd. De leer werd gezuiverd en de Dhamma en Vinaya werden er gereciteerd. Toen werd ook de hele Abhidhamma gereciteerd.[151]

        De eerwaarde Moggaliputta stelde op dit congres het Kathāvatthu samen. Hierin werden de ketterse leerstellingen weerlegd.[152]

        

        Na dit Sangha-congres, een synode, zond de eerwaarde Moggaliputta monniken (Theras) naar diverse delen van India en ook naar andere landen van Azië om er de leer van de Boeddha te preken. Heel veel mensen werden er tot de leer van de Boeddha bekeerd.[153]

5e Sangha-congres, te Anuradhapura

(Synode te Anuradhapura, ca 225 n.B. = ca 318 (258) v.C.)

        Tijdens de regering van koning Devanampiya Tissa (247-207 v.C.) was er volgens de traditie van Sri Lanka een Sangha-congres te Anuradhapura. President ervan was de eerwaarde Arittha Thera. Dit congres was een synode; volgens de traditie namen er 60.000 Arahants aan deel.[154]

6e Sangha-congres, te Anuradhapura

(Concilie te Anuradhapura, ca 443 n.B. = ca 100 (40) v.C.)

        In de eerste eeuw v.C. was er in Sri Lanka een invasie van Tamils uit India; ook was er een grote hongersnood. De mondelinge overlevering van de leer liep gevaar. Daarom werd besloten de leer op schrift te stellen. Dit gebeurde omstreeks 90 v.C., tijdens de regering van de vrome Sinhalese koning Vatta Gāmani Abhaya (101-77 v.C.). Toen werd het vijfde Sangha-congres gehouden van Arahants. Het doel ervan was de herziening van de commentaren op de Tipitaka. Op het einde van dat congres werden de Pāli Canon en de commentaren op schrift gesteld. Dit geschiedde te Aluvihāra (Aloka-Vihāra) in het Matale District in Sri Lanka.

        Dit congres wordt beschouwd als het 4e concilie van de Theravada school.[155]

7e Sangha-congres, te Sri Lanka         

(Synode te Sri Lanka, 516 n.B. = 27 v.C. (33 n.C.)

        Het 7e Sangha-congres was een synode te Sri Lanka ten tijde van de regering van koning Mahanama in 516 n.B. De commentaren werden toen vanuit het Sinhalees vertaald in het Magadhi (Pāli) door Bhadanta Buddhaghosa.[156]

8e Sangha-congres, te Kasjmir

(Concilie te Kasjmir, 643 n.B. = ca 100 (160) n.C.)

        Koning Kanishka I had een groot indoskytisch rijk gesticht. Een groot deel van noordwest India behoorde ertoe. Hij besteeg de troon in 78 n.C. Hij regeerde te Purushapura (thans: Peshawar), in het district van Gandhāra. Hij was eerst een tegenstander van het Boeddhisme. Later werd hij een voorvechter ervan. Er waren toen verscheidene scholen met (bijna) tegengestelde inzichten. Parsva, een beroemd Boeddhistisch patriarch, legde aan de koning uit dat er sedert het overlijden van de Boeddha veel jaren verlopen waren. De verschillende scholen hielden vast aan de diverse meesters, ieder met eigen versie.[157]

        Onder auspiciën van Kanishka werd daarom, ca 100 n.C., een Sangha-congres gehouden. Het doel ervan was om commentaren te schrijven op de drie Pitakas, en om de verwarring tussen de verschillende scholen te beëindigen.

        Van heinde en ver werden monniken bijeengeroepen. Uit de samen­gekomen monniken werden 500 wijze en heilige monniken uitgekozen. Voorzitter van hen was de eerwaarde Vasumitra (of: Vasubandha).

        De bijeenkomst was in Kasjmir, waar de koning te Jalandhara een klooster had laten bouwen. Het werk van de geleerde monniken resulteerde in drie commentaren op de drie Pitakas. De eigenlijke bedoeling ervan was om een einde te maken aan de oude twisten. Maar in feite ontstonden er omstreeks die tijd twee stromingen in het Boeddhisme.

        De commentaren die toen – in het Sanskriet - samengesteld werden, zijn:

* het Upadesasāstra (commentaar op de suttas);

* het Vinayavibhāshāsāstra (commentaar op de Vinaya);

* het Abhidharmavibhāshāsastra (commentaar op het Abhidhamma).

        Het Theravāda dat zijn Canon reeds in Sri Lanka op schrift had gesteld, erkende dit concilie onder koning Kanishka niet. Het gevolg ervan was de splitsing van de leer van de Boeddha in een zuidelijke en een noordelijke school.

        De noordelijke school werd Mahāyāna genoemd, het grote voertuig. De zuidelijke school kreeg toen de naam Hinayāna, het kleine voertuig.

        

9e Sangha-congres, te Lhasa

(Synode te Lhasa, 792-794 n.C.)

        Tijdens de regering van koning Khri-srong-lde-btsan van Tibet werd in 792-794 een Sangha-congres gehouden. Het Tibetaans Boeddhisme was in de 6e eeuw ingewikkeld geworden. Want koning Srong-btsan-sgam-po was er getrouwd met zowel een Nepalese als een Chinese vrouw. Inlichtingen over de leer en de praktijk van het Boeddhisme kwamen toen van twee kanten. Toen het grote klooster te bSam-yas klaar was, werd er een Sangha-congres samengeroepen. Het doel ervan was de verschillen te bezien tussen de tantrische denkbeelden van Padmasambhava, de vroegere Indiase Boeddhistische idealen van Śantiraksita, en de Chinese standpunten. Het congres werd een debat tussen Śantiraksita en de Chinese monnik Hva-shang. De laatste pleitte voor het standpunt van plotselinge Verlichting, terwijl Śantiraksita dat van geleidelijke Verlichting aanvoerde. Hij legde ook de nadruk op verdienstelijke daden; maar dit werd door Hva-shang weerlegd. De Chinese denkbeelden werden verworpen en de Chinese deelnemers aan dit congres verlieten Tibet.[158]

10e Sangha-congres, te Pulatthinagara

(Synode te Pulatthinagara, 1587 n.B. = 1044 (1104) n.C.)

        In 1587 na Boeddha was er een Sangha-congres (synode) te Sri Lanka, in de plaats Pulatthinagara. Ze werd gehouden op verzoek van koning Parākrama of Parakramabahu de Grote. Alleen de commentaren werden er herzien. President ervan was de eerwaarde Mahakassapa. Het was in 1044 (1104) n.C. De conferentie duurde één jaar.

        Volgens de traditie van Sri Lanka is dit het 7e concilie.

11e Sangha-congres, te Chiangmai

(Concilie te Chiangmai, 1477 n.C.)

        In 1477 n.C. was er een Sangha-congres (concilie) te Chiangmai, Thailand. Dit congres duurde één jaar en was bijeengeroepen door koning Sridharmacakravarti Tilaka Rajadhiraja (Tilokaraj), heerser over Noord-Thailand, om het Boeddhisme in Thailand steviger te vestigen.[159]        

Volgens Thaise traditie is dit het 8e concilie.

        

12e Sangha-congres, te Bangkok        

(Concilie te Bangkok, 1788 n.C.)

        In 1788 n.C. (2331 na Boeddha) was er weer een Sangha-congres (concilie) in Thailand, nu in Bangkok. Het doel ervan was een zuivering van de Sangha en een herleving van het Boeddhisme in Thailand. Dit concilie werd gehouden na een oorlog tussen Thailand en een naburig koninkrijk. De oude hoofdstad Ayutthaya (Ayodhya) was door vuur verwoest en veel boeken en manuscripten van de Pāli Canon waren verbrand. De Orde van monniken was niet georganiseerd en moreel verzwakt. Koning Rama I en diens broer consulteerden daarom de leidende monniken en lieten een concilie bijeen roepen opdat het geloof hersteld zou worden. 218 Ouderlingen en 32 geleerde leken kwamen toen samen en reciteerden de Tripitaka gedurende ongeveer een jaar. Gedurende en na dit congres bloeide het Boeddhisme weer op.[160]

        Dit is het 9e concilie volgens Thaise traditie.

13e Sangha-congres, te Ratnapura

(Synode te Ratnapura, 1865 n.C.)

        In 1865 n.C. werd een Sangha-congres gehouden te Ratnapura, Sri Lanka. Het duurde vijf maanden. President van deze synode was de eerwaarde Hikkaduve Siri Sumangala.

        Volgens de Sinhalese traditie is dit het vijfde concilie.[161]

14e Sangha-congres, te Mandalay)        

(Concilie te Mandalay, 1871 n.C.)

        In 1871 n.C. (2414 na Boeddha) was er een Sangha-congres (concilie) te Mandalay, Myanmar, onder bescherming van koning Min-donmin. Er namen 2400 geleerde monniken en leraren aan deel. De hele Pāli Canon werd er gereciteerd en daarna op 729 marmeren platen gebeiteld. Die recitatie geschiedde in het koninklijk paleis en duurde ca vijf maanden.[162]

Volgens de traditie van Myanmar is dit het 5e concilie.

15e Sangha-congres, te Thailand)        

(Concilie te Thailand, 1888 n.C.)

        In 1888 n.C. was er een Sangha-congres in Thailand op verzoek van koning Chulalongkorn (Rama V). Na dit Sangha-congres, een concilie, werd de Pāli Canon in het Thais gepubliceerd.

        Volgens de traditie van Thailand is dit het 9e concilie.

16e Sangha-congres, te Rangoon)        

(Concilie te Rangoon, 1954 n.C.)

        In 1954 n.C. werd te Rangoon (Yangon), Myanmar, begonnen met een Sangha-congres (concilie) dat doorging tot de dag van volle maan van Vaisakha (mei) in 1956. Dat is de 2500ste jaardag van het Parinibbāna van de Boeddha.[163] Geleerde monniken van verschillende landen – in het bijzonder India, Sri Lanka, Cambodja, Thailand, Laos en Pakistan – namen eraan deel. Ongeveer 500 monniken van Myanmar (Birma) waren uitgenodigd om de tekst van de Tripitaka te controleren. Ook werden in elk van de Boeddhistische landen groepen monniken georganiseerd om de teksten te onderzoeken.

        Op het einde van het congres werden alle teksten van de Pāli Canon en van de commentaren gereciteerd. De herziene versie werd in het Birmees gepubliceerd.

        

        Volgens de traditie van Sri Lanka en Myanmar is dit het 6e en volgens die van Thailand het 10e concilie.[164]

-=o0o=-

Geraadpleegde bronnen

An, Yang-Gyu (tr,): The Buddha's Last Days : Buddhaghosa's Commentary on the Mahâparinibbâna Sutta. Oxford 2003.

Bapat, P.V.: The Majjhima Nikāya (1, Mūla Pannāsakam) Editor: Dr. P.V. Bapat; General Editor: Bhikkhu J. Kashyap. [s.l] : Pāli Publication Board (Bihar Government), 1958. (Nālandā-Devanagārī-Pāli-Series).

Bapat, P.V.: 2500 Years of Buddhism. (5th repr.) New Delhi 1987.

Bareau, André: “Der indische Buddhismus,” in: Die Religionen Indiens, III, Stuttgart 1964, p. 1-215.

Bodhesako, Samanera : Beginnings: The Pali Suttas. Kandy 1984. The Wheel No. 313/315.

De Zoysa, A.P.: Indian culture in the days of the Buddha. Colombo : Gunasena, 1955.

Dhammadâyâda Chanting Book. Patumthani : Dhammakaya Foundation, 1994.

Dhammananda, K. Sri (tr.): The Dhammapada.  Kuala Lumpur : Sasana Abhiwurdi Wardhana Society, 1988.

Finegan, Jack : The archeology of World Religions : The Background of Primitivism, Zoroastrianism, Hinduism, Jainism, Buddhism, Confucianism, Taoisme, Shinto, Islam, and Sikkhism. (4th printing) - Princeton 1971.

Frauwallner, Erich: 'Die buddhistischen Konzile,' in: Kleine Schriften, Wiesbaden 1982, p. 649-670.

Geiger, Wilhelm (Übers.): Samyutta-Nikâya. Die in Gruppen geordnete Sammlung aus dem Pâli-Kanon der Buddhisten. 2. Band, München-Neubiberg: Schloß, 1925.

Geiger, Wilhelm (tr.) : The Mahāvamsa or the great chronicle of Ceylon. Transl. into English by Wilhelm Geiger; assisted by Mabel Haynes Bode; with an addendum by G.C. Mendis. London 1980. (Pali Text Society Translation Series No. 3).

Glasenapp, Helmuth von: Die Literaturen Indiens von ihren Anfängen bis zur Gegenwart. Wildpark-Potsdam : Athenaion, 1929. (Handbuch der Literaturwissenschaft).

Gnanarama, Ven. Pategama: The Mission Accomplished : A historical analysis of the Mahaparinibbana Sutta of the Digha Nikaya of the Pali Canon. Singapore : Ti-Sarana Buddhist Association, 1997.

Gombrich, Richard F.: Theravâda Buddhism. A social history from ancient Benares to modern Colombo. London 1988. (The Library of Religious Beliefs and Practices).

Hecker, Hellmuth: Lives of the Disciples : Maha Kassapa Father of the Sangha. Revised and enlarged transl. from the German by Nyanaponika Thera. Kandy : BPS, 1987. The Wheel No. 345. (plus de internet-versie hiervan).

http://www.accesstoinsight.org/canon/khuddaka/therigatha/thag18.html (Theragatha XVIII Maha Kassapa)

Hüsken Hüsken, Ute: 'Die Legende von der Einrichtung des buddhistischen Nonnenordens im Vinaya-Pitaka der Theravâdin,' in: Studien zur Indologie und Buddhismuskunde, Bonn 1993, p. 164-165.

Ikeda, Daisaku: Buddhism, the First Millennium, Transl. by Burton Watson, Tokyo 1977.

Ireland, John D. (tr.): The Udâna. Inspired Utterances of the Buddha. Kandy : BPS, 1990.

Khantipalo, Bhikkhu: Banner of the Arahants. Buddhist Monks and Nuns from the Buddha's time till now. Kandy : BPS, 1979.

Kirfel, Willibald : Symbolik des Buddhismus. Stuttgart 1959.

Lamotte, Étienne: Histoire du Bouddhisme indien. Des origines à l'ère Shaka, Louvain-la-Neuve 1976.

Lassen, Christian : Indische Alterthumskunde. Bd. 2, Teil 1 : Geschichte von Buddha bis zu dem Ende der älteren Gupta-Dynastie. Nebst Umriss der Kulturgeschichte dieses Zeitraums. (Neudruck der 2. verm. u. verb. Aufl. 1874). Osnabrück 1968.

Ling, Trevor: A Dictionary of Buddhism. Indian and South-East Asian, Calcutta/New Delhi 1981.

Malalasekera, G.P.: Dictionary of Pâli Proper Names.  London : PTS, 1974. (Vol. II).

Markert, Günter: Buddhas, Götter und Dämonen. München (etc.) 1956.

Ñānamoli, Bhikkhu: The Life of the Buddha according to the Pali Canon. (2nd ed.) Kandy : BPS, 1978. (1st ed. 1972).

Ñanatiloka, Bhikkhu: Die Reden des Buddha aus der "Angereihten Sammlung" - Anguttara Nikâyo - des Pâli-Kanons. Bd. 1. Das Einer-Buch - Eka-Nipâto. Übers. u. erläutert von Bhikkhu Ñanatiloka. Leipzig : Buddhistischer Verlag, [s.a.] (Heilige Schriften der Buddhisten ; 1)

Nârada Thera: The Dhammapada : Pali Text and translation with stories in brief and notes. (3rd ed.) - Colombo: BMS, 2522-1978. (1st ed. 1963).

Narada, Maha Thera: The Buddha and His Teachings. (4th enlarged ed.) Kandy 2574/1980.

Naudou, Jean: Buddha. Aus dem Französischen übertragen von Peter Kamnitzer. Paris : Somogy, [s.a.] (Die grossen Religionsstifter).

Neumann, Karl Eugen: Die Reden Gotamo Buddhos aus der mittleren Sammlung Majjhimanikāyo des Pāli-Kanons. Bd. II, München 1922.

Neumann, Karl Eugen (Übers.): 'Der Wahrheitspfad (Dhammapadam). Ein buddhistisches Denkmal,' (4. Aufl.), in: Sammlungen in Verzen, Zürich 1957, S. 615-837. (1. Aufl. 1892).

Neumann, Karl Eugen (Übers.): 'Die Lieder der Mönche und Nonnen Gotamo Buddhos. Aus den Theragâthâ und Therîgâthâ,' (3. Aufl.), in: Sammlungen in Verzen, Zürich 1957, S. 271-613.

Norman, Pāli Literature, Wiesbaden 1983.

Nyānamoli, Bhikkhu : The Life of the Buddha according to the Pali Canon. (2nd ed.), Kandy 1978.

Nyanaponika (Übers.): Sutta-Nipâta : Früh-buddhistische Lehr-Dichtungen aus dem Pali-Kanon. Mit Auszügen aus den alten Kommentaren. (2. revid. Aufl.). Konstanz 1977.

Nyânaponika Thera (tr.): Anguttara Nikaya. The Discourse Collection in Numerical Order. An Anthology. Part II. Books Five to Eight. Kandy 1975. The Wheel No. 208/211.

Nyanatiloka (Übers.): Die Lehrreden des Buddha aus der Angereihten Sammlung Anguttara-Nikâya. Übers. von Nyanatiloka; hrsg. von Nyanaponika. Köln : DuMont Schauberg, 1969. Neue Gesamtausgabe in fünf Bänden. 3. revid. Neuauflage.

Bd. 4. Siebener- bis Neuner-Buch. Bd. V., Zehner- u. Elfer Buch.

Oldenberg, Hermann: Buddha. Sein Leben, seine Lehre, seine Gemeinde. (2. Aufl.) Berlin : Hertz, 1890.

Pandit, Moti Lal : Being as becoming : Studies in Early Buddhism. New Delhi 1993.

Piyadassi Thera: The Buddha. A short Study of His Life and Teaching. (3rd enlarged ed.) Kandy : BPS, 1970. The Wheel No. 5ab.

Points of Controversy or Subjects of Discourse, being a translation of the Kathā-Vatthu from the Abhidhamma-Pitaka, by Shwe Zan Aung and Mrs. Rhys Davids. Oxford 1993.

Prebish, Charles S.: Historical Dictionary of Buddhism. London 1993. (Historical Dictionaries of Religions, Philosophies, and Movements, No. 1).

Rahula, Ven. Walpola Sri : 'Validity and Vitality of the Theravada Tradition,' in: Voice of Buddhism, Dec. 1990, Vol. 28, No. 2.

Rajavaramuni, Phra: Thai Buddhism in the Buddhist World : A survey of the Buddhist situation against a historical background. (4th printing). Bangkok 2530/1987.

Sangharatana Thero, Ven. Talawe: A critical study of provincial Gods in Sri Lanka, Delhi 1996.

Schneider, Ulrich: Einführung in den Buddhismus, Darmstadt : Wissenschaftliche Buchgesellschaft, 1980.

Schumann, Hans Wolfgang: Buddhismus. Stifter, Schulen und Sys­teme, Olten 1976.

Schweitzer: Gandhi in Südafrika. Erlenbach-Zürich 1925.

Theragatha XVIII (vv. 1051-90) Maha Kassapa. Translated from the Pali by Thanissaro Bhikkhu. Alternatieve vertaling door Andrew Olendzki. (internet versie)

Thomas, Edward J. : The History of Buddhist Thought. London 1933.

Thomas, Edward: The Life of Buddha as legend and History. (repr.) New Delhi: Munshiram Manoharlal Publ., 1992. (Reprint of 3rd red. (revised), publ. 1949, London).

U Ko Lay (comp.): Guide to Tipitaka. Burma: Buddha Dharma Education Association Inc., 1985. (E-book).

Wach, Joachim: Mahāyāna, besonders im Hinblick auf das Saddharma-Pundarīka-Sūtra. München-Neubiberg 1925.

Walshe, Maurice (tr.): The Long Discourses of the Buddha. A Translation of the Dîgha Nikâya. Kandy : BPS, 1996. (The Teachings of the Buddha).

Warder, A.K. : Indian Buddhism. (2nd rev. ed.) Delhi (etc) 1980. (1st ed. 1970).

Webb, Russel (ed.): An Analysis of the Pali Canon, being the Buddhist Scriptures of the Theravada School. Kandy: BPS, 1975, The Wheel No. 217/220.

Weerasinghe, G.D.: Women in Ancient India. Kandy : BPS, 1970. Bodhi Leaves No. B 47

Winternitz, M.: Der ältere Buddhismus nach Texten des Tipitaka. (2. erw. Aufl.) - Tübingen: Mohr, 1929.

Winternitz, Maurice: A history of India Literature. Vol. II : Buddhist Literature and Jaina Literature. A new authoritative English translation by V. Srinivasa Sarma. (revised ed.) Delhi (etc.) : Motilal Banarsidass, 1983. orig. titel: Winternitz, Moritz : Geschichte der indischen Literatur. Band II.

Wolters’ Woordenboek Nederlands Koenen, 28e dr., 1987.

Woodward, F.L. (tr.): Udana. Verses of Uplift; and Itivuttaka. As it was said. (repr.) - London: PTS, 1985. (The Minor Anthologies of the Pali Canon, Part II). (1st ed. 1935).

 

Zürcher, E.: Buddhism : its origin and spread in words, maps and pictures. Amsterdam 1962.

http://www.palikanon.com/english/pali_names/aa/aananda.htm

    http://www.dharmaweb.org/index.php/Relatives_and_Disciples_of_the_Buddha_By_Radhika_Abeysekera


[1] Khantipalo, Bhikkhu: Banner of the Arahants, Kandy 1979, p. 7.

[2] Khantipalo 1979, p. 5.

[3] idem.

[4] Khantipalo 1979 p. 53.

[5] Khantipalo 1979, p. 6.

[6] Khantipalo 1979, p. 7.

[7] Khantipalo 1979, p. 11.

[8] Khantipalo 1979, p. 12-13.

[9] Khantipalo 1979, p. 12-13; Bareau, André: “Der indische Buddhismus,” in: Die Religionen Indiens, III, Stuttgart 1964, p. 54-55.

[10] Khantipalo 1979, p. 13.

[11] Khantipalo 1979, p. 46.

[12] Schweitzer: Gandhi in Südafrika, Erlenbach-Zürich 1925, p. 69.

[13] Schneider, Ulrich: Einführung in den Buddhismus, Darmstadt 1980, p. 119.

[14] Schneider 1980, p. 121.

[15] Khantipalo 1979, p. 13.

[16] Khantipalo 1979, p. 31-32; Ñānamoli, Bhikkhu: The Life of the Buddha according to the Pali Canon. (2nd ed.) Kandy 1978, p. 77-78.

[17] In Thailand heeft de samensteller novicen van 6 jaar gezien.

[18] Schneider 1980 p. 119. 

[19] Bareau 1964, p. 54-55.

[20] Naudou, Jean: Buddha. Aus dem Französischen übertragen von Peter Kamnitzer. Paris [s.a.] p. 147; Bareau 1964, p. 54-55.

[21] Schneider 1980, p. 119; Bareau 1964, p. 54-55.

[22] Khantipalo 1979, p. 10.

[23] Bareau 1964, p. 64.

[24] Bareau 1964, p. 57-58.

[25] Khantipalo 1979, p. 45.

[26] zie: Vin. I.137.

[27] Bareau 1964, p. 58.

[28] Bareau 1964, p. 59.

[29] Dit geschiedde in de maand Māgha (= februari). - Ter herinnering aan deze gebeurtenis staat thans een klein Boeddhabeeldje op de plek waar zij samen kwamen.

[30] in daad, woord of gedachten.

[31] D.14.

[32] Schneider 1980, p. 167.

[33] Bareau 1964 p. 56-57.

[34] Bareau 1964, p. 57.

[35] Khantipalo 1979, p. 37.

[36] Khantipalo 1979, p. 38.

[37] Khantipalo 1979, p. 38.

[38] Khantipalo 1979, p. 39.

[39] Schneider 1980, p.117-118; Khantipalo 1979, p. 36-39.

[40] Khantipalo 1979, p. 38.

[41] Khantipalo 1979, p. 42.

[42] De in het volgende genoemde ‘kleine en nog geringere regels van oefening’ zijn de abhisa-macarika-sila, 'de deugdzaamheid die bestaat in goed gedrag of voorbeeldig gedrag.’  (Vgl. A.IV.245; A.V.21)

[43] A.X.31, in: Khantipalo 1979, p. 43-44.

[44] Khantipalo 1979, p. 36.

[45] Khantipalo 1979, p. 45.

[46] Bareau, André 1964, p. 60.

[47] Bareau 1964, p. 59-60.

[48] Bareau 1964, p. 111.

[49] Bareau 1964, p. 60.

[50] Khantipalo 1979, p. 50.

[51] Bareau 1964, p. 60.

[52] Bareau 1964, p. 60.

[53] Bareau 1964, p. 61.

[54] Khantipalo 1979, p. 86-88.

[55] Khantipalo 1979, p. 89.

[56] Khantipalo 1979, p. 41.

[57] D.16; A.VIII,20. Zie ook A.VII.21, in: Nyanatiloka (Übers.): Die Lehrreden des Buddha aus der Angereihten Sammlung Anguttara-Nikâya. Köln 1969, Bd. IV, p. 18-19.

[58] Het commentaar van Buddhaghosa luidde: Als zij niet vaak samenkomen, vernemen zij niet het nieuws uit andere regio’s. Zij weten dan niet wat er in andere kloosters gebeurd is. In geval van mistoestanden kunnen zij dan niet ingrijpen en de leer of kloosterregels weer in orde brengen. (An, Yang-Gyu (tr,): The Buddha's Last Days : Buddhaghosa's Commentary on the Mahâparinibbâna Sutta. Oxford 2003, p. 20-21).

[59] De zaken van de Orde: Volgens An 2003, p. 21-22: zorg voor stoepa, reparatie van dak of hal, bouw van nieuwe hal, naaiwerk aan gewaad e.d.

[60] Oudere monnik: Thera.

[61] Khantipalo 1979, p. 79.

[62] Bareau 1964, p. 15.

[63] Bareau 1964, p. 15.

[64] Khantipalo 1979, p. 71.

[65] idem, p. 92.

[66] idem, p. 107.

[67] Nyanaponika (Übers.): Sutta-Nipâta : Früh-buddhistische Lehr-Dichtungen aus dem Pali-Kanon. Mit Auszügen aus den alten Kommentaren. (2. revid. Aufl.). Konstanz 1977, p. 156-160 en p. 298-304.

[68] goede en verkeerde daad = wat gedaan moet worden en wat niet gedaan moet worden.

[69] Een monnik die de regel van de muni naleeft, moet met betrekking tot de benodigdheden van een monnik handelen overeenkomstig de gelijkenis van de messnede. Zoals iemand die een druppel honing van een messnede aflikt, ervoor waakt dat de tong niet gesneden wordt, evenzo moet de monnik die gebruik maakt van op juiste wijze verkregen gebruiksvoorwerpen, ervoor waken dat er geen smetten in de geest ontstaan. Niet gemakkelijk kan men de gebruiksvoorwerpen op eerlijke wijze verkrijgen en niet gemakkelijk kan men ze in onberispelijke staat gebruiken.

[70] Commentaar bij Sn.III.11, verzen 698-723, in: Nyanaponika 1977, p. 298-304.

[71] Khantipalo 1979, p.108.

[72] Khantipalo 1979, p.110-112; Bareau 1964, p. 65.=72

[73] Khantipalo 1979, p. 69-70. - Zie Dhp. verhaal I.14 bij de verzen 19-20). Zie ook: Leegheid.

[74] Khantipalo 1979, p. 50.

[75] zie A.VI.46 in: Nyânaponika Thera (tr.): Anguttara Nikaya. The Discourse Collection in Numerical Order. An Anthology. Part II. Books Five to Eight. Kandy 1975. The Wheel No. 208/211.

[76] Khantipalo 1979, p. 51-52.

[77] Schneider 1980, p.114-115; Khantipalo 1979, p. 48, 43-44.

[78] Khantipalo 1979, p. 43-44; Schneider 1980 p. 115.

[79] zie: De vijf regels van goed gedrag.

[80] Zie A.IV.220.

[81] A.III.30; zie ook A.III.43-44 en It. 107.

[82] Gombrich, Richard F.: Theravâda Buddhism. A social history from ancient Benares to modern Colombo. London 1988, p. 73-74.

[83] Eigen ervaringen van de samensteller, Thailand, 2023/2566.

[84] Schneider 1980, p. 125-126.

[85] Bareau 1964, p. 63.

[86] Schneider 1980, p. 119-120.

[87] idem.

[88] Schneider 1980, p. 119-120; Bareau 1964, p. 61.

[89] Khantipalo 1979, p. 110; Bareau 1964, p. 59.

[90] Bareau 1964, p. 59.

[91] Na verloop van tijd bereikte Maha-Pajapati de hoogste heiligheid, Arahantschap.

[92] Khantipalo 1979, p. 139.

[93] Gnanarama, Ven. Pategama: The Mission Accomplished : A historical analysis of the Mahaparinibbana Sutta of the Digha Nikaya of the Pali Canon. Singapore 1997, p. 72-73.

[94] Khantipalo 1979, p. 138.

[95] Hüsken Hüsken, Ute: 'Die Legende von der Einrichtung des buddhistischen Nonnenordens im Vinaya-Pitaka der Theravâdin,' in: Studien zur Indologie und Buddhismuskunde, Bonn 1993, p. 164-165.

[96] Weerasinghe, G.D.: Women in Ancient India. Kandy 1970. Bodhi Leaves No. B 47; Vin.Cv.Kh.10; Khantipâlo 1979, p. 66, 79-83; Ñânamoli 1978, p. 104-107; Hüsken, p. 151-154 en voetnoot 2 op p. 152.

[97] U Ko Lay (comp.): Guide to Tipitaka. Burma 1985. (E-book) p. 3-4; Hüsken, p. 155-162.

[98] Khantipalo 1979, p. 134-135.

[99] Khantipalo 1979, p. 135. - zie ook Dhp. Bala vagga, verhaal V.10, over non die verkracht werd.

[100] Khantipalo 1979, p. 135.

[101] Khantipalo 1979, p. 135-136.

[102] Khantipalo 1979, p. 136.

[103] Voor monniken uit 13 fouten.

[104] Als in die twee jaren de zes regels wel overtreden worden, begint de proeftijd opnieuw.

[105] Khantipalo 1979, p. 137.

[106] Khantipalo 1979, p. 137.

[107] S.16.10.

[108] Khantipalo 1979, p. 137; Bareau 1964, p. 63.

[109] Khantipalo 1979, p. 138.

[110] Hüsken p.163.

[111] Hüsken p. 154 en 165.

[112] Hüsken p. 166.

[113] Hüsken p. 169-170.

[114] de Zoysa, A.P.: Indian Culture in the Days of the Buddha, Colombo 1955, p. 16-23.

[115] Gnanarama 1997, p. 78.

[116] Gnanarama 1997, p. 76-77.

[117] Glasenapp, Helmuth von: Die Literaturen Indiens von ihren Anfängen bis zur Gegenwart. Wildpark-Potsdam 1929, p. 123.

[118] Gnanarama 1997, p. 76.

[119] Oldenberg, Hermann: Buddha. Sein leben, seine Lehre, seine Gemeinde. (2. Aufl.) Berlin 1890, p. 176.

[120] Gnanarama 1997, p. 63-66.

[121] Gnanarama 1997, p. 79.

[122] Gnanarama 1997, p. 76.

[123] Khantipalo 1979, p. 139.

[124] Webb, Russel (ed.): An Analysis of the Pali Canon, being the Buddhist Scriptures of the Theravada School. Kandy 1975, The Wheel No. 217/220, p. 2; Thomas, Edward: The Life of Buddha as legend and History. (repr.) New Delhi 1992, p. 275.

[125] Khantipalo 2979, p.139; U Ko Lay 1984, p. 11.

[126] Khantipalo 1979, p. 139.

[127] Gnanarama 1997, p. 75

[128] Khantipalo 1979, p.138-139.

[129] Khantipalo 1979, p. 139.

[130] Bareau 1964 p. 67-68.

[131] Commentaar: binding aan de kringloop van bestaan.

[132] Namelijk naar het afstapelen van het bestaansproces dat zich uit in steeds nieuwe wedergeboorte.

[133] Vgl. A.IV.94.

[134] Concilie = kerkvergadering (Wolters’ Woordenboek Nederlands Koenen, samengest. door C.A. de Ru. 28e dr. Groningen 1987).

        Synode = 1) vergadering; 2) college van vertegenwoordigers van een kerk, die met macht bekleed zijn in zaken van leer en kerkelijk bestuur. (Wolters’ Woordenboek Nederlands Koenen, 28e dr., 1987).

[135] Frauwallner, Erich: 'Die buddhistischen Konzile,' in: Kleine Schriften, Wiesbaden 1982, p. 649-650.

[136] congres = bijeenkomst tot gemeenschappelijke beraadslaging van geleerden enz. (Wolters’ Woordenboek Nederlands 1987). - Omdat de Boeddhistische Gemeenschap geen kerkgenootschap is, maar de leer als richtlijn heeft welke leer door geleerde monniken bewaard is, vind ik het woord “congres” beter passen dan “concilie”.

[137] Frauwallner 1982, p. 651.

[138] Geiger, Wilhelm (tr.) : The Mahāvamsa or the Great Chronicle of Ceylon. London 1980, p. xxii-xxxi.

[139] Nyānamoli, Bhikkhu : The Life of the Buddha according to the Pali Canon. (2nd ed.), Kandy 1978, p. 341.

[140] Geiger 1980 p. 17; Nyānamoli 1978, p. 342-343.

[141] Rahula, Ven. Walpola Sri : 'Validity and Vitality of the Theravada Tradition,' in: Voice of Buddhism, Dec. 1990, Vol. 28, No. 2, p. 3-7.

[142] Purāna leefde te Dakkhināgiri. (Malalasekera 1974, Vol. II, p. 237). – Volgens Norman, Pāli Literature, Wiesbaden 1983, p. 114, was de canon eerst in een aantal dialecten en werd ze later herleid tot één taal.

[143] 10.000 monniken betekent: een heel groot, een ontel­baar aantal monniken.

[144] Geiger 1980, p. 27-28.

[145] Geiger 1980, p. 28-33; Lassen 1968, p. 240-241; Bapat 1987, p. 40-41; Frauwallner 1982, p. 665-670; Points of Controversy p. 6.

[146] Geiger 1980, p. 46; Bapat 1987, p. 40-41; Frauwallner 1982, p. 665-670.

[147] Met Moggaliputta Tissa is ongetwijfeld bedoeld de monnik Sapurasasa Mogaliputasa. (Geiger 1980, p. xx).

[148] Points of Controversy p. 6; Geiger 1980, p. 46-47.

[149] 236 na Boeddha is 207 (247) v.C. Volgens een andere overlevering was deze gebeurtenis in 232 v.C. (Pandit 1993, p. 399-400 en p. 436-438).

[150] Volgens de overlevering van de Sarvāstivādins werd het 3e Sangha-congres gehouden te Jālandhara, tijdens de regering van Kanishka. (Pandit 1993, p. 399-400; Lassen 1968, p. 244-245).

[151] Geiger 1980, p. 49; Lassen 1968, p. 244-245; Points of Controversy p. 7.

[152] Geiger 1980, p. 50.

[153] Geiger 1980, p. 82-85.

[154] Bapat 1987, p. 44-45. – Het aantal van 60.000 arahants is natuurlijk overdreven.

[155] Bapat 1987, p. 44-45.

[156] Bapat 1987, p. 45-46.

[157]  Lassen 1968, p. 856-858; Pandit 1993, p. 438; Finegan, Jack : The archeology of World Religions : The Background of Primitivism, Zoroastrianism, Hinduism, Jainism, Buddhism, Confucianism, Taoisme, Shinto, Islam, and Sikkhism. (4th printing) - Princeton 1971, p. 278-279; Kirfel, Willibald : Symbolik des Buddhismus. Stuttgart 1959, p. 19-20.

[158] Prebish, Charles S.: Historical Dictionary of Buddhism. London 1993, p. 99.

[159] Bapat 1987, p. 46.

[160] Bapat 1987, p. 46.

[161] Bapat 1987, p. 44-45

[162] Bapat 1987, p. 46-47.

[163] Bapat 1987, p. 47.

[164] Bapat 1987, p. 47.

===