?>

Facetten van het Boeddhisme


naar Index

10.9. Contemplaties over vergankelijkheid (anicca)

1. contemplatie over niet-bestendigheid    2. De zintuigen zijn niet iets blijvends     3. De zes innerlijke gebieden    4. Het overdenken van vergankelijkheid I.    5. Het overdenken van vergankelijkheid II.    6. Vergankelijkheid    7. Contemplatie over niet-blijvendheid van alle samengestelde dingen



Contemplatie over vergankelijkheid, niet-blijvendheid


1. contemplatie over niet-bestendigheid


    Bij contemplatie over niet-bestendigheid, vergankelijkheid overweegt men aldus: “Materie (vorm) is niet bestendig, is vergankelijk. Gevoel of gewaarwording is niet bestendig, is vergankelijk. Waarneming is niet bestendig, is vergankelijk. Geestelijke formaties zijn niet bestendig, zijn vergankelijk. Bewustzijn is niet bestendig, is vergankelijk.” (A.V.108).



2. De zintuigen zijn niet iets blijvends

    Het oog is niet iets blijvends.

    Het oog-bewustzijn is niet blijvend.

    Visueel contact is niet blijvend.

    Datgene wat ontstaat veroorzaakt door visueel contact, - namelijk alles wat behoort tot gevoel, waarneming, geestelijke formaties en bewustzijn, - dat is niet blijvend.

    Wat niet blijvend is, dat is smartelijk, onvoldaan, frustrerend, het is niet prettig. Het is niet juist om daarvan te denken: 'Dit is van mij, dit ben ik, dit is mijn zelf'

    Het oor is niet iets blijvends.

    Geluiden zijn niet blijvend.

    Het oor-bewustzijn is niet blijvend.

    Oor-contact is niet blijvend.

    Datgene wat ontstaat veroorzaakt door oor-contact, - namelijk alles wat behoort tot gevoel, waarneming, geestelijke formaties en bewustzijn, - dat is niet blijvend.

    Wat niet blijvend is, dat is smartelijk, onvoldaan, frustrerend, het is niet prettig. Het is niet juist om daarvan te denken: 'Dit is van mij, dit ben ik, dit is mijn zelf.'


    De neus is niet iets blijvends.

    Geuren zijn niet blijvend.

    Het geur-bewustzijn is niet blijvend.

    Neus-contact is niet blijvend.

    Datgene wat ontstaat veroorzaakt door geur-contact, - namelijk alles wat behoort tot gevoel, waarneming, geestelijke formaties en bewustzijn, - dat is niet blijvend.

    Wat niet blijvend is, dat is smartelijk, onvoldaan, frustrerend, het is niet prettig. Het is niet juist om daarvan te denken: 'Dit is van mij, dit ben ik, dit is mijn zelf.'


    De tong is niet iets blijvends.

    Smaken zijn niet blijvend.

    Het smaak-bewustzijn is niet blijvend.

    Tong-contact is niet blijvend.

    Datgene wat ontstaat veroorzaakt door tong-contact, - namelijk alles wat behoort tot gevoel, waarneming, geestelijke formaties en bewustzijn, - dat is niet blijvend.

    Wat niet blijvend is, dat is smartelijk, onvoldaan, frustrerend, het is niet prettig. Het is niet juist om daarvan te denken: 'Dit is van mij, dit ben ik, dit is mijn zelf.'


    Het lichaam is niet iets blijvends.

    Aanrakingen zijn niet blijvend.

    Het lichaam-bewustzijn is niet blijvend.

    Lichaam-contact is niet blijvend.

    Datgene wat ontstaat veroorzaakt door lichaam-contact, - namelijk alles wat behoort tot gevoel, waarneming, geestelijke formaties en bewustzijn, - dat is niet blijvend.

    Wat niet blijvend is, dat is smartelijk, onvoldaan, frustrerend, het is niet prettig. Het is niet juist om daarvan te denken: 'Dit is van mij, dit ben ik, dit is mijn zelf.'


    De geest is niet iets blijvends.

    Gedachten en ideeën zijn niet blijvend.

    Het geest-bewustzijn is niet blijvend.

Geest-contact is niet blijvend.

    Datgene wat ontstaat veroorzaakt door geest-contact, - namelijk alles wat behoort tot gevoel, waarneming, geestelijke formaties en bewustzijn, - dat is niet blijvend.

    Wat niet blijvend is, dat is smartelijk, onvoldaan, frustrerend, het is niet prettig. Het is niet juist om daarvan te denken: 'Dit is van mij, dit ben ik, dit is mijn zelf.'


    Gevoel, waarnemingen, geestelijke formaties en bewustzijn zijn niet blijvend. Ze zijn onderhevig aan verandering. Wat niet blijvend is, dat is smartelijk, onvoldaan, frustrerend. Het is niet juist om daarvan te denken: 'Dit is van mij, dit ben ik, dit is mijn zelf'. (M.147)

 


3. De zes innerlijke gebieden 


    Het oog is niet onvergankelijk maar vergankelijk.

    Het oor is niet onvergankelijk maar vergankelijk. Men kan daarvan niet beweren: dat behoort mij toe, dat ben ik, dat is mijn zelf.

    De neus is niet onvergankelijk maar vergankelijk. Men kan daarvan niet beweren: dat behoort mij toe, dat ben ik, dat is mijn zelf.

    De tong is niet onvergankelijk maar vergankelijk. Men kan daarvan niet beweren: dat behoort mij toe, dat ben ik, dat is mijn zelf.

     Het lichaam is niet onvergankelijk maar vergankelijk. Men kan daarvan niet beweren: dat behoort mij toe, dat ben ik, dat is mijn zelf.

De geest is niet onvergankelijk maar vergankelijk. Men kan daarvan niet beweren: dat behoort mij toe, dat ben ik, dat is mijn zelf.

    Want de zes innerlijke gebieden (ayatana) zijn vergankelijk.

    De vormen zijn niet onvergankelijk maar vergankelijk. Men kan daarvan niet beweren: ‘dat behoort mij toe, dat ben ik, dat is mijn zelf.

    De geluiden, de geuren, de smaken, de aanrakingen, de gedachten zijn niet onvergankelijk maar vergankelijk. Men kan daarvan niet beweren: ‘dat behoort mij toe, dat ben ik, dat is mijn zelf.

    Want de zes innerlijke gebieden zijn vergankelijk.



    Het zienbewustzijn is niet onvergankelijk maar vergankelijk. Men kan daarvan niet beweren: dat behoort mij toe, dat ben ik, dat is mijn zelf.

    Het hoorbewustzijn, het ruikbewustzijn, het smaakbewustzijn, het tastbewustzijn, het denkbewustzijn is niet onvergankelijk maar vergankelijk. Men kan daarvan niet beweren: dat behoort mij toe, dat ben ik, dat is mijn zelf.

    Want de zes innerlijke gebieden zijn vergankelijk.


    Door oorzaken komt een geconditioneerde gewaarwording tot stand. Door het beëindigen van die oorzaken wordt geconditioneerde gewaarwording beëindigd. (M.146)


4. Het overdenken van vergankelijkheid I


    "Dit lichaam van mij dat uit materiële vorm bestaat, dat samengesteld is uit de vier grote elementen, door moeder en vader verwekt, door middel van rijst en rijstebrei opgebouwd, dit lichaam is onderworpen aan vergankelijkheid, onderworpen aan verval; en dit bewustzijn van mij wordt weggedragen en is heel eng ermee verbonden." (M.77)



5. Het overdenken van vergankelijkheid II


    Het overdenken van vergankelijkheid, indien vaak beoefend, verwijdert alle zinnelijke lust, verwijdert alle lust naar lichaam, alle verlangen naar wedergeboorte, alle onwetendheid, alle waan van “ik ben”. En hoe doet men dat?

    Als men ziet: zo is het lichaam, zo is het ontstaan van het lichaam, zo is het verdwijnen van het lichaam, zo is gevoel, zo is gewaarwording, zo zijn de activiteiten, zo is bewustzijn, zo is het ontstaan ervan en het verdwijnen ervan.”

    Het lichaam is leeg, zonder zelf. Het is ontstaan afhankelijk van andere oorzaken. Het is veranderlijk en vergankelijk . Gevoelens ontstaan en vergaan; zij zijn afhankelijk van omstandigheden, ze zijn zonder zelf. Waarneming is afhankelijk, zonder zelf. Bewustzijn is afhankelijk, zonder zelf. Al het samengestelde is ontstaan, is afhankelijk van oorzaken. Alleen Nibbana is zonder oorzaak. is niet samengesteld. Die staat is niet geboren, niet geworden, niet geschapen.



6. Vergankelijkheid


    "Dit lichaam van mij dat uit materiele vorm bestaat, dat samengesteld is uit de vier grote elementen, door moeder en vader verwekt, door middel van rijst en rijstebrei opgebouwd, dit lichaam is onderworpen aan vergankelijkheid, onderworpen aan verval; en dit bewustzijn van mij wordt weggedragen en is heel eng ermee verbonden. (M.77)



7. Contemplatie over niet-blijvendheid van alle samengestelde dingen

    Contemplatie over niet-blijvendheid van alle samengestelde geestelijke dingen bestaat hierin: men is teleurgesteld en misselijk van alle samengestelde geestelijke dingen, men is ze beu. (A.V.108).

naar boven



1 Dit betekent niet dat iets niet als prettig en aangenaam ervaren kan worden. Maar het tijdelijke van iets houdt in dat er na een bepaalde tijd – hoe lang ook – een einde komt aan dat prettige en aangename. En juist dat feit is het smartelijke, frustrerende van al wat niet-blijvend is, van al wat tijdelijk is.

2 Zulke gedachten zijn resp. gemotiveerd door begeerte (tanhā), hoogmoed (māna) en verkeerd inzicht (ditthi).

3 Hij wendt zich af: dit betekent niet dat hij een sterke emotionele afkeer ervan heeft of walging. Maar het is eerder een vervreemding, onthechting. - Hij eigent het zich niet meer toe.