Facetten van het Boeddhisme


naar Index


9.2. De drie aspecten van het leven

Inleiding     1. Dukkha (onvoldaanheid)     2. Anicca (vergankelijkheid, niet-blijvendheid)     3. Anatta (niet-zelf)     Feit, vaste voorwaarde      De vaderlijke erfenis voor Rahula     Raad van Nandaka aan 500 nonnen   Rupam aniccam     Eindoverdenking      Geraadpleegde bronnen



Copyright ©  2021 / 2564

Het is toegestaan om elektronisch of in gedrukte vorm fragmenten van deze compilatie of de compilatie in zijn geheel over te nemen voor eigen gebruik, of ook met als doel ze met anderen te delen, uitsluitend voor gratis verspreiding en zonder commercieel oogmerk.



De drie aspecten van het leven


         Inleiding

 De Boeddha onderwees dat alle verschijnselen zonder een ziel, een zelf zijn. Dat was toen en is ook nu nog steeds heel tegengesteld aan wat de gangbare gedachtengang is. Er is geen ziel, geen "ik" die van het ene leven verhuist naar een ander leven.

 Ook onderwees de Boeddha dat alles wat  samengesteld is, veranderlijk en vergankelijk is. Niets dat en niemand die in het bestaan is getreden, blijft eeuwig bestaan. Het bestaan is maar tijdelijk. Ook de hoogste god zal eens van het goddelijke leven afscheid moeten nemen.

  Omdat alles verandert en vergaat, ontstaat er frustratie, leed. Dat komt omdat men zich aan het vergankelijke hecht, omdat men iets wel of niet wil hebben.

 Deze drie aspecten of kenmerken van het leven zijn door de Boeddha in vele toespraken behandeld en uitgelegd. Hij sprak met geleerden en koningen, maar ook met bedelaars en niet zo heel snuggere mensen. En soms begrepen de minder bedeelden zijn leer eerder dan de geleerde mensen.

Die drie aspecten zijn: dukkhā (onvoldaanheid), aniccā (veranderlijkheid, vergankelijkheid) en anattā (niet-zelf).

1. Dukkhā (onvoldaanheid)

De Boeddha leerde dat alles wat in het bestaan is getreden, onderhevig is aan dukkhā, d.w.z. dat alles hier onvoldaan is, onafgewerkt, onvolmaakt. En daardoor is het een bron van lijden, leed, frustratie.

Voorbeeld: als wij iets smakelijks eten of naar een mooi landschap kijken, dan genieten wij ervan. Maar het eten raakt op, en wij willen nog langer genieten van de lekkere smaak. En dat kan niet, tenzij we iets nieuws kopen. En dan vinden wij het jammer dat het genot maar zo kort was. En wij kunnen niet blijven kijken naar het mooie landschap. Zelfs als wij op dezelfde plaats konden blijven staan, dan wordt het toch avond en nacht. Of er wordt iets op gebouwd of men vindt er grondstoffen die ontgonnen moeten worden. En dan verandert ook het aanzicht van het landschap. Omdat de verandering niet aanvaard wordt, volgt frustratie, leed. Zo is datgene wat eerst voor een aangenaam gevoel zorgde, daarna een oorzaak voor lijden. En dat komt omdat alles hier onvolmaakt is en omdat wij ons eraan hechten.

2. Aniccā (veranderlijkheid, vergankelijkheid, niet-blijvendheid, onbestendigheid)

Een tweede aspect van het leven is aniccā. Het is het feit dat alles in dit leven constant verandert. Niets blijft gelijk.[1] Ook dit is een oorzaak voor leed, frustratie. Meestal willen wij dat een bepaalde situatie zo blijft als ze is, dat ze niet meer verandert. Wie jong is, wil niet graag oud en gebrekkig worden. Wie sterk is, wil dat graag blijven. Maar door ziekte kan ook de sterke mens heel zwak worden.

Wij worden geboren, worden ouder en sterven. Tijdens dat hele proces hebben er onafgebroken veranderingen plaats. En wij kunnen er niet voor zorgen dat iets ongewijzigd blijft. Als wij dat wel willen, dan is dat alleen maar een bron van frustratie, leed, dukkhā.

3. Anattā (niet-zelf)

 Een ander aspect van het leven is de leer van anattā, niet-zelf. Vroeger dacht men dat de mens een atta, een ziel heeft. Volgens algemeen geloof was een ziel iets dat blijvend was, onveranderlijk, niet beïnvloed door verdriet. - De Boeddha ontdekte dat alle bestaande wezens zonder een “zelf” zijn. Zijn leer verwerpt de theorie van een atta, een zelf, en verschilt zo van andere religies. Met de leer van anatta, niet-zelf, wordt niet het bestaan van een persoonlijkheid in de conventionele zin geloochend. Maar ontkend wordt dat er een blijvende wezenskern ten grondslag ligt aan een voortdurend veranderend lichamelijk-geestelijk proces.[2] 

De Boeddha benadrukte dat alles wat veroorzaakt is, dat alles wat samengesteld is, niet "mijn zelf" is. Die leer van anatta, niet-zelf, is niet gemakkelijk in te zien. Er is geen “ik” die denkt of ziet of hoort etc.; er zijn oorzaken en gevolgen. Door oorzaken ontstaat iets; door het ontbreken van oorzaken verdwijnt iets.

Er is geen zelf, geen ziel, geen kern, geen "ik". Van de meeste dingen kunnen wij dit wel aannemen. De boom is ontstaan, heeft geen zelfstandige kern. Het huis waarin we wonen, is gebouwd uit losse elementen, is zonder zelf, zonder blijvende kerk. Atomen (letterlijk: ondeelbare deeltjes) bestaan weer uit onderdelen die nog verder geanalyseerd kunnen worden. Maar de mens zelf beweert dat hij een vaste kern heeft, een blijvend iets (in andere religies "ziel" genaamd). Maar volgens de leer van de Boeddha is ook de mens zonder een dergelijke blijvende vaste kern.

  Ons lichaam is ontstaan. Het is gegroeid uit een eicel en een zaadcel, gevoed met bloed, melk, brood, aardappelen, soep, enz. Eerst was het lichaam klein, nu is het groter en sterker; later wordt het weer zwak. En na de dood blijft er alleen een hoopje as over als wij het laten cremeren. Zijn wij gelijk aan het lichaam? Of behoort het lichaam ons toe? Neen toch! Wij hebben er (bijna) niets over te vertellen. Als het lichaam een blijvende kern had, zou die altijd gelijk blijven. Maar dat is niet zo. En als het lichaam ons toebehoorde, konden wij er over bevelen. Ook dat kunnen wij niet. Als wij ziek zijn, kunnen wij het lichaam niet bevelen weer gezond te worden. Neen, het lichaam is niet van ons, het is zonder vaste kern, het is oorzakelijk ontstaan.

 En ook de gevoelens en emoties die bij iemand opkomen, hebben geen blijvende kern; ze zijn niet zelfstandig. Zij ontstaan door bepaalde omstandigheden en verdwijnen daarna weer. Wij kunnen ons ergeren over iets, maar enkele ogenblikken later kunnen wij ons over iets anders verheugen. Is de ergernis dan een blijvend, zelfstandig iets? Neen. En evenmin is het aangename gevoel bij aanraking van iets prettigs een zelfstandig, op zich bestaan iets. Als wij een geluid horen, kunnen wij dat op drie manieren ervaren: als aangenaam, als onaangenaam en als neutraal geluid. De een noemt het muziek (aangenaam), de ander noemt datzelfde geluid lawaai (onaangenaam), een derde vindt het noch muziek noch lawaai; hij registreert het nauwelijks. Gevoelens en emoties zijn niet van ons, noch zijn zij blijvende, zelfstandige dingen.

  Maar gedachten dan? Wij kunnen toch zelfstandig denken, is de gangbare mening. Zijn wij dan gelijk te stellen met de gedachten en ideeën? – Descartes, een beroemde filosoof, heeft eens beweerd: “Ik denk, dús ik ben.” Die stelling is niet juist. Het denken gaat sneller dan een computer kan werken, gaat sneller dan het licht. Nu eens denken wij aan het verleden, dan aan de toekomst; in dezelfde seconde zitten wij in gedachten bij een familielid of kennis in huis. Of wij denken aan de a.s. vakantie in een ver land. Gedachten zijn onnoemelijk snel. Die kunnen wij niet als maatstaf of bewijs nemen van ons bestaan. In gedachten kunnen wij ons verplaatsen naar vroegere, toekomstige en tegenwoordige situaties, naar alle richtingen. Verder zijn gedachten geen zelfstandige dingen. Wij zeggen wel: gedachten komen en gaan weer. Maar dat is een zegswijze; het is geen werkelijkheid. De gedachten komen niet ergens vandaan en gaan ook niet ergens naartoe. Maar door bepaalde omstandigheden ontstaan gedachten en ideeën. En als die omstandigheden verdwijnen, verdwijnen ook die gedachten en ideeën. Er is geen "ik" die denkt. Maar gedachten ontstaan.

 Zo is de hele mens te ontleden en nergens vinden wij een kern, een zelfstandig iets. Alles ontstaat door bepaalde omstandigheden en alles vergaat weer als die omstandigheden veranderen of verdwijnen. Dat is de leerstelling van oorzakelijk ontstaan en van anatta, niet-zelf.

  Geen enkel samengesteld, geen enkel veroorzaakt iets is een zelfstandige, op zichzelf bestaande eenheid. Alles is aan oorzaken gebonden. Alles is op de een of andere manier veroorzaakt door meerdere dingen of omstandigheden. Zo kan water zich uiten als damp, sneeuw of ijs, al naar gelang de omstandigheden. Zo is bijvoorbeeld muziek van een cassetterecorder veroorzaakt. De muziek is niet zelfstandig, zit niet in de cassette en ook niet in de recorder noch in de elektriciteit die de recorder in beweging zet. Maar door diverse oorzaken wordt geluid geproduceerd. Er is geen zelfstandig iets.



Feit, vaste voorwaarde

 "Of Volmaakten ontstaan of niet ontstaan, het blijft een feit, een vaste en noodzakelijke voorwaarde van het bestaan, dat alle formaties vergankelijk zijn (anicca); dat alle formaties aan het lijden onderworpen zijn (dukkha); dat alle dingen zonder zelf zijn (anattâ).

Dit onderkent en doorschouwt de Volmaakte, hij onderwijst het, toont het, maakt het bekend, onthult het, maakt het duidelijk en maakt het openbaar. Alle formaties zijn vergankelijk, zijn aan het lijden onderhevig en alle dingen zijn zonder een zelf.”[3] 

De vaderlijke erfenis voor Rahula

Over niet-blijvendheid, onvoldaanheid en niet-zelf sprak de Boeddha in het 14e regenseizoen te Savatthi tot zijn zoon Rāhula toen deze twintig jaar werd. Bij die gelegenheid volgden vele duizenden godheden de Boeddha. Zij dachten: "Vandaag gaat de Gezegende verdere aanwijzingen geven aan de eerwaarde Rahula voor de uitdoving van de smetten."

In het kort volgt deze toespraak hier.

Rahula, wat denk je; is het oog iets blijvends of niet?” - “Heer, het is niet blijvend.” - “Welnu, wat niet blijvend is, is dat smartelijk, onvoldaan, frustrerend, of is het prettig, tevreden stellend?” - “Heer, het is smartelijk, onvoldaan, frustrerend, niet tevreden stellend.”[4] - “Datgene wat niet blijvend is, wat frustrerend is en onderhevig aan verandering, is het juist om daarvan te denken: 'Dit is van mij, dit ben ik, dit is mijn zelf'?”[5] - “Natuurlijk niet, Heer.”

“Rahula, wat denk je; is oog-bewustzijn en is visueel contact blijvend of niet?” - “Heer, het is niet blijvend.” - “Welnu, wat niet blijvend is, is dat smartelijk, onvoldaan, frustrerend, of is het prettig, tevreden stellend?” - “Heer, het is smartelijk, onvoldaan, frustrerend, niet tevreden stellend.” - “Datgene wat niet blijvend is, wat frustrerend is en onderhevig aan verandering, is het juist om daarvan te denken: 'Dit is van mij, dit ben ik, dit is mijn zelf'?” - “Natuurlijk niet, Heer.”

“Rahula, wat denk je; datgene wat ontstaat veroorzaakt door visueel contact, - namelijk alles wat behoort tot gevoel, waarneming, geestelijke formaties en bewustzijn, - is dat blijvend of niet?” - Heer, het is niet blijvend.” - “Welnu, wat niet blijvend is, is dat smartelijk, onvoldaan, frustrerend, of is het prettig, tevreden stellend?” - Heer, het is smartelijk, onvoldaan, frustrerend, niet tevreden stellend.” - “Datgene wat niet blijvend is, wat frustrerend is en onderhevig aan verandering, is het juist om daarvan te denken: 'Dit is van mij, dit ben ik, dit is mijn zelf'?” - “Natuurlijk niet, Heer.”

“Rahula, wat denk je; oor en geluiden, neus en geuren, tong en smaken, lichaam en alles wat aangeraakt kan worden, geest en ideeën, de ermee corresponderende soorten bewustzijn en contact, is dat alles blijvend of niet? En wat denk je van gevoel, waarnemingen, geestelijke formaties en het bewustzijn? Is dat alles blijvend of niet?” - “Heer, dat alles is niet blijvend.” - “Welnu, wat niet blijvend is, is dat smartelijk, onvoldaan, frustrerend, of is het prettig, tevreden stellend?” - “Heer, het is smartelijk, onvoldaan, frustrerend, niet tevreden stellend.” - “Datgene wat niet blijvend is, wat frustrerend is en onderhevig aan verandering, is het juist om daarvan te denken: 'Dit is van mij, dit ben ik, dit is mijn zelf'?” - “Natuurlijk niet, Heer.”

“Rahula, wanneer de edele volgeling de waarheid heeft ingezien, wendt hij zich af[6] van het oog en van vormen, van visueel bewustzijn, visueel contact en van alles wat ontstaat veroorzaakt door visueel contact, namelijk alles wat behoort tot gevoel, waarneming, geestelijke formaties en bewustzijn.

Hij wendt zich af van oor en geluiden, van neus en geuren, tong en smaken, lichaam en alles wat aangeraakt kan worden, en van geest en ideeën. Hij wendt zich af van de corresponderende soorten bewustzijn en contact en van alles wat ontstaat veroorzaakt door dat contact, namelijk alles wat behoort tot gevoel, waarneming, geestelijke formaties en bewustzijn.

Wanneer hij zich afwendt, ebt de hartstocht weg. Met het wegebben van de hartstocht is hij bevrijd. En dan ontstaat bij hem het zekere weten: ‘Ik ben bevrijd, geboorte is uitgedoofd, vervuld is het heilige leven, gedaan is wat gedaan moest worden; niets gaat meer hierboven uit.' Aldus weet hij.

Zo sprak de Verhevene. Tijdens het luisteren naar deze leerrede was de geest van de eerwaarde Rāhula bevrijd van de smetten; hij hechtte zich nergens meer aan. Volmaakte heiligheid was door hem bereikt. Op dat moment van Arahantschap gaf de Boeddha aan zijn zoon de vaderlijke erfenis waarvoor Rahula eens had gevraagd.

En bij de vele duizenden godheden die naar deze leerrede hadden geluisterd, ontstond het smetteloze, reine oog der Waarheid: "Alwat onderhevig is aan ontstaan, is ook onderhevig aan vergaan." Zij bereikten toen allen het eerste niveau van heiligheid.[7] 

Raad van Nandaka aan 500 bhikkhunis

Mahapajapati Gotami ging eens met een gevolg van 500 nonnen naar de Verhevene in het Jetavana-klooster te Savatthi. Zij vroeg er aan de Verheven of hij de nonnen met een leerrijk gesprek wilde onderrichten.

Het was toen de taak van de oudsten in de Orde om beurtelings een toespraak tot de nonnen te houden. En de eerwaarde Nandaka was nu aan de beurt. De Verhevene wendde zich daarom tot de eerwaarde Nandaka en vroeg hem aan de nonnen een leerrijke toespraak te geven. Gehoorzaam stemde de eerwaarde Nandaka toe. Na de maaltijd ging hij naar de nonnen in het koninklijke park. Daar werd hij door de nonnen eerbiedig ontvangen. Een zitplaats was voor hem gereed gemaakt en water om de voeten te wassen. De nonnen groetten de eerwaarde Nandaka eerbiedig en gingen terzijde van hem zitten. De eerwaarde Nandaka zei toen dat hij een gesprek met vraag en antwoord wilde houden.

[Dat gesprek volgt hier in het kort].

"Zusters, wat menen jullie, is het oog onvergankelijk of vergankelijk?” - “Heer, het is vergankelijk.” - “Wat vergankelijk is, is dat frustrerend, niet tevreden stellend of is het aangenaam?” - "Heer, dat is frustrerend, niet tevreden stellend." - “Wat vergankelijk, frustrerend, niet tevreden stellend, veranderlijk is, kan men daarvan beweren: ‘dat behoort mij toe, dat ben ik, dat is mijn zelf?’” - "Heer, zeker niet."

"Zusters, wat menen jullie: zijn het oor, de neus, de tong, het lichaam, de geest onvergankelijk of vergankelijk?” - “Heer, ze zijn vergankelijk.” - “Wat vergankelijk is, is dat frustrerend, niet tevreden stellend of is het aangenaam?” - "Heer, dat is frustrerend, niet tevreden stellend." - “Wat vergankelijk, frustrerend, niet tevreden stellend, veranderlijk is, kan men daarvan beweren: ‘dat behoort mij toe, dat ben ik, dat is mijn zelf?’” - "Heer, zeker niet." - “En waarom niet?” - "Heer, omdat de zes innerlijke gebieden (ayatana) vergankelijk zijn."

"Zusters, wat menen jullie, zijn de vormen onvergankelijk of vergankelijk?” - “Heer, ze zijn vergankelijk.” - “Wat vergankelijk is, is dat frustrerend, niet tevreden stellend of is het aangenaam?” - "Heer, dat is frustrerend, niet tevreden stellend." - “Wat vergankelijk, frustrerend, niet tevreden stellend, veranderlijk is, kan men daarvan beweren: ‘dat behoort mij toe, dat ben ik, dat is mijn zelf?’” - "Heer, zeker niet."

"Zusters, wat menen jullie, zijn de geluiden, de geuren, de smaken, de aanrakingen, de gedachten onvergankelijk of vergankelijk?” - "Heer, ze zijn vergankelijk." - “Wat vergankelijk is, is dat frustrerend,niet tevreden stellend of aangenaam?” - "Heer, dat is frustrerend, niet tevreden stellend." - “Wat vergankelijk, frustrerend, niet tevreden stellend, veranderlijk is, kan men daarvan beweren: ‘dat behoort mij toe, dat ben ik, dat is mijn zelf?’” - "Heer, zeker niet." - “En waarom niet?” - "Heer, omdat de zes innerlijke gebieden vergankelijk zijn."

"Zusters, wat menen jullie, is het zienbewustzijn onvergankelijk of vergankelijk?” - “Heer, het is vergankelijk.” - “Wat vergankelijk is, is dat frustrerend, niet tevreden stellend of is het aangenaam?” - "Heer, dat is frustrerend, niet tevreden stellend."- “Wat vergankelijk, frustrerend, niet tevreden stellend, veranderlijk is, kan men daarvan beweren: ‘dat behoort mij toe, dat ben ik, dat is mijn zelf?’” - Heer, zeker niet."

"Zusters, wat menen jullie, is het hoorbewustzijn, het ruikbewustzijn, het smaakbewustzijn, het tastbewustzijn, het denkbewustzijn onvergankelijk of vergankelijk?” - "Heer, ze zijn vergankelijk." - “Wat vergankelijk is, is dat frustrerend, niet tevreden stellend of aangenaam?” - "Heer, dat is frustrerend, niet tevreden stellend." - “Wat vergankelijk, frustrerend, niet tevreden stellend, veranderlijk is, kan men daarvan beweren: ‘dat behoort mij toe, dat ben ik, dat is mijn zelf?’” - "Heer, zeker niet." - “En waarom niet?” - "Heer, omdat de zes innerlijke gebieden vergankelijk zijn."

"Zusters, juist zoals bij een brandende olielamp de olie vergankelijk, veranderlijk is, de lampenpit vergankelijk, veranderlijk is, de vlam vergankelijk, veranderlijk is, het lichtschijnsel vergankelijk, veranderlijk is; wie nu zou zeggen dat bij die brandende olielamp weliswaar olie en lampenpit vergankelijk, veranderlijk zijn, maar dat het lichtschijnsel onvergankelijk, blijvend, eeuwig, onveranderlijk is, - zou die dat terecht zeggen?” - "Heer, zeker niet." - "En waarom niet?” - “Heer bij die brandende olielamp is immers olie en lampenpit en vlam vergankelijk, veranderlijk; dan toch zeker ook het lichtschijnsel ervan.”

"Zusters, juist zo is het wanneer iemand zou zeggen: ‘De zes innerlijke gebieden zijn bij mij vergankelijk, veranderlijk; maar wat mij op grond van het innerlijke gebied aangenaam of frustrerend of noch frustrerend noch aangenaam laat ondervinden, dat is onvergankelijk, blijvend, eeuwig, onveranderlijk,’ zou die dat terecht zeggen?” - "Heer, zeker niet." - "En waarom niet?" - "Heer, door een zus of zo geconditioneerde oorzaak komt een zus of zo geconditioneerde gewaarwording tot stand. Door het beëindigen van een zus of zo geconditioneerde oorzaak wordt een zus of zo geconditioneerde gewaarwording beëindigd.”

"Zusters, goed zo, prima. Juist zoals bij een grote sterke boom de wortels vergankelijk, veranderlijk zijn, de stam, de takken en bladeren vergankelijk, veranderlijk zijn, de schaduw vergankelijk, veranderlijk is; wie nu zou zeggen dat bij die grote sterke boom wel wortels en stam, takken en bladeren vergankelijk, veranderlijk zijn, maar dat zijn schaduw onvergankelijk, blijvend, eeuwig, onveranderlijk is, - zou die dat terecht zeggen?” - “Zeker niet, heer.” - “En waarom niet?” - “Heer, bij die grote sterke boom zijn immers wortels en stam, takken en bladeren vergankelijk, veranderlijk; dan toch zeker ook de schaduw ervan.”

"Zusters, juist zo is het wanneer iemand zou zeggen: ‘De zes uiterlijke gebieden zijn bij mij vergankelijk, veranderlijk; maar wat mij op grond van de uiterlijke gebieden aangenaam en frustrerend of noch aangenaam noch frustrerend laat ondervinden, dat is onvergankelijk, blijvend, eeuwig, onveranderlijk.’ zou die dat terecht zeggen?” - “Zeker niet, heer.” - “En waarom niet?” - “Heer, door een zus of zo geconditioneerde oorzaak komt een zus of zo geconditioneerde gewaarwording tot stand. Door het beëindigen van een zus of zo geconditioneerde oorzaak wordt een zus of zo geconditioneerde gewaarwording beëindigd.”

[Dan volgt een opsomming van de zeven factoren van Verlichting.]

Na het vertrek van de nonnen zei de Verhevene aan de monniken dat die 500 nonnen het niveau van stroomintrede of niveaus hoger dan dat bereikt hadden, dat zij aan verderfenis waren ontkomen en doelbewust naar de volledige ontwaking gingen.”[8] 

N.B. Voor contemplatie over niet-blijvendheid, zie: Contemplatie over vergankelijkheid, anicca.

          rupam aniccam

rupam aniccam,

vedanā aniccā,

saññā aniccā,

sankhārā aniccā,

viññānam aniccam,

Vorm (het lichaam) is niet-blijvend, is vergankelijk;

gevoel is niet-blijvend, is vergankelijk;

waarneming is niet-blijvend, is vergankelijk;

geestelijke formaties zijn niet-blijvend, zijn vergankelijk;

bewustzijn is niet-blijvend, is vergankelijk;

rūpam anattā,

vedanā anattā,

saññā anattā,

sankhārā anattā,

viññānam anattā,

sabbe sankhārā aniccā,

sabbe dhammā anattā'ti,

vorm (het lichaam) is niet-zelf, is niet van mij;

gevoel is niet-zelf, is niet van mij;

waarneming is niet-zelf, is niet van mij;

geestelijke formaties zijn niet-zelf, zijn niet van mij;

bewustzijn is niet-zelf, is niet van mij.

Alle samengestelde dingen zijn niet-blijvend, zijn vergankelijk;

alle dingen (alle verschijnselen) zijn niet-zelf, zijn niet van mij.

          Eindoverdenking

Ouderdom en dood, geboorte, het worden, het hechten (de inbezitname, het grijpen), de dorst, het gevoel, aanraking, de zes zintuigen, naam en vorm, het bewustzijn, de formaties, de onwetendheid – dat alles is niet blijvend, dat alles is ontstaan door oorzaken, is onderhevig aan de wet van vergaan, beëindigen, verdwijnen, is aan opheffing onderhevig. - Deze dingen heten de oorzakelijk ontstane dingen.[9]

Wanneer een edele volgeling(e) dit oorzakelijke ontstaan en deze oorzakelijk ontstane dingen met juist inzicht goed heeft doorzien zoals ze in werkelijkheid zijn, dan vraagt hij of zij niet: “Ben ik vroeger in het bestaan getreden of ben ik toen niet in het bestaan getreden? Als wat of in welke gedaante ben ik in het verleden in het bestaan getreden? Uit welke bestaansvorm komende ben ik in het verleden in het bestaan gekomen?”

Hij of zij vraagt dan ook niet: “Zal ik in de toekomst in het bestaan treden of zal ik dan niet in het bestaan treden? Als wat of in welke gedaante zal ik in de toekomst in het bestaan treden? Uit welke bestaansvorm komende zal ik in de toekomst in het bestaan treden?”

Hij vraagt dan ook niet: “Ben ik nu hier of ben ik nu niet hier? Als wat of in welke gedaante ben ik nu hier? Waaruit ben ik gekomen en waarheen zal ik gaan?”

Zulke vragen komen niet bij hem of haar op. En wel omdat hij of zij dit oorzakelijke ontstaan en die oorzakelijk ontstane dingen met juist inzicht heeft doorzien, zoals ze in werkelijkheid zijn.[10]

De goed onderwezen mens ziet dat alles oorzakelijk ontstaan is, het lichamelijke (de vier elementen) en het geestelijke. “Dat alles is niet van mij, dat behoort mij niet toe, dat ben ik niet,” zo weet hij. En hij leeft vrij. Het bewustzijn is dan als een schijnwerper die in alle richtingen kan schijnen, nabij en veraf. Het licht ervan hecht zich niet aan de voorwerpen die verlicht worden.

De leer van de Boeddha is als een bootje waarmee iemand naar de andere kant van de rivier roeit. Eenmaal aangekomen neemt hij het bootje niet mee maar laat het achter. Aan deze kant van de rivier is lijden, onvoldaanheid, gefrustreerdheid, ziekte, droefenis, angst, onzekerheid, onvrede.

Maar aan de andere kant van de rivier is aan dat alles een einde gemaakt. Daar is geen lijden noch gefrustreerdheid, daar is geen ziekte en droefenis, daar is geen angst en geen onzekerheid. Maar daar is de bevrijding van alle lijden, daar is opperste vrede van het gemoed.

Nibbana betekent letterlijk: uitdoving. Het is geen ophouden van alles. Maar het is de uitdoving van de vuren van begeerte, afkeer en waan.

Begeerte naar iets houdt in dat er later frustratie zal volgen. Want als wij het begeerde wel krijgen, zal het t.z.t. veranderen, vergaan. En dat is een bron van leed. Of onze interesse verandert en dan hebben we iets wat we eerst wel wilden en daarna niet meer. Ook dat is dan een bron van frustratie. En als wij het begeerde niet krijgen, dan is dat feit alleen al een oorzaak van leed (dukkha).

Afkeer is eigenlijk de keerzijde van de medaille. Als wij iets begeren, als wij iets verlangen, dan houdt dat automatisch in dat wij iets anders niet willen hebben. Als wij bijvoorbeeld graag naar het nieuws op de TV kijken, dan houdt dat automatisch in dat wij dan liever niet gestoord willen worden. Als wij een afkeer hebben van spruitjes of spinazie of iets anders, dan houdt dat automatisch in dat wij aan iets anders de voorkeur geven.

Waan, onwetendheid is het niet begrijpen dat alles wat samengesteld is, vergankelijk is. Omdat wij dat niet inzien, trekken wij ons alles te zeer aan. Wij zijn er persoonlijk te zeer bij betrokken. En dat komt ook omdat wij niet inzien dat er geen zelf is, geen ego, geen "ik".

Als wij het betrekkelijke van alles inzien, dan worden wij minder bij iets betrokken. Wij trekken het ons niet meer persoonlijk aan. En dan worden wij vrijer in handelen en denken.

Om het met de woorden van de heer Paul van Hooydonck (Ehipassiko Antwerpen) te zeggen:

                "Als je een beetje loslaat

                ervaar je een beetje vrede.

                Als je veel loslaat

                ervaar je veel vrede.

                Als je volledig loslaat

                ervaar je volledige vrede."

De volledige vrijheid van begeerte maakt het denken en handelen niet onmogelijk. Integendeel, men staat dan als overwinnaar boven de dingen. Niets en niemand kan ons dan nog storen. Dat is echt geluk.” (Buddhadasa Bhikkhu)[11] 

Het oog is er nog, maar het is niet meer "mijn" oog. Het oor is er nog, maar het is niet meer "mijn" oor. De neus is er nog, maar ze is niet meer "mijn" neus. De tong is er nog, maar ze is niet meer "mijn" tong. Het lichaam is er nog, maar het is niet meer "mijn" lichaam. De geest is er nog, maar het is niet meer "mijn" geest.

Het bewustzijn is door geleidelijke oefening vrij gemaakt. Er is geen enkel hechten meer aanwezig. Die vrede van het gemoed is niet samengesteld en kan niet uiteen vallen. Dat is Nibbana al hier in dit leven.


Geraadpleegde bronnen

The Buddha's Teachings. Thai-English Languages. The Buddhism Promotion Centre of Thailand Wat Borvaranives Vihara, Banglumpoo, Bangkok, 1992. In Honour to Her Majesty Queen Sirikitti On The Auspicious Occasion Of The Fifth Cycle Of Her Birthday.

Buddhadasa Bhikkhu: Handbuch für die Menschheit zum Verständnis des Buddhismus. s.a.

Ñânamoli Thera: 'Anattâ according to the Theravada,' The Wheel No. 202/204 (Kandy 1974).

Ñânamoli, Bhikkhu (transl.). The Path of Purification (Visuddhimagga). By Bhadantâcariya Buddhaghosa. Transl. by Bhikkhu Ñânamoli. Singapore: Singapore Buddhist Meditation Centre, [1956].

Ñânananda, Bhikkhu (Transl): An Anthology from the Samyutta Nikâya with notes. Part Two. Transl. by Bhikkhu Ñânananda. Kandy : BPS, 1972. The Wheel No. 183/185.

Ñânananda, Bhikkhu: 'Bhaddekaratta Sutta (The Discourse on the Ideal Lover of Solitude),' in: Ideal Solitude. An exposition of the Bhaddekaratta Sutta, The Wheel No. 188 (Kandy 1973), p.19-22.

Ñânananda, Bhikkhu: Ideal Solitude. An exposition of the Bhaddekaratta Sutta. Kandy : BPS, 1973. The Wheel No. 188.

Nyânatiloka Mahathera (Comp. & transl.): 'Extracts from the Samyutta-Nikaya Dealing with Egolessness,' The Wheel No. 202/204 (Kandy 1974).

Nyânatiloka: Buddhist Dictionary : Manual of Buddhist Terms and Doctrines. Edited by Nyanaponika. (4th revised ed.). Kandy : BPS, 1980. (1st ed. 1952).

Nyanatiloka (comp., tr. & expl.): The Buddha's Path to Deliverance, in its threefold division and seven stages of purity. (repr.). Kandy 1982.

Points of Controversy or Subjects of Discourse. Being a translation of the Kathâ-Vatthu from the Abhidhamma-Pitaka. transl. by Shwe Zan Aung & Rhys Davids. Oxford : PTS, 1993. (1st. ed. 1915).

The Three basic Facts of Existence. III. Egolessness (Anattâ). Collected Essays. Kandy 1974. The Wheel No. 202/204.

Upatissa, Arahant. The Path of Freedom (Vimuttimagga). Transl. into Chinese by Tipitaka Sanghapâla of Funan; transl. from the Chinese by Rev. N.R.M.Ehara, Soma Thera & Kheminda Thera. (repr.). Kandy: BPS, 1995. (1st publ. 1961; 1st BPS ed. 1977).



[1] Alleen nibbana is blijvend.

[2] noot van de eerwaarde Nyanaponika bij A.I.25.

[3] A.III.137.

[4] Dit betekent niet dat iets niet als prettig en aangenaam ervaren kan worden. Maar het tijdelijke van iets houdt in dat er na een bepaalde tijd – hoe lang ook – een einde komt aan dat prettige en aangename. En juist dat feit is het smartelijke, frustrerende van al wat niet-blijvend is, van al wat tijdelijk is.

[5] Zulke gedachten zijn resp. gemotiveerd door begeerte (tanhā), hoogmoed (māna) en verkeerd inzicht (ditthi).

[6] Hij wendt zich af: dit betekent niet dat hij een sterke emotionele afkeer ervan heeft of walging. Maar het is eerder een onthechting. - Hij eigent het zich niet meer toe. De zintuigen en bijbehorende objecten, bewustzijn, contact en wat door contact veroorzaakt wordt, dat alles is niet meer “van mij” maar het weten is er dat er dit alles ontstaan is door oorzaken, dat er geen ego aan ten grondslag ligt.

[7] M.147, Cūlarāhulovāda sutta; zie ook: S.18.1-10.

[8] M.146, Nandakovāda sutta.

[9] S.12.20.

[10] S.12.20; M.38.

[11] Buddhadasa Bhikkhu: Handbuch für die Menschheit zum Verständnis des Buddhismus. s.a., p. 9.