Facetten van het Boeddhisme



naar Index

5.2.5.6-7. Vimanavatthu en Petavatthu

Vimanavatthu    Inleiding     uit het Vimanavatthu       Petavatthu    Inleiding     Offergaven ten behoeve van de geesten van gestorven verwanten     Het verhaal over Samkicca     Het verhaal over Sanuvasin 



Copyright ©  2021 / 2564

Het is toegestaan om elektronisch of in gedrukte vorm fragmenten van deze compilatie of de compilatie in zijn geheel over te nemen voor eigen gebruik, of ook met als doel ze met anderen te delen, uitsluitend voor gratis verspreiding en zonder commercieel oogmerk.


Vimānavatthu 


Inleiding

Het Vimānavatthu is een collectie van verhalen over hemelse herenhuizen. Het zijn 83 verhalen (in dichtvorm) verdeeld in 7 vaggas. Ze handelen over de hemelse verblijven (vimānas) waarin diegenen als devas wedergeboren zijn die verdienstelijke daden hebben verricht tijdens hun leven als mens. In elk verhaal wordt door Mahā Moggallana aan een deva gevraagd om welke reden hij of zij in de hemel is wedergeboren. De godheid vertelt dan in het kort welke daad hij of zij in een vorig leven heeft gedaan met dit hemelse resultaat. De verhalen zijn ongetwijfeld bedoeld voor leken om ze tot een goed leven aan te sporen.[1]

              Het Vimānavatthu in de vorm zoals wij het nu hebben, behoort tot de jongste werken van de Pāli canon. De diepgrondige leer van kamma (karma) is er uitgelegd aan de hand van voorbeelden.[2] Er zijn aanwijzingen dat sommige verhalen ouder zijn dan de rest. Het Vimānavatthu is onderhevig geweest aan een lange ontwikkeling waarin verhalen werden toegevoegd of opnieuw gerangschikt.[3]

Uit het Vimanavatthu

bron: Horner, I.B. (tr.); assisted by N.A. Jayawickrama. Vimânavatthu : Stories of the Mansions.  London: PTS, 1974. (The Minor Anthologies of the Pali Canon Part IV).

*        Als beloning voor het geven van een stoel volgde wedergeboorte in de hemel. (Horner 1974, p. 1 = I.1)

*        Gave van sesam-zaad aan de Boeddha. Als gevolg van die goede daad werd de gever niet in de hel maar in de hemel wedergeboren. (Horner 1974,  p. 10)

*        Als beloning voor het geven van drinkwater volgde wedergeboorte in de hemel. (Horner 1974,  p. 10 = I.6)

*        Een slavin gaf drinkwater aan een monnik, hoewel haar dat verboden was. Als gevolg ervan werd zij met eerbetoon in de hemel wedergeboren en bereikte zij het pad van stroomintrede. (Dit laatste was het grootste resultaat van die gave). (Horner 1974,  p. 13 = I.8)

*        Verhaal over kuise vrouw die niet boos werd, geduldig alles verdroeg en die waarheidlievend was. Als gevolg daarvan werd zij in de hemel wedergeboren. (Horner 1974, p. 20 )

*        Verhaal over arme vrouw die rijst gaf aan een heilige. Haar man gaf tandenstoker en water. Als gevolg daarvan werden beiden wedergeboren in de hemel. (Horner 1974,  p. 24).

*        Als gevolg van deugdzaamheid wedergeboorte in de hemel. (Horner 1974,  p. 38- = verhaal I.17. Kesakarivimana).

*        Te Rajagaha woonde een zekere lekenvolgeling die veel vertrouwen had in de eerwaarde Maha-Moggallana. Een van zijn dochters had ook veel vertrouwen en achting voor deze eerwaarde monnik. Op zekere dag kwam de eerwaarde Maha-Moggallana op zijn ronde voor aalmoezen naar het huis van die lekenvolgeling. De dochter zag hem met vreugde en maakte een zitplaats klaar. Toen de eerwaarde monnik zat, eerde zij hem met een krans van jasmijn en vulde zijn nap met melasse (stroop van suikerriet). Om haar te danken bleef de eerwaarde Maha Moggallana zitten. Het meisje deed alsof het nog veel werk in huis te doen had en zei dat het geen tijd had om naar de leer te luisteren. Dat zou het dan wel op een andere dag doen. Zij betoonde haar eer aan de ouderling en nam afscheid. Op dezelfde dag stierf zij en werd wedergeboren in de hemel van de Drieëndertig goden. Zij had er een grote schoonheid en was gekleed in schitterende gewaden.

        Als gevolg van het geven van een bloemenkrans en stroop was zij in de godenwereld gekomen. Maar toch had zij een fout begaan door toen niet naar de leer te willen luisteren. Want anderen die vertrouwen hadden in de Boeddha, Dhamma en Sangha overtroffen haar in levensspanne, faam en helderheid. (Horner 1974,  p. 81 = IV.2 (40) Pabhassaravimana )

*        Gave van arme vrouw aan de Boeddha. - Eens vertoefde de Gezegende in het hertenpark te Isipatana. Vandaar ging hij naar Varanasi (Benares) voor aalmoezen. Een arme vrouw zag hem en omdat zij niets anders had, gaf zij hem gedroogde kummasa. Zij was vol vertrouwen dat ook zo'n geringe gave grote vrucht zou afwerpen. De Boeddha nam de gave aan en de arme vrouw was daarover zeer verheugd. Later stierf zij en werd wedergeboren in de hemel van de Drieëndertig goden. Zij had er een grote schoonheid. (Horner 1974,  p. 84 – IV.4 (42) Alomavimana)

*        Kikker vol devotie. - Eens vertoefde de Verhevene te Campa aan de oever van de lotusvijver met naam Gaggara. Daar begon hij aan een grote menigte mensen uit alle standen de leer te onderrichten. Een kikker werd door de aangename stem van de Leraar aangetrokken en dacht: “Dit is wat men Dhamma noemt.” Hij kwam uit de vijver en zat ineengedoken op de grond achter de toehoorders. Een koeherder zag de Verhevene spreken en bleef staan luisteren, geleund op zijn staf. Daarmee verpletterde hij de kikker die in de hemel van de Drieëndertig goden wedergeboren werd. Daar leefde hij in grote majesteit en schoonheid; hij had er een zeer groot gouden herenhuis en werd er door nimfen bediend. Dat was het gevolg van dat ene moment van zuiverheid van geest. (Horner 1974,  p. 102 = V.1 (51) Mandukadevaputtavimana)

*        Gave van een arme jongen aan een Arahant. - Eens was een zekere jongen uit Rajagaha in een gerstveld om er op te passen. Als ontbijt had hij “kummase” bij zich. Toen hij ging zitten om te eten, kwam er een Arahant aan. Op de vraag of hij al gegeten had, zweeg de Arahant. De jongen begreep dat dit “neen” betekende en zei: “Heer, het is te laat om nog vóór etenstijd ergens aalmoezen te krijgen. Neemt uit medelijden met mij deze kummasa.” De Arahant nam uit medelijden met de jongen die gave aan, sprak zijn dank uit en vertrok.

            De jongen was verheugd dat hij iets goeds had gedaan. Na enige tijd stierf hij en werd wedergeboren in de hemel van de Drieëndertig goden. Hij had er grote schoonheid en een groot herenhuis. Dat alles was het gevolg van zijn goede daad. (Horner 1974,  p. 131 = IV.7 (71) Yavapalakavimana).

*        Zorg voor ouders. - Te Savatthi leefde een arme lekenvolgeling die zijn levensonderhoud verdiende als dagloner. Hij was een devoot man en zorgde voor zijn bejaarde ouders. Ook volgde hij de vijf regels van deugdzaamheid na en de Uposatha-regels (de acht regels van deugdzaamheid).

        Na zijn dood werd hij wedergeboren in de hemel van de Drieëndertig goden. Hij had er grote schoonheid en een zeer groot herenhuis. Dat was het gevolg van zijn goede daden. (Horner 1974,  p. 134 = VII.1 (75) Cittalatavimana)


Petavatthu

Inleiding

 

              Het Petavatthu bestaat uit 51 verhalen verdeeld in vier vaggas. Ze gaan over wedergeboorte als ongelukkige geesten (petas) vanwege onheilzame daden.[4] Door de Eerwaarde Nārada wordt er aan ongelukkige geesten gevraagd welke slechte daad ze in een vorig leven hebben gedaan met een dergelijk triest resultaat. In het kort wordt die daad dan verteld.[5] Evenals het Vimanavatthu schijnt dit werk bedoeld te zijn voor leken, om ze te waarschuwen slecht gedrag na te laten.[6]

              Pethavatthu betekent: verhaal over de gestorvenen of de geesten van de doden. Speciaal heeft het betrekking op de geesten in kwelling of in een staat van zuivering (soort vagevuur). De petas leven in de paraloka (onderwereld).[7]

              De petas kunnen zowel overdag als ΄s nachts verschijnen op verschillende plaatsen en ze worden door hun verwanten herkend. Ze zoeken verlichting van hun lijden, maar ze profiteren niet van directe gaven. Het is erg belangrijk dat de gever de verdienste van de gave aan de peta overdraagt. Zo kan de geest verlost worden van de peta-zuiveringsplaats (vagevuur) door de devotie van verwanten of vrienden en de begeleidende overdracht van verdienste. Een peta kan door een overvloed van verdiensten van goede daden die aan hem of haar aangeboden zijn, in een hemel wedergeboren worden.[8] De overdracht van verdiensten aan petas maakt het mogelijk de werking van de wet van kamma-vipaka te wijzigen.[9]

              In Petavatthu IV, 3 verschijnt koning Pingalaka. Volgens het commentaar van Dhammapala heerste hij in Surattha 200 jaar na het overlijden van de Boeddha. Het Petavatthu moet net als het Vimanavatthu een periode van ontwikkeling hebben meegemaakt waarin enkele van de verhalen zijn toegevoegd. De tegenwoordige vorm van het Petavatthu moet later zijn samengesteld.[10]

 

              Het Vimānavatthu en het Petavatthu behoren tot de jongste werken van de Pāli canon.

Uit het Petavatthu

Offergaven ten behoeve van de geesten van gestorven verwanten (Petavatthu I.5)

In het Khuddhakapāta staat als nr. 7 het Tirokudda Sutta. Het is een gedicht bij het brengen van offergaven ten behoeve van de geesten van gestorven verwanten. Dit gedicht staat ook in Petavatthu I.5.[11] De verzen 7 en 8 worden in Sri Lanka en Thailand gereciteerd bij het verbranden van het lijk.

1. Buiten de muren staan ze, in nissen en op kruisingen van wegen. Bij de deurposten staan ze als ze hun oude tehuis weer opzoeken.

2. Wanneer een maaltijd met uitbundig voedsel en drank wordt opgediend, denkt ten

gevolge van zijn werk niemand aan hen.

3. Maar degenen die sympathie en mededogen voelen voor hun gestorven verwanten, geven op passende tijden gaven van zuiver en heerlijk voedsel en drinken met de gedachte: “Moge dit voor mijn verwanten zijn; mogen mijn verwanten gelukkig zijn.”

4. En de geesten van de verwanten in de peta-sfeer komen er samen en nemen aandachtig en met dank het vele eten en drinken aan, [met de woorden]:

5. “Mogen onze verwanten lang leven, onze verwanten van wie wij deze gave(n) hebben gekregen. Wij zijn geëerd [met een offergave] en de gevers blijven niet zonder beloning."

6. Want daar [bij de petas] is geen akkerbouw, geen veeteelt, daar is geen handel [zoals hier bij ons]. De hongerige geesten daar wier tijd hier voorbij is, leven van wat hier aan hen is gegeven.

7. Zoals water op een heuvel regent en omlaag stroomt naar het dal, juist zo is datgene wat hier gegeven is, van voordeel voor de gestorvenen.

8. Zoals rivieren vol water de oceaan vullen, juist zo is datgene wat hier gegeven is, de gestorvenen tot voordeel.

9. "Hij gaf mij geschenken, hij deed iets goeds voor mij, hij was mijn verwant, mijn vriend, mijn kameraad." Terwijl men zo denkt en zich herinnert aan wat vroeger gedaan is, moge men dan aan de gestorven geesten een gave brengen.

10. Want geen huilen, geen leed of ander geweeklaag van verwanten is van voordeel voor de gestorvene.

11. Maar als die gave met een goede basis is gegeven aan de Sangha, dan werkt het lange tijd voor hun voordeel en zij hebben onmiddellijk resultaat ervan.

12. Op die manier is de juiste plicht t.o.v. familieleden aangetoond, is een uitstekende gave aan de gestorvenen gegeven en is aan de monniken kracht geschonken. De verdienste die jullie hebben verworven, is niet gering.

Het verhaal over Samkicca (Petavatthu 1, 11)

           Toen de Boeddha in het  Jetavana verbleef, vertelde hij het verhaal over Samkicca.[12]

Deze bereikte op 7-jarige leeftijd volmaakte heiligheid al in de hal waar zijn hoofdhaar afgeschoren werd. Als novice verbleef hij in een bos met 30 monniken. Zij werden aangevallen door 500 rovers maar door toedoen van de novice werden de monniken niet gedood; hij bekeerde de rovers en bracht hen ertoe het leven van asceet aan te nemen. Daarna ging hij met deze monniken naar de Boeddha te Varanasi en verbleef er te Isipatana.

             In die tijd verbleef te Varanasi een ketterse brahmaan die twee zonen en een dochter had.  Deze drie eerden en onderhielden asceten en brahmanen net zoals de andere leken. Maar hun ouders toonden geen respect. In een storm werden alle vijf gedood doordat hun oude huis instortte.

De brahmaan en zijn vrouw werden wedergeboren als petas, en de twee zonen en de dochter werden aardgodheden.

        Een neef van de brahmaan was een discipel van de novice Samkicca. Door de macht van zijn leraar zag hij de twee devas en hun zus naar een bijeenkomst van de Yakkhas rijden. De ene deva ging op een witte olifant, de andere in een koets getrokken door muilezels. En de zus werd als jonge vrouw die de tien regio's geheel verlichtte, gedragen in een draagstoel. En dat was het gevolg ervan dat zij gaven hadden gegeven en edelmoedig waren.

        Maar de brahmaan en zijn vrouw hadden zware hamers in hun handen, waren bedroefd en hun lichaam was gebroken. Zij sloegen elkaar en zij dronken elkaars etter en bloed en urine. Maar ook al dronken zij veel, zij werden niet verzadigd erdoor. Zij leden honger en dorst. Dat was het resultaat ervan dat zij gierig waren geweest, asceten en brahmanen hadden beledigd.

        Tijdelijk zijn rijkdom en bezittingen; vergankelijk is het leven hier op aarde. Als hij dat weet, laat de wijze dan een toevluchtsoord gereed maken. Allen die bekend zijn met de Dhamma en deze kennis hebben, verwaarlozen niet gaven te geven nadat zij de woorden van de Arahants gehoord hebben.

Het verhaal over Sanuvasin (Petavatthu III.2)[13]

 

           Heel lang geleden keerde een prins te Varanasi van het park terug naar het paleis. Onderweg zag hij een Pacceka-Boeddha met naam Sunetta. Deze laatste was op zijn ronde voor aalmoezen, maar de prins sprak hem met ruwe woorden toe.

           Het gevolg hiervan kwam direct. De prins voelde een hevig branden van zijn lichaam. Hij stierf en werd herboren in de grote hel Avīchi. Toen de tijd daar afgelopen was, werd hij wedergeboren als een peta. En in deze Boeddha-periode werd hij herboren in een vissersdorp.

           Hij was zich echter bewust van vroegere levens en daarom ging hij niet met anderen op visvangst. Hij gooide de vissen die zij meebrachten, terug in de zee. Zijn verwanten joegen hem toen het huis uit. Maar zijn broer bleef hem goedgezind.

           Door toedoen van de Eerwaarde Ānanda werd de weggejaagde man een monnik. En hij bereikte het vierde niveau van heiligheid: hij werd een arahant. Samen met twaalf monniken vertoefde hij toen op een berg.

           Zijn verwanten werden na de dood herboren als petas. Zijn vader en moeder voelden zich beschaamd dat zij hem toen uit het huis hadden gezet. Zij stuurden zijn peta-broer naar de arahant. De peta-broer maakte zich aan de arahant bekend met de woorden: “Eerwaarde Heer, ik ben uw broer, herboren als peta. Ook uw moeder en vader zijn diep ongelukkige wezens in de wereld van Yama. Omdat zij verkeerde daden deden, gingen zij van hier naar de peta-wereld. Zij zijn mismaakt, naakt en vol angst. Weest a.u.b. genadig en vol mededogen. Geeft een gave en schrijft de verdienste ervan aan ons toe. Dan zal het beter met ons gaan.”

           Toen de Ouderling en de twaalf andere monniken hun rondgang voor aalmoezen beëindigd hadden, kwamen zij op dezelfde plaats samen om een maaltijd klaar te maken. De Ouderling sprak hen aldus toe: “Geeft mij wat jullie hebt ontvangen. Ik zal een maaltijd gereed maken voor de Orde, uit mededogen met mijn verwanten.”

           Zij stemden ermee in. De Ouderling nodigde de andere monniken uit; en toen hij de maaltijd opdiende, droeg hij de verdienste van de gave op aan zijn moeder, vader en broer met de woorden: “Moge dit voor mijn verwanten zijn; mogen mijn familieleden gezegend zijn.” Onmiddellijk na deze overdracht van verdienste was er voedsel voor de petas, zuiver, smakelijk en goed klaargemaakt.

           De broer die nu knap, sterk en gelukkig was, zei toen: “Eerwaarde Heer, er is voldoende voedsel, maar kijkt, wij zijn naakt. Heer, maakt dat wij kleren krijgen.”

           De Ouderling raapte hierop enkele flarden van weggegooide kleren op, naaide ze aaneen tot gewaden en gaf ze aan de Orde. Bij het aanbieden van deze gave droeg hij de verdienste ervan op aan zijn moeder, vader en broer, met de woorden: “Moge dit voor mijn verwanten zijn; mogen mijn familieleden gezegend zijn.”

           Onmiddellijk na deze overdracht van verdienste werden kleren geproduceerd voor de petas. En de broer, met mooie kleren aan, toonde zich aan de Ouderling met de woorden: “Eerwaarde Heer, wij hebben nu meer kleren dan er in dit koninkrijk zijn. Ze zijn van zijde en van wol, van vlas en van katoen; het zijn er veel en ze zijn kostbaar. En ze hangen in de lucht. Eerwaarde Heer, wij hadden nog graag een huis.”

           De Ouderling bouwde een hut van bladeren en gaf ze aan de Orde. Bij het aanbieden van deze gave droeg hij de verdienste ervan op aan zijn moeder, vader en broer, met de woorden: “Moge dit voor mijn verwanten zijn; mogen mijn familieleden gezegend zijn.”

           Onmiddellijk na deze overdracht van verdienste werden huizen geproduceerd voor de petas. Het waren mooie gebouwen met voorraadkamers. En de peta-broer zei: “Eerwaarde Heer, bij de mensen zijn niet zulke woningen als wij hier hebben. Wij hebben nu huizen zoals bij de devas. Maar Heer, zorgt ervoor dat wij een slok water kunnen drinken.”

           De wijze Ouderling vulde hierop een waterpot en bood die aan de Orde aan. Bij het aanbieden van deze gave droeg hij de verdienste ervan op aan zijn moeder, vader en broer, met de woorden: “Moge dit voor mijn verwanten zijn; mogen mijn familieleden gezegend zijn.”

           Onmiddellijk na deze overdracht van verdienste werd drinkwater voor de petas geproduceerd. Er waren vier diepe vijvers met een goede wal en helder water. Het water was koel en rook aangenaam. En de vijvers waren bedekt met lotussen en waterlelies.

           Nadat zij een bad hadden genomen en gedronken, verschenen zij voor de Ouderling en zeiden: “Eerwaarde Heer, wij hebben genoeg water, maar onze voeten doen pijn en zitten vol kloven. Als wij buiten rondgaan, stappen wij op het grind en op doornen van struiken. Heer, zorgt ervoor dat wij een voertuig krijgen.”

           De Ouderling nam een schoen en bood die aan de Orde aan. Bij het aanbieden van deze gave droeg hij de verdienste ervan op aan zijn moeder, vader en broer, met de woorden: “Moge dit voor mijn verwanten zijn; mogen mijn familieleden gezegend zijn.”

           Onmiddellijk na deze overdracht van verdienste werd een rijtuig voor de petas geproduceerd. Hierin kwamen zij tot bij de Ouderling en zeiden: “Eerwaarde Heer, uit mededogen zijn wij nu voorzien van voedsel en kleren. 0ok kregen wij een huis, drinkwater en een voertuig. Heer, wij komen om u die vol mededogen bent, eer te betonen.”

 

           De Ouderling vertelde dit voorval aan de Verhevene die het tot leerthema maakte.

Bronnen

Gehman, H.S. (transl.): Stories of the Departed (Peta-Vatthu). Together with Excerpts from the frame stories from Dhammapala’s Commentary. London: PTS 1974.

Horner, I.B. (tr.); assisted by N.A. Jayawickrama. Vimânavatthu : Stories of the Mansions.  London: PTS, 1974. (The Minor Anthologies of the Pali Canon Part IV).

Norman, K.R.: Pâli Literature, including the Canonical Literature in Prakrit and Sanskrit of all the Hînayâna Schools of Buddhism. Wiesbaden: Harrassowitz, 1983. (A History of Indian Literature, Vol. 7, Fasc. 2).

Webb, Russell (ed.): An Analysis of the Pali Canon, being the Buddhist Scriptures of the Theravada School. Edited by Russell Webb. Kandy: BPS, 1975. The Wheel No. 217/220, With a Bibliography.

        

Winternitz, Maurice: A history of Indian Literature. Vol. II : Buddhist Literature and Jaina Literature. A new authoritative English translation by V. Srinivasa Sarma. (revised ed.). Delhi (etc.): Motilal Banarsidass, 1983. Orig. titel: Winternitz, Moritz: Geschichte der indischen Literatur. Band

II. (1913)

        


[1]    Webb 1975, p. 40; Norman 1983, p. 70; Winternitz (II) 1983, p. 96.

[2]    Winternitz 1983, p. 96.

[3]    Norman 1983, p. 76-77.

[4] Webb 1975, p. 40.

[5] Winternitz 1983, p. 97.

[6] Webb 1975, p. 40; Winternitz 1983, p. 97; Norman 1983, p. 71.

[7] Gehman, H.S. (transl.): Stories of the Departed (Peta-Vatthu). London 1974, p. x.

[8] Gehman 1974, p. xi.

[9] Gehman 1974, p. xii.

[10] Winternitz 1983, p. 97; Norman 1983, p. 71-72.

[11] Gehman 1974 p. 7.

[12] Gehman 1974 p. 21

[13] Gehman 1974 p. 69.