Facetten van het Boeddhisme



naar Index

5.2.5.5.5  Sutta-nipata,   5. Pārāyana-vagga 

Inleiding        1.Uragavagga     2. Cūlavagga     3. Mahāvagga     4. Atthakavagga     5. Pārāyana-vagga

V.0. (verzen 976-1031) Verhalende verzen;   V.1. (verzen 1032-1039) Ājita;   V.2. (verzen 1040-1042) Tissa-Metteyya;   V.3. (verzen 1043-1048) Punnaka;   V.4. (verzen 1049-1060) Mettagū;   V.5. (verzen 1061-1068) Dhotaka;   V.6. (verzen 1069-1076) Upasīva;   V.7. (verzen 1077-1083) Nanda;   V.8. (verzen 1084-1087) Hemaka;   V.9. (verzen 1088-1091) Todeyya;   V.10. (verzen 1092-1095) Kappa;   V.11. (verzen 1096-1100) Jatukannī;   V.12. (verzen 1101-1104) Bhadrāyudha;   V.13. (verzen 1105-1111) Udaya;   V.14. (verzen 1112-1115) Posāla;   V.15. (verzen 1116-1119) Mogharāja;   V.16. (verzen 1120-1123) Pingiya;   Eindverzen 1124-1149.


Copyright ©  2021 / 2564

Het is toegestaan om elektronisch of in gedrukte vorm fragmenten van deze vertaling of de vertaling in zijn geheel over te nemen voor eigen gebruik, of ook met als doel ze met anderen te delen, uitsluitend voor gratis verspreiding en zonder commercieel oogmerk.



Sn. V. Pārāyana-Vagga, het boek “de weg naar de andere oever”


De vragen van de brahmaan-discipelen


Inleiding


Dit vagga begint met 50 verzen waarin verhaald wordt dat de brahmaan Bāvarī zestien van zijn volgelingen naar de Boeddha stuurt. Zij stellen samen zestien vragen. In het laatste deel van het vagga besluiten vijftien van hen bij de Boeddha te blijven. De verzen worden toegeschreven aan Ānanda. Er is geen commentaar op in het Niddesa. De zestien vragen gaan over het oversteken van de stroom en de ontsnapping aan geboorte en dood.


Verhalende verzen (verzen 976-1031)


V.0. (verzen 976-1031) Introductie


976. Een brahmaan (met naam Bavari) die de vedische mantras helemaal van buiten had geleerd, wilde de volledige afwezigheid van bezittingen; hij ging op weg naar de heerlijke stad van de Kosalans in het zuidelijke land.

977. Hij verbleef er aan de oever van de rivier Godhavari, in het gebied van Assaka, nabij Alaka, en leefde er van wat op de grond gevallen was en van vruchten.

978. Dichtbij die oever was een groot dorp. Met het inkomen dat hij van dat dorp ontving, hield hij een groot offer.

979. Na dat grote offer ging hij zijn kluis weer binnen. Toen kwam een andere brahmaan aan,

980. met stukgelopen voeten, dorstig, met vieze tanden, en stof op zijn hoofd. Hij ging naar Bavari en vroeg hem vijfhonderd geldstukken.

981. Bavari zag hem, vroeg hem te gaan zitten en vroeg hoe het met hem ging. Verder zei hij:

982. "Wat ik had om weg te geven is al gebruikt door mij. Excuseer me, brahmaan, ik heb geen vijfhonderd geldstukken.”

983. "Als u het mij niet geeft wanneer ik vraag, moge dan uw hoofd op de zevende dag vanaf nu in zeven stukken splijten."

984. Die misleidende man maakte veel misbaar en uitte zijn angstaanjagende wens. Na die woorden was Bavari in onrust.

985. Hij at [en dronk] niet meer en droogde uit. Hij droeg de stekel van verdriet in zich. In een dergelijke mentale toestand vond zijn geest geen genoegen in meditatie.

986. Een godheid zag hem, bang en ellendig. Hij wilde dat het goed met Bavari ging, en zei tot hem:

987. "Hij weet niets over hoofden. Hij is een bedrieger die geld wil hebben. Hij heeft geen weet van hoofden of van het splijten van hoofden."

988. "Geachte, u weet het beslist; vertel mij a.u.b. over hoofden en het splijten van hoofden."

989. "Ook ik weet het niet; ik heb er geen kennis van. Het behoort echt tot het inzicht van Veroveraars."

990. "Godheid, wie dan hier op aarde weet over hoofden en het splijten van hoofden?"

991. "Uit de stad Kapilavatthu is de leider van de wereld vertrokken, een afstammeling van koning Okkaka, een lid van de Sakya-stam, een brenger van licht.

992. Brahmaan, hij is waarlijk een volledig Verlichte, die naar de andere oever van alle verschijnselen is gegaan. Hij heeft alle bovennatuurlijke weten en krachten verkregen. Hij is iemand met visie wat betreft alle verschijnselen. Hij heeft de vernietiging van alle verschijnselen bereikt. Hij is bevrijd in de vernietiging van de aanwinsten die naar wedergeboorte leiden.

993. Die Boeddha, de Gezegende in de wereld, iemand met visie, onderwijst de leer. Ga naar hem toe en stel je vragen. Hij zal je uitleg geven."

994. Bij het horen van de woorden: "Volledig verlicht," was Bavari blij. Zijn verdriet was verminderd, en hij was vervuld met heel veel vervoering.

995. Die Bavari, met verheven geest, blij, in vervoering, vroeg aan de godheid: "In welk dorp of in welke stad of in welk land is de beschermer van de wereld, waarheen kunnen wij gaan om de Volmaakt Verlichte te eren, de beste van tweevoetige mensen?"

996. "De Veroveraar is te Savatthi, een stad van de Kosalans. Hij heeft veel wijsheid en uitstekende en grote intelligentie. Dit lid van de Sakya-stam is zonder last, zonder asavas. Die stier onder mensen heeft kennis over splijten van het hoofd."

997. Toen richtte hij [= Bavari] zich tot zijn leerlingen, brahmanen die de vedische mantras helemaal van buiten hadden geleerd, met de woorden: “Komt, jonge brahmanen, luistert naar mijn woorden.

998. Hij wiens verschijnen vaak moeilijk is te verkrijgen in de wereld, is nu in de wereld ontstaan. Hij is beroemd als ‘volmaakt Verlichte.’ Gaat snel naar Savatthi en bezoekt er de beste van de tweevoetige mensen.”

999. “Brahmaan, hoe weten wij of hij de Boeddha is wanneer wij hem zien? Zeg het ons die hem niet kennen, hoe wij hem kunnen kennen.”

1000. “De tekenen van een groot man zijn ons inderdaad overgeleverd in de vedische mantras, en 32 ervan zijn volledig beschreven.1

1001. Voor degene wiens ledematen deze 32 kenmerken van een groot man hebben, zijn slechts twee manieren van leven open, want een derde bestaat er niet.

1002. Als hij deze aarde verovert en in een huis woont, zal hij zonder geweld heersen, zonder zwaard maar met rechtvaardigheid.

1003. Indien hij evenwel van huis in de huisloze staat vertrekt, zal hij iemand worden met ver verspreide faam, volledig verlicht, een onvergelijkbare heilige.

1004. Vraag in jullie geest alleen naar mijn geboorte en stam, mijn kenmerken, welke vedische mantras ik ken, en naar mijn andere leerlingen, en over hoofden en het splijten van hoofden.

1005. Indien hij een Boeddha is die zonder belemmeringen ziet, zal hij met zijn stem de vragen beantwoorden die in jullie geest zijn gesteld.”

1006. Na het horen van Bavari’s woorden namen zestien brahmaanse leerlingen afscheid van hem, namelijk Ajita, Tissametteyya, Punnaka, Mettagu,

1007. Dhotaka, Upasiva, Nanda, Hemaka, Todeyya, Kappa, de wijze Jatukanni,

1008. Bhadravudha, Udaya, en ook de brahmaan Posala, de intelligente Mogharaja, en de grote ziener Pingiya,

1009. ieder met zijn eigen groep, beroemd in de wereld, meditatoren, behagen scheppende in meditatie, verzadigd met hun vroegere goede indrukken.

1010. Zij groetten Bavari met respect, en met gematteerd haar en gehuld in hertenhuiden vertrokken zij naar het noorden.

1011. Via Patitthana van Alaka, naar Mahisatti, Ujjena, Gonaddha, Vedisa, de plaats Vanasa,

1012. en ook Kosambi, naar Saketa en Savatthi, de beste der steden, naar Setavya, Kapilavatthu en de stad Kusinara,

1013. en naar Pava, de stad van de Bhogas, naar Vesali, de stad van de Magadhans, en naar de schrijn van Pasanaka, heerlijk en lieflijk.

1014. Zoals een dorstige man die naar koel water gaat, zoals een koopman die naar grote winst gaat, zoals iemand wiens hoofd door de hitte is verbrand naar de schaduw gaat, zo snel beklommen zij de berg.

1015. En de Gezegende was op die tijd tegenover de gemeenschap van de monniken en onderwees hun de leer. Hij sprak als een leeuw die in een bosje brulde.

1016. Ajita zag de volledig Verlichte, als de zon met rechte stralen, als de maan tot volheid gekomen op de 15e dag.

1017. Hij zag de ledematen en de kenmerken, ging terzijde staan en stelde vol vreugde in zijn geest de volgende vragen:

1018. “Spreek met betrekking tot zijn geboorte; vertel me over zijn stam en over zijn kenmerken. Vertel me over zijn volmaaktheid wat betreft de vedische mantras; hoeveel onderwijst de brahmaan er?”

1019. “Zijn ouderdom is 120 jaren; hij is van de stam Bavari. Op zijn lichaam zijn drie kenmerken. Hij heeft de drie vedas helemaal van buiten geleerd.

1020. In de kenmerken en in de mondelinge overlevering, samen met de etymologieën en de rituelen geeft hij aan 500 onderricht; in zijn eigen leer heeft hij de volmaaktheid bereikt.”

1021. “Geef een gedetailleerd verslag van Bavari’s kenmerken, gij beste der mensen die begeerte heeft afgesneden, zodat er bij ons geen twijfel moge bestaan.”

1022. "Hij kan zijn gelaat bedekken met zijn tong. Er is haar tussen zijn wenkbrauwen. Zijn mannelijk orgaan is verborgen in de voorhuid. Weet het zo, jonge brahmaan."

1023. Het hele volk hoorde geen vraag (die gesteld werd) maar wel de antwoorden die gegeven werden. En in vervoering en met de handen samengevouwen (in anjali-gebaar) dacht het:

1024. “Welke god of Brahma, of Inda Sujampati, stelde deze vragen in zijn geest? Aan wie gaf de Boeddha dit antwoord?"

1025. "Bavari stelde vragen over hoofden en het splijten van hoofden. Leg dat uit, Gezegende. Verdrijf onze twijfel, gij ziener."

1026. “Weet dat onwetendheid het hoofd is. De splijter van het hoofd is kennis, samen met vertrouwen, oplettendheid en concentratie, en met vastbeslotenheid en energie (wilskracht."

1027. De jonge brahmaan vatte vertrouwen, deed zijn hertenhuid over een schouder en met grote vervoering viel hij met zijn hoofd neer aan de voeten van de Boeddha.

1028. "Heer, de brahmaan Bavari met zijn leerlingen, met verblijde geest en opgewekt, groet de voeten van de Eerwaarde, iemand met visie."

1029. "Moge de brahmaan Bavari gelukkig zijn met zijn leerlingen, en moge ook jij gelukkig zijn. Leef een lange tijd, jonge brahmaan.

1030. Alle twijfel van Bavari en van jullie allen - nu jullie een gelegenheid hebben, vraagt wat jullie in jullie geest verlangen."

1031. Nadat een gelegenheid was gegeven door de volmaakt Verlichte, met samengevouwen handen neergezeten, stelde Ajita er aan de Tathagata de eerste vraag.



Sn. V.1. (verzen 1032-1039) De vragen van Ājita


1032. “Waarin is de wereld gehuld," vroeg de eerwaarde Ajita. "Waarom schijnt ze niet? Wat is de plakkerige smet ervan? Wat is de grootste angst ervan?”

1033. "De wereld is gehuld in onwetendheid, Ajita," zei de Gezegende. "Vanwege gierigheid en onachtzaamheid schijnt ze niet. Ik noem verlangen de plakkerige smet ervan.2 Ellende is de grootste angst ervan."

1034. "Stromen stromen overal,"3 zei de eerwaarde Ajita. “Waarmee kan men ze tegenhouden? Vertel me de begrenzing ervan. Waardoor worden zij ingedamd?"


1035. "Wat voor stromen er ook in de wereld zijn, Ajita," zei de Gezegende, "ze worden tegengehouden door oplettendheid. Ik zal je de begrenzing ervan vertellen. Ze worden ingedamd door wijsheid." 4

1036. "Wijsheid en oplettendheid," zei de eerwaarde Ajita, "en naam-en-vorm, heer, vertel mij a.u.b. waarin is het tot stilstand gebracht?" 5

1037. "Ik zal antwoord geven op deze vraag die je hebt gesteld, Ajita, namelijk waarin naam-en-vorm volledig tot stilstand is gebracht.6 7 Door het tot stilstand brengen van bewustzijn, daarin is het tot stilstand gebracht." 8

1038. "Zij die de leer hebben overwogen, en de velen hier die nog (moeten) oefenen,9 vol ijver, vertel mij a.u.b., heer, hun manier van leven." 10

1039. "Laat een bhikkhu niet begerig zijn naar zinnelijke genoegens. Laat hij onverstoord zijn in geest. Laat hij, bedreven in alle mentale staten, zijns weegs gaan, oplettend."


Sn.V.2. (verzen 1040-1042) De vragen van Tissa Metteyya


1040. "Wie is tevreden hier in de wereld?" vroeg de eerwaarde Tissa Metteyya. "Voor wie zijn er geen beroeringen? Welke denker die beide einden kent, hecht niet aan het midden? 11 Wie noemt u een groot man? Wie is de naaister 12 te boven gekomen?"

1041. "De bhikkhu die het heilige leven leidt temidden van zinnelijke genoegens, Metteyya," zei de Gezegende, "vrij van begeerte, steeds oplettend, uitgedoofd na overweging, voor hem zijn er geen beroeringen.

1042. Die denker die beide einden kent en die niet hecht aan het midden, hem noem ik een groot man. Hij is de naaister (begeerte) te boven gekomen."


Sn.V.3. (verzen 1043-1048) De vragen van Punnaka


1043. "Ik ben gekomen om een vraag te stellen aan degene die zonder begeerte is, die de wortel ziet,” 13, zei de eerwaarde Punnaka. "Afhankelijk waarvan brachten veel zieners, mannen,14 krijgers en brahmanen, offers aan goden hier in de wereld? Gezegende, vertel me dat a.u.b."

1044. De Gezegende zei: "Punnaka, die vele zieners en mannen, krijgers en brahmanen, die offers brachten aan de goden hier in de wereld, zij deden dat in de hoop op een bestaan hier, welk bestaan afhankelijk is van ouderdom.” 15

1045. "Die vele zieners en mannen," zei de eerwaarde Punnaka, "krijgers en brahmanen die offergaven brachten aan de goden hier in de wereld, Gezegende, overwonnen zij, waakzaam16 bij de manier van offeren, geboorte en ouderdom? Vertel me dat a.u.b., Gezegende."

1046. "Zij hoopten, verlangden en offerden, Punnaka," zei de Gezegende. "Zij verlangden naar zintuiglijke genietingen, afhankelijk van winst. Ik zeg dat zij, overgegeven aan offeren en beïnvloed door passie naar bestaan, geboorte en ouderdom niet overwonnen."

1047. "Indien zij, overgegeven aan offeren," zei de eerwaarde Punnaka, "geboorte en ouderdom niet overwonnen vanwege hun offeren, heer, wie dan in de wereld van goden en mensen heeft geboorte en ouderdom wel overwonnen, heer? Gezegende, vertel mij dat a.u.b."

1048. "Punnaka, wie overwogen heeft wat in de wereld ver is en nabij, en voor wie er geen enkele beroeringen zijn in de wereld," zei de Gezegende, "hij, - kalm, zonder dampen van passie, zonder smart, zonder verlangen, - heeft geboorte en ouderdom overwonnen.17


Sn.V.4. (verzen 1049-1060) De vragen van Mettagu


1049. "Gezegende, ik vraag u. Vertel het mij a.u.b.," zei de eerwaarde Mettagu. "Ik denk dat u kennis hebt en een ontwikkeld zelf.18 Vanwaar zijn deze ellenden ontstaan die veel vormen in de wereld hebben?"

1050. "Mettagu, indien je mij hebt gevraagd over het tot ontstaan komen van ellende," zei de Gezegende, "dan zal ik je dat vertellen als iemand die weet. Ellenden die in de wereld veel vormen hebben, komen tot ontstaan met aanwinsten die naar wedergeboorte leiden als de oorzaak ervan.


1051. Waarlijk, elke dwaas die onwetend aanwinsten maakt, komt steeds weer tot ellende. Daarom moet iemand die weet, geen aanwinsten maken maar de geboorte en het ontstaan van ellende overwegen."

1052. "U hebt ons uitgelegd wat wij gevraagd hebben. Ik stel een andere vraag. Vertelt ons a.u.b. hoe de wijzen de stroom, geboorte en ouderdom overwinnen, en ook verdriet en droefenis. Legt mij dat a.u.b. uit, gij wijze, want aldus is deze leer19 aan u bekend."

1053. "Mettagu, ik zal je de leer uitleggen," zei de Gezegende, "welke niet gebaseerd is op horen zeggen in de wereld van de verschijnselen. Wanneer men die leer kent en oplettend leeft, overwint men gehechtheid in de wereld."

1054. "En ik verheug me over die verheven leer, grote ziener; wanneer men ze kent en oplettend leeft, overwint men de gehechtheid in de wereld."

1055. "Mettagu, wat je ook weet," zei de Gezegende, boven, beneden, kruiselings en ook in het midden, wanneer je genoegen en gehechtheid aan die dingen hebt weggegooid, en bewustzijn,20 dan blijf je niet in dit bestaan.


1056. Wanneer je aldus vertoeft, oplettend, waakzaam, levend als een bhikkhu, na geliefde dingen achtergelaten te hebben, dan geef je hier ter plekke geboorte en ouderdom op, en verdriet en droefenis, en ellende."

1057. "Ik verheug me over deze uitspraak van de grote ziener Gotama, welke goed is uitgelegd en zonder aanwinsten die naar wedergeboorte leiden. Beslist heeft de Gezegende ellende opgegeven, want zo is deze leer bij u bekend.


1058. En ook zij geven beslist ellende op die u, wijze, aanspoort zonder te stoppen.21 Daarom, groot iemand, buig ik terneer, na hier tot u te zijn gekomen. Misschien spoort de Gezegende mij aan zonder te stoppen."

1059. "Welke brahmaan men onderkent als iemand die kennis heeft, die niets bezit, die niet gehecht is aan zintuiglijke genoegens en aan bestaan, die persoon heeft vast en zeker deze stroom overgestoken. En na overgestoken te zijn naar de andere oever is hij zonder mentale onvruchtbaarheid22 en zonder twijfel.


1060. En welke man hier weet en kennis heeft, waarbij hij gehechtheid aan diverse soorten van bestaan opgeeft, hij heeft, zo zeg ik, met begeerte gegaan, en zonder verlangen, geboorte en ouderdom overwonnen." 23



Sn.V.5. (verzen 1061-1068) De vragen van Dhotaka


1061. "Gezegende, ik vraag u, vertel me dit," zei de eerwaarde Dhotaka. "Ik verlang naar uw uitspraak, grote ziener. Na uw verkondiging gehoord te hebben ga ik mijzelf oefenen voor mijn eigen uitdoving." 24

1062. "Dhotaka, span je daarvoor in," zei de Gezegende. "Wees ijverig, oplettend, hier op deze plek, hoor de verkondiging van hier en oefen jezelf voor je eigen uitdoving."

1063. "Ik zie in de wereld van goden en mensen een brahmaan rondgaan, die niets bezit.25 Daarom buig ik terneer voor u, Sakyer met universele visie. Bevrijd me van mijn twijfels."

1064. "Ik ben niet in staat iemand in de wereld te bevrijden die twijfels heeft, Dhotaka. Maar wanneer je de beste leer kent, steek je deze stroom over."

1065. "Brahmaan, heb medelijden, onderwijs de leer van onthechting die ik kan leren zodat onveranderlijk als ruimte ik op deze plek hier kan gaan, gekalmeerd, onafhankelijk." 26

1066. "Dhotaka," zei de Gezegende, "ik zal vrede aan jou uitleggen, die niet gebaseerd is op horen zeggen in de wereld van verschijnselen. Wanneer men die kent en oplettend gaat, kan men gehechtheid in de wereld overwinnen."

1067. "Grote ziener, en ik verheug me in die opperste vrede, wanneer men ze kent en oplettend leeft, overwint men gehechtheid in de wereld."


1068. "Dhotaka," zei de Gezegende, "alles wat je kent, boven, beneden, kruiselings, en ook in het midden, wetende dat dit gehechtheid in de wereld is, verlang niet naar verscheidene soorten van bestaan." 27


Sn.V.6. (verzen 1069-1076) De vragen van Upasiva


1069. "Alleen en niet afhankelijk," 28 zei de eerwaarde Upasiva, "ben ik niet in staat om de grote stroom over te steken. Sakyer met universele visie, zeg mij een meditatie-object afhankelijk waarvan ik deze stroom kan oversteken."

1070. "Rekening houdende met de staat van 'nietsheid', 29 in het bezit van oplettendheid, Upasiva," zei de Gezegende, "gesteund door het geloof 'het bestaat niet',30 kun je de stroom oversteken. Geef zinnelijke genietingen op, zie af van verkeerde gesprekken31 en kijk dag en nacht uit naar de vernietiging van begeerte."

1071. "Hij wiens passie voor alle zinnelijke genietingen is verdwenen, Upasiva," zei de Gezegende, "gesteund door de staat van 'nietsheid', met achterlaten van de andere staten, bevrijd in de hoogste bevrijding van waarneming,32 vertoeft hij daar en gaat hij niet verder?” 33 34


1072. "Hij wiens passie voor alle zinnelijke genietingen is verdwenen, Upasiva," zei de Gezegende, "en die afhankelijk van de staat van nietsheid, met achterlaten van de andere staten, bevrijd is in de hoogste bevrijding van waarneming, hij kan daar blijven en niet verder gaan.35


1073. "Gij met universele visie, indien iemand er blijft, niet onderhevig aan samsara, zelfs voor een uitgebreid aantal van jaren, en op die plek bevrijd is, indien hij oud werd, zou er dan bewustzijn voor hem zijn in een dergelijke staat?" 36

1074. "Juist zoals een vlam, uitgeblazen door de kracht van de wind, Upasiva," zei de Gezegende, "uitgaat en niet langer als een vlam telt,37 zo gaat een wijze die bevrijd is van zijn mentale lichaam,38 uit en telt niet meer als een wijze."

1075. "Hij die is uitgegaan,39 bestaat hij niet, of blijft hij voor altijd onaangetast? 40 Leg me dit goed uit, wijze, want zo is deze leer aan u bekend."


1076. "Er is geen maat voor iemand die is uitgedoofd,41 Upasiva," zei de Gezegende. "Datgene bestaat voor hem niet meer waardoor men over hem zou kunnen spreken.42 43 Wanneer alle verschijnselen zijn verwijderd, dan zijn ook alle manieren van spreken verwijderd."


Sn.V.7. (verzen 1077-1083) De vragen van Nanda


1077. "Men zegt dat er wijzen in de wereld zijn," zei de eerwaarde Nanda. "Hoe bedoelt 44 men dat? Zegt men dat iemand die kennis heeft, een wijze is, of is een wijze werkelijk iemand die een speciale manier van leven heeft?"

1078. "Nanda, de experten zeggen niet dat iemand een wijze is in deze wereld vanwege een visie, of geleerdheid, of weten.45 Ik noem diegenen wijzen die hun levenswandel voeren zonder zich te binden,46 zonder droefenis, zonder verlangen." 47

1079. "Al die asceten en brahmanen," zei de eerwaarde Nanda, "die zeggen dat zuiverheid is door middel van wat is gezien en gehoord,48 die zeggen dat zuiverheid is door middel van verschillende wegen, Gezegende, hebben zij, met terughoudendheid levend, daarin geboorte en ouderdom overwonnen? Gezegende, vertel mij dat a.u.b."

1080. "Nanda, al die asceten en brahmanen," zei de Gezegende, "die zeggen dat zuiverheid is door middel van wat gezien en gehoord is, die zeggen dat zuiverheid is door middel van verschillende wegen,49 zij hebben, hoewel zij daarin met terughoudendheid leven, geboorte en ouderdom niet overwonnen."

1081. "Al die asceten en brahmanen," zei de eerwaarde Nanda, die zeggen dat zuiverheid is door middel van wat is gezien en gehoord,50 die zeggen dat zuiverheid is door middel van deugdzaam gedrag en geloften, die zeggen dat zuiverheid is door middel van verschillende wegen, wijze, indien u zegt dat zij de stroom niet hebben overgestoken, wie dan in de wereld van goden en mensen heeft geboorte en ouderdom wel overwonnen?"

1082. "Nanda, ik zeg niet dat alle asceten en brahmanen gehuld zijn in geboorte en ouderdom. Alwie hier hebben opgegeven wat gezien, gehoord of gedacht is 51 en wie alle deugdzaam gedrag en geloften hebben opgegeven, en die alle verschillende manieren hebben opgegeven, begeerte kennende en opgevende, en die zonder āsavas zijn, hen noem ik inderdaad mensen die de stroom hebben overgestoken."

1083. "Gotama, ik verheug me over deze uitspraak van de grote ziener, welke goed is uitgelegd en zonder aanwinsten is die naar wedergeboorte52 voeren. Alwie hier hebben opgegeven wat gezien, gehoord of gedacht is,53 en die alle deugdzaam gedrag en geloften hebben opgegeven, begeerte kennende en opgevende, en die zonder āsavas zijn, hen noem ook ik 'mensen die de stroom hebben overgestoken'."

__
[m.a.w. zij die niets hun eigen noemen, die niet meer hechten aan regels en rituelen, die zonder smetten zijn, zij zijn aan de andere kant van de stroom aangekomen.]



Sn.V.8. (verzen 1084-1087) De vragen van Hemaka


1084. "Indien men voorheen," zei de eerwaarde Hemaka, "voordat ik de leer van Gotama had gehoord, mij had uitgelegd dat het zo was en dat het zo zal zijn, - dat alles was van horen zeggen, dat alles deed mijn speculaties54 toenemen.


1085. Ik vond er geen behagen in. Maar gij, wijze, leer me de leer die begeerte vernietigt; als men ze kent en oplettend leeft, kan men gehechtheid in55 de wereld oversteken."

1086. "Hemaka, met betrekking tot prettige vormen56 die zijn gezien, gehoord, gedacht57 en waargenomen, het verwijderen van verlangen en passie is de onwrikbare staat van uitdoving.58


1087. Zij die dit weten en oplettend zijn, die volledig uitgedoofd zijn in de wereld der verschijnselen,59 - en die steeds kalm zijn 60 - zij hebben gehechtheid in61 de wereld overgestoken."


Sn.V.9. (verzen 1088-1091) De vragen van Todeyya


1088. "In wie geen zinnelijke genoegens meer zijn," zei de eerwaarde Todeyya, "en voor wie er geen begeerte bestaat, en die twijfel heeft overwonnen, van wat voor soort is zijn bevrijding?"

1089. De Gezegende gaf ten antwoord: "Todeyya, in wie geen zinnelijke genoegens zijn, voor wie er geen begeerte bestaat, wie twijfel heeft overwonnen, voor hem is er geen andere bevrijding."

1090. "Is hij zonder aspiraties,62 of koestert hij nog hoop [op iets]? Bezit hij wijsheid, of verwerft hij nog wijsheid? 63 Leg me dat a.u.b. uit, Sakya met universele visie, zodat ik een wijze kan herkennen."

1091. "Todeyya, hij is zonder aspiraties,64 hij koestert geen hoop. Hij bezit wijsheid, verwerft niet wijsheid.65 Op die manier kun je een wijze herkennen, die niets bezit, die niet gehecht is aan zinnelijke genoegens en aan bestaan." 66


Sn.V.10. (verzen 1092-1095) De vragen van Kappa


1092. "Heer, vertel mij over een eiland," zei de eerwaarde Kappa, "voor degenen die door ouderdom en dood zijn overwonnen,67 zoals degenen die in het midden van een meer staan wanneer een zeer grote overstroming68 is ontstaan, en verkondig dat eiland aan mij zodat deze ellende niet meer ontstaat." 69

1093. "Kappa, ik zal je over een eiland vertellen," zei de Gezegende, "voor degenen die door ouderdom en dood zijn overwonnen, zoals degenen die in het midden van een meer staan wanneer een zeer grote overstroming70 is ontstaan.

1094. Dit eiland, [namelijk] niets bezittende, zonder te hechten, weergaloos, noem ik uitdoving, de volledige vernietiging van ouderdom en dood.

1095. Zij die dit weten en oplettend zijn, die uitgedoofd zijn in de wereld der verschijnselen,71 komen niet onder Mara's invloed; zij zijn niet ondergeschikt aan Mara."72


Sn.V.11. (verzen 1096-1100) De vragen van Jatukanni


1096. De eerwaarde Jatukanni zei: "Ik hoor over een held die geen verlangen heeft naar zinnelijke genietingen. Ik ben gekomen om degene die de stroom heeft overgestoken en die zonder zinnelijke genietingen is, een vraag te stellen. Vertel me a.u.b. over de staat van vrede, gij alwetende.73 Vertel mij dit, Gezegende, zoals het werkelijk is.

1097. De Gezegende vertoeft inderdaad,74 na zinnelijke genoegens te hebben overwonnen, zoals de schitterende zon de aarde overtreft door haar schittering. Gij van grote wijsheid, preek de leer tot mij die gering in wijsheid ben, zodat ik het opgeven van geboorte en ouderdom hier moge kennen."

1098. "Verwijder begeerte naar zinnelijke genietingen, Jatukanni," zei de Gezegende, "nadat je uit het huis gaan als veiligheid hebt gezien. Moge er niets zijn dat door jou is opgenomen of neergelegd.75

1099. Droog uit wat voorheen bestond. Moge er daarna niets meer zijn. Als je niet naar iets ertussen76 grijpt, zul je in vrede leven.

1100. Voor iemand wiens begeerte naar naam-en-vorm volledig is weggegaan, brahmaan, bestaan er geen āsavas,77 om reden waarvan hij onder invloed van de dood zou geraken."


Sn.V.12. (verzen 1101-1104) De vragen van Bhadrāyudha

1101. De eerwaarde Bhadrāvudha zei: "Ik vraag degene die het huis78 achterliet, die begeerte afsneed, die zonder verlangen is, degene die genoegens verliet, die de stroom overstak, die bevrijd is, die verzinsels achterliet, de zeer wijze. Wanneer zij de grote man hebben gehoord, gaan de mensen weg van hier.


1022. Verschillende mensen zijn van verschillende landen 79 gekomen, uit verlangen naar uw uitspraak, gij held. Leg het goed aan hen uit, want zo is deze leer van u bekend."

1103. "Bhadrāvudha, verdrijf elk verlangen naar vastgrijpen," zei de Gezegende, "boven, beneden, kruiselings en ook in het midden. Want wat zij grijpen in de wereld, daardoor juist volgt Mara een schepsel.80


1104. Daarom, dit wetende, moet een mens bezonnen de vreugde aan bestaan laten en niet ergens in deze hele wereld [aan iets] hechten. Als in de boeien van het grijpen moge hij dit volk beschouwen, verstrikt in het bereik van de dood.” 81 82


Sn.V.13. (verzen 1105-1111) De vragen van Udaya


1105. "Ik ben gekomen met het verlangen een vraag te stellen," zei de eerwaarde Udaya, "aan de mediterende die passievrij83 hier zit, die zijn plicht heeft gedaan, zonder āsavas, die naar de andere oever van alle verschijnselen is gegaan.84 Vertel me over de bevrijding door kennis,85 het verbreken van onwetendheid."


1106. "Het opgeven van zowel verlangens naar zinnelijke genietingen en ongeluk,86 Udaya," zei de Gezegende, "en het weggooien van traagheid, de terughoudendheid van berouw,87


1107. gezuiverd door gelijkmoedigheid en oplettendheid,88 voorafgegaan door het onderzoeken van mentale staten,89 ik zeg je, dat is de bevrijding door kennis, het verbreken van onwetendheid."


1108. "Waardoor is de wereld geboeid? Wat is het drijfwerk ervan? 90 Wat moet men laten om van Nibbāna te kunnen spreken?” 91


1109. "De wereld heeft genot92 als boei. De gedachte is de beweegreden93 ervan.94 Wanneer men begeerte laat, kan men van Nibbana spreken.” 95


1110. "Hoe is bewustzijn tot stilstand gebracht96 voor iemand die oplettend leeft? Nu we naar de Gezegende zijn gekomen, laat ons dat woord van u horen."

1111. "Indien iemand niet geniet van gevoelens, inwendig of uitwendig,97 op die manier wordt bewustzijn voor hem te niet gedaan als hij oplettend leeft." 98



Sn.V.14. (verzen 1112-1115) De vragen van Posāla


1112. "Ik ben gekomen met het verlangen een vraag te stellen," zei de eerwaarde Posala, "aan degene die gegaan is naar de andere oever van alle verschijnselen,99 die zonder verlangen is en die de twijfel heeft afgesneden, die vertelt wat er vroeger was.


1113. Ik vraag, Sakyer, over de kennis van iemand wiens waarneming van vormen is verdwenen,100 die elke lichamelijkheid heeft opgegeven,101 die ziet dat er niets bestaat hetzij inwendig of uitwendig.102 Hoe moet een dergelijke persoon verder geleid worden?"


1114. "Posāla, de Tathāgata die alle steunen van bewustzijn kent," 103 zei de Gezegende, "kent ook die persoon die erop steunt, die ‘nietsheid’ als de bevrijding heeft,104 105 die zich daartoe heeft gewend.” 106


1115. Hij kent de oorsprong van de staat van nietsheid107 en denkt: 'Genot is een boei.' 108 Omdat hij dit aldus weet, heeft hij inzicht erin. Dit is de ware kennis van die brahmaan die het volmaakte leven heeft geleefd." 109



Sn.V.15. (verzen 1116-1119) De vragen van Mogharāja


1116. "Twee keer heb ik de Sakya vragen gesteld," 110 zei de eerwaarde Mogharāja, "maar hij met visie111 heeft me geen antwoord gegeven. Ik heb gehoord dat de ziener van godheden112 inderdaad antwoord geeft bij de derde keer.

1117. Er is deze wereld, de volgende wereld, de wereld van Brahma, samen met de godheden. Ik ken de visie over deze werelden niet van u, de beroemde Gotama.

1118. Ik ben gekomen met een verlangen om een vraag te stellen aan degene die een dergelijke uitstekende visie heeft. Welke opinie over de wereld moet men hebben zodat de koning van de dood hem niet meer ziet?"

1119. "Zie de wereld als leeg, Mogharāja, en wees steeds oplettend. Als men de mening vernietigt dat er een zelf is, kan men zo de dood overwinnen. De koning van de dood ziet diegene niet die een dergelijke opinie van de wereld heeft." 113


Sn.V.16. (verzen 1120-1123) De vragen van Pingiya


1120. "Ik ben oud, zwak, mijn teint is weg," zei de eerwaarde Pingiya. "Mijn ogen zijn niet helder; mijn gehoor is niet goed. Moge ik intussen niet sterven, nog onwetend. Onderwijs mij de leer, zodat ik het opgeven van geboorte en dood hier moge weten." 114

1121. "Pingiya, wanneer je mensen ziet die getroffen zijn temidden van vormen," zei de Gezegende, "want nalatige mensen lijden temidden van vormen,115 wees jij, Pingiya, daarom waakzaam, en geef vorm op omwille van niet hernieuwd bestaan."

1122. "Vier richtingen, vier tussen-richtingen, boven en beneden, dat zijn de tien richtingen. Er is niets in de wereld dat niet gezien of gehoord of gedacht of waargenomen is door u. Onderricht mij de leer, zodat ik het opgeven van geboorte en ouderdom hier moge kennen."

1123. "Pingiya, bij het zien van mensen die geteisterd worden door begeerte," zei de Gezegende, "gekweld, overkomen door ouderdom, wees jij, Pingiya, daarom waakzaam; geef begeerte op omwille van niet hernieuwd bestaan." 116


Sn.V.17. Eindverzen (1124-1149)


Dit zei de Gezegende toen hij bij de Magadhans verbleef bij de Pāsānaka schrijn. Op de vragen van de zestien leerling-brahmanen gaf hij antwoord. Indien iemand de betekenis van elke vraag weet, en de leer kent, dan kan hij de leer ingaan en wat met de leer overeenkomt, en dan kan hij naar de andere oever van ouderdom en dood gaan. Deze leringen gaan naar de andere oever, daarom is de naam van deze uitleg over de leer 'het gaan naar de andere oever.'

1124. Ajita,Tissa-Metteyya, Punnaka en Mettagū, Dhotaka en Upasīva, Nanda en Hemaka,
1125. de beide [brahmanen] Todeyya en Kappa, en de wijze117 Jatukannī, Bhadrāvudha, en Udaya, en ook de brahmaan Posāla, en de intelligente Mogharāja, en de grote ziener Pingiya,

1126. Zij kwamen nader tot de Boeddha, degene met volmaakt gedrag, de ziener. Zij kwamen naar de beste van Boeddhas,118 en stelden subtiele vragen.119

1127. De Boeddha beantwoordde hun vragen overeenkomstig de waarheid. Hierdoor verblijdde de wijze de brahmanen.

1128. Verheugd door de Boeddha, degene met visie,120 de verwant van de zon,121 oefenden zij het heilige leven in tegenwoordigheid van hem met uitstekende wijsheid.122

1129. Indien iemand de leer ingaat zoals is onderwezen door de Boeddha in antwoord op elke vraag, dan kan hij van deze oever naar de andere oever gaan.123

1130. Hij kan van deze oever naar de andere oever gaan indien hij de verheven weg ontplooit. Deze weg is er om naar de andere oever te gaan, daarom wordt ze genoemd 'het gaan naar de andere oever.'

Opmerking van Nyanaponika: ‘Volgens het commentaar bereikten vijftien van de leerling-brahmanen de heiligheid op grond van dit onderricht van de Boeddha. Maar Pingiya verkreeg alleen het niveau van niet-wederkeer, en wel vanwege zijn aanhankelijkheid aan zijn oom Bavari. Hij moest er namelijk steeds aan denken: "Deze heerlijke verkondiging van de leer heeft Bavari niet vernomen." De vijftien andere discipelen volgden de Verhevene naar Savatthi, terwijl Pingiya naar Bavari terugkeerde om hem in de volgende verzen over de Boeddha te berichten.’

1131. "Ik zal het gaan naar de andere oever reciteren," zei de eerwaarde Pingiya. "Zoals hij het zag, zo onderwees de Smetteloze met grote intelligentie het. Om welke reden zou de beschermer, zonder zinnelijke genietingen en zonder verlangen, verkeerd spreken?

1132. Welnu dan, ik zal de mooie uitspraak uitleggen van degene die smetten en waan heeft achtergelaten, die trots en huichelarij heeft opgegeven.


1133. De Boeddha, die duisternis verdrijft,124 hij met universele visie, die naar het einde van de wereld is gegaan, die overheen alle [vormen van] bestaan is gegaan, zonder āsavas, met alle ellende geëlimineerd, genaamd in overeenstemming met de waarheid,125 hij wordt door mij bediend,126 brahmaan.

1134. Als een vogel die uit een klein bos wegvloog, in een bos kan gaan wonen met veel vruchten, zo verliet ook ik degenen die weinig visie hebben en kwam aan bij degene met grote visie, zoals een gans die bij een groot meer aankomt.127

1135. Als alle personen die mij voorheen, voordat ik Gotama's leer had gehoord, iets hadden uitgelegd met de woorden: 'zo was het, zo zal het zijn,' - dat alles was van horen zeggen, dat alles liet mijn speculaties toenemen.

1136. De verdrijver van duisternis die alleen zit, stralend, die Gotama, maker van licht,128 met groot begrip,129 met grote intelligentie,

1137. die mij onderwees in de leer die onmiddellijk is, direct, die verlangen vernietigt, zonder nood,130 die nergens een gelijke heeft."


[ Bavari zei toen:]

1138. "Pingiya, hoe kun je ook maar voor een ogenblik van hem wegblijven, van Gotama met groot begrip,131 met grote intelligentie;

1139. die jou de leer onderwees die zichtbaar is, tijdloos, die verlangen vernietigt, die zonder nood is,132 die nergens een gelijke heeft?"

1140. "Brahmaan, ik kan niet van hem wegblijven, al is het maar voor een ogenblik, van Gotama met groot begrip, met grote intelligentie,


1141. die mij onderwees in de leer die zichtbaar is, tijdloos, die verlangen vernietigt, die zonder nood is, die nergens een gelijke heeft.

1142. Brahmaan, ik zie hem met mijn geest alsof het met mijn oog was, waakzaam dag en nacht. Ik breng de nacht door met het vereren van hem. Om deze reden denk ik dat er geen van hem wegblijven is.

1143. Mijn vertrouwen en vervoering, en geest,133 en oplettendheid gaan niet weg van de leer van Gotama. In welke richting hij met grote wijsheid ook gaat, in die richting buig ik neer.

1144. Ik ben oud en mijn lichaam is zwak. Juist om die reden gaat mijn lichaam niet weg daarheen.134 Ik ga voortdurend op een mentale reis, want mijn geest is met hem verenigd, brahmaan.

1145. Ploeterend in de modder135 liggend, zwom ik van eiland naar eiland.136 Toen zag ik de volmaakt Verlichte, die de stroom overstak, zonder āsavas.


Commentaar (in Nyanaponika):
"Op het einde van dit vers zag de Verhevene vanuit Savatthi de geestelijke rijpheid van Pingiya en Bavari; en hij liet van zijn lichaam een gouden licht uitstralen. Pingiya die er aan Bavari de hoge eigenschappen van de Boeddha zat te beschrijven, zag deze gouden glans. Hij keek om zich heen en zei verwonderd: 'Wat is dat?' Toen zag hij de verschijning van de Boeddha voor zich staan en zei aan Bavari: 'De Verhevene is gekomen.' De brahmaan verhief zich van zijn zitplaats en bleef staan met vererend omhoog geheven handen. Licht uitstralend toonde de Verhevene zich nu ook aan Bavari; en het heilzame voor beiden kennende, sprak hij Pingiya met dit vers aan:


1146. "Zoals Vakkali zijn vertrouwen heeft verklaard, en Bhadravuddha en Alavi-Gotama, op precies dezelfde manier verklaar ook jij je vertrouwen. Pingiya, jij zult naar de andere oever gaan van het rijk van de dood."

1147. “Na het horen van de woorden van de wijze heb ik nog meer vertrouwen. De volmaakt Verlichte, met ver verbreide faam zonder geestelijke dorheid, met paraat verstand,

1148. die de super-devas137 kent, hij weet alles, hoog en laag. Hij is de leraar die een einde maakt aan de vragen van degenen die twijfel hebben en het toegeven.138

1149. Vast en zeker zal ik naar het onbeweeglijke gaan, het onwrikbare, waarvan er nergens een gelijkenis bestaat. Beschouw mij aldus als iemand die zo zal zijn als wiens geest aldus is gesteld."139


naar boven of  naar 5. De Pali canon


1[Over de 32 kenmerken van een groot man, zie: de bodhisatta in het theravada; De 32 kentekenen]


2Begeerte, verlangen maakt de wereld onrein. Commentaar: begeerte is namelijk voor deze wereld als een lijmstok voor apen (zie S.47.7). [Jagers leggen lijmstokken uit om apen te vangen. Een onvoorzichtige aap pakt een lijmstok vast met een voorpoot en blijft eraan kleven. Om de voorpoot los te maken pakt de aap met de andere voorpoot de lijmstok vast maar nu kleven beide voorpoten vast. Om die los te maken pakt de aap de stok met een achterpoot en blijft ook daarmee vastkleven. Dan volgt de andere achterpoot die ook vast blijft kleven. Dan probeert de aap de poten vrij te krijgen met zijn bek, maar ook die blijft kleven. Op die manier zit de aap vijfvoudig vast. Hij huilt en is overgeleverd aan de jager.
Evenzo gaat het met iemand die op dwaalwegen raakt. En die dwaalwegen bestaan in de vijf zinnelijke begeerten.]

3Commentaar: De stromen van begeerte welke naar de objecten der zintuigen stromen. - Zie ook Dhp. 339. Daar wordt gesproken over de 36-voudige begeerte. Als die nog aanwezig is, strekt de stroom van de hartstochten iemand tot nadeel. - Zie ook A.IV.199, de 36 sporen van begeerte. -Zie ook Itiv. 109. [Iemand zwemt met de stroom mee. Maar op de oever waarschuwt iemand hem dat er een gevaarlijk meer komt met draaikolken, krokodillen en demonen. Na deze waarschuwing zwemt de man uit alle kracht tegen de stroom in. - Met de stroom wordt de begeerte bedoeld.]

4'wijsheid'. In de samenstelling met oplettendheid kan men hier ook denken aan helder begrip (sampajañña).

5Alternatieve vertaling: 'Waar verdwijnt dit?'

6Alternatieve vertaling: 'waar naam-en-vorm zonder rest verdwijnt'

7Commentaar: geest en lichaam verdwijnen samen met het bewustzijn, niet eerder en niet later. - Cula Niddesa: door opheffing van het kamma-producerende bewustzijn.

8Alternatieve vertaling: 'Door het verdwijnen van bewustzijn verdwijnen beide.

9(heilige) onderzoekers van de dingen. - Cula Niddesa: de heiligen. - sekha: oefenende; zo wordt degene genoemd die een van de paden en vruchten van de niveaus 1 t/m 7 van heiligheid heeft bereikt, d.w.z. tot en met het pad van volmaakte heiligheid. Het 8e niveau is de vrucht van volmaakte heiligheid (arahatta-phala). Bij het bereiken daarvan geldt men als asekha, als vrij van oefening. - Naar dit vers wordt in Sam.Nik.XII.31 verwezen en het wordt er door de eerwaarde Sariputta uitgelegd.

10Alternatieve vertaling van 1038: 'Zij die de waarheid hebben gerealiseerd, en zij die nog in opleiding zijn, en degenen die gewone individuen zijn, - vertel mij a.u.b., wijze heer, hun manier van leven.'


11alternatieve vertaling: "Wie, beide uitersten begrijpend, is vanwege wijsheid niet blijven steken in het midden?"

12De naaister is begeerte. Dit wordt uitgelegd in A.VI.61 waar vers 1042 geciteerd en uitgelegd wordt: ‘De indruk van de zintuigen is het ene einde. Het ontstaan van de indruk van de zintuigen is het andere einde. De opheffing van de indruk van de zintuigen is het midden. Begeerte is de naaister. Want begeerte naait de beide einden aan elkaar waaruit dan deze of gene vorm van bestaan ontstaat.’
Het beeld van de naaister wordt hier eerst door de brahmaan Tissa Metteyya gebruikt. Hij heeft daarbij zeker gedacht aan de oud-indiase leer van de 'wereld-draad' of 'draad-atman' (sutr'atman). Het antwoord van de Boeddha kan daarom als correctie van die leer opgevat worden.
Satapatha-Brahmana: "de zon is de haak waaraan deze werelden geknoopt zijn door middel van de hemelrichtingen. ... Ze bindt deze werelden aan zich door de draad-atman."
In de Brhahadaranyaka-Upanisad (3,7) staat: "Ken je die draad waardoor deze wereld en de andere wereld en alle werelden samengebonden worden? ... Wie die draad kent en de innerlijke leider ervan ... die kent alles .... Wie de aarde ... innerlijk regeert, dat is jouw ziel, ... het onsterfelijke."
Volgens de Boeddha is het de begeerte die ten grondslag ligt aan al deze verschillende opvattingen van wereld-draad of draad-atman. Begeerte is de echte naaister, de bindende en samenhoudende kracht.


13Het Cula Niddesa: Hij ziet de oorzaak van alle dingen, de wortels van het heilzame en van het onheilzame.

14'mannen': de eerwaarde Nyanaponika vertaalde: ‘en uit Manu's stam’

15alternatieve vertaling: ‘hechtende aan ouderdom, d.w.z. samsara.’

16'waakzaam ... ', de eerwaarde Nyanaponika vertaalde: 'onvermoeibaar in de offerdienst'

17de eerwaarde Nyanaponika vertaalde: ‘Wie het lage en het hoge in de wereld onderzoekt, wie niet bewogen wordt door iets in de wereld, wie stil is en helder, onverstoorbaar en wensloos, hij heeft geboorte en ouderdom overwonnen.’


18alternatieve vertaling: ‘ik beschouw u als iemand met kennis en volledig ontwikkeld.’

19alternatieve vertaling: ‘waarheid’

20alternatieve vertaling: ‘kamma-vormend bewustzijn’

21alternatieve vertaling: ‘die u altijd aanspoort’.

22alternatieve vertaling: ‘zonder ruwheid van hart’

23Nyanaponika vertaalde deze vragen aldus:

Mettagu:

“Waaruit is dit lijden hier ontstaan, dit lijden dat in zo menigvuldige vormen voorkomt?”

De Verhevene:

“Het lijden ontstaat, veroorzaakt door de groepen van bestaan. Alwie, uit onwetendheid, voor zich groepen van bestaan schept, geraakt steeds weer opnieuw in lijden. Wie dit inziet, wie geboorte en de oorsprong van het lijden ziet, moet daarom geen nieuwe groepen van bestaan meer scheppen.”

Mettagu:

“Op welke manier overschrijden wijze mensen de vloed: geboorte en ouderdom, zorg en leed?”

De Verhevene:

“Wat je ook waarneemt, hetzij boven, beneden of in het midden, vermijdt de vreugde eraan [de begeerte ernaar] en vermijdt gewoontevorming. Kom het bewustzijn te boven en blijf niet langer in het bestaan. Wanneer de monnik dan, aldus vertoevend, oplettend, onvermoeibaar, in zo’n levenswandel al datgene te boven is gekomen wat als ‘mijn’ geliefkoosd werd, dan ziet hij geboorte en ouderdom, zorg en leed reeds hier, en dan zal hij het lijden achterlaten. Degene die weet, die bevrijd is en die niet meer aan het zintuiglijke bestaan hecht, hij zal beslist deze vloed doorkruisen. De andere oever heeft hij bereikt, vrij van belemmeringen van de geest en vrij ook van twijfel. Een mens die weet, heeft de neiging naar steeds nieuw bestaan opgeheven. Degene die vrij is van begeerte, die onverstoorbaar is en zonder wens, hij heeft geboorte en ouderdom overwonnen, zo verkondig ik.”


24Het Cula Niddesa: ‘tot uitdoving van de eigen begeerte, eigen haat, eigen onwetendheid.’

25[die niets zijn eigen noemt,]

26alternatieve vertaling: ‘zodat als onveranderlijke ruimte ik mijzelf kan gedragen hier in vrede, onthecht.’

27verscheidene soorten van bestaan. [Dit is het bestaan met ‘meervoudig bewustzijn’.]


28alternatieve vertaling: ‘zonder steun’

29Volgens het Cula Niddesa was Upasiva de zevende meditatieve verdieping machtig, het gebied van "niets is er". Maar hij had niet begrepen dat oplettendheid de noodzakelijke steun erbij was. De Boeddha toont hem nu die steun en de verdere weg naar bevrijding. Wanneer men bezonnen in die verdieping is ingetreden, en bezonnen zich eruit heeft verheven, dan beschouwt men de geestelijke processen, die daarbij zijn opgetreden, als vergankelijk, onvoldaan en onpersoonlijk; d.w.z. men verbindt aan dat hoogtepunt van meditatieve abstractie het nuchtere inzicht welk alleen naar de bevrijding kan leiden.

30alternatieve vertaling: ‘er is niets’

31Verkeerde gesprekken, d.w.z. de 32 wereldlijke en nutteloze gesprekken. Het Cula Niddesa geeft nog de alternatieve uitleg: ‘vrij van twijfel.’ [Zie o.a. M.77, waar gesprekken over koningen, eten, familieleden, vrouwen, steden en dorpen, het ontstaan van de wereld als zinloos worden genoemd.]

32Het Cula Niddesa: ‘De zeven met waarneming (of bewustzijn) verbonden meditatieve bereikingstoestanden worden als 'waarnemings-bevrijdingen' aangeduid. Het gebied van 'niets is er' is daarvan het hoogste. In de volgende bevrijding, het gebied van 'noch waarneming noch niet waarneming' is namelijk de waarneming zo subtiel dat ze eigenlijk niet meer als zodanig kan gelden.’

33‘niet verder gaat’, het Cula Niddesa: ‘niet verdwijnend, of: niet bevlekt door begeerte, haat en onwetendheid.’

34Norman 1992: ‘staat hij er niet onderhevig aan samsara?’

35Norman 1992: ‘hij staat er niet onderhevig aan samsara.’

36Volgens het commentaar en het Cula Niddesa wordt gevraagd of degene die in het gebied van 'niets is er' vertoeft, daar eeuwig in het bezit van Nibbana vertoeft. En of het bewustzijn daar in de zin van de vernietiging verdwijnt of dat zijn bewustzijn vandaar verdwijnt in een nieuwe wedergeboorte.

37Het Cula Niddesa: ‘Dat de vlam in deze of gene richting is gegaan, een dergelijke aanduiding is niet van toepassing.’

38van het mentale lichaam bevrijd (nāmakāyā vimutto). Het Cula Niddesa: de groep van de geestelijke factoren, de vijf khandhas, ter onderscheiding van de groep van lichamelijkheid.
Commentaar: de in het gebied van 'niets is er' ontstane 'strijdende wijze' was al eerder bevrijd van de groep van lichamelijkheid. Nadat hij nu ook het vierde niveau van heiligheid heeft bereikt, wordt hij door de volledige doordringing van de 'geest-groep' ook daarvan bevrijd. Als een beiderzijds bevrijde heilige bereikt hij het einde, d.w.z. het Nibbana zonder hechten. Hij is ontkomen aan de benoeming, namelijk als krijger, brahmaan, etc. (gezinshoofd of monnik, mens of god).

39Nyanaponika: ‘Hij die tot het einde ging.’

40Nyanaponika: ‘of blijft hij in eeuwigheid onveranderd?’

41Voor hem die tot het einde ging (atthangatassa). Attham is hier: tehuis, woning. Het wordt gebruikt bij het ondergaan van de zon, en ook bij het uitdoven van vuur. Het gaat terug op de oud-indiase mythologische voorstelling van 'tehuis van de zon', resp. van het vuur. Er is ook het meer algemene gebruik van deze woordverbinding en wel: tot rust komen, ophouden, vergaan, sterven. In onze tekst vraagt de brahmaan Upasiva uitdrukkelijk in welke betekenis de door de Boeddha gebruikte uitdrukking attham paleti begrepen moet worden: in de zin van het eenvoudige ophouden of in de zin van een transcendent tehuis waar de heilige binnengaat en daar voor eeuwig genezen is van de ellende van de wereld (zie 1075 a). Upasiva herhaalt dus in feite zijn vraag (zie 1073), ziet dus nog steeds geen andere mogelijkheid dan de tegengestelde begrippen 'eeuwigheid' en 'vernietiging'. De Boeddha legt nogmaals de nadruk erop dat de toestand van een volmaakte heilige onbegrijpelijk is en boven alle terminologieën gaat. Volgens het commentaar begreep Upasiva het toen en bereikte hij de heiligheid.
'Het einde' is niet de vernietiging, maar Nibbana; het is voor de Boeddha niet het absolute iets van een eeuwig tehuis, noch het 'absolute niets'. Het is veeleer te omschrijven als: het einde van onvoldaanheid, het einde van wedergeboorten.

42alternatieve vertaling: ‘ waarnaar mensen naar hem kunnen verwijzen.’

43Nyanaponika: ‘Er is geen woord meer waardoor men hem kan omschrijven.’

44er staat: ‘hoe zegt men dat?’

45Het Cula Niddesa betrekt dit op de zuivering door wat is gezien, gehoord en ingezien.

46zonder zich te binden, visenikatvā.

47Nyanaponika vertaalde: ‘ongestoord en wensloos’.

48Nyanaponika: ‘die wegens meningen of weten over zuiverheid spreken’

49Nyanaponika: ‘die wegens visie of weten over zuiverheid spreken, op grond van regels en geloften ook over zuiverheid spreken, op grond van velerlei over zuiverheid spreken’

50Nyanaponika: ‘Al die priesters en asceten die wegens visie of weten over zuiverheid spreken ...’

51‘of gedacht’, Nyanaponika: ‘op een andere manier vernomen’

52Nyanaponika: ‘.. van de grote ziener. Het oord dat vrij is van steunen voor bestaan, hebt u goed uitgelegd, Gotama.’

53zie noot 51.

54Nyanaponika: ‘mijn piekeren’

55Nyanaponika: ‘gehechtheid aan’

56Nyanaponika: ‘prettige dingen’

57Nyanaponika: ‘gehoord, gevoeld en waargenomen’

58alternatieve vertaling: “Hemaka, het opgeven van verlangen naar en passie voor dingen die zijn gezien, gehoord, gevoeld, geweten, welke dingen van een prettige natuur zijn, is de staat van Nibbana die niet verandert.”

59alternatieve vertaling: ‘in dit leven hier’

60Nyanaponika: ‘in vrede’; alternatieve vertaling: ‘vol vrede.’

61alternatieve vertaling: ‘gehechtheid aan’

62Nyanaponika: ‘vrij van verlangen’

63Nyanaponika: ‘of peinst hij erover?’

64Zie noot 62.

65Nyanaponika: ‘hij peinst er niet over.’

66Nyanaponika: ‘die niet aan zinnelijk bestaan hecht.’

67Nyanaponika: ‘die aan ouderdom en dood zijn onderworpen’

68Nyanaponika: ‘stroom’

69alternatieve vertaling: "Heer, vertel me over een eiland voor degenen die in het midden staan van het meer, die neergeslagen zijn door ouderdom en dood wanneer een grote angst van overstroming ontstaat. Vertel me over dat eiland wanneer het er niet meer zal zijn."
- andere alternatieve vertaling: ‘een veilig eiland dat ons uit deze stroom bevrijd.’

70zie noot 68

71Nyanaponika: ‘in deze zichtbaarheid al helemaal uitgedoofd.’

72[d.w.z. zij geven niet meer toe aan verleidingen die bij hen opkomen.]

73alwetende, letterlijk: samen ontstaand oog (sahaja-netta). - Cula Niddesa legt netta (oog) uit als de alwetendheid die bij de Verhevene onder de boom der Verlichting samen (saha) met Boeddhaschap, in hetzelfde ogenblik, ontstond (ja-jāta).

In vers 1096 heeft de brahmaan Jatukanni de woorden “sahaja-netta” (het samen ontstaand oog) misschien gebruikt als een beleefde aanspreektitel. De eerwaarde Nyanaponika vertaalde het met “alwetendheid” en volgde daarmee het Cula Niddesa. Norman omschreef het met “alles-wetende”.
[Volgens de overlevering kreeg de Boeddha onder de Maha Bodhi boom alwetendheid. Hij kreeg toen drie soorten weten. Ze worden als volgt omschreven:
◇ Het eerste weten is dat hij zich op veelvuldige wijze aan vroegere vormen van bestaan herinnerde.
◇ Het tweede weten is dat hij zag hoe de wezens verdwijnen en weer ontstaan overeenkomstig hun daden. Hij zag toen dus de wet van morele oorzaken en morele gevolgen (kamma-vipaka) en wedergeboorte.
◇ Het derde weten dat toen ontstond, was het weten bevrijd te zijn. Het directe inzicht ontstond van het verdwijnen van de smetten, het inzicht van de vier edele waarheden en het inzicht van het pad naar de bevrijding van lijden. Hij wist absoluut zeker dat de opgave was volbracht.]


[De nrs. 1 en 2 zijn wetens die nog voor de Verlichting opkwamen. Maar weten nr. 3 is gelijk aan wat omschreven is als het weten dat ontstond bij het bereiken van Boeddhaschap, namelijk het weten dat de onwrikbare bevrijding bereikt was. Een hernieuwd bestaan is er niet meer.
Weten nr. 3 is dus als het ware samen ontstaan met de nrs 1 en 2. In feite zijn ze achter elkaar ontstaan.]

74Nyanaponika: ‘... vertoeft inderdaad stralend, als de stralende zon ...’

75Nyanaponika: "Heb je begeerte naar de lusten overwonnen, heb je ontzegging als zekerheid onderkend, dan moet er geen grijpen, geen verwerpen bij jou te vinden zijn."

76ertussen. Nyanaponika: ‘in het midden...’
- vers 1099 = vers 949.

77asavas: neigingen

78Vertaling door Nyanaponika: ‘het huis der begeerte’ (okañjaham), oka wordt in het Cula Niddesa uitgelegd met ālaya, dat eveneens huis betekent, en ook aanhankelijkheid, verlangen.

79alternatieve vertaling: ‘provincies’

80Nyanaponika: ‘een mens’

81Norman 1984 vertaalde: “Daarom, wanneer hij dit weet en wanneer hij op die manier deze mensen gehecht ziet aan het rijk van de dood, zal een oplettende bhikkhu niet iets in deze wereld grijpen dat gehecht is aan vastgrijpen.

82alternatieve vertaling: Een oplettende bhikkhu grijpt niet naar iets in de hele wereld, degenen ziende die gehecht zijn aan grijpen als mensen die gehecht zijn aan het rijk van de dood

.

83Nyanaponika: ‘die zonder smet’

84Nyanaponika: ‘de meesterkenner van alle dingen’

85Nyanaponika: ‘bevrijding door wijsheid’

86‘ongeluk’; alternatieve vertaling: ‘boosheid’. - Nyanaponika: ‘droefenis’.

87Nyanaponika: ‘de innerlijke onrust afwerende’. - Hier wordt de overwinning van de eerste vier geestelijke boeien (nīvarana) behandeld. Maar met een kleine wijziging. Droefheid (domanassa) in plaats van haat (byāpāda). De overwinning van twijfel is aangeduid door de vermelding van 'denken overeenkomstig de leer,' in vers 1107.

88gezuiverd door gelijkmoedigheid en oplettendheid (upekkhā-satisamsuddham); dit is een verwijzing naar de bijna gelijkluidende formulering voor de vierde verdieping

(upekkha-satiparisuddham). [Die formulering luidt: ‘Door het verdwijnen van vreugde en verdriet treedt men binnen en vertoeft men in de vierde meditatieve verdieping (vierde jhana). Vanwege gelijkmoedigheid heeft deze jhana niets pijnlijks noch iets aangenaams in zich; ze is vrij van leed en vrij van geluk; ze is heel zuiver.’]

89Nyanaponika vertaalde: ‘met denken overeenkomstig de leer als begin’ (dhammatakka-purejavam), letterlijk: als voorloper. - Dhamma-takka wordt in het Cula Niddesa uitgelegd als de schakel van het pad ‘juist denken’ (sammāsankappa) of ‘juist inzicht’ (sammā-ditthi). Wanneer namelijk ‘juist denken’ onderdeel is van het bovenwereldlijke pad (d.w.z. vanaf stroomintrede), dan wordt ze niet uitgelegd met de drie soorten van juiste geestelijke instelling (ontzegging enz), zoals bij het wereldlijke pad, maar als “het denken (takko), de gedachte (vitakko) van een heilig bewustzijn dat vrij is van neigingen en tot het heilige pad behoort.” (Maj.Nik. 117).

90‘Drijfwerk (vicārana). Volgens het commentaar de beweegreden. - Norman 1984: ‘Wat is het onderzoek ervan?’ - Het Cula Niddesa: “Waardoor beweegt zich de wereld? (kena loko carati)."

91Norman 1984: ‘Waarvan wordt ze uitgedoofd genoemd?’

92Nyanaponika: ‘begeerte naar bestaan’

93Norman 1984: ‘het onderzoek’ - Alternatieve vertaling: ‘Speculatie’

94‘De gedachte is de beweegreden ervan.’ Soortgelijk op andere plaatsen: "De geest (citta) van de mens loopt naar alle kanten (vidhāvati)" (Sam.Nik. 1, 57); "door de geest wordt de wereld heen en weer getrokken (parikissati)" (Sam.Nik. 1, 62).

95Norman 1984: ‘Door het opgeven van begeerte wordt ze uitgedoofd genoemd.’

96Nyanaponika: "Hoe wordt het bewustzijn vernietigd?"

Het bewustzijn is het kamma-producerende (abhisankhāra) bewustzijn.

97Nyanaponika: ‘Eigen of vreemde gevoelens’

De eigen gevoelens zijn die gevoelens die betrekking hebben op de eigen lichamelijke en geestelijke processen. De vreemde gevoelens zijn gevoelens die betrekking hebben op andere mensen en dingen, en ook die gevoelens die men bij anderen opmerkt.

Het Cula Niddesa neemt deze tweedeling, evenals het begrip ‘oplettend’ (sato) in de volgende regel, als een verwijzing naar de Satipatthāna-methode en geeft de volgende uitleg: "Degene die bij de eigen, vreemde, eigen en vreemde gevoelens vertoeft in het beschouwen ervan, geniet niet van het gevoel, verwelkomt het niet, heeft ertoe geen toewijding. . . . Wie bij de eigen, vreemde, eigen en vreemde gevoelens vertoeft in het beschouwen van het ontstaan ervan, het vergaan ervan, het ontstaan en vergaan ervan, die geniet niet van het gevoel, verwelkomt het niet, heeft ertoe geen toewijding.

. . . Of ook: wie het gevoel als vergankelijk inziet, als zwakheid vol lijden, als buil, doorn, kwaad, ellende, als iets vreemds, als onheil, ongeluk, plaag, als veranderlijk, breekbaar, onstabiel, als geen bescherming, geen onderdak en geen toevlucht biedende, - die geniet niet van het gevoel. Wie volgens deze methoden bij de gevoelens vertoeft bij het beschouwen van de gevoelens, die geniet niet van het gevoel . . . geeft het hechten eraan, het grijpen ernaar en het vasthouden ervan op, maakt er een einde aan, breng het tot niet-zijn.”

98alternatieve vertaling: "Voor iemand die niet geniet van gevoelens hetzij inwendig of uitwendig, - voor iemand die aldus zich oplettend gedraagt, is bewustzijn tot stilstand gebracht."


99Nyanaponika: ‘De meesterkenner van alle dingen’

100Het Cula Niddesa: “Wat is hier waarneming (of bewustzijn) van het lichaam (of van vormen; rūpasaññā)? - Het is het bewustzijn van iemand die de fijnstoffelijke meditatieve sfeer (rūpavacara) is ingetreden, en wel nog als wereldling, met karmisch-heilzaam bewustzijn. Of van iemand die in deze sfeer werd wedergeboren; of die hierin als een toestand van tegenwoordig geluk (nog in dit leven, als heilige) vertoeft. Dit fijnstoffelijke bewustzijn is verdwenen ... overschreden en overwonnen in het geval van iemand die de vier onstoffelijke bereikingstoestanden heeft verkregen.”

101‘Die al het lichamelijke heeft opgegeven’ (sabba-kāya-pahāyino). Commentaar: = rūpakāya (de lichamelijke groep). "Wie de wedergeboorte in het fijnstoffelijke bestaan heeft opgegeven, en wel door middel van overwinning van de tegenstelling (tadanga-pahāna) of door verdringing (vikkhambhana-pahāna).

102‘die nietsheid ziet in het innerlijke en in het uiterlijke.’ - nietsheid (natthi kiñcī'ti): letterlijk: er is niets.

103‘Steunen van bewustzijn’ (viññāna-tthitiyo). - Norman 1984: ‘stadia van bewustzijn.’ - Volgens het Cula Niddesa zijn er voor het kamma-producerende bewustzijn vier steunen, namelijk de overige vier khandhas.

Wat betreft de wedergeboorte (patisandhi) zijn er (voor het kamma-geproduceerde bewustzijn) zeven steunen of wedergeboorte-oorden (zie Ang.Nik. VII.41).

104‘Die nietsheid als bevrijding heeft’: in de tekst staat alleen vimuttam (de bevrijde), namelijk in de bevrijding van 'niets is er ergens iets' (aldus het Cula Niddesa). - Als alternatieve betekenis-nuance voor vimutta geeft het Cula Niddesa adhimutta (degene die haar toegewijd is).

105Alternatieve vertaling: ‘een persoon die geplaatst is in een van deze zeven stadia, toegewijd aan en geneigd naar dat stadium.’

106Norman 1984 vertaalde: “De Tathagata die alle steunen van bewustzijn kent," zei de Gezegende, "kent ook die persoon die in de wereld staat, of bevrijd, of bestemd voor die bevrijding.”

107de oorsprong van de staat van nietsheid (ākiñcaññasambhavam). Het Cula Niddesa: ‘namelijk door de karmisch vormende wil die naar wedergeboorte leidt.’

108Genot is ook hier de boei (nandī samyojanam iti) en wel als de boei van het verlangen naar onlichamelijk bestaan (arūparāga-samyojana).

109Alternatieve vertaling: "Wetende 'vreugde is een boei' als geboren van de sfeer van nietsheid, - het zo wetende, opstijgende uit het verkrijgen van de sfeer van nietsheid, daar ziet hij met inzicht dat de sfeer van nietsheid vergankelijk is; deze kennis van die brahmaan die het volmaakte leven heeft geleefd, is werkelijk."


110Twee keer: volgens het commentaar een keer aan het einde van de vragen van Ajita, en de tweede keer op het einde van de vragen van Tissa-Metteyya. [Omdat de vragen steeds in de geest werden gesteld, is m.i. niet op te maken wanneer die vragen voor de eerste en tweede keer werden gesteld.]

111de alles ziener

112een ziener gelijk aan goden

113Alternatieve vertaling: "De mening van zelf verwijderend, zo overwint men de dood. Iemand die de wereld op die manier beschouwt, wordt niet door de koning van de dood gezien."


114Nyanaponika: ‘Verkondig de leer opdat ik ze begrijp en geboorte en ouderdom hier overwin.’

115Nyanaponika:’kijk naar de mensen die door lichamelijkheid geslagen zijn; gedrukt door lichamelijkheid zijn slappe, lakse mensen.’

116Nyanaponika: "zie de mensen in de hechtenis van begeerte, brandend in kwalen, door ouderdom overweldigd. Pingiya, wees jij daarom onvermoeibaar. Geef verlangen op omwille van niet-wederkeer.”

117Nyanaponika: ‘hooggeleerd’

118Alternatieve vertaling: ‘naar de grote Boeddha’

119Nyanaponika: ‘vragen vol diepgang’

120Nyanaponika: ‘met heldere ogen’

121Nyanaponika: ‘zoon van de zon’

122Nyanaponika: ‘de hoogste wijze’

123Alternatieve vertaling: ‘op elke vraag, zoals door de Boeddha uitgelegd, indien men ze [=het antwoord erop] zou volgen, dan ging men van deze naar de andere oever.’ - Nyanaponika: ‘Wie nu bij elke van deze vragen, zoals ze door de Boeddha zijn uitgelegd, overeenkomstig ermee in zijn leven zich gedraagt, die kan van deze naar de andere oever gaan.’

124Norman vertaalde met: ‘die duisternis weggooit.’ Nyanaponika vertaalde met: ‘die duisternis overwint’

125Nyanaponika: ‘die werkelijk zo is zoals men het ons heeft verkondigd,’

126Nyanaponika: ‘vereerd’

127Nyanaponika: ‘als een zwaan die bij de zee kwam’

128Nyanaponika: ‘De enige, de zittende* van de Verlichting, elke duisternis verdrijvend, de stralende, hij bracht ons het licht.’

* 'zittende' heeft zeker betrekking op de Verlichting van de Boeddha, toen hij onder de Bodhi-boom zat.’

129Nyanaponika: ‘met wijsheid’

130Nyanaponika: ‘Die mij de leer heeft getoond die duidelijk zichtbaar is en tijdloos, die een einde maakt aan verlangen en die van ellende bevrijdt,’

131zie noot 129

132zie noot 130

133Nyanaponika: ‘denken’

134Nyanaponika: ‘mijn lichaam draagt mij niet meer erheen’

135Nyanaponika: ‘in een moeras ... Het commentaar zegt: het moeras der verlangens.’

136Nyanaponika: ‘van eiland tot eiland, Cula Niddesa: ‘van de ene meester naar de andere.’

137Alternatieve vertaling: ‘de eigenschappen die tot supreme devas maken’

138Alternatieve vertaling: ‘die twijfel hebben hoewel zij voorgeven niet in twijfel te zijn.’

139Nyanaponika: ‘Zo moge je de neiging van mijn hart kennen.’


naar boven