Facetten van het Boeddhisme



naar Index

5.2.5.5.3.  Sutta-nipata,  3. Mahāvagga  

Inleiding     Indeling van het Sutta Nipata     1.Uragavagga     2. Cūlavagga     3. Mahāvagga     4. Atthakavagga     5. Pārāyana-vagga

Sn. III. Mahā-Vagga, het grote boek:

III.1. (verzen 405-424) Pabbajja-Sutta;  III.2. (verzen 425-449) Padhana-SuttaIII.3. (verzen 450-454) Subhasita-Sutta

III.4. (verzen 455-486) Sundarika-Bharadvaja-SuttaIII.5. (verzen 487-509) Magha-SuttaIII.6. (verzen 510-547) Sabhiya-Sutta;

III.7. (verzen 548-573) Sela-SuttaIII.8. (verzen 574-593) Salla-SuttaIII.9. (verzen 594-656) Vasettha-Sutta

III.10.(verzen 657-678) Kokalika-SuttaIII.11. (verzen 679-723) Nalaka-Sutta; III.12. (verzen 724-765) Dvayatanupassana-Sutta


 

Copyright ©  2021 / 2564

Het is toegestaan om elektronisch of in gedrukte vorm fragmenten van deze vertaling of de vertaling in zijn geheel over te nemen voor eigen gebruik, of ook met als doel ze met anderen te delen, uitsluitend voor gratis verspreiding en zonder commercieel oogmerk.




Sn. III. Mahā-Vagga, het grote boek

Sn.III.1. (verzen 405-424) Pabbajjā Sutta – Het opgeven van de wereld


        Pabbajjā is letterlijk: het weg-gaan, het vertrekken, het naar buiten gaan (uit het wereldlijke leven). Volgens het commentaar werd dit sutta door Ananda gesproken.

           

405.  Verkondigen zal ik over het opgeven van de wereld, zoals zij door de Helder-ogende is voltrokken, hoe hij na rijp onderzoek het opgeven van de wereld koos.1


406. Het is een benauwing in een huis te leven, in dat oord vol onzuiverheid; maar het opgeven van de wereld is als een leven in de open lucht.” Toen hij dit zag, vertrok hij.

407. Na de wereld te hebben opgegeven, vermeed hij slechte daden met het lichaam; hij gaf het gebruik van onjuiste woorden op en zuiverde zijn levenswijze.

408. Naar Rajagaha ging de Boeddha, naar Giribbaja2 in Magadha. Daar ging hij rond om bedelspijs3 te vragen, hij die de tekenen van grootte droeg.4

409. Koning Bimbisāra stond op het terras van het paleis en zag de Boeddha. Toen hij diens verheven kentekenen had gezien, liet hij de volgende woorden weerklinken:

410. “Gij heren, let goed op hem; hij is vol bevalligheid, met grote gestalte, rein. Een edel karakter siert hem; slechts zover als een juk lang is, laat hij zijn blik rondgaan.

411. Zijn gang is oplettend, met neergeslagen ogen. Deze hier is niet als iemand uit een lagere afstamming. Laten de koningsboden zich haasten om na te gaan waarheen de monnik gaat.”

412. De koningsboden werden uitgezonden en zij volgden de schreden van de Boeddha. “Waarheen wel zou de monnik gaan, waar zou zijn verblijfplaats kunnen zijn?”

413. Van huis tot huis ging hij om bedelspijs te vergaren, de deuren van zijn zintuigen goed bewaakt. Hij ging bezonnen, vol oplettendheid, en weldra werd zijn nap gevuld.

414. Na het vergaren van bedelspijs verliet de wijze de stad. Hij begaf zich op weg naar de berg Pandava5 met de gedachte: “Daar zal ik wel een verblijf vinden.”

415. De boden zagen hoe hij daar verblijf nam en zij bleven in de buurt. Eén bode ging terug en berichtte:

416. Grote koning, deze monnik vertoeft ten oosten van de berg Pandava als een machtige tijger,6 als een leeuw in de bergkloof.”

417. De riddervorst reed na deze boodschap haastig op zijn pronkwagen naar de berg Pandava.

418. Hij reed zover als de grond geschikt was voor rijtuigen. Vervolgens steeg hij van de wagen af, begaf zich te voet naar de wijze en ging naast hem zitten.

419. Toen groette de koning hoffelijk en vriendelijk. En nadat de groet beantwoord was, sprak hij:

420. U bent nog jong en teer, een jongeling in de bloei van zijn jeugd, begiftigd met verheven schoonheid. U bent gelijk aan een edelgeboren ridder

421. die een statig leger doet stralen en die aan het hoofd staat van de schare helden. Ik zal u rijkdommen geven, geniet daarvan.7 En zegt me nu van welke stam u bent.”

422. Koning, rechtstreeks aan de helling van de Himālaya leeft in Kosala een volk dat rijkdom bezit en ook kracht.

423. Zij zijn van het geslacht Adicca8 en hun stam wordt Sakya genoemd. Ik vertrok van deze verwantschap omdat ik geen verlangen koesterde naar de lusten van de zinnen.

424. In die lusten heb ik de ellende gezien en heb verzaking en onthechting als de zekerheid erkend. Nu wil ik mij naar de strijd begeven; daarover verheugt zich mijn gemoed.”



Sn.III.2. (verzen 425-449) Padhāna Sutta – De strijd


        Dit sutta verhaalt de inspanningen die nodig waren om de Verlichting te verkrijgen aan de oevers van de rivier Nerañjarā. Over de verleidingen die in de aanstaande Boeddha ontstonden. En de overwinning, de volmaakte Verlichting.


        Volgens het commentaar is het de Boeddha zelf die nu het door Ananda begonnen bericht voortzet.


425. (De Bodhisatta)

        “Toen ik aan de oever van de rivier Nerañjara vol ijver streed9 om vrijheid van de last te verkrijgen, op die tijd beoefende ik krachtig bezonnenheid.


426. Op die tijd naderde mij Namucī10 en sprak medelijdend: ‘U bent mager en lelijk om aan te zien. U bent reeds dicht bij de dood.


427. In duizend delen bent u reeds ten dode opgeschreven. Uw leven meet slechts één deel. Blijf dus leven, Heer; want het is beter te leven. En levend kunt u verdienste verwerven.


428. Als u het reinheidsleven11 leidt en ook nog de vuurgave brengt, dan komen heel rijke verdiensten voor u tot rijping. Wat kunt u door de strijd bereiken?


429. Het is zwaar om de weg van de strijd te gaan. Die weg is moeilijk en het is zwaar om hem te voltooien.’ Zo sprak Māra die nabij de Bodhisatta12 stond.


430. Toen Māra uitgesproken was, zei de Gezegende tot hem: “Jij vriend van de slappelingen en tragen, jij booswicht, als het de bedoeling van je is om mij van de strijd af te houden,


431. weet dan dat je vergeefse moeite doet. Hen toe te spreken voor wie verdienste nog doelmatigheid bezit, kan voor Māra lonend zijn. Maar voor mij is zelfs de geringste verdienste voortaan van geen enkel nut meer.13


432. In mij is vertrouwen, energie en ook wijsheid.14 Aldus ben ik vastbesloten. Waarom spreek je tot mij over leven? 15


433. De wind hier droogt zelfs de stroom van de rivieren. Hoe zou dan niet in mij die vastbesloten ben, het bloed opdrogen?


434. Maar al droogt ook mijn bloed op, al droogt ook de gal en het slijm, al verslappen ook de spieren, de geest wordt helderder en alleen maar in sterkere mate zijn in mij de oplettendheid, de wijsheid en de concentratie gegrondvest.


435. Terwijl ik zo vastbesloten vertoef, ziet mijn geest niet uit naar lusten,16 al overkomt mij ook de hevigste pijn. Hieraan kun je de reinheid van een wezen zien.17


436. Je hebt meerdere legers, Namucī Je eerste leger bestaat uit zintuiglijke genietingen. Het tweede leger wordt tegenzin-en-onbehagen genoemd. Het derde is de honger en de dorst. Het vierde leger heet begeerte.


437. Starheid en traagheid vormen het vijfde leger. Het zesde is de angst. De twijfel is het zevende en huichelarij18 is het achtste leger.


438. Winst en eer, roem en op verkeerde manier verkregen aanzien, het zichzelf hoogachten en roemen, en anderen verachten, -


439. dat, Namucī, is je leger, de schare strijders van de duistere macht. Wie zonder heldenmoed is, kan je legerschare niet overwinnen. Maar wie overwon, bereikt geluk.


440. Dit munja-gras19 draag ik als teken dat ik voor dit leven verachting koester. Want het is beter dat ik in de strijd sterf dan dat ik overwonnen word en verder leef.


441. Weliswaar bestaan er ook asceten en brahmanen, maar zij zijn, verzonken in je leger, helemaal niet zichtbaar. Het pad waarop de deugdzamen gaan, is hen helemaal niet bekend.”


Commentaar:

        “Nadat Māra dit vers had gehoord, verwijderde hij zich, zonder een antwoord erop te geven. Na het vertrek van Māra zag de Bodhisatta in dat hij op de weg van de zelfkwelling geen resultaat bereikte en hij vroeg zich af of er geen andere weg tot Ontwaking was. (Vgl. M.26). Hij nam weer vast voedsel tot zich en nadat hij op de morgen van de dag van volle maan in de maand Vesak de melkrijst van Sujātā had gegeten, ging hij in een lieflijk bos neerzitten. Daar bracht hij de dag door terwijl hij de fasen van meditatieve verdieping in zich opwekte.


        In de avond betrad de Bodhisatta de omtrek van de boom der Verlichting. Hij ging er in een ononderbroken zit met gekruiste benen neerzitten met de gelofte: “Eerder zullen huid, pezen en beenderen uitdrogen en zullen lichaam, vlees en bloed uitdrogen, maar ik zal deze zit met gekruiste benen niet eerder opgeven voordat Boeddhaschap is bereikt.”

        Toen Māra, de Boze, dit had gezien, zei hij tot zichzelf: “Heden is Siddhattha met een vaste gelofte neer gaan zitten. Heden nog moet ik hem bij het vervullen van zijn gelofte hinderen.” En hij liet een leger ontstaan dat zich uitstrekte vanaf het bereik van de Bodhi-boom tot aan de grensgebieden van de wereld. Zelf besteeg hij de konings-olifant en schiep zichzelf 1000 armen waarmee hij de meest verschillende soorten wapens opgreep. Toen liet hij veelvuldige soorten regen ontstaan: een regen van stenen, een regen van gloeiende kolen, een regen van zwaarden, enz. Maar voordat al deze stromen regen de Verheven Mens bereikten, veranderden zij in bloemen en vielen onschadelijk neer. Toen sloeg Māra zijn olifant met de machtige drijfstok tegen de slapen, dreef hem in de nabijheid van het Grote Wezen en riep: “Siddhattha, staat op uit uw kruiselingse zit.”

        Maar de Verheven Mens zei: “Ik zal niet opstaan, Māra.” En in het rond op de strijdmacht van Māra blikkend, sprak hij het volgende vers:


442. Van alle kanten zie ik het bewapende leger; Māra nadert met zijn strijdmacht. Tot de strijd zal ik hem tegemoet gaan, opdat hij mij niet van mijn plaats verdringt.


443. Dat machtige leger van jou dat niet overwonnen is door deze wereld met haar goden, dat leger zal ik verpletteren met de kracht van wijsheid, zoals een ongebrande kruik verpletterd wordt met een steen.


444. Nadat mijn gedachten onder controle zijn gebracht en mijn oplettendheid goed is gevestigd, zal ik van koninkrijk tot koninkrijk gaan, en veel discipelen opleiden.


445. Zij zullen onvermoeibaar20 en vastbesloten volgelingen van de leer en discipline zijn. Zij zullen tegen je wil daarheen gaan waar zij na aankomst geen leed zullen hebben.21


Commentaar:

        Nadat Māra deze verzen had vernomen, zei hij: “Bent u dan niet bevreesd nu u zo'n demon ziet als ik ben?” – “Neen, Māra, ik ben niet bang.” – “Hoe komt dat?” – “Omdat ik die zegenrijke volmaaktheden (pāramitā) zoals vrijgevigheid enz. heb uitgeoefend.” 22 – “Wie weet dat u zoiets verrichtte?” - “Waarom zou ik jou, Boze, een getuigenis geven? Maar als je het wenst, dan zul je het krijgen. Uit kracht van de gave die ik in gene vorm van bestaan als Vessantara heb gegeven, moge deze grote aarde daarvoor getuige zijn doordat ze in zes maal zeven slagen beeft.”

        Na deze woorden beefde de aarde met een vreselijk lawaai tot omlaag tot het haar begrenzende water. Toen Māra dit hoorde, schrok hij hevig alsof hij door de bliksem was getroffen. En hij vluchtte met zijn legerschare.


        De Verheven Mens echter begreep de drie soorten weten23 tijdens de drie nachtwaken. En bij het ochtendgloren liet hij de plechtige uitroep klinken: “In deze kringloop van wedergeboorten heb ik door menig bestaan rondgezworven, op zoek naar de bouwer van dit huis. Maar ik vond hem niet. Vol leed is het steeds weer geboren te worden.
        Bouwer van dit huis,24 je bent nu gezien; je zult dit huis niet meer opbouwen. Al je daksparren25 zijn gebroken, je nok is verbrijzeld.26 Mijn geest heeft het onvoorwaardelijke, heeft het niet-veroorzaakte bereikt;27 verkregen is het einde van begeerte.” 28

        Na het klinken van de plechtige uitroep kwam Māra naderbij en zei: “Nu beweert hij van zichzelf dat hij een Boeddha is. Zou ik hem niet volgen en ook de geringste omstandigheden van zijn leven gadeslaan? Als hij in daden en in woorden ergens een fout begaat, zal ik hem in het ongemak brengen.”


        Zes jaar was Māra de Verhevene al eerder gevolgd tijdens diens tijd als Bodhisatta. En hij was daarna nog een jaar lang de Meester gevolgd, nadat deze Boeddhaschap had bereikt.29 En toen Māra ook daar bij de Verhevene geen fout kon ontdekken, sprak hij de verzen:


446. Zeven jaar lang, stap na stap, ben ik de Verhevene gevolgd. Maar ik kon geen inwerking uitoefenen op de Ontwaakte die vol oplettendheid is.


447. Zoals een raaf die zich rond een steen beweegt welke voor een stuk spek wordt gehouden, en daarbij denkt: ‘Of daar niet iets zachts te vinden is, of daar niet iets lekkers is?’


448. Maar omdat hij niets lekkers verkreeg, verliet de raaf die plek, - juist zoals die raaf teleurgesteld bij de steen wegging, evenzo teleurgesteld verlaten wij nu Gotama.”


449. Na deze woorden liet Mara bedroefd de luit die hij onder de arm hield, op de grond vallen. En onverwijld was de ontstemde geest van die plek verdwenen.



Sn.III.3. (verzen 450-454) Subhāsita Sutta - goed gesproken


Dit sutta staat ook in Samyutta-Nikāya 8.5; de verzen 451-454 staan bovendien in Theragatha (verzen 1227-1230).


Eens verbleef de Verhevene te Sāvatthi, in het Jetavana, het klooster van Anāthapindika. Daar richtte hij zich tot de monniken met de volgende toespraak.

Monniken, een toespraak die vier eigenschappen heeft, is goed gesproken, niet slecht gesproken, zonder fouten, niet door wijzen te berispen. Die vier eigenschappen zijn:

Een monnik spreekt alleen wat goed gesproken is, niet wat slecht gesproken is. Hij spreekt alleen wat juist is, niet wat onjuist is. Hij spreekt alleen wat vriendelijk is, niet wat onvriendelijk is. Hij spreekt alleen wat waar is, niet wat verkeerd is.

Monniken, een toespraak die deze vier eigenschappen heeft, is goed gesproken, niet verkeerd gesproken, is zonder fouten, niet door wijzen te berispen.”

        Zo sprak de Verhevene en verder zei hij nog:


450.
Edele mensen zeggen dat goed gesproken woorden het eerste zijn. Niet onjuist maar juist te spreken is het tweede. Niet onvriendelijk zijn, vriendelijk spreken is het derde. Niet liegen, de volle waarheid zeggen, is het vierde.”

        Toen schikte de eerwaarde Vangīsa zijn gewaad over een schouder, vouwde de handen samen in verering naar de Verhevene toe en sprak tot hem: “Het wordt mij duidelijk, Gezegende.”- “Dan leg het eens uit, Vangīsa," zei de Verhevene tot hem. Toen prees de eerwaarde Vangīsa de Verhevene in zijn tegenwoordigheid met de volgende passende verzen:


451.
Men moet alleen een dergelijke taal gebruiken dat men zelf er geen spijt van heeft en die anderen niet kan kwetsen. Dat is goed gesproken taal.

452. Alleen vriendelijke woorden moet men spreken, woorden die welkom zijn, die niet het slechte van anderen ophalen, die hen alleen iets vriendelijks zeggen.


453. Onsterfelijk waarlijk is het woord van de waarheid,30 dit is een blijvende wet. Het ware, heilzame en juiste was steeds gemeenschappelijk bezit van edele mensen.31

454. Het woord van vrede dat de Ontwaakte spreekt, dat naar verkrijging van Nibbāna leidt, dat ertoe dient om aan het lijden een einde te maken, - dat is waarlijk het beste woord.”



Sn.III.4. (verzen 455-486) Sundarika-bhāradvāja Sutta


        Het commentaar geeft als titel Pūralāsa-sutta (de rest van offergaven). Vergelijk Sam.Nik. 7.9. en het sutta van de ploeger Bhāradvāja (Sn.I.4. verzen 76-82) met de tweede en laatste noot erbij.


        Eens verbleef de Verhevene in het land van Kosala, aan de oever van de rivier Sundarika. Daar verrichtte toen de brahmaan Sundārika-Bhāradvāja de dienst aan het vuur en bracht het vuuroffer. Hierna verhief hij zich van zijn zitplaats en keek in alle vier windrichtingen rond, met de gedachte: “Wie zou deze rest van offergaven wel kunnen genieten?” Toen zag hij de Verhevene niet ver van daar aan de voet van een boom zitten, met bedekt hoofd. De brahmaan nam de rest van de offergaven in de linker hand, in de rechter hand een kan met water en ging naar de Verhevene toe. Bij het geluid van de schreden van de brahmaan maakte de Verhevene zijn hoofd vrij. Toen dacht de brahmaan: “Kaalgeschoren is deze heer, hij is een kaalgeschoren asceet,” en hij wilde weer terug gaan. Maar toen dacht hij: “Er zijn ook brahmanen die kaalgeschoren zijn. Ik zal toch naar hem toegaan en hem naar zijn afstamming vragen.” Hij ging dus naar de Verhevene toe en vroeg hem:”Van welke afstamming is de heer?” Hierop sprak de Verhevene de brahmaan Sundārika toe met deze verzen:


455. (De Verhevene)

        “Geen brahmaan ben ik, ook geen koningszoon, geen burger en ook niemand anders. De stam van het gewone volk heb ik doorzien, er niet toe behorend32 ga ik, wetend, in de wereld.

456. In het monniken-gewaad gekleed ga ik zonder huis, met afgeschoren haren, het gemoed geheel in vrede. Door het menselijke ben ik niet meer bevlekt.33 Niet passend vraag jij, brahmaan, naar mijn stam.”


457. (De brahmaan)

        “Maar heer, de brahmanen plegen immers, wanneer zij met brahmanen samen komen, de vraag te stellen: ‘Is de heer een brahmaan?’”

(De Verhevene)

        “Indien jij je ‘brahmaan’ noemt, maar mij een ‘niet-brahmaan’, dan vraag ik je naar de zonnen-strofe, de sāvitri 34 met drie zinnen en vierentwintig lettergrepen.”


458. (De brahmaan)

        “Om welke reden brengen hier in deze wereld velen van de zieners, mannen, edellieden en brahmanen, offers aan de goden?” 35

(De Verhevene)

Wanneer een Volmaakte, een meester in weten,36 op de tijd van offeren de rest ontvangt van de gaven, dan strekt dat de gever tot heil.”


459. (De brahmaan)

        “Dan moge deze gave mij tot heil worden, omdat wij een dergelijke meester in weten hebben gezien. Indien ik iemand als u niet had gezien, zou iemand anders de rest van de gave eten.”


460. (De Verhevene)

Brahmaan, omdat jij naar het heil verlangt, wel aan, kom naderbij en stel je vragen. Hem die in vrede is en gezuiverd, onverstoord, bevrijd van wensen, die rijk aan wijsheid is, hem kun je hier vinden.”


461 (De brahmaan)

        “Het offer is mijn vreugde, heer Gotama. Ik houd ervan offers te brengen. Ik heb er geen verstand van. Heer, moge u mij onderwijzen. Verkondig mij hoe een gave heil brengt.”


(De Verhevene)

Dan luister goed, brahmaan. Ik zal je de leer tonen.


462. Vraag niet naar geboorte, vraag naar gedrag. Uit brandhout stijgt de gloed van de offervlam omhoog.37 Een wijze die vol kracht is, kan, hoewel van lage afkomst, toch edel worden, - met bescheidenheid als zijn bescherming.


463. Wie door waarheid is bedwongen, aan wie zelfbedwang eigen is, wie tot het doel van weten is aangekomen, de zuivere levenswandel leefde, aan deze kan hij te juister tijd de offergave aanbieden. Laat een brahmaan die verdienste verlangt, aan hem offeren.


464. Degenen die zintuiglijke genoegens hebben opgegeven en huisloos rondtrekken, die met beheerst gemoed en recht als een weefspoel zijn, - aan hen kan hij te juister tijd een offergave aanbieden. Laat een brahmaan die verdienste verlangt, aan hen offeren.


465. Zij die aan de hartstochten zijn ontkomen, met de zinnen goed geconcentreerd, zij zijn volledig bevrijd zoals de maan is bevrijd van de greep van Rahu, - aan hen kan hij te juister tijd een offergave aanbieden. Laat een brahmaan die verdienste verlangt, aan hen offeren.


466. Die niet verstrikt in deze wereld gaan, die steeds bezonnen zijn, die dierbare dingen hebben opgegeven, - aan hen kan hij te juister tijd een offergave aanbieden. Laat een brahmaan die verdienste verlangt, aan hen offeren.


467. Wie lusten opgaf, als overwinnaar leeft, wie het einde van geboorte en sterven weet, wie helemaal is uitgedoofd, koel als een bergmeer, een ‘zo-gegane’ 38 verdient de offergave.


468. Gelijk is hij aan zijns gelijken, verre van degenen die hem niet gelijk zijn, van grenzeloze wijsheid is de ‘zo-gegane’, 39 door hier en ginder is hij onbevlekt, een ‘zo-gegane’ verdient de offergave.


469. In wie geen bedrog woont en geen eigenwaan, aan de hebzucht ontkomen,40 wie zonder egoïsme is, zonder wens, de woede opgevend, wiens gemoed geheel stil is geworden, die brahmaan heeft de smet van zorgen uitgeroeid; een ‘zo-gegane’ verdient de offergave.


470. Wie de rustplaatsen van de geest heeft opgegeven,41 voor wie er geen grijpen42 meer bestaat, niet hechtend, hetzij hier of ginder, een ‘zo-gegane’ verdient de offergave.


471. Wie een geconcentreerde geest heeft, wie de stroom heeft overgestoken, wie de leer heeft begrepen door middel van het hoogste inzicht, degene in wie de neigingen uitdroogden, die het laatste lichaam draagt, - een ‘zo-gegane’ verdient de offergave.


472. Bij wie de neigingen tot bestaan en bij wie barse woorden zijn vernietigd, verdwenen, er niet meer zijn, hij is een meester in weten en is van alles geheel bevrijd, - een ‘zo-gegane’ verdient de offergave.


473. Wie aan de boeien ontkwam, voor wie er geen gehechtheden zijn, wie midden onder hen die gehecht zijn aan waan, vrij is van gehechtheid van waan, temidden van zulke mensen die door de waan gebonden zijn, die leed inclusief het veldbereik 43 ervan doorzag, - een ‘zo-gegane’ verdient de offergave.


474. Wie vrij is van vurig verlangen, wie afzondering ziet, wie visie zoals zij aan anderen kenbaar kan zijn, heeft overschreden, voor wie er geen steunpunten44 voor toekomstig bestaan meer zijn, een ‘zo-gegane’ verdient de offergave.


475. Wie hoge, lage45 dingen heeft doorzien,46 bij wie ze zijn vernietigd en verdwenen, er niet meer zijn, omdat hij ze heeft begrepen, iemand in vrede, vrij door het einde van hechten, een ‘zo-gegane’ verdient de offergave.


476. Waar het geboeid zijn eindigt47 en geboorte, wie dit zag, wie zonder rest de baan van de lust heeft uitgeroeid, wie zuiver is en zonder fouten, vrij van smetten en gezuiverd, een ‘zo-gegane’ verdient de offergave.


477. Die zich niet als een zelf beschouwt,48 geconcentreerd, oprecht en met een standvastig hart, wie zonder opwelling van wens, zonder (geestelijke) slakken en zonder twijfel is, - een ‘zo-gegane’ verdient de offergave.


478. Niet bevindt zich in hem de veelvuldige gestalte van abusievelijke meningen,49 in alle dingen is hij met de blik van inzicht begiftigd, het laatste lichaam draagt hij. Verlichting werd bereikt, de allerhoogste zegen. Laat een mens hierin zuiverheid zien.50 Een ‘zo-gegane’ verdient de offergave.”


479. (de brahmaan)

Moge mijn offer nu voor mij een echt offer zijn, omdat ik bij zo’n meester in weten kwam. Brahma moge getuige zijn: de Verhevene moge van mij ontvangen, genieten moge de Verhevene van mij de offergave.”


480. (De Verhevene)

        “Brahmaan, wat ik ontvang na het reciteren van verzen mag niet door mij gegeten worden. Het behoort niet tot de traditie van degenen die juist inzicht hebben. De Boeddhas wijzen af wat verkregen is door het reciteren van verzen. Brahmaan, dat is het gebruik waar de ware leer zich bevindt.


481. Maar in andere gevallen mag u aan die grote Wijze in wie de neigingen zijn uitgedroogd en in wie bezorgdheid tot rust is gekomen, voedsel en drank aanbieden. Dat is het veld voor iemand die naar verdienste verlangt.”


482. (De brahmaan)

        “Voortreffelijk, Verhevene; begrijpen wil ik nu graag hierbij: Wie van mijn stand is het die de gave mag eten? Naar wie moet ik uitzien op de tijd van offeren opdat ik uw regel vervul?”


483. (De Verhevene)

        “Bij wie opgewondenheid is verdwenen, wiens geest zonder opwelling is, wie vrij is van lusten en wie slapheid heeft verbannen,51


484. wie de onbeperkte slechte levenswijze heeft verwijderd,52 53 een kenner van geboorte en dood, de wijze aan wie de aard van de wijze eigen is, wanneer een dergelijk iemand naar het offer komt,


485. hef dan, nadat jullie de hoogmoed hebben verjaagd, jullie handen in verering omhoog en brengt spijs en drank. Want zo strekken gaven u tot heil.”


486. (De brahmaan)

        “Waarlijk, heer, de eerwaarde Boeddha verdient de offergave; hij is het beste veld voor goede daden. Gij die de offerplaats zijt van de hele wereld, wat u gegeven is, draagt rijke vrucht.”

Daarop sprak de brahmaan Sundārika-Bhāradvāja tot de Verhevene aldus: “Voortreffelijk, heer Gotama. Voortreffelijk is de leer uitgelegd, duidelijk en helder. Ik neem mijn toevlucht tot heer Gotama, tot de leer en tot de gemeenschap van de monniken. Graag wil ik de wijding tot monnik ontvangen.”

En de brahmaan Sundārika-Bhāradvāja ontving de volle wijding in de Orde.


        Weldra na de volle wijding leefde de eerwaarde Bhāradvāja alleen, afgezonderd, onvermoeibaar, ijverig en vastbesloten. Dat doel omwille waarvan zonen uit edele familie helemaal van thuis weggaan in de huisloosheid, - die hoogste voltooiing van het heilige leven had hij na korte tijd, nog in dit leven, zelf ingezien, doorschouwd en verwerkelijkt: “Opgedroogd is wedergeboorte, voltooid is het heilige leven, het werk is volbracht, niets verder blijft hierna [nog te doen].”- Zo was zijn inzicht. En ook de eerwaarde Bhāradvāja was een heilige geworden.



Sn.III.5. (verzen 487-509) Māgha Sutta


        Eens verbleef de Verhevene te Rājagaha op de Gierepiek. Toen ging Māgha, een jonge brahmaan, naar de Verhevene; zij groetten elkaar vriendelijk en hoffelijk, waarna de jonge brahmaan Māgha terzijde ging zitten. Hij zei tot de Verhevene: “Heer Gotama, ik ben een gever van gaven, een vorstelijk gever, vrijgevig, ik geef graag. Op juiste manier verwerf ik rijkdommen. En van de rijkdommen die ik op juiste manier heb verworven, geef ik aan één, aan twee, aan drie, vier, vijf, zes, zeven, acht, negen, aan tien, twintig, dertig, veertig, vijftig, aan honderd en meer. Heer Gotama, zo gevend, zo uitdelend verwerf ik daar dan grote verdienste?” - “Brahmaan, zeker verwerf jij, wanneer jij zo geeft, zo uitdeelt, grote verdienste. Brahmaan, wie een gever van gaven is, een vorstelijk gever, milddadig, met open hand, wie van de rijkdommen die hij op juiste manier heeft verworven, aan één, aan twee, aan drie, vier, vijf, zes, zeven, acht, negen, aan tien, twintig, dertig, veertig, vijftig, aan honderd en meer geeft, die verwerft grote verdienste voor zich.”

        Daarop richtte de jonge brahmaan Māgha zich tot de Verhevene met dit vers:


487. Māgha

        “Aan heer Gotama, de welgezinde, die een geel gewaad draagt en zonder tehuis leeft, stel ik de vraag: Wie graag geeft, als huisbewoner een vorstelijk gever, wie graag verdienste verwerft en erop hopend offert, die hier aan andere mensen drank en spijs geeft, hoe kan de gever zijn offergaven zuiveren?"


488. (De Verhevene)

        “Wie graag geeft, als huisbewoner een vorstelijk gever, wie graag verdienste verwerft en erop hopend offert, hier aan andere mensen drank en spijs geeft, hij kan zijn doel bereiken door hen die gaven waard zijn.”


489. Māgha

Wie graag geeft, als huisbewoner een vorstelijk gever, wie graag verdienste verwerft en erop hopend offert, hier aan andere mensen drank en spijs geeft, Verhevene, vertel mij over degenen die de gave waard zijn.”


490. (De Verhevene)

Degenen die in de wereld leven zonder [ergens aan] te hechten, vrij gemaakt,54 geheel volmaakt, zelfbedwongen, aan hen kan men te juister tijd een offergave geven. Laat de brahmaan die offert en graag verdienste heeft, aan hen offeren.


491. Die alle boeien, alle banden hebben doorgesneden, bedwongen, volledig bevrijd, onverstoord en zonder wens, aan hen kan men te juister tijd een offergave geven. Laat de brahmaan die offert en graag verdienste heeft, aan hen offeren.


492. Die helemaal bevrijd zijn van alle boeien, bedwongen, volledig bevrijd, onverstoord en zonder wens, aan hen kan men te juister tijd een offergave geven. Laat de brahmaan die offert en graag verdienste heeft, aan hen offeren.


493. Die begeerte en haat hebben achtergelaten en de illusie, degenen in wie de neigingen zijn uitgedroogd, die het heilige leven hebben geleefd, aan hen kan men te juister tijd een offergave geven. Laat de brahmaan die offert en graag verdienste heeft, aan hen offeren.


494. In wie geen misleiding woont, geen waan, die aan de begeerte zijn ontkomen, onbaatzuchtig, zonder wens, aan hen kan men te juister tijd een offergave geven. Laat de brahmaan die offert en graag verdienste heeft, aan hen offeren.


495. Die geen prooi zijn van de drie soorten van begeerte,55 die de stroom overstaken, onbaatzuchtig levend, aan hen kan men te juister tijd een offergave geven. Laat de brahmaan die offert en graag verdienste heeft, aan hen offeren.


496. Die niet naar iets in de wereld verlangen koesteren, naar veelvuldig bestaan in deze wereld of in de volgende, aan hen kan men te juister tijd een offergave geven. Laat de brahmaan die offert en graag verdienste heeft, aan hen offeren.


497. Die zonder tehuis leven, vrij van lusten, die zelfbedwongen en recht als de weefspoel zijn, aan hen kan men te juister tijd een offergave geven. Laat de brahmaan die offert en graag verdienste heeft, aan hen offeren.


498. Die ontkomen zijn aan de hartstochten, met goed geconcentreerde zinnen, die zich volledig bevrijdden zoals de maan bevrijd van de greep van Rahu,56 aan hen kan men te juister tijd een offergave geven. Laat de brahmaan die offert en graag verdienste heeft, aan hen offeren.


499. Die stil werden, ontkomen aan de hartstochten, zonder wrok, vrij van toekomstig bestaan, die dat hier opgaven, aan hen kan men te juister tijd een offergave geven. Laat de brahmaan die offert en graag verdienste heeft, aan hen offeren.


500. Die volledig aan de geboorte en aan de dood ontkwamen, die aan elke onzekerheid zijn ontsnapt, aan hen kan men te juister tijd een offergave geven. Laat de brahmaan die offert en graag verdienste heeft, aan hen offeren.


501. Zichzelf als toevlucht gaan zij in de wereld; zij bezitten niets, zijn van alles helemaal bevrijd, aan hen kan hij de offergave geven, de brahmaan die offert en graag verdienste heeft.


502. Die hier leerden hoe het werkelijk is: ‘Dit is de laatste (geboorte). Nu eindigt wederkeer.’ Aan hen kan men te juister tijd een offergave geven. Laat de brahmaan die offert en graag verdienste heeft, aan hen offeren.


503. Een meester in weten, die graag mediteert, met oplettendheid, die de Verlichting vond en die een toevlucht is voor velen, aan hen kan men te juister tijd een offergave geven. Laat de brahmaan die offert en graag verdienste heeft, aan hen offeren.”


504. Māgha

Niet tevergeefs, waarlijk, waren mijn vragen. U hebt mij uitgelegd wie gaven waard is. Waarlijk, u weet hoe het werkelijk is. Zo namelijk werd deze leer aan u bekend.


505. Wie graag geeft, als huisbewoner vorstelijk in geven, wie verdienste verlangend en erop hopend wil offeren, wie hier aan andere mensen drank en spijs geeft, verkondig mij hoe men het offer met succes verricht.”


506. De Verhevene

        “Offer maar en terwijl je offert, Māgha, vul dan jouw geest helemaal met vreugde.57 Voor iemand die offert, is het offer de basis. Hierop leunend geeft men fouten op.


507. Hij die is ontkomen aan de passies, laat hij volledig zijn fouten verdrijven,58 het hart in goedheid oefenend onbegrensd. Laat hij zowel overdag als ‘s nachts steeds waakzaam zijn. Laat hij naar alle kanten onbeperkt (van geest) stralen.”


508. Māgha

        “Wie is gezuiverd en bevrijd, wie is geboeid? Waardoor komt men tot in de wereld van Brahma? Gij wijze, verkondig het mij die het niet weet. Verhevene, u bent voor mij een ooggetuige. In u heb ik Brahma in levende lijve gezien. Want voor ons bent u waarlijk gelijk aan Brahma. Hoe wordt men wedergeboren in de wereld van Brahma, gij schitterende?”


509. De Verhevene

        “Māgha, wie het drievoudige volmaakte offer59 brengt, kan zijn doel bereiken door hen die gaven waard zijn. Wie op juiste manier geeft, met open hand, die wordt wedergeboren in de wereld van Brahma, zo verkondig ik.”


Na deze woorden sprak Māgha, de jonge brahmaan, tot de Verhevene aldus: “Voortreffelijk, heer Gotama, voortreffelijk is de leer op veelvuldige manier verkondigd. Ik neem mijn toevlucht tot heer Gotama, tot de leer en tot de gemeenschap van monniken. Als volgeling kan heer Gotama mij beschouwen. Vanaf vandaag tot aan het einde van mijn leven heb ik toevlucht genomen.”



Sn.III.6. (verzen 510-547) Sabhiya Sutta


Inleiding


        Eens vertoefde de Gezegende te Rajagaha in het Veluvana. De rondtrekkende asceet Sabhiya had van een godheid die vroeger een verwant60 was geweest, enkele vragen gekregen, en de raad om het heilige leven te leiden bij degene die deze vragen kon beantwoorden.


        Sabhiya stelde zijn vragen aan veel asceten en brahmanen die gemeenschappen van volgelingen hadden, die leraren van groepen waren, beroemd, welbekend, zoals Purana Kassapa, Makkhali Gosala, Ajita Kesakabali, Pakudha Kaccayana, Sanjaya Belatthiputta, en Nigantha Naraputta Maar zij allen konden de vragen niet beantwoorden. Sommigen van hen werden zelfs boos op hem.

        Eerst wilde hij naar het lagere leven teruggaan en zinnelijk genot genieten. Maar toen dacht hij eraan om de asceet Gotama te vragen. Deze was wel nog jong, maar was al beroemd, had een gemeenschap van bhikkhus, was leraar van een groep, en over hem werd goed gedacht bij het volk. En ook een jonge asceet heeft grote kracht en invloed.

        De dolende asceet Sabhiya ging toen op weg naar Rajagaha en bezocht er in het Veluvana-park de Boeddha. Hij wisselde vriendelijke groeten met hem en ging terzijde neerzitten.


510. Sabhiya
        “Als onzekere, als iemand met twijfel kom ik en wil graag vragen stellen. Bevrijd me a.u.b. van het onzekere en van de twijfel, en beantwoordt achtereenvolgend mijn vragen, overeenkomstig de werkelijkheid."


511. De Gezegende

        "Je bent van ver gekomen, Sabhiya, jij die graag vragen wilt stellen. De problemen zal ik oplossen en ik zal je achtereenvolgend antwoord geven in overeenkomst met de werkelijkheid.


512. Wat je ergens in het hart wenst, dat kun je mij vragen, Sabhiya. En op elke vraag zal ik dan een oplossing voor je zeggen.”

        Sabhiya dacht toen dat anderen hem geen gelegenheid hadden gegeven om iets te vragen, maar dat de asceet Gotama hem wel toestond om vragen te stellen. Verheugd, met vergeven geest en vol vervoering, stelde hij aan de Gezegende enkele vragen.


513. "Wat moet men verkregen hebben om 'bhikkhu' genoemd te worden? Op grond waarvan noemt men iemand 'gedwee’? En waarom noemt men iemand ‘bedwongen'? Waarom wordt iemand 'Verlicht' genoemd? Vertel me dat a.u.b.”

514. (De Gezegende)
        "Diegene is een 'bhikkhu' die naar uitdoving (kalmering) is gegaan, die twijfel heeft overwonnen, die niet-bestaan en bestaan61 heeft opgegeven, die het leven heeft geleefd, wiens hernieuwde bestaan is vernietigd, die is een bhikkhu.62

515. Degene die gelijkmoedig is in alles, die oplettendheid heeft, de asceet die niemand in de hele wereld letsel toebrengt, die naar de andere oever is gegaan, die niet troebel is, die niet hoogmoedig is, hij is gedwee.63

516. Wiens zins-vermogens ontwikkeld zijn,64 inwendig en uitwendig in de hele wereld, na deze wereld en de volgende doordrongen te hebben, hij die, innerlijk ontwikkeld,65 zijn tijd afwacht (van de dood), hij is bedwongen.


517. Wie alle wereld-perioden heeft onderzocht,66 de tweeheid van deze veranderende wereld: dood en ontstaan, die vrij is van het stof der wereld,67 die zonder smaad is, gezuiverd, die aangekomen is bij de vernietiging van geboorte, hem noemt men 'Verlicht'."

De dolende asceet Sabhiya keurde met dank de woorden van de Gezegende goed en stelde toen met verheven geest, blij, vol vervoering, aan de Gezegende een andere vraag.


518. Sabhiya
        "Wat moet men verkregen hebben om 'brahmaan' genoemd te worden? Op grond waarvan noemt men iemand 'asceet'? En waarom is iemand 'rein gewassen'? Waarom wordt iemand '
naga' genoemd? Geef mij a.u.b. antwoord hierop, Gezegende."


519.
De Gezegende

        "Wanneer alle kwaad is verwijderd, Sabhiya, wanneer men zonder smetten is, goed en geconcentreerd, met standvastig gemoed, gegaan aan gene kant van deze veranderlijke wereld, volledig volmaakt, niet gebonden, zo iemand heet een 'brahmaan'.


520. Wie stil is geworden, wie het goede en het slechte heeft opgegeven, wie vrij is van bezoedelingen en deze wereld en de volgende kent, wie geboorte en dood heeft overwonnen, zo iemand wordt terecht genoemd 'asceet'.

521. Wie alle kwaad heeft afgewassen, binnen en buiten, in de hele wereld, wie onder goden en mensen die ‘begrijpbaar’ 68 zijn, niet in begrijpbaarheid gevat kan worden,69 hij wordt genoemd 'rein gewassen'.70

522. Hij begaat geen enkele zonde in de wereld, laat alle boeien en banden achter. Hij is nergens aan gehecht, is volledig bevrijd. Zo iemand heet terecht '
naga'." 71


        De asceet Sabhiya keurde de woorden van de Gezegende met dank goed, en met verheven geest, verheugd, blij, vol vreugde en vervoering stelde hij een andere vraag.


523. Sabhiya
        "Wie noemen de Boeddhas een 'veld-veroveraar’? 72 Op grond waarvan noemen zij iemand ‘bekwaam’? Hoe is men ‘geleerd’? 73 Waarom wordt iemand een ‘wijze’ genoemd? Gezegende, beantwoordt a.u.b. deze vragen."


524.
De Gezegende

        "Sabhiya, als iemand alle velden74 heeft onderzocht,75 de goddelijke en de menselijke, en het Brahma-veld, volledig bevrijd van elke binding die de oorzaak is van alle velden,76 zo iemand wordt terecht genoemd 'veld-overwinnaar'.77


525. Wie alle opslagruimtes (van de daden) heeft beschouwd, de goddelijke en de menselijke, en die van Brahma, wie volledig bevrijd is van elke binding die de oorzaak is van alle opslagruimtes, zo iemand wordt terecht 'bekwaam’ genoemd.


526. Wie beide zintuiglijke velden78 heeft beschouwd, inwendig en uitwendig, in het bezit van wijsheid en zuiverheid, wie zwart en wit, donker en licht heeft overschreden, zo iemand is terecht 'wijs' genoemd.


527. Wie de aard79 van de goeden kent en ook die van de slechten, inwendig en uitwendig bij de hele wereld, die eer waard is door goden en mensen, wie aan het vangnet van gehechtheid is ontkomen, zo iemand is een ‘wijze’.”


        De asceet Sabhiya keurde met dank de woorden van de Gezegende goed en stelde toen met verheven geest, blij, vol vervoering, aan de Gezegende een andere vraag.


528. Sabhiya

"Wat moet men verkregen hebben om 'geleerd' genoemd te worden? Op grond waarvan noemt men iemand 'goed geïnformeerd'? Waarom is men 'energiek'? Waarom wordt iemand 'van edele geboorte' genoemd? Gezegende, geef a.u.b. antwoord hierop."


529. De Gezegende

"Sabhiya, wie alle kennis80 grondig heeft onderzocht, die welke tot de asceten behoort en die van de brahmanen, met zijn passie gegaan wat betreft elk gevoel, gegaan overheen alle kennis,81 hij is 'geleerd'. 


530. Wie deze wereld van verscheidenheid, naam-en-vorm,82 heeft onderzocht, inwendig en uitwendig, en ook de wortel van deze ziekte,83 volledig bevrijd van elke binding die de oorzaak is van alle ziekten, zo iemand wordt terecht 'goed-geïnformeerd' genoemd.84


531. Wie alle kwaad hier verzaakt, vol kracht ontkomen aan de ellende van de hel, energiek en ijverig strevende, zo iemand wordt ‘energiek’ 85 genoemd.


532. Van wie de banden zijn doorgesneden die de reden zijn van alle gehechtheid, inwendig en uitwendig, geheel bevrijd van elke binding die de reden is van alle ketens, zo iemand wordt terecht genoemd 'van edele geboorte'."

De asceet Sabhiya keurde met dank de woorden van de Gezegende goed en stelde toen met verheven geest, blij, vol vervoering, aan de Gezegende een andere vraag.


533. Sabhiya
        “Wat moet men verkregen hebben om 'bedreven in de heilige kennis' genoemd te worden? Op grond waarvan noemt men iemand 'edel' (heilig)? En waarom is men 'iemand met goed gedrag'? Waarom wordt men 'asceet' genoemd? Gezegende, beantwoordt a.u.b. deze vraag.”


534. De Gezegende

Sabhiya, na de hele leer86 vernomen en begrepen te hebben, en wat in de wereld wel en wat niet is af te keuren, iemand die overwint, die zonder twijfel is, volledig bevrijd, die geheel onverstoord is,87 hem noemt men 'bedreven in de heilige kennis'.88


535. Wie de neigingen afsneed en gehechtheden, hij komt als wetende niet meer in een moederschoot. Wie het vuil van het drievoudige slechte denken89 heeft weggegooid, die niet meer in begrijpbaarheid ingaat,90 hem noemt men 'edel’ (heilig)".


536. Alwie het hoogste doel heeft verkregen wat betreft goed gedrag, wie bekwaam is, wie van de leer zich steeds bewust is,91 wie aan niets gehecht is maar volledig bevrijd is, in wie geen afkeer is, hij is 'iemand met goed gedrag'.


537. Na elke daad die een slecht resultaat heeft, vermeden te hebben, boven en beneden, en ook kruiselings en in het midden, heeft hij een einde gemaakt aan illusie, eigenwaan, en ook aan begeerte en woede, en naam-en-vorm, omdat hij dit doorschouwde. Hem noemt men 'asceet', iemand die het hoogste doel heeft verkregen." 92


        De asceet Sabhiya keurde de woorden van de Gezegende goed, met verheven geest, verheugd, blij, vol vreugde en vervoering. Hij stond van zijn zitplaats op, schikte zijn buitengewaad over een schouder, groette de Verhevene met samengevouwen handen en prees hem op veel manieren met passende verzen.

538-547.
(in het kort weergegeven)
        "Gij zijt iemand met grote wijsheid, een volmaakt Verlichte. Gij hebt mijn twijfel verwijderd. Er is niemand die aan u gelijk is."

        De asceet viel met zijn hoofd neer aan de voeten van de Gezegende en vroeg toestemming om in de Orde in te treden. Omdat hij tot een andere sekte had behoord, had hij eigenlijk vier maanden moeten wachten. Maar de Boeddha maakt individueel verschil. De asceet Sabhiya zei dat hij dan vier jaren wilde wachten. Maar hij kreeg toestemming om in tegenwoordigheid van de Gezegende gewijd te worden. En hij werd een van de heiligen.



Sn.III.7. (verzen 548-573) Sela Sutta


        De brahmaan Sela gaat naar de Boeddha toe om te zien of deze de 32 tekenen van een groot man heeft. Door bovennatuurlijke krachten laat de Boeddha hem ook de twee tekenen zien die normaal voor het oog verborgen zijn. De brahmaan en zijn 300 volgelingen bekeren zich tot de leer van de Boeddha. 

        Dit sutta staat ook in M.92 (= M.II.146).93 De verzen 548-567 bevinden zich ook in Theragatha verzen 818-841.


Inleiding


        Eens was de Verhevene onderweg in het land Angutarapa94 samen met een grote schare monniken, 1250 in aantal. Hij kwam er aan in de plaats Āpana.

        Keniya, de vlechtendrager, vernam toen: “Die asceet, heer Gotama, de Sakya-zoon, die uit het geslacht van de Sakyas in de huisloosheid ging, hij bevindt zich op weg in het land Angutarapa samen met een grote schare monniken, 1250 in aantal. Hij is in Āpana aangekomen. Over deze heer Gotama heeft zich de volgende hoge faam verheven: ‘Waarlijk, dit is de Verhevene, de heilige, de volmaakt Ontwaakte, volmaakt in weten en gedrag, de Gezegende, de kenner van de wereld, de onvergelijkbare leider van mensen die bedwongen moeten worden, de Ontwaakte, de Verhevene. Hij toont deze wereld met haar schare van hemelse godheden, van Māra- en Brahma-goden, van asceten en brahmanen, met al haar goden en mensen, nadat hij ze zelf heeft gezien en te weten is gekomen. Hij verkondigt de leer in de zin ervan en naar woordelijke inhoud, de leer die in het begin voortreffelijk is, in het midden voortreffelijk en aan het einde voortreffelijk. Hij verkondigt het heel volmaakte, volledig gezuiverde heilige leven. Waarlijk, de aanblik van een dergelijke heilige is goed.”

Toen ging Keniya, de vlechtendrager, naar de Verhevene, en na onderling de gebruikelijke hoffelijke, vriendelijke groeten gewisseld te hebben ging hij terzijde neerzitten. De Verhevene nu onderwees Keniya, de vlechtendrager, door een leergesprek, vermaande hem, wekte hem op, verblijdde hem. Hierna zei Keniya, de vlechtendrager, aan de Verhevene: “Moge heer Gotama mijn uitnodiging voor de maaltijd van morgen aannemen, samen met de schare van de monniken.”

Na deze woorden zei de Verhevene aan Keniya, de vlechtendrager: “Keniya, de schare monniken is groot, het zijn 1250 monniken. Jij echter bent de brahmanen toegenegen.” Maar ook een tweede keer zei Keniya, de vlechtendrager: “Heer Gotama, ook al is de schare van monniken groot, 1250 monniken, en ook al ben ik de brahmanen toegenegen, moge heer Gotama mij de maaltijd van morgen toezeggen, samen met de schare van de monniken.” En ook een tweede keer sprak de Verhevene tot hem op gelijke manier, en ook voor de derde keer antwoordde Keniya, de vlechtendrager, met dezelfde woorden. Zwijgend zegde de Verhevene nu toe.

Zeker van de toezegging van de Verhevene verhief Keniya, de vlechtendrager, zich van zijn zitplaats en begaf zich naar zijn kluis. Daar richtte hij zich tot zijn vrienden en kennissen, verwanten en bloedverwanten [met de woorden]: “Luistert, lieve vrienden en kennissen, verwanten en bloedverwanten. De asceet Gotama werd door mij voor de maaltijd van morgen uitgenodigd, samen met zijn schare van monniken. Ik vraag jullie hulp daarbij.”- “Zeker, heer,” gaven de vrienden en kennissen, verwanten en bloedverwanten aan Keniya, de vlechtendrager ten antwoord. Sommigen rakelden de ovens op,95 anderen splitsten hout, weer anderen wasten het vaatwerk af, anderen stelden de grote waterpot op, weer anderen maakten de zitplaatsen gereed en Keniya, de vlechtendrager, maakte zelf ‘s avonds een paviljoen96 gereed.


        Op die tijd nu was in Āpana de brahmaan Sela woonachtig, een meester van de drie Vedas samen met de woordafleidingen, de rituelen, de klankleer en woordontleding ervan, een meester ook in de mondelinge overlevering. Hij was een kenner van de teksten en van de grammatica, niet onervaren ook in de theorieën over de natuur en in de wetenschap van de kenmerken van een groot man. Driehonderd jonge brahmanen onderwees hij de vedische spreuken. Keniya, de vlechtendrager, was toen deze brahmaan Sela zeer toegenegen. Toen nu de brahmaan Sela, omgeven door zijn driehonderd leerlingen, ging wandelen, kwam hij ook bij de kluis van Keniya, de vlechtendrager. En hij zag hoe daar bij de kluis van Keniya de verschillende werkzaamheden verricht werden. Nadat hij dit had gezien, zei hij aan Keniya, de vlechtendrager: “Vindt er bij heer Keniya het huwelijk plaats van een zoon of van een dochter? Of wordt een groot offer voorbereid, of is misschien de koning van Magadha, Seniya Bimbisāra, voor morgen voor de maaltijd uitgenodigd, samen met zijn krijgsmacht?” - “Sela, bij mij zal geen huwelijk van een zoon of van een dochter zijn. Senia Bimbisara, de koning van Magadha, is niet uitgenodigd voor de maaltijd van morgen, samen met zijn krijgsmacht. Maar er wordt zeer zeker een groot offer voorbereid: De asceet Gotama, de Sakya-zoon, die uit het geslacht van de Sakyas in de huisloosheid ging, is op weg in het land Angutarapa samen met een grote schare monniken, 1250 in aantal, in Āpana aangekomen. Over deze heer Gotama nu heeft zich zo’n grote faam verheven: ‘Dit, waarlijk, is de Verhevene, de heilige, de volmaakt Ontwaakte, volmaakt in weten en gedrag, de Gezegende, de kenner van de wereld, de onvergelijkbare leider van mensen die bedwongen moeten worden, de Ontwaakte, de Verhevene. Hij toont deze wereld maar haar schare van hemelse godheden, van Māra- en Brahma-goden, van asceten en brahmanen, met al haar goden en mensen, nadat hij ze zelf heeft gezien en te weten is gekomen. Hij verkondigt de leer in de zin ervan en naar woordelijke inhoud, de leer die in het begin voortreffelijk is, in het midden voortreffelijk en aan het einde voortreffelijk. Hij verkondigt het heel volmaakte, volledig gezuiverde heilige leven. Waarlijk, de aanblik van een dergelijke heilige is goed.’ Hij is degene die door mij voor morgen werd uitgenodigd voor de maaltijd, samen met zijn schare van monniken.”

De Ontwaakte, zeg je, geachte Keniya?”

De Ontwaakte, zeg ik, geachte Sela.”

De Ontwaakte, zeg je, geachte Keniya?”

De Ontwaakte, zeg ik, geachte Sela.”

        Toen dacht de brahmaan Sela: “De Ontwaakte, - een woord is dit dat men zelden in de wereld hoort. In onze spreuken bevinden zich 32 kenmerken van een groot mens. Is hij ermee voorzien, dan zijn er voor hem slechts twee wegen, geen andere: Wanneer hij een huiselijk leven leidt, zal hij een koning worden, een wereldbeheerser, een rechtvaardige vorst naar de wet, een heerser tot en met de vier einden van de wereld, die veiligheid voor zijn land kreeg, die in het bezit is van de zeven juwelen. Die zeven juwelen zijn: het juweel van het wiel, het juweel van de olifant, het juweel van het paard, het juweel van de edelsteen, het juweel van de echtgenote, het juweel van de burgers en het juweel van van een staatsman als adviseur. Meer dan duizend zonen zal hij hebben, helden, met krachtige lichaamsbouw, vernietigers van vijandelijke legers. Over deze aarde die met zeeën is omringd, zal hij heersen zonder geweld en zonder wapens, maar alleen door rechtvaardigheid. Wanneer hij evenwel uit het huis vertrekt in de huisloosheid, zal hij een heilige worden, een volmaakt Ontwaakte, iemand die de omhulling van de wereld wegtrekt.” 97


        Na zulke gedachten wendde hij zich tot Keniya: “Waar, geachte Keniya, verblijft nu deze heer Gotama, de heilige, volmaakt Ontwaakte?” Op deze woorden strekte de vlechtendrager Keniya zijn rechter arm uit en sprak tot de brahmaan Sela:98 “Daar, o Sela, waar de donkere rand van het bos is.”

        Toen begaf de brahmaan Sela zich met zijn driehonderd leerlingen op weg naar de Verhevene. En tot zijn leerlingen zei hij: “Geachte leerlingen, laten jullie zonder geluid te maken naderbij komen, stap voor stap zettend; want deze Verhevenen zijn moeilijk te benaderen, zoals alleen levende leeuwen. En wanneer ik dan met de Verhevene spreek, laten jullie dan het gesprek niet onderbreken; jullie moeten het einde van het gesprek afwachten.” Daarop ging de brahmaan Sela naar de Verhevene toe, en na het wisselen van hoffelijke, vriendelijke groeten ging hij terzijde neerzitten. Terwijl de brahmaan Sela zo terzijde zat, zocht hij aan het lichaam van de Verhevene naar de 32 kenmerken van een groot man. En hij zag aan het lichaam van de Verhevene de 32 kenmerken van een groot man, behalve twee ervan. Betreffende deze twee echter was hij onzeker en in twijfel; hij had er geen zekerheid, geen duidelijkheid over, namelijk wat betreft het schaamlid verborgen in de voorhuid, en wat betreft de grote tong. Toen dacht de Verhevene: “Deze brahmaan Sela ziet bij mij de 32 kenmerken van een groot man, behalve twee. Wat betreft die twee is hij onzeker en in twijfel, heeft hij geen zekerheid, geen duidelijkheid, namelijk wat betreft het schaamlid verborgen in de voorhuid, en wat betreft de grote tong.” De Verhevene liet nu een dergelijke magische verschijning ontstaan99 dat de brahmaan Sela het schaamlid van de Verhevene zag, verborgen in de voorhuid. En de Verhevene strekte zijn tong uit en raakte ermee zijn beide oren aan, raakte ermee zijn beide neusopeningen en bedekte ermee ook de hele welving van zijn voorhoofd. Toen dacht de brahmaan Sela: “De asceet Gotama is voorzien van de 32 kenmerken van een groot man, volledig, niet gedeeltelijk, maar ik weet niet of hij een Ontwaakte is of niet. Vernomen heb ik nu van grijze, bejaarde brahmanen, leraren en leraren van leraren: ‘Zij die heilig zijn, volmaakt verlicht, maken zichzelf bekend wanneer zij geprezen worden.’ Zou ik nu niet in tegenwoordigheid van de asceet Gotama hem prijzen in passende verzen?” En de brahmaan Sela prees de Gezegende in diens tegenwoordigheid met de volgende passende verzen.

548. (Sela)

        “U hebt een volmaakt lichaam, u straalt, u hebt een uitstekende vorm, mooi om aan te zien. Gezegende, u hebt een gouden kleur. U hebt heel witte tanden , u bent krachtig.

549. De lichamelijke kenmerken van een man met uitstekende gestalte, al die kenmerken van een groot man zijn aan uw lichaam.

           

550. U hebt heldere ogen, een edel gelaat, u bent groot, rechtop en imponerend. Temidden van de schare van asceten straalt u, zoals de zon.


551. Een monnik met een huid als goud is prachtig om te aanschouwen, maar wat voor nut is de staat van asceet voor u die een dergelijk mooi uiterlijk heeft!

552. U bent waard een koning te zijn, een wiel-draaiende heerser,100 een heer van het leger,101 zegevierend naar alle kanten,102 de heer van Jambusanda.103


553. De adel, vorsten en koningen zijn tot uw diensten. U bent de koning der koningen. Gotama, wees een vorst over mensen, regeer.”


554. De Gezegende

        “Sela, ik ben een koning, een onvergelijkbare koning van de waarheid. Door mijn leer breng ik het wiel in beweging, het wiel dat niet terug gerold kan worden.”

555. Sela

        “Gotama, u beweert een volmaakt Verlichte te zijn, een onovertreffelijke koning van de leer. U zegt: ‘Door mijn leer breng ik het wiel in beweging.’

556. Maar wie is de leider van uw leger, wie is de discipel die de opvolger van de leraar is? Wie helpt dit wiel van de leer in beweging te houden, dit wiel dat door u in beweging is gebracht?”

557. De Gezegende

        “Sela, het onvergelijkbare wiel van de leer dat door mij in beweging is gebracht, Sariputta104 helpt het te laten draaien, op gelijke wijze als de Tathāgata!

558. Wat wachtte op inzicht, werd ingezien; bedwongen werd wat bedwongen moet worden. Opgegeven heb ik wat men moet opgeven. Brahmaan, daarom ben ik de Boeddha.

559. Twijfel niet meer aan mij. Vat vertrouwen, jij brahmaan. De aanblik van de volledig Ontwaakte zal steeds moeilijk verkrijgbaar zijn.

560. Wat slechts zelden zich aan u in de wereld openbaart, zo’n volledig Ontwaakte ben ik, een heelmeester zonder weerga.

561. Heilig geworden ben ik zonder weerga. De legerschare van Mara heb ik vernietigd. Alle vijanden zijn door mij overmeesterd. Niet verblijf ik ergens in angst, maar opgewekt vertoef ik zo.”

562. Sela

Heren, verneemt hoe de helder-ogende spreekt, de grote arts, deze hoge held. Zijn stemt dreunt gelijk aan de leeuw in het bos.


563. Wie hem, die heilig werd, zonder weerga, die de legerschare van Mara heeft vernietigd, wie, zelf uit lagere afstamming,105 hem aanschouwde, hoe zou een dergelijk persoon niet vertrouwen vatten?

564. Wie het wenst kan mij volgen. Wie het niet wenst, kan gaan. Ik zal nu uit het huis weggaan met hem die de hoogste wijsheid heeft.”

565 (De leerlingen van Sela)

        “Wanneer de zin van de meester nu zo gericht is naar de leer van de volledig Ontwaakte, dan willen ook wij van het huis vertrekken met hem die de hoogste wijsheid heeft.”

566 (Sela)

        “Deze driehonderd brahmanen hier, zij vragen met opgeheven hand: het heilige leven willen wij leven bij u, in uw leer, Verhevene.”

567. De Verhevene

        “Het heilige leven is goed verkondigd, het is duidelijk te zien, aan gene zijde van alle tijden. Het leven als asceet daarin is niet zonder vrucht voor iemand die zich er onvermoeibaar inspant.”

        En de brahmaan Sela ontving, samen met zijn schare van leerlingen, van de Verhevene de wijding van afkeer van de wereld, ontving de volle wijding in de Orde.


        De vlechtendrager Keniya echter liet nadat de nacht was verstreken, in zijn kluis uitgelezen spijzen klaarmaken; toen stuurde hij een bode om de Verhevene mee te delen dat het tijd was, dat de maaltijd gereed was.

        De Verhevene nu had zich ‘s morgens aangekleed en voorzien van nap en oppergewaad begaf hij zich naar de kluis van de vlechtendrager Keniya. Na aankomst ging hij met de gemeenschap van de monniken op de gereed gemaakte zitplaatsen zitten. En de vlechtendrager Keniya voorzag en bediende met uitgelezen spijzen eigenhandig de gemeenschap van de monniken met de Boeddha aan het hoofd ervan. Toen de Verhevene gegeten had en de hand van de nap had teruggenomen, pakte Kenia een van de lagere zitplaatsen en ging terzijde zitten. Daarna dankte de Verhevene de vlechtendrager Keniya met deze verzen:


560 (De Verhevene)

Het vuuroffer is het voornaamste van de offergaven, het voornaamste van de verzen is de Sāvitri,106 de voornaamste van de mensen is de koning, en van de wateren is de oceaan de voornaamste..


569. De voornaamste van de sterren is de maan, de zon is de voornaamste hier van de hemellichamen met gloed, wie verdienste wil verwerven, voor de gever van gaven is de Orde de voornaamste.”

Nadat de Verhevene de vlechtendrager Keniya met deze woorden had bedankt, verhief hij zich van zijn zitplaats en en ging weg.

        De eerwaarde Sela evenwel vertoefde, samen met zijn leerlingen, eenzaam, afgezonderd, onvermoeibaar, ijverig en vastbesloten. Dat doel omwille waarvan zonen uit edele familie geheel van thuis weggaan in de huisloosheid, - die hoogste volmaaktheid van het heilige leven hadden zij reeds na korte tijd al in dit leven zelf ingezien, doorschouwd en verwerkelijkt: “Uitgedroogd is wedergeboorte, voltooid is het heilige leven, verricht is de taak, hierna is niets verder meer te doen.”- Zo hadden zij ingezien. Zo waren ook de eerwaarde Sela samen met zijn schare [van leerlingen] heiligen geworden.

        Daarop ging de eerwaarde Sela met zijn leerlingen naar de Verhevene, schikte zijn gewaad over een schouder, vouwde naar de Verhevene toe in eerbetoon de handen en sprak tot hem met deze verzen:


570. (Sela)

Acht dagen geleden, o helder ogende, hebben wij de toevlucht genomen. Heer, na zeven dagen is onze geest bedwongen in uw leer geworden.


571. U bent de Boeddha, u bent de meester, de wijze die Māra overwon. U hebt de meest fijne, de verborgenste neigingen doorgesneden, bevrijd brengt u bevrijding aan dit volk.


572. Ontkomen aan alles wat het bestaan tot steun is, hebt u de neigingen geheel geliquideerd. In ongebondenheid gelijk aan de leeuw hebt u vrees en angst geëlimineerd.

573. Deze driehonderd monniken hier staan in verering met opgeheven handen. O held, strek de voeten uit zodat de heiligen hier vol eerbied een buiging kunnen maken voor de voeten van hun meester.”



Sn.III.8. (verzen 574-593) Salla Sutta - De stekel

574. Onbestembaar, onherkenbaar is voor stervelingen hun leven. Moeizaam is het, kort van duur, eng verbonden is het met lijden.107


575. Waarlijk, er is geen middel waardoor geborenen niet sterven. Na de ouderdom volgt het sterven, want dat is de aard van levende wezens.


576. Zoals er bij rijpe vruchten voortdurend angst is dat zij afvallen, zo zijn ook de als sterfelijk geborenen in voortdurende angst voor de dood.

577. Zoals de aarden potten, gevormd door de hand van de pottenbakker, allemaal eindigen in uiteenvallen, zo ook is het leven bij stervelingen.


578. Jonge en volwassen mensen, dwazen en ook wijze mensen, zij allen komen in de macht van de dood, allen hebben de dood als hun eindpunt.


579. Wanneer zij door de dood zijn overwonnen en van hier naar de andere wereld gaan, dan beschermt de vader zijn zoon niet, noch geven verwanten bescherming aan de andere verwanten.108


580. Zie deze hier, de toekijkende en klagende verwanten. Ook ieder van hen zal ooit weggeleid worden juist zoals een koe die geslacht gaat worden.


581. Waarlijk, zo is deze wereld geslagen met dood en verval. Daarom klagen wijzen niet omdat zij de aard van de wereld hebben ingezien.


582. Wiens weg jij niet meer waarneemt, niet zijn komen, niet zijn gaan, waarbij men beide einden niet ziet, doelloos is jouw klagen om hem.


583. Als men ergens een voordeel door klagen kon verkrijgen, dan zou ook een verstandige klagen. Maar een dwaas zal alleen zichzelf benadelen.


584. Niet door wenen, niet door klagen vindt men ooit de vrede van de geest. Het lijden neemt slechts steeds meer toe, en het lichaam wordt uitgeput.


585. Alleen zichzelf schade toebrengend wordt hij mager, bleek van kleur. Daarmee helpt hij de dode niet, zijn geklaag is nutteloos.


586. Wanneer de mens verdriet niet opgeeft, zinkt hij steeds dieper in het lijden. Jammerend om de gestorvene wordt hij door smart helemaal overweldigd.


587. Zie ook die andere mensen: de vrucht van hun daden verwachtende, voor de macht van de dood staande, hoe zij hier ervoor beven [van angst].


588. Wat de mensen ook van plan zijn, het komt toch anders. Zo is het ook met deze scheiding. Herken hierin de aard van de wereld.


589. Of het leven van iemand ook honderd jaren of langer duurt, eens zal hij toch van zijn verwanten gescheiden worden. Hij moet het leven hier achterlaten.


590. Laat men daarom naar de heiligen luisteren en laat men droefheid overwinnen. Laat men bij het zien van een gestorvene denken: “Hij is onbereikbaar voor mij. Hij kan niet teruggebracht worden.”


591. Zoals men met water haastig een brandend huis blust, zo ook zal degene die wijs is, verstandig en ervaren, snel, zoals de wind de katoenvlokken wegdrijft, het opgekomen verdriet verjagen,


592. en evenzo geklaag, vurig verlangen en droefenis die in hem komen. Degene die naar eigen geluk zoekt, laat hij de eigen stekel uittrekken.


593. Wie de stekel heeft uitgetrokken zal, niet afhankelijk, de vrede van de geest vinden. Wie alle verdriet heeft overwonnen, wie vrij is van verdriet, wordt bevrijd.




Sn.III.9. (verzen 594-656) Vāsettha Sutta


        Twee jonge brahmanen, Bhāradvāja en Vāsettha, praten erover wanneer men een brahmaan is: door geboorte of door daden. De Boeddha bevestigt dat men een ware brahmaan is door zijn gedrag in daden, woorden en denken.

        Dit sutta is ook in Maj.Nik. 98.

     Zo heb ik vernomen. Eens verbleef de Verhevene te Icchānangala,109 in het bos ervan. In die tijd leefden in Icchānangala veel vooraanstaande en rijke brahmanen, zoals de brahmanen Cankī, Tārukkha, Pokkharasāti, Jānussoni, Todeyya, en ook nog andere vooraanstaande en rijke brahmanen.


        Twee jonge brahmanen, Vāsettha en Bhāradvāja, onderhielden zich tijdens een wandeling over het thema: "Waardoor, heer, is men een brahmaan?"

     De jonge brahmaan Bhāradvāja zei: "Wanneer iemand van beide zijden welgeboren is, van vaders kant en van moeders kant, wanneer hij van zuivere afkomst is tot en met de zevende voorvader-generatie, wanneer hij onberispelijk en zonder smet is wat betreft zijn afstamming, dan is hij een brahmaan.

        Maar de jonge brahmaan Vāsettha zei: "Wanneer iemand deugdzaam is en plichtsgetrouw, in zoverre is hij een brahmaan."

        Zij konden elkaar niet overtuigen, zij waren het met elkaar oneens. Toen zei Vāsettha tot Bhāradvāja: "Bhāradvāja, te Icchānangala, in het bos ervan, verblijft die asceet Gotama, de zoon van de Sakyas, die uit het geslacht van de Sakyas in de huisloosheid vertrok. Over deze heer Gotama heeft zich een dergelijke grote roem verheven: 'Waarlijk, dit is de Verhevene, de heilige, de volmaakt Ontwaakte, volmaakt in weten en in gedrag, de Gezegende, de kenner van de werelden, de onvergelijkbare leider van mensen die bedwongen moeten worden, de leraar van goden en van mensen, de Ontwaakte, de Verhevene.' Laten wij gaan, heer Bhāradvāja. Laten wij naar de asceet Gotama gaan en hem daarover vragen stellen. Zoals de asceet Gotama het zal uitleggen, zo zullen wij het aannemen."- "Goed, heer," gaf Bhāradvāja ten antwoord.

        De jonge brahmanen Vāsettha en Bhāradvāja gingen toen naar de Verhevene. Bij hem aangekomen wisselden zij onderling hoffelijke, vriendelijke groeten, waarna zij terzijde gingen zitten. De jonge brahmaan Vāsettha sprak tot de Verhevene met deze verzen:

594. (Vāsettha)

        "Wij beiden zijn bevestigd,110 erkend in de drie Vedas zijn wij beiden. Ik ben een leerling van Pokkharasāti, en deze hier is een leerling van Tārukkha.

595. Als volmaakte kenners van de drie Vedas zijn wij op gelijk niveau als de leraren, in het beheersen van de teksten, grammatica, en ook in het reciteren van de heilige teksten.


596. Heer Gotama, nu is bij ons een discussie ontstaan over de geboorte. Bhāradvāja zegt dat men door geboorte een brahmaan is. Ik evenwel ben van mening: 'Door de daad.' Weet daarom, helder-ogende,

597. dat wij, omdat wij elkaar niet kunnen overtuigen, zijn gekomen om de heer te vragen die als volledig Ontwaakte zo beroemd is.

598. Zoals de mensen de maan wanneer hij na donkere nachten weer verschijnt, aanbidden en eer betonen, zo wordt heer Gotama in de wereld geëerd.

599. Hem die als oog van de wereld is ontstaan, heer Gotama, vragen wij: Wordt men brahmaan door geboorte of door de daad? Verkondig het ons die niet weten hoe men een brahmaan herkent."

600. De Verhevene

     "Vāsettha, dan zal ik jullie achtereenvolgend uitleggen hoe het werkelijk gesteld is; het verschil in de geboorte van de wezens, want velerlei zijn de soorten ervan.111

601. Beschouw grassoorten en bomen; hoewel zij geen verschil betuigen, is door geboorte hun afzonderlijke vorm bepaald; want hun soorten zijn velerlei.

602. Dan de insecten tot en met de mieren, door de geboorte is hun afzonderlijke vorm bepaald; want hun soorten zijn velerlei.

603. Ook de kleine en grote viervoeters, door de geboorte is hun afzonderlijke vorm bepaald; want hun soorten zijn velerlei.

604. Ook de slangen die op de buik kruipen, langgestrekt, door de geboorte is hun afzonderlijke vorm bepaald; want hun soorten zijn velerlei.

605. Ook de vissen in het water die in het water thuis zijn, door de geboorte is hun afzonderlijke vorm bepaald; want hun soorten zijn velerlei.

606. Verder de vogels die hun vleugels gebruiken en door de lucht trekken, door de geboorte is hun afzonderlijke vorm bepaald; want hun soorten zijn velerlei.

607. Bij deze soorten zijn de afzonderlijke kenmerken en vormen die door geboorte zijn bepaald, talrijk. Maar bij mensen zijn de afzonderlijke kenmerken die door geboorte zijn bepaald, niet op gelijke wijze talrijk.

608. Niet aan haren, niet aan het hoofd, niet aan de oren of aan de ogen, niet aan de mond en niet aan de neus, niet aan de lippen en niet aan de wenkbrauwen,


609. niet aan de hals of aan de schouwers, niet aan de buik en niet aan de rug, niet aan het zitvlak, niet aan de borst, niet aan seksuele organen,112

610. niet aan handen of voeten, niet aan vingers of nagels; niet aan bovenbenen of onderbenen; niet aan kleur of stem, niet is er hier een bijzonder kenmerk zoals bij andere soorten, dat bepaald is door geboorte.


611. Bij mensen is het verschil niet individueel gevonden wat betreft de lichaamsbouw. Maar het onderscheid onder mensen dient alleen voor de naamgeving.

612. Ieder die onder de mensen veeteelt uitoefent en zo in zijn onderhoud voorziet, weet Vāsettha, hij is een boer, geen brahmaan.

613. Ieder die onder de mensen in zijn onderhoud voorziet door het een of andere handwerk, weet Vāsettha, hij is een handwerker, geen brahmaan.

614. Ieder die onder de mensen in zijn onderhoud voorziet door handel te drijven, weet Vāsettha, hij is een koopman, geen brahmaan.

615. Ieder die onder de mensen in zijn onderhoud voorziet door het verrichten van diensten, weet Vāsettha, hij is een dienaar, geen brahmaan.

616. Ieder die onder de mensen in zijn onderhoud voorziet door het nemen wat niet is gegeven, weet Vāsettha, hij is een dief, geen brahmaan.

617. Ieder die onder de mensen in zijn onderhoud voorziet door wapens, weet Vāsettha, hij is een krijger, geen brahmaan.

618. Ieder die onder de mensen in zijn onderhoud voorziet door het ambt van offerdienst uit te oefenen, weet Vāsettha, hij is een offeraar, geen brahmaan.


619. Ieder die onder de mensen baten heeft van dorp en koninkrijk, weet Vāsettha, hij is een koning, geen brahmaan.

620. Niet noem ik iemand brahmaan op grond van vleselijke geboorte. Als hij bezittingen heeft, wordt hij iemand die arrogant is. Hij is werelds en bezwaard met bezit.113 Maar wie zonder bezit is, vrij van hechten, hem noem ik een brahmaan.


621. Wie na het doorsnijden van alle boeien niet verontrust wordt door hevige verlangens, wie aan de boeien is ontkomen, ongeboeid, hem noem ik een brahmaan.

622. Wie banden, touwen, omheining en de teugels heeft stukgesneden, bevrijd van zijn obstakels, verlicht, hem noem ik een brahmaan.

623. Wie zonder haat is en minachting, slagen en gevangenschap verdraagt, wie sterk gewapend is met verdraagzaamheid, hem noem ik een brahmaan.

624. Degene die vrij is van toorn, de plichtsgetrouwe, de deugdzame, die vrij is van hoogmoed, bedwongen, drager van het laatste lichaam, hem noem ik een brahmaan.

625. Zoals water niet aan het lotusblad hecht en zoals mosterdzaad niet aan de punt van een naald hecht, wie op een dergelijke manier niet aan lusten hecht, hem noem ik een brahmaan.


626. Wie hier al weet dat zijn lijden zal eindigen, wie zijn last afwierp, ongeboeid, hem noem ik een brahmaan.

627. Degene die diepe wijsheid heeft en vol inzicht is, de kenner van de juiste weg en van de dwaalweg, die het hoogste doel heeft bereikt, hem noem ik een brahmaan.


628. Wie zich niet voegt bij hen die in een huis wonen en ook niet bij huislozen, de thuisloze asceet, vrij van wensen, hem noem ik een brahmaan.

629. Wie afziet van geweld bij zwakke en bij sterke wezens, wie niet doodt noch laat doden, hem noem ik een brahmaan.

630. Wie zonder vijandschap is onder degenen die vijandig zijn, wie vredig is temidden van geweld, wie niet meer vastgrijpt waar anderen hebzuchtig pakken, hem noem ik een brahmaan.

631. Van wie begeerte en haat zijn afgegleden, ook eigenwaan en huichelarij, zoals mosterdzaad van de punt van de naald valt, hem noem ik een brahmaan.

632. Wie alleen milde, leerzame en ware woorden spreekt, door welke hij niemand kwetst, hem noem ik een brahmaan.

633. Wie hier niets neemt wat hem niet is gegeven, hetzij groot of klein, hetzij ruw of fijn, hetzij lelijk of mooi, hem noem ik een brahmaan.

634. In wie geen verlangen meer te vinden is naar deze en naar gene wereld, wie vrij is van vurig verlangen, ongebonden, hem noem ik een brahmaan.

635. In wie geen gehechtheden meer te vinden zijn, wie wetend zich van twijfel bevrijdde, wie aan de vaste basis van het doodloze is aangekomen, hem noem ik een brahmaan.

636. Wie hier aan de goede en de slechte daden, wie aan beide bindingen ontkwam, die vrij is van verdriet, zonder bezoedeling, de zuivere, hem noem ik een brahmaan.

637. Wie zonder smet is, wie rein is als de maan, wie helder, onbeweeglijk is, ontdaan van vreugde en bestaan,114 hem noem ik een brahmaan.


638. Wie aan deze veranderende wereld ontkwam, aan het onheldere moerasgebied dat moeilijk te begaan is; wie er bevrijd de andere oever vond, kundig in meditatieve verdieping, vrij van wensen en van twijfel; wie zonder hechten tot rust is gekomen, hem noem ik een brahmaan.

639. Wie hier de zintuiglijke genoegens heeft opgegeven en zonder tehuis de wereld heeft ontzegd, wie het verlangen helemaal heeft laten uitdrogen, hem noem ik een brahmaan.


640. Wie hier begeerte heeft opgegeven en zonder tehuis de wereld heeft ontzegd, wie het begeren helemaal liet uitdrogen, hem noem ik een brahmaan.

641. Wie het menselijk juk achterliet en ook aan het goddelijk juk ontkwam, wie van alle jukken bevrijd is, hem noem ik een brahmaan.

642. Wie lust en onlust heeft overwonnen, koel geworden door de bevrijding, leeg van steunen van bestaan,115 wie als held alle werelden overwon, hem noem ik een brahmaan.

643. Wie het verdwijnen en opnieuw ontstaan van de wezens in elk opzicht kent, degene die zonder hechten is, een zo-gegane, een Verlichte, hem noem ik een brahmaan.


644. Wiens pad onherkenbaar is voor devas, gandhabbas116 en mensen, de neigingsvrije, de heilige, hem noem ik een brahmaan.


645. Voor wie er voordien, later en in het midden van het nu niet ergens iets (als zijn eigen) bestaat,117 die vrij is, zonder hechten, hem noem ik een brahmaan.

646. Die geweldig is als een stier, de beste held, de grote ziener, overwinnaar, vrij van wensen, die door het innerlijke bad ging,118 verlicht, hem noem ik een brahmaan.


647. Wie het oord van het vroegere bestaan kent, wie de hemel en de werelden van verderf ziet, wie de uitdroging van de geboorte heeft bereikt, hem noem ik een brahmaan.

648. De vastgelegde naam, het geslacht,119 het zijn alleen aanduidingen voor wereldlijk gebruik. Zoals zij door overeenkomst zijn ontstaan, zo heeft men ze steeds gebruikt.


649. De verkeerde visie van de onwetende is lang latent geweest. Alleen de onwetende zegt dat men een brahmaan wordt door geboorte.120

650. Niet door geboorte wordt men een brahmaan, en ook niet wordt men door geboorte een niet-brahmaan. Door de daad wordt men een brahmaan, door de daad wordt men een niet-brahmaan.


651. Door de daad wordt men een boer, door de daad wordt men een handwerker; door de daad wordt men een koopman, door de daad wordt men een dienaar.

652. Door de daad wordt men een dief, door de daad wordt men een krijger; door de daad wordt men een offeraar, ook wordt men koning door de daad.

653. Zo nu zien de wijzen de daad overeenkomstig de werkelijkheid, oorzakelijkheid van het ontstaan zien zij, als deskundig van de daad en het resultaat ervan.

654. Door daden wordt de wereld in beweging gebracht, door daden wordt de ontwikkeling van de mensheid bepaald. De daad schept de samenhang van de wezens,121 zoals het wiel aan de wagen verbonden is door de pin in de as.

655. Ascese, leven in zuiverheid, discipline in deugdzaamheid en zelfbedwang, dat is het wat tot brahmaan maakt, dat is de hoogste staat van een brahmaan te zijn.

656. Kundig in de drievoudige kennis,122 met rustige geest, vernietiger van elke terugkeer in het bestaan, weet goed Vāsettha, dat men zo geldt als Brahma, Sakka voor degenen die het begrijpen.


        Daarop zeiden de jonge brahmanen Vāsettha en Bhāradvāja aan de Verhevene: "Heer Gotama, voortreffelijk, heel voortreffelijk en duidelijk is alles uitgelegd. Wij nemen onze toevlucht tot heer Gotama, tot zijn leer en tot de gemeenschap van de monniken. Als volgelingen moge heer Gotama ons beschouwen. Vanaf heden tot aan het einde van ons leven hebben wij toevlucht genomen."



Sn.III.10. (verzen 657-678) Kokāliya Sutta


        Te Savatthi, in het Jetavana, gaat de bhikkhu Kokaliya123 naar de Verhevene en beschuldigt de eerwaarden Sariputta en Moggallana ervan dat zij slechte gedachten hebben. De Gezegende zegt dat Kokaliya niet zo moet praten. Beide eerwaarden zijn beminnelijke mensen.
Na de beschuldiging drie keer herhaald te hebben, vertrok Kokaliya. Kort daarna werd zijn lichaam bedekt met blaasjes, eerst kleine, ter grootte van mosterdzaden. Maar ze werden steeds groter tot ze zo groot waren als granaatappels. Toen barstten ze open en etter en bloed kwam eruit. De bhikkhu Kokaliya stierf aan die ziekte en werd herboren in de Paduma hel, vanwege het beschuldigen van Sariputta en Moggallana.

        's Nachts kwam Brahma Sahampati naar de Gezegende en zei hem dat Kokaliya in de Paduma hel was wedergeboren. Op het einde van de nacht deelde de Gezegende dit aan de monniken mee. Een monnik vroeg toen hoe lang het leven in die hel duurt. De Boeddha gaf ten antwoord dat het leven er onbeschrijflijk lang is.

        "Stel dat men een karrevracht van 20 maten aan sesamzaad had en daarvan op het einde van elke eeuw een enkel zaadje zou nemen. Dan zouden die 20 maten sesamzaad eerder op zijn dan wanneer één Abbuda hel ten einde is. Twintig Abbuda hellen is één Nirabbuda hel; twintig Nirabbuda hellen is één Ababa hel; twintig Ababa hellen is één Atata hel; twintig Atata hellen is één Kumuda hel; twinig Kumuda hellen is één Sogandhika hel; twintig Sogandhika hellen is één Uppalaka hel; twintig Uppalaka hellen is één Pundarika hel; twintig Pundarika hellen is één Paduma hel."

        En verder zei de Gezegende:

657. "Waarlijk, in de mond van een man ontstaat bij de geboorte een bijl waarmee een dwaas zichzelf bezeert wanneer hij iets slechts spreekt.

658. Degene die hem prijst die berispt moet worden, of hem berispt die geprezen moet worden, verzamelt kwaad door zijn mond. Daarom vindt hij geen geluk.

659. Het verlies van rijkdom bij gokken124 is klein, ook al verliest men er al zijn eigendommen inclusief zichzelf.125 Veel groter kwaad is het als men vijandig gezind is jegens heiligen.



660. Wie de edelen bezoedelt126 door slecht over hen te spreken en te denken, gaat naar de hel gedurende 100.000 Nirabbudas en 36 en 5 Abbudas.


661. Wanneer men spreekt over wat niet is gebeurd, gaat men naar de hel, of als men iets heeft gedaan en dan zegt dat men het niet heeft gedaan, ook dan gaat men naar de hel. Beiden worden na de dood gelijk, namelijk mensen van lage daden in de volgende wereld.

662. Wie een niet-beledigend persoon beledigt,127 een gezuiverd man zonder blaam, - het kwaad kaatst naar die dwaas terug zoals fijn stof dat tegen de wind is gegooid.


663. Wie hebzuchtig is, beschimpt anderen met zijn stem. Hij is niet edelmoedig, is wantrouwend, een vrek, en hij lastert graag.


664. Jij die gemeen bent in de mond, verlaten,128 onedel, een verwoester van groei,129 slecht, die slechte daden verricht, de laagste van de mensen, van lage afkomst, praat niet veel hier. Je bent gedoemd voor de hel.


665. Je verspreidt vervuiling tot je nadeel. Je doet kwaad en spreekt kwaad over de goeden. Na veel slechte daden verricht te hebben ga je voor een lange tijd naar de put van de hel.

666. Want niemands daad verdwijnt volledig; ze komt terug. De eigenaar ervan krijgt [het resultaat ervan] beslist. De kwaaddoener, de dwaas ziet ellende voor zichzelf in de volgende wereld.

667. Hij gaat naar de plaats die bezet is met ijzeren spiezen, naar de ijzeren staak met zijn scherpe mes. Daar is dan het voedsel als een bal van verhit ijzer, zoals het passend is voor hem.

668. De wachters van de hel spreken er niet op een prettige manier. Zij haasten zich niet naar hen [om hen te bedienen.] De hellen-bewoners zijn er niet in een toevluchtsoord aangekomen. Zij liggen op gloeiende as,130 zij gaan een laaiend vuur binnen.


669. En de wachters van de hel binden hen vast met een net en slaan hen met ijzeren hamers. De hellen-bewoners komen werkelijk tot blinde duisternis. Want die is er uitgespreid als nevel.131


670. Verder gaan zij in pannen die gemaakt zijn van koper, met laaiend vuur. In die pannen worden zij gekookt voor een lange tijd, op en neer springend in de massa's vuur.

671. Dan wordt de verrichter van kwaad er gekookt in een mengsel van pus en bloed. Op welke kant van het lichaam hij ook gaat liggen, daar wordt hij gepijnigd door de aanraking.


672. Degene die kwaad doet, wordt er gekookt in water dat de verblijfplaats is van wormen. Daar is nog niet eens een oever om er als toevlucht heen te gaan. Want de kookpannen zijn er allemaal rondom hetzelfde.

673. Zij gaan verder het scherpe Asipatta bos binnen, en hun ledematen worden er in stukken gesneden. Hun tong wordt met een haak naar voren en naar achteren getrokken, en de hellenwachters slaan erop.

674. Dan gaan zij naar de rivier Vetarani, die moeilijk is over te steken, met scherpe messen en scheermessen erin. Dwazen vallen erin, kwaaddoeners die slechte daden hebben verricht.

675. Daar zijn zwarte en gevlekte honden en zwermen raven, en gulzige jakhalzen die hen verslinden als zij huilen, en gieren en kraaien slaan hen.

676. Erbarmelijk132 is die manier van leven in de hel, die boosdoeners zien. Daarom moet men de rest van zijn leven besteden aan het doen van zijn plicht en moet men niet nalatig zijn.


677. Deze ladingen van sesam zaden die in aantal vergeleken worden met de Paduma hel, zijn geteld door de wijzen. Zij komen inderdaad tot een aantal van vijf myriaden crores, en bovendien 1200 crores.133 134


678. Zoveel ellendige hellen als er gezegd zijn, zolang moeten mensen er ook blijven. Daarom moet men temidden van degenen die zuiver zijn, beminnelijk, en die goede eigenschappen hebben, steeds taal en denken bewaken." 135




Sn.III.11. (verzen 679-723) Nālaka Sutta


        De ziener Asita neemt de baby in zijn armen en voorspelt zijn toekomstige grootheid. – Verder een beschrijving van de hoogste staat, die van wijsheid, gegeven door de Boeddha aan Nalaka, de neef van Asita. - Dit sutta is een combinatie van twee afzonderlijke delen.136



Inleiding

679. De ziener Asita137 zag de hemelse schare van de Drieëndertig goden.138 Na Inda139 geëerd te hebben waren zij vol vreugde. Asita zag de goden in hun heldere gewaden; zij zwaaiden met doeken en luid spraken zij lof.


680. Blijgestemd waren zij en opgetogen. Vanaf zijn dagelijkse verblijfplaats zag de ziener Asita hen. Hij betoonde zijn achting voor de goden en sprak: “Waarom is de godenschare zo bovenmate verheugd? Waarom zwaait u met doeken en waarom wiegt gij u heen en weer?


681. Toen het tot een strijd met de Asuren140 kwam, waarbij de goden de overwinning behaalden en de Asuren het onderspit dolven, zelfs toen was er niet zo'n opgetogenheid als nu. Welk wonder zien de goden, over welk wonder verheugen zij zich?


682. Zij roepen, zingen en maken muziek. Zij klappen in de handen en maken een rondedans. Deze vraag stel ik tot u die op de top van de berg Meru wonen. U achtenswaardigen, lost mijn onzekerheid weldra op.”


683. De goden spraken hierop: “Hij die de Verlichting zal vinden, hij - kostbaar kleinood zonder weerga - is in de menselijke wereld geboren, tot geluk en heil ervan, in het dorp van de Sakyas, in het district van Lumbini. Daarover zijn wij blij; daarover zijn wij bovenmate verheugd.


684. Hij is de beste van alle wezens, de hoogste mens, de machtigste der mannen,141 de beste van alle mensen. Hij zal in het zogenoemde Zienerwoud142 het wiel der leer ronddraaien, machtig roepend als een leeuw, de sterke heerser van de dieren.”


685. Asita vernam deze woorden en daalde vanuit de hemel snel omlaag. Toen ging hij naar de woonplaats van Suddhodana.143 Hij ging er neerzitten en sprak aldus tot de Sakyas: “Waar is de knaap? 144 Ook ik ben er begerig naar hem te zien."


686. Daarop toonden de Sakyas aan Asita de knaap die glansde als goud dat volledig gezuiverd is in de smeltkroes, in schoonheid stralend, van uitgelezen glans.


687. Hij zag de knaap, schitterend als een vlam, gelijk aan de heer der sterren die aan de hemel zwerft, stralend als de wolkenvrije zon in de herfst. Toen kreeg Asita een zalig gevoel en werd vol van verrukking.


688. En de goden hielden in de lucht een parasol met veel ribben en een duizendtal cirkels. Waaiers van de staartharen van de yak met gouden handgrepen gingen op en neer. Maar degenen die de parasol en de waaiers vasthielden, waren onzichtbaar.145 146


689. De vlechtendrager, de ziener met bijnaam Kanhasiri, zag het kind. Zoals een gouden sieraad op een rood kleed, zo lag de baby daar. En aan het hoofd werd de witte parasol gehouden. Met opgetogen gemoed nam hij het kind in zijn armen.


690. Hij onderzocht de edelste van de Sakyas. En hij, meester in de wetenschap der kenmerken en de vedische mantras, liet met verheugd hart het volgende weerklinken: “Dit is de Onvergelijkbare, de hoogste der mensen.”


691. Maar hij dacht aan zijn eigen sterven, werd treurig en zijn tranen stroomden. Toen zij de wijze zagen wenen, vroegen de Sakyas aan hem: “Er zal toch geen gevaar voor de knaap ontstaan?”


692. De ziener zag dat de Sakyas bedroefd waren en zei: “Niets onheilvols zie ik voor de knaap. Er dreigt geen enkel gevaar voor hem. Hij is geen gering mens; weest maar opgewekt van harte.147


693. Deze knaap zal het hoogste punt van Verlichting verwerkelijken. Hij, kenner van de hoogste zuiverheid, zal het wiel der leer draaien tot zegen voor veel mensen, uit medelijden. Zijn heilige levenswandel zal zich ver uitstrekken.


694. Mijn leven echter duurt niet lang meer, en intussen komt de dood voor mij. Ik zal de leer van de zo onvergelijkbaar Verhevene niet vernemen. Daarom ben ik bedroefd. Ik ben vol leed omdat ik zo slecht begunstigd ben.”


695. Nadat hij de Sakyas veel vreugde had bereid, verliet de asceet148 het paleis. Hij ondervond medelijden met zijn neef en leidde hem tot de leer van de zo onvergelijkbaar Verhevene.

Commentaar

        Asita zag namelijk in dat de zoon van zijn jongere zuster, de brahmanen-jongeling Nalaka, rijkelijk met een schat aan goede werken was voorzien, een schat die hij in vroegere levens had verworven. Asita ondervond medelijden met de knaap want hij dacht: “Als hij enkel op eigen kracht is aangewezen, zou hij, als hij is opgegroeid, tot traagheid vervallen.” Door dit mededogen bewogen, ging hij naar het huis van zijn zuster en vroeg: “Waar is Nalaka?” – “Hij speelt buiten, heer.” – “Dan roep hem.”

        Omdat hij wist dat hem nog slechts een korte levensspanne was gegeven, voerde hij zijn neefje tot de leer van de zo onvergelijkbaar Verhevene. Onverwijld gaf hij toen namelijk aan de knaap de wijding van asceet, leerde hem zijn plichten, vermaande hem en onderwees hem als volgt:


696.Als je van anderen hebt vernomen dat een Boeddha, iemand die de Verlichting vond, de hoogste leer verkondigt, dan moet je naar hem toegaan. Onderzoek zijn leer; en leidt bij zo’n Verhevene het heilige leven.”


697. Onderwezen door hem wiens geest gericht was naar voordeel, eerwaarde, en tot de onvergelijkbare verheven leer geleid, opdat hij in de toekomst de hoogste reinheid zou zien, bleef Nalaka, rijkelijk met een schat van goede werken voorzien, wachten op de Overwinnaar. En hij leefde met bedachtzame zinnen.


698. Toen hij de roep had gehoord van de Overwinnaar die het edele wiel had gedraaid, ging hij naar hem toe. Vol vreugde zag hij de vorst der zieners. En aan de beste wijze vroeg hij naar de beste manier van leven van de wijze. Hiermee vervulde hij de taak die hem door zijn oom Asita, de edele met het goede hart, was onderwezen.


699. En Nalaka zei: “Getrouw bevestigd vind ik het gezegde dat Asita mij achterliet. Daarom vraag ik u, Gotama, die een meester-kenner bent van alle dingen:


700. verkondigt mij die van huis vertrokken ben en de bedelgang verkoos, verkondigt mij a.u.b., o wijze, de levensregel van de wijze, dit hoogste pad.”


701. En de Gezegende sprak: “Ik zal je de levensregel van de wijze tonen, een levensregel die moeilijk is te verrichten, moeilijk steeds na te volgen. Welnu, ik zal ze je verkondigen. Wees jij nu vastbesloten en wees sterk.


702. Bewaar het evenwicht van de geest149 in het dorp. Wanneer op je gescholden wordt, bescherm dan je hart tegen ergernis, erger je dan niet. En wanneer je vereerd wordt, al was het door een koning, ga dan rustig verder, wees dan niet hoogmoedig.


703. Ook in het bos stijgen velerlei objecten op, als vlammentongen.150 Vrouwen, tot de lust daar, prikkelen de wijze. Maar hij moet naar haar geen lustgevoelens hebben.151


704. Van de paring ziet hij af; hij heeft de veelvuldige gestalte van de lusten verlaten. Tot wezens, hetzij zwak of sterk, is hij niet vijandig noch is hij hen genegen.


705.Zoals ik ben, zo zijn ook zij; en zoals zij zijn, zo ben ook ik.’ Als hij zich aldus aan anderen gelijkstelt, moet hij niet doden, noch moet hij aanzetten tot doden.


706. De wens verlaat hij en ook de lust waaraan een mens van de wereld zich bindt. En met waakzaam oog leeft hij het juiste leven en steekt zo deze hellen-wereld over.


707. Met een licht lichaam,152 met afgemeten kost, met weinig wensen moet hij zonder lusten zijn. Geheel wensloos moet hij zijn, nooit meer hongerig naar wensen. Zo wordt men uitgedoofd.


708. Na het rondgaan voor bedelspijs begeeft hij zich naar het bos.153 Aan de voet van een boom blijft hij dan vertoeven; daar neemt de wijze zijn zitplaats.


709. De wijze moet beschouwing ontwikkelen. Over het bos moet zijn hart verheugd zijn. Aan de voet van een boom moet hij mediteren waarbij hij zaligheid in zich opwekt.


710. Als dan de nacht voorbij is, gaat hij naar een dorp. Wanneer hij daar uitgenodigd wordt, moet hij zich over die uitnodiging niet verheugen154 en ook niet over de gave die hem vanuit het dorp wordt gebracht.155


711. Als de wijze in het dorp is aangekomen, gaat hij niet haastig naar de gezinnen toe156 op zoek naar voedsel. Hij moet het spreken geheel en al opgeven157 en mag geen berekenend woord spreken.158


712.Ontvangen heb ik, het is goed; indien niet ontvangen, zo is het ook goed,’ door beide blijft hij onberoerd. Naar de boom keert hij dan terug.


713. Met de schaal in de hand moet hij voorwaarts gaan, voor stom gehouden zonder stom te zijn. Zelfs kleine gaven moet hij niet verachten. En de gever moet hij daarom niet geringschatten.


714. Veelvuldige wegen weliswaar heeft de Asceet gewezen, maar ze gaan niet tweemaal naar hetzelfde doel.159 En het wordt ook niet in één keer ervaren.160


715. In wie geen hechten is, in wie de stroom is uitgedroogd, in de monnik die zowel goede als verkeerde daad opgaf,161 in hem is geen koortsachtig branden meer te vinden.”


716. En verder sprak de Verhevene: “De levensregel van de wijze zal ik je tonen. Zoals de gelijkenis van de messnede162 leert, zo moet de wijze leven: met de tong tegen het verhemelte gedrukt, moet hij bij het lichaam beteugeld zijn.


717. Zijn geest moet levendig en wakker zijn; hij moet niet piekeren. Vrij van verdorvenheid moet hij zijn en zonder hechten. Het reinheidsleven heeft hij als zijn doel.


718. Laat hij zich oefenen in eenzaam vertoeven163 en in ascetenwerk. Het alleen vertoeven geldt als de aard van de wijze. Als eenzaam leven je gelukkig maakt,


719. dan zul je tienvoudig door de hemelrichting stralen.164 Wanneer door de mediterende die de lusten verzaakt, het woord van de Wijze is vernomen, dan moge iemand die mij is toegedaan nog meer schaamte en vertrouwen beoefenen.165


720. Leer dit van het water dat in goten en spelonken stroomt: vol geruis gaan kleine stromen, zwijgzaam vloeit een grote stroom.

721. Wat niet vol is, maakt geluid;166 wat vol is, is nu eenmaal stil. Op een halflege beker lijkt de dwaas; de wijze is als een volle vijver.


722. Een monnik die weliswaar veel, maar gegrond, zinvol spreekt, toont de wet als kenner; als kenner spreekt hij veel.


723. Maar wie als kenner zelfbedwongen is, iemand die het goed weet maar die niet veel spreekt, zo’n wijze heeft de rang van wijze verdiend, zo'n wijze heeft de muni-rang bereikt.”

        Toen Nalaka deze woorden van de Verhevene hoorde, werd hij drievoudig wensloos: bij het zien, bij het horen en bij het vragen. Na het einde van de uitleg van de leer vereerde hij met verheugd gemoed de Verhevene en begaf zich in het bos. Niet meer liet hij in zich het verlangen ontstaan: “Mocht ik toch de Verhevene zien.” Dit was zijn wensloosheid bij het zien. Niet meer liet hij in zich het verlangen ontstaan: “Mocht ik toch weer de leer horen.” Dit was zijn wensloosheid bij het horen. Niet meer liet hij in zich het verlangen ontstaan: “Mocht ik toch weer kunnen vragen naar de levensweg van de muni.” Dit was zijn wensloosheid bij het vragen. Op een dergelijke manier wensloos geworden, ging hij naar een bergachtige streek. Hij woonde geen twee dagen in een gelijk struikgewas. Hij zat geen twee dagen onder eenzelfde boom. Hij ging niet naar hetzelfde dorp op twee achtereenvolgende dagen om bedelspijs te verkrijgen. Zo trok hij van bos tot bos, van boom tot boom, van dorp tot dorp. En nadat hij de oefening nagevolgd had die met zo’n leven van muni overeenkomt, stond hij vast in het hoge doel, in de heiligheid.

        Een monnik die de regel van de muni met hoogste inspanning vervult, leeft maar zeven maanden; bij middelmatige inspanning leeft hij zeven jaren; bij geringere inspanning leeft hij zestien jaren. Nalaka nu vervulde de regel met hoogste inspanning en na verloop van zeven maanden voelde hij zijn levenskrachten verdwijnen. Toen nam hij een bad, legde het ondergewaad aan, bond de gordel om en bekleedde zich met het dubbele oppergewaad. Daarop wendde hij zijn gelaat in de richting waar de Meester der tien krachten, de Verhevene vertoefde, bracht de verering bestaande uit de voetval, en hief daarna de gevouwen handen omhoog. Nog terwijl hij zo geleund stond tegen een roodachtige rots, ging hij binnen in het Nibbāna-bereik dat vrij is van elke rest van hechten.


    Toen nu de Verhevene van Nalaka’s definitieve uitdoven wist, ging hij samen met de gemeenschap van de monniken naar hem toe. Hij bracht de laatste eer aan het dode lichaam, liet er relikwieën vanaf nemen en liet daarover een gedenkteken oprichten.



Sn.III.12. (verzen 724-765) Dvayatānupassanā Sutta - Beschouwing van de tweeheid

        Zo heb ik gehoord. Eens verbleef de Verhevene te Sāvatthi, in het oostelijk gelegen klooster Pubbarama, in het etage-gebouw167 dat door de moeder van Migara168 was opgericht.


        Toen nu – het was op een Uposatha-dag van de halve maand, in de nacht met volle maan – was de Verhevene in de open lucht gaan zitten, omgeven door de schare van monniken. De Verhevene overzag de schare van monniken die heel stil waren en sprak tot hen:

        “Monniken, wat betreft de heilzame leringen, de edele, bevrijdende, die naar Verlichting leiden, - wat nu is voor jullie de reden ernaar te luisteren? Monniken, wanneer men jullie zo vraagt, dan moet het volgende antwoord gegeven worden: 'Vanwege het inzicht, overeenkomstig de werkelijkheid, van de dingen van tweeheid.' 169 Maar wat duiden jullie als tweeheid aan?


        'Dit is het lijden; dit is het ontstaan van het lijden,' dat is de ene beschouwing. 'Dit is de opheffing van het lijden; dit is het pad dat leidt naar de opheffing van het lijden,' dat is de tweede beschouwing.170


        Wanneer een monnik zo op juiste manier de tweeheid beschouwt, dan kan men van hem, in zoverre hij onvermoeibaar, ijverig en vastbesloten leeft, een van twee resultaten verwachten: ofwel het bevrijdende weten171 in dit leven, of als nog een rest van hechten aanwezig is, de niet meer wederkeer.”


        Zo sprak de Verhevene. En na deze woorden sprak hij verder nog dit:

724. “Zij die niet het lijden kennen en de oorsprong van het lijden, en ook niet hoe lijden helemaal, zonder rest teniet wordt, zij die de weg niet weten die naar opheffing van het lijden leidt,

725. zij missen de bevrijding van het gemoed en de bevrijding door wijsheid.172 Omdat zij niet in staat zijn beëindiging te bewerkstelligen, zullen zij geboorte en ouder worden ondervinden.


726. Maar zij die het lijden kennen en de oorsprong van het lijden, en waar het lijden helemaal, zonder rest teniet wordt, die ook de weg weten die leidt naar de opheffing van het lijden,


727. zij zijn deelachtig aan de bevrijding van het gemoed en de bevrijding door wijsheid; omdat zij in staat zijn beëindiging te bewerkstelligen, ondervinden zij niet meer geboorte en ouder worden.


'Is er ook nog op een andere manier een juiste beschouwing van de tweeheid?' Wanneer men jullie zo vraagt, monniken, dan moet het antwoord luiden: 'Ja, die bestaat.' En in hoeverre bestaat die? 'Wat ook aan lijden ontstaat, dat alles is door de steunen van bestaan (upadhi) veroorzaakt,' dat is de ene beschouwing. 'Door de restloze vernietiging en opheffing van de steunen van bestaan komt er geen ontstaan meer van het lijden,' dat is de tweede beschouwing. Wanneer een monnik zo op de juiste manier de tweeheid beschouwt, dan kan men van hem, in zoverre hij onvermoeibaar, ijverig en vastbesloten leeft, een van twee resultaten verwachten: ofwel het bevrijdende weten in dit leven, of als nog een rest van hechten aanwezig is, de niet meer wederkeer.”

Zo sprak de Verhevene. En na deze woorden sprak hij verder nog dit:


728. “Veroorzaakt door de steunen van bestaan wordt het leed gevormd173 dat in de wereld zo menigvuldige vormen heeft. Wie voor zich onwetend steunen van bestaan schept, zo'n dwaas raakt steeds weer in lijden. Daarom moet degene die inzicht heeft, geen steunen van bestaan scheppen, hij die geboorte en oorsprong van het lijden ziet.


        'Is er ook nog op een andere manier een juiste beschouwing van de tweeheid?' Wanneer men jullie zo vraagt, monniken, dan moet het antwoord luiden: 'Ja, die bestaat.' En in hoeverre bestaat die? 'Wat ergens aan lijden ontstaat, dat alles is door niet weten veroorzaakt,' dat is de ene beschouwing. 'Door de restloze vernietiging en opheffing van het niet weten komt er geen ontstaan meer van het lijden,' dat is de tweede beschouwing. Wanneer een monnik zo op de juiste manier de tweeheid beschouwt, dan kan men van hem, in zoverre hij onvermoeibaar, ijverig en vastbesloten leeft, een van twee resultaten verwachten: ofwel het bevrijdende weten in dit leven, of als nog een rest van hechten aanwezig is, de niet meer wederkeer."

        Zo sprak de Verhevene. En na deze woorden sprak hij verder nog dit:


729. “Zij die steeds weer de kringloop doorgaan van geboorte en dood,174 naar bestaan hier en elders, - door onwetendheid wordt hun route bepaald.

730. Onwetendheid, waarlijk, is de grote waan, waardoor men deze lange weg ging. Maar de wezens die tot weten kwamen, gaan niet meer naar een nieuw bestaan.


        'Is er ook nog op een andere manier een juiste beschouwing van de tweeheid?' Wanneer men jullie zo vraagt, monniken, dan moet het antwoord luiden: 'Ja, die bestaat.' En in hoeverre bestaat die? 'Wat ergens aan lijden ontstaat, dat alles is door karmisch scheppen (sankhara) veroorzaakt,' dat is de ene beschouwing. 'Juist door de restloze vernietiging en opheffing van het karmisch scheppen komt er geen ontstaan meer van het lijden,' dat is de tweede beschouwing. Wanneer een monnik zo op de juiste manier de tweeheid beschouwt, dan kan men van hem, in zoverre hij onvermoeibaar, ijverig en vastbesloten leeft, een van twee resultaten verwachten: ofwel het bevrijdende weten in dit leven, of als nog een rest van hechten aanwezig is, de niet meer wederkeer."

        Zo sprak de Verhevene. En na deze woorden sprak hij verder nog dit:


731. “Wat hier ook ontstaat aan lijden, het is door karmisch scheppen175 veroorzaakt. Wanneer het karmisch scheppen is beëindigd, wanneer de wedergeboorte producerende wilsactiviteiten ophouden, dan is er geen verder ontstaan van lijden meer.

732. Zij die dit als ellende weten: ‘Lijden is veroorzaakt door karmisch scheppen,’ zij die overeenkomstig de werkelijkheid inzien dat hier de opdroging van het lijden ligt, namelijk in het tot rust komen van elk scheppen, in het einde van alle illusies,176 -

733. zij die meesters zijn in weten door juist schouwen, die in het juiste weten wijs zijn, de boeien van Mara overwinnend, zij gaan niet meer naar een nieuw bestaan.


        'Is er ook nog op een andere manier een juiste beschouwing van de tweeheid?' Wanneer men jullie zo vraagt, monniken, dan moet het antwoord luiden: 'Ja, die bestaat.' En in hoeverre bestaat die? 'Wat ergens aan lijden ontstaat, dat alles is door bewustzijn veroorzaakt,' dat is de ene beschouwing. 'Door de restloze vernietiging en opheffing van het bewustzijn komt er geen ontstaan meer van het lijden,' dat is de tweede beschouwing. Wanneer een monnik zo op de juiste manier de tweeheid beschouwt, dan kan men van hem, in zoverre hij onvermoeibaar, ijverig en vastbesloten leeft, een van twee resultaten verwachten: ofwel het bevrijdende weten in dit leven, of als nog een rest van hechten aanwezig is, de niet meer wederkeer."

        Zo sprak de Verhevene. En na deze woorden sprak hij verder nog dit:


734. Wat hier ook ontstaat aan lijden, het is allemaal door het bewustzijn veroorzaakt.177 Maar wanneer het bewustzijn tot verdwijnen komt, dan is er geen ontstaan van lijden meer.

735. Wanneer de monnik als ellende heeft onderkend dat door bewustzijn lijden is veroorzaakt, dan is hij door het tot rust komen van het bewustzijn kalm geworden, bevrijd.


        'Is er ook nog op een andere manier een juiste beschouwing van de tweeheid?' Wanneer men jullie zo vraagt, monniken, dan moet het antwoord luiden: 'Ja, die bestaat.' En in hoeverre bestaat die? 'Wat ergens aan lijden ontstaat, dat alles is door zintuiglijke indruk veroorzaakt,' dat is de ene beschouwing. 'Door de restloze vernietiging en opheffing van de zintuiglijke indruk komt er geen ontstaan meer van het lijden,' dat is de tweede beschouwing. Wanneer een monnik zo op de juiste manier de tweeheid beschouwt, dan kan men van hem, in zoverre hij onvermoeibaar, ijverig en vastbesloten leeft, een van twee resultaten verwachten: ofwel het bevrijdende weten in dit leven, of als nog een rest van hechten aanwezig is, de niet meer wederkeer."

        Zo sprak de Verhevene. En na deze woorden sprak hij verder nog dit:


736. Zij die bevangen zijn in de zintuiglijke indruk,178 weggerukt in de stroom van bestaan, die op het verkeerde pad zijn geraakt, zij zijn waarlijk verre van de bevrijding van boeien.


737. Maar zij die de zintuiglijke indruk helemaal begrijpen, die in een dergelijk weten slechts het grote stil zijn liefhebben,179 waarlijk zij zijn in vrede en bevrijd door het volledig doorschouwen van de zintuiglijke indruk.180


        'Is er ook nog op een andere manier een juiste beschouwing van de tweeheid?' Wanneer men jullie zo vraagt, monniken, dan moet het antwoord luiden: 'Ja, die bestaat.' En in hoeverre bestaat die? 'Wat ergens aan lijden ontstaat, dat alles is door gevoel veroorzaakt,' dat is de ene beschouwing. 'Door de restloze vernietiging en opheffing van het gevoel komt er geen ontstaan meer van het lijden,' dat is de tweede beschouwing. Wanneer een monnik zo op de juiste manier de tweeheid beschouwt, dan kan men van hem, in zoverre hij onvermoeibaar, ijverig en vastbesloten leeft, een van twee resultaten verwachten: ofwel het bevrijdende weten in dit leven, of als nog een rest van hechten aanwezig is, de niet meer wederkeer."

        Zo sprak de Verhevene. En na deze woorden sprak hij verder nog dit:

738. Of vreugdig of smartelijk, of geen van beide, of eigen of vreemd,181 welk gevoel er ook is ondervonden,182


739. wetende: ‘het is vol lijden, bedrieglijk, aan verval onderhevig,’ 183 dit steeds weer beseffende, het vergaan ervan ziende, zo wordt men bevrijd van hartstocht ernaar. Vanwege de opdroging van het verlangende gevoel184 is een monnik zonder begeerte, tot vrede gekomen, bevrijd.


        'Is er ook nog op een andere manier een juiste beschouwing van de tweeheid?' Wanneer men jullie zo vraagt, monniken, dan moet het antwoord luiden: 'Ja, die bestaat.' En in hoeverre bestaat die? 'Wat ergens aan lijden ontstaat, dat alles is door begeerte veroorzaakt,' dat is de ene beschouwing. 'Door de restloze vernietiging en opheffing van de begeerte komt er geen ontstaan meer van het lijden,' dat is de tweede beschouwing. Wanneer een monnik zo op de juiste manier de tweeheid beschouwt, dan kan men van hem, in zoverre hij onvermoeibaar, ijverig en vastbesloten leeft, een van twee resultaten verwachten: ofwel het bevrijdende weten in dit leven, of als nog een rest van hechten aanwezig is, de niet meer wederkeer."

        Zo sprak de Verhevene. En na deze woorden sprak hij verder nog dit:


740. Wanneer begeerte zijn metgezel is,185 reist de mens lange tijd rond in dit bestaan. Aan het worden hier en elders, aan de kringloop van bestaan kan hij niet ontkomen.


714. Wanneer hij dit als ellende heeft ingezien: ‘Begeerte is de oorzaak van het ontstaan van leed,’ laat de monnik dan leven vrij van begeerte, zonder te hechten, oplettend.


        'Is er ook nog op een andere manier een juiste beschouwing van de tweeheid?' Wanneer men jullie zo vraagt, monniken, dan moet het antwoord luiden: 'Ja, die bestaat.' En in hoeverre bestaat die? 'Wat ergens aan lijden ontstaat, dat alles is door hechten (upādāna) veroorzaakt,' dat is de ene beschouwing. 'Door de restloze vernietiging en opheffing van het hechten komt er geen ontstaan meer van het lijden,' dat is de tweede beschouwing. Wanneer een monnik zo op de juiste manier de tweeheid beschouwt, dan kan men van hem, in zoverre hij onvermoeibaar, ijverig en vastbesloten leeft, een van twee resultaten verwachten: ofwel het bevrijdende weten in dit leven, of als nog een rest van hechten aanwezig is, de niet meer wederkeer."

        Zo sprak de Verhevene. En na deze woorden sprak hij verder nog dit:

742. Veroorzaakt door het hechten is het worden. Wanneer men geworden is, verzinkt men in het lijden. Wanneer men geboren is, zal men de dood ondervinden. Zo komt het tot het ontstaan van het lijden.

743. Daarom, wanneer hechten is uitgedroogd, dan gaan zij die wijs zijn in het juiste weten, die de uitdroging van geboorte doorzien, niet meer binnen in een nieuw bestaan.


        'Is er ook nog op een andere manier een juiste beschouwing van de tweeheid?' Wanneer men jullie zo vraagt, monniken, dan moet het antwoord luiden: 'Ja, die bestaat.' En in hoeverre bestaat die? 'Wat ergens aan lijden ontstaat, dat alles is door ingrijpen (ārambba) veroorzaakt,' dat is de ene beschouwing. 'Door de restloze vernietiging en opheffing van het ingrijpen komt er geen ontstaan meer van het lijden,' dat is de tweede beschouwing. Wanneer een monnik zo op de juiste manier de tweeheid beschouwt, dan kan men van hem, in zoverre hij onvermoeibaar, ijverig en vastbesloten leeft, een van twee resultaten verwachten: ofwel het bevrijdende weten in dit leven, of als nog een rest van hechten aanwezig is, de niet meer wederkeer."

        Zo sprak de Verhevene. En na deze woorden sprak hij verder nog dit:


744. Wat hier ook aan lijden ontstaat, dat is door ingrijpen veroorzaakt. Maar wanneer ingrijpen verdwijnt, dan is er geen ontstaan meer van lijden.186


745. Wanneer hij dit als ellende heeft ingezien: ‘Leed is veroorzaakt door ingrijpen,’ wanneer hij zich van elk ingrijpen heeft ontdaan, - hij die door niet-ingrijpen vrij is,187


746. de monnik die de begeerte naar bestaan heeft afgesneden, iemand met kalme geest, hij heeft de kringloop van de geboorten overwonnen, voor hem is er geen nieuw bestaan meer.


        'Is er ook nog op een andere manier een juiste beschouwing van de tweeheid?' Wanneer men jullie zo vraagt, monniken, dan moet het antwoord luiden: 'Ja, die bestaat.' En in hoeverre bestaat die? 'Wat ergens aan lijden ontstaat, dat alles is door voedsel veroorzaakt,' dat is de ene beschouwing. 'Door de restloze vernietiging en opheffing van het voedsel komt er geen ontstaan meer van het lijden,' dat is de tweede beschouwing. Wanneer een monnik zo op de juiste manier de tweeheid beschouwt, dan kan men van hem, in zoverre hij onvermoeibaar, ijverig en vastbesloten leeft, een van twee resultaten verwachten: ofwel het bevrijdende weten in dit leven, of als nog een rest van hechten aanwezig is, de niet meer wederkeer."

        Zo sprak de Verhevene. En na deze woorden sprak hij verder nog dit:


747. Wat hier ook aan lijden ontstaat, het is allemaal door voedsel veroorzaakt. Door het beëindigen van de vormen van voedsel,188 is er geen ontstaan meer van lijden.


748. Wanneer hij dit als ellende heeft ingezien: ‘Door voedsel is het lijden veroorzaakt,’ wanneer hij elk voedsel heeft doorzien, dan hecht hij aan geen enkel voedsel meer.


749. Wanneer hij gezondheid juist begrijpt189 en wanneer zijn neigingen zijn uitgedroogd, bezonnen in het gebruik (van de levensbehoeften), vast staande in de leer van de waarheid, dan gaat hij als meester in weten niet meer binnen in benoembaarheid.190


        'Is er ook nog op een andere manier een juiste beschouwing van de tweeheid?' Wanneer men jullie zo vraagt, monniken, dan moet het antwoord luiden: 'Ja, die bestaat.' En in hoeverre bestaat die? 'Wat ergens aan lijden ontstaat, dat alles is door geestelijke opwellingen veroorzaakt,' dat is de ene beschouwing. 'Door de restloze vernietiging en opheffing van de geestelijke opwellingen komt er geen ontstaan meer van het lijden,' dat is de tweede beschouwing. Wanneer een monnik zo op de juiste manier de tweeheid beschouwt, dan kan men van hem, in zoverre hij onvermoeibaar, ijverig en vastbesloten leeft, een van twee resultaten verwachten: ofwel het bevrijdende weten in dit leven, of als nog een rest van hechten aanwezig is, de niet meer wederkeer."

        Zo sprak de Verhevene. En na deze woorden sprak hij verder nog dit:


750. Wat hier ook aan lijden ontstaat, dat is allemaal door geestelijke opwellingen veroorzaakt.191 Maar wanneer geestelijke opwellingen verdwijnen, is er geen ontstaan meer van lijden.


751. Wanneer hij dit als ellende heeft ingezien: ‘Door geestelijke opwellingen is het lijden veroorzaakt,’ en wanneer hij daarom zich heeft ontdaan van verlangens,192 wanneer hij ook het karmisch scheppen tot stilstand heeft gebracht, laat de monnik dan onbewogen leven, zonder ergens aan te hechten, oplettend.


        'Is er ook nog op een andere manier een juiste beschouwing van de tweeheid?' Wanneer men jullie zo vraagt, monniken, dan moet het antwoord luiden: 'Ja, die bestaat.' En in hoeverre bestaat die? 'Voor degene die afhankelijk is, bestaat wankelen', dat is de ene beschouwing. 'Onafhankelijk, wankelt men niet', dat is de tweede beschouwing. Wanneer een monnik zo op de juiste manier de tweeheid beschouwt, dan kan men van hem, in zoverre hij onvermoeibaar, ijverig en vastbesloten leeft, een van twee resultaten verwachten: ofwel het bevrijdende weten in dit leven, of als nog een rest van hechten aanwezig is, de niet meer wederkeer."

        Zo sprak de Verhevene. En na deze woorden sprak hij verder nog dit:


752. De onafhankelijke wankelt niet. Maar wie afhankelijk is, wie hecht aan bestaan hier of elders,193 kan de wereld van verandering niet overwinnen.


753. Wanneer hij dit als ellende heeft ingezien: ‘In afhankelijkheden, gehechtheden ligt gevaar,’ 194 laat de monnik dan oplettend leven, onafhankelijk, zonder ergens aan te hechten.


        'Is er ook nog op een andere manier een juiste beschouwing van de tweeheid?' Wanneer men jullie zo vraagt, monniken, dan moet het antwoord luiden: 'Ja, die bestaat.' En in hoeverre bestaat die? 'Kalmer dan de werelden van vorm zijn de vormvrije werelden,' dat is de ene beschouwing. 'Kalmer dan de vormvrije werelden is de opheffing,' dat is de tweede beschouwing. Wanneer een monnik zo op de juiste manier de tweeheid beschouwt, dan kan men van hem, in zoverre hij onvermoeibaar, ijverig en vastbesloten leeft, een van twee resultaten verwachten: ofwel het bevrijdende weten in dit leven, of als nog een rest van hechten aanwezig is, de niet meer wederkeer."

        Zo sprak de Verhevene. En na deze woorden sprak hij verder nog dit:


754. De wezens die vorm hebben en zij die in de vormvrije sfeer leven, onwetend van de opheffing, zij komen tot een nieuw bestaan.


755. Maar zij die de werelden van vorm hebben begrepen en die niet verworteld195 zijn in de vormvrije sfeer, zij zijn door opheffing volledig bevrijd; zulke wezens laten de dood achter zich.


        'Is er ook nog op een andere manier een juiste beschouwing van de tweeheid?' Wanneer men jullie zo vraagt, monniken, dan moet het antwoord luiden: 'Ja, die bestaat.' En in hoeverre bestaat die? 'Wat in de wereld met haar hemelse wezens en Mara-goden, met haar menigte van asceten, brahmanen, goden en mensen als waar wordt beschouwd,196 dat wordt door de edelen overeenkomstig de werkelijkheid, in juiste wijsheid als waanbeeld onderkend,' dat is de ene beschouwing. 'Wat in de wereld met haar hemelse wezens en Mara-goden, met haar schaar van asceten, brahmanen, goden en mensen, als waanbeeld wordt beschouwd,197 dat wordt door de edelen overeenkomstig de waarheid, in juiste wijsheid als waar onderkend,' dat is de tweede beschouwing. Wanneer een monnik zo op de juiste manier de tweeheid beschouwt, dan kan men van hem, in zoverre hij onvermoeibaar, ijverig en vastbesloten leeft, een van twee resultaten verwachten: ofwel het bevrijdende weten in dit leven, of als nog een rest van hechten aanwezig is, de niet meer wederkeer."

        Zo sprak de Verhevene. En na deze woorden sprak hij verder nog dit:


756. Zie de wereld met haar schare van goden; wat ik-loos is, neemt zij aan als een ik. In geest en lichaam gewend, meent zij dat dit de waarheid is.198


757. ‘Wat zij ook menen, het komt toch anders.’ 199 Want als dwaling moet dit bij jullie gelden, en dwaling heeft geen bestand.


758. Een toestand zonder dwaling is Nibbana; dit weten heiligen als waar. Waarlijk, zij zijn in vrede, bevrijd, omdat zij de waarheid volledig hebben doorzien.


        'Is er ook nog op een andere manier een juiste beschouwing van de tweeheid?' Wanneer men jullie zo vraagt, monniken, dan moet het antwoord luiden: 'Ja, die bestaat.' En in hoeverre bestaat die? 'Wat in de wereld met haar hemelse wezens en Mara-goden, met haar schare van asceten, brahmanen, goden en mensen als geluk wordt beschouwd, dat wordt door de edelen overeenkomstig de werkelijkheid, in juiste wijsheid als leed onderkend,' dat is de ene beschouwing. 'Wat in de wereld met haar hemelse wezens en Mara-goden, met haar schare van asceten, brahmanen, goden en mensen, als leed wordt beschouwd, dat wordt door de edelen overeenkomstig de waarheid, in juiste wijsheid als geluk onderkend,' dat is de tweede beschouwing. Wanneer een monnik zo op de juiste manier de tweeheid beschouwt, dan kan men van hem, in zoverre hij onvermoeibaar, ijverig en vastbesloten leeft, een van twee resultaten verwachten: ofwel het bevrijdende weten in dit leven, of als nog een rest van hechten aanwezig is, de niet meer wederkeer."

        Zo sprak de Verhevene. En na deze woorden sprak hij verder nog dit:


759. Al die vormen, geluiden, smaken, en de aanrakingen, gedachten, voor zoverre zij aangenaam zijn, gewenst en prettig,


760. wanneer zij bestaan, gelden zij als geluk van de wereld; en wanneer zij verdwijnen, geldt het als lijden ervan.


761. Als geluk onderkennen het de heiligen: het teniet worden van deze ik-formatie;200 weliswaar staat dit de hele wereld tegen, maar niet degenen die begrijpen.201


762. Wat geluk is voor de anderen, noemen de heiligen ellendig; wat voor de anderen ellendig geldt, weten de heiligen als geluk. Zie deze leer202 die zo moeilijk te begrijpen is. Onwetende mensen zijn hierbij in de war.


763. Er is duisternis voor degenen wier blik versluierd is, en er is donkerheid voor degenen die niet zien. Maar voor de goeden is het openbaar, juist zoals het licht voor de ziende. Hoewel zo dichtbij203 blijft het verre voor degenen die onervaren zijn in de leer; voor hen blijft het onbegrijpelijk.


764. Die in het verlangen naar bestaan gevangen zijn, in de stroom van bestaan weggesleurd, die in het bereik van de dood zijn gekomen, voor hen is de leer niet gemakkelijk te begrijpen.


765. Wie zou, behalve heiligen, dat oord ook kunnen begrijpen, waar degenen die vrij van neigingen zijn, in hoogste wijsheid bevrijd zijn.


        Zo sprak de Verhevene. Met een gelukkig hart verheugden zich die monniken over het woord van de Verhevene. Tijdens deze uitleg van de leer werd bij zestig monniken het hart zonder hechten bevrijd van de neigingen.

naar boven


Eindopmerking bij "Beschouwing van de tweeheid"

        Het hoofddeel van dit sutta vormt een verkorte versie van 'oorzakelijk ontstaan' (paticca-samuppāda); hierbij wordt elke afzonderlijke schakel als een voorwaarde voor het ontstaan van lijden, en de opheffing ervan als een voorwaarde voor de opheffing van lijden behandeld. Dit kan dienen als een aanvullend bewijs voor de opvatting van het Theravāda-Boeddhisme, dat de reeks van 'oorzakelijk ontstaan' noch een cosmonogie [theorie over het begin van de cosmos] wil geven, noch een ontwikkelingstheorie van het leven vanaf de embryonale toestand, maar dat die reeks enkel ertoe dient om het oorzakelijke ontstaan van het lijden aan te tonen en de mogelijkheid dat lijden op te heffen.

        De tweeheid, het basismotief van dit sutta, is niets anders dan de directe en omgekeerde reeks van oorzakelijk ontstaan (anuloma-patiloma-paticca-samuppāda).

        Wij kunnen het wel met het commentaar eens zijn dat het 'oorzakelijk ontstaan' in dit sutta behandeld wordt onder het gezichtspunt van kamma, en dat op grond daarvan die schakels weggelaten werden die lichamelijke elementen, dus gevolgen van kamma, bevatten.

        Op grond van hetzelfde werden waarschijnlijk de beide laatste schakels (worden enz) niet in afzonderlijke strofen behandeld maar alleen vermeld in vers 742.


Noten

1Norman 1984 vertaalde: ‘Ik zal het opgeven van de wereld prijzen, als degene met visie die de wereld heeft opgegeven, als degene die na onderzoek genoegen vond in het vertrekken.’

2Giribbaja is een andere aanduiding voor de stad Rajagaha. De betekenis van dit woord is niet zeker. Volgens het commentaar lag Rajagaha temidden van vijf bergen (giri) als een schaapskooi (vaja). En daarom werd die plaats Giribbaja genoemd. - Meer gegevens over Rajagaha, zie: Rajgir: Rajagaha.

3Hier is de term ‘bedelspijs’ gebruikt om aan te geven dat de Boeddha alleen eten kreeg en geen geld. Tegenwoordig heeft het woord ‘aalmoes’ de vroegere aanduiding van ‘gave in de vorm van een maaltijd’ verloren en heeft meer de betekenis van ‘geldelijke gave aan bedelaar’.

4Hij die de tekenen van grootte droeg’, letterlijk: ‘met de edele kenmerken overstroomd’. Dit heeft betrekking op de traditionele kenmerken van een groot man. Voor die 32 kenmerken, zie: De Bodhisatta in het Theravada: de 32 kentekenen.

5Pandava is één van de bergen rond Rajagaha.

6Norman 1984: ‘als een machtige tijger of stier’

7Volgens het Thupavamsa werd hem het koninkrijk van Magadha aangeboden. (Jayawickrama: Thupavamsa: Chronicle of the Thupa. 1971, p. 27)

8Adicca = lid van de zonne-dynastie

9Norman 1992: ‘mediteerde’

10Namucī betekent: ‘degene die niet bevrijdt.’ Hij is de belichaming van Māra, van het bevestigen van bestaan en zó van het steeds weer opnieuw sterven.

11Norman 1992: heilige leven

12Norman 1992: ‘Boeddha’

13Norman 1992 vertaalde de verzen 430-431 aldus: ‘430. De Gezegende zei dit tot Mara die zo had gesproken: “Verwant van de onachtzame, boze, jij bent hierheen gekomen voor je eigen bedoeling. 431. Ik heb zelfs niet de geringste behoefte aan verdienste, maar Mara moet spreken tot degenen die verdiensten nodig hebben.'

14Dit zijn drie van de vijf geestelijke bekwaamheden. De twee andere: oplettendheid en concentratie, worden verderop genoemd.

15Norman 1984: ‘Waarom spreek je tot mij over leven, zelfs ofschoon mijn zelf zo geneigd is naar streven?’

16Als andere, gewone mensen door leed of pijn worden getroffen, verlangt hun geest naar geluk en welbehagen. Bij koude verlangt de geest naar warmte, bij warmte naar koelte, bij honger naar voedsel, bij dorst naar water. Maar zó was het niet bij de Bodhisatta die om de Verlichting streed. Bij hem kwam geen enkele gedachte op aan goed eten of een gemakkelijk bed.

17Een variatie hierop is in Sn. verzen 478 en 875.

18Norman 1984: ‘huichelarij en koppigheid’

19De mannen die zich op het slachtveld niet op de vlucht willen begeven, binden munja-gras aan hun hoofd, vaandel of wapen. Zo geven zij aan dat zij niet van plan zijn te vluchten. Want deze grassoort bezit weerhaken en is heel moeilijk van de kleren te verwijderen zonder scheuren.

20Norman 1984: ‘waakzaam’

21daarheen waar alle leed eindigt (yattha gantvā na socare); letterlijk: waarheen gegaan men niet klaagt; dit is Nibbāna.

22over de volmaaktheden, zie: De Bodhisatta in het Theravada: de paramis.

23de drie soorten weten (tevijja): (1) herinnering aan vroegere vormen van bestaan; (2) het zien hoe de wezens verdwijnen en weer ontstaan overeenkomstig hun daden; (3) het directe inzicht van het verdwijnen van de smetten, het inzicht van de vier edele waarheden en het inzicht van het pad naar de bevrijding van lijden.

24De bouwer is begeerte, een zelf geschapen kracht.

25De daksparren zijn de belemmeringen.

26De nok is onwetendheid. Het verbrijzelen van de nok door wijsheid heeft als resultaat dat het hele huis vernietigd wordt. En dan is de bouwer beroofd van de middelen om het huis dat niet gewenst is, te bouwen.

27Met de vernietiging van het huis bereikt de geest het ongeconditioneerde, onvoorwaardelijke, niet-veroorzaakte, Nibbāna.

28Dhp. 153-154 plus noten, in: Nârada Thera: The Dhammapada : Pali Text and translation with stories in brief and notes. (3rd ed.). Colombo 2522-1978, p. 140-142.

29zie Sam.Nik.IV.24.

30‘Onsterfelijk waarlijk is het woord van de waarheid’ of ‘de waarheid is waarlijk ambrozijnen woord,’ (saccam ve amatā vācā). Commentaar: “De waarheid is in haar lekkere smaak gelijk aan de godenspijs (amrta, ambrosia), zoals het ook heet: ‘De waarheid is waarlijk de zoetste smaak.’ (Sn 182); of: als een voorwaarde voor het bereiken van het onsterfelijke, dit is Nibbāna, wordt de waarheid zelf als onsterfelijk aangeduid.”

31letterlijk: ‘in het ware, heilzame en juiste hebben, zo zegt men, edelen hun basis.’

32er niet toe behorend (akiñcano); zie noot 17 bij vers 176. - Norman 1992: ‘niets bezittende’

33Door het menselijke ben ik niet meer bevlekt; letterlijk: door mensen . . . (mānavehi). - Norman 1992: ‘niet hechtend hier aan (andere) mensen.’ - Commentaar: “Omdat hij de zorg voor mensen en de aanhankelijkheid aan hen heeft opgegeven, is hij onbevlekt door mensen, doet niet meer met hen mee, leeft in volledige (d.w.z. innerlijke) afzondering.” Uit de samenhang volgt echter nog de volgende speciale zin: onberoerd door de waarderingen (kasten-verschil enz.) van de wereldling, onberoerd door het menselijk-al te menselijke.

34De sāvitri of ‘zonne-strofe’ is een van de heiligste strofen van de Rig-Veda. - Commentaar: “Hiermee vraagt de Verhevene naar die heilige sāvitri, namelijk naar de formule van de drievoudige toevlucht die het begin vormt van de ware Vedas (paramattha-veda), d.w.z. van de ‘drie manden’ (van de Boeddhistische canon). Die heilige sāvitri werd door de ware brahmanen verkondigd, namelijk door de Boeddhas van alle tijden.” - Inderdaad bestaat ook de Boeddhistische formule van toevluchtname uit drie zinnen en vierentwintig lettergrepen. Maar het is nauwelijks aan te nemen dat dit een opzettelijke overeenkomst is, noch dat de Boeddha in ons vers inderdaad heeft gedacht aan de formule van toevluchtname.

35De samenhang van vers 457 met vers 458 kan zijn dat Bhāradvāja de Boeddha, nadat deze gewag heeft gemaakt van de sāvitri, voor een brahmaan houdt en hem nu naar de zin van de brahmaanse offerdienst vraagt. De Boeddha geeft daarop het antwoord - dat de brahmaan zeker niet had verwacht - dat de enige waarde van een dergelijk offer bestaat in de erna volgende gave van de rest van de offergave.

36Norman 1992: ‘Indien iemand die tot het einde is gegaan, en die kennis heeft’,

37Commentaar: “Dit vuur hier ontstaat uit het brandhout. Maar het is niet zo dat het vuur alleen wanneer het ontstaat uit edele houtsoorten zoals de sala-boom, zijn dienst als vuur doet, die dienst echter niet verricht wanneer het brandhout uit een hondenvoerbak stamt. Veeleer, omdat het vuur zelf zulke eigenschappen heeft als vurigheid enz., juist daarom kan het zijn functie vervullen. Evenzo ook: niet alleen wanneer men uit een brahmanen-familie is ontsproten, is men iemand die gaven waard is, maar ook wanneer men uit een (lage) candāla-familie komt, is men gaven waard.

38Een zo-gegane (tathāgato); doorgaans een aanduiding voor de Boeddha (de Volmaakte). Hier is echter zeker aan de letterlijke betekenis gedacht: ‘Degene die zo is gegaan’, namelijk ‘zo’, als in de voorgaande versregels is beschreven. - Norman 1992 liet Tathagata onvertaald. Hij heeft dus hierover een andere opvatting dan Nyanaponika. - Ikzelf ben het met de eerwaarde Nyanaponika eens. Met Tathagata, iemand die zo is gegaan, iemand die zich zo heeft gedragen en zich zo gedraagt als in het vers is aangegeven, moet hier niet alleen de Boeddha zijn bedoeld, maar elke heilige.

39ook hier liet Norman 1992 het woord Tathagata onvertaald.

40Norman 1992: ‘wiens lust is gegaan’,

41Nyanaponika: ‘Die geestelijk tot gewoonte maken uitroeide’

42grijpen (pariggahā). Het commentaar legt het uit als het grijpen in de vorm van begeerte (tanhā) en verkeerde visie (ditthi) of als de door deze beide gegrepen dingen (pariggahita). Het gaat hier dus om een geestelijk grijpen of vasthouden, d.w.z. dus om ‘begrippen’ in de eigenlijke zin ervan.

43inclusief het veldbereik ervan (sakhettavatthum). Commentaar: Met de oorzaken en voorwaarden ervan; d.w.z. de voedingsbodem van het lijden; zie vers 209 met noten.

44Steunpunten (voor toekomstig bestaan) (ārammanā); Commentaar: voorwaarden (paccaya) voor de wedergeboorte.

45hoge, lage dingen (parovarā dhammā); d.w.z. de menigvuldige tegengestelde dingen. Commentaar: mooie en niet mooie, innerlijke en uiterlijke. - Vergelijk noot 4 bij vers 1.

46Norman 1992: ‘voor wie geestelijke verschijnselen van top tot bodem zijn vernietigd,’

47Volgens het commentaar is met het einde van het geboeid zijn bedoeld het nibbana tijdens het leven van de heilige, wanneer nog een ‘rest van bestaans-substraten’ bestaat (sa-upādisesa-nibbāna); met het einde van geboorte is bedoeld het nibbana na de dood van de heilige, ‘zonder rest van substraat’ (anupādisesa-nibbāna).

48Die zich niet als een zelf beschouwt (yo attanā attānam n'ānupassati); letterlijk: ‘wie niet met het zelf een zelf ziet’. Het commentaar verwijst naar de zes ik-theorieën in Maj.Nik. 2.

49Norman 1992: ‘bij wie geen gelegenheden zijn van illusie,’

50Laat een mens hierin zuiverheid zien (ettāvatā yakkhassa suddhi). Yakkha betekent hier volgens het commentaar en Maha Niddesa: wezen (satta) of mens. Dit gebruik van het woord gaat terug op de Atharva-Veda. - Norman 1992 liet yakkha onvertaald.

51Hier worden, volgens het commentaar vier van de vijf belemmeringen (nīvarana) genoemd: opgewondenheid komt overeen met haat; opwelling komt overeen met onrust; lusten heeft betrekking op de begeerte van de zintuigen; slapheid komt overeen met starheid en luiheid.

52wie de onbeperkte slechte levenswijze heeft verwijderd (sīmantānam vinetāram). De betekenis van het woord sīmanta is niet zeker. Het commentaar geeft twee verklaringen: “1) De ‘grens’ (sīma) is de levenswijze van goede mensen; het ‘einde’ (anta) of de andere kant van hen zijn de geestelijke smetten (kilesa). 2) sīmanta zijn degenen die door de Boeddha onderwezen kunnen worden (buddha-veneyya), hetzij discipelen van de hogere opleiding (sekha) of wereldlingen (puthujjana).”

Als deze uitleg gebaseerd is op de lezing su-mantānam, dan zou de vertaling kunnen luiden: “een leider van de wijzen.”

53Norman 1992: ‘die de grenzen en beperkingen heeft verwijderd,’

54Norman 1992: ‘die niets bezitten,’

55Drie soorten van begeerte (tanhāsu); commentaar: begeerte van zinnelijkheid, begeerte van bestaan, en begeerte van vernietiging.

56‘zoals de maan bevrijd van de greep van Rahu’; de mythologische aanduiding van de maansverduistering.

57Norman 1992: ‘maak je geest helder in elk opzicht.’

58Nyanaponika:: ‘laat hij de begeerte, haat verdrijven,’

59Norman 1992: ‘een drievoudig succesvolle offer,’ - Het drievoudige volmaakte offer, d.w.z. het offer dat op de drie tijden blij maakt. Hiertoe citeert het commentaar het volgende vers: “Voor het geven al blij, tijdens het geven gelukkig, na het geven verheugd, - dat is de volmaaktheid van het offer.”

60Volgens het commentaar was deze godheid geen eigenlijke bloedverwant van Sabhiya geweest, maar een medemonnik in een vroeger leven, die als vader en moeder van Sabhiya hem goed gezind was.

61‘niet-bestaan en bestaan’, niet-zijn en zijn (vibhāvañca bhāvañca). Commentaar: “bestaande uit succes en pech, verlies en toename, vernietiging en eeuwigheid, schuldig en verdienstelijk.”

62Nyanaponika vertaalde: ‘Op een weg, door hemzelf geschapen, wie, vrij van twijfel, Nibbana bereikt, wie zijn en niet-zijn achter zich heeft gelaten, zijn werk heeft voltooid en het weer-zijn heeft vernietigd, die is een monnik.’

63Nyanaponika: ‘In alles vol gelijkmoedigheid en bezonnen, en niet letsel toebrengend in de hele wereld, wie als asceet bevrijd is, onbeweeglijk, en wie geen opwelling meer kent, die geldt als mild.’

64Wiens zins-vermogens ontwikkeld zijn (yass'indriyāni bhāvitāni). Commentaar: “Namelijk in het ontplooien van het meditatie-gebied (gocara-bhāvanā), doordat men op de zintuigen de drie kenmerken van vergankelijkheid, niet-zelf en dukkha toepast; verder, ontwikkeld in die ontplooiing welke bestaat in de indruk van de zintuigen (vāsanā-bhāvanā), doordat men zijn zintuigen de geur van oplettendheid en inzicht (sati-sampajañña-gandham) laat opnemen.”

Deze belangrijke indeling van de ontwikkeling van de geest (bhāvanā) hebben wij [= Nyanaponika] tot nu toe op geen andere plaats in de Pali literatuur ontmoet.

65‘innerlijk ontwikkeld’; zie voor meesterschap over de zintuigen (indriya-bhāvanā) Maj.Nik. 152.

66‘Wie alle wereld-perioden heeft onderzocht’ (kappāni viceyya kevalāni). Gevolgd werd de tweede uitleg die in het commentaar werd gegeven: “Veel wereld-perioden van opkomst en neergang heeft hij op een dergelijke manier onderzocht: ‘Op zo’n plaats was ik (toen) ... (enz.).’ Hiermee wordt gesproken over de eerste soort van het ‘drievoudige weten’ (te-vijjā), d.w.z. de herinnering aan vroegere vormen van bestaan (pubbenivāsānussati); in de volgende regel wordt gesproken over het tweede weten, ‘het weten van het heengaan en ontstaan’ (cutūpapatti); in de beide eindverzen wordt gesproken over het derde weten, namelijk het weten van de vernietiging van de neigingen (āsavānam khaya-nānam)."

De eerste uitleg in het commentaar vat kappa op als de gedachten van begeerte en verkeerde visie.

67Norman 1984: ‘wiens smetten verdwenen zijn’

68[‘begrijpbaar’: die nog met naam aangeduid kunnen worden.]

69[‘niet in begrijpbaarheid gevat kan worden (kappam n'eti),’: hij is niet meer grijpbaar, kan niet meer met naam aangeduid worden; hij is onmeetbaar].

70'rein gewassen' (nhātako): in het bad gereinigd; een brahmaan die zijn leertijd heeft beëindigd, het eindbad heeft genomen. - In de interpretatie van de Boeddha heeft het de figuurlijke zin van iemand die zich van al het slechte heeft gereinigd en pas daarmee in de hoogste zin zijn leertijd heeft afgesloten.

71Het Pali-woord nāga duidt verschillende machtige wezens aan zoals grote slangen, slangen-demonen, olifanten, en dan ook helden en heiligen.

72Norman 1992: ‘veld-kenner’

73Norman 1992: ‘wijs’

74‘velden’ (khettāni) zijn volgens het commentaar: “de grondslagen van de zintuigen (āyatanāni).” Maar volgens anderen moeten onder ‘velden’ de karmische werkingen (kammāni) begrepen worden. (vgl. A.III.77).

75'onderzocht' (viceyya); Het commentaar geeft als andere versie: vijeyya, overwonnen, er meesterschap over hebbende gekregen, als uitleg voor ‘veld-overwinnaar’.

76‘volledig bevrijd van elke binding die de oorzaak is van alle velden’; commentaar: d.w.z. onwetendheid, begeerte naar bestaan, enz.

77‘veld-overwinnaar’ (khettajina); oorspronkelijk: overwinnaar op het slagveld; hier duidt het iemand aan die zijn ‘veld’, d.w.z. gebied van weten enz., beheerst, dus een deskundige. Deze uitleg wordt ook versterkt door de volgende twee verwante begrippen: bekwaam en geleerd.

78zintuiglijke velden (pandara); het Pali-woord betekent: helder, wit, bleek, geel, maar niet ‘kleur’. Als pandaram (het heldere) worden ook aangeduid de zes innerlijke grondslagen van de zintuigen (ajjhatti kāyatanāni).
Het commentaar legt alle drie begrippen van de verzen 524-526 (
khetta, kosa, pandara) uit als aanduidingen van de grondslagen van de zintuigen, en alleen de eerste twee alternatief als karma. Wij [= Nyanaponika] hebben er de voorkeur aan gegeven ze allemaal te betrekken op karma, zonder evenwel de andere uitleg helemaal uit te sluiten. Het zal in deze verzen wel niet de bedoeling zijn geweest om die aanschouwelijke begrippen vast te leggen op een enkele uitleg. Het wordt de lezer aanbevolen de veelvuldige associaties ervan zelfstandig na te gaan.

79Norman 1992: ‘de leer’

80kennis (vedāni); tot uitleg van vedagu (de geleerde), in het brahmaanse gebruik: de kenner van de Veda’s. Veda betekent: weten, wetenschap, maar ook (zoals vedanā): gevoel, waarnaar de derde versregel verwijst.

81‘gegaan overheen alle kennis’ (sabbam vedam aticca); d.w.z. over veda in de tweevoudige betekenis van weten en gevoel. Bovendien is het zeker ook als een afzeggen aan de Veda’s bedoeld en ervaren.

82‘deze wereld van verscheidenheid, naam-en-vorm’ (papañca-nāma rūpam). Commentaar: “De verscheidenheid (van de geest; papañca) die bestaat in begeerte, verkeerde visie en eigenwaan, en de daardoor veroorzaakte geest-lichamelijkheid, naam en vorm (nāmarūpa).”

83‘de wortel van deze ziekte’, commentaar: de ziekte is ‘geest en lichaam’, de wortel ervan: onwetendheid en verlangen naar bestaan.

84'goed-geïnformeerd' is in de zin van het voorgaande degene die de diagnose stelt van de ziekte die bestaat in de geest-lichamelijkheid respectievelijk de verscheidenheid.

85Norman 1992: ‘zo iemand wordt terecht held genoemd.’

86Norman 1992: ‘elke leer

87Norman 1984: ‘zonder droefheid, in elk opzicht’

88bedreven in de heilige kennis' (sottiya); geleerd, in het bijzonder: een brahmaan op het hoogste niveau.

89het drievoudige slechte denken (saññam tividham); commentaar: “de gedachten van begeerte, haat en benadeling.”

90Norman 1984: ‘hij komt hij niet meer tot verzinsels.’

91van de leer zich steeds bewust (sabbadā ajāni dhammam); commentaar: met een geest die voortdurend gericht is op Nibbāna. - Norman 1992: ‘wie de leer heeft geleerd,’

92Nyanaponika: ‘iemand die een grens maakte aan nieuwe geest en lichaam’

93Webb 1975, p. 37; Norman 1983 p. 67.

94Angutarapa is dat deel van Anga dat ten noorden ligt van de rivier Maha-Mahī, een zijrivier van de Ganges.

95Nyanaponika: ‘Sommigen maakten kuilen voor het vuur,

96Nyanaponika: ‘de ronde tent’

97Norman 1992 : ‘iemand met ver verspreide faam in de wereld.’

98Norman 1992: ‘... Kenia nam de brahmaan Sela bij de rechter arm en zei: ‘

99Norman 1992: ‘Toen gaf de Gezegende een dergelijke demonstratie van bovennatuurlijke macht,’

100 [een wiel-draaiende heerser is een heerser over de wereld.]

101 Norman 1992: ‘een stier onder helden, ‘

102 Norman 1992: ‘een veroveraar van de hele wereld’

103 [Jambusanda is India.]

104 Sariputta, de zoon van Sari, was een hoofddiscipel van de Boeddha.

105 Uit lagere afstamming (kanhābhijātiko); letterlijk: van het donkere afstammend, d.w.z. van de donkere, dravidische oerbewoners van India.

106 Savitri, zie noot bij vers 457.

107 Commentaar: onbestembaar is het leven omdat men niet aan iemand anders kan zeggen: 'Totdat ik dit heb gedaan, zo lang blijf ik nog in leven. Moge jij niet voor die tijd sterven.'

Onherkenbaar is het leven omdat men niet met zekerheid kan zeggen: 'Zo en zo lang heeft die persoon nog te leven.'

Moeizaam wordt het leven genoemd omdat het aan verschillende voorwaarden is gebonden: aan in- en uitademen, aan de (vier) elementen, aan stoffelijk voedsel, aan lichaamswarmte, aan het bewustzijn.

Van korte duur, (paritta) betekent 'gering'. Vergeleken met het leven van de goden is de levensduur van de mensen als een dauwdruppel op de top van een grashalm. Verder is het leven van de mens ook van korte duur omdat het eigenlijk niet boven een enkel bewustzijnsmoment uit gaat.

Citaat uit het Maha Niddesa: "Kort, waarlijk is dit leven. - Om twee redenen is het leven 'kort' te noemen: wegens de beperktheid van de duur ervan en wegens de beperktheid van de basis-geaardheid ervan
In hoeverre is het leven kort vanwege de beperktheid van de duur ervan?
In het verleden bewustzijnsmoment heeft men geleefd; maar nu leeft men niet meer erin; en men zal er ook niet meer in leven.
In het toekomstige bewustzijnsmoment zal men leven; maar men leeft er nu niet in en men heeft er niet in geleefd.
In het tegenwoordige bewustzijnsmoment leeft men nu; maar men heeft er nog niet in geleefd en men zal er niet meer in leven.

Leven en ik-vorm, elk geluk en leed, zijn slechts in één geest-moment aanwezig. Heel snel gaat het moment voorbij. Ook die goden wier leven 84.000 aeonen duurt, zelfs zij beleven niet één keer de vereniging van twee momenten. De groepen van bestaan die in de dood en tijdens dit leven verdwijnen, daarin zijn al deze groepen gelijk: verdwenen zijn zij, zonder terug te keren. Die juist nu vervallen zijn en die in de verre toekomst verdwijnen, in het ogenblik na het heengaan ervan bestaat geen verschil meer ertussen. Men wordt niet geboren uit het niet-ontstane, in het heden leeft men. Breekt bewustzijn in stukken, dan sterft ook de wereld. Zo is het in de hoogste zin. Zoals de helling ervan, zinkend in de richting van de wil, zo is de afloop van die geestelijke momenten. Zij verdwijnen in een ononderbroken serie, veroorzaakt door het zesvoudige gebied der zintuigen. Niet opgeslagen lossen zij op en vormen ook geen opeenhoping in de toekomst. Wanneer zij zijn ontstaan, duren zij niet langer dan de tijd dat een mosterdzaadje blijft hangen aan de punt van een pijl. Verval staat alle dingen te wachten, alles dat tot ontstaan is gekomen. Aan verval onderhevige dingen zijn het die bestaan; met het vroegere zijn ze onvermengd. Uit het ongeziene komen zij te voorschijn, in het ongeziene gaan zij, in stukken brekend. Zoals de bliksem aan de hemel flitst, evenzo ontstaan en vergaan de dingen.
In deze zin is het leven kort vanwege de beperktheid van de duur ervan.

Hoe nu is het leven kort vanwege de beperktheid van de basis-geaardheid ervan?
Het leven is gebonden aan in- en uitademen.
Ook aan de vier elementen, aan warmte, stoffelijk voedsel en aan bewustzijn is het leven gebonden.
De wortel ervan is zwak; de vroegere voorwaarden ervan zijn zwak; ook de andere voorwaarden zijn zwak en eveneens zijn zwak de producerende voorwaarden, die ermee samen bestaan, die ermee nauw verbonden zijn, die ermee samen ontstaan, die ermee verknoopt zijn.
Als onderling veroorzaakt zijn ze steeds zwak; als onderling veroorzaakt zijn ze onbestendig; onderling brengen zij elkaar ten val.
Waarlijk, voor iets dat onderling veroorzaakt is, is er geen beschermer uitwendig; en ook onderling kunnen zij elkaar niet helpen.
Een schepper ervan is niet te vinden; en niet gaat men heen door de macht van de een of ander.
Zij zijn waarlijk helemaal tenietgedaan. Door vroegere gebeurtenissen zijn ze geproduceerd; de gebeurtenissen echter die de producenten ervan waren, zijn voordien al gestorven. Niet hebben de vroegere en de latere elkaar ooit gezien.
In deze zin is het leven kort vanwege de beperktheid van de basis-geaardheid ervan.

108 Nyanaponika: ‘Van degenen die als dodenoffer naar andere werelden gaan, wordt de zoon niet door zijn vader beschermd, noch beschermt de stam de leden van de stam.’

109 De schrijfwijze van deze plaatsnaam in Norman 1992 is: Icchānamkala.

110 bevestigd, d.w.z. door de leraar is bevestigd dat zij kenners van de drie Vedas zijn.

111 Geboorte en soorten: beide zijn weergaven en nuances in betekenis van het Pali-woord jāti. Commentaar: "Wat op grond van zijn geboorte verschillend is, dat wordt ook zonder eigen bewering en zonder voorlichting door anderen onmiddellijk als afwijkend van andere geaardheid waargenomen. Wanneer men nu door geboorte tot brahmaan werd, dan zou eveneens zonder eigen bewering en zonder dat een voorlichting door anderen nodig is, onmiddellijk het verschil tussen adel, burgers en dienaren kenbaar zijn. Maar dat is niet het geval.

112 bij vers 609: methuna is het astrologische teken van tweeling. Het woord wordt ook gebruikt in de zin van testikels, het wordt gebruikt voor zowel mannelijke als vrouwelijke seksuele organen. - Daarom kan methuna in de zin van seksuele omgang genomen worden. De vertaling kan dan zijn ' .. door seksuele organen en middelen van seksuele omgang.' (Norman 1992, p. 262).

113 'werelds ... en met bezit bezwaard'; beide begrippen dienen als weergave van het Pali-begrip sa-kiñcano, letterlijk: 'iemand met het een en ander', d.w.z. iemand die behept is met bezit of met een wereldse geestesgesteldheid; commentaar: met het bezit van begeerte, haat en onwetendheid. - Als tegenstelling, in de volgende versregel: zonder bezit (a-kiñcano).

114 Nyanaponika: ‘wie het zich vermaken geheel liet opdrogen’

115 leeg van steunen van bestaan (nirūpadhi); zie vers 33 met noot.

116 [gandhabbas: hemelse wezens in het oostelijke kwartier van de hemel van de Vier Grote Koningen.]

117 niet ergens iets bestaat = natthi kiñcanam; vrij = a-kiñcana

118 door het innerlijke bad ging = nahātaka; zie vers 521 met noot.

119 Commentaar: De vastgelegde geslachts- of eigennaam, zoals brahmaan of Kshatrya, Bhāradvāja of Vāsettha, zijn te verstaan als aanduidingen voor het wereldlijk gebruik, d.w.z. enkel als conventionele naamgeving voor dagelijks gebruik. En wel omdat zij door overeenkomst zijn ontstaan. Zo wordt de eigennaam door de verwanten bij de geboorte gekozen. Indien de naam niet steeds zo werd vastgelegd, dan zou men door alleen maar het uiterlijk van iemand weten dat hij een brahmaan is of dat hij uit het Bhāradvāja-geslacht stamt.

120 Nyanaponika vertaalde: ‘Wat men lang als vooroordeel heeft gekoesterd, de verwarde visie van zulke mensen die niet weten, dat verkondigen ons zulke onwetenden: 'Een brahmaan is men door geboorte.'

121 Commentaar: De drie begrippen wereld, mensheid en wezens hebben hier dezelfde betekenis en zijn alleen verschillend in de manier van uitdrukken. Met het begrip 'wereld' wordt de visie verworpen die zegt: 'Er is een god (Brahma), een grote god en hij is de hoogste, de schepper, de almachtige, de vader van de ontstane wezens en van de wezens die in de toekomst zullen ontstaan.' Maar het zijn veeleer de daden (het handelen, kamma) door welke deze wereld in beweging gebracht wordt, d.w.z. tot ontstaan komt in haar verschillende vormen van bestaan. Wie zou daar de schepper ervan zijn? Door het tweede begrip 'mensheid' moet tot uitdrukking gebracht worden dat ook de ontstane wereld juist door het verleden en tegenwoordige handelen in beweging blijft en dienovereenkomstig vreugde en leed ondervindt, lage en hoge levensvormen aanneemt en zo verder gaat.

122 Tevijja: de drievoudige hogere kennis, namelijk: herinnering aan vroegere geboortes, het goddelijk oog, vernietiging van alle smetten.

123 Kokaliya betekent: iemand uit de provincie Kokali. - Het proza en de verzen 657-660 zijn ook in Sam.Nik. VI.10.

Volgens het commentaar is de hier bedoelde monnik niet gelijk aan de gelijknamige monnik die in het Culla Vagga als aanhanger van Devadatta wordt vermeld. De laatste, ook Maha Kokaliya genoemd, was uit brahmaanse familie; de monnik van de tekst hier wordt Culla Kokaliya genoemd en was zoon van een koopman.

Maar in de paralleltekst in Sam.Nik. VI.7 wordt met betrekking tot een Kokaliya hetzelfde vers gesproken, als in Sam.Nik. VI.8. Met die monnik wordt er de aanhanger van Devadatta bedoeld. Het zou opvallend zijn wanneer dan in Sam.Nik. VI.10 van een andere Kokaliya gesproken werd.

124 [Er staat: 'dobbelspel']

125 [Vroeger kon iemand zichzelf inzetten bij het dobbelspel. Wanneer hij verloor, werd hij de slaaf van de winnaar. (Ook zijn vrouw en kinderen konden ingezet worden.) In Thailand is deze vorm van slavernij afgeschaft tijdens de regering van koning Rama V (1868-1910).]

126 Nyanaponika: ‘wie de heiligen smaadt”

127 Nyanaponika: ‘wie haatloze mensen haat’

128 Nyanaponika: ‘leugenaar’

129 Nyanaponika: ‘doder van het embryo; verwoester van de levenskiem’

130 Nyanaponika: ‘zij liggen op een bed van gloeiende kolen’

131 Nyanaponika: ‘zij raken in diepe duisternis die zich zo ver uitstrekt als de grote aarde.’

132 Norman 1984: ‘Moeilijk’

133 [Een myriade = (1) een ontelbare hoeveelheid; (2) 10.000.]

134 [Een crore = 10 miljoen.]

135 Nyanaponika: ‘Daarom moet men door eigenschappen die zuiver, beminnelijk en goed zijn, voortdurend woorden en gedachten bewaken.’

136 Norman 1983, p. 66.

137 Asita betekent: de donkere, de zwarte. Hij kreeg die naam vanwege zijn donkere huidskleur.

138 De hemelse schare der Drieëndertig Goden = Tavatimsa deva.

139 Inda of Indra wordt ook Sakka genoemd.

140 Asuren = demonen.

141 Norman 1984: ‘stier onder mensen

142 Zienerwoud = Isipatana. Thans heet deze plaats: Sarnath.

143 Suddhodana: de vader van de Boeddha

144 knaap; Norman 1984 vertaalde: ‘jonge prins.’

145 Hier hebben we misschien te maken met een paraplu die heel veel cirkels had, de een boven de ander, als een pagoda; maar wellicht waren de cirkels erop geschilderd of erop genaaid, als decoratie. (Norman 1992, p. 278-279).

146 Nyanaponika vertaalde: 'Met veel inspanning werd een geweldig wijd baldakijn door de goden gedragen. En op gouden stokken zwaaiden waaiers heen en weer. Maar men zag niet degenen die parasol en waaiers droegen.'

147 Norman 1984: ‘Weest niet bezorgd over hem.’

148 Norman 1984: ‘iemand die het heilige leven leeft’

149 Het evenwicht van de geest = gelijkmoedigheid.

150 Ook in het bos stijgen hoge en lage objecten op, d.w.z. objecten van verscheidene soorten, namelijk gewenste en ongewenste. Dit betekent: ze geraken in het bereik van zien, horen, ruiken, proeven, aanraken en denken. Omdat ze het branden van de hartstochten opwekken, zijn ze gelijk aan vlammentongen. Zoals een brandend bos vlammen van verscheidene soort heeft, namelijk vlammen met en zonder rook, blauwe, gele, rode, kleine, grote vlammen, evenzo stijgen in het bos objecten van vele soorten op: geluiden van dieren en vogels, vormen van bloemen en vruchten, vreesaanjagende objecten en ook objecten die begeerte, afkeer of illusie doen ontstaan.

151 Als monniken op hun tocht door parken of woudgebieden gaan en zij zien dan, zonder dat anderen erbij zijn, een vrouw, - een vrouw die steeds daar woont of een houtsprokkelaarster - dan prikkelt zij door haar lachen, spreken, wenen of door haar spaarzame kleding de wijze tot lust. Maar dan moet hij geen lust tot haar hebben, moet zich niet tot lust laten verleiden.

152 Norman 1984: ‘met lege maag’

153 Zonder zich door leken te laten ophouden begeeft hij zich in het bos terug.

154 Wie deze oefening van een muni naleeft, en wel hier in het bijzonder de strikte naleving van degene die enkel de aalmoezen-gang vervult, die moet zich niet verheugen over een uitnodiging. Hij moet die uitnodiging niet aannemen. Zulke gedachten als: “Geeft men wel of geeft men niet; geeft men iets goeds of geeft men iets slechts,” mag hij niet in zich billijken. En ook aan het eten zelf mag hij zich niet verlustigen. Als men hem echter met geweld de nap wegneemt, ze vult en ze weer teruggeeft, dan moet hij na de maaltijd zich weer tot zijn ascetenwerk wenden. De reinigingsoefening is daardoor niet afgebroken. Maar vanwege deze gebeurtenis moet hij het betreffende dorp in de toekomst niet meer betreden.

155 Als men degene die het dorp betreedt, zelfs honderd schotels voedsel tegemoet brengt, dan moet hij zich daarover niet verheugen en zelfs geen handvol ervan aannemen. Maar hij moet alleen in volgorde van ligging van de huizen voor aalmoezen rondgaan.

156 Volgens het commentaar betekent dit: hij mag geen onpassende gezelligheid met leken hebben, mag zich niet samen met hen zorgen maken, mag zich niet met hen verheugen enz.

157 Letterlijk staat er: ‘moet het spreken afgesneden zijn.’

158 Hij mag geen woorden spreken die erop zinspelen gaven te verkrijgen.

159 Norman 1984: ‘Voor hoog en laag zijn de paden verkondigd door de Asceet. Zij gaan niet twee keer naar de andere oever.’

160 dit is een verwijzing naar de vier manieren van vooruitgang. Degenen die de hoge en lage paden volgen gaan niet twee keer naar nibbana, omdat de smetten zijn vernietigd door het pad dat zij zijn gegaan; die smetten kunnen niet opnieuw verwijderd worden. Als een soort van paradox, nibbana wordt niet alleen één keer ervaren, maar mogelijk vier keer, door de beoefenaar als stroom-intreder (sotapanna), eenmaal wederkerende (sakidagamin), niet meer wederkerende (anagamin) en volmaakte heilige (arahat). Maar omdat de respectievelijke smetten niet meer verwijderd hoeven te worden [omdat zij al verwijderd zijn], hoeft hij hetzelfde deel van het pad niet nog eens te gaan. Hij gaat in etappes zodat elke keer wanneer hij nibbana verkrijgt, het hem een ervaring geeft die niet herhaald wordt. Hij gaat dus niet twee keer naar de andere oever. (Norman 1992, p. 285)

161 goede en verkeerde daad = wat gedaan moet worden en wat niet gedaan moet worden.

162 Een monnik die de regel van de muni naleeft, moet met betrekking tot de benodigdheden van een monnik handelen overeenkomstig de gelijkenis van de messnede. Zoals iemand die een druppel honing van een messnede aflikt, ervoor waakt dat de tong niet gesneden wordt, evenzo moet de monnik die gebruik maakt van op juiste wijze verkregen gebruiksvoorwerpen, ervoor waken dat er geen smetten in de geest ontstaan. Niet gemakkelijk kan men de gebruiksvoorwerpen op eerlijke wijze verkrijgen en niet gemakkelijk kan men ze in onberispelijke staat gebruiken.

163 [Ware eenzaamheid is het vertoeven zonder begeerte als metgezel.]

164 Norman 1984: ‘Eenzaam, je zult beslist verheugd zijn en je zult stralen in de tien richtingen.’

165 Norman 1984: ‘Na de roem van de wijzen, van de meditatoren, van hen die zinnelijke genoegens hebben opgegeven, te hebben gehoord, laat mijn discipel dan bescheidenheid ontwikkelen en vertrouwen bovenal.’

166 Nyanaponika: ‘Wat gebreken heeft, maakt geruis’

167Onder pasāda, hier met etage-gebouw vertaald, moet men niet alleen terrassen, torens en paleizen verstaan, maar volgens het commentaar ook gevel-woonhuizen met een etage of meer dan een. Hier heeft het woord vermoedelijk de betekenis van woonhuis met een etage, en niet paleis, [zoals in Norman 1992 vertaald is].

168 Volgens het commentaar werd dit klooster gesticht door de beroemde lekenvolgelinge Visākhā. Zij wordt vaak 'Migaras moeder' genoemd. Zij bekeerde namelijk haar schoonvader Migara tot de leer van de Boeddha. Migara stelde haar toen op de plaats van moeder en respecteerde haar ook zo.

169 Commentaar: ”Dit wil zeggen het inzicht (vipassanā) dat zich richt op de beide soorten van de dingen, wereldlijk of bovennatuurlijk; tot dit en tot geen ander doel. Want zover gaat (het doel) van het luisteren of van de studie (savanāya). Hoger dan dit komt dan het bereiken van hogere resultaten (vises'adhigama; zoals meditatieve verdiepingen en niveaus van heiligheid) door ontplooiing van de geest of meditatie (bhāvanā).”

170 Commentaar: "De eerste schakel van deze tweeheid is wereldlijk: het lijden inclusief de oorzaak ervan. De tweede schakel is bovennatuurlijk: de opheffing van het lijden inclusief de methode ervan."

171 Het bevrijdende weten (aññā). Aññā is een van de talrijke Pali-woorden voor kennis, inzicht en andere, waarvoor onze taal in de verste verten geen overeenkomend aantal van synoniemen heeft. Aññā wordt alleen voor het hoogste inzicht gebruikt, dat samenvalt met het bereiken van de volmaakte heiligheid. De verklaring van een monnik dat hij de volmaakte heiligheid heeft bereikt, wordt in de teksten altijd uitgedrukt door: “het 'aññā' meedelen.”

172 Commentaar: "De met de vrucht van heiligheid verbonden geestelijke concentratie (arahattapphala-samādhi) is, als beëindiging van de lust, de bevrijding van het gemoed (ceto-vimutti). De met de vrucht van heiligheid verbonden wijsheid (arahattapphala-paññā) is, als beëindiging van het niet weten, de bevrijding door wijsheid (paññā-vimutti)."

173 Commentaar: "dit wil zeggen veroorzaakt door handelingen die verbonden zijn met neigingen" (sāsavakamma-paccayā).

174 Kringloop van geboorte en dood (jāti-marana-samsāra). Commentaar: "Het ontstaan van de groepen van bestaan, dat is geboorte; het verval van de groepen van bestaan, dat is dood; het op elkaar volgen van de groepen van bestaan, dat is de wereld van verandering of de kringloop (khandha-nibbatti jāti, khandha-bhedo maranam, khandha-patipāti samsāram)."

175 Karmisch scheppen is een verhelderende weergave van het begrip sankhāra; het zijn wedergeboorte producerende wilsactiviteiten. Sankhāra heeft namelijk, afgezien van zijn karakter als een van de groepen van bestaan (khandha), een actieve en een passieve betekenis: actief als ‘het scheppende’ of ‘het scheppen’, d.w.z. de formaties van bestaan. Hier in deze variant van het oorzakelijk ontstaan is de actieve betekenis van toepassing. Omdat zij in de gebruikelijke vertaling door het abstracte begrip ‘formatie’ niet met voldoende duidelijkheid tot uitdrukking komt, werd [door Nyanaponika] bovenstaande weergave gekozen.

176 Commentaar: "dit wil zeggen veroorzaakt door goed, slecht en onbeweeglijk karmisch scheppen (puññāpunnāneñj-ābhisankhāra- paccayā). (Onbeweeglijk scheppen, namelijk de vier onstoffelijke verdiepingen).

In het tot rust komen van elk scheppen (sabbasankhārasamathā); een vaak voorkomende aanduiding voor Nibbana. Ook hier is de actieve betekenis van sankhāra van toepassing, dus: 'Het kalmeren, het tot stilstand brengen van de wil van het karmisch scheppen.' Want dat is de eigenlijke opdroging van het lijden, terwijl de vermindering van de formaties van bestaan alleen maar het resultaat ervan is.

Onder hetzelfde gezichtspunt moet het tweede begrip van deze versregel, saññānam uparodhanā beschouwd worden. Saññā is hier zeker niet als ‘waarneming’ op te vatten, zoals in meerdere Duitse en Engelse vertalingen. Het beëindigen van de waarnemingen zou zeker niet als het einde van het lijden omschreven worden, omdat immers in de heiligheid nog in dit leven, in het uitdoven van de hartstochten (kilesa-nibbāna), de waarnemingen nog verder gaan en pas verdwijnen met de dood van de heilige, het uitdoven van de groepen van bestaan (khandha-nibbāna). Deze betekenis van saññā als 'waarneming' werd ook helemaal niet door het commentaar in beschouwing genomen. Uitleg van het commentaar: "Het beëindigen van de gedachte aan zinnelijkheid enz. door het pad”. Het commentaar past dus blijkbaar dit begrip toe op de drievoudige slechte gedachten van zinnelijkheid, hatelijkheid en benadeling. Maar dit kan net zo min geaccepteerd worden, omdat de opheffing van deze drie gedachten nog geenszins het einde van het lijden betekent. Daarom werd hier [door Nyanaponika] een verdere betekenis van saññā erbij betrokken, namelijk '(verkeerde) voorstelling', dat met ‘illusies’ werd vertaald.

177 Commentaar: "dit wil zeggen veroorzaakt door het gelijktijdig met kamma ontstane scheppende bewustzijn (kamma-sahajāt'abhisankhāra-viññāna)."

178 Commentaar: "Het gaat hier om de zintuiglijke indruk die verbonden is met het scheppende bewustzijn (abhisankhāraviññāna-sampayutta-phassa). De schakels in de reeks van oorzakelijk ontstaan die hieraan voorafgaan, namelijk geest en lichaam (nāma-rūpa) en de basis van de zes zintuigen (salāyatana), worden hier niet vermeld, maar er wordt direct over de zintuiglijke indruk gesproken. Die beide schakels zijn namelijk vermengd met het lichamelijke en kunnen daarom niet gelden als met kamma verbonden (sampayutta). Dit lijden van de kringloop van bestaan ontstaat namelijk uit kamma of uit dingen die eng met kamma verbonden zijn.”

179 Commentaar: “Het grote stil zijn (upasama) is Nibbāna.”

180 het volledig doorschouwen (phass') bhisamaya; door het commentaar uitgelegd als ‘opheffing’ (nirodha).

181 Norman 1992: ‘zowel inwendig als uitwendig,’

182 Commentaar: "het met kamma verbonden gevoel."

183 Elk gevoel (ook het aangename) is een oorzaak voor lijden en in zoverre zelf smartelijk.

184 Commentaar: “Na opdroging van het gevoel dat verbonden is met kamma (kamma-producerende wil).”

185 'Begeerte zijn metgezel' (tanhā-dutiyo), letterlijk: als tweede. Vergelijk hiertoe Sam.Nik. 35.63, waar de Boeddha zegt dat een monnik die uiterlijk afgezonderd is en alleen leeft, maar die begeerte als zijn metgezel heeft, niet als een eremiet (ekavihārī) kan worden aangeduid. [zie ook M.131, ideale eenzaamheid]

186 Ingrijpen (ārambha). Commentaar: "De inspanning die verbonden is met wedergeboorte producerend handelen (kamma-sampayutta-viriya).” - Ārambha heeft de volgende betekenissen: begin, de inzettende energie, inspanning. Het gaat hier dus blijkbaar om de eerste beslissende toenadering tot het object, als gevolg van het hechten, d.w.z. versterkt verlangen.

187 door niet-ingrijpen vrij (anārambhe vimuttino). Commentaar: anārambhe nibbāne vimuttassa, "die bevrijd is in het Nibbana dat ontheven is van elk zich inschakelen of willen ingrijpen.”

188 Het meervoud (āhārānam nirodhena) wijst op de vier soorten van voedsel: stoffelijk voedsel, zintuiglijke indruk, wil en bewustzijn.

189 Commentaar: “De gezondheid, d.w.z. de echte genezing van de chronische ziekte van de bestendige honger naar de vier soorten van voedsel, is Nibbana.”

190 Gaat niet meer binnen in benoembaarheid (sankham n'opeti); een van de karakteristieke wendingen van het Sutta-Nipata voor de aanduiding van de onvatbaarheid, onmeetbaarheid van de heilige. Commentaar: “Hij valt niet meer onder zulke naamgevingen als god, mens, enz.”

191 Opwelling; iñjita betekent: vibreren, sidderen, beweging, opwelling. Objectief is het de rusteloosheid in de wereld, zoals ze in de verzen 937, 939 is beschreven. Subjectief is het de overeenkomende prikkelbaarheid door innerlijke en uiterlijke indrukken. Commentaar: "De opwellingen zijn: begeerte, eigenwaan, visies, kamma [wilsacties] en de bevlekkende hartstochten."

192 ‘verlangens’. Hier staat in de tekst het taalkundig met iñjita verwante ejā, dat in het commentaar en in Maha-Niddesa altijd met ‘begeerte’ (tanhā) wordt uitgelegd.

193 Norman 1992: ‘bestaan in deze vorm of bestaan in die vorm,’

194 Afhankelijkheden (nissayesu). Commentaar noemt hier drie: begeerte, visies en eigenwaan. De voorheen genoemde ‘opwelling’ wordt hier dus toegeschreven aan het zich afhankelijk maken.

195 Niet verworteld (asanthitā); aan deze lezing in het handschrift van Birma is eerder de voorkeur te geven dan aan susanthitā (goed gebaseerd) in de Siamese uitgave en die van de Pali Text Society; ook de paralleltekst in Itivuttaka 51 heeft asanthitā.

196 ‘wat als waar wordt beschouwd’; commentaar: “namelijk geest en lichaam (nāma-rūpa) die voor bestendig en zelf gehouden worden."

197 ‘wat als waanbeeld wordt beschouwd’; commentaar: dit is Nibbana, want dat wordt door de wereld als niet bestaand beschouwd omdat daarin geen lichaam, gevoel enz te vinden zijn.

198 Commentaar: "namelijk dat geest en lichaam de 'waarheid' is, in de zin van de bestendigheid, reinheid enz. ervan."

199 Commentaar: "namelijk wanneer zij van de lichamelijkheid, het gevoel enz geloven: 'de lichamelijkheid enz is van mij.'" - Deze versregel die vaak in de canon voorkomt (bijvoorbeeld in vers 588) is blijkbaar een spreekwoordelijke zegswijze.

200 Norman 1992: ‘het beëindigen van individuele persoonlijkheid;’ [voor het beëindigen van persoonlijkheid, zie: Niet-zelf.

201 In de Pali tekst moet gescheiden worden: sabbaloke, na passatam; De uitgave van de Pali Text Society heeft onjuist sabbalokena.

202 Commentaar: "deze leer, dat is Nibbāna."

203 Commentaar: "Het is Nibbāna dat hier als dichtbij wordt aangeduid omdat men het onmiddellijk kan bereiken, wanneer men bij het eigen lichaam alleen de met 'huid' eindigende groep van vijf (taca-pañcaka) meditatief heeft begrepen (d.w.z. de eerste vijf van de 37 lichaamsdelen) [zie het overdenken van de walgelijkheid van het lichaam, alinea 3]; of het geldt ook als 'dichtbij' omdat het alleen bestaat in de opheffing van de eigen groepen van bestaan (khandha)."


naar boven