Facetten van het Boeddhisme



naar Index

5.2.5.2. Dhammapada

inleiding   onderverdeling   vertalingen van verzen en verhalen   1. YAMAKA VAGGA - Tweeling verzen  I:1-14, verzen 1-20;   2. APPAMADA VAGGA - Oplettendheid   II:1-9,  verzen 21-32;   3. CITTA VAGGA - De geest  III:1-9, verzen 33-43;   4. PUPPHA VAGGA - Bloemen  IV:1-12, verzen 44-59;   5. BALA VAGGA - Dwazen  V:1-15, verzen 60-75;   6. PANDITA VAGGA - De wijze  VI:1-11, verzen 76-89;   7. ARAHANTA VAGGA - De waardige VII:1-10, verzen 90-99;   8. SAHASSA VAGGA - Duizenden  VIII:1-14, verzen 100-115;   9. PAPA VAGGA - Het kwaad  IX:1-12, verzen 116-128;   10. DANDA VAGGA - De stok  X:1-11, verzen 129-145; 10.7. Maha Moggallana   11. JARA VAGGA - Ouderdom  XI:1-9, verzen 146-156;   12. ATTA VAGGA - Het zelf  XII:1-10, verzen 157-166;   13. LOKA VAGGA - De wereld  XIII:1-11, verzen 167-178;   14. BUDDHA VAGGA - De Boeddha  XIV:1-9, verzen 179-196;   15. SUKHA VAGGA - Geluk  XV:1-8, verzen 197-208;   16. PIYA VAGGA - Genegenheid  XVI:1-9, verzen 209-220;   17. KODHA VAGGA - Boosheid  XVII:1-8, verzen 221-234;   18. MALA VAGGA - Onzuiverheden  XVIII:1-12, verzen 235-255;   19. DHAMATTHA VAGGA - De rechtvaardige  XIX:1-10, verzen 256-272;   20. MAGGA VAGGA - De weg  XX:1-12, verzen 273-289;   21. PAKINNAKA VAGGA - Gemengd  XXI:1-9, verzen 290-305;   22. NIRAYA VAGGA - Staten van ellende  XXII:1-9, verzen 306-319;   23. NAGA VAGGA - De olifant  XXIII:1-8, verzen 320-333;   24. TANHA VAGGA - Begeerte  XXIV:1-12, verzen 334-359;   25. BHIKKHU VAGGA - De bhikkhu  XXV:1-12, verzen 360-382;   26. BRAHMANA VAGGA - De brahmaan  XXVI:1-40, verzen 383-423   Bronnen   Bijlagen


Copyright ©  2021 / 2564

Het is toegestaan om elektronisch of in gedrukte vorm fragmenten van deze vertaling of de vertaling in zijn geheel over te nemen voor eigen gebruik, of ook met als doel ze met anderen te delen, uitsluitend voor gratis verspreiding en zonder commercieel oogmerk.





Dhammapada

Het pad van deugdzaamheid

bloemlezing van uitspraken

betreffende de leer van de Boeddha

met bijbehorende verhalen


Inleiding

        

Het Dhammapada is het best bekende werk van de Boeddhistische literatuur. Het is een bloemlezing van uitspraken die hoofdzakelijk betrekking hebben op de ethische leer van de Boeddha. Dhammapada kan vertaald worden met “Secties van de Dhamma” of “Pad van de Dhamma”. Het Pali woord “dhamma”  heeft veel betekenissen en is daarom niet gemakkelijk te vertalen. Het ligt aan de samenhang. Hier is het woord gebruikt in de zin van “de leer van de Boeddha”. “Pada” betekent “sectie” of “deel”. Dhammapada kan vertaald worden met “delen van de leer” of “het pad van de leer” of “De weg van de waarheid”.[1] De eerwaarde Narada vertaalde deze term met: “het pad van deugdzaamheid”.[2] Ik heb deze vertaling overgenomen. Ze past m.i. heel goed bij de inhoud van dit boek. Veel verhalen en verzen handelen over de resultaten van slechte en goede wilsacties (kamma). Een deugdzame persoon leeft gelukkiger dan iemand die niet deugdzaam is. Volgens Kurt Schmidt betekent de titel “Dhammapada” niet “Pad van de waarheid” maar “Spreuken tot de leer van de Boeddha in verzen”.[3] 

Het Dhammapada bestaat uit 423 verzen die door de Boeddha bij circa 300 gelegenheden zijn gesproken. Ze zijn naar onderwerp gerangschikt in 26 vaggas of secties (hoofdstukken). Meer dan de helft van de verzen komt elders in de canon voor. Het is niet na te gaan of de verzen van het Dhammapada daaraan ontleend zijn of dat ze van een andere bron afkomstig zijn. Enkele verzen komen ook voor in Jain of brahmaanse teksten. Dit laat vermoeden dat ze ontleend zijn aan een algemene voorraad van verzen die toen in Noord-India schijnt te hebben bestaan.[4] Volgens E.W. Burlingame, de vertaler van Buddhist Legends, berusten de verhalen bij de verzen van het Dhammapada niet steeds op waarheid. Er zouden volksverhalen en legenden toegevoegd zijn. De gebeurtenissen die in deze commentaar-verhalen beschreven zijn, geven een voorbeeld. Via een inkleding is een bepaald gegeven overgeleverd. Maar de verzen van het Dhammapada worden wél als woorden van de Boeddha zelf beschouwd.[5] Volgens Winternitz zijn de verhalen die bij de verzen horen als uitleg of commentaar, pas later eraan toegevoegd.[6] Maar over het algemeen wordt aangenomen dat die verhalen mondeling overgeleverd zijn vanaf de tijd van de Boeddha tot in de vijfde eeuw na Chr. De meeste verzen zijn beter te begrijpen wanneer ze gelezen worden in de samenhang van het verhaal.[7]

De verhalen geven o.a. een voorbeeld van de deugden van liefdevolle vriendelijkheid, mededogen, verdraagzaamheid, edelmoedigheid, gelijkmoedigheid.[8] De mensen die in de verhalen voorkomen, zoals koningen, brahmanen, bankiers, landbouwers, courtisanen, bandieten, asceten, slaven, - en ook monniken - hadden gelijke tekortkomingen als de mensen van tegenwoordig: begeerte, haat, illusie, jaloersheid, luiheid, hoogmoed, dwaasheid enz.[9] 

Buddhaghosa heeft een commentaar geschreven bij de Pāli verzen en daarbij de verhalen genoteerd.[10] Zo zijn die verhalen tot ons gekomen. De samenstelling en ordening ervan in vaggas is natuurlijk het werk van de  samensteller. In het Dhammapada worden de wezenlijke principes van de Boeddhistische filosofie en de Boeddhistische manier van leven behandeld. Elke vorm van strenge ascese wordt er veroordeeld. De nadruk wordt gelegd op goed gedrag (sīla), in evenwicht gehouden door concentratie (samadhi) en versterkt door gezond verstand (pañña). De leer van de Boeddha wordt er in het kort beschreven: doe geen kwaad, doe goed en zuiver de eigen geest (vers 183).[11] 

  Het lijden in deze wereld kan beëindigd worden alleen door de vernietiging van hevige begeerte.[12] Begeerte, kwaadwil en afkeer, en illusie worden als gevaarlijk beschouwd. Alleen als ze in toom gehouden worden kan een gelukkig leven bereikt worden. Daartoe moeten de twee uitersten vermeden worden: behagen scheppen in een leven vol genot; en het uitoefenen van zelfkwelling. Men moet de middenweg volgen, d.w.z. het edele achtvoudige pad van de Boeddhas. Het bereiken van de verschillende niveaus op het Boeddhistisch pad is hoger aan te slaan dan het bezit van de hele wereld (vers 178). Iedereen kan de factoren van Verlichting ontwikkelen en de geest ontplooien. Men moet zichzelf inspannen. De Boeddha is alleen een gids (vers 276). Aanbevolen wordt een leven van vrede en zonder geweld (verzen 129-130 en 142).[13]

De Boeddha was de grootste leraar die bekend is. Hij werd niet boos of ongeduldig als anderen hem niet begrepen. Omdat hij de omstandigheden kende waarom iemand zich op een bepaald manier gedroeg, begreep hij het belang van de psychologische gesteldheid van een leerling om iets effectief aan hem of haar te kunnen onderwijzen. Hij paste zijn leermethodes aan aan leeftijd, temperament, karakter van de toehoorders. Hij hield er bijvoorbeeld rekening mee dat een hongerige zich niet kan concentreren.[14]

Mensen uit Europa kunnen bij het lezen en begrijpen van het Dhammapada misschien sceptisch worden en zich afvragen of de meeste verhalen volksverhalen, mythologieën en legenden zijn. Het belangrijkste is de moraal van het verhaal en de verzen.[15]

Een probleem voor tegenwoordige lezers zou kunnen zijn dat in de verhalen beschermgeesten van grotten, bossen en bomen, ongelukkige geesten (petas) en godheden (devas), kortom voor ons onzichtbare wezens voorkomen. Het beste is om zulke verschijnselen te aanvaarden met een open geest. Want onze kennis van het universum is verre van volledig.[16]

Onderverdeling van het Dhammapada

 

Zoals boven vermeld, is het werk onderverdeeld in 26 hoofdstukken (vaggas):[17]

1. Yamaka vagga (Dhp. 1-20). De tweeling-verzen. Vijandschap wordt niet overwonnen door vijandschap, maar door liefdevolle vriendelijkheid. Degene die kwaad doet, klaagt hier en in het hiernamaals. Degene die goed doet, verheugt zich hier over de goede daden en is gelukkig hier en hiernamaals.

2. Appamāda vagga (Dhp. 21-32). – Oplettendheid, energiek en serieus streven.

De eerste twee hoofdstukken gaan voornamelijk over Boeddhistische ethiek; ze zijn belangrijk zowel voor bhikkhus als voor leken.[18]

3. Citta Vagga (Dhp. 33-43). – De geest. Het is moeilijk de geest onder controle te houden; hij gaat heen en weer. De wijze temt hem en maakt hem gedwee.

Het derde hoofdstuk is vooral van belang omdat het iemand in staat stelt het Boeddhistische concept te begrijpen van de geest en het belang van het beheersen van de geest.[19]

4. Puppha vagga (Dhp. 44-59). – Bloemen.

            IV:1 bij 44-45 / IV:2 bij 46 / IV:3 bij 47 / IV:4 bij 48 / IV:5 bij 49 / IV:6 bij 50 / IV:7 bij 51-52 / IV:8 bij 53 / IV:9 bij 54-55 / IV:10 bij 56 / IV:11 bij 57 / IV:12 bij 58-59

5. Bāla vagga (Dhp. 60-75). – Dwazen. Als men niemand ontmoet die gelijk is aan of meer is dan zichzelf, moet men alleen verder gaan. Want er is geen hulp voor een dwaas.[20]

6. Pandita vagga (Dhp. 76-89). – De wijze. Degene die iemand waarschuwt en afhoudt van het kwaad is dierbaar aan goede mensen. Maar slechte mensen houden niet van hem. Er zijn maar weinigen die naar de andere oever wensen te gaan. De meesten lopen langs de oever.

De hoofdstukken 4-6 kunnen erg nuttig zijn voor degenen die in beslag genomen zijn door materiële genoegens. in deze hoofdstukken wordt de bedrieglijke natuur van wereldlijk geluk getoond en het soort van leven dat men zou moeten leiden in een dergelijke misleide wereld.[21]

7. Arahanta vagga (Dhp. 90-99). – De waardige, de edele. Zelfs de goden benijden de man die zijn zinnen bewaakt en bedwongen heeft en die zijn geestelijke verontreinigingen heeft gezuiverd.

8. Sahassa vagga (Dhp. 100-115). – Duizenden.

9. Pāpa vagga (Dhp. 116-128). - Het kwaad. Nergens is er een plaats waar men bevrijd is van (het resultaat van) slechte daden.

10. Danda vagga (Dhp. 129-145). - De roede of straf. Iedereen is bang voor straf. De dood is beangstigend voor allen. Daarom moet men niet doden noch anderen aanzetten tot doden.

11. Jāra vagga  (Dhp. 146-156). – Ouderdom.

12. Atta vagga  (Dhp. 157-166). – Het zelf. Men is de baas over zichzelf; wie anders kan er de baas zijn. Wanneer men zichzelf bedwongen heeft, heeft men een zeldzame overwinning behaald.

13. Loka vagga  (Dhp. 167-178). – De wereld.

14. Buddha vagga  (Dhp. 179-196). - De Boeddha. Het afzien van alle kwaad, goed te doen en de geest te zuiveren – dat is de leer van de Boeddhas.

15. Sukha vagga (Dhp. 197-208). – Geluk. We leven gelukkig, met liefde, temidden van degenen die haten. We leven vrij van vijandschap temidden van degenen die er vol van zijn. De overwinnaar veroorzaakt gevoelens van vijandschap; de overwonnenen hebben een verstoorde slaap. De bevrijde, die boven overwinning en nederlaag staat, is gelukkig. Vrij te zijn van ziekte is een groot gewin; tevredenheid is de beste rijkdom; vertrouwen is de ware verwant; en Nibbāna is het hoogste wat men kan bereiken.

16. Piya vagga  (Dhp. 209-220). – Affectie, genegenheid.

17. Kodha vagga (Dhp. 221-234). – Boosheid, woede. Hij is waarlijk een wagenmenner die zichzelf kan weerhouden boos te worden. De anderen houden slechts de teugels. Laat men het boze bedwingen door goedheid; gierigheid door vrijgevigheid, oneerlijkheid door waarheid.

18. Mala vagga (Dhp. 235-255). – Onzuiverheden of smetten.

19. Dhamattha vagga (Dhp. 256-272). – Het juiste of het oprechte.

20. Magga vagga (Dhp. 273-289). – De weg, het pad.

21. Pakinnaka vagga (Dhp. 290-305). – Gemengd.

22. Niraya vagga (Dhp. 306-319). – Staten van ellende.

23. Nāga vagga (Dhp. 320-333). – De olifant.

24. Tanhā vagga (Dhp. 334-359) . – Begeerte.

25. Bhikkhu vagga (Dhp. 360-382). – De Bhikkhu; de monnik.

26. Brāmana vagga (Dhp. 383-423). – De brahmaan. Men is geen brahmaan door een bepaalde haardracht, noch door familie of geboorte. De ware brahmaan is degene die begiftigd is met waarheid, mededogen en zuiverheid.

De Boeddha sprak niet alleen tot geleerde mensen, maar ook tot kleine kinderen in hun eigen taal (zie Dhp. 318-319). Zijn leer is toegankelijk voor iedereen.[22] 

Uit de verhalen bij de verzen blijkt duidelijk dat het betreden van het pad naar volmaakte heiligheid en ook het verkrijgen van arahantschap voor iedereen mogelijk is, voor monniken en nonnen, maar ook voor leken.

Vertalingen van verzen en bijhorende verhalen

Van de eerwaarde Narada werd toestemming verkregen om zijn vertaling van het Dhammapada in het Nederlands te vertalen. Mijn vertaling van de verzen is dan ook gebaseerd op Narada’s vertaling ervan. Die vertaling is vergeleken met de vertalingen van Blok, Neumann, Oldenberg en Schmidt.[23]

Bij de verzen wordt hier het doorlopende nummer ervan vermeld met tussen haakjes het betreffende hoofdstuk en vers.

De voetnoten zijn ontleend aan Narada’s vertaling, tenzij anders vermeld. Verwijzingen naar andere teksten of suttas zijn door mij toegevoegd.

De verhalen die bij de verzen behoren zijn heel beknopt weergegeven door de eerwaarde Narada. In Buddhist Legends staan de verhalen uitgebreid. Maar ik had slechts enkele kopieën van die verhalen ter beschikking. Van de Sasana Abhiwurdhi Wardhana Society, Buddhist Maha Vihara, Kuala Lumpur, Malaysia, werd toestemming verkregen om de verzen en verhalen die door de eerwaarde Dhammananda in het Engels zijn vertaald, in het Nederlands te vertalen. Voor de vertaling van de verhalen die bij de verzen horen, is dan ook in de meeste gevallen gebruik gemaakt van Dhammananda’s vertaling van het Dhammapada.

 Die verhalen hebben in Buddhist Legends en in de vertaling van de eerwaarde Dhammananda een eigen doorlopend nummer. Dat is niet gelijk aan de nummering van de verzen aangezien sommige verhalen bij meer dan één vers horen. Ik heb die nummering van de verhalen hier vermeld met het doorlopende nummer van het bijbehorende vers met tussen haakjes het betreffende hoofdstuk en vers.

De eerwaarde Narada en de eerwaarde Dhammananda vermelden eerst het vers of de verzen en daarna het verhaal dat erbij hoort. Ik heb eerst het verhaal opgenomen en daarna het vers of de verzen die naar aanleiding van de verhaalde gebeurtenis door de Boeddha gesproken zouden zijn.  


1. Yamaka-vagga - Tweeling-verzen

Dhp. 1-20


Verhaal I:1 bij 1 (1:1) De blinde Arahant Cakkhupala

Cakkhupala werd op middelbare leeftijd een monnik. Energiek leidde hij een beschouwend leven en bereikte de volmaakte heiligheid. Maar hij werd blind.

Op zekere dag liep hij op en neer en doodde zonder opzet veel insecten. Sommige monniken zagen de dode insecten en klaagden bij de Boeddha dat die monnik het vergrijp van doden had begaan. De Boeddha vroeg of zij hadden gezien dat de eerwaarde  Cakkhupalade insecten had gedood. Hun antwoord was neen. De Boeddha zei toen aan hen dat net zomin als zij het doden hadden gezien, evenmin had de eerwaarde  Cakkhupalade die insecten gezien. En bovendien was hij een Arahant en niet schuldig aan enige onheilzame daad.

De monniken wilden toen graag weten waarom die monnik blind was geworden.

De Boeddha vertelde dat die monnik in een vroeger leven een arts was geweest. Hij had toen een oogzalf aan een arme vrouw gegeven. Zij beloofde dat, als zij weer kon zien, zij en haar kinderen als bedienden voor de arts zouden werken. Door de oogzalf kon die vrouw weer zien. Maar zij hield zich niet aan haar belofte. Zij beweerde dat zij nu slechter kon zien dan voorheen. De arts gaf haar daarop een andere zalf waardoor zij blind werd. Als gevolg van die wrede daad werd de Arahant blind.

En verder zei de Verhevene:

1.        “De geest is de voorloper van alle kwade staten, de geest is het belangrijkste; door de geest worden ze geschapen. Als iemand spreekt of handelt met verdorven geest zal ten gevolge daarvan hem of haar lijden volgen, net zoals het wiel de hoef volgt van de os.” [24] 


Verhaal I:2 bij 2 (1:2)  De weg naar de hemel

Mattha Kundali, de zoon van een gierige miljonair te Savatthi was erg ziek. Zijn vader wilde geen arts laten komen omdat hij dan geld moest uitgeven.  De Boeddha zag met zijn goddelijk oog dat de jongen op sterven lag en op zijn aalmoezenrondgang[25] stond de Verhevene voor de deur van Mattha Kundali’s huis. De Boeddha zond een lichtstraal uit om de aandacht van de jongeman aan te trekken. Toen de jongen de Boeddha zag, was hij vol vreugde. Hij stierf met een zuiver hart, vol vertrouwen in de Boeddha. Daarom werd hij wedergeboren in de hemelse sfeer van de Tavatimsa goden.

Vanuit zijn hemelse verblijf zag hij zijn oude vader verdrietig bij zijn graf staan. Hij verscheen voor zijn vader en gaf hem de raad naar de Boeddha te gaan, aalmoezen[26] te geven en naar de leerrede van de Boeddha te luisteren. De vader deed wat hem was aangeraden. Na de leerrede vroegen de monniken of iemand wedergeboren kon worden in een hemelse sfeer enkel en alleen door diep vertrouwen te hebben in de Boeddha, zonder de regels van deugdzaamheid te hebben nagevolgd en zonder edelmoedigheid beoefend te hebben. Op verzoek van de Boeddha verscheen Mattha Kundali in zijn hemelse glorie voor de monniken en vertelde dat hij in de Tavatimsa hemel was wedergeboren. Toen waren de monniken overtuigd ervan dat men zo'n glorie kan verkrijgen enkel door vertrouwen in de Boeddha.

Op het einde van de leerrede besefte de oude man de Dhamma en gaf veel van zijn vermogen ten behoeve van de Dhamma.

2.        “De geest is de voorloper van alle goede staten, de geest is het belangrijkste; door de geest worden ze geschapen.[27] Als iemand spreekt of handelt met zuivere geest zal ten gevolge daarvan hem of haar geluk volgen, net zoals de schaduw iemand niet verlaat.”


Verhaal I:3 bij 3-4 (1:3-4) Wraak leidt niet naar vrede

De eerwaarde Tissa was er trots op dat hij een neef van de Boeddha was. Hij werd op oude leeftijd een monnik. Maar hij betoonde niet het verschuldigde respect aan de oudere monniken.[28] Toen zij zijn onheuse gedrag bekritiseerden, was hij beledigd en bedreigde hen. Hij ging naar de Boeddha en beklaagde zich. De Boeddha begreep de situatie en gaf hem de raad zich te verontschuldigen. Maar de eerwaarde Tissa was koppig. De Boeddha vertelde toen een verhaal waarin hij toonde dat Tissa op gelijke wijze had gehandeld in een vorig leven. Later werd de eerwaarde Tissa overgehaald om vergiffenis te vragen aan de oudere monniken.

3.        " ‘Hij beschimpte mij, trof mij, versloeg mij,beroofde mij’, in hen die zulke gedachten huisvesten, eindigt de haat nooit.”

4.        " ‘Hij beschimpte mij, trof mij, versloeg mij, beroofde mij’, in hen die zulke gedachten niet huisvesten, eindigt de haat.” [29] 


Verhaal I:4 bij 5 (1:5) Haat wordt overwonnen door liefdevolle vriendelijkheid

Een man had een vrouw die onvruchtbaar was. Zij raadde haar man aan een tweede vrouw te huwen. Maar toen de tweede vrouw in verwachting was, werd de onvruchtbare vrouw jaloers, mengde een vergif in het eten van haar rivale en veroorzaakte zo twee achtereenvolgende miskramen. Bij de derde gelegenheid veroorzaakte het vergif de dood van zowel de moeder als van het kind. De stervende vrouw verwenste haar rivale en haar nakomelingen. De ander deed dat eveneens. Zo hadden die twee vrouwen wraakgevoelens jegens elkaar gedurende twee achtereenvolgende levens. Maar de omstandigheden in haar derde leven veroorzaakten dat zij beiden de Boeddha ontmoetten in het Jetavana klooster. Deze bracht beide vrouwen  tot vrede door haar de raad te geven geen wraak te nemen.

                

5.         “Haat eindigt nooit door haat in deze wereld; haat eindigt alleen door liefdevolle vriendelijkheid; dat is de eeuwige wet.” [30]


Verhaal I:5 bij 6 (1:6) De twistende monniken van Kosambi - Verdraagzaamheid

In het negende regenseizoen vertoefde de Boeddha te Kosambi, in het Ghosita-klooster. Kosambi was de hoofdstad van het kleine koninkrijk van Vamsa, tussen de Ganges en de rivier Yamuna. De koning ervan was Udena.[31]

In deze plaats ontstond een twist tussen twee partijen monniken. Omdat de Boeddha aan de twist geen einde kon maken, verliet hij Kosambi en ging naar Bālakalonakāragāma. Vandaar ging hij in etappes verder naar Pārileyyaka. Daar verbleef hij in het Rakkhita-bos aan de voet van een sala-boom. Dankzij de druk, op hen uitgeoefend door de leken, beseften de monniken hun fouten. In de tiende regentijd na de Verlichting kwam eerst de ene partij monniken vanuit Kosambi naar de Verhevene toe en daarna de andere partij. En op het einde van dat seizoen werd de twist in tegenwoordigheid van de Verhevene te Sāvatthi bijgelegd.[32]

6.         “De twistzieke mensen weten niet dat wij hier in deze ruzie ten onder gaan.[33] Maar zij die dit inzien, staken daarom hun ruzie.”


Verhaal I:6 bij 7-8 (1:7-8) Mahakala en Culakala die monniken werden - Onjuist en juist denken

Twee broers werden monnik, de oudste uit overtuiging, de jongere zonder enig vertrouwen. De jongere dacht voortdurend aan materieel genot, was onderhevig aan de verleidingen van zijn vroegere vrouwen en verliet de Orde. De devote oudere monnik streefde ijverig en bereikte de volmaakte heiligheid, arahantschap. Zijn vroegere vrouwen probeerden hem te verleiden, maar tevergeefs.

7.         “Wie onjuist denkt over plezierige dingen,[34] met de zinnen onbewaakt, onmatig in voedsel, lui, niet actief, hij of zij wordt een prooi voor Mara,[35] net zoals de wind een zwakke boom omver gooit.

8.         “Maar wie juist denkt over de onzuiverheden,[36] met de zinnen bedwongen, matig in voedsel, vol vertrouwen,[37] energiek, actief, hij of zij is niet ten prooi aan Mara[38], net zomin als de wind een berg omver kan gooien.” [39]


Verhaal I:7 bij 9-10 (1:9-10) De zuivere is het gele gewaad waard, maar de onzuivere niet

Eens gingen de eerwaarde Sariputta en de eerwaarde Maha Moggallana van Savatthi naar Rajagaha. Daar werden zij en de andere bhikkhus door de mensen van Rajagaha uitgenodigd voor de maaltijd in de voormiddag. Bij die gelegenheid schonken enkele mensen een erg kostbaar stuk stof aan degene die de maaltijd had georganiseerd. Hij vroeg de kostbare stof te schenken aan een van de bhikkhus. Met meerderheid van stemmen werd toen aan Devadatta dat kostbare stuk stof  aangeboden omdat hij uit Rajagaha stamde. Deze maakte er direct een gewaad van.

 Een bhikkhu uit Rajagaha zag Devadatta dat gewaad dragen en toen hij naar Savatthi kwam om eer te betonen aan de Boeddha, vertelde hij de gebeurtenis met Devadatta. De Boeddha zei dat Devadatta ook in een vorig leven  gewaden had gedragen die hij niet waard was. En hij legde uit wie waard was het embleem van de heilige discipelen te dragen.

9.         “Wie niet zonder smetten is, wie zonder zelfbeheersing is en zonder waarheidlievendheid en het gele gewaad draagt,[40] hij is dat gewaad niet waard.”

10.         “Wie gezuiverd is van alle smetten, wie goed gevestigd is in deugdzaamheid en begiftigd is met zelfbeheersing en waarheidlievendheid, hij is wel het gele gewaad waard.” [41]


Verhaal I:8 bij 11-12 (1:11-12) Sariputta en Moggallana - Juiste visie; het is moeilijk de waarheid in te zien

Upatissa, zoon van Sari, en Kolita, zoon van Moggali,  waren twee bevriende jongemannen van Rajagaha. Tijdens het kijken naar een toneelstuk beseften zij de onwerkelijkheid van de dingen. Zij besloten daarom op zoek te gaan naar de weg naar bevrijding. Eerst gingen zij naar de asceet Sanjaya die te Rajagaha verbleef. Maar zij waren niet tevreden met zijn leringen. Toen gingen zij afzonderlijk op zoek in het hele land met de belofte dat degene van hen die de ware Dhamma vond, de ander zou informeren. Na veel zoeken vonden zij de ware Dhamma niet en zij keerden terug naar hun geboorteplaats.

Op een dag ontmoette Upatissa de eerwaarde Assaji en leerde van hem de kern van de Dhamma door een vers dat begon met de woorden: “Alle verschijnselen ontstaan door oorzaken.” Upatissa bereikte het eerste niveau van heiligheid, sotapatti. Zoals beloofd ging hij naar zijn vriend Kolita en vertelde dat hij op weg was naar het doodloze en hij herhaalde het vers voor zijn vriend. Ook Kolita bereikte sotapatti op het einde van het vers.

Beiden herinnerden zich hun vroegere leraar Sanjaya, gingen naar hem toe en zeiden dat zij iemand gevonden hadden die het pad naar het doodloze kon uitleggen. “De Boeddha is in de wereld verschenen; de Dhamma is verkondigd; de Sangha is gevormd. Kom, laten wij naar de leraar gaan.” Maar Sanjaya weigerde met hen mee te gaan.

Upatissa en Kolita gingen toen met veel van hun volgelingen naar de Boeddha in het Jetavana klooster. Zij allen kregen de wijding tot bhikkhu. Kolita kreeg de naam Moggallana en Upatissa kreeg de naam Sariputta. Op de zevende dag na de wijding bereikte de eerwaarde Moggallana arahantschap. De eerwaarde Sariputta werd een volmaakte heilige veertien dagen na zijn wijding. Zij werden de twee hoofddiscipelen van de Boeddha.

De eerwaarde Sariputta en de eerwaarde Maha Moggallana vertelden aan de Boeddha dat zij hun vroegere leraar niet ervan konden overtuigen om de Boeddha te bezoeken en naar de Dhamma te luisteren, omdat hij als leraar van veel volgelingen het niet passend vond om een discipel van de Boeddha te worden. Sanjaya had gezegd dat slechts weinig mensen wijs zijn en dat de meesten dom zijn.

De Boeddha wees er toen op dat Sanjaya’s verkeerde trots hem ervan af hield de waarheid in te zien. Hij legde toen het verschil uit tussen degenen die juist denken en degenen die verkeerd denken. Ook legde hij de onvermijdelijke gevolgen uit van een dergelijk denken.

11.         “Wie het onwezenlijke voor wezenlijk en het wezenlijke[42] voor onwezenlijk houdt, - zij die zulke verkeerde meningen hebben, komen nooit tot het wezenlijke.”

12.         “Wie het wezenlijke als wezenlijk beschouwt en het onwezenlijke als onwezenlijk, zij die zulke juiste meningen[43] hebben, komen tot het wezenlijke.”


Verhaal I:9  bij 13-14 (1:13-14) Vurig verlangen doordringt het hart van de onontwikkelde, maar niet dat van de ontwikkelde (Nanda)

Prins Nanda, de stiefbroer en neef[44] van de Boeddha, werd op de dag dat hij wilde trouwen, door de Boeddha in de Orde opgenomen. In plaats van te mediteren dacht Nanda voortdurend aan zijn verloofde, prinses Janapada Kalyani. Tegen meerdere monniken klaagde de eerwaarde Nanda erover dat hij ontevreden was met het leven als bhikkhu en dat hij de oefening wilde opgeven en naar de status van een gezinshoofd wilde terugkeren.

Dit werd aan de Boeddha gemeld die daarop aan Nanda vroeg waarom hij weer het leven in de wereld wilde aannemen. De eerwaarde Nanda antwoordde dat hij steeds aan zijn verloofde, het mooiste meisje van het land, moest denken.

De Boeddha gebruikte zijn bovennatuurlijke kracht en liet Nanda de mooie nimfen zien in de Tavatimsa-hemel van de Drieëndertig. En de eerwaarde Nanda bekende dat die nimfen veel mooier, sierlijker en verleidelijker waren dan zijn verloofde. De Boeddha zei dat Nanda een van haar kon krijgen als hij ijverig zijn best deed in de beoefening van de Dhamma. Andere bhikkhus spotten met Nanda, noemden hem een loondienaar die de Dhamma alleen beoefende omwille van een mooi meisje. De eerwaarde Nanda schaamde zich, ging afgezonderd leven, streefde ijverig en bereikte uiteindelijk de volmaakte heiligheid.[45] Als Arahant was zijn geest helemaal bevrijd van gehechtheden; zijn geest was gezuiverd van elke soort van lustvolle gedachten.

 De Boeddha vergeleek de vroegere toestand van zijn geest met het slecht bedekte dak van een huis en de gewijzigde zuivere toestand van de geest met een huis dat een goed dak heeft.[46]

13.         “Zoals regen een huis binnendringt waarvan het dak niet goed bedekt is, zo dringt vurig verlangen een onontwikkeld hart binnen.”

14.         “Zoals regen een huis niet binnendringt waarvan het dak goed bedekt is, zo dringt vurig verlangen niet een goed ontwikkeld hart binnen.”[47]


Verhaal I:10 bij 15 (1:15) De slager Cunda - Boosdoeners lijden hier en hierna

In een dorp niet ver verwijderd van het Veluvana klooster voorzag een slachter met naam Cunda in zijn levensonderhoud door op wrede manier varkens te slachten. Op het einde van zijn leven leed hij erg veel. Voor zijn dood kroop hij over de grond en uitte geluiden als een varken. Hij leed geestelijk en lichamelijk veel pijn. Na zijn dood werd hij wedergeboren in een staat van ellende, in de hel.

        

15.        “Degene die kwaad doet, treurt hier[48] en later[49].

In beide gevallen treurt de boosdoener. Hij treurt omdat hij de onzuiverheid van zijn eigen daden waarneemt.”


Verhaal I:11 bij 16 (1:16) Gelukkig is de weldoener hier en hierna (Dhammika)

Dhammika, een vrome jongeman te Savatthi leidde een religieus leven. Hij hield ervan liefdadige werken te doen. Vrijgevig gaf hij regelmatig eten en andere benodigdheden aan heilige mannen. Hij was het hoofd van veel vrome leken te Savatthi. Hij had veel kinderen en zij allen waren vrijgevig zoals hun vader. Op zijn sterfbed vroeg hij aan de Sangha om suttas voor hem te reciteren. Tijdens de recitatie van het Maha-Satipatthana sutta zag hij gelukkige visioenen.[50] Zes versierde koetsen van zes hemelse werelden kwamen en nodigden hem uit om naar de respectievelijke wereld te komen. Hij koos voor de Tusita hemel waar hij na een vredige dood werd wedergeboren.[51]

16.        “Hier[52] en later[53] verheugt de weldoener zich. In beide gevallen verheugt de weldoener zich. Hij verheugt zich omdat hij de zuiverheid van zijn eigen daden waarneemt.”


Verhaal I:12 bij 17 (1:17) Het ellendige lot van Devadatta - De boosdoener klaagt hier en hierna

Devadatta, een neef van de Boeddha, probeerde de Boeddha te vermoorden. Later werd Devadatta negen maanden lang ziek. Hij kreeg spijt van zijn boze daden en vroeg zijn discipelen hem op een draagbaar naar de Boeddha te brengen. Op weg naar de Boeddha stierf hij onder tragische omstandigheden. Na zijn dood werd hij wedergeboren in een zeer pijnlijke staat van ellende, in de hel.

17.        “Hier en later lijdt degene die kwaad doet. Hij lijdt in beide gevallen. Hij denk: 'Ik heb kwaad gedaan,' en daarom lijdt hij. Verder lijdt hij omdat hij naar een staat van ellende is gegaan.”


Verhaal I:13 bij 18 (1:18) Sumana Devi - Gelukkig is de rechtvaardige

Sumanâ, de jongste dochter van Anathapindika, de hoofdsponsor van de Boeddha, sprak op haar sterfbed haar vader aan met “jongere broer” en stierf in vrede. Haar vader vertelde de gebeurtenis aan de Boeddha. Deze legde uit dat zij haar vader zo had toegesproken omdat zij het tweede niveau van heiligheid (sakadagami, eenmaal wederkeer) had bereikt terwijl haar vader alleen het eerste niveau van heiligheid (sotapatti, stroomintrede) had bereikt. De Verhevene vertelde verder dat Sumana wedergeboren was in de Tusita hemel.

18.        “Wie goed deed, hij verheugt zich hier en aan gene zijde; in beide staten is de weldoener gelukkig. Het verheugt hem dat hij goed heeft gedaan. Verder is hij gelukkig omdat hij naar een zalige staat is gegaan.”


Verhaal I:14  bij 19 en 20 (1:19-20) Leren zonder praktijk is waardeloos

 

  Er waren twee monniken: de een was nog een wereldling maar was wel bedreven in de verzen van de leer. In de praktijk oefende hij echter niet uit wat hij theoretisch wist. De andere monnik kende weinig van buiten maar hij beoefende de leer in de praktijk. Na niet lange tijd verwerkelijkte hij Nibbāna en genoot de vruchten van het heilige leven. De geleerde monnik wilde de ander in de war brengen door hem enkele ingewikkelde vragen te stellen in tegenwoordigheid van de Boeddha. Maar de Verhevene kende de lage beweegreden. Zelf stelde hij enkele vragen die verband hielden met de verwerkelijking van de leer. De Arahant beantwoordde ze allemaal vanuit eigen ervaring. Maar de geleerde monnik kon dat niet omdat hij geen enkel van de niveaus van heiligheid bereikt had. Daarop prees de Boeddha de Arahant met de woorden:

19.         “Al reciteert men ook veel uit de heilige teksten,[54] maar als men er niet overeenkomstig naar handelt, dan is die onoplettende persoon als een koeherder die het vee van anderen telt. Hij heeft geen deel aan de vruchten van het heilige leven.” [55] 

20.        “Al reciteert men weinig uit de heilige teksten, maar als men wel overeenkomstig de leer handelt, als men begeerte, afkeer en onwetendheid opgeeft, als men waarlijk weet, met een gemoed dat wel-bevrijd is, als men aan niets hier en hierna hecht, dan heeft men deel aan de vruchten van het heilige leven.”


2. Appamada vagga - Oplettendheid

Dhp. 21-32


Verhaal II:1 bij 21-23 (2:1-3) Complot van Magandiya tegen koningin Samavati - De onoplettende sterft, de oplettende sterft niet

De hoofdvrouw van koning Udena van Kosambi heette Samavati. Zij was de dochter van Setthi Bhaddavatiya van Bhaddavatī, die een vriend was van Ghosaka van Kosambī. Toen in Bhaddavatī een besmettelijke ziekte uitbrak, vluchtte zij met haar ouders naar Kosambī. Daar kreeg zij te eten dat door Ghosaka in een zaal voor aalmoezen werd gereed gezet. Op de eerste dag vroeg Sāmāvatī drie porties, op de tweede dag vroeg zij twee porties en op de derde dag vroeg zij slechts één portie. Haar vader stierf na de eerste maaltijd, haar moeder stierf na de tweede maaltijd. Toen zij op de derde dag slechts één portie vroeg, zei Mitta, die de maaltijden verdeelde, voor de grap tegen haar: “Vandaag ken je de grootte van je maag.”  Zij begreep de grap niet en toen Mitta ze uitlegde, vertelde zij wat in de afgelopen dagen gebeurd was. Mitta voelde medelijden met haar en adopteerde haar als zijn dochter.
        Toen zij op een dag naar de eetzaal kwam, vond zij er veel verwarring en lawaai, mensen die heen en weer renden om eten te krijgen. Zij vroeg toestemming om orde in de chaos te brengen en richtte een hekwerk rondom de hal met aparte in- en uitgangen, waardoor aan de wanorde een einde kwam. Ghosaka, verbaasd over de plotselinge rust in de hal, zocht naar de oorzaak en toen hij ontdekte wat Sāmāvatī had gedaan, adopteerde hij haar als zijn dochter. De echte naam van Sāmāvatī was Sāmā, maar nadat zij het hekwerk 
(vati) rondom de eetzaal had opgericht, werd zij Sāmāvatī genoemd.
        Op een feestdag zag Udena Sāmāvatī naar de rivier gaan om er te baden en hij werd verliefd op haar. Hij vroeg Ghosaka om haar naar het paleis te sturen, wat deze weigerde. Daarop liet de koning Ghosaka en zijn vrouw uit hun huis gooien en liet het verzegelen. Toen Sāmāvatī dat vernam, bracht zij Ghosaka ertoe haar in het paleis te laten gaan, waar Udena haar tot zijn hoofdvrouw benoemde.

Enige tijd later maakte koning Udena ook Māgandiyā tot zijn vrouw. Magandiya was de dochter van een brahmaan. Toen de Boeddha eens in een bos vertoefde, ontmoette hij er de vader van Magandiya die van mening was dat alleen de Verhevene waardig genoeg was om zijn mooie dochter te trouwen. Daarom bood de brahmaan toen aan de Boeddha zijn dochter ten huwelijk aan. Maar de Boeddha wees haar af met de woorden: “Gezien heb ik Tanhā, Arati und Rāgā,[56] maar er kwam geen enkel verlangen naar seksuele omgang. Wat is dit lichaam werkelijk, vol met urine en uitwerpselen? Ik zou haar zelfs niet met mijn voet willen aanraken.” [57] 

De Boeddha wist dat de brahmaan en diens vrouw een grote mentale zuiverheid hadden. En bij het horen van die woorden zagen beiden in dat alle schoonheid vergankelijk is en op die dag bereikten zij angami, het derde niveau van heiligheid. Zij vertrouwden hun dochter toe aan haar oom en traden toe tot respectievelijk de Bhikkhu-Sangha en de Bhikkhuni-Sangha. Na niet lange tijd bereikten zij arahantschap.

Maar hun dochter Māgandiya was erg hoogmoedig en vatte de woorden van de Boeddha op als een persoonlijke belediging. Zij werd verbitterd en nam zich voor wraak te nemen als de gelegenheid zich zou voordoen.

Later werd zij door haar oom ten huwelijk aangeboden aan koning Udena en zij werd een van zijn hoofdvrouwen.

Toen de Boeddha op uitnodiging van Ghosaka, Kukkuta en Pāvāriya naar Kosambī kwam, hoorde Khujjutarā, de dienares van Sāmāvatī, een leerrede en bereikte de stroomintrede (sotāpanna). Zij ging naar de tuinman Sumana om bloemen voor Sāmāvatī te kopen, waarvoor zij van de koning dagelijks acht munten kreeg. Zij was door Sumana uitgenodigd om de leerrede van de Boeddha bij te wonen. Op de voorgaande dagen kocht zij bloemen voor slechts de helft van de munten, de rest hield zij voor zichzelf. Maar op de dag dat zij de stroomintrede bereikte, kocht zij bloemen voor het volledige bedrag, bracht ze naar Sāmāvatī en bekende het hele verhaal. Op verzoek van Sāmāvatī herhaalde Khujjuttarā de hele leerrede voor haar en de andere hofdames, zoals zij die van de Boeddha had gehoord. Na dit incident bezocht Khujjuttarā dagelijks de Boeddha om de leer te horen en na terugkeer alles te herhalen voor Sāmāvatī en haar hofdames.

Toen bekend werd dat de Boeddha door de straat zou lopen waar het paleis zich bevond, liet Sāmāvatī gaten in de muur maken zodat zij en haar hofdames de Boeddha konden zien en vereren.

Māgandiya vernam dat de Boeddha in Kosambi was aangekomen en dat koningin Samavati en haar hofdames eer betoonden aan de Boeddha als zij de Verhevene door de gaten in de muren van hun vertrekken langs zagen komen. Omdat Māgandiya wraak wilde nemen, vertelde zij aan koning Udena over de gaten in de muur en zei erbij dat koningin Samavati hem ontrouw was geworden. De koning zag de gaten maar werd niet boos.

  De jaloerse Magandiya bleef proberen de koning ervan te overtuigen dat koningin Samavati hem niet trouw was en hem probeerde te doden. Toen de koning eens naar Samavati wilde gaan, vertelde Magandiya hem dat zij een slecht voorgevoel had en dat zij bezorgd was. Omdat zij wist dat de koning altijd zijn luit meenam, deed zij een slang in zijn luit en bedekte het gat met een bos bloemen. Bij de kamer van Samavati verwijderde Magandiya de bos bloemen, de slang kroop uit de luit en slingerde zich op het bed. De koning dacht dat Samavati hem probeerde te doden en werd heel kwaad. Hij beval Samavati te gaan staan met haar hofdames achter zich. Hij pakte zijn boog en schoot een pijl af die gedrenkt was in vergif. Maar door de kracht van metta, liefdevolle vriendelijkheid,[58] miste de pijl zijn doel hoewel de koning een uitstekend boogschutter was.

Koning Udena besefte dat Samavati onschuldig was en omdat hij overtuigd was van de goedheid van Sāmāvatī, verleende hij haar een gunst. Zij wenste dat de Boeddha dagelijks in het paleis werd uitgenodigd om aan haar en haar hofdames de leer te onderwijzen. De Boeddha stuurde in zijn plaats Ananda die de leer aan haar uitlegde en door haar van maaltijden werd voorzien. Op een dag schonken zij aan Ananda vijfhonderd gewaden die zij van de koning hadden gekregen, die daar heel boos over werd. Maar nadat Ananda hem had uitgelegd dat niets verspild is dat aan de gemeenschap van monniken wordt geschonken, was hij zeer tevreden en gaf nog eens vijfhonderd gewaden van zichzelf.

Magandiya liet toen het paleis van Samavati in brand steken waardoor Samavati en haar hofdames levend verbrandden.[59] Maar ondanks het gevaar waren zij blijven mediteren en zij allen bereikten een niveau van heiligheid.

De koning vernam het nieuws van de brand, haastte zich naar het paleis maar hij was te laat. Hij verdacht Magandiya van de brand maar kon het niet bewijzen. Hij zei daarom aan Magandiya dat hij eerst erg bang was geweest omdat hij gedacht had dat Samavati hem kwaad wilde doen. Maar nu was hij gerustgesteld. Wie zou dat wel gedaan hebben? Het moest iemand zijn die hem heel erg lief had. Magandiya liet zich door deze woorden beet nemen en gaf direct toe dat zij haar verwanten opdracht had gegeven om het paleis van Samavati in brand te steken. De koning deed alsof hij erg blij was en vroeg haar haar verwanten uit te nodigen omdat hij hen wilde eren. Toen zij allen aanwezig waren, werden zij en ook Magandiya gevangen genomen en ter dood gebracht.[60]

De Verhevene verbleef toen te Kosambi in het Ghosita klooster. Meerdere bhikkhus deden in de voormiddag hun gewaden aan, namen hun nap en oppergewaad en gingen naar Kosambi voor aalmoezen. Na in Kosambi de aalmoezenronde gemaakt te hebben gingen zij terug. Na de maaltijd gingen zij naar de Verhevene, knielden voor hem neer met hun hoofd tot op de grond, gingen terzijde zitten en vertelden over de brand en de dood van de vele vrouwen. Zij vroegen wat de bestemming, de toekomstige geboorte van die vrouwelijke lekenvolgelingen was.

 De Boeddha gaf ten antwoord: “Bhikkhus, sommigen van die vrouwelijke lekenvolgelingen waren in de stroom getreden, sommigen waren één keer wederkerenden, sommigen waren niet meer wederkerenden.[61] De dood van elk van die vrouwen was niet zonder vrucht.”

21.         “Oplettendheid[62] is het pad naar het doodloze,[63] onoplettendheid is het pad naar de dood. De oplettenden sterven niet;[64] onoplettenden zijn als dood.”

22.        “Dit verschil duidelijk begrijpend,[65] verheugen de wijzen die gericht zijn naar oplettendheid zich in oplettendheid, zich verheugend in het rijk van de edelen.” [66]

23.        “Degenen die constant mediteren,[67] die steeds standvastig zijn, verwerkelijken het van boeien vrije,[68] hoogste Nibbana.” [69]


Verhaal II:2 bij 24 (2:4) De stem van een rijke man (Kumbha Ghosaka) - De energieke gaat vooruit

 Eens brak er pest uit in de stad Rajagaha. De stadsbankier, zijn vrouw en andere leden van zijn huishouden werden erg ziek. Daarom verzochten zij hun jonge zoon Kumbha Ghosaka hen te verlaten en het huis te ontvluchten. Hij zou alleen terugkeren als de pest voorbij was. Zij vertelden hem ook dat zij een waardevolle schat hadden begraven op een bepaalde plek. De zoon deed wat hem gevraagd was en ging weg. Na een lange tijd van afwezigheid besloot hij naar de stad terug te keren.

  Niemand in de stad herkende hem. Hij ging naar de plek waarvan zijn ouders hadden gezegd dat er een schat was begraven en vond die intact. Maar hij besefte dat, als hij de schat zou uitgraven, de mensen konden denken dat een arme jongeman rijk was geworden door verkeerde middelen en dat aan de koning zouden melden. In dat geval zou zijn bezit in beslag genomen worden. Hij besloot daarom de schat te laten waar hij was. Hij ging op zoek naar werk om in zijn levensonderhoud te voorzien. Hij kreeg het werk van stadsomroeper. Vroeg in de morgen moest hij rond gaan en de mensen wakker maken met de aankondiging dat het tijd was om eten klaar te maken, om karren te halen, de ossen aan te spannen en dergelijke dingen.

  Op een morgen hoorde koning Bimbisara hem. De koning was erg goed in het beoordelen van iemands karakter door naar de stem te luisteren. En bij het horen van de stem van de jongeman Kumbha Ghosaka merkte hij op: “Dit is de stem van iemand met grote rijkdom.” Een vrouwelijke bediende hoorde de opmerking van de koning en stuurde iemand om dat uit te zoeken. Zij kreeg te horen dat de jongeman slechts een loondienaar was van de werklieden. Dit deelde zij de koning mede. Ondanks dit verslag herhaalde de koning dezelfde opmerking op twee volgende dagen. Weer werd onderzoek gedaan maar met hetzelfde resultaat. De bediende vond dit erg vreemd en zij vroeg toestemming van de koning om de zaak zelf uit te zoeken.

 Vermomd als pachters gingen de bediende en haar dochter naar de huizen van de werklieden. Met de woorden dat zij reizigers waren vroegen zij onderdak en dat kregen zij in het huis van de jongeman. Zij zorgden ervoor dat zij enige tijd daar konden blijven. In die tijd verkondigde de koning twee keer dat een bepaalde ceremonie gehouden moest worden in de wijk waar de werklieden woonden. Elk huishouden moest ertoe bijdragen. Kumbha Ghosaka had voor een dergelijke gelegenheid geen contant geld. Hij was daarom genoodzaakt om enige gouden munten van de begraven schat te halen. Toen die munten overhandigd waren, verving de bediende die met haar eigen geld en stuurde de gouden munten naar de koning. De koning liet de jongeman naar het paleis brengen.

 De koning vroeg aan Kumbha Ghosaka om de waarheid te vertellen en verzekerde hem dat hij niet gestraft zou worden als hij onschuldig was. Kumbha Ghosaka bekende toen dat die gouden munten van hem waren en ook dat hij de zoon was van de stadsbankier van Rajagaha die jaren geleden tijdens de pest gestorven was. Hij toonde ook de plek waar de schat verborgen was. Daarop werd de schat naar het paleis gebracht. De koning benoemde de jongeman net als diens vader tot stadsbankier en gaf hem een van zijn dochters ten huwelijk.

  Later werd hij door de koning voorgesteld aan de Boeddha in het Veluvana klooster. De koning vertelde hoe de jongeman nederig geleefd had en dat hij nu tot stadsbankier benoemd was. De Boeddha beschreef toen de eigenschappen van degenen die voorspoed hebben.

 

24.         “De glorie van degene die energiek is, opmerkzaam, zuiver in daden, attent, zelfbeheerst, die correct leeft en ijverig is, neemt gestaag toe.”


Verhaal II:3 bij 25 (2:5) Cula Panthaka bereikt arahantschap - Onafgebroken inspanning

Een bankier had twee kleinzonen, Mahapanthaka en Culapanthaka. De oudste van hen, Mahapanthaka, ging vaak met zijn grootvader luisteren naar leerreden over de Dhamma. Hij leerde een aanzienlijk deel van de woorden van de Boeddha uit het hoofd, bleef gedurende de regenperiode op één plaats, ontving de volle wijding tot monnik en bereikte arahantschap door zich ijverig toe te leggen op meditatie. Toen Mahapanthaka zijn tijd in het genot van de zegening van mystieke meditatie doorbracht, in de zegening van de vrucht van het pad, dacht hij bij zichzelf: "Het is zeker in de kracht van mijn jongere broer Culapanthaka om hetzelfde genot te ervaren.” Daarom liet hij Culapanthaka komen en vestigde hem in de regels van deugdzaamheid. Maar Culapanthaka bleek een slecht herinneringsvermogen te hebben. In vier maanden tijd was hij niet in staat om een enkel vers uit het hoofd te leren. Daarop zei Mahapanthaka tot zijn broer: "Jij bent niet in staat om deze religie te bemeesteren. Hoe kun jij ooit hopen het doel van dit religieuze leven te bereiken? Verlaat onmiddellijk het klooster."

Met deze woorden verdreef Mahapanthaka zijn broer uit de Orde.[70] Maar Culapanthaka was de leer van de Boeddha zeer toegedaan en hij wilde ze niet verlaten. Op die tijd werd de Boeddha uitgenodigd om met zijn gevolg te komen eten bij de arts Jivaka. Hij vroeg hoeveel monniken er waren. Het antwoord van Mahapanthaka luidde dat er 500 monniken waren. Culapanthaka vertrok toen uit het klooster, maar de Boeddha zag dit in zijn geest en ging op dezelfde weg heen en weer. Hij ontmoette Culapanthaka en vroeg hem waar hij naartoe ging. "Eerwaarde heer, mijn broer heeft mij uit de Orde verstoten en daarom ga ik terug naar de wereld." - "Culapanthaka, door mijn handen heb jij intrede in de Orde verkregen. Waarom kwam jij niet naar mij toe, toen jouw broer je verstootte? Kom nu, wat heb jij te doen met het leven van een gezinshoofd. Jij zult bij mij blijven."

Met deze woorden streek de Leraar hem met zijn hand over het hoofd en nam hem met zich mee, gaf hem een helder doekje en zei: "Kijk naar het oosten, wrijf dit doekje en zeg: 'Verwijdering van onzuiverheid, verwijdering van onzuiverheid.'"

Toen Culapanthaka het doekje wreef, werd dat smerig. Hij dacht toen: "Dit doekje was voorheen zuiver, maar door aanraking met mijn lichaam heeft het zijn oorspronkelijke karakter verloren en is vuil geworden. Veranderlijk en vergankelijk, waarlijk, zijn alle bestaande dingen." En hij ontwikkelde inzicht, begreep de gedachte van ontstaan, vergaan en dood.

De Boeddha wist dat Culapanthaka inzicht had bereikt en zei: "Culapanthaka, denk niet alleen aan een stuk doek. Maar binnen in jou zijn lust, onzuiverheid en andere smetten. Verwijder die." En verder zei hij: "Begeerte en onwetendheid, niet vuil is waarlijk genaamd onzuiverheid. Voor begeerte en onwetendheid is de aanduiding onzuiverheid juist gebruikt. Monniken moeten zichzelf bevrijden van deze vorm van onzuiverheid en leven vol vertrouwen in de religie van hem die vrij is van begeerte en onwetendheid."

Door verder na te denken over het vergankelijke, het niet-blijvende van alle veroorzaakte dingen bereikte de jonge monnik Culapanthaka de staat van volledige heiligheid (arahantschap) samen met de bovennatuurlijke eigenschappen en ook de kennis van de drie Pitakas.[71]

En de Boeddha sprak het vers:

25.         "Door onafgebroken inspanning, ernstig streven, discipline en zelfbeheersing, laat zo de wijze voor zichzelf een eiland maken dat door geen vloed kan worden overstroomd." [72] 

-=-

Dhp. 25. Het verhaal in het kort:

De Boeddha geeft aan Culapanthaka een zuiver doekje met de instructie dat doekje te wrijven en de woorden te herhalen: "Verwijdering van onzuiverheid."

 Nadat Culapanthaka het doekje een tijd lang had gewreven, zag hij dat het doekje onzuiver werd. En aldus kreeg hij de geestelijke reflectie van onbestendigheid. De Boeddha verscheen voor hem in een visioen en zei: "Begeerte, haat en onwetendheid: dat is onzuiverheid. Verwijder die."

Culapanthaka bereikte arahantschap.

De leer is er niet alleen voor geleerde, maar ook voor minder begaafde mensen. (Niet voor intellectuelen, maar voor wijze mensen)


Verhaal II:4 bij 26-27 (2:6-7) Kinderlijk gedrag op een festival - Wees oplettend, niet onoplettend

In een bepaalde periode van het jaar werd in Savatthi een populair festival gevierd dat zeven dagen duurde. Veel jonge mannen smeerden zich dan in met as en koemest en liepen door de stad en schreeuwden luid. Ook bleven zij bij de deuren van gezinshoofden staan en gingen pas weg als zij wat geld hadden gekregen.

In die tijd woonden te Savatthi ook veel lekenvolgelingen van de Boeddha. Vanwege de lastige jonge mannen vroegen zij aan de Verhevene om tijdens dat festival in het klooster te blijven en niet in de stad te komen. Zij stuurden maaltijden naar het klooster en zelf bleven zij in hun eigen huizen. Op de achtste dag, toen het festival voorbij was, werden de Boeddha en zijn discipelen uitgenodigd voor de maaltijd en om in de stad een leerrede te houden. Zij vertelden over het kinderlijke gedrag van de jonge mannen tijdens dat festival. De Boeddha zei toen dat het in de natuur lag van degenen die onachtzaam zijn, om zich onbeleefd te gedragen, zonder waardigheid en edelheid. Hij gaf de lekenvolgelingen de raad om niet onachtzaam te zijn en zich niet over te geven aan zinnelijke genietingen Maar zij moesten steeds proberen oplettendheid uit te oefenen. Door oplettendheid zal men in staat zijn om geluk te verwerven en Nibbana, de hoogste gelukzaligheid, te verwerkelijken.

 Tijdens het luisteren naar de leerrede van de Verhevene werden de lekenvolgelingen vervuld van vreugde en geluk. En zij ontwikkelden meer vertrouwen in de verheven waarheid van de Dhamma.

26.        “Onwetende, dwaze mensen geven zich over aan onoplettendheid; de wijze beschermt serieus streven als de grootste schat.”

27.         Geef u niet over aan onoplettendheid; heb geen vertrouwelijkheid met zinnelijke genietingen. Waarlijk, de serieuze, meditatieve persoon krijgt overvloedige gelukzaligheid.”


Verhaal II:5 bij 28 (2:8) Onoplettendheid moet overwonnen worden door oplettendheid

        Met inspanning probeerde de eerwaarde Maha Kassapa eens met zijn bovennatuurlijke kracht van geest de geboorte en dood van wezens te begrijpen, wie waakzaam was en wie onachtzaam, waar zij herboren werden.

            De Boeddha zag dit met zijn goddelijk oog,  verscheen voor hem en zei dat Maha Kassapa zijn tijd verspilde.[73] De kennis van de kringloop van geboorte en dood van levende wezens is onbegrijpelijk. Alleen een Boeddha kan de totaliteit van bestaansvormen begrijpen en uitleggen.

28.         “Wanneer een begrijpend iemand onoplettendheid verwijdert door oplettendheid, dan stijgt hij, vrij van verdriet,[74] omhoog naar het paleis van wijsheid. En vandaar kijkt de wijze[75] omlaag naar de bedroefde mensen, zoals een bergbeklimmer van boven kijkt naar de mensen die beneden zijn.” [76]


Verhaal II:6 bij 29 (2:9) Het doel van het religieuze leven - De ijverige en de waakzame halen de onnadenkende en de trage in

Twee bhikkhus trokken zich terug in een klooster in een bos om er te mediteren. De een was ijverig, de ander niet. De ijverige bereikte arahantschap binnen korte tijd.

Op het einde van de regentijd gingen beide bhikkhus naar de Boeddha om hem eer te betonen. De Verhevene vroeg hoe zij de regentijd hadden doorgebracht. De luie en onachtzame bhikkhu gaf ten antwoord dat de andere bhikkhu de tijd verkwistte  en alleen maar lag te slapen. De Boeddha vroeg toen wat de luie bhikkhu zelf had gedaan. Het antwoord luidde dat hij zichzelf eerst bij het vuur verwarmde en dan bleef zitten zonder te slapen. De Boeddha wist echter heel goed hoe de twee bhikkhus hun tijd hadden besteed. Dus zei hij aan de onachtzame: “Hoewel jij lui en onoplettend bent, beweer jij toch ijverig en altijd waakzaam te zijn. De andere bhikkhu evenwel moet geprezen worden. Hij is ijverig en steeds oplettend.”

29.         “Oplettend onder de onachtzamen, heel wakker onder de slapenden,[77] gaat de wijze vooruit, zoals een snel paard een zwak oud paard achterlaat.”


Verhaal II:7 bij 30 (2:10) Hoe Magha Sakka werd - Serieus streven leidt naar heerschappij

Mahali, een Licchavi prins, kwam naar een leerrede van de Verhevene luisteren. De leerrede die toen gesproken werd was het Sakkapanha sutta. De Boeddha sprak er levendig over Sakka[78] met vurige termen. Prins Mahali dacht daarom dat de Boeddha Sakka persoonlijk had ontmoet. Hij informeerde ernaar en de Boeddha antwoordde dat hij Sakka kende en ook wist wat hem tot Sakka had gemaakt. Sakka was in een vroeger bestaan een jonge man met naam Magha,[79] in de stad Macala. Hij en zijn tweeëndertig  vrienden hadden veel sociaal nuttige dingen gedaan zoals wegen aanleggen en rusthuizen bouwen. Magha had ook de volgende zeven verplichtingen tijdens zijn hele leven op zich genomen:

  1. Zorgen voor zijn ouders.
  2. Respect voor de ouderlingen.
  3. Aangename taal gebruiken.
  4. Roddelen vermijden.
  5. Niet gierig zijn maar edelmoedig.
  6. De waarheid spreken.
  7. Zichzelf in bedwang houden en niet boos worden.[80]

Vanwege zijn vele goede daden en juist gedrag in dat bestaan was Magha wedergeboren als Sakka, de koning van de goden.

30.          “Door serieus streven[81] steeg Maghava[82] op tot heerschappij over de goden.[83] Serieus streven wordt steeds geprezen; achteloosheid wordt altijd veracht.”


Verhaal II:8 bij 31 (2.11) Het vuur van het edele pad - De waakzame boekt vooruitgang

Een monnik had geen succes bij het mediteren in het bos. Hij ging op weg naar de Boeddha voor verdere instructies en zag onderweg een bosbrand. De monnik ging naar de top van een berg en zag vandaar dat de brand verder ging en alles verbrandde, groot en klein. Bij het zien hiervan kwam bij hem de gedachte op dat ook hij verder moest gaan met het verbranden van alle grote en kleine boeien,[84] en wel door het vuur van het edele achtvoudige pad.

De Boeddha las zijn gedachten en verscheen in een straal van licht voor de monnik. Hij zei dat de monnik juist dacht. De monnik ging door met het verwijderen van de boeien en bereikte later arahantschap.

31.          “De bhikkhu[85] die zich verheugt in oplettendheid, en die met vrees kijkt naar onoplettendheid, gaat vooruit zoals vuur dat alle boeien[86] verbrandt, grote en kleine.”


Verhaal II:9 bij 32 (2:12)  De monnik die tevredenheid ontwikkelde (Tissa) - De oplettende is in de aanwezigheid van Nibbana

Nigamavasi Tissa was geboren en getogen in een stadje nabij Savatthi. Hij werd een monnik en leefde sober en tevreden. Voor aalmoezen ging hij naar het dorp waar zijn verwanten woonden en nam aan wat hem werd aangeboden. Hij vermeed grote feesten en ceremonies. Ook toen Anathapindika en koning Pasenadi van Kosala op grote schaal offergaven brachten, ging hij er niet heen.

Sommige monniken begonnen over hem te praten en beschuldigden hem ervan dat hij dicht bij zijn verwanten bleef en niet naar mensen als Anathapindika en koning Pasenadi ging.

Dit werd aan de Boeddha verteld die de monnik Nigamavasi Tissa liet halen. Deze legde uit dat hij alleen naar zijn verwanten ging om aalmoezen te krijgen en dat hij, als hij genoeg te eten had gekregen, niet verder ging, en dat hij nooit zich zorgen maakte of het eten lekker was of niet. In tegenwoordigheid van de andere monniken prees de Boeddha hem voor zijn gedrag. Hij zei ook dat tevreden leven met slechts enkele benodigdheden in overeenstemming is met de leer van de Boeddha en de Arahants. Alle monniken zouden moeten handelen zoals Tissa.

De Boeddha schreef deze eigenschappen toe aan het feit dat de monnik in het verleden dicht met hem verbonden was geweest. De Verhevene merkte verder op dat monniken van zijn type al in de aanwezigheid van Nibbana zijn.

32.         “De bhikkhu die geniet van oplettendheid, en met vrees kijkt naar onoplettendheid, is niet onderhevig aan vallen.[87] Hij is in de aanwezigheid van Nibbana.”


3. Citta Vagga – De geest

Dhp. 33-43


Verhaal III:1 bij 33-34 (3:1-2) Meghiya die zijn geest niet kon beheersen - Maak de wispelturige geest recht. Beheers uw geest

De 13e regentijd bracht de Verhevene door te Cālikā op de Calika-heuvel. In de nabijheid ervan lag het dorp Jantugāma, aan de oevers van de rivier Kimikāla. Gedurende deze tijd was de ouderling Meghiya de persoonlijke dienaar van de Boeddha. De ouderling werd aangetrokken door een mooi mango-bosje dichtbij de rivier. Hij vroeg daarom aan de Verhevene toestemming om erheen te gaan voor meditatie. De Boeddha vroeg hem te wachten totdat een andere monnik kwam, maar Meghiya herhaalde zijn verzoek. De Verhevene stemde toen toe. De ouderling vertrok, maar tot zijn grote verbazing werd hij gekweld door gedachten van zin-genot, kwaadwil en benadelen. Teleurgesteld keerde hij terug. Daarop zei de Boeddha:

  “Meghiya, vijf dingen zijn er nodig voor de bevrijding van de geest van een onrijp persoon; vijf dingen leiden naar het rijp worden van hem, namelijk: (1) een goede vriend; (2) deugdzaam gedrag dat geleid wordt door de essentiële voorschriften van oefening; (3) goede raad die naar bedaardheid, kalmte voert en naar verdwijning van het euvele, naar Verlichting en Nibbāna; (4) de inspanning om kwade gedachten op te geven en om heilzame gedachten te verkrijgen; (5) het verwerven van wijsheid die het ontstaan en vergaan van de dingen onderkent.” [88]

En verder sprak de Verhevene:

33.        “De fladderende, wispelturige geest[89] is moeilijk te bewaken, moeilijk te beheersen. De wijze persoon maakt hem recht zoals een pijlenmaker een pijl recht maakt.”

34.        “Deze geest spartelt als een vis die vanuit het water op het droge is geworpen. Daarom moet de sfeer van de hartstochten vermeden worden.”


Verhaal III:2 bij 35 (3:3) Matika Mata leest gedachten van monniken - Beheers de geest

Eens kregen zestig monniken elk een onderwerp van meditatie van de Boeddha. Daarna gingen zij naar een dorp aan de voet van een berg. Daar bood Matika Mata, de moeder van het dorpshoofd, hun voedsel aan. Zij liet ook een onderkomen voor hen bouwen, zodat zij tijdens het regenseizoen in het dorp konden blijven. Op een dag vroeg zij aan de monniken hoe zij moest mediteren. Zij werd toen onderwezen in de meditatie over de tweeëndertig bestanddelen van het lichaam, welke meditatie leidt tot het besef van het verval en de ontbinding van het lichaam.[90] Matika Mata oefende met ijver en bereikte het derde niveau van heiligheid (anagami); zij verwierf ook bovennatuurlijke krachten zoals het lezen van de gedachten van anderen, zelfs nog voordat de monniken dat bereikten.

Met  het goddelijke oog zag zij dat de monniken geen inzicht hadden bereikt. Zij zag ook dat die monniken genoeg potentieel hadden om arahantschap te verwerven, maar dat zij goed voedsel nodig hadden omdat een zwak lichaam de geest niet op zijn best laat functioneren. Dus maakte zij voedzaam eten voor hen klaar. Met voedzaam eten en juiste inspanning ontwikkelden de monniken juiste concentratie en bereikten uiteindelijk arahantschap.

Op het einde van het regenseizoen keerden de monniken terug naar het Jetavana-klooster waar de Boeddha woonde. Zij vertelden aan de Boeddha dat zij allemaal in goede gezondheid en in comfortabele omstandigheden verkeerden dankzij de goede zorgen van Matika Mata. Zij vertelden ook dat zij hun gedachten kon lezen en hun zeer goed voedsel had aangeboden dat nodig was om hen in goede gezondheid te houden, wat belangrijk is voor een goede concentratie.

Een zekere monnik, die hen over Matika Mata hoorde praten, besloot ook naar het dorp te gaan. Hij kreeg van de Boeddha een onderwerp van meditatie en ging naar het dorpsklooster. Daar ontdekte hij dat alles wat hij wenste al door Matika Mata naar het klooster was gestuurd. Als hij wat te eten wenste, kwam zij persoonlijk naar het klooster en bracht uitgelezen eten mee. Na het nuttigen van de maaltijd vroeg hij haar of zij echt de gedachten van anderen kon lezen. Zij ontweek zijn vraag en antwoordde: “Mensen die gedachten van anderen kunnen lezen, gedragen zich op die en die manier.” Toen dacht de monnik: “'Als ik, net als een gewone wereldling, onreine gedachten zou koesteren, en als zij echt gedachten kan lezen, dan zal zij zeker slecht van mij denken.” Daarom werd hij bang voor de lekenvolgelinge Matika Mata en besloot terug te keren naar het Jetavana-klooster. Hij vertelde aan de Boeddha dat hij niet in Matika's dorp kon blijven omdat hij bang was dat zij onreine gedachten in hem zou ontdekken. De Boeddha adviseerde hem toen om maar één ding te observeren, namelijk zijn geest te beheersen. Hij raadde hem ook aan naar het dorp terug te keren en aan niets anders te denken dan aan het object van zijn meditatie. De monnik ging terug en Matika Mata bood hem voedzaam voedsel aan zoals zij voordien had aangeboden, zodat hij zonder zorgen meditatie kon beoefenen. Na niet lange tijd zuiverde ook hij zijn geest en bereikte arahantschap.

        

35.         “De geest is moeilijk te beheersen, snel, hij  fladdert waarheen hij maar wil; hem te temmen, dat is goed. Een bedwongen geest leidt naar geluk.”


Verhaal III:3 bij 36 (3:4) Bewaak de gedachten

Eens woonde in Savatthi de zoon van een bankier. Deze jonge man vroeg aan de monnik die naar zijn huis placht te komen voor aalmoezen wat hij moest doen om bevrijd te worden van de kwalen van het leven. De monnik instrueerde hem om zijn bezit in drie delen te verdelen; één deel om er zaken mee te doen, één deel om het gezin te onderhouden en één deel om in liefdadigheid te geven. De jonge man deed wat hem was gezegd en vroeg wat daarna moest gebeuren. Hij kreeg verdere instructies: ten eerste, zijn toevlucht te nemen tot het drievoudige Juweel (Boeddha, Dhamma en Ariyasangha) en de vijf voorschriften na te volgen; ten tweede, de tien voorschriften na te leven; en ten derde, de wereld te verzaken en toe te treden tot de heilige Orde. De jongeman volgde al deze instructies op en werd een monnik.

Als monnik kreeg hij twee leraren: een leraar onderwees hem in de abhidhamma, de hogere leer die naar Nibbana leidt, en een andere onderwees hem in de vinaya, de gedragsregels. De monnik vond dat hij veel te veel moest leren, dat de disciplinaire regels te streng en te veel waren. Hij dacht dat het beter was om terug te keren naar het leven als leek. Als gevolg van twijfel en ontevredenheid werd hij ongelukkig en verwaarloosde zijn plichten. Hij werd ook mager en zwak. Toen de Boeddha hiervan op de hoogte werd gebracht, gaf hij aan de jonge monnik de raad dat deze niet bezorgd hoefde te zijn over de vele regels. “Als jij alleen jouw geest kunt beheersen, heb jij niets meer te beheersen; dus bewaak jouw geest, waak over jouw gedachten.’ [91]

36.         “De geest is heel moeilijk waar te nemen, is uiterst subtiel, fladdert waarheen hij maar wil. Laat de wijze erover waken; een bewaakte geest leidt naar geluk.”


Verhaal III:4 bij 37 (3:5)  De geest kan ver reizen  (Sangha Rakkhita) - Zij die hun geest hebben beheerst, zijn vrij

Eens woonde te Savatthi een oudere monnik met de naam Sangha Rakkhita. Toen zijn zus een zoon baarde, noemde zij het kind naar deze monnik. De jongen kwam bekend te staan als de neef Sangha Rakkhita, en deze jonge man trad te zijner tijd toe tot de Orde. Toen de jonge monnik in een dorpsklooster verbleef, kreeg hij twee gewaden aangeboden en hij besloot één ervan aan te bieden aan de monnik die zijn oom was. Aan het einde van de regentijd ging hij eer betuigen aan zijn oom en bood hem het gewaad aan. Maar de oom nam de mantel niet aan met de woorden dat hij genoeg had. Hoewel zijn neef zijn verzoek herhaalde, wilde de ouderling het gewaad niet aannemen. De jonge monnik voelde zich ontmoedigd en dacht dat zijn oom hem niet mocht. Omdat zijn oom zo onwillig was om de benodigdheden met hem te delen, dacht hij dat het beter voor hem was om de Orde te verlaten en het leven van een leek te leiden.

Terwijl hij zijn oom koelte toe waaierde, dagdroomde hij dat hij na het verlaten van de Orde het gewaad kon verkopen en een geit kon kopen waarmee hij genoeg geld kon verdienen. Hij zou dan kunnen trouwen en een zoon kunnen hebben. Dan zou hij met vrouw en zoontje een bezoek brengen aan zijn oom. Onderweg zou zijn vrouw per ongeluk zijn zoontje kunnen doden en hij zou dan boos kunnen worden en haar kunnen slaan. Zo dagdromend raakte hij zijn oom met de waaier. De oom las de gedachten van zijn neef en bracht hem tot bezinning. De neef voelde zich beschaamd, liet de waaier vallen en rende weg. De monniken pakten hem en brachten hem tot bij de Boeddha. Deze beschreef toen de vergankelijke natuur van de geest en zei ook dat de geest in staat is om aan een object te denken dat heel ver weg is. En dat veroorzaakt dan verwarring. Daarom moet men zich hard inspannen om vrij te worden van de slavernij van hartstocht, kwaadwil en onwetendheid.

37.         “Ver reizende, alleen gaande,[92] zonder lichaam,[93] liggende in een grot[94] is de geest. Zij die hem onderwerpen, zijn bevrijd van de boeien van Mara.”


Verhaal III:5 bij 38-39 (3:6-7) De monnik met een niet standvastige geest (Citta Hatta) - Voor de waakzame is er geen vrees

Een boer met naam Citta Hatta trad in de Orde omdat hij dacht er een gemakkelijk leven te kunnen leiden.[95] Zes keer legde hij het gewaad af en elke keer trad hij weer in de Orde. Toen hij eens zijn vrouw zag slapen, snurkend en met speeksel uit haar mond druipend, besefte hij de onaangename natuur van het lichaam. Hij overwoog dat hij zes keren een bhikkhu was geweest maar door genegenheid voor zijn vrouw het gewaad van monnik had afgelegd. Voor de zevende keer nam hij het gele gewaad en ging op weg naar het klooster. Onderweg herhaalde hij de woorden ‘vergankelijkheid’ en ‘onvoldaan, niet tevreden stellend’ en hij werd nog voordat hij het klooster had bereikt een in de stroom getredene (sotapanna). Hij smeekte de onwillige monniken om hem weer te wijden. Aanvankelijk weigerden zij maar hij bleef zijn verzoek herhalen. De monniken gaven toe en hij ontving weer de hogere wijding. Na niet lange tijd bereikte hij arahantschap, volmaakte heiligheid.

Andere bhikkhus zagen met verbazing dat Citta Hatta al een hele tijd in het klooster woonde en zei vroegen naar de reden ervan. Hij antwoordde dat hij naar huis was gegaan omdat er nog gehechtheid in hem was, maar dat die gehechtheid nu afgesneden was.

De monniken vertelden dit aan de Boeddha die toen de staat van geest uitlegde vóór en na zijn verwerkelijking van Nibbana. Eerst was de geest van Citta Hatta niet standvastig en begreep hij de Dhamma niet. Maar nu had hij alle soorten van gehechtheid verwijderd.

38.           “Hij wiens geest niet standvastig is, hij die de ware leer niet weet, hij wiens vertrouwen wankelt, - de wijsheid[96] van een dergelijk persoon zal nooit perfect worden.”

        

39.         “Hij wiens geest niet doorweekt is door lust, hij die niet beïnvloed is door haat, hij die aan gene zijde is gegaan van zowel goed als kwaad,[97] - voor een dergelijke  waakzame[98] persoon is er geen vrees.”  


Verhaal III:6 bij 40 (3:8) Boomgodheden storen de monniken - Maak de geest sterk en wees niet gehecht

Veel monniken mediteerden in een bos maar werden er gestoord door de boomgodheden. Zij keerden terug naar de Boeddha die hun de raad gaf om liefdevolle vriendelijkheid uit te oefenen jegens hen allen.[99] De monniken volgden de raad op met als resultaat dat die boomgodheden erg behulpzaam voor hen waren. De monniken vergeleken het lichaam met een aarden kom en ontwikkelden inzicht in de breekbare en vergankelijke natuur van het lichaam. De Boeddha las hun gedachten, projecteerde zichzelf voor hen en bevestigde wat zij dachten.

        

40.          “Als men beseft dat dit lichaam breekbaar is als een kom van klei, als men de geest zo stevig vestigt als een versterkte vesting, laat men dan Mara[100] aanvallen met het wapen van wijsheid. Laat men deze overwinning[101] bewaken en laat men zonder gehechtheid[102] zijn.


Verhaal III:7 bij 41 (3:9) De monnik met een stinkend lichaam (Putiggatta Tissa) - Vergankelijk is het lichaam

De eerwaarde Tissa leed eens aan een ziekte. Kleine steenpuisten verschenen over zijn hele lichaam en deze puisten ontwikkelden zich tot grote zweren. Toen deze zweren open barsten, werden zijn gewaden plakkerig en bevlekt met etter en bloed, en zijn hele lichaam begon te stinken. Om deze reden kreeg hij de naam Putiggatta Tissa: Tissa met een stinkend lichaam.

De Boeddha zag de treurige toestand van de monnik die vanwege zijn stinkende lichaam door zijn medemonniken in de steek was gelaten. Tegelijkertijd wist hij ook dat Tissa weldra arahantschap zou bereiken. Dus ging de Boeddha naar de hut met vuurplaats, dicht bij de plek waar de monnik verbleef. Daar kookte hij persoonlijk wat water, ging naar de plaats waar de monnik lag en pakte de rand van de ligbank vast. Alleen toen kwamen ook de andere monniken om hem heen staan. De Boeddha verzocht hun Tissa naar buiten te dragen en hem te wassen en te baden. Terwijl hij werd gewassen, werden zijn gewaden gewassen en gedroogd. Na het bad werd de eerwaarde Tissa fris van lichaam en geest en ontwikkelde al snel eenpuntigheid van concentratie. Terwijl hij aan het hoofd van de ligbank stond, vertelde de Boeddha hem dat dit lichaam, wanneer het zonder leven is, even nutteloos is als een blok hout en op de aarde zou worden gelegd. Hij sprak  tot Tissa een leerrede over de vergankelijke aard van het lichaam.[103] 

Aan het einde van de leerrede bereikte Tissa arahantschap. Kort daarna ging hij heen in Parinibbana. De Boeddha gaf toen enkele monniken opdracht om het lichaam van de eerwaarde Tissa te cremeren en zijn relikwieën in een stoepa te bewaren.

Op de vraag waarom Tissa een stinkend lichaam had, onthulde de Boeddha dat Tissa in een van zijn vroegere levens een wrede vogelvanger was. Met vallen ving hij vogels en brak hun pootjes en vleugelbeenderen om te voorkomen dat ze zouden ontsnappen. Voor die slechte daden had Tissa puisten gekregen en een stinkend lichaam.

 

Toen zei de Boeddha: “Bhikkhus, jullie hebben hier geen moeder of vader die voor jullie kunnen zorgen. Als jullie niet voor elkaar zorgen, wie zal er dan voor jullie zorgen? Bedenkt dat degene die voor een zieke zorgt, als het ware voor mij zorgt."

41.           “Na niet lange tijd zal dit lichaam op de grond liggen, terzijde geworpen, leeg van bewustzijn, net als een nutteloos verkoold stuk hout.”


Verhaal III:8 bij 42 (3:10) Nanda de herder - Een slecht gerichte geest is de ergste vijand

Nanda was een herder die voor de koeien van een rijke man zorgde. Hoewel hij slechts een herder was, bewaarde hij alles wat hij kon. Af en toe ging hij naar het huis van zijn meester en daar ontmoette hij soms de Boeddha en luisterde naar zijn toespraken. Nanda nodigde de Boeddha uit om zijn huis te bezoeken. Maar de Boeddha ging niet onmiddellijk naar het huis van Nanda en zei dat het nog niet tijd was.

Toen de Boeddha na enige tijd met zijn monniken onderweg was, maakte hij een omweg om Nanda te bezoeken, omdat hij wist dat de tijd rijp was dat Nanda zijn leer goed kon begrijpen. Nanda ontving de Boeddha en zijn monniken respectvol en hij bediende hen een aantal dagen lang met een maaltijd. Op de laatste dag, na het horen van de toespraak van de Boeddha, bereikte Nanda het eerste niveau van heiligheid. Toen de Boeddha die dag vertrok, volgde Nanda hem een eindje en droeg de nap van de Boeddha. Toen bracht hij eer aan de Gezegende en keerde terug om naar huis te gaan.

Op dat moment schoot een jager, die een oude vijand van Nanda was, hem dood. De monniken, die de Boeddha volgden, zagen het lichaam van de dode Nanda. Zij meldden de kwestie aan de Boeddha met de woorden: “Eerwaarde Heer, omdat u hier kwam, werd Nanda die u grote gaven bracht en u vergezelde bij uw terugkeer, gedood toen hij naar huis terugkeerde.” De Boeddha antwoordde: “Bhikkhus, of ik nu hier kwam of niet, vanwege zijn vorige wilsacties zou er voor hem geen ontsnapping aan de dood zijn geweest. Daarom moeten jullie overwegen dat een verkeerd gerichte geest zichzelf veel meer schade kan berokkenen dan een vijand of een dief. Een goed gerichte geest is de enige beveiliging die men kan hebben tegen gevaar.”

42.          “Wat voor kwaad een dwaas toebrengt aan een andere dwaas, of een hater aan een andere hater, een slecht gerichte geest kan veel meer kwaad doen.” [104]


Verhaal III:9 bij 43 (3:11)  Moeder van twee en vader van twee (Soreyya) - Een goed gerichte geest is veel groter dan moeder of vader

Eens ging Soreyya, een rijke man, in het gezelschap van een vriend en enkele bedienden, in een luxueuze koets om een bad nemen. Op dat moment was de eerwaarde Maha Kaccayana buiten de stad bezig met het ordenen van zijn gewaden, voordat hij de stad binnen ging voor aalmoezen. Toen Soreyya de gouden huidskleur van de monnik zag, dacht ik: “Ik wou dat de monnik mijn vrouw was, of anders dat de huidskleur van mijn vrouw was zoals deze.” Later besefte hij dat zijn geslacht op mysterieuze wijze begon te veranderen. Hij schaamde zich erg voor wat er was gebeurd en daarom besloot hij het land te verlaten. Soreyya, nu een vrouw, bood haar zegelring aan enkele mensen aan die naar Taxila gingen, zodat zij met hen mee mocht gaan in hun koets. Ondertussen zochten zijn vrienden en familieleden overal naar Soreyya, maar konden hem niet vinden.

Bij aankomst in Taxila vertelden haar metgezellen aan een jonge rijke man van Taxila over de dame die met hen mee was gekomen. De jonge rijke man vond haar heel mooi en van een geschikte leeftijd voor hem. Hij trouwde met haar en als resultaat van dit huwelijk werden twee zonen geboren. Er waren ook twee zonen uit het vorige huwelijk van Soreyya als man.

 Op een dag kwam de zoon van een rijke man uit de stad waar Soreyya eerder had gewoond naar Taxila. Mevrouw Soreyya, die hem herkende als een oude vriend, liet hem halen. De man was verrast dat hij werd uitgenodigd omdat hij haar niet kende. Op de vraag of zij hem kende, antwoordde zij bevestigend; zij vroeg ook naar de gezondheid van haar familie en andere mensen in de stad die zij had achtergelaten. De man vertelde haar over de rijke jongeman die op mysterieuze wijze was verdwenen. Toen onthulde mevrouw Soreyya haar identiteit en vertelde zij alles wat er was gebeurd over de verkeerde gedachten, de verandering van geslacht en haar huwelijk met de jonge rijke man van Taxila. De man gaf toen mevrouw Soreyya de raad om vergeving te vragen aan de eerwaarde Maha Kaccayana.

De monnik werd dienovereenkomstig uitgenodigd in het huis van Soreyya en hem werd aalmoezenspijs aangeboden. Na de maaltijd werd mevrouw Soreyya naar de monnik gebracht en hem werd verteld dat zij eens een man was. Aan de monnik werd uitgelegd hoe Soreyya in een vrouw werd veranderd vanwege zijn verkeerde gedachten jegens een heilige man. Mevrouw Soreyya vroeg toen aan de eerwaarde Maha Kaccayana eerbiedig om vergeving.

Zodra de eerwaarde Maha Kaccayana de woorden uitsprak: “Soreyya, sta op, ik vergeef je,” veranderde zij weer in een man. Daarop zei haar man tegen Soreyya:  “Goede vriend, aangezien jij de moeder bent van deze twee jongens en ik hun vader ben, zijn zij echt zonen van ons beiden. Daarom kun jij hier blijven wonen. Wees niet terneergeslagen.”

Soreyya antwoordde: “Goede vriend, eerst was ik een man, toen was ik een vrouw, en nu ben ik weer een man geworden. Eerst werd ik vader van twee zonen en onlangs werd ik moeder van twee zonen. Na twee transformaties in één bestaan te hebben meegemaakt, heb ik geen verlangens meer naar het gezinsleven. Ik wil een monnik worden en het heilige leven leiden onder mijn edele ouderling. Nu is het jouw plicht om voor deze twee jongens te zorgen. Verwaarloos hen niet.”

Na deze woorden kuste Soreyya de twee jongens, omhelsde hen, overhandigde hen aan hun vader en vertrok uit het huis. Soreyya uitte ook zijn oprechte dankbaarheid aan zijn vriend voor zijn hulp om Kaccayana te ontmoeten en om vergeving te vragen en de mogelijkheid om te werken voor zijn uiteindelijke doel in het leven - een einde te maken aan al het lijden.

Dienovereenkomstig werd Soreyya door de eerwaarde Maha Kaccayana tot monnik gewijd. Soreyya streefde ijverig naar zijn geestelijke ontwikkeling. In de loop van tijd vergezelde hij de eerwaarde Maha Kaccayana om zijn eer te betuigen aan de Boeddha in het Jetavana-klooster.

Daarna werd hem vaak gevraagd: “Van wie houdt u meer, de twee zonen die u als vader had of de andere twee die u als moeder had?” Zijn antwoord luidde dan dat zijn liefde voor degenen die uit de baarmoeder waren geboren groter was. Deze vraag werd hem zo vaak gesteld dat hij zich erg geïrriteerd en beschaamd voelde. Dus bleef hij alleen en met ijver contempleerde hij over het verval en de ontbinding van het lichaam. Hij bereikte al snel arahantschap samen met buitengewone kennis en mentale krachten. Toen de oude vraag daarna aan hem werd gesteld, gaf hij ten antwoord dat hij voor niemand persoonlijke gehechtheid had. De monniken die zijn antwoord hoorden, twijfelden en raadpleegden de Boeddha. Zij vertelden over de verschillende antwoorden van Soreyya waarna de Boeddha zei: “Zijn antwoord is nu anders omdat hij nu arahantschap heeft verwerkelijkt en dus geen gehechtheid meer heeft. Zijn goed gerichte geest heeft in hem een welzijn teweeggebracht dat noch vader noch moeder hem kunnen schenken.”

43.         “Wat noch moeder noch vader noch een ander familielid voor iemand kunnen doen, een goed gerichte geest[105] kan dat wel en verheft iemand daarbij.”


4. Puppha vagga – bloemen

Dhp. 44-59


Verhaal IV:1 bij 44-45 (4:1-2) Concentreer je op je lichaam - De edele discipel zal zichzelf overwinnen.

Een groep monniken keerde, na de Boeddha naar een dorp te hebben vergezeld, terug naar het Jetavana-klooster. 's Avonds, toen de monniken aan het praten waren over de tocht, vooral over de toestand van het land, of het vlak of heuvelachtig was, of de grond kleiachtig of zandig, rood of zwart was, enz., bezocht de Boeddha hen. Hij kende het onderwerp van hun gesprek en zei: “Bhikkhus, de aarde waarover jullie praten, bevindt zich buiten het lichaam; het is veel beter om jullie eigen lichaam te onderzoeken en ernaar te streven te begrijpen wat dit lichaam is.” Hij gaf hun de raad om te mediteren over het persoonlijke aarde-element.[106] 

De Boeddha voegde eraan toe dat een monnik door zichzelf te begrijpen, in staat was deze wereld, hemel en hel te begrijpen. Hij zou ook in staat zijn om de verheven Dhamma te verwerkelijken, die is als een boeket bloemen samengesteld door een deskundige boeket-binder.

Door oplettend over het gegeven advies te reflecteren, zuiverden die monniken hun geest van alle mentale onzuiverheden en bereikten volmaakte heiligheid.

44.          “Wie zal deze aarde zelf[107] begrijpen, en dit rijk van Yama,[108] en deze wereld[109] samen met de devas?[110] Wie zal het goed onderwezen pad van deugdzaamheid[111] onderzoeken, zoals een deskundige boeketbinder bloemen zal plukken?”

45.         “Een discipel in opleiding (sekha)[112] zal deze aarde begrijpen, en dit rijk van Yama samen met het rijk van de devas. Een discipel in opleiding zal het goed onderwezen pad van deugdzaamheid onderzoeken, juist zoals een deskundige boeketbinder bloemen zal plukken.”


Verhaal IV:2 bij 46 (4:3) Dit lichaam is als een luchtspiegeling

    Eens verbleef de Boeddha te Savatthi in het Jetavana-klooster.  Een bepaalde monnik kreeg toen van hem een onderwerp van meditatie en ging naar het bos om er te mediteren. Hoewel hij ijverig streefde, maakte hij weinig vorderingen en was niet gelukkig met zichzelf. Dus dacht hij: “Ik zal terugkeren naar het Jetavana-klooster en aan de Verlichte vragen om mij een ander onderwerp van meditatie te geven dat beter bij mijn temperament past.” Met deze gedachte in de geest ging hij op weg terug naar Savatthi.

Onderweg zag hij een luchtspiegeling. Oplettend reflecteerde hij erover en zag in dat een luchtspiegeling niet meer is dan een illusie van een waterlaag. Zo was ook zijn lichaam een illusie en onwerkelijk vanwege geboorte en verval. Hij concentreerde zich op de luchtspiegeling en ging verder met zijn beoefening van meditatie.

Later ging hij naar de oever van de rivier Aciravati om er een bad te nemen. Toen hij onder een boom dicht bij de rivier rustte en het schuim zagen breken, besefte hij verder de vergankelijke aard van het lichaam.

Vanuit het Jetavana-klooster zag de Boeddha de monnik en spoorde hem aan: “Bhikkhu, jij bent op de goede weg. Ga zo door. Het is goed dat jij je hebt gerealiseerd dat het lichaam vergankelijk is als schuim en onwerkelijk als een luchtspiegeling.”

Aan het einde van de aansporing bereikte de monnik arahantschap.

46.         “Als men weet dat dit lichaam is als schuim,[113] en als men begrijpt dat de aard ervan is als een luchtspiegeling,[114] laat men dan de bloemen-pijlen[115] van zinnelijke passies (Mara) vernietigen, en laat men uit het zicht van de koning van de dood gaan.” [116]

 


Verhaal IV:3 bij 47 (4:4) Vidudabha neemt wraak op de Sakyas - De verwoesting van Kapilavatthu

Vidudabha, zoon van koning Pasenadi van Kosala, koesterde een wrok tegen de Sakyas. De oorzaak ervan was te wijten aan zijn afkomst.

Koning Pasenadi van Kosala, wilde in de stam van de Sakyas introuwen. Hij zond gezanten naar Kapilavatthu met de opdracht de hand van een van de Sakya-prinsessen te vragen. De Sakya-prinsen wilden koning Pasenadi niet boos maken en antwoordden dat zij het verzoek inwilligden. Maar in plaats van een Sakya-prinses stuurden zij Vāsabha Khattiya, een mooi meisje geboren uit concubinaat van koning Mahānāma en een slavin. Koning Pasenadi trouwde haar en zij werd een van zijn hoofdvrouwen. De zoon uit deze verbintenis werd Vidudabha genoemd. Toen deze  prins 16 jaar oud was, werd hij naar Kapilavatthu gestuurd om er koning Mahānāma en de Sakya-prinsen te bezoeken. Hij werd er met enige gastvrijheid ontvangen, maar alle Sakya-prinsen die jonger waren dan Vidudabha, waren naar een veraf gelegen dorp gestuurd zodat zij hem geen eer hoefden te betuigen. Na enkele dagen in Kapilavatthu gebleven te zijn, ging Vidudabha met zijn gevolg naar huis. Niet lang na hun vertrek waste een dienstmeisje met melk de plaats waar Vidudabha had gezeten. Tijdens deze bezigheid zei zij: “Dit is de plek waar die zoon van een slavin heeft gezeten.” Een vrouw uit het gevolg van Vidudabha die in Kapilavatthu woonde, hoorde deze woorden. Zij zond een boodschap naar Vidudabha dat zijn moeder de dochter van een slavin was.

Toen Vidudabha dit vernam, werd hij dol van woede en hij riep dat hij ooit de hele stam van de Sakyas zou uitroeien.

Toen hij koning was geworden, rukte hij, getrouw aan zijn woord, met een leger op tegen de Sakyas. Drie keer vroeg de Boeddha hem de stad te ontzien. Maar bij de vierde keer viel Vidudabha aan, nam Kapilavatthu in en metselde een groot deel van de inwoners neer. Daarna werd de stad in brand gestoken. Het was omstreeks 485 voor Christus, kort vóór de dood van de Boeddha.

 Op de terugtocht sloeg Vidudabha met zijn leger een kamp op in de zandige bedding van de rivier Aciravati. Die nacht was er hevige regenval in de hoger gelegen delen van het land. Door de grote massa water dat met enorme kracht naar beneden stroomde, werd Vidudabha met zijn hele leger weggespoeld; zij allen verdronken.

 

 Toen de Boeddha deze twee tragische gebeurtenissen vernam, legde hij aan de monniken uit dat zijn verwanten, de Sakya-prinsen, in een van hun vroegere levens vergif in de rivier hadden gegooid om de vissen te doden. Als resultaat van die gemeenschappelijke daad hadden zij massaal moeten sterven. En verder sprak hij het vers:

        

47.           “De man die bloemen van zinnelijk genot verzamelt, wiens geest verstrikt is, hij wordt door de dood weggedragen, zoals een grote stroom een slapend dorp wegsleurt.”


Verhaal IV:4 bij 48 (4:5) De vrouw die in de Tavatimsa hemel wedergeboren werd (Pati Pujika Kumari)

Mevrouw Pati Pujika Kumari uit Savatthi trouwde op 16-jarige leeftijd. Zij had vier zonen. Zij was een deugdzame en vrijgevige vrouw die graag voedsel en andere benodigdheden gaf aan alle mensen. Vaak ging zij naar het klooster om er te poetsen, de waterpotten te vullen of andere diensten te verrichten.

Mevrouw Pati Pujika had ook de kennis waardoor zij zich herinnerde dat zij in haar vroegere bestaan een van de vrouwen van Malabhari was, in de deva hemel van Tavatimsa. Zij herinnerde zich ook dat zij vandaar was heengegaan toen allen van hen buiten in de tuin waren en zich vermaakten met het plukken van bloemen. Daarom uitte zij elke keer dat zij offergaven aan de bhikkhus aanbood of andere verdienstelijke daden verrichtte, de wens om wedergeboren te worden in de Tavatimsa hemel als een  vrouw van Malabhari, haar vroegere echtgenoot.

Eens bood zij  ‘s morgens aalmoezen aan de monniken aan, voelde zich daarna ziek en stierf ‘s avonds van diezelfde dag. Omdat zij dat zo vurig had gewenst, werd zij in de Tavatimsa wereld wedergeboren als een vrouw van  Malabhari. Omdat honderd jaren in de menselijke wereld gelijk zijn aan één dag in de Tavatimsa wereld, vermaakten Malabhari en de andere goden zich er nog in de tuin en Pati Pujika was door hen bijna niet gemist. Toen zij zich weer bij hen voegde, vroeg Malabhari haar waar zij de hele morgen was geweest. Zij vertelde hem toen dat zij vandaar was heengegaan en uiteindelijk naar Tavatimsa terugkeerde.

 De bhikkhus meldden de dood van Pati Pujika aan de Boeddha. Hij legde uit dat het leven kort is en voorbijgaand van aard. Hij voegde er nog aan toe dat mensen overweldigd worden door de dood, met onbevredigde verlangens.

48.         “Wie bloemen plukt van zinnelijke lust, wiens geest verstrikt is, en wie onbevredigd is in verlangens, hij of zij wordt door de dood overweldigd.” [117]


Verhaal IV:5 bij 49 (4:6) De gierige rijke man (Kosiya) - Heilige monniken veroorzaken voor niemand ongemak

In het dorp Sakkara, in de buurt van Rajagaha, woonde een gierige rijke man die Kosiya heette. Op een dag bakten de rijke man en zijn vrouw wat pannenkoeken, maar om te voorkomen dat zij ze met anderen moesten delen, bakten zij de pannenkoeken in het geheim op de bovenste verdieping van hun huis.

Vroeg in de ochtend van die dag zag de Boeddha in zijn geest de rijke man en zijn vrouw en wist dat zij allebei spoedig het eerste niveau van heiligheid zouden bereiken. Dus stuurde hij zijn hoofddiscipel, de eerwaarde Maha Moggallana naar het huis van Kosiya, met de opdracht het echtpaar op tijd voor het middagmaal naar het Jetavana-klooster te brengen.

Maha Moggallana bereikte met bovennatuurlijke kracht het huis van Kosiya in een oogwenk en stond bij het raam. De rijke man zag hem en vroeg hem te vertrekken, maar Maha Moggallana negeerde zijn verzoek. Uiteindelijk zei Kosiya tegen zijn vrouw: “Maak een heel kleine pannenkoek en geef die aan hem.” Dus nam zij slechts een kleine hoeveelheid deeg en deed die in de pan, maar het deeg vulde de hele pan. Kosiya dacht dat zijn vrouw er te veel in gedaan moest hebben, dus nam hij zelf slechts een snufje deeg en deed het in de pan; en weer zwol de pannenkoek als voorheen. Het gebeurde zo dat zij, hoe weinig deeg zij er ook in deden, geen kleine pannenkoeken konden maken. Ten slotte vroeg Kosiya aan zijn vrouw om er een uit de mand aan de bhikkhu aan te bieden. Toen zij er een uit de mand probeerde te halen, kwam die er niet uit omdat alle pannenkoeken aan elkaar zaten en niet van elkaar konden worden gehaald. Tegen die tijd had Kosiya alle trek in pannenkoeken verloren en bood de hele mand aan de monnik aan. De eerwaarde Maha Moggallana hield toen voor beiden een toespraak over liefdadigheid. Hij vertelde het paar ook dat de Boeddha met andere monniken wachtte in het Jetavana-klooster te Savatthi. Maha Moggallana nam het paar samen met hun mand met pannenkoeken mee tot bij de Boeddha. Daar boden zij de pannenkoeken aan de Boeddha en de andere monniken aan. Aan het eind van de maaltijd hield de Boeddha een toespraak over liefdadigheid en zowel Kosiya als zijn vrouw beseften de Dhamma.[118]

Toen de monniken de deugden van de eerwaarde Maha Moggallana prezen, merkte de Boeddha op dat goede monniken zoals de eerwaarde Maha Moggallana de mensen ertoe moeten brengen om vertrouwen te stellen in de Leraar, en geen ongemak voor wie dan ook veroorzaken.[119]

        

49.        “Zoals een bij wegvliegt zonder de bloem, de kleur ervan of de geur te schaden, en alleen de honing meeneemt, evenzo moet de wijze in het dorp rondgaan.” [120]


Verhaal IV:6 bij 50 (4:7) Zoek niet de fouten bij anderen maar alleen die van jezelf

Een rijke dame uit Savatthi was een begunstigster en leerlinge van een naakte asceet met de naam Pathika. Vanwege haar sterke toewijding tot de naakte asceet behandelde zij Pathika zoals zij haar eigen zoon zou behandelen.

Zij had veel vrienden en buren. Al haar buren waren leken-volgelingen van de Boeddha. Zij bezochten regelmatig het Jetavana-klooster om hun eer te betuigen en om te luisteren naar de religieuze toespraken van de Verlichte.

Toen de rijke dame haar buren de deugden van de Boeddha hoorde prijzen, wilde zij naar het klooster gaan om haar eer te bewijzen en ook om naar zijn religieuze toespraken te luisteren. Pathika belette haar echter verschillende keren om naar het klooster te gaan. Dus in plaats van naar het klooster te gaan, nodigde zij de Boeddha via haar eigen zoon uit voor een maaltijd in haar huis. Voor die maaltijd werd uitgelezen voedsel bereid. Na de maaltijd sprak de Boeddha zijn waardering uit. Toen zij voor het eerst in haar leven de gouden stem hoorde van de Boeddha die de prachtige en glorieuze Dhamma sprak, was haar hele lichaam doordrenkt van vreugde en geluk en riep zij spontaan uit: “Goed gezegd. Goed gezegd.”

Pathika, de naakte asceet die in de kamer ernaast was, hoorde de goedkeuring van de rijke dame. “Zij is niet meer mijn discipel,” dacht Pathika. Kokend van woede kwam hij de kamer uit en vervloekte zowel de dame als de Boeddha, en verliet boos het huis onder het schreeuwen van scheldwoorden.

De dame was in verlegenheid gebracht en schaamde zich zo dat zij zich niet kon concentreren op wat de Boeddha zei. De Verlichte gaf haar de raad zich geen zorgen te maken over die vervloekingen en bedreigingen, dat zij niet de fouten van anderen moest zoeken maar alleen haar eigen fouten.

Aan het einde van de toespraak bereikte zij het eerste niveau van heiligheid.

50.         “Laat men niet naar andermans fouten zoeken, naar wat door anderen wel of niet is gedaan. Maar laat men letten op eigen daden, wat wel of niet (goed) is gedaan.”


Verhaal IV:7 bij 51-52 (4:8-9) Aan wie moet men eer betonen? (Chattapani) - Het in praktijk brengen is beter dan alleen maar onderrichten

Een devote leek met naam Chattapani die het tweede niveau van heiligheid had bereikt, woonde te Savatthi. Eens was Chattapani in het Jetavana-klooster en luisterde er naar een leerrede van de Boeddha toen koning Pasenadi zijn eer kwam betuigen aan de Boeddha. Chattapani stond niet op omdat hij dacht dat op te staan verkeerd zou kunnen worden uitgelegd dat hij eer betoonde aan de koning, maar niet de gepaste eer betoonde aan de Boeddha. De koning vatte dat op als een belediging en was erg gekrenkt. De Boeddha wist precies hoe de koning zich voelde; dus vertelde hij de koning over de deugden van Chattapani, die ook goed thuis was in de Dhamma. Toen hij dit hoorde, was de koning onder de indruk en was hij niet langer boos op Chattapani.

Toen de koning daarna Chattapani ontmoette, verzocht hij hem de Dhamma aan zijn twee gemalinnen te onderwijzen. Chattapani wees het aanbod af en stelde voor dat de koning de Boeddha verzocht om voor dit doel een monnik aan te wijzen. De Boeddha gaf aan de eerwaarde Ananda de opdracht om regelmatig naar het paleis te gaan om de Dhamma te onderwijzen aan koningin Mallika en koningin Vasabha Khattiya. Na enige tijd vroeg de Boeddha aan Ananda naar de vooruitgang van de twee koninginnen. Ananda antwoordde dat Mallika de Dhamma serieus leerde,  maar dat Vasabha Khattiya er niet voldoende aandacht aan schonk.

Toen de Boeddha dit hoorde, zei hij dat de Dhamma alleen van nut kan zijn voor degenen die ze serieus met gepast respect en de juiste aandacht leren en vervolgens het onderwezene ijverig in praktijk brengen.

51.         “Zoals een bloem die lieflijk en mooi is maar zonder geur, juist zo vruchteloos is het goed gesproken woord van iemand die het niet in praktijk brengt.”

52.         “Zoals een bloem die lieflijk en mooi is en die een fijne geur heeft, juist zo vol vruchten is het goed gesproken woord van iemand die het in praktijk brengt.”


Verhaal IV:8 bij 53 (4:10) De zeer devote mevrouw Visakha - Doe veel goeds

Visakha was de dochter van een rijke man van Bhaddiya genaamd Dhañanjaya en zijn vrouw Sumana Devi, en de kleindochter van Mendaka, een van de vijf buitengewoon rijke mannen in het koninkrijk van koning Bimbisara. Toen Visakha nog heel jong was, kwam de Boeddha naar Bhaddiya. Bij die gelegenheid nam haar grootvader Mendaka Visakha en haar vriendinnen mee om hulde te brengen aan de Boeddha. Na het horen van de toespraak van de Boeddha bereikten Visakha, haar grootvader en al haar vriendinnen het eerste niveau van heiligheid.

Toen Visakha volwassen werd, trouwde zij met Punnavaddhana, zoon van Migara, een rijke man te Savatthi. Op de dag van haar huwelijk gaf haar vader Dhananjaya aan Visakha tien goede raadgevingen die zij als een plichtsgetrouwe echtgenote in acht zou nemen. Die raadgevingen zijn:

1) Draag het vuur binnen niet naar buiten.

2) Draag het vuur buiten niet naar binnen.

3) Geef alleen aan degenen die geven.

4) Geef niet aan degenen die niet geven.

5) Geef zowel aan degenen die geven en die niet geven.

6) Zit gelukkig.

7) Eet gelukkig.

8) Slaap gelukkig.

9) Zorg voor het vuur.

10) Eer de huis-godheden.

De betekenis hiervan is als volgt:

1) Vuur betekent hier laster. De vrouw mag niet kwaad spreken over haar man en schoonouders. Evenmin mogen hun tekortkomingen of huishoudelijke ruzies elders worden gemeld.

2) Een vrouw hoort niet te luisteren naar de verhalen over andere huishoudens.

3) Dingen mogen alleen worden uitgeleend aan degenen die ze teruggeven.

4) Geen enkel artikel mag worden uitgeleend aan degenen die het niet teruggeven.

5) Arme familieleden en vrienden moeten worden geholpen, zelfs als zij niet terugbetalen.

6) Een vrouw moet staan ​​en niet blijven zitten bij het zien van haar schoonouders. (Deze vermaning heeft betrekking op de bescheidenheid van een vrouw en het respect dat moet worden betoond aan ouderen zoals schoonouders).

7) Voordat een vrouw gaat eten, moet zij eerst zorgen voor de behoeften van haar schoonouders en echtgenoot. Zij moet erop toezien dat ook de bedienden goed worden verzorgd.

8) Dit betekent niet dat een vrouw zo lang moet slapen als zij wil. Voordat een vrouw gaat slapen, moet zij ervoor zorgen dat alle deuren op slot zijn, dat bedienden hun plichten hebben vervuld en dat schoonouders en echtgenoot naar bed zijn gegaan. 9) Schoonouders en echtgenoot moeten als vuur worden beschouwd. Ga met hen net zo zorgvuldig om als met vuur.

10) Schoonouders en echtgenoot worden beschouwd als godheden.

 

Op een dag was Migara aan het eten toen een monnik voor een aalmoes bij zijn thuis bleef staan. Maar Migara negeerde de monnik volledig. Visakha zag dat en zei aan de monnik: “Het spijt mij, eerwaarde monnik, mijn schoonvader eet alleen oud voedsel.” Toen hij dit hoorde, was Migara erg boos en beval haar het huis te verlaten. Visakha antwoordde dat zij het huis niet zou verlaten. In plaats daarvan ontbood zij de acht ouderlingen die door haar vader waren gestuurd om haar te vergezellen en haar te adviseren over eventuele problemen die zij in haar nieuwe huis zou kunnen tegenkomen. Zij moesten beslissen of zij schuldig was. Toen de ouderlingen kwamen, zei Migara tegen hen: “Toen ik mijn eten in een gouden kom at, zei Visakha dat ik oud voedsel nuttigde. Voor deze overtreding stuur ik haar weg.” Daarop legde Visakha het volgende uit: “Toen ik zag dat mijn schoonvader de monnik volledig negeerde die voor aalmoezen was blijven staan, dacht ik bij mijzelf dat, aangezien mijn schoonvader in dit bestaan geen verdienstelijke daad verrichtte, hij alleen de vruchten at van zijn goede daden uit het verleden. Dus zei ik: ‘Mijn schoonvader eet alleen oud voedsel.’ Nu heren, wat denkt u? Ben ik schuldig?”

De ouderlingen besloten dat Visakha niet schuldig was. Visakha kondigde toen aan dat zij een absoluut en onwankelbaar vertrouwen had in de leer van de Boeddha en daarom niet kon blijven waar monniken niet welkom waren. Zij zei ook dat, als zij geen toestemming kreeg om de monniken in het huis uit te nodigen om aalmoezenspijs te geven en andere gaven te brengen, zij het huis zou verlaten. Daarom willigde Migara haar al haar verzoeken in.

De volgende dag werden de Boeddha en zijn discipelen uitgenodigd in het huis van Visakha. Toen de maaltijd zou worden aangeboden, nodigde zij haar schoonvader uit om samen met haar het eten aan te bieden; maar hij wees de uitnodiging af. Toen de maaltijd voorbij was, nodigde zij weer haar schoonvader uit en wel om samen met haar te luisteren naar de toespraak van de Boeddha. Haar schoonvader vond dat hij niet voor een tweede keer mocht weigeren. Maar zijn ascetische leraren, de Niganthas, wilden hem niet laten gaan. Zij gaven echter toestemming dat hij van achter een gordijn kon luisteren. Na het horen van de toespraak van de Boeddha kwamen Migara's goede wilsacties tot rijping en hij bereikte het eerste niveau van heiligheid. Hij was de Boeddha en ook zijn schoondochter erg dankbaar. Omdat hij zo dankbaar was, verklaarde hij dat Visakha voortaan als een moeder voor hem zou zijn, en Visakha werd bekend als Migara Mata (Migara’s moeder).

Visakha baarde verschillende zonen en dochters. Visakha bezat een immens waardevolle met edelstenen bezette mantel die haar vader als huwelijksgeschenk had gegeven. Op een dag ging Visakha naar het Jetavana-klooster. Bij aankomst in het klooster vond zij dat haar met juwelen getooide mantel te zwaar was. Dus legde zij de mantel af, wikkelde die in haar sjaal en gaf hem aan de meid om hem vast te houden en er op te passen. De meid was verstrooid en liet hem achter in het klooster.

Het was de gewoonte van de eerwaarde Ananda om voor de dingen te zorgen die door de leken-discipelen waren achtergelaten. Visakha stuurde de meid terug naar het klooster en zei: “Ga op zoek naar de met juwelen getooide mantel. Maar als Ananda die al heeft gevonden en op een plaats heeft bewaard, breng hem dan niet terug. Ik zal de met juwelen getooide mantel aan de eerwaarde monniken schenken.” Maar Ananda nam haar aanbod niet aan. Dus besloot Visakha de met juwelen getooide mantel te verkopen en het geld te doneren. Maar er was niemand die het zich kon veroorloven de met juwelen getooide mantel te kopen. Daarom kocht Visakha hem zelf terug. Met dit geld liet zij een klooster bouwen dat bekend kwam te staan als Pubbarama.[121]

Na de ceremonie voor het aanbieden van verdiensten nodigde zij al haar familieleden uit en die avond vertelde zij hun dat al haar wensen waren vervuld en dat zij geen enkele wens meer had. Daarna reciteerde zij enkele verzen en bleef rond het klooster lopen Sommige monniken die haar hoorden, dachten dat zij aan het zingen was en vertelden aan de Boeddha dat Visakha niet meer was zoals voorheen, en dat zij zingend rond het klooster liep. “Zou het kunnen dat zij krankzinnig is geworden?” vroegen zij aan de Boeddha. De Boeddha legde uit: “Vandaag zijn al haar wensen uit vroegere en tegenwoordige levens vervuld en vanwege dat gevoel van bereiking voelt Visakha zich opgetogen en tevreden. Visakha reciteert alleen maar enkele verzen om haar geluk uit te drukken; zij is zeker niet krankzinnig geworden. Visakha is gedurende haar vorige levens altijd een edelmoedige geefster geweest en een vurige begunstigster van de leer.”

 

De Boeddha maakte toen bekend dat Visakha in een van haar vroegere levens was geboren in de tijd van een vorige Boeddha met de naam Boeddha Padumuttara. In die tijd had zij, na de eigenschappen te hebben bewonderd van haar vriendin die de belangrijkste vrouwelijke leken-volgeling en weldoenster was van de Boeddha Padumuttara, een verlangen gekoesterd om die voortreffelijke eigenschappen te bezitten. Daarom had zij, nadat zij zeven dagen aalmoezen had aangeboden aan de Boeddha Padumuttara en zijn monniken, een oprechte wens gedaan dat zij ooit zou worden geboren als de belangrijkste lekenvolgelinge en weldoenster van een toekomstige Boeddha.

Met zijn bovennatuurlijke krachten keek de Boeddha Padumuttara in de toekomst, en nadat hij had vastgesteld dat haar oprechte wens kon worden vervuld, bevestigde hij dat Visakha haar wens zou vervullen. Ook in een van haar daarna volgende levens ontving zij dezelfde verzekering van de Boeddha Kassapa met betrekking tot haar oprechte wens.

De Boeddha sloot de toespraak af door te zeggen dat Visakha veel goeds had gedaan in haar vorige levens en sterk geneigd was om goede daden te doen, net zoals een ervaren bloemist veel bloemenkransen maakt van een verzameling bloemen.

53.         “Zoals van een hoop bloemen menige bloemenkrans gemaakt kan worden, laat een sterveling juist zo veel goede daden doen.”


Verhaal IV:9 bij 54-55 (4:11-12) De geur van de deugdzamen waait in alle richtingen

Toen de eerwaarde Ananda op een avond alleen zat, kwam bij hem een vraag op betreffende geuren en geurstoffen en hij overwoog: “De geur van sandelhout, de geur van bloemen en de geur van tagara[122] verspreiden zich allemaal met de windstroom, maar niet er tegen in. Is er een geur die zich zowel met de wind mee als er tegen in verspreidt? Is er een geur die elk deel van de wereld doordringt?‟ De Boeddha antwoordde: “Ananda, veronderstel dat er iemand is die zijn toevlucht[123] neemt tot het Drievoudige Juweel (Boeddha, Dhamma, Sangha), die de vijf morele regels navolgt, die edelmoedig is en niet gierig; zo iemand is echt deugdzaam en verdient echt lof. De reputatie van die deugdzame verspreidt zich wijd en zijd, en monniken, brahmanen en leken spreken allemaal gelijk over hem lofprijzend, waar hij ook woont.”

54.         “De geur van bloemen waait niet tegen de wind in, noch de geur van sandelhout, tagara en jasmijn; maar de geur van de deugdzamen waait tegen de wind in. De geur van de deugdzame mens waait in elke richting." [124]

55.         “Sandelhout, tagara, lotus, jasmijn: boven al deze soorten van geur is de welriekende geur van deugdzaamheid veruit de beste.”


Verhaal IV:10 bij 56 (4:13) Sakka geeft aalmoezen aan de eerwaarde Kassapa - De geur van deugdzaamheid is verreweg de beste

Nadat hij zich verheven had uit de meditatieve verdieping van nirodha samapatti[125] ging de eerwaarde Maha Kassapa voor aalmoezen naar een wijk in de stad Rajagaha waar arme mensen woonden. Zijn bedoeling was om er een ​​arme man de kans te geven grote verdiensten te verwerven door aalmoezen aan te bieden aan iemand die net uit nirodha samapatti was opgestegen. Sakka, de koning van de devas wilde van de gelegenheid gebruik maken om aalmoezen aan de eerwaarde Maha Kassapa aan te bieden. Hij nam de gedaante aan van een arme oude wever en kwam naar Rajagaha met zijn vrouw Sujata. De eerwaarde Maha Kassapa stond voor hun deur, de arme oude wever nam de nap van Maha Kassapa en vulde de nap met rijst en vleesgerechten. De heerlijke geur van de vleesgerechten verspreidde zich overal. Toen scheen het Maha Kassapa dat deze persoon geen gewoon mens was, en hij besefte dat dit Sakka zelf was. Sakka gaf het feit toe en beweerde dat ook hij arm was omdat hij in de tijd van de Boeddha geen gelegenheid had gehad om iets aan iemand aan te bieden. Na deze woorden verlieten Sakka en zijn vrouw Sujata de eerwaarde Maha Kassapa nadat zij hem hun eer hadden betoond.[126]

Vanuit zijn klooster zag de Boeddha Sakka en Sujata vertrekken en hij vertelde de monniken dat Sakka aalmoezen had aangeboden aan de eerwaarde Maha Kassapa. De monniken vroegen zich af hoe Sakka wist dat Maha Kassapa net uit nirodha samapatti was opgerezen en dat het de juiste en gunstige tijd voor hem was om een gave aan Maha Kassapa te brengen. De vraag werd gesteld aan de Boeddha, die antwoordde: “Bhikkhus, de reputatie van een deugdzame man als mijn zoon Kassapa verspreidt zich wijd en zijd; die bereikt zelfs de deva-wereld. Vanwege zijn goede reputatie is Sakka zelf gekomen om zijn eer te betuigen.”

56.         “Van geringe betekenis is de geur van tagara of van sandal. De geur van de deugdzame die zelfs tot onder de goden waait, is het hoogst.”


Verhaal IV:11 bij 57 (4:14) Godhika bereikt heiligheid bij de poging tot zelfdoding - Het wedergeboorte-bewustzijn van Arahants kan niet opgespoord worden

Eens beoefende de eerwaarde Godhika ijverig de meditatie van rust en inzicht, op de helling van de berg lsigili in Magadha. Toen hij concentratie van geest (jhana) had bereikt, werd hij erg ziek en het verminderde de effectiviteit van zijn beoefening. Ondanks zijn ziekte bleef hij ijverig streven, maar elke keer dat hij enige vooruitgang boekte, werd hij door ziekte overmand. Hij werd aldus zes keer gekweld. Uiteindelijk besloot hij naar arahantschap te streven, zelfs als hij daarbij zou sterven. Dus oefende hij ijverig, zonder te ontspannen. Uiteindelijk besloot hij zelfdoding te plegen. Hij koos lichamelijke pijn als het object van meditatie en sneed met een mes zijn keel door. Hij concentreerde zich op de pijn, bereikte concentratie van geest en bereikte arahantschap voordat hij heenging.[127] Hoewel het buitengewoon moeilijk is om bij pijn geconcentreerd te blijven, toonde hij zijn vastberadenheid.

Toen Mara vernam dat Godhika was overleden, probeerde hij erachter te komen waar hij was herboren, maar hij kon hem niet vinden. Dus nam Mara de gedaante aan van een jonge man, ging naar de Boeddha toe en vroeg waar Godhika was. De Boeddha antwoordde: “Het zal voor jou niet van voordeel zijn om de bestemming van Godhika te vernemen; want omdat hij van mentale verontreinigingen is bevrijd, werd hij een Arahant en maakte hij een einde aan  wedergeboorte. Iemand zoals jij, Mara, met al je kracht zal niet in staat zijn te achterhalen waar Arahants heen gaan na de dood.”

57.         “Het pad van degenen die deugdzaam zijn, voorzichtig in het leven, en bevrijd door juiste kennis, wordt door Mara niet gevonden.”


Verhaal IV:12 bij 58-59 (4:15-16) De wijzen overtreffen wereldlingen (Sirigutta en Garahadinna) - Grootheid kan zelfs onder de laagsten gevonden worden

Te Savatthi waren twee vrienden genaamd Sirigutta en Garahadinna. Sirigutta was een volgeling van de Boeddha en Garahadinna was een volgeling van de Niganthas, de asceten die vijandig stonden tegenover de Boeddha. Op aandringen van de Niganthas zei Garahadinna vaak tegen Sirigutta: "Welk voordeel krijg jij door de Boeddha te volgen? Kom, wees een volgeling van mijn leraren." Nadat dit al vaak was gezegd, zei Sirigutta tegen Garahadinna: "Vertel mij, wat weten jouw leraren?" Hierop antwoordde Garahadinna dat zijn leraren alles wisten; met hun grote kracht kenden zij het verleden, het heden en de toekomst en ook de gedachten van anderen. Daarom nodigde Sirigutta de Niganthas uit voor een aalmoezenmaaltijd in zijn huis.

Sirigutta wilde de waarheid over de Niganthas te weten komen, of zij echt de kracht bezaten om de gedachten van anderen te kennen, enz. Dus maakte hij een lange, diepe greppel, vulde die met vuil en slijk en legde er een mat overheen. Zitplaatsen werden vervolgens hachelijk met dunne touwen boven op de greppel geplaatst; en er werden lege potten binnengebracht en bedekt met stukken stof en bananenbladeren om het te laten lijken alsof ze vol rijst en vleesgerechten waren. Toen de Niganthas arriveerden, werd hun verzocht een voor een binnen te komen, naast hun respectievelijke zitplaats te gaan staan en tegelijkertijd te gaan zitten. Toen zij allemaal gingen zitten, braken de dunne touwen en vielen de Niganthas in de smerige greppel. Toen bespotte Sirigutta hen: "Als jullie het verleden, het heden en de toekomst kennen, waarom kennen jullie dan niet de gedachten van anderen?" Alle Niganthas vluchtten toen in angst en verlegenheid.

Na dit incident was Garahadinna natuurlijk boos op Sirigutta en weigerde enige tijd met zijn vriend te praten. Toen besloot hij wraak te nemen op Sirigutta. Hij deed alsof hij niet langer boos was en op een dag vroeg hij aan Sirigutta om de Boeddha en zijn discipelen namens hem uit te nodigen voor een maaltijd. Dus nodigde Sirigutta de Boeddha uit om naar het huis van Garahadinna te komen. Tegelijkertijd vertelde hij aan de Boeddha wat hij had gedaan met de Niganthas, de leraren van Garahadinna. Hij uitte ook zijn vrees dat deze uitnodiging een wraak zou kunnen zijn en dat de uitnodiging alleen na zorgvuldige overweging mocht worden aangenomen.

De Boeddha wist met zijn bovennatuurlijke kracht dat dit de gelegenheid zou zijn voor de twee vrienden om het eerste niveau van heiligheid te bereiken, en daarom nam hij de uitnodiging aan. Garahadinna maakte een greppel, vulde deze met gloeiende kolen en bedekte hem met matten. De volgende dag gingen de Boeddha en de monniken naar het huis van Garahadinna. Toen de Boeddha op de mat over de greppel stapte, verdwenen de mat en de gloeiende kolen op wonderbaarlijke wijze. In plaats daarvan sprongen lotusbloemen op, elk zo groot als het wiel van een kar, waarop de Boeddha en zijn discipelen konden zitten.

Toen Garahadinna dit wonder zag, was hij erg geschrokken en hij zei tegen Sirigutta: "Help mij, beste vriend. Vanwege mijn verlangen naar wraak heb ik echt een grote fout begaan. Mijn slechte bedoelingen hebben helemaal geen effect gehad op jouw leraar. Ik heb helemaal geen eten bereid. De potten in mijn keuken zijn allemaal leeg. Help mij alstublieft." Sirigutta zei toen tegen Garahadinna dat hij in de potten moest gaan kijken. Toen Garahadinna ontdekte dat alle potten gevuld waren met voedsel, was hij stomverbaasd en tegelijkertijd heel opgelucht en heel gelukkig. Dus werd het eten aan de Boeddha en zijn discipelen aangeboden. Na de maaltijd uitte de Boeddha zijn waardering voor de verdienstelijke daad en zei toen: "Onwetende wereldlingen, die geen kennis hebben, kennen de unieke kwaliteiten van de Boeddha, de Dhamma en de Sangha niet en daarom zijn zij als de blinden; maar de wijzen, die kennis hebben, zijn als mensen met gezichtsvermogen."

De Boeddha legde de Dhamma trapsgewijs uit. Terwijl hij aandachtig naar de religieuze toespraak luisterde, werd Garahadinna's lichaam langzaam vervuld met vreugde en geluk. Aan het einde van de toespraak bereikten zowel Garahadinna als Sirigutta het eerste niveau van heiligheid. Beiden hernieuwden hun vriendschap en werden sterke begunstigers van de Boeddha en zijn monniken. Zij schonken ook het grootste deel van hun rijkdom aan de zaak van de Boeddha Dhamma.

Terug bij het Jetavana-klooster waren de monniken verrast dat lotusbloemen waren opgekomen uit een greppel gevuld met kolen. De Boeddha antwoordde dat het niet de eerste keer was, en in antwoord op hun verzoek vertelde hij in detail de Khadirangara Jataka.

58.         “Zoals een zoetgeurende, liefelijke lotus die aan de grote weg op een hoop afval is gegooid, ook daar kan groeien,[128] 

59.          juist zo overtreft onder waardeloze wezens een discipel van de volledig Verlichte de blinde wereldlingen in wijsheid.”


5. Bāla vagga – Dwazen  

Dhp. 60-75


Verhaal V:1 bij 60 (5:1) De koning die de vrouw van een ander begeerde (Pasenadi) - Lang is samsara voor degenen die de dhamma niet kennen

Toen koning Pasenadi op een dag de stad in ging, zag hij een mooie jonge vrouw voor het raam van haar huis staan en hij werd op slag verliefd op haar. Dus probeerde de koning manieren en middelen te vinden om haar te krijgen. Toen hij ontdekte dat zij een getrouwde vrouw was, liet hij haar man komen en liet hem dienen in het paleis. Later stuurde de koning de echtgenoot op een onmogelijke missie. De jongeman moest naar een ondergrondse wereld gaan om wat lotusbloemen en wat rode aarde te verzamelen en moest dezelfde avond naar Savatthi terugkeren, op tijd voor het bad van de koning. Het was de bedoeling van de koning om de man te doden als hij niet op tijd terugkwam, en om de vrouw voor zichzelf te nemen.

Haastig nam de jongeman een voedselpakket van zijn vrouw en ging op weg om de opdracht te vervullen. Onderweg deelde hij zijn eten met een reiziger. Hij gooide toen wat rijst in het water en zei luid. "O beschermgeesten en nagas die in deze rivier wonen, koning Pasenadi heeft mij bevolen wat lotusbloemen en rode aarde voor hem te pakken. Ik heb vandaag mijn eten gedeeld met een reiziger; ik heb ook de vissen in de rivier gevoerd: ik deel nu met jullie de verdiensten van de goede daden die ik vandaag heb gedaan. Haal alsjeblieft de lotus en rode aarde voor mij."

Een bovennatuurlijk wezen hoorde hem, nam de gedaante aan van een oude man en bracht de lotusbloem en de rode aarde.

Die avond liet koning Pasenadi, uit angst dat de jonge echtgenoot op tijd terug zou komen, vroeg de stadspoort sluiten. De jongeman, die de stadspoorten gesloten vond, plaatste de rode aarde op de stadsmuur en legde de bloemen op de aarde. Toen verklaarde hij luid: "O burgers, wees mijn getuigen. Ik heb vandaag mijn missie op tijd volbracht zoals gevraagd. De koning is zonder enige rechtvaardiging van plan mij te vermoorden." Daarna vertrok de jongeman naar het Jetavana-klooster om daar te overnachten en er troost te vinden in de vredige atmosfeer.

Ondertussen kon de koning, geobsedeerd door zijn verlangen, niet slapen en bleef hij nadenken over hoe hij in de morgen van de man af kon komen en diens vrouw kon nemen. Rond middernacht hoorde hij een paar griezelige geluiden. De koning was bang en wist niet wat hij moest doen. Koningin Mallika, de hoofd-gemalin, adviseerde de koning om advies in te winnen bij de Boeddha. Deze legde uit dat de griezelige geluiden afkomstig waren van vier mannen die op aarde hadden geleefd in de tijd van de vorige Boeddha. Zij leden nu in de hel vanwege het verzamelde resultaat van slechte wilsacties met betrekking tot seksueel wangedrag. De koning besefte de verdorvenheid van zijn eigen daden en de ernst van het resultaat van slechte wilsacties. Hij besloot dat hij niet langer zou verlangen naar de vrouw van een andere man. "Het was tenslotte vanwege mijn intense verlangen naar de vrouw van een andere man dat ik gekweld werd en de hele nacht niet kon slapen,” overwoog hij. Toen zei koning Pasenadi tegen de Boeddha: "Eerwaarde heer, nu weet ik hoe lang de nacht is voor iemand die niet kan slapen.'' De jonge man die dichtbij was, zei ook: "Eerwaarde heer, omdat ik gisteren een lange afstand had afgelegd, weet ook ik hoe lang de reis is naar iemand die vermoeid is." Zo profiteerden zowel de koning als zijn onderdaan van hun ervaringen. Toen zei de Boeddha het volgende vers.

60.         “Lang is de nacht voor de wakende; lang is de mijl voor de vermoeide. Lang is samsara[129] voor de dwaas die de verheven waarheid niet kent.”


Verhaal V:2 bij 61 (5:2) Een ongehoorzame novice - Vermijdt omgang met de dwazen

Toen de eerwaarde Maha Kassapa in de buurt van Rajagaha woonde, had hij twee jonge novicen die bij hem vertoefden. Een van hen had respect, en was gehoorzaam en plichtsgetrouw, maar de andere niet. Toen Maha Kassapa de ongehoorzame novice adviseerde zijn plichten niet te verwaarlozen, werd de laatste erg kwaad. Op een dag ging hij naar het huis van een lekenvolgeling en zei niet naar waarheid dat de eerwaarde Maha Kassapa ziek was. Zo kreeg hij uitgelezen voedsel dat voor Maha Kassapa bedoeld was; maar de novice at het onderweg op. Toen hij door Maha Kassapa hiervoor werd vermaand, was hij buitengewoon boos. Toen de eerwaarde Maha Kassapa de volgende dag op zijn aalmoezenrondgang was, bleef de dwaze jonge novice achter, brak de potten en pannen en stak het klooster in brand.

Een monnik uit Rajagaha vertelde dit aan de Boeddha die toen zei dat het voor Maha Kassapa veel beter zou zijn geweest om alleen te leven dan met een dwaze metgezel die voor zoveel afleiding zorgde.

61.         “Als de discipel verder reist, en hij geen metgezel ontmoet die beter of gelijk is, laat hij dan vastberaden zijn loopbaan in eenzaamheid vervolgen. Er is geen kameraadschap[130] met de dwaas.” [131]


Verhaal V:3 bij 62 (5:3) Het lot van een gierige rijke man - Men is niet van zichzelf

In Savatthi was eens een zeer rijke man met naam Ananda. Hoewel hij rijk was, was hij erg terughoudend om iets aan liefdadigheid te geven. Tegen zijn zoon Mulasiri zei hij altijd: "Denk niet dat wij rijk zijn. Wij moeten niet verkwistend zijn. Wij zouden altijd meer rijkdom moeten verwerven. Anders zal onze rijkdom afnemen." De rijke man had vijf potten met goud in zijn huis begraven en hij stierf zonder de locatie ervan aan zijn zoon te onthullen.

Deze man werd herboren in een dorp van bedelaars, niet ver van Savatthi. Vanaf het moment dat zijn moeder zwanger was, daalde het inkomen van de bedelaars en zij dachten dat er een ongelukkig iemand onder hen was. Door zichzelf in groepen op te splitsen en door het proces van eliminatie kwamen zij tot de conclusie dat de zwangere vrouw de oorzaak van hun ongeluk moest zijn. Dus werd zij uit het dorp verdreven. Ten slotte beviel zij van een zoon die lelijk en weerzinwekkend was. Als zij alleen ging bedelen, kreeg zij zoveel als zij voorheen had gekregen; maar als zij met haar zoon naar buiten ging, kreeg zij niets. Dus toen de jongen groot genoeg was, stuurde zijn moeder hem alleen op pad om te bedelen. Toen hij rondliep in Savatthi, ging hij zijn oude huis binnen waar hij in het vorige leven had gewoond. Toen de zonen van Mulasiri hem zagen, werden zij bang door zijn lelijke blikken en bevalen hun bedienden hem het huis uit te gooien.

De Boeddha die op zijn aalmoezenrondgang was, zag het incident en vroeg aan de eerwaarde Ananda om Mulasiri te halen. Toen deze kwam, onthulde de Boeddha dat de jonge bedelaar niemand minder was dan Mulasiri's eigen gestorven vader. Maar Mulasiri kon het niet geloven. Dus gaf de Boeddha de jonge bedelaar opdracht om te laten zien waar hij zijn vijf potten met goud had begraven. Pas toen accepteerde Mulasiri de waarheid en vanaf die tijd werd hij een toegewijde lekenvolgeling van de Boeddha.

        

62.          “Zonen heb ik, rijkdom heb ik. Aldus meent de dwaas dat hij in zekerheid is. Waarlijk, hij is niet van zichzelf. Hoe kunnen dan zonen en rijkdom van hem zijn?”


Verhaal V:4 bij 63 (5:4) Wijs is hij die zijn dwaasheid erkent

Op een keer voegden twee dieven zich bij een groep devote leken die naar het Jetavana-klooster gingen waar de Boeddha een toespraak hield. Een van hen luisterde aandachtig naar de toespraak en besefte al snel de Dhamma. Maar de tweede dief schonk geen aandacht aan de toespraak; hij liep heen en weer en was bezig met stelen van de devote leken.

Na de toespraak keerden beiden terug naar het huis van de tweede dief die de eerste dief bespotte: "Jij bent zo wijs, jij hebt geen geld om iets te kopen om in je huis te koken." Toen hij deze opmerking hoorde, dacht de eerste dief: "Hij is zo dom te denken dat hij wijs is." Vervolgens ging hij, samen met enkele familieleden, naar de Boeddha en vertelde hem de kwestie.

De Boeddha sprak toen het volgende vers.

        

63.         “De dwaas die weet dat hij een dwaas is, is om die reden een wijze man; de dwaas die denkt dat hij wijs is, wordt inderdaad een dwaas genoemd.”


Verhaal V:5 bij 64 (5:5) Een dwaas kan de waarde van de Dhamma niet waarderen

De eerwaarde Udayi ging vaak op het podium zitten vanwaar geleerde monniken hun toespraken hielden. Eens hielden sommige bezoekende monniken hem daarom voor een deskundige in het uitleggen van de Dhamma en stelden hem enkele vragen over de vijf aggregaten (khandhas). Udayi kon geen antwoord geven, omdat hij niets wist van de Dhamma. De bezoekende monniken waren verbaasd toen zij ontdekten dat iemand die met de Boeddha in hetzelfde klooster verbleef, zo weinig wist over de geest, de elementen en de zes zintuigen.

Aan hen legde de Boeddha met het volgende vers uit dat een dwaas, zelfs als hij zijn hele leven met een wijs man is omgegaan, de Dhamma niet begrijpt.

64.         “Hoewel een dwaas zijn hele leven lang kan omgaan met een wijze man, begrijpt hij van de Dhamma niet meer dan een lepel proeft van de smaak van soep.”


Verhaal V:6 bij 65 (5:6) De wijze kan de waarde van de Dhamma waarderen

Op een dag vermaakte een groep jongeren uit Paveyyaka zich met een courtisane in een bos. Toen zij gingen rusten, rende de courtisane weg met hun waardevolle sieraden. Terwijl zij in het bos naar haar zochten, ontmoetten zij de Boeddha. In plaats van verder naar haar te zoeken, bleven zij aandachtig luisteren naar de leerrede van de Boeddha. Na die leerrede traden zij toe tot de Orde van de bhikkhus en volgden de Meester naar het Jetavana-klooster. Tijdens hun verblijf in het klooster hielden zij zich strikt aan de strenge oefeningen (dhutanga).  Toen de Boeddha later enkele leerreden uit het Anamatagga Samyutta[132] sprak, bereikten zij allen arahantschap.

Andere monniken zeiden dat deze monniken zeer snel arahantschap verwierven en de Boeddha zei het volgende vers.

65.          “Al gaat een intelligent persoon slechts een enkel ogenblik om met een wijze man, hij begrijpt de Dhamma snel, zoals de tong de smaak van soep proeft.”


Verhaal V:7 bij 66 (5:7) De melaatse Suppabuddha - De vrucht van kwaad is bitter

 Te Rājagaha leefde een man met naam Suppabuddha. Hij was melaats; zijn ledematen waren erg aangetast door die ziekte. Hij was erg arm. Hij kleedde zich in weggeworpen stroken stof die hij aan elkaar naaide. En hij at wat anderen over hadden van hun maal.

Op een dag kwam de Boeddha terug van zijn aalmoezenrondgang. Hij ging met zijn gevolg Rājagaha binnen. De bewoners ervan maakten een zitplaats voor hem gereed. En hij onderwees er de Dhamma.

  Suppabuddha zag van verre de menigte mensen en hij vroeg zich af waarom zij daar bijeen waren gekomen. Hij dacht dat er eten uitgedeeld werd en dat ook hij er misschien iets zou krijgen. Hij kwam dichterbij en zag de Verhevene de leer onderwijzen. Suppabuddha ging aan de rand van de menigte zitten om naar de leer te luisteren.

Hij was in zulke omstandigheden wedergeboren als resultaat van een vergrijp jegens de Paccecaboeddha Tagarasikhi. Maar hij was in staat om de leer vlug te begrijpen en hij bereikte het eerste niveau van heiligheid (sotāpatti).

 Suppabuddha wilde graag aan de Leraar bekend maken wat hij bereikt had na diens onderricht van de Dhamma. Maar wegens zijn melaatsheid wilde hij niet samen met de menigte gaan. Hij wachtte daarom tot de Verhevene naar het Veluvana-klooster was gegaan en ging er daarna eveneens heen.

  Sakka, de koning van de goden besefte wat Suppabuddha van plan was. Om hem te testen, rees hij in de lucht omhoog en zei: “Suppabuddha, jij bent de armste van allen, jij lijdt veel en jij bent de laagste van alle mensen. Ik zal jou onbegrensde rijkdom geven als jij de Boeddha, Dhamma en Sangha loochent en zegt dat jij dat Drievoudige Juweel beu bent.” Suppabuddha vroeg daarop wie tot hem sprak. “Ik ben Sakka, koning van de goden,” luidde het antwoord, waarop Suppabuddha zei: “Jij dwaas, jij zegt dat ik arm ben en behoeftig en ziek. Maar integendeel, ik heb geluk bereikt en grote rijkdom, namelijk de rijkdom van vertrouwen, de rijkdom van moreel goed gedrag, de weelde van bescheidenheid, de weelde van vrees voor zonde, de rijkdom van een heilige leer, van ontzegging, van wijsheid; deze zeven voorraden van rijkdom zijn van mij. Ieder die deze voorraden van rijkdom bezit, hetzij man of vrouw, zo iemand is niet arm; het leven van zo iemand is niet tevergeefs. Dit zijn de zeven voorraden van achtenswaardige rijkdom. Zij die deze voorraden van rijkdom bezitten, worden niet arm genoemd door Boeddhas of Pacceka-Boeddhas.”

Sakka ging naar de Verhevene en vertelde hem de gebeurtenis. En de Verhevene zei: “Het is zelfs met honderd of duizend geldstukken niet mogelijk dat men de Boeddha, Dhamma en Sangha laat verloochenen door de melaatse Suppabuddha.”

 Later werd Suppabuddha als resultaat van een slechte daad door de horens van een koe gedood. Hij werd in een hemelse sfeer wedergeboren.

De Boeddha legde uit dat Suppabuddha in zijn vroegere leven op een Paccekaboeddha had gespuwd en daarom melaats was geworden. En hij had in een vroeger leven een courtisane gedood en daarom was hij nu gedood.

66.         “Dwazen met weinig verstand lopen heen en weer met het zelf als hun eigen vijand. Zij doen slechte daden waarvan het resultaat bitter is.” [133]


Verhaal V:8 bij 67 (5:8) Hoe de Boeddha een onschuldige boer redde - Die daad is niet goed gedaan die spijt veroorzaakt

Op een dag verdeelden sommige dieven wat gestolen kostbaarheden en contant geld onder elkaar in een veld. Na de verdeling gingen zij weg, maar zij lieten per ongeluk een zak met gestolen geld achter.

Vroeg in de ochtend van die dag overzag de Boeddha de wereld met zijn bovennatuurlijke kracht. En hij zag dat een boer die in de buurt van dat veld werkte, de Dhamma op diezelfde dag zou realiseren. Dus ging de Boeddha daarheen, vergezeld van de eerwaarde Ananda. De boer zag de Boeddha, betoonde eer aan hem en ging verder met het ploegen van het veld. Toen de Boeddha de zak met geld zag, merkte hij op: "Ananda, kijk hier is een zeer giftige slang," en Ananda antwoordde: "Eerwaarde heer, ja, het is inderdaad een zeer giftige slang." Toen gingen zowel de Boeddha als Ananda verder op hun weg.

De boer hoorde die opmerkingen en ging kijken of er echt een slang was. In plaats daarvan vond hij de zak met geld. Hij pakte de zak en verborg hem. Op dat moment kwamen de mensen die beroofd waren, naar het veld in achtervolging van de overvallers. Zij zagen de voetafdrukken van de boer en vonden de zak met geld. De boer werd in elkaar geslagen en zij brachten hem naar de koning. Die veroordeelde hem ter dood. De boer werd naar de knekelplaats gebracht om daar gedood te worden, maar de boer herhaalde steeds: "Ananda, kijk daar is een zeer giftige slang. Eerwaarde Heer, ja, dat is inderdaad een zeer giftige slang." Toen de mannen van de koning deze dialoog tussen de Boeddha en Ananda de hele tijd hoorden herhalen, waren zij verbaasd en brachten de boer terug naar de koning. Deze vermoedde dat de boer de Boeddha aanriep als getuige; de boer werd daarom tot bij de Boeddha gebracht. Nadat hij van de Boeddha alles had gehoord wat er 's morgens was gebeurd, merkte de koning op: "Als hij de Boeddha niet had kunnen aanroepen als een getuige van zijn onschuld, zou deze man zijn gedood." De Boeddha gaf ten antwoord: "Een wijze man zou niets moeten doen waar hij spijt van kan krijgen nadat hij het deed." De Boeddha sprak toen over de gevolgen van slechte daden.

67.         “Die daad is niet goed gedaan wanneer men, als men ze heeft gedaan, spijt heeft, en wanneer men huilend, met betraand gezicht, de vrucht ervan oogst.”


Verhaal V:9 bij 68 (5:9) De sterke devotie van een tuinman - Die daad is goed gedaan die geen spijt veroorzaakt

Een tuinman met naam Sumana moest koning Bimbisara van Rajagaha elke ochtend jasmijnbloemen brengen. Op een ochtend, op weg naar het paleis van de koning, zag Sumana de Boeddha die naar de stad was gekomen voor de aalmoezenrondgang, vergezeld van vele monniken. Sumana voelde een sterk verlangen om de Boeddha zijn bloemen aan te bieden. Meteen besloot hij dat zelfs als de koning hem uit het land zou verbannen of hem zou doden, hij de bloemen zou aanbieden aan de Boeddha in plaats van aan de koning. Dus bood hij met de grootste devotie al zijn bloemen aan. Terwijl de Boeddha verder ging met de monniken, en omringd door de bloemen, kwamen duizenden mensen naar buiten om hulde te brengen aan de Boeddha. Wat Sumana betreft, zijn hele lichaam was overgoten met heerlijke verrukking (piti).

Sumana's vrouw meldde toen aan de koning dat zij niets te maken had met het feit dat haar man de bloemen niet bij het paleis had afgeleverd. In feite was de koning blij met het aanbieden van de bloemen aan de Verlichte. De koning maakte ook van de gelegenheid gebruik om de maaltijd aan te bieden aan de Boeddha en zijn monniken.

Na de maaltijd keerde de Boeddha terug naar het Jetavana-klooster. Toen liet koning Bimbisara de tuinman Sumana naar het paleis komen. De koning prees Sumana voor zijn grote toewijding tot de Boeddha. De koning juichte ook zijn moed toe bij het aanbieden van de bloemen en gaf hem, om zijn waardering te tonen, een grote beloning.

Toen de eerwaarde Ananda hem in het Jetavana-klooster vroeg welke voordelen Sumana verkreeg door zijn goede daad op die dag, legde de Boeddha uit dat Sumana zonder te denken aan zijn eigen veiligheid de bloemen had aangeboden en daarom in geen van de vier  lagere vormen van bestaan (apaya) herboren zou worden. Uiteindelijk zou hij op een dag bevrijd worden van de onbevredigende staat van bestaan.

68.         “Die daad is goed gedaan wanneer men, na ze gedaan te hebben, geen spijt erover heeft, en wanneer men met vreugde en plezier de vrucht ervan plukt.”


Verhaal V:10 bij 69 (5:10) De jonge man die een non verkrachtte (Uppala Vanna) - Boosdoeners lijden verdriet

Er was eens een jonge dochter van een welbekende familie in Savatthi. Omdat zij zo mooi was, met een zo teder en lief uiterlijk als een lotusbloem, werd zij ‘Uppala Vanna’ genoemd. De faam van haar schoonheid verspreidde zich heinde en ver en er waren veel vrijers: prinsen, rijke mannen en vele anderen. Maar zij besloot dat het beter voor haar was om een bhikkhuni te worden, een vrouwelijk lid van de heilige Orde.

Op een dag stak zij een lamp aan en hield haar geest vast gevestigd op de vlam; zij gebruikte de ‘vuur-kasina’ als een object van concentratie, en bereikte arahantschap.

Enige tijd later ging zij naar het bos en leefde in eenzaamheid. Terwijl zij buiten op haar aalmoezenrondgang was, kwam haar neef Nanda naar haar hut en verstopte zich onder de bank. Nanda was verliefd op haar geworden voordat zij een bhikkhuni werd en nu was het zijn bedoeling haar met geweld te nemen. Toen Uppala Vanna terugkeerde, zag zij Nanda en zei: "Doe niet zo dom. Doe geen kwaad, val mij niet lastig." Maar hij kon niet worden tegengehouden. Nadat hij Uppala Vanna met geweld had genomen, verliet hij haar. Voor deze vreselijke daad van lastigvallen van een heilig persoon moest hij lange tijd lijden.

Toen hij van dit incident hoorde, liet de Boeddha koning Pasenadi van Kosala halen en vertelde hem over de gevaren en moeilijkheden die bhikkhunis die in bossen woonden konden tegenkomen door onverantwoordelijke personen. De koning liet toen in de stad kloosters bouwen voor bhikkhunis. Vanaf die tijd woonden bhikkhunis alleen binnen in de stad.

De Boeddha sprak toen ook over het lijden dat boosdoeners ten deel valt.

69.         “Zo zoet als honing is een slechte daad, zo denkt de dwaas zolang als ze niet rijpt; maar wanneer ze rijpt, dan lijdt hij verdriet.”


Verhaal V:11 bij 70 (5:11)  De asceet die anderen bedroog - Realisatie is veel hoger dan alleen maar vasten  

Jambuka was de zoon van een rijke man te Savatthi. Vanwege zijn vroegere slechte daden was hij geboren met heel eigenaardige gewoonten. Als kind wilde hij op de grond slapen zonder een echt bed, en hij gaf er de voorkeur aan zijn eigen uitwerpselen als voedsel te nemen in plaats van rijst. Toen hij ouder werd, stuurden zijn ouders hem naar de asceten. Toen die asceten zijn eigenaardige gewoonten te weten kwamen, joegen zij hem weg. 's Nachts at hij menselijke uitwerpselen en overdag stond hij stil op één been en hield zijn mond open. Hij zei dan altijd dat hij zijn mond open hield omdat hij alleen van de lucht leefde en dat hij op één been stond omdat hij te zwaar was voor de aarde om hem te dragen. "Ik ga nooit zitten, ik ga nooit slapen," pochte hij.

Veel mensen geloofden hem en sommigen kwamen met gaven naar hem toe. Jambuka weigerde ze met de woorden: "Ik neem geen enkel voedsel behalve lucht.'' Als werd aangedrongen iets aan te nemen, nam hij slechts een klein beetje voedsel met de punt van een grassprietje en zei: "Ga nu, dit kleine beetje zal jou genoeg verdienste geven." Op deze manier leefde Jambuka vele jaren naakt en in het geheim at hij uitwerpselen.

 Op een dag zag de Boeddha in zijn geest dat Jambuka in staat was om binnen korte tijd arahantschap te bereiken. Dus ging hij 's avonds naar Jambuka en vroeg of er een plek was om er de nacht door te brengen. Jambuka wees hem op de berg-grot waar hij zelf verbleef. Toen de Boeddha daar rustte, kwamen de devas hem hulde  brengen. Het bos werd verlicht met hun glans en Jambuka zag het licht. 's Morgens ging hij naar de Boeddha en informeerde naar de heldere glans die hij had gezien.

 Toen hem werd verteld over de devas die waren gekomen om hulde te brengen aan de Boeddha, was Jambuka erg onder de indruk en zei: "U moet inderdaad een spiritueel groot persoon zijn dat de devas U hulde komen brengen. Wat mij betreft, hoewel ik al vijfenvijftig jaar lang strenge ascese heb beoefend, alleen van de lucht leef en slechts op één been sta, is geen van de devas ooit naar mij toegekomen." De Boeddha antwoordde: "O Jambuka, jij hebt anderen bedrogen, maar jij kunt mij niet bedriegen. Ik weet dat jij al veel jaren uitwerpselen hebt gegeten en op de grond hebt geslapen."

Bovendien legde de Boeddha hem uit hoe Jambuka in een van zijn vroegere levens in de tijd van de Boeddha Kassapa een monnik niet naar het huis van een devote leek had laten gaan waar aalmoezen werd gegeven en hoe hij het voedsel dat hem was meegegeven voor die monnik, had weggegooid. Vanwege deze slechte daden had hij zulke eigenaardige gewoonten van het eten van uitwerpselen en het slapen op de kale grond. Jambuka besefte toen zijn fout en had er diepe spijt van dat hij andere mensen had misleid. Hij viel op zijn knieën en de Boeddha gaf hem een doek om zich ermee te bedekken. De Boeddha sprak toen een leerrede. Aan het einde van de toespraak bereikte Jambuka arahantschap en sloot zich ter plaatse aan bij de heilige Orde.

 Kort hierna arriveerden ook Jambuka's leerlingen en zij waren verrast hun leraar met de Boeddha te zien. Bhikkhu Jambuka kondigde toen aan dat hij zich bij de heilige Orde had aangesloten en dat hij nu alleen een discipel van de Verlichte was. De Boeddha legde hun uit dat, hoewel hun leraar verschillende strenge praktijken had beoefend, het zelfs niet een zestiende deel[134] waard was van zijn huidige beoefening en bereiking.

70.         “Maand na maand kan een dwaas slechts zoveel voedsel eten als kan worden opgenomen op de punt van een kusa grashalm.[135] Maar hij is geen zestiende deel waard van hen die de waarheid hebben begrepen.[136]


Verhaal V:12 bij 71 (5:12) Een geest met het hoofd van een mens en het lichaam van een slang - Een onheilzame daad draagt niet onmiddellijk vrucht

 

Eens ging de eerwaarde Maha Moggallana met de eerwaarde Lakkhana op aalmoezenronde in Rajagaha. Toen hij iets vreemds zag, glimlachte hij[137] maar zei niets. Toen zij terug waren in het klooster, legde de eerwaarde Maha Moggallana aan de eerwaarde Lakkhana uit dat hij had geglimlacht omdat hij een peta-geest had gezien met het hoofd van een mens en het lichaam van een slang. De Boeddha voegde er toen aan toe dat hijzelf die peta-geest had gezien op de dag dat hij Boeddhaschap bereikte. De Boeddha onthulde toen dat er heel lang geleden een Paccekaboeddha was. Mensen die naar zijn klooster gingen, moesten door een veld gaan. De eigenaar van het veld was bang dat zijn veld zou worden beschadigd door te veel mensen die naar het klooster liepen en weer terug, en daarom stak hij het klooster in brand. Bijgevolg moest de Paccekaboeddha naar een andere plaats vertrekken. De aanhangers van de Paccekaboeddha werden erg boos op de landeigenaar, sloegen hem en als gevolg van de slagen stierf hij. Als resultaat van zijn slechte wilsactie werd hij herboren in de ongelukkige sfeer als een peta in de gedaante van een slang.

Tot besluit zei de Boeddha: "Een slechte daad draagt niet onmiddellijk vruchten, maar ze volgt altijd de boosdoener. Er is geen ontkomen aan de gevolgen van een slechte daad.''

71.        “Waarlijk, een onheilzame daad draagt niet onmiddellijk vrucht, juist zoals melk niet direct kwark wordt. Ze smeult als vuur dat bedekt is met as en volgt de dwaas.”


Verhaal V:13 bij 72 (5:13) Wees voorzichtig in daden - Kennis en roem hebben de neiging om dwazen te ruïneren

Toen hij eens op een aalmoezenrondgang ging met de eerwaarde Lakkhana, zag de eerwaarde Maha Moggallana een peta-geest. De Boeddha legde uit dat deze specifieke peta-geest met naam Satthi Kuta in een van zijn vorige levens heel vaardig was in het gooien van stenen naar dingen. Op een dag vroeg hij toestemming aan zijn leraar om zijn vaardigheid uit te proberen. Zijn leraar vertelde hem om geen koe of een mens te treffen, aangezien hij een vergoeding zou moeten betalen aan de eigenaar of het familielid, maar om een ander doelwit te vinden.

Bij het zien van een heilige persoon op zijn aalmoezenrondgang dacht deze dwaze man dat die een ideaal doelwit was, omdat hij geen familielid of voogd had en ook geen koe was. Dus gooide hij een steen en doodde de heilige man. Op zijn beurt werd het publiek boos en doodde de man. Vanwege deze slechte daad werd hij gedurende lange tijd herboren in een ellendige toestand.[138] In zijn huidige bestaan was hij herboren als een peta-geest wiens hoofd voortdurend werd geslagen met gloeiend hete hamers.         

Bij die gelegenheid zei de Boeddha: "Voor een dwaas heeft zijn vaardigheid of kennis geen nut; ze kan hem alleen maar schaden."

72.         “Tot zijn ondergang inderdaad krijgt de dwaas kennis en roem; zij vernietigen zijn schitterende lot en splijten zijn hoofd.” [139]


Verhaal V:14 bij 73-74 (5:14-15) Een lekenvolgeling en een koppige monnik - De onwetenden zoeken ongepaste roem

 

Toen de eerwaarde Mahanama, een van de eerste vijf discipelen van de Boeddha, eens op aalmoezenrondgang was, ontmoette hij Citta, een gezinshoofd. Deze nodigde de monnik uit voor een maaltijd in zijn huis; na het luisteren naar de leerrede die na de maaltijd door de eerwaarde Mahanama werd gesproken, besefte Citta de Dhamma. Later bouwde Citta een klooster in zijn mango-park. Daar zorgde hij voor de benodigdheden van alle monniken die naar het klooster kwamen en een bhikkhu met naam Sudhamma werd aangesteld als de inwonende monnik.

 Op een dag kwamen de twee hoofddiscipelen van de Boeddha, de eerwaarde Sariputta en de eerwaarde Maha Moggallana, naar het klooster. Na het luisteren naar de toespraak van de eerwaarde Sariputta bereikte Citta het derde niveau van heiligheid. Daarna nodigde hij de eerwaarden Sariputta en Maha Moggallana uit om de volgende dag bij hem thuis te komen eten. Hij nodigde ook de eerwaarde Sudhamma uit, die in woede de uitnodiging afwees met de woorden: "Jij nodigde mij pas uit na de andere twee." Citta herhaalde zijn uitnodiging, maar die werd opnieuw afgewezen. Niettemin ging de eerwaarde Sudhamma de volgende dag vroeg naar het huis van Citta. Maar toen hij werd uitgenodigd om het huis binnen te gaan, weigerde hij en zei dat hij niet wilde gaan zitten omdat hij rondging voor aalmoezen. Maar toen hij de dingen zag die aan de monniken zouden worden aangeboden, was hij zo jaloers op hen dat hij zijn woede niet kon bedwingen. Hij schold op Citta en zei: “Ik wil niet langer in jouw klooster blijven” en verliet in woede het huis.

De eerwaarde Sudhamma vertelde alles wat er was gebeurd aan de Boeddha en deze zei: "Jij hebt een lekenvolgeling beledigd die begiftigd is met vertrouwen en vrijgevigheid. Jij moet naar hem teruggaan en jouw fout toegeven." Sudhamma deed wat hem was opgedragen, maar Citta vond dat hij zijn fout moest inzien en nam daarom zijn verontschuldiging niet aan. Sudhamma ging voor de tweede keer naar de Boeddha, en toen zei de Boeddha: "Mijn zoon, een goede monnik moet geen gehechtheid hebben; een goede monnik moet niet verwaand zijn en zeggen: ‘Dit is mijn klooster, dit is mijn plaats, dit zijn mijn lekenvolgelingen, enz., want in iemand met zulke gedachten zullen begeerte en trots toenemen."[140] Aan Sudhamma werd de raad gegeven om vergiffenis te vragen en niet egoïstisch en ambitieus te zijn, niet te denken in termen van "ik" en "van mij".

Op het einde van de vermaning ging Sudhamma naar het huis van Citta, en deze keer verzoenden zij zich. En binnen een paar dagen bereikte Sudhamma arahantschap.

73.         “De dwaas zal een ongepaste reputatie verlangen, voorrang onder monniken, autoriteit in de kloosters, eer onder andere families.”

74.         “Laten zowel leken als monniken denken: ‘door mijzelf was dit gedaan; in elk werk, groot of klein, laat ze naar mij verwijzen.’ Zodanig is de ambitie van de dwaas; zijn verlangens en hoogmoed nemen toe.”


Verhaal V:15 bij 75 (5:16) De novice Tissa die alle harten won - Het pad naar winst is het ene en dat naar Nibbana is een ander

Tissa was de zoon van een welbekende man uit Savatthi. Zijn vader bood de eerwaarde Sariputta in zijn huis aalmoezen aan en dus had Tissa al als kind Sariputta bij veel gelegenheden ontmoet. Op zevenjarige leeftijd werd hij een novice onder de eerwaarde Sariputta. Terwijl hij in het Jetavana-klooster verbleef, kwamen veel van zijn vrienden en familieleden naar hem toe met cadeautjes en gaven. De novice vond deze bezoeken erg vermoeiend; dus nadat hij een onderwerp van meditatie van de Boeddha had gekregen, vertrok hij naar een bos-klooster.

Telkens wanneer een dorpeling hem iets aanbood, zei de eerwaarde Tissa alleen maar: "Moge jij gelukkig zijn, moge jij bevrijd worden van de kwalen van het leven," en ging dan verder zijn eigen weg. Terwijl hij in het bos-klooster verbleef, beoefende hij vurig en ijverig meditatie, en na drie maanden bereikte hij volmaakte heiligheid.

Na de regentijd bracht de eerwaarde Sariputta, vergezeld van de eerwaarde Maha Moggallana en andere oudere discipelen, een bezoek aan Tissa. De dorpelingen verzochten de eerwaarde Sariputta om een leerrede te houden, maar hij weigerde. In plaats daarvan gaf hij zijn leerling Tissa opdracht een leerrede te spreken. De dorpelingen zeiden echter dat Tissa alleen maar kon zeggen: "Moge jij gelukkig zijn, moge jij bevrijd worden van de kwalen van het leven," en vroegen aan de eerwaarde Sariputta om een andere monnik in zijn plaats aan te wijzen. Maar Sariputta stond erop dat de eerwaarde Tissa de leerrede zou houden. In gehoorzaamheid aan zijn leraar ging de eerwaarde Tissa het podium op en sprak een leerrede.

 De dageraad naderde toen hij klaar was met zijn uiteenzetting en de eerwaarde Sariputta bracht zijn goedkeuring voor de eerwaarde Tissa omdat deze de Dhamma zo goed had uitgelegd. Ook de dorpelingen waren erg onder de indruk. Zij waren verrast dat de eerwaarde Tissa de Dhamma zo goed kende en zij beschouwden zich gelukkig dat Tissa onder hen was. Sommigen waren daarentegen teleurgesteld in hem omdat hij vroeger de Dhamma niet tot hen had verkondigd.

 De Boeddha zag met zijn bovennatuurlijke kracht vanuit het Jetavana-klooster deze twee groepen dorpelingen en verscheen voor hen zodat hij het misverstand onder de dorpelingen kon oplossen. De Boeddha arriveerde terwijl de dorpelingen bezig waren aalmoezen te bereiden voor de monniken. Dus hadden zij de gelegenheid om ook aalmoezen aan de Boeddha aan te bieden. Na de maaltijd sprak de Boeddha de dorpelingen toe met de woorden: "Devote mensen, jullie hebben allemaal zoveel geluk gehad Tissa onder jullie te hebben. Juist vanwege zijn aanwezigheid hier brengen ikzelf, mijn hoofd-discipelen, oudere discipelen en vele andere monniken u nu een bezoek.'' Deze woorden deden hen beseffen hoe gelukkig zij waren dat zij de eerwaarde Tissa bij zich hadden en zij verspilden geen tijd meer met nadenken over wat er in het verleden was gebeurd.

75.         “Waarlijk, het pad dat leidt naar wereldlijk voordeel is een ander dan het pad naar Nibbana. Wanneer de bhikkhu, de discipel van de Boeddha, dit begrijpt, laat hij zich dan niet verheugen in wereldlijke gunsten, maar laat hij onthechting[141] ontplooien.” [142]


6. Pandita vagga – De wijze

Dhp. 76-89


Verhaal VI:1 bij 76 (6:1) Heb omgang met de wijzen die u proberen te corrigeren

Radha was een arme brahmaan die in het klooster verbleef en voor de monniken klusjes deed zoals het gras maaien en de cellen vegen. De monniken behandelden hem vriendelijk maar wilden hem niet toelaten tot de heilige Orde, hoewel hij een sterk verlangen had om monnik te worden.

Op een dag, vroeg in de ochtend, zag de Boeddha de arme oude brahmaan en wist hij dat hij klaar was om arahantschap te bereiken. De oude man vertelde aan de Boeddha dat de monniken niet wilden dat hij toetrad tot de Orde. De Boeddha riep daarom alle monniken en vroeg hun: "Is hier een monnik die zich herinnert dat deze oude man iets goeds voor hem heeft gedaan?'' Op deze vraag antwoordde de eerwaarde Sariputta: "Eerwaarde Heer, ik herinner mij dat deze oude man mij eens een pollepel rijst aanbood.‟  "Als dat zo is,‟ zei de Boeddha, "zou jij jouw weldoener dan niet helpen om bevrijd te worden van wereldlijk lijden?" Toen stemde de eerwaarde Sariputta ermee in dat de oude man een monnik werd en de oude brahmaan werd naar behoren toegelaten tot de Orde.

De eerwaarde Sariputta was de leraar van de oude monnik die buitengewoon gehoorzaam was aan zijn leraar en altijd zó gretig was om advies te ontvangen dat hij na niet lange tijd arahantschap bereikte.

Toen de Boeddha de volgende keer kwam om de monniken te bezoeken, vertelden zij hem hoe strikt de oude monnik de leiding van de eerwaarde Sariputta had gevolgd. De Boeddha sprak tot hen over de bereidheid van die monnik om advies te aanvaarden en spoorde de monniken aan om hem na te volgen.

76.         “Mocht men een wijs man zien, die, als een onthuller van schatten, op fouten wijst en terechtwijst, laat men omgaan met zo'n wijs persoon; het zal beter zijn, niet slechter voor hem die met zo iemand omgaat.” [143]


Verhaal VI:2 bij 77 (6:2) Raadgevers zijn aangenaam voor de goeden maar niet voor de slechten

De bhikkhus Assaji en Punabhasuka en hun discipelen verbleven in het dorp Kitagiri. Tijdens hun verblijf daar plantten zij fruitbomen voor hun persoonlijke winst. Zij schonden ook enkele minder belangrijke voorschriften voor bhikkhus, waardoor het klooster luidruchtig werd en niet bevorderlijk voor andere bhikkhus die naar hun geestelijke ontwikkeling streefden.

De Boeddha hoorde van het gedrag van deze monniken en stuurde  zijn twee hoofddiscipelen, Sariputta en Maha Moggallana, om hun de raad te geven hun gedrag te veranderen, waarbij hij opmerkte dat raadgevers niet geliefd zijn bij degenen die slecht gedisciplineerd zijn.

Na de vermaning van de eerwaarden Sariputta en Maha Moggallana veranderden de meeste dwalende monniken hun manier van leven, terwijl sommigen terugkeerden naar het gezinsleven.

77.         “Laat hem raad geven, instructies geven en iemand van het kwaad afhouden; waarlijk, aangenaam is hij voor de goeden, onaangenaam is hij voor het slechten.” [144]


Verhaal VI:3 bij 78 (6:3) De koppige monnik  Channa - Koester goede vriendschap

Channa was de wagenmenner die prins Siddhattha had vergezeld toen hij de wereld verzaakte. Toen de prins Boeddhaschap bereikte, werd Channa ook een monnik. Hoewel hij een monnik was, was hij erg koppig en arrogant omdat hij trots was op zijn nauwe band met de Boeddha. Channa zei altijd: "Ik vergezelde mijn Meester toen hij het paleis verliet naar het bos. In die tijd was ik de enige metgezel van mijn Meester en er was niemand anders. Maar nu zeggen Sariputta en Maha Moggallana, brahmanen van geboorte, dat zij de hoofddiscipelen zijn en dat zij de autoriteit hebben om ons te controleren."

Toen de Boeddha hem vermaande voor zijn gedrag, zweeg hij, maar ging door met schelden op en beschimpen van de twee hoofddiscipelen. De Boeddha spoorde hem verschillende keren aan om zijn houding te veranderen: "Channa, deze twee edele monniken zijn goede vrienden voor jou; jij moet met hen omgaan en op goede voet met hen staan."

Ondanks herhaaldelijk advies van de Boeddha deed de eerwaarde Channa wat hij wilde en ging door met het uitschelden van de twee hoofddiscipelen. De Boeddha zei dat Channa zijn manieren niet onmiddellijk zou verbeteren, maar zeker zou veranderen na het parinibbana van de Meester. Aan de vooravond van zijn heengaan riep de Boeddha Ananda naar zijn bed en droeg hem op om Channa te disciplineren door de ‘Brahmadanda’ aan Channa op te leggen, d.w.z. dat de monniken hem eenvoudigweg moesten negeren en hem nergens voor moesten uitnodigen.

Na het Parinibbana van de Boeddha voelde Channa, die hoorde over de hem opgelegde beperkingen, een diepe en bittere wroeging omdat hij iets verkeerds had gedaan. Hij gaf zijn fout toe en bood zijn excuses aan bij de Sangha. Vanaf dat moment veranderde hij zijn manier van doen en gehoorzaamde hij ook al hun instructies in zijn meditatie-beoefening en bereikte spoedig arahantschap.

78.         “Ga niet om met slechte vrienden, ga niet om met gemene mensen; ga om met goede vrienden, ga om met edele mensen.”


Verhaal VI:4 bij 79 (6:4) Een koning en zijn ministers bereiken heiligheid - Gelukkig leeft hij die van de Dhamma drinkt

Maha Kappina[145] was de koning van Kukkutavati. Hij had een koningin met naam Anoja. Hij had ook een groot aantal ministers om hem te helpen bij het regeren van het land. Op een dag was de koning, vergezeld van verschillende ministers, buiten in het park. Daar ontmoetten zij enkele kooplieden uit Savatthi. Toen de koning en zijn ministers van deze kooplieden hoorden over de Boeddha, de Dhamma en de Sangha, gingen zij op weg naar Savatthi.

Op die dag zag de Boeddha in zijn geest Maha Kappina en zijn ministers naar Savatthi komen. Hij wist dat zij klaar waren om arahantschap te bereiken. De Boeddha ging op hen wachten onder een banyan-boom aan de oever van een rivier. Koning Maha Kappina en zijn ministers kwamen naar de plaats waar de Boeddha op hen wachtte. Toen zij de Boeddha zagen, met een zes-kleurig aureool dat uit zijn lichaam straalde, kwamen zij dichterbij en brachten hulde aan hem. De Boeddha sprak vervolgens een leerrede tot hen. Na het luisteren naar de toespraak beseften de koning en al zijn ministers de Dhamma en traden toe tot de heilige Orde.

Ondertussen liet koningin Anoja, die hoorde dat de koning naar Savatthi was vertrokken, de vrouwen van de ministers halen en volgde samen met haar het spoor van de koning. Ook zij kwamen naar de plaats waar de Boeddha was en bij het zien van de Boeddha met een aureool van zes kleuren, brachten zij hulde aan hem. Al die tijd had de Boeddha door zijn bovennatuurlijke macht uit te oefenen de koning en zijn ministers onzichtbaar gemaakt, zodat hun vrouwen hen niet zagen. Als zij hun echtgenoten met gele gewaden en kaalgeschoren hoofden zouden zien, zou hun geest verstoord raken en zouden zij niet in staat zijn om de Dhamma te beseffen. De koningin vroeg daarom waar de koning was. De Boeddha antwoordde: "Ga gewoon zitten; u zult hem hier kunnen zien." De koningin en de echtgenotes van de ministers waren dolgelukkig dat zij hun echtgenoten zouden kunnen zien. Dus gingen zij zitten. De Boeddha hield toen nog een leerrede en aan het einde ervan bereikten de koning en zijn ministers arahantschap. De koningin en de vrouwen van de ministers bereikten het eerste niveau van heiligheid. Op dat moment zagen de koningin en haar gezelschap de pas gewijde monniken en herkenden hen als hun voormalige echtgenoten. De dames vroegen ook toestemming aan de Boeddha om gewijd te worden, en wel in de Orde van de bhikkhunis. Zij kregen het advies om verder te gaan naar Savatthi. Daar traden zij toe tot de Orde en heel snel bereikten ook zij volmaakte heiligheid.

De Boeddha keerde toen terug naar het Jetavana-klooster, vergezeld van de monniken. In het klooster zei de eerwaarde Kappina vaak: "Wat een geluk,  wat een geluk." De monniken die hem dit zo vaak per dag hoorden zeggen, interpreteerden zijn vreugde verkeerd en vertelden aan de Boeddha dat de eerwaarde Kappina kennelijk aan zijn vroegere koninklijke genoegens dacht. De Boeddha corrigeerde hen: "Mijn zoon Kappina die de smaak van de Dhamma heeft geproefd, leeft gelukkig met een serene geest; hij zegt herhaaldelijk deze woorden van opgetogenheid met verwijzing naar Nibbana."[146]

79.         “Hij die de Dhamma in zich opneemt, verblijft in geluk met een hart in vrede; de wijze verheugt zich altijd in de Dhamma die door de Ariyas[147] geopenbaard is.”

 


Verhaal VI:5 bij 80 (6:5) De bereiking van de jonge novice Pandita - De wijzen beheersen zichzelf  

        

Pandita was de zoon van een welbekende man uit Savatthi. Hij werd een samanera[148] toen hij nog heel jong was. Toen hij op de achtste dag nadat hij een samanera was geworden de eerwaarde Sariputta volgde op een aalmoezenrondgang, zag hij enkele boeren water naar hun velden leiden en hij vroeg aan Sariputta: "Eerwaarde heer, kan water dat geen geest heeft, geleid worden waarheen men wil?" - "Ja, het kan geleid worden waarheen men maar wil," antwoordde de eerwaarde Sariputta terwijl zij verder gingen. De samanera zag vervolgens mensen die pijlen maakten, hun pijlen met vuur verhitten en recht maakten. Verderop kwam hij enkele timmerlieden tegen die hout sneden, zaagden en schaafden om dingen als wielen van karren te maken. Toen dacht hij: "Als water dat zonder geest is, geleid kan worden waarheen men maar wil, als een kromme bamboe die zonder geest is, recht gemaakt kan worden, en als hout dat zonder geest is, tot nuttige dingen gemaakt kan worden, als levenloze dingen zo beheerst kunnen worden, waarom zou ik die bewustzijn heb, niet in staat zijn om mijn geest te temmen en kalmte- en inzicht-meditatie te beoefenen?"

Ter plekke vroeg hij toestemming aan de eerwaarde Sariputta en keerde terug naar zijn eigen kamer in het klooster. Daar beoefende hij vurig en ijverig meditatie, contemplerend over het lichaam. Door het klooster en de omgeving ervan erg rustig en stil te houden hielpen ook de devas hem bij zijn meditatie. Kort daarna bereikte de samanera Pandita het derde niveau van heiligheid, anagami.

Op die tijd ging de eerwaarde Sariputta naar de plaats waar de samanera was. De Boeddha zag met zijn bovennatuurlijke kracht dat Pandita anagami had bereikt en ook dat deze spoedig arahantschap zou bereiken als hij doorging met het beoefenen van meditatie. Dus besloot de Boeddha om Sariputta te verhinderen de kamer van de samanera binnen te gaan. De Boeddha ging naar de deur en hield Sariputta bezig door hem enkele vragen te stellen. Terwijl het gesprek gaande was, bereikte Pandita arahantschap op de achtste dag nadat hij een novice was geworden.

In dit verband zei de Boeddha: “Als men serieus de Dhamma beoefent, geven zelfs devas bescherming en houden de wacht; ikzelf heb Sariputta aan de deur bezig gehouden, zodat Pandita arahantschap kon bereiken."

80.         “Irrigatoren leiden de wateren; pijlenmakers buigen de pijlen;[149] timmerlieden buigen het hout;[150] de wijzen beheersen zichzelf.” [151]


Verhaal VI:6 bij 81 (6:6) Onwrikbaar als een rots zijn de wijzen te midden van lofprijzing en verwijten

De eerwaarde Bhaddiya was een van de monniken die in het Jetavana-klooster verbleven. Vanwege zijn korte figuur stond hij bekend als Lakuntaka (de dwerg). Lakuntaka Bladdiya was erg goedaardig; jonge monniken plaagden hem vaak door aan zijn neus of oor te trekken of door hem op zijn hoofd te kloppen. Heel vaak zeiden zij gekscherend: "Oom, hoe gaat het met je? Ben je gelukkig of verveelt dit leven hier als monnik jou?" Bhaddiya deed nooit iets terug of schold op hen. In feite was hij heel sereen en onbewogen.

Toen aan de Boeddha over het geduld van Bhaddiya werd verteld, zei hij: “Een Arahant verliest nooit zijn geduld, hij heeft geen behoefte om grof te spreken of slecht over anderen te denken. Hij is als een berg van massief gesteente. Een Arahant is onverstoord door hoon of lofprijzing." Pas toen kwamen de andere monniken te weten dat Bhaddiya volmaakte heiligheid had bereikt.[152]

81.         “Zoals een vaste rots niet door de wind tot wankelen wordt gebracht, zo worden de wijzen niet in de war gebracht door lofprijzing of verwijt. [153]


Verhaal VI:7 bij 82 (6:7) De wijzen zijn vreedzaam

Kana Mata was een devote lekenvolgelinge van de Boeddha. Haar dochter Kana was getrouwd met een man uit een ander dorp. Omdat Kana al een tijdje op bezoek was bij haar moeder, stuurde haar man een bericht met het verzoek naar huis te komen. Haar moeder verzocht haar nog een paar dagen te wachten, omdat zij enkele taarten voor haar schoonzoon mee wilde sturen.

De volgende dag maakte Kana Mata enkele taarten. Toen vier monniken bij haar thuis kwamen voor aalmoezen, bood zij alle taarten aan de monniken aan, en liet er geen over voor Kana om mee naar huis te nemen naar haar man. Kana was ook niet in staat om op de volgende drie dagen naar huis te gaan omdat haar moeder weer alle taarten die zij had gemaakt, aan de monniken had aangeboden toen zij voor aalmoezen kwamen.

Als gevolg hiervan nam Kana's man een andere vrouw voor zichzelf. Kana werd erg verbitterd tegen de monniken. Zij beschuldigde hen ervan haar huwelijk te hebben verpest. Zij schold toen op elke monnik die zij zag.[154] Dus bleven alle monniken weg van haar huis.

De Boeddha wist wat er was gebeurd en ging naar het huis van Kana Mata. De Boeddha liet Kana halen en vroeg haar: "Hebben mijn monniken meegenomen wat hun was gegeven of wat niet aan hen was gegeven?" Kana antwoordde dat de monniken alleen hadden genomen wat hun was gegeven, en zij voegde eraan toe: "Zij deden niets verkeerds, alleen ik deed iets verkeerds." Aldus gaf zij haar fout toe, vroeg om vergiffenis en betoonde zelfs haar respect. De Boeddha hield toen een leerrede. Aan het einde van de leerrede bereikte Kana het eerste niveau van heiligheid.

         Op de terugweg naar het klooster ontmoette de Boeddha koning Pasenadi van Kosala. Toen hem werd verteld over Kana en haar bittere houding ten opzichte van de monniken, vroeg koning Pasenadi of de Boeddha in staat was geweest haar haar fout te laten beseffen en haar de waarheid (Dhamma) te laten zien. De Boeddha antwoordde: "Ja, ik heb haar de Dhamma onderwezen en ik heb haar ook geestelijk rijk gemaakt."

Toen gaf de koning aan de Boeddha de verzekering dat hij Kana in haar huidige leven rijk zou maken. De koning ontbood toen Kana naar het paleis. Toen zij arriveerde, kondigde hij aan: "Wie mijn dochter Kana comfortabel kan onderhouden, mag haar meenemen." Een van zijn ministers adopteerde Kana als zijn dochter en gaf haar al zijn rijkdom. Hij zei tegen haar: "Jij mag in liefdadigheid zoveel geven als jij wilt." Elke dag bracht Kana gaven aan heilige mensen die naar haar huis kwamen.

Toen aan de Boeddha verteld werd dat Kana vrijgevig in liefdadigheid schonk, zei hij: "Bhikkhus, de geest van Kana die mistig en verward was, werd helder en kalm gemaakt na het luisteren naar de Dhamma."

82.         “Net zoals een diep meer helder en stil is, juist zo worden bij het horen van de leringen de wijzen buitengewoon vredig.” [155]  


Verhaal VI:8 bij 83 (6:8) De wijzen zijn noch opgetogen noch gedeprimeerd

Op verzoek van een brahmaan bleef de Boeddha eens tijdens de regentijd te Veranja samen met veel andere monniken. Toen zij in Veranja waren, zorgde de brahmaan onder de kwade invloed van Mara niet voor hen. De mensen van Veranja, die toen met hongersnood werden geconfronteerd, konden de monniken heel weinig aanbieden wanneer zij rondgingen voor aalmoezen. De eerwaarde Maha Moggallana vroeg aan de Boeddha toestemming om wat voedsel te brengen van een plaats die niet bereikt kon worden tenzij door gebruikmaking van zijn wonderbaarlijke kracht. Maar hij kreeg geen toestemming ervoor. Ondanks al deze ontberingen waren de monniken niet ontmoedigd. Zij waren heel tevreden met de geringe hoeveelheid graan die de paardenhandelaren hun dagelijks aanboden.

Op het einde van de regentijd keerde de Boeddha, na de brahmaan van Veranja op de hoogte te hebben gebracht, terug naar het Jetavana-klooster met de andere monniken. De mensen van Savatthi verwelkomden hen met vreugde en boden aalmoezen aan de Boeddha en zijn monniken aan.

In die tijd was het, door de vriendelijkheid van de monniken, aan een groep van mensen toegestaan om in het klooster te verblijven. Nadat zij gretig hadden gegeten wat de monniken over hadden, gingen zij slapen. Na het ontwaken gingen zij naar de oever van de rivier om zich te vermaken met schreeuwen, springen, worstelen of spelen. Zowel binnen als buiten het klooster deden zij niets anders dan zich te misdragen.

Op een dag bespraken de monniken het onjuiste gedrag van die mensen. Zij zeiden: "Toen er hongersnood was in Veranja, waren zij heel netjes en braaf. Nu zij genoeg lekker eten hebben, misdragen zij zich."

Toen de Boeddha het onderwerp van hun gesprek hoorde, zei hij: “Het is de aard van de dwazen om vol verdriet te zijn en zich terneergeslagen te voelen als er iets misgaat, en om vol geluk en opgetogen te zijn als het goed gaat. De wijzen echter kunnen de wederwaardigheden van het leven weerstaan.” [156]

83.         “De goeden geven (gehechtheid aan) alles op; de heiligen babbelen niet met zinnelijke begeerte: hetzij beïnvloed door geluk of door pijn, de wijzen tonen noch opgetogenheid, noch neerslachtigheid.”


Verhaal VI:9 bij 84 (6:9) Succes moet niet gezocht worden met verkeerde middelen - Men moet werken voor zijn eigen bevrijding

Dhammika woonde met zijn vrouw in Savatthi. Op een dag vertelde hij zijn zwangere vrouw dat hij monnik wilde worden. Zijn vrouw smeekte hem te wachten tot na de geboorte van hun kind. Toen het kind was geboren, verzocht hij zijn vrouw opnieuw om hem te laten gaan, en deze keer smeekte zij hem te wachten tot het kind kon lopen. Toen dacht Dhammika bij zichzelf: "Het zal voor mij nutteloos zijn om mijn vrouw om toestemming te vragen om toe te treden tot de Orde; ik zal alleen werken voor mijn bevrijding van lijden in samsara. Nadat hij dit had besloten, verliet hij zijn huis om een monnik te worden. Hij nam een onderwerp van meditatie van de Boeddha, beoefende vurig meditatie en werd al snel een Arahant.

Enkele jaren later bezocht hij zijn huis om aan zijn zoon en zijn vrouw de Dhamma te onderwijzen. Zijn zoon trad toe tot de Orde en ook hij bereikte arahantschap. De vrouw dacht toen: "Nu zowel mijn man als mijn zoon het huis hebben verlaten, kan ikzelf maar beter ook vertrekken." Met deze gedachte verliet zij het huis en werd een bhikkhuni; uiteindelijk bereikte ook zij arahantschap.

Op de bijeenkomst van de monniken werd aan de Boeddha verteld hoe Dhammika een monnik was geworden en arahantschap had bereikt, en hoe door hem zijn zoon en vrouw ook arahantschap hadden bereikt. Tegen hen zei de Boeddha: “Bhikkhus, een wijs man wenst geen rijkdom en voorspoed door kwaad te doen, of het nu voor hemzelf is of voor anderen. Hij werkt alleen voor zijn eigen bevrijding uit de ronde van wedergeboorten (samsara) door de Dhamma te begrijpen en in overeenkomst met de Dhamma te leven. De bevrijding uit de kringloop van geboorte en dood kan alleen worden bereikt door iemands eigen inspanningen en niet door afhankelijk te zijn van iemand anders."

84.         “Noch omwille van zichzelf, noch omwille van een ander doet een wijs persoon iets verkeerds; laat hij geen zoon verlangen, rijkdom of koninkrijk (door verkeerd te doen): laat hij niet door onrechtvaardige middelen zijn eigen succes zoeken. Dan (alleen) is zo iemand inderdaad deugdzaam, wijs en rechtvaardig.” [157]


Verhaal VI:10 bij 85-86 (6:10-11)  Weinigen gaan naar de overkant - Zij die de Dhamma volgen, kunnen het uiteindelijke doel bereiken

Eens bracht een groep mensen uit Savatthi speciale gaven aan de monniken collectief en zij regelden dat enkele monniken de hele nacht in hun omgeving leerreden hielden. Velen van de toehoorders konden de hele nacht niet zitten en zij keerden vroeg naar huis terug. Sommigen konden de hele nacht zitten, maar meestal waren zij slaperig en zaten te knikkebollen. Slechts een paar van hen luisterden oplettend naar de leerreden.

Bij het aanbreken van de dag, toen de monniken aan de Boeddha vertelden wat er de vorige nacht was gebeurd, antwoordde hij: "De meeste mensen zijn gehecht aan deze wereld; slechts enkelen kunnen de andere oever (Nibbana) bereiken."

De Boeddha maande de monniken vervolgens om waakzaam en opmerkzaam te zijn want degenen die ijverig en gewetensvol oefenen volgens de goed uiteengezette Dhamma, zullen zeker in staat zijn om hun mentale onzuiverheden te verwijderen en Nibbana - de allerhoogste gelukzaligheid - te realiseren.

85.         “Weinigen zijn er onder de mensen die naar de overkant gaan; de rest van de mensheid rent alleen maar rond op de oever.” [158]

86.         “Maar zij die juist handelen volgens de leer die goed is uitgelegd, zijn degenen die het domein aan de overkant - Nibbana - bereiken door het rijk van de hartstochten[159] over te steken, welk rijk zo moeilijk is over te steken.”


Verhaal VI:11 bij 87-89 (6:12-14) Geef het kwaad op. Koester het goede. Zoek geluk in afzondering. Zij die niet gehecht zijn, zijn in vrede

Na in Kosala de regentijd te hebben vertoefd, kwam een grote groep van monniken naar de Boeddha voor advies over meditatie. De Boeddha gaf hun de raad om zinnelijk genot en wereldlijke gehechtheid op te geven, wat de weg effent om Nibbana te bereiken.

87.         “Van thuis naar het huisloze komende, laat de wijze man donkere staten verlaten en het heldere koesteren.[160] Laat hij grote vreugde zoeken in onthechting (Nibbana), zo moeilijk om van te genieten.”

88.         “Zinnelijke genoegens opgevende, zonder belemmeringen,[161] laat de wijze man zichzelf reinigen van de onzuiverheden van de geest.”

89.         “Wier geesten goed geperfectioneerd zijn in de factoren van Verlichting,[162] die, zonder zich vast te klampen, genieten van "het opgeven van het grijpen" [163] (d.w.z. Nibbana), zij die vrij zijn van verdorvenheden, de stralenden, hebben Nibbana bereikt hier al in deze wereld.”


7. Arahanta[164] vagga – De waardige

Dhp. 90-99


Verhaal VII:1 bij 90 (7:1) Geen lijden voor de bevrijde - De Boeddha en zijn arts Jivaka

 In het 37e jaar na de Verlichting - de Gezegende was toen 72 jaar - probeerde Devadatta de Verhevene te vermoorden. Eerst liet hij een woedende olifant op hem los; maar de Boeddha temde die olifant door zijn grenzeloze mededogen. Daarna huurde Devadatta moordenaars; die werden door de Verhevene bekeerd. Ten slotte wierp Devadatta een rotsblok omlaag van de top van de Gierepiek. Het rotsblok raakte de berg en een splinter verwondde de grote teen van de Boeddha. Hij werd naar het ziekenhuis[165] in het mango-park van Jīvaka gebracht. Deze beroemde arts zorgde toen voor hem, deed wat zalf op de teen en deed er een verband om.

 Jīvaka ging hierna naar een andere patiënt in de stad, maar beloofde terug te komen en het verband 's avonds te vernieuwen. Toen Jīvaka 's avonds terug wilde keren, waren de stadspoorten al gesloten en hij kon niet tot bij de Boeddha komen. Hij maakte zich grote zorgen want als het verband niet op tijd vernieuwd werd, zou het hele lichaam eronder lijden en de Boeddha zou erg ziek worden.

 De Boeddha wist dat Jīvaka niet in staat was om hem te verzorgen, en daarom vroeg hij aan Ānanda het verband te verwijderen. De wond bleek geheeld te zijn. Jīvaka kwam vroeg in de morgen naar het ziekenhuis en vroeg of de Boeddha de vorige nacht veel pijn had gehad. De Boeddha gaf ten antwoord: “Jīvaka, vanaf het ogenblik dat ik de Verlichting bereikte, heb ik de mogelijkheid pijn te stoppen op elk moment wanneer ik dat nodig vind.” En hij legde de geestelijke houding van een Verlichte uit:

        

90.        “Voor wie de reis heeft voltooid,[166] voor wie zonder leed is,[167] voor wie geheel vrij is van alles,[168] voor wie alle banden heeft verwoest,[169] voor hem bestaat de koorts van passie niet.” [170] 

 

Als gevolg van zijn slechte daden werd Devadatta toen door de aarde verzwolgen en ging rechtstreeks naar de hellenwereld. Maar volgens de overlevering zal ook hij ooit het hoogste geluk verkrijgen.[171]


Verhaal VII:2 bij 91 (7:2) Een Arahant is vrij van gehechtheid (Maha Kassapa)

De Boeddha bracht eens de regentijd door in Rajagaha met een aantal monniken. Ongeveer twee weken voor het einde van de regentijd deelde de Boeddha aan de monniken mee dat zij Rajagaha spoedig zouden verlaten en zei dat zij zich moesten voorbereiden voor het vertrek.[172] Sommige monniken naaiden en verfden nieuwe gewaden, sommigen wasten de oude gewaden. Toen sommige monniken de eerwaarde Maha Kassapa zijn gewaad zagen wassen, speculeerden zij: “Er zijn zoveel mensen binnen en buiten Rajagaha die Kassapa liefhebben en respecteren en voortdurend zorgen voor al zijn behoeften. Is het juist voor Kassapa dat hij zijn leken-toegewijden hier achterlaat en de Boeddha naar een andere plaats volgt?"

Aan het einde van vijftien dagen, aan de vooravond van zijn vertrek, overwoog de Boeddha dat er enkele gelegenheden zouden kunnen zijn, zoals ceremonies voor het aanbieden van aalmoezen, wijding van novicen, begrafenissen, enz., en dat het daarom niet gepast zou zijn dat alle monniken vertrokken. Dus besloot hij dat sommige monniken in het Veluvana-klooster moesten blijven en dat de meest geschikte persoon om hen te leiden Maha Kassapa was. Bijgevolg bleef de eerwaarde Maha Kassapa in Rajagaha met enkele jonge monniken.

Toen zeiden de andere monniken: "Maha Kassapa heeft de Boeddha niet vergezeld, juist zoals wij hebben voorspeld." De Boeddha hoorde hun opmerking en zei tegen hen:

“Bhikkhus, willen jullie zeggen dat mijn zoon Kassapa gehecht is aan zijn leken-discipelen van Rajagaha en aan de dingen die zij hem aanbieden? Jullie maken een grote vergissing. Kassapa blijft hier vanwege mijn instructie; hij is hier nergens aan gehecht."

91.         “De oplettenden spannen zich in. Aan geen verblijf zijn zij gehecht. Zoals zwanen die hun vijvers verlaten, geven zij tehuis na tehuis op (en gaan).” [173] 


Verhaal VII:3 bij 92 (7:3) De monnik die voedsel verzamelde - Wees niet gehecht aan voedsel

De eerwaarde Bellatthi Sisa, die voor een aalmoezenronde in het dorp was gegaan, stopte onderweg en nuttigde daar zijn eten. Na de maaltijd ging hij verder met zijn aalmoezenronde voor meer voedsel. Toen hij genoeg voedsel had verzameld, keerde hij terug naar het klooster, droogde de rijst en bewaarde hem. Hij hoefde dus niet elke dag op een aalmoezenronde te gaan. Om de paar dagen, wanneer hij uit de concentratie van jhana oprees, at hij de gedroogde rijst die hij had opgeslagen, na die in water te hebben gedrenkt. Andere monniken dachten daarom slecht over de monnik en meldden aan de Boeddha dat hij rijst had opgeslagen. De Boeddha zag hoe de daad van de monnik, indien ze werd nagedaan door anderen, kon leiden tot verwijten en sindsdien spoorde hij de monniken  aan om geen voedsel op te slaan. Hij gaf hun het advies dat zij moesten proberen de eenvoud en zuiverheid van het leven van een monnik te behouden door geen enkele soort van bezit te hebben.

Wat Bellatthi Sisa betreft, aangezien hij rijst opsloeg voordat de regel over hamsteren werd ingevoerd en omdat hij het niet deed uit verlangen naar voedsel, maar alleen om tijd te besparen voor meditatie, verklaarde de Boeddha dat de monnik onschuldig was en dat hem niets te verwijten viel.

De Boeddha legde ook uit dat Arahants niets hamsteren, en dat zij, wanneer zij eten nemen, er goed over reflecteren.[174]

92.         “Zij voor wie er geen ophoping is,[175] die goed nadenken over hun eten,[176] zij die bevrijding[177] die leeg en smetteloos is, als hun onderwerp hebben; - hun koers kan niet gevonden worden, net zomin als die van vogels in de lucht.”


Verhaal VII:4 bij 93 (7:4) Anuruddha en de godin - Vrij zijn degenen zonder smetten

 

Op een dag was de eerwaarde Anuruddha op zoek naar afgedankte stukken stof om er een gewaad van te maken, omdat zijn oude gewaad vuil en gescheurd raakte. Jalini, zijn vrouw van een vorig bestaan, die nu in een Deva wereld was, zag hem. Zij wist dat hij wat stof zocht en nam drie stukken stof van goed materiaal en legde ze nauwelijks zichtbaar op de vuilnisbelt. Anuruddha vond de stukken stof en bracht ze naar het klooster. Terwijl hij bezig was met het maken van het gewaad, arriveerde de Boeddha met zijn hoofddiscipelen en oudere discipelen en zij hielpen ook met het naaien van het gewaad.

Jalini  had intussen de gedaante van een jonge vrouw aangenomen, kwam naar het dorp en hoorde over de aankomst van de Boeddha en zijn discipelen en ook hoe zij Anuruddha hielpen. Zij drong er bij de dorpelingen op aan om goed en lekker eten naar het klooster te sturen en bijgevolg was er meer dan genoeg voor iedereen. Andere monniken, die zoveel overschotten zagen, zeiden: "Eerwaarde Anuruddha had zijn familieleden en leken-discipelen moeten vragen net genoeg voedsel te sturen. Misschien wilde hij gewoon laten zien dat hij zoveel devote lekenvolgelingen had." Tegen die monniken zei de Boeddha: "Bhikkhus, denk niet dat mijn zoon Anuruddha zijn familieleden en leken-discipelen heeft gevraagd om rijstpap en ander voedsel te sturen. Hij vroeg niets; Arahants vragen niet om voedsel en kleding. De buitensporige hoeveelheid voedsel die vanmorgen naar het klooster werd gebracht, was te danken aan het aandringen van een hemels wezen."

93.         “Hij wiens verdorvenheden zijn vernietigd, hij die niet gehecht is aan voedsel, hij die bevrijding die leeg en smetteloos is, als zijn object heeft, - zijn pad kan niet opgespoord worden, net zomin als dat van vogels in de lucht.” [178]


Verhaal VII:5 bij 94 (7:5) Sakka betuigt eer aan de eerwaarde Maha Kaccayana - Degenen die hun zintuigen beheersen zijn dierbaar aan allen

Op een dag van volle maan, die ook het einde was van de regentijd (vassa), kwam Sakka met een groot gezelschap van devas om hulde te brengen aan de Boeddha, die toen woonde in het Pubharama klooster, gebouwd door Visakha. De eerwaarde Maha Kaccayana, die de regentijd ver weg in Avanti had doorgebracht, was nog niet in het Pubbarama klooster aangekomen, en er werd voor hem een zitplaats vrijgehouden. Sakka bracht hulde aan de Boeddha met bloemen en wierook. Bij het zien van de vacante stoel zei hij hoezeer hij wenste dat Kaccayaha zou komen, zodat hij ook aan hem eer kon betuigen. Op dat moment arriveerde Kaccayana; Sakka was erg verheugd en betoonde hem gretig eer met bloemen.

De monniken waren onder de indruk van Sakka die eer betoonde aan Kaccayana, maar sommige monniken beschuldigden Sakka van bevoordeling. Tegen hen zei de Boeddha: "Iemand die beteugeld is in zijn zinnen, is geliefd zowel bij mensen als devas."

94.         “Hij wiens zintuigen onderworpen zijn, zoals edele paarden die goed getraind zijn door een wagenmenner, hij wiens trots vernietigd is en die vrij is van de bedorvenheden, - zo'n standvastige is dierbaar zelfs aan de goden.” [179]


Verhaal VII:6 bij 95 (7:6) Zoals de aarde nemen de Arahants geen aanstoot - De monnik die de eerwaarde Sariputta beschuldigde

Het was het einde van het regenseizoen (vassa); en de eerwaarde Sariputta stond op het punt om op reis te gaan met een paar monniken. Een jonge monnik, die enige wrok koesterde tegen de eerwaarde Sariputta, ging naar de Boeddha en klaagde dat Sariputta op hem had gescholden en hem had geslagen. De Boeddha liet daarom Sariputta  komen en gaf hem de gelegenheid uitleg te geven. Zonder te beweren dat hij onschuldig was, antwoordde Sariputta als volgt: "Eerwaarde heer, hoe kan een monnik, die zijn geest vastberaden bij het lichaam houdt, op reis gaan zonder zich te verontschuldigen, nadat hij een mede-monnik onrecht heeft aangedaan? Ik ben als de aarde, die geen plezier voelt als er bloemen op worden geworpen, noch wrok als er afval en uitwerpselen op worden gestapeld. Ik ben ook als de deurmat, de bedelaar, de stier met gebroken horens, ik heb ook afschuw van de onzuiverheid van het lichaam en ben er niet meer aan gehecht."

Toen de eerwaarde Sariputta op zo'n nederige manier sprak, voelde de jonge dwalende monnik spijt en gaf toe dat hij de eerwaarde Sariputta ten onrechte had beschuldigd. Toen gaf de Boeddha aan Sariputta de raad om de verontschuldiging van de jonge monnik te aanvaarden, opdat er geen slecht effect op de laatste zou vallen. De jonge monnik vroeg toen eerbiedig om vergeving. Sariputta vergaf de jonge monnik en vroeg op zijn beurt om vergeving als hij ook iets verkeerds had gedaan.[180] 

Alle aanwezigen prezen de eerwaarde Sariputta, en de Boeddha zei: "Bhikkhus, een Arahant zoals Sariputta heeft geen woede of kwaadwil in zich. Net als de aarde en de deurpost is hij geduldig, verdraagzaam en standvastig, hij is sereen en zuiver."

95.         “Net als de aarde neemt een evenwichtig en goed gedisciplineerd persoon niets kwalijk, neemt nergens aanstoot aan. Hij is vergelijkbaar met een indakhila.[181] Als een vijver, onbezoedeld door modder is hij; bij zo'n evenwichtige[182] ontstaan de wisselvalligheden van het leven niet.” [183]


Verhaal VII:7 bij 96 (7:7) Het verlies van een oog - De gekalmeerden zijn de vreedzamen

Eens werd een zevenjarige jongen op verzoek van zijn vader een samanera (novice). Voordat zijn hoofd werd geschoren, kreeg de jongen een onderwerp van meditatie. Terwijl hij werd geschoren, hield de jongen zijn geest vast gericht op het object van meditatie. Als resultaat van zijn concentratie en als gevolg van de rijping van zijn vroegere goede wilsacties (kamma) bereikte hij heiligheid toen zij klaar waren met het scheren van zijn hoofd.

Na enige tijd vertrok de eerwaarde Tissa, vergezeld van de samanera, naar Savatthi om hulde te brengen aan de Boeddha. Onderweg brachten zij de nacht door in een dorpsklooster. Tissa viel in slaap, maar de novice zat de hele nacht naast het bed van de oude monnik en ging pas tegen het ochtendgloren slapen.

Vroeg in de ochtend dacht Tissa dat het tijd was om de jonge samanera wakker te maken. Dus wekte hij hem met een  waaier van palmbladeren en raakte per ongeluk het oog van de novice met het handvat van de waaier en beschadigde zijn oog. De novice bedekte dat oog met één hand en deed zijn plicht door water te halen zodat de eerwaarde Tissa zijn gezicht kon wassen, de vloer van het klooster schoongeveegd kon worden, enz. Toen de samanera met één hand water aanbood, zei Tissa dat hij dingen met beide handen moest aanbieden. Pas toen vernam Tissa dat de novice een oog had verloren. Op dat moment besefte hij dat de jonge samanera een edel persoon was. Met veel spijt en nederigheid bood hij zijn excuses aan, maar de novice vertelde aan Tissa dat het niet zijn schuld was, noch zijn eigen schuld, en dat het alleen het gevolg was van een vroegere wilsactie (kamma). Hij drong er bij Tissa op aan er niet verdrietig over te zijn, maar de oude monnik kon het ongelukkige incident niet van zich afzetten.

Daarna vervolgden zij hun reis naar Savatthi en kwamen aan bij het Jetavana-klooster waar de residentie van de Boeddha was. Toen de Boeddha op de hoogte was gebracht van alles wat er onderweg was gebeurd, zei hij: "Mijn zoon, een Arahant wordt op niemand boos, hij is bedwongen in zijn zinnen en is volkomen kalm en sereen."

96.         “Kalm is zijn geest, kalm is zijn taalgebruik, kalm is zijn handelen bij degene die, terecht wetend, volledig bevrijd is[184], volkomen vredig,[185] en in evenwicht.”


 

Verhaal VII:8 bij 97 (7:8) Edel is hij die niet lichtgelovig is - Vertrouwen alleen kan iemand niet Nibbana laten realiseren

Dertig monniken uit een dorp waren bij het Jetavana-klooster aangekomen om hulde te brengen aan de Boeddha. Hij wist dat de tijd rijp was voor die monniken om arahantschap te bereiken. Dus liet hij de eerwaarde Sariputta halen, en in aanwezigheid van die monniken vroeg hij: "Mijn zoon, accepteer jij het feit dat men door te mediteren over de zintuigen Nibbana kan verwerkelijken?" Sariputta antwoordde: "Eerwaarde heer, wat betreft het verwerkelijken van Nibbana door te mediteren over de zintuigen, accepteer ik het niet simpelweg omdat ik vertrouwen[186] in U heb. Alleen degenen die het niet persoonlijk hebben verwerkelijkt, nemen het feit aan van anderen." Sariputta's antwoord werd niet juist begrepen door de monniken, die dachten: "Sariputta heeft nog niet verkeerde opvattingen opgegeven. Zelfs nu heeft hij geen vertrouwen in de Boeddha."

Toen legde de Boeddha uit: “Bhikkhus, de betekenis van Sariputta's antwoord is eenvoudig dit: hij accepteert het feit dat Nibbana wordt verwerkelijkt door middel van meditatie over de zintuigen, maar zijn acceptatie en zijn vertrouwen in mij is te danken aan zijn eigen persoonlijke ervaring en niet alleen omdat ik het heb gezegd of omdat iemand anders het heeft gezegd. Hij heeft ook vertrouwen in de gevolgen van goede en slechte daden."

97.         “De man die niet lichtgelovig is,[187] die het ongeschapene[188] begrijpt, die de banden[189] heeft doorgesneden, die een einde heeft gemaakt aan de gelegenheid[190] (van goed en kwaad), die alle verlangens heeft geschuwd,[191] hij is inderdaad een allerhoogste man.”


Verhaal VII:9 bij 98 (7:9) Revata, de jongste broer van Sariputta - Heerlijk is de plek waar Arahants wonen

Revata was de jongste broer van de hoofddiscipel Sariputta. Hij was de enige die het huis niet had verlaten voor het thuisloze leven. Zijn ouders wilden hem heel graag laten trouwen volgens het toenmalige gebruik in India. Revata was erg jong toen zijn ouders voor hem een huwelijk regelden met een jong meisje. Bij de huwelijks-aanvaarding ontmoette hij een heel oude dame[192] en hij besefte dat alle wezens onderhevig zijn aan ouder worden en verval. Met dit besef besloot hij toe te treden tot de Orde van monniken, net als zijn oudste broer Sariputta. Dus verliet hij het huis en ging rechtstreeks naar een klooster waar dertig monniken waren. Eerder had de eerwaarde Sariputta die monniken verzocht om zijn broer als een samanera toe te laten, mocht hij naar hen toe komen. Dienovereenkomstig lieten zij hem toe als novice.

Revata kreeg een onderwerp van meditatie van die monniken en vertrok naar het bos, ver weg van het klooster. Aan het einde van de regentijd (vassa) bereikte Revata arahantschap. Sariputta vroeg toestemming om zijn broer te bezoeken, maar de Boeddha antwoordde dat hij zelf naar hem toe zou gaan. Dus ging de Boeddha, vergezeld van Sariputta en Sivali en vele andere monniken, op pad om Revata te bezoeken.

De reis was lang, de weg was ruw en het gebied was onbewoond door mensen; maar de devas zorgden onderweg voor alle behoeften van de Boeddha en de monniken. Revata hoorde over het bezoek van de Boeddha en trof ook regelingen om hem te verwelkomen. Met behulp van zijn bovennatuurlijke macht schiep hij een speciale klooster voor de Boeddha en ook geschikte woningen voor de andere monniken, en maakte dat het comfortabel was tijdens hun verblijf daar.

98.         “Hetzij in het dorp of in het bos, in een dal of op een heuvel,[193] overal waar Arahants wonen, -  inderdaad, heerlijk is die plek.”


Verhaal VII:10 bij 99 (7:10) Een courtisane verleidt een monnik - Heerlijk zijn de bossen voor degenen zonder passies

Een monnik kreeg een onderwerp van meditatie van de Boeddha en beoefende meditatie in een oude tuin. Een vrouw met een twijfelachtig karakter kwam de tuin binnen en zag daar de monnik met gekruiste benen zitten. Zij keek heen en weer, zag niemand anders in de buurt en zei tegen zichzelf: "Hier is een man; ik zal zijn gedachten in verwarring brengen." Zij ging voor de monnik staan, deed haar onderkleed verschillende keren uit en trok het weer aan, maakte haar haren los en bond ze weer vast, en klapte in haar handen en lachte. De monnik werd opgewonden; zijn hele lichaam was in feite doordrenkt van opwinding. "Wat betekent dit?" dacht hij.

De Boeddha dacht bij zichzelf: "Een monnik kreeg een onderwerp van meditatie van mij en vertrok om zijn meditaties uit te voeren. Hoe gaat het met hem?” Toen zag hij met zijn goddelijk oog die vrouw, observeerde haar slechte gedrag en merkte dat haar slechte gedrag de monnik van streek maakte. Hij projecteerde een stralend beeld van zichzelf voor de monnik en sprak vanuit het klooster waar hij verbleef, als volgt: "Monnik, er is geen vreugde waar degenen verblijven die hun lusten zoeken. Maar waar degenen verblijven die vrij zijn van hartstocht, die plaats is vol vreugde." Hij onderwees de monnik in de Dhamma en die bereikte volmaakte heiligheid.

99.         “Verrukkelijk zijn de bossen waar wereldlingen geen behagen in scheppen; de hartstochtlozen[194] zullen zich (daarin) verheugen, (want) zij zoeken geen sensuele genoegens.” [195]


8. Sahassa vagga – Duizenden

Dhp. 100-115


Verhaal VIII:1 bij 100 (8:1) de beul Tambadatthika - Beter dan duizend nutteloze woorden is één heilzaam woord

Tambadatthika voegde zich bij een bende dieven en beging veel misdaden. Daarna was hij vijfenvijftig jaren bij de koning in dienst als beul. Toen hij gepensioneerd was, ging hij naar de rivier om er een bad te nemen en daarna thuis lekker te eten. Hij wilde juist met de maaltijd beginnen toen hij de eerwaarde Sariputta zag staan voor aalmoezen. Tambadatthika dacht dat hij lang een beul was geweest en dat het nu tijd was om voedsel te geven aan de monnik. Daarom nodigde hij de eerwaarde Sariputta uit binnen te komen voor de maaltijd. Na het maal sprak Sariputta een leerrede. Maar Tambadatthika kon zich niet goed concentreren vanwege zijn vroegere beroep en hij vroeg met de leerrede te stoppen. De eerwaarde Sariputta vroeg hem toen of hij als beul de misdadigers had gedood uit vrije wil of omdat het hem was opgedragen. Tambadatthika zei dat hij niet wilde doden maar dat het hem door de koning was opgedragen. Sariputta vroeg hem toen wat hij dan voor kwaad had gedaan. Het gemoed van Tambadatthika werd kalmer, hij ontwikkelde de deugden van geduld en begrip en hij vroeg aan de eerwaarde Sariputta verder te gaan met de leerrede. Na de leerrede vergezelde hij de eerwaarde Sariputta een stuk en keerde toen naar huis terug. Onderweg stierf hij ten gevolge van een ongeval.

Hoewel hij tijdens zijn leven veel slechte dingen had gedaan, werd hij wedergeboren in de Tusita hemel omdat hij de leer begreep. De Boeddha legde uit dat zijn goede wedergeboorte te danken was aan het mededogen en het heilzame advies van de eerwaarde Sariputta. De lengte van de toespraak is niet van belang. Een enkele zin van de Dhamma die juist begrepen wordt, kan veel goeds veroorzaken.[196]

100.        “Beter dan duizend uitspraken met nutteloze woorden is één heilzaam woord bij het horen (of lezen) waarvan men tot vrede komt.”


Verhaal VIII:2 bij 101 (8:2) Bahiya bereikt heel snel arahantschap - Eén nuttig vers is beter dan duizend nutteloze verzen

Meerdere kooplieden die met een boot op zee onderweg waren, leden schipbreuk en op één na stierven zij allemaal. De enige overlevende greep een plank en kwam uiteindelijk aan land in de haven van Supparaka. Omdat hij naakt was, bond hij een stuk schors voor zijn schaamdelen en ging op een plek zitten waar mensen hem konden zien. Voorbijgangers gaven hem eten; sommigen dachten dat hij een heilige man was en betuigden eer aan hem. Sommigen brachten kleren voor hem, maar hij weigerde die te dragen, uit angst dat mensen hem minder eer zouden geven als hij kleren droeg. Bovendien begon hij, omdat sommigen zeiden dat hij een arahant was, ten onrechte te denken dat hij echt een heilige was. Dus, omdat hij een man was met een verkeerde opvatting die als kleding een stuk schors droeg, kwam hij bekend te staan als Bahiya Daruciriya, Bahiya met kleding van schors.

Rond deze tijd zag Maha Brahma, die zijn vriend was geweest in een van zijn vorige levens, hem de verkeerde weg opgaan en hij vond dat het zijn plicht was om Bahiya op het rechte pad te brengen. Dus kwam Maha Brahma 's nachts naar hem toe en zei tegen hem: "Bahiya, jij bent nog geen Arahant, en bovendien heb jij niet de eigenschappen die iemand tot een Arahant maken." Geconfronteerd met de waarheid keek Bahiya op naar Maha Brahma en zei: “Ja, ik moet toegeven dat ik geen Arahant ben, zoals jij hebt gezegd. Ik besef nu dat ik een grote fout heb gemaakt. Maar is er nu iemand op deze wereld die een Arahant is?" Maha Brahma adviseerde hem toen om hulp te gaan zoeken bij de Boeddha die in Savatthi verbleef.

Bahiya besefte de enorme omvang van zijn schuld, voelde zich erg bedroefd en reisde helemaal naar Savatthi om de Boeddha te bezoeken. Bahiya merkte er dat de Boeddha voor aalmoezen rondging  met andere monniken en volgde hem eerbiedig. Hij smeekte de Boeddha om hem de Dhamma te leren, maar de Boeddha antwoordde dat het nog geen tijd was voor een religieuze leerrede, aangezien zij voor aalmoezen rondgingen. Nogmaals smeekte Bahiya: "Eerwaarde Heer, men kan het gevaar voor uw leven of voor mijn leven niet kennen, dus onderwijs mij alstublieft de Dhamma." De Boeddha wist dat Bahiya's mentale vermogens nog niet klaar waren om de Dhamma volledig te beseffen. De Boeddha wist ook dat Bahiya's geest op dat moment niet ontvankelijk was omdat hij net de lange reis had gemaakt en ook omdat hij overweldigd was door vreugde hem te zien. De Verlichte wilde de Dhamma niet onmiddellijk uiteenzetten, maar wilde dat hij kalmeerde om hem in staat te stellen de Dhamma goed op te nemen. Maar Bahiya bleef hardnekkig smeken. Dus terwijl hij op straat stond, zei de Boeddha tegen hem: “Bahiya, als jij een object ziet, wees dan alleen bewust van het zichtbare object; als jij een geluid hoort, wees dan alleen bewust van het geluid; wanneer jij iets ruikt of proeft of aanraakt, wees dan alleen bewust van de geur, de smaak of de aanraking; en als jij aan iets denkt, wees dan alleen bewust van dat geest-object.”

Bahiya deed wat hem was opgedragen en vanwege zijn diepe concentratie werd de verzamelde karmische kracht van zijn vroegere goede daden overheersend en bereikte hij arahantschap. Hij vroeg aan de Boeddha toestemming om tot de Orde toe te treden. De Boeddha vroeg hem eerst de gewaden, de nap en andere benodigdheden van een monnik te verzamelen. Op weg om ze te krijgen werd hij aangevallen door een rund en stierf. Toen de Boeddha en de andere monniken na hun maaltijd naar buiten kwamen, vonden zij Bahiya dood op de weg liggen. Op instructie van de Boeddha cremeerden de monniken het lichaam van Bahiya en werd zijn as bewaard in een stoepa.[197]

Terug in het Jetavana-klooster vertelde de Boeddha aan de monniken dat Bahiya Nibbana had bereikt. Hij vertelde hun ook dat wat betreft de tijdsfactor bij het verkrijgen van inzicht Bahiya de snelste, de beste was. De monniken waren verbaasd over de verklaring van de Boeddha en zij vroegen hem hoe en wanneer Bahiya een Arahant was geworden. Hierop antwoordde de Boeddha: "Bahiya bereikte arahantschap terwijl hij luisterde naar mijn instructies die hem op straat werden gegeven toen wij op de aalmoezenrondgang waren." De monniken vroegen zich af hoe iemand arahantschap kon bereiken na slechts naar een paar woorden van de Dhamma te hebben geluisterd. De Boeddha vertelde hun dat het aantal woorden of de lengte van een toespraak niet uitmaakt als het voor iemand van voordeel is.

101.         “Beter dan duizend verzen met nutteloze woorden is één heilzame regel, door het horen waarvan men tot vrede komt.”


Verhaal VIII:3 bij 102-103 (8:3-4) Het rijke meisje dat met een dief trouwde - Beter dan honderd nutteloze woorden is één woord van de Dhamma. Zelfoverwinning is de beste overwinning

Kundala Kesi was de dochter van een rijke man uit Rajagaha. Zij had een heel teruggetrokken leven geleid; maar op een dag zag zij een dief die voor zijn misdaden naar de executieplaats werd gebracht. Kundala Kesi werd meteen verliefd op hem, weigerde te eten en wilde liever sterven als zij hem niet als echtgenoot kreeg.

Haar ouders gaven de officier van de koning een som geld om de vrijheid van de dief te bewerkstelligen; daarna arrangeerden zij een huwelijk van hun dochter met de dief. Kundala Kesi hield veel van haar man, maar deze voelde zich alleen aangetrokken tot haar rijkdom. Op een dag haalde hij haar over om al haar sieraden aan te doen en ging met haar naar de top van een berg.  Hij zei dat hij een paar offers wilde brengen aan de beschermgeest van de berg omdat deze zijn leven had gered toen hij in gevaar was. Kundala Kesi ging met haar man mee, maar toen zij hun bestemming bereikten, bleek dat de dief haar wilde doden en haar juwelen mee wilde nemen. Zij smeekte hem haar juwelen mee te nemen en haar leven te sparen, maar tevergeefs. Kundala Kesi besefte toen dat zij van haar man af moest komen. Voorzichtig en sluw ging zij te werk. Tegen haar man vertelde zij dat zij, aangezien zij nog maar een paar ogenblikken samen zouden zijn, hem voor de laatste keer eer wilde betuigen. Met die woorden ging zij achter haar man staan en duwde hem van de berg naar beneden.

De godheid die op de top van de berg woonde en die getuige was geweest van het hele gebeuren, keurde de daad van de vrouw goed met de opmerking: "Wijsheid is niet altijd beperkt tot mannen; ook een vrouw is wijs, en laat het af en toe zien."

Hierna had Kundala Kesi geen zin om naar huis terug te keren. Zij hing al haar sieraden aan een boom en ging verder, zonder enig idee waar zij heen ging. Zo kwam zij op een plek waar paribbajikas (vrouwelijke zwervende asceten) woonden en zij werd zelf een paribbajika. Zij leerden haar al haar vaardigheden op het gebied van sofisterij en omdat zij intelligent was, beheerste zij die allemaal binnen korte tijd. Toen zeiden haar leraren haar dat zij moest rondreizen en als zij iemand zou vinden die al haar vragen kon beantwoorden, dan moest zij diens leerling worden. Kundula Kesi ging door het hele land en daagde openlijk iedereen uit om met haar te wedijveren. Zij ontmoette veel beroemde mannen, maar niemand kon al haar vragen beantwoorden.

Ten slotte kwam zij te Savatthi aan. Voordat zij de stad binnenging om aalmoezen te vragen, maakte zij een hoop van zand en stak er een tak van een boom in, haar gebruikelijke teken van uitnodiging aan alle anderen om haar uitdaging aan te gaan. De eerwaarde Sariputta ging haar uitdaging aan. Zij stelde hem ontelbare vragen en Sariputta beantwoordde ze allemaal. Toen hij aan de beurt was om haar vragen te stellen, vroeg hij haar alleen dit: "Wat is de betekenis van één?" [198] Zij kon geen antwoord geven en daarom vroeg zij aan Sariputta om haar het antwoord op de vraag te leren. Sariputta gaf ten antwoord dat zij eerst een bhikkhuni moest worden; dus werd zij een bhikkhuni. Zij oefende ijverig wat Sariputta haar leerde en binnen een paar dagen bereikte zij arahantschap.

Kort daarna vroegen de monniken aan de Boeddha: "Eerwaarde heer, hoe was het voor bhikkhuni Kundala Kesi mogelijk om een Arahant te worden na slechts naar een klein beetje naar de Dhamma te hebben geluisterd?'' De Boeddha antwoordde: "Bhikkhus, beoordeel de Dhamma niet als 'klein' of 'veel'. Eén zin van de Dhamma is beter dan honderd zinloze zinnen."        

102.        “Ook al reciteert men honderd verzen met nutteloze woorden, beter is één enkel woord van de Dhamma bij het horen (of lezen) waarvan men tot rust komt.”

103.        “Ook al overwint men een miljoen[199] mensen op het slagveld, toch is diegene de edelste overwinnaar die zichzelf heeft overwonnen.”


Verhaal VIII:4 bij 104-105 (8:5-6) Wees liever een overwinnaar van jezelf dan een overwinnaar van anderen. Niemand kan zelfoverwinning veranderen in nederlaag

Eens zei een brahmaan tegen de Boeddha: "Eerwaarde heer, ik denk dat u alleen de praktijken kent die nuttig zijn en niet de praktijken die niet nuttig zijn." De Boeddha antwoordde dat hij ook de praktijken kende die schadelijk en niet nuttig zijn. Vervolgens somde de Boeddha zes praktijken op die tot verlies van rijkdom leiden. Het zijn: (1) slapen totdat de zon is opgekomen, (2) de gewoonte van luiheid, (3) wreedheid, (4) zich overgeven aan bedwelmende middelen die dronkenschap en nalatigheid veroorzaken, (5) het alleen ronddwalen in straten op verdachte uren, en (6) seksueel wangedrag.

Verder vroeg de Boeddha aan de brahmaan hoe hij zijn brood verdiende, en de brahmaan antwoordde dat hij in zijn levensonderhoud voorzag door te dobbelen, d.w.z. door te gokken.[200] Vervolgens vroeg de Boeddha hem of hij had gewonnen of verloren. De brahmaan antwoordde dat hij soms verloor en soms won, waarna de Boeddha tegen hem zei: "Te winnen in een dobbelspel of bij gokken is niets vergeleken met een overwinning over morele verontreinigingen. Zelfoverwinning is echte overwinning.”

                

104-105.         “Zelfoverwinning[201] is inderdaad veel groter dan de overwinning van alle andere mensen; noch een god, noch een gandhabba,[202] noch Mara[203] met Brahma[204] kunnen de overwinning terugwinnen van een dergelijk iemand die zichzelf heeft bedwongen en altijd in zelfbeheersing leeft.”


Verhaal VIII:5 bij 106 (8:7) De weg naar de Brahma-wereld - Een moment van eer aan de waardige is beter dan lang voortgezette eer aan de onwaardige

 

Eens vroeg de eerwaarde Sariputta aan zijn oom, een brahmaan, of hij verdienstelijke daden verrichtte. De brahmaan antwoordde dat hij elke maand gaven bracht aan de naakte asceten, in de hoop in zijn volgende bestaan naar de Brahma-wereld te gaan. Sariputta legde aan zijn oom toen uit dat diens leraren de weg naar de Brahma-wereld niet kenden. Na deze woorden nam hij zijn oom mee naar de Boeddha en verzocht de Boeddha om de Dhamma uit te leggen door welke zeker iemand naar de Brahma-wereld gebracht zou worden.

De Boeddha zei tegen de brahmaan: "Het aanbieden van een lepel vol aalmoezen aan een echt heilige man is veel beter dan jouw offergaven aan anderen die geen eer waard zijn." [205]

106.         “Al brengt men maand na maand honderd jaren lang met duizend geldstukken een offer, waarlijk, al eerde men maar voor een ogenblik een heilige die zichzelf heeft vervolmaakt, dan is die eer toch beter dan een eeuw van offergaven.”


Verhaal VIII:6 bij 107 (8:8)  Het aanbidden van vuur is niet de juiste manier - Een moment van eer aan de zuivere is beter dan een eeuw van vuuroffers[206]

Bij een andere gelegenheid vroeg de eerwaarde Sariputta aan zijn neef, een brahmaan, of hij verdienstelijke daden verrichtte. Zijn neef antwoordde dat hij elke maand een geit had geofferd bij de vuur-aanbidding, in de hoop in zijn volgende bestaan naar de Brahma-wereld te gaan. Sariputta legde hem toen uit dat zijn leraren hem valse hoop hadden gegeven en dat zij zelf de weg naar de Brahma-wereld niet wisten.[207]

107.         “Hoewel iemand honderd jaren lang voor het (heilige) vuur in het bos kan zorgen, waarlijk, al eerde hij maar voor een ogenblik (een heilige) die zichzelf heeft vervolmaakt, dan is die eer toch beter dan een eeuw van vuuroffers.”


Verhaal VIII:7 bij 108 (8:9) Beter dan het offer-slachten van dieren is het eer te brengen aan de zuiveren

Eens vroeg de eerwaarde Sariputta aan zijn vriend, een brahmaan, of hij verdienstelijke daden verrichtte en de vriend antwoordde dat hij op grote schaal offergaven had gebracht, in de hoop in zijn volgende bestaan naar de Brahma-wereld te gaan. Sariputta vertelde hem dat zijn leraren hem valse hoop hadden gegeven en dat zij zelf de weg naar de Brahma-wereld niet wisten. Daarna nam hij zijn vriend mee naar de Boeddha, die hem de weg wees naar de Brahma-wereld. Tegen de vriend van Sariputta zei de Boeddha: "Brahmaan, eer te betonen aan de Edelen (Ariyas) al is het maar voor een moment, is beter dan het brengen van grote of kleine offergaven gedurende het hele jaar."

108.          “Welk geschenk of aalmoezen[208] een persoon die verdienste zoekt een jaar lang zou aanbieden in deze wereld, dat alles is niet het vierde deel waard van de eerbied aan de Oprechten,[209] die uitstekend is.”


Verhaal VIII:8 bij 109 (8:10) Hoe de Boeddha een kind beschermde (Ayu Waddhana) - Gezegend inderdaad zijn zij die degenen eren die eer waard zijn

Er waren eens twee kluizenaars die jarenlang samen leefden en religieuze strenge praktijken beoefenden. Later verliet een van hen het leven van kluizenaar en trouwde. Nadat een zoon was geboren, bezocht het gezin de oude kluizenaar en betoonde hem eer. Tegen de ouders zei de kluizenaar: "Mogen jullie lang leven", maar hij zei niets tegen het kind. De ouders waren verbaasd en vroegen de kluizenaar naar de reden van zijn zwijgen. De kluizenaar vertelde hun dat het kind nog maar zeven dagen zou leven en dat hij zelf niet wist hoe hij zijn dood kon voorkomen, maar dat Gotama, de Boeddha, wel zou weten wat hij moest doen.

De ouders brachten daarom hun zoontje naar de Boeddha. Toen zij hulde brachten aan de Boeddha, zei ook hij: “Mogen jullie lang leven” alleen aan de ouders en niet aan het kind. De Boeddha wist ook van de naderende dood van het kind. Aan de ouders werd gezegd dat zij, om de dood van hun zoontje te voorkomen, een paviljoen zouden oprichten bij de ingang van het huis. Toen dat paviljoen klaar was, werd het zoontje er op een bank gelegd. Daarna werden enkele monniken gestuurd om zeven dagen lang de parittas[210] te reciteren. Op de zevende dag kwam de Boeddha zelf naar dat paviljoen; ook de devas waren aanwezig. Op dat moment was er een boze geest bij de ingang, wachtend op een kans om het kind aan te vallen. Maar omdat er meer machtige devas arriveerden, moest de demon ruimte voor hen maken en kwam zo heel ver weg van het kind. De hele nacht werd het reciteren van parittas voortgezet, waardoor het kind werd beschermd. De volgende dag werd het zoontje van de bank gehaald en moest het eer betuigen aan de Boeddha. Deze keer zei de Boeddha: "Moge jij lang leven" tegen het kind. Toen hem werd gevraagd hoe lang het zoontje zou leven, antwoordde de Boeddha dat het honderdtwintig jaar zou leven. Daarom kreeg het kind de naam Ayu Waddhana.

Toen de zoon opgroeide, trok hij met zijn vrienden en mede-toegewijden het land door. Op een dag kwamen zij naar het Jetavana-klooster, en de monniken, die hem herkenden, vroegen aan de Boeddha: "Is er voor levende wezens een middel om een lang leven te verwerven?" Op deze vraag antwoordde de Boeddha: "Door de ouderen en degenen die wijs en deugdzaam zijn te respecteren en te eren, kan men niet alleen een lang leven verwerven, maar ook schoonheid, geluk en kracht." [211]

109.         “Voor iemand die de gewoonte heeft om voortdurend de ouderen te eren en te respecteren, nemen vier zegeningen toe: een lang leven, schoonheid, geluk en kracht.”


Verhaal VIII:9 bij 110 (8.11) Het wonder van de jonge novice Samkicca - Een kort maar deugdzaam leven is beter dan een lang maar immoreel leven.

Op een dag namen dertig monniken ieder een onderwerp van meditatie van de Boeddha en vertrokken naar een groot dorp, ver weg van Savatthi. Op dat moment verbleef een groep van rovers in een dichte jungle en zij wilden mensenvlees en bloed aanbieden aan de beschermgeesten van het bos. Daarom kwamen zij naar het dorpsklooster en eisten dat één van de monniken aan hen werd gegeven om aan de geesten te worden geofferd. Ieder van de monniken, van de oudste tot de jongste, bood zich vrijwillig aan om te gaan. Onder de monniken bevond zich een jonge samanera (novice) genaamd Samkicca, die door de eerwaarde Sariputta met hen was meegestuurd. Hoewel hij nog heel jong was, had hij als resultaat van een groot doorzettingsvermogen in zijn vorige levens al arahantschap bereikt. Samkicca deelde mee dat Sariputta, zijn leraar, die van tevoren op de hoogte was van dit gevaar, hem opzettelijk had gestuurd om de monniken te vergezellen, en dat hij degene moest zijn die met de rovers mee zou gaan. De monniken waren erg terughoudend, maar omdat zij vertrouwen hadden in de wijsheid van Sariputta, stemden zij ermee in hem te laten gaan.

Toen de voorbereidingen voor het offer waren voltooid, hief de leider van de rovers zijn zwaard op en sloeg hard op de jonge samanera die zich toen in de hoogste jhana-concentratie bevond.[212] In plaats van het vlees door te snijden, krulde het zwaard om. Hij pakte een ander zwaard en sloeg opnieuw. Deze keer boog het omhoog tot aan het handvat zonder Samkicca te schaden. Toen hij dit vreemde gebeuren zag, liet de leider van de rovers zijn zwaard vallen, knielde vol ontzag aan de voeten van de samanera, vroeg vergiffenis van hem en zei dat hij monnik wilde worden. Alle andere rovers waren verbaasd en bang; ook zij gaven hun fout toe en vroegen aan Samkicca toestemming om zijn religieuze manier van leven te volgen. Hij willigde hun verzoek in.[213]

Samkicca keerde toen terug naar het dorpsklooster, vergezeld van de nieuwe monniken. De andere monniken voelden zich erg opgelucht en waren blij hem te zien. Toen gingen Samkicca en de monniken in het Jetavana-klooster eer betuigen aan Sariputta, hun leraar.

Daarna gingen zij hulde brengen aan de Boeddha. Deze vermaande hen: “Bhikkhus als jullie roven of stelen en allerlei slechte daden begaan, zal jullie leven zinloos zijn, zelfs als jullie leven honderd jaren duurt. Een deugdzaam leven leiden, al is het maar voor één dag, is veel beter dan honderd jaren een leven van verdorvenheid."

110.         “Al leeft iemand honderd jaren immoreel en onbeheerst, waarlijk, beter is toch het leven van één enkele dag van iemand die deugdzaam is en juiste concentratie beoefent.”  


Verhaal VIII:10 bij 111 (8:12) De eerwaarde Kondañña en de rovers - Een kort leven van wijsheid is beter dan een lang leven van domheid.

De eerwaarde Kondañña ging, na een onderwerp van meditatie van de Boeddha te hebben gekregen, naar het bos om er meditatie te beoefenen en bereikte daar heiligheid. Toen hij ‘s avonds terugkeerde om hulde te brengen aan de Boeddha, stopte hij onderweg om een tijdje uit te rusten. Hij ging op een plat rotsblok zitten met zijn geest gevestigd in jhana-concentratie. Op dat moment kwam een groep rovers na het plunderen van een dorp naar de plek waar de  eerwaarde Kondañña was. Zij hielden hem voor een boomstronk en legden hun bundels buit op en rond het lichaam van de monnik. Toen de dag aanbrak, beseften zij dat wat zij voor een boomstronk hielden, in feite een levend wezen was. Maar toen dachten zij dat het ook een boze geest kon zijn en bang probeerden zij weg te rennen.

De eerwaarde Kondañña vertelde hun dat hij een monnik was en geen geest, en zei dat zij niet bang hoefden te zijn. De rovers waren onder de indruk van zijn woorden en vroegen vergiffenis van hem omdat zij hem voor een boomstronk hadden gehouden. Kort daarna besloten de rovers ook zijn religieuze manier van leven te volgen.

Vergezeld van de nieuwe monniken meldde de eerwaarde Kondañña de kwestie aan de Boeddha die hen vermaande: “Honderd jaren in onwetendheid te leven en dwaze dingen te doen, is zinloos. Nu jullie de waarheid hebben gezien en wijs zijn geworden, is jullie leven van één dag als wijze mannen veel meer waard."

De nieuwe monniken brachten in praktijk wat hun was geleerd en streefden ijverig naar hun geestelijke ontwikkeling.

111.         “Al leeft iemand honderd jaren zonder wijsheid en zelfbeheersing, toch is inderdaad beter het leven van één enkele dag van iemand die wijs en meditatief is.”


Verhaal VIII:11 bij 112 (8:13)  Het bereiken van heiligheid tijdens de zelfmoordpoging van de eerwaarde Sappadasa

Eens voelde een monnik met de naam Sappadasa zich niet gelukkig met zijn religieuze manier van leven, aangezien hij geen heiligheid kon verkrijgen, en ook dacht hij dat het ongepast en vernederend voor hem zou zijn om terug te keren naar het leven van een gezinshoofd. Daarom besloot hij dat het beter was om te sterven. Hij stak zijn hand in een pot met een giftige slang erin, maar de slang beet hem niet. Dit was omdat de goede daden die hij in zijn vorige levens had gedaan hem beschermden. Bij een andere gelegenheid nam hij een scheermes om zijn keel door te snijden; maar toen hij het scheermes op zijn keel zette, dacht hij na over hij de zuiverheid van zijn morele praktijken tijdens zijn leven als monnik en zijn hele lichaam was doordrenkt van vreugde en voldoening (piti) en gelukzaligheid (sukha). Toen maakte hij zich los van gelukzaligheid, richtte zijn geest op de ontwikkeling van inzicht en bereikte spoedig arahantschap.[214]

Bij aankomst in het klooster vroegen andere monniken hem waar hij was geweest. Hij vertelde hun dat hij had geprobeerd zijn leven te nemen en zij vroegen hem waarom hij dat niet had gedaan. Hij antwoordde: "Ik was van plan mijn keel door te snijden met dit mes, maar ik heb nu alle morele verontreinigingen afgesneden met het mes van inzicht." De monniken vertelden toen aan de Boeddha: “Eerwaarde heer, Sappadasa beweert dat hij arahantschap heeft bereikt terwijl hij probeerde zichzelf te doden. Is het mogelijk om op zo'n kritiek moment arahantschap te bereiken?" De Boeddha antwoordde: “Ja, dat is mogelijk; voor iemand die ijverig en energiek is in het beoefenen van de ontwikkeling van kalmte en inzicht, kan arahantschap in een oogwenk worden verworven. Terwijl de monnik in meditatie loopt, kan hij arahantschap bereiken zelfs voordat zijn opgeheven voet de grond raakt."

112.         “Al leeft iemand honderd jaren nutteloos en inactief, waarlijk, beter is het leven van een enkele dag van iemand die zich intensief inspant.”


Verhaal VIII:12 bij 113 (8:14)  Patacara verliest haar hele familie - Een kort leven van overweging is beter dan een lang leven zonder overweging

Patacara was de dochter van een rijke man uit Savatthi. Zij was erg mooi en werd goed beschermd door haar ouders. Maar op een dag werd zij verliefd en liep weg met een jonge bediende van het gezin en ging zij in een dorp ver weg van Savatthi wonen. Na verloop van tijd werd zij zwanger. Toen de tijd voor de bevalling naderde, vroeg zij bij verschillende gelegenheden aan haar man toestemming om terug te keren naar haar ouders in Savatthi. Maar haar man was bang dat hij door haar ouders zou worden geslagen en hij ontmoedigde haar. Dus ging zij op een dag, toen haar man afwezig was, op weg naar het huis van haar ouders. Haar man slaagde erin haar onderweg in te halen en smeekte haar om naar huis terug te keren, maar zij weigerde. Omdat de bevallings-tijd rijp was, beviel zij van een zoon in de buurt van struikgewas. Na de geboorte van haar zoon keerde zij met haar man naar huis terug.

Toen zij weer zwanger werd, deed zij hetzelfde verzoek als voorheen en kreeg hetzelfde antwoord. Toen de tijd voor de tweede bevalling naderde, ging zij weer op weg naar het huis van haar ouders in Savatthi en nam haar zoon mee. Haar man volgde haar en haalde haar onderweg in; maar haar tijd voor de bevalling kwam erg snel en het regende ook hevig. De man ging op zoek naar een geschikte plek en terwijl hij een stukje land schoonmaakte, werd hij gebeten door een giftige slang en stierf ter plekke. Patacara, in afwachting van zijn terugkeer, beviel van haar tweede zoon. 's Morgens ging zij op zoek naar haar man, maar vond alleen zijn dode lichaam. Vol verdriet vervolgde zij haar weg naar haar ouders, terwijl zij zichzelf de schuld gaf van de dood van haar man.

Omdat het de hele nacht onophoudelijk had geregend, was de rivier gezwollen, zodat zij de rivier niet kon oversteken met haar beide zoontjes in haar armen. Zij liet het oudste zoontje op de ene oever van de rivier achter, stak de stroom over met haar zoontje van een dag oud en liet hem achter op de andere oever. Toen ging zij terug om het oudste zoontje te halen. Toen zij midden in de rivier was, zweefde een havik over de baby in de mening dat hij een stuk vlees was. Zij schreeuwde om de havik weg te jagen, maar het was allemaal tevergeefs; de havik droeg de  baby weg. Ondertussen hoorde het oudste zoontje zijn moeder schreeuwen vanuit het midden van de rivier en dacht dat zij hem riep. Hij probeerde naar zijn moeder te gaan, maar werd meegesleept door de sterke stroming. Zo verloor Patacara zowel haar twee zoontjes als ook haar echtgenoot.

Zij huilde en klaagde luid: "Een zoon is meegesleept door een havik, een andere zoon is meegesleept door de stroming, mijn man is ook dood, gebeten door een giftige slang." Toen ontmoette zij een man uit Savatthi en vroeg in tranen naar haar ouders. De man antwoordde dat als gevolg van een hevige storm in Savatthi de vorige nacht het huis van haar ouders was ingestort en dat haar beide ouders, samen met haar enige broer, waren gestorven en gecremeerd. Bij het horen van dit tragische nieuws werd Patacara krankzinnig. Zij merkte niet eens dat haar kleren van haar waren afgevallen en dat zij halfnaakt was. Zij liep door de straten en riep: "Wee mij."

Op dat moment sprak de Boeddha in het Jetavana-klooster een leerrede en zag hij Patacara op een afstand. Hij wenste daarom dat zij naar de bijeenkomst zou komen. De menigte zag haar aankomen en probeerde haar tegen te houden met de woorden: "Laat de gekke vrouw niet binnenkomen." Maar de Boeddha zei hun dat zij haar niet moesten verhinderen om binnen te komen. Toen Patacara dichtbij genoeg was om hem te horen, zei hij dat zij haar geest moest beheersen en kalm moest blijven. Toen zij zich bewust werd van zichzelf, besefte zij dat zij haar rok niet aan had en ging stil zitten. Iemand gaf haar een doek om zich te bedekken. Zij vertelde toen aan de Boeddha hoe zij haar zoontjes, haar man, haar ouders en haar enige broer had verloren.

De Boeddha troostte haar: “Patacara, wees niet bang; je bent nu bij iemand gekomen die je kan beschermen en je echt kan begeleiden. Gedurende deze ronde van bestaan (samsara) is het aantal tranen dat je hebt vergoten vanwege de dood van zonen, echtgenoten, ouders en broers heel erg groot." Toen legde de Boeddha haar het Anamatagga Sutta uit, dat handelt over talloze levens, en zij voelde zich opgelucht en gekalmeerd. De Boeddha voegde eraan toe dat men zich niet al te veel zorgen moet maken over degenen die gegaan zijn, maar dat men zichzelf moet zuiveren en ernaar moet streven om Nibbana te verwerkelijken. Bij het horen van deze leerrede besefte Patacara de onzekerheid en nutteloosheid van het bestaan en werd gevestigd in het pad dat leidt naar het bereiken van bevrijding van samsara.

Patacara werd een bhikkhuni. Op een dag maakte zij haar voeten schoon met water uit een waterpot. Zij zag toen hoe het water in drie fasen weg stroomde - sommige druppels water stroomden en zakten dicht bij haar weg, sommige zakten weg verder van haar af, andere nog verder van haar af. Terwijl zij keek naar het stromen en het verdwijnen van het water, begon zij duidelijk de drie stadia in het leven van wezens waar te nemen. Het bracht haar ertoe te mediteren over de vergankelijkheid van het leven, waarmee zij persoonlijk ervaring had. De Boeddha zag haar met zijn goddelijk oog, projecteerde zichzelf voor haar en spoorde haar aan: “Patacara, jij bent nu op de goede weg en je hebt nu de ware waarneming van de samenstellende dingen (khandhas) van het leven. Iemand die de vergankelijkheid, het onbevredigende en het onwerkelijke van de samenstellende dingen niet inziet, is nutteloos, zelfs al leeft hij honderd jaren." Kort daarna bereikte Patacara arahantschap.

113.         “Al leeft iemand honderd jaren zonder te begrijpen hoe alle dingen ontstaan en vergaan, waarlijk, beter is het leven van een enkele dag  van iemand die begrijpt hoe alle dingen ontstaan en vergaan.” [215]


Verhaal VIII:13 bij 114 (8:15) Kisagotami - Een dag met ervaring van het doodloze is beter dan een eeuw zonder een dergelijke ervaring

Kisa Gotami woonde te Savatthi. Zij stond bekend als Kisa Gotami vanwege haar slanke lichaam. Kisa Gotami trouwde met een rijke jongeman en een zoontje werd bij hen geboren. Het zoontje stierf toen het nog maar een peuter was en Kisa Gotami werd door verdriet getroffen. Met haar dode zoontje in haar armen ging zij overal heen en vroeg naar medicijnen die haar zoontje weer tot leven konden brengen. De mensen dachten dat zij gek was geworden. Maar een wijze man die haar zielige toestand zag, besloot haar naar de Boeddha te sturen. Hij adviseerde haar: “Zuster, je moet naar de Boeddha gaan. Hij heeft het medicijn dat je wilt. Ga naar hem toe." Dus ging zij naar de Boeddha en vroeg hem haar het medicijn te geven dat haar gestorven zoon weer tot leven zou brengen.

De Boeddha die haar verstoorde mentale toestand kende, zei haar dat zij mosterdzaadjes moest halen van een huis waar geen dode was geweest. Dolblij bij het vooruitzicht dat haar zoon weer tot leven zou komen, rende Kisa Gotami van huis tot huis, bedelend om wat mosterdzaadjes. Iedereen was bereid haar te helpen, maar zij kon geen enkel huis vinden waar de dood niet had plaatsgevonden. De mensen waren maar al te bereid om mosterdzaadjes te geven, maar zij konden niet beweren dat zij geen dierbare in de dood hadden verloren. Naarmate de dag vorderde, besefte zij dat haar gezin niet het enige was dat met de dood te maken had gehad en dat er meer mensen dood waren dan levend. Zodra zij dit besefte, veranderde haar houding ten opzichte van haar gestorven zoontje; zij was niet langer gehecht aan het dode lichaam van haar zoontje en besefte hoe eenvoudig de Boeddha haar een heel belangrijke les had geleerd: dat alles wat geboren wordt uiteindelijk moet sterven.

Zij begroef haar gestorven zoontje en vertelde aan de Boeddha dat zij geen gezin kon vinden waar de dood niet was geweest. Toen zei de Boeddha: “Gotami, je moet niet denken dat jij de enige bent die een zoon heeft verloren. Zoals je nu hebt beseft, komt de dood naar alle wezens. Voordat hun verlangens verzadigd zijn, neemt de dood hen mee."

Toen zij de vluchtige aard en de vergankelijkheid van het leven zag, besloot Kisa Gotami het wereldse leven op te geven. Zij verzocht toen de Verlichte om haar toe te laten tot de Orde van Bhikkhunis. Dienovereenkomstig stuurde de Boeddha haar naar de gemeenschap van nonnen en gaf opdracht om haar toe te laten. Zo werd zij toegelaten als Bhikkhuni Kisa Gotami.

Zij was een zeer hardwerkende bhikkhuni en was altijd oplettend en gewetensvol van haar religieuze plichten, en streefde ijverig naar haar geestelijke ontwikkeling om haar geest te zuiveren van alle mentale bezoedelingen.

Op een avond stak zij een paar olielampen aan en ging een eindje verderop zitten. Toen begon zij naar de vlammen te kijken. Met haar geest op de vlammen gericht, merkte zij dat sommige vlammen oplaaiden en andere flakkerden en uitdoofden. Met haar geest geconcentreerd op de vlammen als haar onderwerp van meditatie, mediteerde zij als volgt: “Zoals het is met deze vlammen, zo is het ook met levende wezens in deze wereld: sommigen vlammen op, terwijl anderen flakkeren en uitdoven; alleen degenen die Nibbana hebben bereikt, worden niet meer gezien."

De Boeddha zag door zijn bovennatuurlijke kracht Kisa Gotami vanuit het Jetavana-klooster. Van een duplicaat van zichzelf liet hij een helder licht uitstralen en hij spoorde haar aan om te blijven mediteren over de vergankelijke aard van alle samengestelde dingen. Aan het einde van de leerrede bereikte Kisa Gotami arahantschap.[216]

114.         “Al leeft men honderd jaren zonder de doodloze staat te zien,[217] waarlijk,  beter is het leven van één dag van iemand die de doodloze staat ziet.”


Verhaal VIII:14 bij 115 (8:16) De kinderen die hun moeder verwaarloosden (Bahu Puttika) - Een dag van het waarnemen van de Dhamma is beter dan een eeuw zonder een dergelijke waarneming

 

In Savatthi woonde eens een echtpaar met veel kinderen. Alle kinderen waren getrouwd en het ging goed met het gezin. Toen stierf de vader, en de moeder, wier naam Bahu Puttika was, behield al het bezit zonder iets aan de kinderen te geven. Haar zonen en dochters wilden de erfenis, dus zeiden zij: “Moeder, nu vader dood is, wat heb je eraan als je het bezit behoudt? Kunnen wij je niet steunen?" Zij zeiden dit keer op keer, en hun moeder geloofde dat haar kinderen voor haar zouden zorgen. Dus verdeelde zij uiteindelijk het bezit zonder iets voor zichzelf achter te laten.

Na de verdeling van het bezit ging zij eerst bij haar oudste zoon logeren, maar haar schoondochter klaagde en zei: "Zij is bij ons komen logeren, alsof zij ons twee delen heeft gegeven." Toen ging Bahu Puttika bij haar tweede zoon logeren, en dezelfde dingen werden gezegd. Zo ging zij van de ene zoon naar de andere, en van de ene dochter naar de andere; maar geen van hen was bereid haar gedurende lange tijd te steunen en niemand betoonde haar het nodige respect.

Zeer teleurgesteld over haar kinderen werd zij een bhikkhuni. Bahu Puttika besefte dat zij pas op hoge leeftijd een bhikkhuni was geworden en dat zij niet nalatig moest zijn, maar de resterende periode van haar leven zo goed mogelijk moest gebruiken. Dus mediteerde zij de hele nacht over de Dhamma. De Boeddha zag haar door zijn  bovennatuurlijke kracht vanuit het Jetavana-klooster, zond zijn uitstraling uit en spoorde haar aan: "Het leven van iemand die de Dhamma niet beoefent, is nutteloos, zelfs al zou hij honderd jaren leven." Oplettend dacht Bahu Puttika na over het advies van de Boeddha en bereikte arahantschap.[218]

115.         “Al leeft men honderd jaren zonder de verheven waarheid te zien,[219] waarlijk, beter is het leven van één dag van iemand die de verheven waarheid ziet.”


9. Pāpa vagga - het kwaad

Dhp. 116-128


Verhaal IX:1 bij 116 (9:1) De grote gave van de arme brahmaan - Wees snel bij het doen van goed; onderdruk kwaad.

Er was eens een heel arm brahmanen-echtpaar in Savatthi. Zij hadden slechts één bovenkledingstuk voor hen beiden Daarom konden zij niet samen naar buiten. Dus ging de vrouw overdag naar het klooster en de man ging 's avonds. Op een avond luisterde de brahmaan naar de Boeddha en zijn hele lichaam werd doordrongen met heerlijke voldoening en hij voelde een sterk verlangen om het bovenkledingstuk dat hij droeg aan de Boeddha aan te bieden. Maar hij besefte dat als hij zijn enige bovenkleding zou weggeven, er niets meer voor hem en zijn vrouw zou zijn. Dus aarzelde hij en weifelde. Zo gingen de eerste en tweede nachtwake voorbij. Toen de derde nachtwake kwam, zei hij tegen zichzelf: "Als ik blijf aarzelen, zal ik de kans missen om een einde te maken aan het wereldse lijden. Ik zal nu mijn bovenkleding aanbieden." Met die woorden legde hij het kledingstuk aan de voeten van de Boeddha en riep uit: "Ik heb gewonnen; ik heb gewonnen."

Koning Pasenadi van Kosala, die zich bij de toehoorders bevond, hoorde die woorden en gaf een hoveling opdracht na te gaan wat dat betekende. Toen de koning hoorde over de gave van de brahmaan aan de Boeddha, zei hij dat de brahmaan iets had gedaan dat niet gemakkelijk te doen was en daarom beloond moest worden. De koning beval zijn mannen aan de brahmaan een stuk stof te geven als beloning voor diens vertrouwen en vrijgevigheid. De brahmaan bood ook dat stuk stof aan de Boeddha aan, en opnieuw beloonde de koning hem en nu met twee stukken stof. Opnieuw bood de brahmaan de twee stukken stof aan de Boeddha aan. Wat de koning hem ook gaf - elke keer verdubbelde hij de beloning -  dat bood de brahmaan aan de Boeddha aan. Toen de beloning tweeëndertig stukken stof bedroeg, bewaarde de brahmaan op verzoek van de koning één stuk voor zichzelf en een ander voor zijn vrouw. De resterende dertig stukken bood hij aan de Boeddha aan.

Toen zei de koning weer dat de brahmaan echt een heel moeilijke taak had volbracht en dus passend beloond moest worden. De koning stuurde een boodschapper naar het paleis om twee stukken van zeer dure fluwelen lakens te brengen en gaf ze aan de brahmaan. Deze keer maakte de brahmaan twee baldakijnen en bood een ervan aan de Boeddha aan en hield het andere voor eigen gebruik. Toen de koning daarna naar het Jetavana-klooster ging, zag hij het fluwelen baldakijn en herkende het als de gave die door de brahmaan geschonken was en hij was erg blij. Deze keer beloonde hij hem opnieuw.

Toen de monniken hierover hoorden, vroegen zij aan de Boeddha: "Hoe komt het dat, in het geval van deze brahmaan, een goede daad die thans verricht is, onmiddellijk vruchten draagt?" De Boeddha antwoordde: “Als de brahmaan zijn bovenkleding had aangeboden in de eerste nachtwake, zou hij meer zijn beloond; aangezien hij zijn gave alleen tijdens de laatste nachtwake heeft gebracht, werd hij minder beloond. Dus als men in liefdadigheid wil geven, moet men dat snel doen; als men aarzelt, komt de beloning langzaam en slechts spaarzaam. En ook als men te traag is in het doen van goede daden, kan het zijn dat men niet in staat is het te doen, want de geest heeft de neiging behagen te scheppen in het doen van kwaad."

116.         “Haast je om goed te doen,[220] beheers je geest van het kwade,[221] want de geest van hem die langzaam is bij het doen van verdienstelijke daden[222] schept behagen in het kwaad.”


Verhaal IX:2 bij 117 (9:2) Onthoud je van seksueel wangedrag (Seyyasaka) - Doe niet steeds weer kwaad.

Een monnik met naam Seyyasaka was niet gelukkig met het religieuze leven en had de gewoonte zichzelf seksueel te stimuleren. Toen de Boeddha hiervan hoorde, spoorde hij de monnik aan zich te onthouden van handelingen die hem verder weg zouden leiden van het verkrijgen van zuiverheid. Tegelijkertijd introduceerde de Boeddha de disciplinaire regel voor monniken om zich te onthouden van een dergelijk zich overgeven aan sensueel genot. Hij noemde ze overtredingen die verwijdering uit de Orde vereisen. Toen voegde de Boeddha eraan toe: "Dit soort handelingen kan tot lijden leiden."

117.         “Mocht een persoon kwaad begaan, laat hij dat dan niet steeds weer doen; laat hij er geen plezier in vinden: pijnlijk is de opeenstapeling van kwaad.”


Verhaal IX:3 bij 118 (9:3) Een vrouwelijke deva doet diensten voor Maha Kassapa - Doe steeds weer goed

Eens verbleef de eerwaarde Maha Kassapa in de Pipphali-grot en bleef er zeven dagen lang verdiept in concentratie (samapatti). Kort nadat hij was opgestegen uit samapatti en iemand de kans wilde geven iets aan te bieden aan een heilige man die net was opgestegen uit samapatti, zag hij een jonge vrouw haar eten koken. Hij bleef bij haar deur staan voor aalmoezen. Toen de jonge vrouw de ouderling (Thera) zag, was haar hele lichaam doordrenkt van heerlijke vreugde en geluk. Vol eerbied zei zij: "Eerwaarde heer, moge ik met deze nederige gave van mij in staat zijn om de waarheid te realiseren." - "Zo zij het," antwoordde de eerwaarde Maha Kassapa toen hij zijn waardering uitsprak (anumodana).

Later werd zij gebeten door een giftige slang en stierf. Zij werd herboren als een deva in de Tavatimsa-hemel en werd rijkelijk beloond met de luxe van de hemelse wereld.

De deva besefte dat zij in die hemel herboren was omdat zij aalmoezen aan de eerwaarde Maha Kassapa had aangeboden en zij was hem erg dankbaar. Toen besloot zij verdienstelijke daden te blijven doen om haar geluk duurzamer te maken. Dus ging zij elke ochtend naar het klooster en veegde het terrein schoon, vulde waterpotten en deed andere diensten. Aanvankelijk dacht de eerwaarde Maha Kassapa dat jonge novicen die diensten hadden gedaan. Op een dag ontdekte hij echter dat een vrouwelijke deva die diensten had verricht. Dus adviseerde hij haar om niet meer naar het klooster te komen omdat de mensen zouden kunnen gaan praten als zij vaak in het klooster werd gezien. Ze was erg overstuur en smeekte hem luid: "Vernietig alstublieft mijn rijkdom niet."

De Boeddha hoorde haar schreeuwen en bemerkte haar droevige gemoedstoestand. Hij zond zijn straling uit en troostte haar door te zeggen dat hoewel verdienstelijke daden erg belangrijk zijn, het voor een jonge vrouw niet aan te raden is om alleen te komen en alle activiteiten in het klooster te doen.

118.         “Als een persoon een verdienstelijke daad verricht, laat hij die steeds weer doen; laat hij plezier erin vinden:  gelukkig is de opeenhoping van verdienste.”


Verhaal IX:4 bij 119-120 (9:4-5) Anathapindika en de beschermgeest - Aan de vrucht kent men het kwade of het goede

Anathapindika steunde heel edelmoedig het Jetavana-klooster. Hij was niet alleen vrijgevig, maar ook echt toegewijd aan de Boeddha. Drie keer per dag ging hij naar het Jetavana-klooster en bracht er hulde aan de Verlichte. 's Morgens bracht hij rijstpap mee, overdag wat passend voedsel en' s avonds wat medicijnen en bloemen. Na enige tijd werd Anathapindika arm, maar vanwege zijn vertrouwen in de Dhamma werd hij niet bewogen door zijn armoede en bleef doorgaan met zijn dagelijkse daden van liefdadigheid. Een beschermgeest die in zijn huis woonde verscheen op een avond  persoonlijk voor hem en zei: “Ik ben de beschermgeest. Jij hebt jouw bezittingen aan de Boeddha aangeboden zonder aan jouw toekomst te denken. Daarom ben jij vandaag een arme man. Daarom moet jij hem geen gaven meer brengen en jouw eigen zaken regelen en weer rijk worden.”

Anathapindika verzocht de beschermgeest om zijn huis te verlaten omdat hij zulke dingen zei, en aangezien hij spiritueel hoog ontwikkeld was, kon de beschermgeest hem niet ongehoorzaam zijn en moest daarom het pand verlaten. Hij kon nergens heen en wilde terugkeren maar was bang voor Anathapindika. Dus ging hij naar Sakka, koning van de devas. Sakka adviseerde hem om eerst een goede beurt te maken bij Anathapindika en hem daarna om vergiffenis te vragen. Sakka zei verder: “Er zijn schulden die door sommige handelaren als leningen zijn aangegaan die nog niet terugbetaald zijn aan Anathapindika. Bepaalde kostbaarheden zijn begraven door de voorouders van Anathapindika en die kostbaarheden zijn weggespoeld in de oceaan. Sommige schatten die niemand toebehoren, zijn begraven op een bepaalde plaats. Ga al deze rijkdom terughalen en vul de kamers van Anathapindika." De beschermgeest deed wat Sakka hem opdroeg, en Anathapindika werd weer rijk.

Toen de beschermgeest aan Anathapindika vertelde wat hij voor hem had gedaan, kreeg de geest toestemming om in zijn huis te wonen. Toen nam Anathapindika hem mee naar de Boeddha. Tot hen beiden zei de Boeddha: “Het kan zijn dat men niet lang geniet van de voordelen van een goede daad, of dat men een lange tijd de gevolgen van een slechte daad ondervindt, maar de tijd zal zeker komen dat goede of slechte daden vrucht zullen dragen en rijpen."

119.        “Ook iemand die kwaad doet ondervindt goed zolang als het kwaad niet tot rijping komt. Maar als het vrucht draagt dan ondervindt hij de slechte resultaten ervan.” [223]

120.        “Ook een goed persoon ondervindt kwaad zolang als het goede niet tot rijping komt. Maar als het vrucht draagt dan ondervindt hij de goede resultaten ervan.” [224]


Verhaal IX:5 bij 121 (9:6) De slordige monnik -  Denk niet licht over het kwaad

Wanneer een bepaalde monnik een meubelstuk zoals een sofa, een zitbank of een stoel van het klooster had gebruikt, liet hij het buiten op het terrein achter en stelde het zo bloot aan regen en zon. Toen andere monniken hem berispten vanwege zijn onverantwoordelijke gedrag, antwoordde hij: "Ik ben niet van plan die dingen te vernietigen. Er is tenslotte maar heel weinig schade aangericht." En hij bleef zich op dezelfde manier gedragen. Toen de Boeddha hiervan te weten kwam, liet hij de monnik halen en vermaande hem: “Bhikkhu, jij moet je niet zo gedragen; jij moet niet lichtvaardig denken over een kwaad, hoe klein ook, omdat het groot zal worden als je er een vaste gewoonte van maakt."

121.         “Laat men niet licht denken over het kwaad, met de woorden: "Het zal  tot mij niet komen.” Zelfs door het vallen van druppels wordt een waterkan gevuld; op gelijke wijze vult de dwaas, die beetje bij beetje verzamelt, zichzelf met het kwaad.”


Verhaal IX:6 bij 122 (9:7) De rijke man die weinig gaf (Bilala Padaka) - Denk niet licht over het goede

Een man uit Savatthi hoorde een leerrede van de Boeddha en was erg onder de indruk ervan. Hij besloot in praktijk te brengen wat er was onderwezen. De aansporing was om niet alleen zelf in milddadigheid te geven, maar ook om anderen ertoe aan te zetten dat te doen. Want daarmee kan men veel verdiensten verwerven. Dus nodigde hij de Boeddha en andere monniken uit voor de maaltijd op de volgende dag. Daarna ging hij naar de huizen van zijn buren en vertelde de bewoners dat de volgende dag aalmoezen zou worden aangeboden aan de Boeddha en andere monniken. Hij vroeg hun om een ​​bijdrage te leveren in overeenkomst met hun middelen. Een rijke man, Bilala Padaka, zag de man van huis tot huis gaan en mompelde in zichzelf: 'Wat een ellendige man. Waarom nodigde hij niet zoveel monniken uit als voor wie hij zelf kan zorgen, in plaats van rond te gaan bedelen bij de mensen?” Hij vroeg aan de man om zijn kom te brengen en deed er alleen een beetje rijst, boter en honing in. Deze gaven werden apart weggebracht en niet samen met wat anderen hadden gegeven. De rijke man kon niet begrijpen waarom zijn spullen gescheiden werden gehouden, en hij dacht dat de man misschien anderen wilde laten weten dat een rijke man zoals hij heel weinig had bijgedragen en daarom minachtend over hem zou spreken. Daarom stuurde hij een bediende om erachter te komen wat de bedoeling was.

De bevorderaar van milddadigheid deed een beetje van alles wat door de rijke man was gegeven in verschillende potten met rijst en vleesgerechten en suikergoed, zodat de rijke man veel verdienste kon verwerven. Zijn dienaar vertelde wat hij had gezien. Maar Bilala Padaka begreep de betekenis ervan niet en was niet zeker van de bedoeling van de bevorderaar van milddadigheid. Maar de volgende dag ging hij naar de plaats waar de aalmoezen werden aangeboden. Tegelijkertijd nam hij een mes mee, met de bedoeling de bevorderaar van milddadigheid te doden als hij in het openbaar zou onthullen hoe weinig een rijke man als hij had bijgedragen.

Maar de bevorderaar van milddadigheid zei aan de Boeddha: ”Eerwaarde heer, deze milddadigheid is een gezamenlijke aanbieding van allen; of iemand veel of weinig heeft gegeven, doet er niet toe: ieder van ons heeft in vertrouwen en edelmoedigheid gegeven; mogen wij dus allemaal evenveel verdienste verwerven.”

Toen hij die woorden hoorde, besefte Bilala Padaka dat hij de man onrecht had aangedaan en vroeg om vergeving met de woorden: "Mijn vriend, ik heb je een groot onrecht gedaan door slecht over je te denken, vergeef mij alstublieft." De Boeddha hoorde de rijke man om vergeving vragen en omdat hij de reden wist, zei hij: "Mijn discipel, je moet niet lichtvaardig denken over een goede daad, hoe klein die ook mag zijn, want kleine daden zullen groot worden als je er een vaste gewoonte van maakt."

122.         “Laat men niet licht denken over verdienste door te zeggen: “Het zal tot mij niet komen." Zelfs door het vallen van druppels wordt een waterkan gevuld; op gelijke wijze vult de wijze man, die beetje bij beetje verzamelt, zichzelf met het goede.”


Verhaal IX:7 bij 123 (9:8) Een reis vol gevaar (Maha Dhana) - Vermijd het kwaad als een gevaarlijk pad

 

Maha Dhana was een rijke koopman uit Savatthi. Eens waren rovers van plan hem te beroven, maar zij kregen de kans niet om dat te doen. Ondertussen hoorden zij dat de koopman binnenkort op reis zou gaan met karren vol waardevolle koopwaar. Maha Dhana nodigde ook de monniken uit die graag dezelfde reis zouden willen maken om hem te vergezellen, en hij beloofde onderweg voor hun benodigdheden te zorgen. Dus ging een groep monniken met hem mee. De rovers vernamen van de reis en gingen vooruit om zich te verstoppen en op de karavaan van de koopman te wachten. Maar de koopman stopte aan de rand van het bos waar de rovers zaten te wachten. Na daar een paar dagen de tenten te hebben opgeslagen zou de karavaan weer verder trekken. De rovers kregen bericht van het aanstaande vertrek en maakten zich klaar om de karavaan te plunderen. De koopman kreeg op zijn beurt ook bericht over het vertrek van de bandieten en hij besloot naar huis terug te keren. De bandieten hoorden nu dat de koopman naar huis zou gaan en dus bleven zij op de terugweg wachten. Sommige dorpelingen stuurden de koopman bericht van het vertrek van de bandieten, en de koopman besloot uiteindelijk een tijdje in het dorp te blijven. Toen hij de monniken over zijn beslissing vertelde, keerden de monniken terug naar Savatthi en informeerden de Verlichte over de annulering van hun reis. Tegen hen zei de Boeddha: “Bhikkhus, Maha Dhana blijft weg van de reis die door bandieten wordt geteisterd. Iemand die niet wil sterven, moet wegblijven van vergif, en zo moet ook een wijze monnik, die beseft dat het bestaan is als een reis vol gevaar, ernaar streven om het doen van kwaad te vermijden."

123.         “Net als een koopman, met een kleine begeleiding en grote rijkdom, een gevaarlijke route vermijdt, net als iemand die wil leven vergif vermijdt, laat men juist zo slechte dingen schuwen.”


Verhaal IX:8 bij 124 (9:9) Kukkuta Mitta de jager en zijn gezin begrijpen de Dhamma - Geen kwaad voor degenen die geen kwade bedoeling hebben

In Rajagaha was eens een rijk jong meisje dat de Dhamma had begrepen.[225] Een jager met de naam Kukkuta Mitta kwam de stad binnen in een kar om wild te verkopen. Toen zij hem zag, werd de jongedame onmiddellijk verliefd op hem. Zij volgde hem, trouwde met hem en woonde met hem in een klein dorp. Als gevolg van dat huwelijk werden bij hen zeven kinderen geboren en in de loop van de tijd trouwden zij allemaal. Op een dag overzag de Boeddha 's morgens vroeg de wereld en ontdekte dat de jager, zijn kinderen en hun vrouwen de Dhamma zouden realiseren. Dus ging de Boeddha naar de plaats waar de jager zijn val in het bos had gezet. Hij zette zijn voetafdruk dicht bij de val en ging in de schaduw van een struik zitten, niet ver van de val vandaan. Toen de jager kwam, zag hij geen dier in de val maar een voetafdruk en hij vermoedde dat iemand vóór hem was gekomen om het dier uit de val los te maken. Toen hij de Boeddha in de schaduw van de struik zag, hield  hij hem dus voor de man die het dier uit zijn val had bevrijd en werd woedend. Hij haalde zijn pijl en boog tevoorschijn om op de Boeddha te schieten, maar toen hij zijn boog spande, werd hij onbeweeglijk en bleef als een standbeeld in die positie gefixeerd. Zijn kinderen volgden en vonden hun vader. Zij zagen de Boeddha ook op enige afstand en dachten dat hij de vijand van hun vader moest zijn. Zij allen haalden hun pijl en boog tevoorschijn om op de Boeddha te schieten, maar zij werden ook onbeweeglijk en bleven gefixeerd in hun respectievelijke houdingen. Toen de jager en zijn kinderen niet terugkwamen, volgde de vrouw van de jager hen met haar schoonfamilie in het bos. Zij zag haar man en haar kinderen met hun pijlen op de Boeddha gericht, hief haar handen omhoog en riep: "Dood mijn vader niet."

Toen haar man haar woorden hoorde, dacht hij: "Dit moet mijn schoonvader zijn", en haar kinderen dachten: "Dit moet onze grootvader zijn", en gedachten van liefdevolle vriendelijkheid kwamen in hun geest. Toen zei de vrouw tegen hen: "Doe jullie pijlen en bogen weg en betoon eer aan mijn vader." De Boeddha wist dat tegen die tijd de geest van de jager en zijn kinderen gedwee was en daarom liet hij toe dat zij zich konden bewegen en hun pijl en boog konden wegleggen. Nadat zij hun pijlen en bogen hadden opgeborgen, betoonden zij eer aan de Boeddha. Hij legde hun de Dhamma uit. Op het einde van de leerrede begrepen zij allen de Dhamma.

De Boeddha keerde naar het klooster terug en vertelde aan de andere monniken over de jager en zijn gezin. Toen vroegen zij aan de Boeddha: "Eerwaarde heer, is de vrouw van de jager die de Dhamma heeft begrepen ook schuldig aan het nemen van leven, omdat zij dingen zoals netten, bogen en pijlen voor haar man heeft klaargezet toen hij op jacht ging?" De Boeddha gaf ten antwoord: “Bhikkhus, zij die sotapannas zijn, doden niet, zij willen niet dat anderen worden gedood. De vrouw van de jager gehoorzaamde haar man alleen om dingen voor hem te bezorgen. De gedachte kwam nooit bij haar dat zij haar man hielp om slechte daden te plegen. Net zoals de hand die geen wond heeft, niet wordt aangetast door vergif, zo heeft zij, aangezien zij niet van plan is kwaad te doen, geen slechte wilsactie (kamma) geproduceerd."

124.        “Als er geen open wonde is in iemands hand, kan men vergif erin dragen. Vergif heeft geen invloed op iemand die geen wonde heeft. Iemand die geen kwaad doet,[226] ondervindt er geen nadeel van.”


Verhaal IX:9 bij 125 (9:10) Een jager die werd aangevallen door zijn eigen honden (Koka) - Kwelling van onschuldigen is als stof tegen de wind in

Op een ochtend ging een jager met naam Koka op jacht met zijn roedel jachthonden. Hij ontmoette een monnik die de stad binnenkwam voor aalmoezen. De jager vatte dat op als een slecht voorteken en gromde bij zichzelf: "Omdat ik deze ellendige heb gezien, denk ik dat ik vandaag niets zal schieten," en hij ging verder op zijn weg. Zoals door hem werd verwacht, kon hij inderdaad geen dier doden. Op weg naar huis zag hij alweer dezelfde monnik die naar het klooster terugkeerde nadat hij zijn aalmoezen in de stad had gehad; en de jager werd erg boos. Dus joeg hij zijn honden tegen de monnik die snel in een boom klom tot een niveau net buiten het bereik van de honden. De jager doorboorde toen de voetzolen van die monnik met zijn pijlen. De monnik leed veel pijn en kon zijn gewaad niet vasthouden; dat gleed van zijn lichaam op de jager die aan de voet van de boom stond.

De honden zagen het gele gewaad en dachten dat de monnik van de boom was gevallen. Zij sprongen op het lichaam, beten erin en verscheurden het woedend. De monnik brak vanuit zijn schuilplaats in de boom een droge tak en gooide die naar de honden. Toen ontdekten de honden dat zij hun eigen meester hadden aangevallen in plaats van de monnik en renden weg. De monnik kwam uit de boom en ontdekte dat de jager was gestorven. Hij had medelijden met hem en hij vroeg zich ook af of hij verantwoordelijk kon worden gehouden voor de dood, aangezien de jager was gestorven omdat deze bedekt was met zijn gele gewaden.

Dus ging hij naar de Boeddha om zijn twijfel weg te nemen. De Boeddha troostte hem: "Jij bent niet verantwoordelijk voor de dood van de jager; jouw deugdzaamheid (sila) is ook niet bevuild vanwege die dood. Die jager heeft inderdaad een groot kwaad gedaan aan iemand aan wie hij geen kwaad had mogen doen, en zo is hij tot dit pijnlijke einde gekomen."

125.        “Alwie een onschuldig, zuiver persoon kwelt, op die persoon komt het kwaad terug als stof dat tegen de wind in is gegooid.”


Verhaal IX:10 bij 126 (9:11) De edelsteenslijper die een onschuldige monnik sloeg - Wilsacties bepalen de geboorte

        Er was eens een edelsteenslijper in Savatthi. Elke dag bood hij aalmoezen aan een monnik aan die een arahant was. Op een dag was de edelsteenslijper bezig met het snijden van een stuk vlees toen een boodschapper van koning Pasenadi van Kosala arriveerde met een robijn, die gesneden en geslepen en dan teruggestuurd moest worden naar de koning. De edelsteenslijper nam de robijn met zijn hand die onder het bloed zat, legde hem op een tafel en ging zijn handen wassen. De huisvogel van het gezin zag de met bloed besmeurde robijn en hield die voor een stuk vlees. Hij pikte de robijn op en slikte hem in, in het bijzijn van de monnik. Toen de edelsteenslijper terugkwam, ontdekte hij dat de robijn weg was. Hij vroeg zijn vrouw en zijn zoon en zij antwoordden dat zij hem niet hadden gepakt. Toen vroeg hij de monnik die ook antwoordde dat hij hem niet had genomen, maar de edelsteenslijper was niet tevreden ermee.  Omdat er niemand anders in huis was, concludeerde hij dat de monnik de kostbare robijn kon hebben gepakt. Dus zei hij tegen zijn vrouw dat hij hem zou martelen om hem de diefstal te laten bekennen.

Maar zijn vrouw antwoordde: “Deze monnik is de afgelopen twaalf jaar onze religieuze leraar geweest en wij hebben hem nog nooit iets kwaads zien doen. Beschuldig hem alsjeblieft niet. Het zou beter zijn de straf van de koning op zich te nemen dan een edele te beschuldigen." Maar haar man sloeg geen acht op haar woorden. Hij nam een touw, bond de monnik vast en sloeg hem vele malen met een stok. Het gevolg was dat de monnik hevig bloedde uit het hoofd en de neus. De vogel, die bloed zag en het wilde drinken, kwam dicht bij de monnik. De edelsteenslijper die toen in grote woede was, schopte de vogel uit alle macht en de vogel stierf ter plekke. Toen zei de monnik: "Kijk alstublieft of de vogel dood is of niet," en de man antwoordde: "Ook jij zult sterven als deze vogel." Toen de monnik er zeker van was dat de vogel dood was, zei hij zachtjes: "Mijn leerling, de vogel had de robijn ingeslikt."

Toen hij dit hoorde, sneed de edelsteenslijper de vogel open en vond de robijn in zijn maag. Toen besefte hij zijn fout en beefde van angst. Hij smeekte de monnik om hem te vergeven en ook om door te gaan met aan zijn deur te blijven staan voor een aalmoes. De monnik antwoordde: “Het is niet jouw schuld, noch de mijne. Dit is gebeurd vanwege wat er in onze vorige levens is gedaan; het is gewoon onze schuld in samsara. Ik voel geen kwaadwil jegens jou. In feite is dit gebeurd omdat ik een huis ben binnengegaan. Vanaf vandaag zal ik geen huis meer binnengaan. Ik zal alleen aan de deur blijven staan."

Niet lang daarna stortte de monnik in en ging als gevolg van zijn verwondingen heen in Nibbana. De vogel werd herboren als de zoon van de edelsteenslijper. Toen de edelsteenslijper stierf, werd hij herboren in de hel. Toen de vrouw stierf, werd zij, vanwege haar zachtmoedigheid jegens de monnik, herboren in een of de deva-werelden.

126.        “Sommigen worden geboren[227] in een moederschoot. Mensen die kwaad doen worden geboren in staten van ellende.[228] Degenen met goed gedrag gaan naar gelukzalige staten.[229] Degenen zonder smetten[230] gaan heen in Nibbana.”


Verhaal IX:11 bij 127 (9:12) Niemand is vrij van de gevolgen van slechte wilsacties

Een groep van monniken was op weg om de Boeddha te bezoeken en zij stopten onderweg bij een dorp. Sommige mensen kookten aalmoezenvoedsel voor hen toen een van de huizen in brand vloog en een ring van vuur de lucht in vloog. Op dat moment kwam er een kraai aanvliegen, raakte gevangen in de ring van vuur en viel dood neer. De monniken die de dode kraai zagen, wisten dat alleen de Boeddha in staat was uit te leggen voor welke slechte daad deze kraai op die manier moest sterven. Nadat zij aalmoezenvoedsel hadden genomen, vervolgden zij hun reis.

Een andere groep van monniken reisde in een boot; ook zij waren op weg om de Boeddha te bezoeken. Toen zij zich midden op de oceaan bevonden, kon de boot niet worden verplaatst. Er werd dus geloot om erachter te komen wie de ongelukkige was; drie keer viel het lot op de vrouw van de schipper. Toen zei de schipper bedroefd: "Laten niet veel mensen sterven vanwege deze ongelukkige vrouw. Bind een pot met zand om haar nek en gooi haar in de zee zodat ik haar niet zal zien." De vrouw werd op instructie van de schipper in zee gegooid zodat het schip verder kon varen. Bij aankomst op hun bestemming gingen de monniken van boord en vervolgden hun weg naar de Boeddha. Zij waren ook van plan de Boeddha vragen te stellen ten gevolge van welke slechte wilsactie (kamma) de ongelukkige vrouw overboord was gegooid.

Een derde groep van monniken was ook onderweg om de Boeddha te bezoeken. Onderweg vroegen zij bij een klooster of er in de buurt een geschikte plek voor hen was om te overnachten. Zij werden naar een grot geleid, en daar brachten zij de nacht door, maar midden in de nacht gleed een groot rotsblok van boven weg en sloot op doeltreffende wijze de ingang af. 's Morgens kwamen de monniken van het nabijgelegen klooster naar de grot, zagen wat er gebeurd was en gingen hulp zoeken in het dorp. Met de hulp van de mensen uit het dorp probeerden zij het rotsblok te verplaatsen, maar het mocht niet baten. Zo zaten de monniken een paar dagen vast in de grot zonder voedsel of water. Op de zevende dag bewoog het rotsblok op wonderbaarlijke wijze uit zichzelf. De monniken kwamen naar buiten en vervolgden hun reis naar de Boeddha. Ook zij waren van plan de Boeddha te vragen ten gevolge van welke eerdere slechte daad zij zo een paar dagen in een grot opgesloten waren.

De drie groepen monniken ontmoetten elkaar onderweg en samen gingen zij naar de Boeddha. De monniken van elke groep vertelden wat zij tijdens hun reis hadden gezien of meegemaakt.

Het antwoord van de Boeddha aan de eerste groep: “Bhikkhus, er was eens een boer die een os had. De os was erg lui en ook erg eigenwijs. Hij kon niet ertoe worden overgehaald om enig werk te doen, hij ging gewoon liggen herkauwen of ging slapen. De boer verloor vaak zijn geduld vanwege dit luie dier. In woede bond hij een touw van stro om de nek van de os, stak het stro in brand en de os stierf. Vanwege deze slechte daad heeft de boer lange tijd geleden en door de uitwerking van het resterende deel van de slechte wilsactie (kamma) is hij de laatste paar vorige levens levend verbrand."

Het antwoord van de Boeddha aan de tweede groep: “Bhikkhus, er was eens een vrouw die een hond had. Wat zij ook deed en waar zij ook heen ging, de hond volgde haar altijd.[231] Als resultaat maakten sommige jonge knapen haar belachelijk. Zij was erg boos en schaamde zich zozeer dat zij de hond wilde doden. Zij vulde een pot met zand, bond die aan de hals van de hond en gooide de hond in het water met als gevolg dat de hond verdronk. Vanwege deze slechte daad had die vrouw lange tijd geleden en door de uitwerking van het resterende deel van het slechte resultaat was zij in het water gegooid om er te verdrinken."  

Het antwoord van de Boeddha aan de derde groep: “Bhikkhus, eens zagen zeven koeherders een leguaan een heuvel ingaan en voor de grap sloten zij alle uitgangen van de heuvel. Daarna gingen zij weg en vergaten volledig de leguaan die in de heuvel vastzat. Pas na zeven dagen herinnerden zij zich wat zij hadden gedaan en haastig keerden zij terug naar de plaats van hun ondeugende streken en lieten de leguaan eruit. Vanwege deze slechte daad hebben jullie samen zeven dagen lang vastgezeten zonder enig voedsel."

Toen merkte een monnik op: "O inderdaad, er is geen ontkomen aan de slechte gevolgen voor iemand die kwaad heeft gedaan, zelfs niet als hij zich in de lucht, of op de oceaan of in een grot bevond." De Boeddha antwoordde: “Ja, monnik, jij hebt gelijk; zelfs in de lucht of waar dan ook, is er geen plaats die buiten het bereik is van de gevolgen van het kwaad."

127.         “Niet in de lucht, noch in het midden van de oceaan, noch in een berggrot wordt die plek op aarde gevonden waar iemand kan ontsnappen aan (de gevolgen) van iemands slechte daad.” [232]


Verhaal IX:12 bij 128 (9:13) Koning Suppabuddha verspert de weg van de  Boeddha - De dood kan niet overwonnen worden

Koning Suppabuddha was de vader van Devadatta en schoonvader van Prins Siddhattha. De koning stond om twee redenen zeer vijandig tegenover de Boeddha: ten eerste omdat prins Siddhattha zijn dochter Yasodhara had verlaten om de wereld te verzaken; en ten tweede omdat zijn zoon Devadatta de Boeddha als zijn aartsvijand was gaan beschouwen.

Op een dag werd de koning dronken en blokkeerde de weg omdat hij wist dat de Boeddha zou komen voor aalmoezen. Toen de Boeddha en de monniken kwamen, weigerde Suppabuddha plaats te maken en stuurde hij een bericht met de mededeling: "Ik kan niet wijken voor de Boeddha, die zoveel jonger is dan ik." Toen zij ontdekten dat de weg geblokkeerd was, keerden de Boeddha en de monniken terug. De koning stuurde toen iemand om de Boeddha in het geheim te volgen en erachter te komen wat de Boeddha zei en om hem verslag daarover uit te brengen.

Toen de Boeddha zich omdraaide, zei hij tegen Ananda: "Omdat de koning heeft geweigerd plaats te maken voor een Boeddha, heeft hij een slechte wilsactie (kamma) verricht en zal hij binnenkort de gevolgen ervan onder ogen moeten zien."

Toen de koning op de hoogte werd gebracht van de voorspelling door de Boeddha, zei hij dat hij speciale voorzorgsmaatregelen zou nemen om te bewijzen dat de Boeddha ongelijk had. Verder droeg hij zijn mannen op om meer aandacht aan hem te besteden en ook waakzaam te zijn in hun taken.

Aan de Boeddha werd verteld over de instructies van de koning aan zijn mannen en hij zei: “Bhikkhus, of de koning nu in een toren woont, of hoog in de lucht, of in een oceaan, of in een grot, hij zal de gevolgen moeten ondergaan van zijn eigen daad."

Op de zevende dag, rond de tijd van de aalmoezenmaaltijd, werd het koninklijke paard bang om een onbekende reden en begon luid te hinniken en woedend in het rond te trappen. Toen de koning angstige geluiden van zijn paard hoorde, voelde hij dat hij zijn paard moest kalmeren. Hij vergat alle voorzorgsmaatregelen en liep naar de deur. De koning viel van de trap, stortte in, stierf en werd in een toestand van lijden geboren. Dus hoe hard hij ook zijn best deed, de dwaze koning kon niet ontsnappen aan de gevolgen van zijn slechte wilsactie (kamma).

128.         “Niet in de lucht, noch midden op de oceaan, niet in een berggrot wordt die plek op aarde gevonden waar men niet door de dood zal worden overwonnen.”


10. Danda vagga - De stok of straf

 Dhp. 129-145


Verhaal X:1 bij 129 (10:1) De monniken die ruzie maakten over een tempel - Doodt niet

Eens was een groep van monniken bezig met het poetsen van een gebouw in het Jetavana-klooster met de bedoeling er te gaan wonen. Maar zij werden onderbroken door een andere groep van monniken die ter plaatse waren aangekomen. De monniken die later waren gekomen, vertelden aan de eerste groep van monniken die het gebouw aan het schoonmaken waren: "Wij zijn ouder en langer dan jullie in de Orde, dus jullie kunnen ons maar beter alle eer betonen en voor ons wijken; wij gaan op deze plek wonen en niets zal ons ervan weerhouden."

De eerste groep van monniken verzette zich echter tegen de ongewenste indringing door de senior monniken en gaf niet toe aan hun eisen. Daarop werden zij door de senior monniken in elkaar  geslagen totdat zij de slagen niet meer konden verdragen en het uitschreeuwden van de pijn.

Het nieuws van de commotie had de Boeddha bereikt die, toen hij hoorde over de ruzie tussen de twee groepen monniken, hen vermaande en de disciplinaire regel vaststelde volgens welke monniken ervan af moeten zien om elkaar te kwetsen.

129.        “Allen beven bij de stok. Allen zijn bang voor de dood. Als men anderen met zichzelf vergelijkt, laat men niet slaan noch anderen ertoe aanzetten om te slaan.”


Verhaal X:2 bij 130 (10:2) De tweede ruzie - Het leven is dierbaar aan allen

Na het incident in het Jetavana-klooster maakten dezelfde twee groepen van monniken opnieuw ruzie over hetzelfde gebouw. Aangezien de regel met betrekking tot het lichamelijk pijn doen van anderen al was vastgelegd door de Boeddha, werd deze specifieke regel strikt nageleefd door beide groepen.

Maar deze keer maakte een van de twee groepen dreigende gebaren naar de andere groep, in die mate dat de monniken van die groep schreeuwden van angst. Nadat de Boeddha over deze dreigende houding van de monniken had gehoord, stelde hij de disciplinaire regel vast die het maken van dreigende gebaren naar elkaar verhinderde.

130.         “Allen beven bij de stok. Het leven is aan iedereen dierbaar. Als men anderen met zichzelf vergelijkt, laat men dan niet slaan noch anderen ertoe aanzetten om te slaan.”


Verhaal X:3 bij 131-132 (10:3-4) De jongelingen die een slang sloegen - Doodt niemand. Breng geen letsel toe

Eens was de Boeddha op een aalmoezenrondgang in Savatthi, toen hij meerdere jongens tegenkwam die een slang met stokken sloegen. Toen  zij werden gevraagd waarom zij dat deden, antwoordden de jongens dat zij de slang sloegen omdat zij bang waren dat de slang hen zou bijten.[233] De Boeddha vermaande hen: “Als jullie niet willen dat jullie letsel toegebracht wordt, dan moeten jullie ook anderen geen letsel toebrengen; als jullie anderen letsel toebrengen, zullen jullie geen geluk vinden, ook niet in jullie toekomstige bestaan."[234] 

Door het kwaad van haat waar te nemen en oplettend de vermaning van de Verlichte te overwegen, bereikten alle jongeren het eerste niveau van heiligheid.

131.         “Wie zijn eigen geluk zoekt en met de roede andere plezier-minnende wezens schade toebrengt, ervaart hierna geen geluk.”

132.         “Wie zijn eigen geluk zoekt en niet met roede ander plezier-minnende wezens schade toebrengt, ervaart geluk hierna.”


Verhaal X:4 bij 133-134 (10:5-6) De monnik en de fantoomvrouw (Kundadhana) - Spreek niet nors. Breng jezelf tot zwijgen

Vanaf de dag dat Kundadhana tot de Orde was toegelaten, werd hij altijd gevolgd door het visioen van een vrouw. Dit visioen werd door anderen gezien, maar Kundadhana zelf zag het niet en wist er dus niets van.

Als hij op een aalmoezenrondgang was, boden mensen hem twee volle lepels aan en zeiden: "Dit is voor u, eerwaarde heer, en dit is voor uw vrouwelijke metgezel." Omdat zij de monnik met een vrouw zagen rondgaan, meldden de mensen de kwestie aan koning Pasenadi van Kosala. Zij vroegen de koning om dit te onderzoeken. Dus ging de koning naar het klooster waar de monnik verbleef.

De monnik hoorde geluiden en stemmen, kwam naar buiten en bleef bij de deur staan. Het visioen verscheen ook, niet ver van de monnik. Hij wist dat de koning was gekomen en daarom ging de monnik de kamer binnen om op hem te wachten. Toen de koning de kamer binnenkwam, verdween het visioen. Bij ondervraging antwoordde de onschuldige monnik dat hij geen vrouw zag. De koning wilde er zeker van zijn en hij vroeg de monnik de kamer een tijdje te verlaten, maar toen de koning naar buiten keek, zag hij de vrouw weer. Toen de monnik evenwel terugkeerde naar de kamer, was de vrouw nergens te bekennen. De koning concludeerde dat de vrouw niet echt was en dat de monnik dus onschuldig moest zijn. Hij betoonde hem daarom eer en nodigde de monnik uit voor een maaltijd.

Toen andere monniken hiervan hoorden, waren zij verbaasd en zeiden tegen hem: “Monnik zonder moraal. Nu de koning, in plaats van jou te beschuldigen, jou heeft uitgenodigd voor een maaltijd, ben je gedoemd." Kundadhana antwoordde: “Alleen jullie zijn degenen zonder moraal; alleen jullie zijn gedoemd omdat jullie degenen zijn die met vrouwen omgaan."

Toen de kwestie aan de Boeddha werd gemeld, vermaande hij Kundadhana: “Mijn zoon, heb jij een vrouw gezien met de andere monniken dat je zo met hen hebt gesproken? Je hebt geen enkele vrouw bij hen gezien zoals zij er een met jou hebben gezien. Ik zie dat jij je niet realiseert dat je getroffen bent vanwege een slechte daad die je in een vorig bestaan hebt gedaan. Nu zal ik uitleggen waarom jij een beeld hebt van een vrouw die je volgt.

Jij was een deva in jouw laatste bestaan. In die tijd waren er twee monniken die erg aan elkaar gehecht waren. Maar jij probeerde problemen tussen die twee te veroorzaken door het uiterlijk van een vrouw aan te nemen en een van de monniken te volgen. Voor die slechte daad word jij nu gevolgd door het beeld van een vrouw. Dus, mijn zoon, maak in de toekomst geen ruzie meer met andere monniken; zwijg en streef ernaar om Nibbana te verwerkelijken."

133.         “Praat niet nors tegen iemand. Degenen die zo toegesproken worden, zullen vinnig antwoorden. Pijnlijk is inderdaad wraakzuchtige taal. Slagen in ruil daarvoor kunnen u kwetsen.”

134.         “Als jij jezelf, als een gebarsten gong, tot zwijgen brengt, heb jij al Nibbana bereikt:[235] er zal geen wraakzucht in jou gevonden worden.