Facetten van het Boeddhisme


naar Index

5.2.2.  Majjhima nikaya   


I. Mulapariyaya-vagga: M.1-10 (M.I.1-10)     II. Sīhanāda-vagga: M.11-20 (M.II.1-10)     III.Tatiya-vagga: M.21-30 (M.III.1-10)       IV. Mahāyamaka-vagga: M.31-40 (M.IV.1-10)     V. Cūlayamaka-vagga: M.41-50 (M.V.1-10)     VI. Gahapati-vagga: M.51-60 (M.VI.1-10)     VII. Bhikkhu-vagga: M.61-70 (M.VII.1-10)     VIII. Paribbājaka-vagga: M.71-80 (M.VIII.1-10)     IX. Rāja-vagga: M.81-90 (M.IX.1-10)     X. Brāhmana-vagga: M.91-100 (M.X.1-10)     XI. Devadaha-vagga: M.101-110 (M.XI.1-10)     XII. Anupada-vagga: M.111-120 (M.XII.1-10)     XIII. Suññata-vagga: M.121-130 (M.XIII.1-10)     XIV. Vibhanga-vagga: M.131-142 (M.XIV.1-12)     XV. Salāyatana-vagga: M.143-152 (M.XV.1-10)     Geraadpleegde bronnen

Copyright ©  2021 / 2564

Het is toegestaan om elektronisch of in gedrukte vorm fragmenten van deze compilatie of de compilatie in zijn geheel over te nemen voor eigen gebruik, of ook met als doel ze met anderen te delen, uitsluitend voor gratis verspreiding en zonder commercieel oogmerk.


Majjhima Nikāya

Inleiding

Na het eerste concilie werd aan de pupillen van de eerwaarde Sariputta - die zelf al vóór de Boeddha overleden was - gevraagd om zorg te dragen voor de Majjhima Nikāya.

        De collectie van de Majjhima Nikāya bevat 152 leerreden van gemiddelde lengte. Ze is verdeeld in 15 secties (vaggas) die gerangschikt zijn volgens onderwerp.[1] Elke sectie is verdeeld in 10 suttas, behalve de Vibhanga-vagga die 12 leerreden bevat. De suttas worden doorlopend genummerd. Anderen vermelden eerst het nummer van de vagga waarna het nummer van de sutta volgt.

De secties zijn:

I. Mūlapariyāya-vagga: M.1-10 (M.I.1-10)

M.1 (MN.I.1)

M.6 (MN.I.6)

M.2 (MN.I.2)

M.7 (MN.I.7)

M.3 (MN.I.3)

M.8 (MN.I.8)

M.4 (MN.I.4)

M.9 (MN.I.9)

M.5 (MN.I.5)

M.10 (MN.I.10)

II. Sīhanāda-vagga: M.1 1-20 (M.II.1-10)        

M.11 (MN.II.1)

M.16 (MN.II.6)

M.12 (MN.II.2)

M.17 (MN.II.7)

M.13 (MN.II.3)

M.18 (MN.II.8)

M.14 (MN.II.4)

M.19 (MN.II.9)

M.15 (MN.I.5)

M.20 (MN.II.10)

III. Tatiya-vagga: M.21-30 (M.III.1-10)                

M.21 (MN.III.1)

M.26 (MN.III.6)

M.22 (MN.III.2)

M.27 (MN.III.7)

M.23 (MN.III.3)

M.28 (MN.III.8)

M.24 (MN.III.4)

M.29 (MN.III.9)

M.25 (MN.III.5)

M.30 (MN.III.10)

IV. Mahāyamaka-vagga: M.31-40 (M.IV.1-10)        

M.31 (MN.IV.1)

M.36 (MN.IV.6)

M.32 (MN.IV.2)

M.37 (MN.IV.7)

M.33 (MN.IV.3)

M.38 (MN.IV.8)

M.34 (MN.IV.4)

M.39 (MN.IV.9)

M.35 (MN.IV.5)

M.40 (MN.IV.10)

V. Cūlayamaka-vagga: M.41-50 (M.V.1-10)        

M.41 (MN.V.1)

M.46 (MN.V.6)

M.42 (MN.V.2)

M.47 (MN.V.7)

M.43 (MN.V.3)

M.48 (MN.V.8)

M.44 (MN.V.4)

M.49 (MN.V.9)

M.45 (MN.V.5)

M.50 (MN.V.10)

VI. Gahapati-vagga: M.51-60 (M.VI.1-10)        

M.51 (MN.VI.1)

M.56 (MN.VI.6)

M.52 (MN.VI.2)

M.57 (MN.VI.7)

M.53 (MN.VI.3)

M.58 (MN.VI.8)

M.54 (MN.VI.4)

M.59 (MN.VI.9)

M.55 (MN.VI.5)

M.60 (MN.VI.10)

VII. Bhikkhu-vagga: M.61-70 (M.VII.1-10)        

M.61 (MN.VII.1)

M.66 (MN.VII.6)

M.62 (MN.VII.2)

M.67 (MN.VII.7)

M.63 (MN.VII.3)

M.68 (MN.VII.8)

M.64 (MN.VII.4)

M.69 (MN.VII.9)

M.65 (MN.VII.5)

M.70 (MN.VII.10)

VIII. Paribbājaka-vagga: M.71-80 (M.VIII.1-10)        

M.71 (MN.VIII.1)

M.76 (MN.VIII.6)

M.72 (MN.VIII.2)

M.77 (MN.VIII.7)

M.73 (MN.VIII.3)

M.78 (MN.VIII.8)

M.74 (MN.VIII.4)

M.79 (MN.VIII.9)

M.75 (MN.VIII.5)

M.80 (MN.VIII.10)

IX. Rāja-vagga: M.81-90 (M.IX.1-10)        

M.81 (MN.IX.1)

M.86 (MN.IX.6)

M.82 (MN.IX.2)

M.87 (MN.IX.7)

M.83 (MN.IX.3)

M.88 (MN.IX.8)

M.84 (MN.IX.4)

M.89 (MN.IX.9)

M.85 (MN.IX.5)

M.90 (MN.IX.10)

X. Brāhmana-vagga: M.91-100 (M.X.1-10)        

M.91 (MN.X.1)

M.96 (MN.X.6)

M.92 (MN.X.2)

M.97 (MN.X.7)

M.93 (MN.X.3)

M.98 (MN.X.8)

M.94 (MN.X.4)

M.99 (MN.X.9)

M.95 (MN.X.5)

M.100 (MN.X.10)

XI. Devadaha-vagga: M.101-110 (M.XI.1-10)        

M.101 (MN.XI.1)

M.106 (MN.XI.6)

M.102 (MN.XI.2)

M.107 (MN.XI.7)

M.103 (MN.XI.3)

M.108 (MN.XI.8)

M.104 (MN.XI.4)

M.109 (MN.XI.9)

M.105 (MN.XI.5)

M.110 (MN.XI.10)

XII. Anupada-vagga: M.111-120 (M.XII.1-10)        

M.111 (MN.XII.1)

M.116 (MN.XII.6)

M.112 (MN.XII.2)

M.117 (MN.XII.7)

M.113 (MN.XII.3)

M.118 (MN.XII.8)

M.114 (MN.XII.4)

M.119 (MN.XII.9)

M.115 (MN.XII.5)

M.120 (MN.XII.10)

XIII. Suññata-vagga: M.121-130 (M.XIII.1-10)        

M.121 (MN.XIII.1)

M.126 (MN.XIII.6)

M.122 (MN.XIII.2)

M.127 (MN.XIII.7)

M.123 (MN.XIII.3)

M.128 (MN.XIII.8)

M.124 (MN.XIII.4)

M.129 (MN.XIII.9)

M.125 (MN.XIII.5)

M.130 (MN.XIII.10)

XIV. Vibhanga-vagga: M.131-142 (M.XIV.1-12)        

M.131 (MN.XIV.1)

M.137 (MN.XIV.7)

M.132 (MN.XIV.2)

M.138 (MN.XIV.8)

M.133 (MN.XIV.3)

M.139 (MN.XIV.9)

M.134 (MN.XIV.4)

M.140 (MN.XIV.10)

M.135 (MN.XIV.5)

M.141 (MN.XIV.11)

M.136 (MN.XIV.6)

M.142 (MN.XIV.12)

XV. Salāyatana-vagga: M.143-152 (M.XV.1-10)        

M.143 (MN.XV.1)

M.148 (MN.XV.6)

M.144 (MN.XV.2)

M.149 (MN.XV.7)

M.145 (MN.XV.3)

M.150 (MN.XV.8)

M.146 (MN.XV.4)

M.151 (MN.XV.9)

M.147 (MN.XV.5)

M.152 (MN.XV.10)

        Volgens Horner zijn de 152 suttas verdeeld in drie secties (pannāsa) van elk 50 toespraken. Alleen de laatste sectie bestaat dan uit 52 toespraken. Misschien moet het Bhaddekaratta sutta (no. 131) als één sutta beschouwd worden, en de Ānanda-, Mahākaccāna-en Lomasakangiya-bhaddekaratta suttas samen als één sutta in plaats van drie.[2]

        De meeste voetnoten zijn ontleend aan de vertalingen van Kay Zumwinkel.[3]

I. Mūlapariyāya-vagga (M.1-10) (M.I. 1-10)

        Staten van bewustzijn. De 24 categorieën van alle verschijnselen. De verwijdering van de onzuiverheden van de geest. Onzuivere gedachten brengen iemand schade en gevaar. De vier soorten mensen. Hoe deugdzaamheid, concentratie en wijsheid ontwikkeld moeten worden. De onreine en de reine geest. Verkeerde en juiste inzichten. Wilsacties en het resultaat ervan. De grondslagen van oplettendheid.[4]

M.1. (M.I.1). Mūlapariyāya sutta

        De wortel van alle verschijnselen is grijpen, hechten samen met onwetendheid.

        Te Ukkatthā. Een niet onderwezen mens neemt aarde, water vuur, lucht, de natuur als zijn eigen. En ook goden, Sakka, Brahmā en de andere hemelse wezens neemt hij als zijn eigen. “Ze zijn van mij,” zo denkt hij. En ook de onbegrensde ruimte en de sfeer van onbegrensd bewustzijn en de overige jhanas van onstoffelijk gebied neemt hij als zijn eigen. Wat hij ziet, hoort, denkt, dat beschouwt hij als zijn eigen. “Dat is van mij.” En hij verheugt zich erover.

        Wie streeft naar de bevrijding, voor hem is de aarde als aarde. Maar hij beschouwt ze niet als “mijn”. En ook voor de volmaakte heilige is de aarde als aarde, maar ze is niet “mijn”. En wel omdat hij zonder begeerte is, vol weten; omdat hij zonder haat is; omdat hij zonder onwetendheid is.

        Deze preek werd gericht tot enkele monniken die voordien brahmanen waren. Zij waren hoogmoedig en trots vanwege wat zij geleerd hadden. Zij konden de subtiele metafysische bijgedachten ervan niet vatten.

M.1. (M.1.1). De wortel van alle dingen

        

        Eens vertoefde de Verhevene te Ukkhattha in het Subhaga bosje, aan de voet van een koninklijke salaboom. Daar sprak hij tot de bhikkhus als volgt.

        "Bhikkhus,ik zal tot jullie spreken over de wortels van alle dingen. Luistert goed en opmerkzaam.” – “Jawel, heer.”

(De wereldling)[5]

        "Bhikkhus, een niet onderwezen wereldling,[6] die geen acht slaat op de edelen of op oprechte mensen, en de leer van hen niet navolgt, die er niet in geschoold is, hij neemt het aarde-element als aarde-element waar.[7] Hij maakt zich er een voorstelling van, is van mening dat het hem toebehoort, en schept er behagen in. De reden is dat hij het niet volledig heeft doorzien.

        Evenzo met het water-element, het vuur-element, het wind-element, wezens,[8] hemelse wezens,[9] Pajapati,[10] Brahma,[11] hemelse wezens van overstromende glans,[12] hemelse wezens van de stralende heerlijkheid,[13] hemelse wezens van het grote gevolg,[14] de overwinnaar, het gebied van oneindigheid van ruimte, het gebied van oneindigheid van bewustzijn, het gebied van nietsheid, en het gebied van noch waarneming noch niet waarneming.

        Hij neemt het geziene als het geziene waar, hij maakt zich er een voorstelling van, is van mening dat het hem toebehoort en schept er behagen in. De reden is dat hij het niet volledig heeft doorschouwd.

        Evenzo is het met het gehoorde, het ondervondene,[15] het vernomene, eenheid, veelvuldigheid, alles, Nibbana.[16]

(Iemand in hogere scholing)

        "Bhikkhus, iemand in hogere scholing,[17] wiens geest het doel nog niet heeft bereikt en die nog streeft naar de hoogste zekerheid tegen het geboeid zijn, hij onderkent het aarde-element direct als aarde-element.[18] Als hij dat onderkent heeft, moet hij zich er geen voorstelling van maken.[19] Hij moet niet menen: 'Het is van mij.' Hij moet er geen behagen in scheppen. En waarom? Opdat hij het volledig moge doorschouwen.”

        Evenzo met het water-element, het vuur-element, het wind-element, wezens, hemelse wezens, Pajapati, Brahma, hemelse wezens van overstromende glans, hemelse wezens van stralende heerlijkheid, hemelse wezens van het grote gevolg, de overwinnaar, het gebied van oneindigheid van ruimte, het gebied van oneindigheid van bewustzijn, het gebied van nietsheid, het gebied van noch waarneming noch niet waarneming.

        Hij neemt het geziene als het geziene waar, hij maakt zich er een voorstelling van, is van mening dat het hem toebehoort en schept er behagen in. De reden is dat hij het niet volledig heeft doorschouwd.

        Evenzo is het met het gehoorde, het ondervondene, het vernomene, eenheid, veelvuldigheid, alles, Nibbana.

(De Arahant – I)

        "Bhikkhus, iemand die een Arahant is, met vernietigde neigingen, die het heilige leven heeft geleefd, die gedaan heeft wat gedaan moet worden, die de last heeft afgelegd, die het ware doel heeft bereikt, die de boeien van het bestaan heeft verwoest, en die door uiteindelijk inzicht volledig bevrijd is, hij onderkent het aarde-element direct als aarde-element. Hij maakt er zich geen voorstelling van,[20] hij is niet van mening 'het aarde-element is van mij,' hij schept er geen behagen in.

        En waarom? Omdat hij het volledig heeft doorschouwd.”[21]

        Evenzo met het water-element, het vuur-element, het wind-element, wezens, hemelse wezens, Pajapati, Brahma, hemelse wezens van overstromende glans, hemelse wezens van de stralende heerlijkheid, hemelse wezens van het grote gevolg, de overwinnaar, het gebied van de oneindigheid van ruimte, het gebied van de oneindigheid van bewustzijn, het gebied van nietsheid, het gebied van noch waarneming noch niet waarneming, het geziene, het gehoorde, het ondervondene, het vernomene, eenheid, veelvuldigheid, alles, Nibbana.

(De Arahant -II)

        "Bhikkhus, een Arahant maakt zich geen voorstelling van het aarde-element. Hij is niet van mening 'het aarde-element is van mij.' Hij schept er geen behagen in. En waarom? Omdat hij vrij is van begeerte, omdat begeerte vernietigd is.”[22]

        Evenzo met het water-element, het vuur-element, het wind-element, wezens, hemelse wezens, Pajapati, Brahma, hemelse wezens van overstromende glans, hemelse wezens van de stralende heerlijkheid, hemelse wezens van het grote gevolg, de overwinnaar, het gebied van de oneindigheid van ruimte, het gebied van de oneindigheid van bewustzijn, het gebied van nietsheid, het gebied van noch waarneming noch niet waarneming, het geziene, het gehoorde, het ondervondene, het vernomene, eenheid, veelvuldigheid, alles, Nibbana.

(De Arahant – III en IV)

        Bhikkhus, een Arahant maakt zich geen voorstelling van het aarde-element. Hij is niet van mening 'het aarde-element is van mij.' Hij schept er geen behagen in. En waarom? Omdat hij vrij is van afkeer, omdat afkeer vernietigd is. En ook omdat hij vrij is van onwetendheid, omdat onwetendheid vernietigd is.”

        Evenzo met het water-element, het vuur-element, het wind-element, wezens, hemelse wezens, Pajapati, Brahma, hemelse wezens van overstromende glans, hemelse wezens van de stralende heerlijkheid, hemelse wezens van het grote gevolg, de overwinnaar, het gebied van de oneindigheid van ruimte, het gebied van de oneindigheid van bewustzijn, het gebied van nietsheid, het gebied van noch waarneming noch niet waarneming, het geziene, het gehoorde, het ondervondene, het vernomene, eenheid, veelvuldigheid, alles, Nibbana.

(De Tathagata -I)

        "Bhikkhus, de Tathagata,[23] de Verlichte, de Volmaakt Ontwaakte, onderkent het aarde-element direct als aarde-element. Hij maakt zich er geen voorstelling van, is niet van mening 'het aarde-element is van mij.' Hij schept er geen behagen in. En waarom? Omdat de Tathagata het volledig tot aan het einde heeft doorschouwd.”[24]

        Hij onderkent het water-element, het vuur-element, het wind-element, wezens, hemelse wezens, Pajapati, Brahma, hemelse wezens van overstromende glans, hemelse wezens van de stralende heerlijkheid, hemelse wezens van het grote gevolg, de overwinnaar, het gebied van de oneindigheid van ruimte, het gebied van de oneindigheid van bewustzijn, het gebied van nietsheid, het gebied van noch waarneming noch niet waarneming, het geziene, het gehoorde, het ondervondene, het vernomene, eenheid, veelvuldigheid, alles, Nibbana.

(De Tathagata -II)

        "Bhikkhus, de Tathagata, de Verlichte, de Volmaakt Ontwaakte, onderkent het aarde-element direct als aarde-element. Hij maakt zich er geen voorstelling van, is niet van mening 'het aarde-element is van mij.' Hij schept er geen behagen in. En waarom? Omdat de Tathagata begrepen heeft dat behagen scheppen de wortel van dukkha is en dat er met worden (als voorwaarde) geboorte, en voor alles wat geworden is, ouderdom en dood zal zijn.[25] Daarom is de Tathagata door de volledige vernietiging en door het opgeven, het beëindigen en loslaten van begeerte tot de hoogste Verlichting ontwaakt.”

        Evenzo met het water-element, het vuur-element, het wind-element, wezens, hemelse wezens, Pajapati, Brahma, hemelse wezens van overstromende glans, hemelse wezens van de stralende heerlijkheid, hemelse wezens van het grote gevolg, de overwinnaar, het gebied van de oneindigheid van ruimte, het gebied van de oneindigheid van bewustzijn, het gebied van nietsheid, het gebied van noch waarneming noch niet waarneming, het geziene, het gehoorde, het ondervondene, het vernomene, eenheid, veelvuldigheid, alles, Nibbana.

        Bhikkhus, de Tathagata, de Verlichte, de Volmaakt Ontwaakte, maakt zich er geen voorstelling van, is niet van mening 'dat alles is van mij.' Hij schept er geen behagen in. En waarom? Omdat de Tathagata begrepen heeft dat behagen scheppen de wortel van dukkha is en dat er met worden (als voorwaarde) geboorte, en voor alles wat geworden is, ouderdom en dood zal zijn. Daarom is de Tathagata door de volledige vernietiging en door het opgeven, het beëindigen en loslaten van begeerte tot de hoogste Verlichting ontwaakt.”

        Zo sprak de Verhevene. Maar die Bhikkhus waren niet blij met de woorden van de Verhevene.[26]


        Het sutta stelt dat alle termen slechts conventionele symbolen zijn. Zij onthullen de werkelijkheid niet. Er is geen verschil tussen de gewone mens van de wereld, de gedisciplineerde mens die nog moet leren, de in de stroom getredene en de Arahant wat betreft het gebruik van woorden in de dagelijkse betekenis ervan. Het verschil ligt in het feit dat de mens van de wereld ze als werkelijkheid beschouwt, terwijl de Arahant de ware natuur ervan heeft verwerkelijkt als leeg, verstoken van een eigenheid. En daarom is de eerste eraan gehecht, en de laatste niet. Ook de heiligen van de verschillende niveaus zijn in staat er niet aan gehecht te zijn in overeenstemming met de graad van hun geestelijke ontwikkeling.[27]

M.2. (M.I.2). Sabbāsava sutta

        Te Savatthi. Over de verwijdering van de kankers, de smetten die de verwerkelijking van de Verlichting hinderen.[28] In deze preek wordt onderwezen hoe de onzuiverheden van de geest gereinigd kunnen worden. Er worden zeven methoden geleerd: (1) juiste overweging; (2) beheersing van de zinnen; (3) oplettendheid wat betreft het juiste doel bij het gebruik van de vier benodigdheden; (4) verdraagzaamheid; (5) het vermijden van kwade dingen van een afstand; (6) niet toestaan dat een slechte gedachte ontstaat; en (7) de beoefening van de factoren van oplettendheid, het zoeken naar waarheid, energie, vervoering, gemak, concentratie en gelijkmoedigheid.[29]

M.2. (M.I.2). Sabbāsava sutta

        

        Nabij Sāvatthi, in het park van Anāthapindika. De Boeddha sprak er de monniken toe over het opgeven van de neigingen, over het verdwijnen van alle waan, door juiste oplettendheid.

        Een gewoon mens die niets over de leer vernomen heeft, kent niet wat oplettendheid waard is. Hij let op het onwaardige, namelijk op datgene waardoor nieuwe wensen opkomen en oude wensen sterker worden en waardoor oude waan sterker wordt.

        Hij denkt: “Was ik in het verleden of was ik niet in het verleden? Zal ik in de toekomst zijn of niet? Wat ben ik in het verleden geweest en wat zal ik in de toekomst zijn? Hoe zal ik in de toekomst zijn?”

        Of hij denkt: “Ben ik nu, of ben ik niet? Wat ben ik? Wie ben ik? Vanwaar ben ik gekomen en waarheen ga ik?” En hij komt tot de conclusie dat hij een ziel heeft, of dat hij geen ziel heeft.

        Maar de ervaren monnik is kundig in de leer. Hij weet wat oplettendheid waard is en wat niet. Er komen geen nieuwe wensen op en oude wensen worden vernietigd. Hij overweegt de vier edele waarheden (lijden, ontwikkeling van lijden, opheffing van lijden, het pad naar opheffing van lijden). En hij gelooft niet meer aan persoonlijkheid, is vrij van twijfel, en hecht niet meer aan deugdzame daden.

        Hij oefent oplettendheid bij het zien, horen, ruiken, proeven, aanraken, denken.

        Voor de monnik geldt verder nog oplettendheid bij het gebruik van het gewaad. Het is om te beschermen tegen koude en hitte, tegen wind en regen, tegen muggen en wespen en kruipende insecten, en om de schaamte te bedekken. De aalmoezen (maaltijd) gebruikt hij alleen om zijn lichaam in stand te houden, om schade te voorkomen, om een heilig leven te kunnen leiden.

        De woonplek is er alleen om zich te beschermen tegen koude en hitte, tegen wind en weer, tegen muggen en wespen en kruipende insecten, om de ongunstige invloeden van de jaargetijden te ontwijken, om rust te kunnen genieten.

        De medicijnen gebruikt hij oplettend in geval van ziekte.

        Geduldig verdraagt hij koude en hitte, honger en dorst, wind en weer, muggen en wespen en kruipende insecten, roddelpraat of scheldwoorden, en lichamelijke pijnlijke gevoelens. Dat alles verdraagt hij geduldig.

        Hij vlucht voor een woedende olifant, een woedend paard, een woedende stier, een woedende hond. Hij vlucht voor slangen. Hij vermijdt gerode grond, doornstruiken, kloven, poelen en moerassen, oorden die niet deugen. Hij vermijdt ook vrienden die niet deugen.

        Met inspanning moet het volgende overwonnen worden. Nieuw opgekomen verlangens verdrijft hij, en evenzo woede, haat, afkeer.

        Hij beoefent inzicht en diepzinnigheid, vredigheid, zachtheid, inzicht.

        Wie dat alles heeft gedaan, heeft de volmaakte heiligheid bereikt.

M.3. (M. I.3.). Dhammadāyāda sutta

        Dit sutta bevat twee afzonderlijke toespraken, een door de Boeddha en een door de eerwaarde Sariputta.

        De monniken worden aangespoord om het belang van de Dhamma te verwerkelijken en dat lichamelijke behoeften niet belangrijk zijn.[30]

M.3. (M. I.3.). Dhammadāyāda sutta

        

        Te Sāvatthi in het park van Anāthapindika. De Boeddha onderwees er de monniken. Zij zijn erfgenamen van de leer. Als na het middagmaal nog een rest over is, en er komen twee monniken met honger en verzwakt, en als dan de Verhevene hen uitnodigt met de woorden: “Ik heb genoeg gegeten. Er is nog iets over. Neemt dat als u wilt. Anders ledig ik de nap op grasvrije grond of in stromend water.”

        De ene monnik, hoewel hongerig en verzwakt, dacht eraan dat hij erfgenaam van de leer is, en hij wachtte met de maaltijd tot de volgende dag. De andere monnik nam de aangeboden rest van de maaltijd aan en at ze op.

        “Monniken, de laatste monnik mocht dat eten zonder bezwaar nuttigen. Maar de eerste monnik is waardiger en voortreffelijker.”

        Daarna nam de eerwaarde Sāriputta het woord. Hij onderwees hen aldus:

        “Als de meester zich heeft teruggetrokken, hoe beoefenen de monniken dan de eenzaamheid en hoe beoefenen zij die niet? – De eenzaamheid wordt niet beoefend als men niet verwerpt wat als verwerpelijk is aangeduid. Als men veeleisend wordt en opdringerig, als men gezelschap zoekt, als men de eenzaamheid als last ontvlucht.

        Maar hoe beoefent men de eenzaamheid wel? – Als men verwerpt wat als verwerpelijk aangeduid is; als men niet veeleisend is, niet opdringerig wordt, als men gezelschap ontvlucht als last.

        Begeerte is niet goed. Er is een middenweg om begeerte te ontvluchten. Die middenweg is het edele achtvoudige pad: juist inzicht, juist denken, juist taalgebruik, juist handelen, juiste inspanning, juiste oplettendheid, juiste concentratie.

        Toorn is niet goed. Onenigheid, afgunst, egoïsme, bedrog en list, starheid en overbezorgdheid,

hoogmoed, eigenwaan, traagheid, nalatigheid zijn niet goed.

M.4. (M.I.4) Bhayabherava sutta

        Beschrijving hoe een monnik een eenzaam leven leidde in een afgelegen bos, maar zichzelf schade en gevaar toebracht door zijn onzuivere gedachten, woorden en daden.

        De Boeddha vertelt hier zijn ervaringen toen hij in een veraf gelegen eenzaam bos vertoefde tijdens de vroege dagen[31] van zijn zoektocht naar Verlichting. Hij vertelt er hoe hij overweldigd werd door angst en vrees en hoe hij ze overwon en de Verlichting bereikte. Ook als een Boeddha hield hij ervan op een eenzame plek te vertoeven en wel om twee redenen: voor zijn eigen vrede en om een voorbeeld te stellen voor het nageslacht.

M.4. (M.I.4) Bhayabherava sutta. Vrees en angst

        

        Te Sāvatthi, in het Jetavana-klooster van Anāthapindika. Jānussoni, een brahmaan, bezocht er de Boeddha en zei tot hem: “De monniken hier hebben hun huis verlaten en zijn nu volgelingen van de Verhevene. Maar diep in het bos, op eenzame, afgelegen oorden te leven, is moeilijk. Iemand die zich niet kan beheersen, die geen zelfbeheersing heeft, moet er beslist angstig worden.”

        “Zo is het, brahmaan. Ook ik was bang toen ik de volmaakte Verlichting nog niet bereikt had. Maar ik overwoog dat ik zuiver handelde. En mijn welgevallen aan het leven in het bos nam toe.

        En ik overwoog dat ik zuivere taal gebruik, dat mijn denken zuiver is, dat ik een zuiver karakter heb. Ik overwoog dat ik niet begerig was, geen hevige wensen had, dat ik geen haat of afkeer had, niet verbitterd was. Ik voelde medelijden. En ik was niet mat en moe. Ik was niet opgewonden, was niet onrustig in de geest. Ik was niet twijfelachtig, had geen onzekere geest. Ik was zeker van mijn zaak. Ik kende geen eigen lof en geen berisping van anderen. Ik was niet hoogmoedig, verachtte anderen niet. Ik kende geen sidderen en geen schromen. Ik verlangde niet naar gaven, eer en aanzien. Ik was bescheiden. Ik was niet gebroken en moedeloos. Ik was standvastig. Mijn gemoed was niet verstoord, niet troebel. Mijn gemoed was helder. Mijn geest was niet rusteloos en verstrooid. Ik was beheerst. Ik was niet dwaas en stompzinnig. Ik was wijs. En mijn welgevallen aan het leven in het bos nam toe.

        En ik ging naar grafheuvels in parken, in bossen, onder bomen. Daar vertoefde ik. Ik wilde er de angst en vrees ondervinden. En die angst en vrees kwam toen ik er heen en weer liep, toen ik zat, lag, stil stond. En ik overwon die angst en vrees.

        Van mij kan men terecht zeggen dat een wezen zonder waan in de wereld is verschenen, tot heil en zegen voor goden en mensen.

        Standvastig verdroeg ik het, zonder weifelen, met heldere geest, met het lichaam stil, zonder beweging, met beheerst gemoed, geconcentreerd. Ik vertoefde er in de eerste jhana, die met nadenken en overwegen verbonden is en een zalige blijheid heeft.

        Hierna verkreeg ik de eenheid van het gemoed, vrij van nadenken, de tweede jhana, door concentratie ontstaan.

        Gelijkmoedig vertoefde ik in de rust, helder bewust, en ik ondervond in het lichaam geluk. Dit was de derde jhana.

        Na het opgeven van vreugde en lijden, na vernietiging van blijdschap en droefenis, bereikte ik de vierde jhana die vrij is van leed, vrij van vreugde. Ik vertoefde gelijkmoedig, volkomen zuiver.

        Het gemoed richtte ik toen op de herinnering aan vroegere vormen van bestaan. Ik herinnerde mij aan veel verschillende vroegere vormen van bestaan, aan één leven, aan 2, 3, 4, 5, 10, 20, 30, 40, 50, 100 levens, 1000, 100.1000 levens. Ik herinnerde mij de tijden van vele wereldontstaan en vele wereldvergaan. Ik herinnerde mij welke naam ik er had, tot welke familie ik behoorde, tot welke stand (kaste) is behoorde, welk beroep ik uitoefende, wat ik er ondervond aan wel en wee, hoe mijn levenseinde was, en waar ik wedergeboren werd. Ik herinnerde mij aan vele vroegere vormen van bestaan, met de details ervan. Dit weten verkreeg ik in de eerste uren van de nacht.

        En ik richtte het gemoed op het verdwijnen en weer verschijnen van wezens. Met het hemelse oog zag ik hoe de wezens wedergeboren worden overeenkomstig hun daden. Dit weten verkreeg ik in de middelste uren van de nacht.

        Ik richtte het gemoed op de kennis van de opdroging van waan. Dit is lijden; dit is de ontwikkeling van lijden; dit is de opheffing van lijden; dit is het pad dat leidt naar de opheffing van lijden.

        Dit is onwetendheid. Dit is de ontwikkeling van onwetendheid. Dit is de opheffing van onwetendheid. Dit is het pad dat leidt naar de opheffing van onwetendheid.

        Met dit inzicht, deze kennis werd mijn gemoed bevrijd van de waan om te wensen, bevrijd van de waan om te bestaan, bevrijd van niet-weten. Het inzicht ontstond: dit is de bevrijding, geboorte is opgedroogd, het ascetendom is voltooid, gedaan is wat gedaan moest worden. Dit weten kreeg ik in de laatste uren van de nacht.

        Er zijn, brahmaan, twee redenen waarom ik diep in het bos naar afgelegen oorden ga: 1) mijn eigen welbevinden, en 2) het medelijden met degenen die mij volgen.

M.5. (M.I.5) Anangana sutta

        Toespraak van de eerwaarde Sāriputta tot de monniken. Hij spreekt er over vier soorten mensen: (1) Degenen die slecht zijn en die zich er niet van bewust zijn. (2) Degenen die slecht zijn en die zich ervan bewustzijn. (3) Degenen die goed zijn en zich er niet van bewust zijn. (4) Degenen die goed zijn en die zich ervan bewust zijn.

           Van dezen is de eerste soort het ergste; en de laatste het beste. Op het einde van de toespraak sprak de eerwaarde Mahā Moggallāna zijn goedkeuring voor de leerrede uit.[32]

           De eerwaarden Sāriputta en Moggallāna spreken over het bereiken van de bevrijding van de smetten.[33]

M.5. (M.I.5) Anangana sutta. Schuldig – onschuldig

        

        Te Sāvatthi, in het park van Anāthapindika. De eerwaarde Sāriputta sprak er de monniken toe. “Er zijn vier soorten mensen[34] in de wereld. (1) Iemand heeft een smet, een fout, is schuldig en ziet niet in dat hij een smet heeft, dat hij schuldig is; (2) iemand heeft een smet, is schuldig en ziet in dat hij een smet heeft, dat er schuld bij hem is; (3) iemand heeft geen smet, is onschuldig en ziet niet in dat hij geen smet heeft, dat hij geen schuld heeft; (4) iemand heeft geen smet, is onschuldig en ziet in dat hij geen smet heeft, dat hij onschuldig is.

1] Hij is de slechtere van degenen die gelijke smet, gelijke schuld hebben.

2] Hij is de betere van degenen die gelijke smet, gelijke schuld hebben.

3] Hij is de slechtere van degenen die geen smet hebben, die gelijke onschuld hebben.

4] Hij is de betere van degenen die geen smet hebben, die gelijke onschuld hebben.”

        Hierna vroeg de eerwaarde Mahāmoggallana waarom de een slechter en de ander beter is.

        ad 1. Van hem kan verwacht worden dat hij niet gedwee wordt, zich niet zal inspannen, geen kracht zal hebben om zich van zijn smet te ontheffen. Van hem kan men verwachten dat hij met begeerte, haat en onwetendheid, met een onzuiver gemoed zal sterven.

        ad 2. Van hem kan verwacht worden dat hij gedwee wordt, zich zal inspannen, kracht zal hebben om zich van zijn smet te ontheffen. Van hem kan men verwachten dat hij zonder begeerte, haat en onwetendheid, met een zuiver gemoed zal sterven.

        ad 3. Van hem kan verwacht worden dat zijn gemoed vol begeerte, haat en onwetendheid geraakt en dat hij met een onzuiver gemoed zal sterven.

        ad 4. Van hem kan verwacht worden dat zijn gemoed niet vol begeerte, haat en onwetendheid geraakt en dat hij met een zuiver gemoed zal sterven.

        En wat verstaat men onder smet, wat verstaat men onder schuld? – Onder smet, onder schuld verstaat men de sferen van slechte, onheilzame wensen.         

        Misschien denkt een monnik: “Als ik een fout begaan heb, hoeven anderen dat niet te weten.” Als zij dan te weten komen dat hij een fout heeft begaan, wordt hij verbitterd en misnoegd. Dat is dan een smet. Dat is dan schuld.

        Misschien denkt een monnik: “Als ik een fout begaan heb, dan hoop ik dat de medemonniken mij in het geheim een verwijt maken en niet dat openlijk een verwijt gemaakt wordt door de andere monniken.” Als zij hem dan openlijk een verwijt maken dat hij een fout heeft begaan, wordt hij verbitterd en misnoegd. Dat is dan een smet. Dat is dan schuld.

        Misschien heeft een monnik een fout begaan en denkt hij: “Laat een vriend mij terechtwijzen, niet een andere monnik.” Als dan een andere monnik hem terechtwijst, wordt hij verbitterd en misnoegd. Dat is dan een smet. Dat is dan schuld.

        Misschien denkt een monnik: “Moge toch de meester in een dialoog met mij de leer aan de monniken uitleggen, en niet met een andere monnik.” Als de meester dan met een andere monnik in een dialoog de leer aan andere monniken uitlegt, wordt hij verbitterd en misnoegd. Dat is dan een smet. Dat is dan schuld.

        Misschien denkt een monnik: “Bij de aalmoezengang naar het dorp moeten de monniken mij aan het begin plaatsen, en niet een andere monnik.” Als de monniken dan een andere monnik aan het hoofd van de aalmoezengang plaatsen, wordt hij verbitterd en misnoegd. Dat is dan een smet. Dat is dan schuld.

        Misschien denkt een monnik: “Moge ik toch bij de maaltijd de beste plaats, het beste water, het beste eten krijgen, en niet iemand anders.” Als dat niet gebeurt, wordt hij verbitterd en misnoegd. Dat is dan een smet. Dat is dan schuld.

        Misschien denkt een monnik: “Moge alleen ik en niet iemand anders voldoende te eten krijgen. Als dat niet gebeurt, wordt hij verbitterd en misnoegd. Dat is dan een smet. Dat is dan schuld.

        Misschien denkt een monnik: “Als de monniken of de nonnen of de mannelijke en vrouwelijke lekenvolgelingen het park bezoeken, moet het alleen mijn zaak zijn de leer uit te leggen, en niet die van iemand anders.” Als dat niet gebeurt, wordt hij verbitterd en misnoegd. Dat is dan een smet. Dat is dan schuld.

        Misschien denkt een monnik: “Mij moeten de monniken of de mannelijke en vrouwelijke lekenvolgelingen hoogachten, waardig vinden, achten en eren, niet iemand anders.” Als dat niet gebeurt, wordt hij verbitterd en misnoegd. Dat is dan een smet. Dat is dan schuld.

        Misschien denkt een monnik: “Men moet aan mij een voortreffelijk gewaad geven, en niet aan iemand anders.” Als dat niet gebeurt, wordt hij verbitterd en misnoegd. Dat is dan een smet. Dat is dan schuld.

        Misschien denkt een monnik: “Men moet aan mij voortreffelijk eten, een goede slaapplaats, ingeval van ziekte goede medicijnen geven, en niet aan een andere monnik.” Als dat niet gebeurt, wordt hij verbitterd en misnoegd. Dat is dan een smet. Dat is dan schuld.

        Als bij een monnik deze slechte, verderfelijke zintuiglijke wensen onverzwakt voorkomen, dan wordt hij – ook als hij alleen in het bos vertoeft of als hij een zwijgzame bedelaar van brokken is, bekleed met een zelf genaaid gewaad van stukken stof,[35] - door zijn medebroeders in de Orde niet hoog geacht, niet waardig gevonden, niet geacht, niet geëerd.

        Een monnik bij wie deze slechte, verderfelijke zintuiglijke wensen zich niet meer uiten, hij wordt hooggeacht, waardig gehouden, geacht en geëerd."

        De eerwaarde Maha Moggallana zei daarop aan de eerwaarde Sāriputta: “Er zijn mensen die onwillig, uit noodzaak, niet uit vertrouwen, in de Orde zijn ingetreden, huichelaars, schijnheiligen, drukke praatjesmakers. Zij hoeden de poorten van de zintuigen slecht, zijn afgekeerd van de waakzaamheid, zij zijn onverschillig t.o.v. het ascetendom, nalatig in de plicht van de Orde, veeleisend, opdringerig. Zij zoeken gezelschap, ontvluchten eenzaamheid als lastige last.[36]

        Maar er zijn ook edele zonen die vol vertrouwen het huis verlaten en in de Orde intreden. Zij zijn geen huichelaars, geen schijnheiligen, geen drukke praatjesmakers. Zij hoeden de poorten van de zintuigen, zijn niet afgekeerd van de waakzaamheid, zijn niet onverschillig t.o.v. het ascetendom, niet nalatig in de plicht van de Orde, niet veeleisend, niet opdringerig. Zij zoeken geen gezelschap, ontvluchten eenzaamheid niet.”

        Zo verheugden deze twee grote eerwaarden zich over de goede woorden van elkaar.

M.6. (M.I.6) Ākankheyya sutta

        Een bhikkhu moet volkomen deugd oefenen, innerlijke gemoedsrust verkrijgen, de concentratie niet verwaarlozen, inzicht beoefenen en in lege kluizen wonen. Hij moet niet verlangen naar roem en eer. De Boeddha onderwijst er hoe men vermogens moet beheersen, gevaar ziende in de geringste fout.

        Een monnik die een zuiver leven leidt, die de discipline van het Pātimokkha, navolgt, die zich goed gedraagt, die gevaar ziet zelfs in de geringste overtreding, en die het pad van de Boeddha volgt, hij kan verwachten te verkrijgen wat iemand van zijn rang kan wensen.[37]

M.6. (M.I.6) Ākankheyya sutta

        

        Te Sāvatthi, in het park van Anathapindika. De Verhevene sprak er de monniken toe.

        “Bewaart deugd, bewaart zuiverheid, koestert en verzorgt zuiverheid bij uw handelen. Weest op de hoede voor de geringste fout en gaat gestadig verder, stap voor stap.

        Als een monnik wenst dat hij bij de andere monniken geliefd en welkom, waard en belangrijk is, dan moet hij volkomen deugd oefenen, innerlijke gemoedsrust verkrijgen, de concentratie niet verwaarlozen, inzicht beoefenen en in lege kluizen wonen.

        Als een monnik wenst dat hij kleding, eten, verblijfplaats en geneesmiddelen bij ziekte heeft, dan moet hij volkomen deugd oefenen, innerlijke gemoedsrust verkrijgen, de concentratie niet verwaarlozen, inzicht beoefenen en in lege kluizen wonen.

        Als een monnik wenst dat degenen die hem kleding, eten, verblijfplaats en geneesmiddelen geven, vanwege die gaven verdiensten verkrijgen, dan moet hij volkomen deugd oefenen, innerlijke gemoedsrust verkrijgen, de concentratie niet verwaarlozen, inzicht beoefenen en in lege kluizen wonen.

        Als een monnik wenst dat de gestorven bloedverwanten die hem in liefde gedenken, hoge verdiensten daarom krijgen, dan moet hij volkomen deugd oefenen, innerlijke gemoedsrust verkrijgen, de concentratie niet verwaarlozen, inzicht beoefenen en in lege kluizen wonen.

        Als een monnik wenst dat hij heer is over de gemoedsonrust, of als hij wenst dat hij over angst en vrees de baas is, dat angst en vrees niet over hem heersen, dat hij zegenrijk zal overwinnen, dan moet hij volkomen deugd oefenen, innerlijke gemoedsrust verkrijgen, de concentratie niet verwaarlozen, inzicht beoefenen en in lege kluizen wonen.

        Als een monnik wenst dat hij de vier jhanas ten volle bereikt in dit leven, of als hij wenst dat hij de heilige bevrijdingen die buiten de vormen geen vorm houden, dat hij die daadwerkelijk ondervindt, dan moet hij volkomen deugd oefenen, innerlijke gemoedsrust verkrijgen, de concentratie niet verwaarlozen, inzicht beoefenen en in lege kluizen wonen.

        Als een monnik wenst dat hij na vernietiging van de drie boeien tot de edelen behoort, dat hij het pad van heiligheid betreedt, dat hij doelbewust de volledige ontwaking tegemoet gaat, dan moet hij volkomen deugd oefenen, innerlijke gemoedsrust verkrijgen, de concentratie niet verwaarlozen, inzicht beoefenen en in lege kluizen wonen.

        Als een monnik wenst dat hij na vernietiging van de drie boeien, bevrijd van begeerte, haat en onwetendheid, bijna gezuiverd, nog eenmaal wederkeert om aan het lijden een einde te maken, dan moet hij volkomen deugd oefenen, innerlijke gemoedsrust verkrijgen, de concentratie niet verwaarlozen, inzicht beoefenen en in lege kluizen wonen.

        Als een monnik wenst dat hij na vernietiging van de vijf omlaag trekkende boeien omhoog stijgt om van daaruit uit te doven, dat hij niet meer naar deze wereld terugkeert, dan moet hij volkomen deugd oefenen, innerlijke gemoedsrust verkrijgen, de concentratie niet verwaarlozen, inzicht beoefenen en in lege kluizen wonen.

        Als een monnik wenst dat hij de macht heeft om van één veelvuldig te worden en dan weer één, of zichtbaar en onzichtbaar te worden,of om door muren en rotsen te zweven als door de lucht, of dat hij op de aarde opduikt en onderduikt als in het water, of op het water loopt zonder te zinken, als op aarde; of dat hij door de lucht gaat zoals vogels; of de maan en de zon aanraakt met de hand; of zijn lichaam in bedwang heeft tot in de Brahmā-wereld, dan moet hij volkomen deugd oefenen, innerlijke gemoedsrust verkrijgen, de concentratie niet verwaarlozen, inzicht beoefenen en in lege kluizen wonen.

        Als een monnik wenst dat hij het hemelse gehoor heeft, het gezuiverde dat menselijke grenzen overschrijdt, waarmee hij zowel hemelse als aardse geluiden kan horen, de verre en de nabije, of als hij wenst dat hij de gedachten van anderen kan lezen en onderkennen, dat hij het begerige gemoed, het begeerteloze gemoed, het gemoed met haat, het gemoed zonder haat, het dwalende gemoed, en niet dwalende gemoed, het geconcentreerde gemoed, het verstoorde gemoed, het hoog strevende gemoed, het laag gezinde gemoed, het edele gemoed, het bedorven gemoed, het kalme gemoed, het rusteloze gemoed, het bevrijde gemoed, het geboeide gemoed, dat hij een dergelijk gemoed als zodanig onderkent, dan moet hij volkomen deugd oefenen, innerlijke gemoedsrust verkrijgen, de concentratie niet verwaarlozen, inzicht beoefenen en in lege kluizen wonen.

        Als een monnik wenst dat hij in staat is zich aan vroegere levens te herinneren, met vele details, of als hij wenst dat hij het hemelse oog heeft, het gezuiverde, om te zien hoe wezens verdwijnen en weer ontstaan, hoe zij overeenkomstig hun daden wederkeren, dan moet hij volkomen deugd oefenen, innerlijke gemoedsrust verkrijgen, de concentratie niet verwaarlozen, inzicht beoefenen en in lege kluizen wonen.

        Als een monnik wenst dat hij de bevrijding van het gemoed verkrijgt, de bevrijding door wijsheid, nog in dit leven, dan moet hij volkomen deugd oefenen, innerlijke gemoedsrust verkrijgen, de concentratie niet verwaarlozen, inzicht beoefenen en in lege kluizen wonen.

        Daarom, monniken, bewaart deugd, bewaart zuiverheid, koestert en verzorgt zuiverheid bij uw handelen. Weest op de hoede voor de geringste fout en gaat gestadig verder, stap voor stap.”

M.7. (M.I.7) Vattha sutta (Vatthūpama sutta)

        De gelijkenis van het smerige stuk stof en de bevuilde geest. Zoals een smerig stuk stof de kleurstof niet goed aanneemt als het geverfd wordt, evenzo beseft een onreine geest niet wat goed is. En juist zoals een reine witte doek de kleurstof snel opneemt als de doek erin gedompeld wordt, evenzo verkrijgt iemand met een zuivere geest gemakkelijk vertrouwen en concentratie. En die persoon verwerkelijkt de niveaus van heiligheid. Hij moet beschouwd worden als iemand die gereinigd is door een “innerlijk bad”.

        Besproken worden ook de vier goddelijke verblijven.

        De geest van iemand kan niet door water gereinigd worden, maar wel door zuiver gedrag.

M.7. (M.I.7) Vattha sutta (Vatthūpama sutta). De gelijkenis van de doek

Inleiding

        In deze gelijkenis worden eerst zestien smetten van de menselijke geest besproken. Daarna gaat deze leerrede over de vooruitgang van de volgeling naar het hoogste doel, heiligheid, Nibbāna in dit leven. Dat doel kan enkel en alleen bereikt worden indien die smetten geleidelijk verminderd en uiteindelijk vernietigd worden.

De gelijkenis van de doek

        Eens sprak de Gezegende aldus: “Monniken, veronderstelt dat een doek besmet en vuil was en dat een verver hem in de een of andere verfstof dompelde, hetzij blauw of geel of rood of roze. De doek zou de verf slecht aannemen en onzuiver van kleur zijn. En waarom? Omdat de doek niet zuiver was. En evenzo, monniken, als de geest besmet is, kan een ongelukkige bestemming in een toekomstig bestaan verwacht worden.[38]

        Monniken, veronderstelt dat een doek zuiver en helder was en dat een verver hem in de een of andere verfstof dompelde, hetzij blauw of geel of rood of roze. De doek zou de verf goed aannemen en zuiver van kleur zijn. En waarom? Omdat de doek rein was. En evenzo, monniken, als de geest onbesmet is, kan een gelukkige bestemming in een toekomstig bestaan verwacht worden.

        En wat, monniken, zijn de smetten van de geest?

1) Hebzucht en onjuist begeren is een smet van de geest.[39]

2) Kwaadwil, afkeer, haat is een smet van de geest.

3) Boosheid, woede is een smet van de geest.

4) Vijandschap is een smet van de geest.

5) Lasteren, kleineren, verachten is een smet van de geest.

6) Tirannie, overheersen is een smet van de geest.

7) Afgunst, nijd is een smet van de geest.

8) Jaloersheid is een smet van de geest.

9) Huichelarij, misleiding is een smet van de geest.

10) Bedriegen is een smet van de geest.

11) Koppigheid, verstoktheid is een smet van de geest.

12) Aanmatigen, wedijveren, onstuimigheid, rivaliteit is een smet van de geest.

13) Eigendunk, verwaandheid is een smet van de geest.

14) Hoogmoed, laatdunkendheid is een smet van de geest.

15) Pronkzucht, ijdelheid, verwaandheid is een smet van de geest.

16) Nalatigheid, onoplettendheid is een smet van de geest.[40]

 

        Wetende, monniken, dat hebzucht en onjuist begeren een smet is van de geest, geeft de monnik dat op.[41] Wetende, dat kwaadwil, afkeer, haat een smet is van de geest, geeft hij dat op. Wetende, dat boosheid, woede een smet is van de geest, geeft hij dat op. Wetende, dat vijandschap een smet is van de geest, geeft hij dat op. Wetende, dat lasteren, kleineren, verachten een smet is van de geest, geeft hij dat op. Wetende, dat tirannie, overheersen een smet is van de geest, geeft hij dat op. Wetende, dat afgunst, nijd een smet is van de geest, geeft hij dat op. Wetende, dat jaloersheid een smet is van de geest, geeft hij dat op. Wetende, dat huichelarij een smet is van de geest, geeft hij dat op. Wetende, dat bedriegen een smet is van de geest, geeft hij dat op. Wetende, dat koppigheid, verstoktheid een smet is van de geest, geeft hij dat op. Wetende, dat aanmatigen, wedijveren, onstuimigheid, rivaliteit een smet is van de geest, geeft hij dat op. Wetende, dat eigendunk, verwaandheid een smet is van de geest, geeft hij dat op. Wetende, dat hoogmoed, laatdunkendheid een smet is van de geest, geeft hij dat op. Wetende, dat ijdelheid, pronkzucht, verwaandheid een smet is van de geest, geeft hij dat op. Wetende, dat nalatigheid, onoplettendheid een smet is van de geest, geeft hij dat op.

        In de monnik die aldus weet dat hebzucht, onjuist begeren een smet is van de geest, wordt hebzucht en onjuist begeren opgegeven. In hem die aldus weet dat kwaadwil, afkeer, haat een smet is van de geest, wordt kwaadwil, afkeer en haat opgegeven. In hem die aldus weet dat boosheid, woede een smet is van de geest, wordt boosheid en woede opgegeven. In hem die aldus weet dat vijandschap een smet is van de geest, wordt vijandschap opgegeven. In hem die aldus weet dat lasteren, kleineren, verachten een smet is van de geest, wordt lasteren, kleineren, verachten opgegeven. In hem die aldus weet dat tirannie, overheersen een smet is van de geest, wordt tirannie, overheersen opgegeven. In hem die aldus weet dat afgunst, nijd een smet is van de geest, wordt afgunst, nijd opgegeven. In hem die aldus weet dat jaloersheid een smet is van de geest, wordt jaloersheid opgegeven. In hem die aldus weet dat huichelarij, misleiding een smet is van de geest, wordt huichelarij, misleiding opgegeven. In hem die aldus weet dat bedriegen een smet is van de geest, wordt bedriegen opgegeven. In hem die aldus weet dat koppigheid, verstoktheid een smet is van de geest, wordt koppigheid, verstoktheid opgegeven. In hem die aldus weet dat aanmatigen, wedijveren, onstuimigheid, rivaliteit een smet is van de geest, wordt aanmatigen, wedijveren, onstuimigheid, rivaliteit opgegeven. In hem die aldus weet dat eigendunk, verwaandheid een smet is van de geest, wordt eigendunk, verwaandheid opgegeven. In hem die aldus weet dat hoogmoed, laatdunkendheid een smet is van de geest, wordt hoogmoed, laatdunkendheid opgegeven. In hem die aldus weet dat ijdelheid, pronkzucht, verwaandheid een smet is van de geest, wordt ijdelheid, pronkzucht, verwaandheid opgegeven. In hem die aldus weet dat nalatigheid, onoplettendheid een smet is van de geest, wordt nalatigheid, onoplettendheid opgegeven.

        Als hij aldus die smetten heeft opgegeven, verkrijgt hij onwankelbaar vertrouwen in de Boeddha, in de leer en in de gemeenschap van de heiligen.[42]

        Het onwankelbare vertrouwen in de Boeddha is als volgt: ‘Waarlijk, de Verhevene is heilig, volledig verlicht, volmaakt in kennis en volmaakt in gedrag. Hij is gezegend, een kenner van de werelden. Hij is de onvergelijkbare leider van mensen die bedwongen moeten worden en van mensen die volgzaam zijn. Hij is de leraar van goden en van mensen. Hij is de Ontwaakte en Verhevene.’

        Het onwankelbare vertrouwen in de leer is aldus: ‘Duidelijk uitgelegd is de leer door de Verhevene; hier en nu op juistheid te controleren; met onmiddellijk resultaat. Ze nodigt ieder uit om alles zelf te testen; ze leidt naar Nibbāna. Ze is te begrijpen door de wijze, ieder voor zichzelf.’

        Het onwankelbare vertrouwen in de gemeenschap van de heiligen is aldus: ‘Van goed gedrag is de Orde van de discipelen van de Gezegende. Van oprecht gedrag is de Orde van de discipelen van de Gezegende. Van wijs gedrag is de Orde van de discipelen van de Gezegende. Van plichtsgetrouw gedrag is de Orde van de discipelen van de Gezegende. Deze Orde van de discipelen van de Gezegende – namelijk de vier paren van personen, de acht soorten individuen – is offergaven waard, is gastvrijheid waard, is geschenken waard, is waard eerbiedig gegroet te worden, is een onvergelijkbaar veld van verdienste voor de wereld.’

 

        Als hij de smetten gedeeltelijk[43] heeft opgegeven, verzaakt, er afstand van heeft gedaan, ze heeft verlaten en losgelaten, dan weet hij: ‘Ik ben begiftigd met onwankelbaar vertrouwen in de Boeddha, ben begiftigd met onwankelbaar vertrouwen in de leer, ben begiftigd met onwankelbaar vertrouwen in de gemeenschap van de monniken.’ En hij verkrijgt enthousiasme voor het doel, verkrijgt enthousiasme voor de leer, verkrijgt blijdschap verbonden met de leer.[44] Als hij verblijd is, is vreugde in hem geboren; vol vreugde in de geest wordt zijn lichaam rustig. Als zijn lichaam rustig is, voelt hij geluk; en de geest van degene die gelukkig is, wordt geconcentreerd.[45]

        Hij weet: ‘Ik heb de smetten gedeeltelijk opgegeven, verzaakt, er afstand van gedaan, heb ze verlaten en losgelaten.’ En hij verkrijgt enthousiasme voor het doel, verkrijgt enthousiasme voor de leer, verkrijgt blijdschap verbonden met de leer. Als hij verblijd is, is vreugde in hem geboren. Vol vreugde in de geest wordt zijn lichaam rustig. Als zijn lichaam rustig is, voelt hij geluk; en de geest van degene die gelukkig is, wordt geconcentreerd.

        Monniken, als een monnik van zo’n deugdzaamheid, zo’n concentratie en zo’n wijsheid[46] aalmoezen eet die bestaan uit uitgelezen spijzen, dan is zelfs dat geen hindernis voor hem.[47]

        Hij doordringt met een geest van liefdevolle vriendelijkheid[48] één richting van de wereld, evenzo de tweede, de derde en evenzo de vierde richting, en ook opwaarts, neerwaarts, rondom en naar alle kanten, en voor allen evenveel welwillende vriendelijkheid als voor zichzelf. Hij doordringt het hele universum met welwillende vriendelijkheid met een geest die groot is, verheven, grenzeloos, en die vrij is van vijandschap en vrij van kwaadwil.

        Hij doordringt met een geest van mededogen één richting van de wereld, evenzo de tweede, de derde en evenzo de vierde richting, en ook opwaarts, neerwaarts, rondom en naar alle kanten, en voor allen evenveel mededogen als voor zichzelf. Hij doordringt het hele universum met mededogen met een geest die groot is, verheven, grenzeloos, en die vrij is van vijandschap en vrij van kwaadwil.

        Hij doordringt met een geest van medevreugde één richting van de wereld, evenzo de tweede, de derde en evenzo de vierde richting, en ook opwaarts, neerwaarts, rondom en naar alle kanten, en voor allen evenveel medevreugde als voor zichzelf. Hij doordringt het hele universum met medevreugde met een geest die groot is, verheven, grenzeloos, en die vrij is van vijandschap en vrij van kwaadwil.

        Hij doordringt met een geest van gelijkmoedigheid één richting van de wereld, evenzo de tweede, de derde en evenzo de vierde richting, en ook opwaarts, neerwaarts, rondom en naar alle kanten, en voor allen evenveel gelijkmoedigheid als voor zichzelf. Hij doordringt het hele universum met gelijkmoedigheid met een geest die groot is, verheven, grenzeloos, en die vrij is van vijandschap en vrij van kwaadwil.

        Hij begrijpt wat bestaat, wat laag is, wat verheven is,[49] en wat voor ontsnapping er is aan dit hele veld van waarneming.[50] Als hij op deze manier weet en ziet, wordt zijn geest bevrijd van de kankers van zinnelijke verlangens, wordt bevrijd van de kanker van worden, bevrijd van de kanker van onwetendheid.[51] Als hij bevrijd is, is er het weten: ‘Er is bevrijding; en hij weet: ‘Geboorte is uitgedoofd, het leven van zuiverheid is geleefd, de taak is volbracht; er is geen verder bestaan.’ Zo'n monnik heet: ‘Gewassen met het innerlijke bad.’”[52]

 

        Niet ver van de Gezegende zat de priester Sundarika-Bharadvaja.[53] En deze vroeg aan de Verhevene: “Gaat Meester Gotama naar de Bahuka-rivier om er te baden?” – “Wat voor heil, priester, is er in de Bahuka-rivier? Wat kan die rivier doen?” – “Waarlijk, Meester Gotama, vele mensen geloven dat de Bahuka-rivier zuivering geeft en verdienste. Want in de Bahuka-rivier wassen veel mensen de slechte daden weg die zij verricht hebben.”[54]

        Toen sprak de Gezegende die priester toe met de volgende verzen:

“In wat voor rivieren een dwaas ook baadt,

dat water zal zijn zwarte daad niet reinigen.

Door het water van rivieren kan niet gereinigd worden

de kwaaddoener, de mens die grove en wrede daden pleegt.

           

Iemand die zuiver is van hart,

heeft steeds het feest van reiniging[55] en de heilige dag.[56]

Iemand die zuiver is van hart en die goede daden verricht,

heeft zijn voorschriften steeds volmaakt.

 

Dáár moet u, priester, baden[57]

om u zelf tot een veilige toevlucht voor alle wezens te maken;

en als u geen onwaarheid spreekt

noch letsel toebrengt aan ademende wezens,

noch neemt wat niet is gegeven,

als u vol vertrouwen bent en zonder hebzucht,

waarom zou u dan in water baden?”

 

        Hierop sprak de priester Sundarika-Bharadvaja aldus: “Voortreffelijk, Meester Gotama, voortreffelijk. De leer is op vele manieren duidelijk gemaakt door Meester Gotama. Ze wijst de weg aan iemand die verdwaald is; ze houdt een lamp omhoog in de duisternis voor degene die goede ogen heeft om vormen te zien. Tot Meester Gotama neem ik mijn toevlucht en tot de leer en de gemeenschap. Moge ik de eerste wijding van het opgeven van de wereld ontvangen onder Meester Gotama. Moge ik volle toelating ontvangen.”

        En de priester Sundarika-Bharadvaja ontving de eerste wijding van het opgeven van de wereld onder de Gezegende, en hij ontving de volle toelating. En niet lang daarna, alleen levend, afgezonderd, ijverig, vurig en vastberaden, begreep en bereikte de eerwaarde Bharadvaja door eigen verwezenlijking reeds in dit leven dat hoogste doel van het zuivere leven, waarvoor mensen van goede familie van huis gaan in het huisloze leven. En hij had direct weten, aldus: “Geboorte is uitgedoofd, het zuivere leven is geleefd, de taak is volbracht, er is geen verder bestaan.”

           En de eerwaarde Bharadvaja werd een van de heiligen.

M.8. (M.I.8) Sallekha sutta

        Over de opheffing van zelf en verkeerde inzichten. De Boeddha onderwees er hoe juist gedacht moet worden, en wel: “Anderen mogen verkeerd handelen in denken, taalgebruik of in daden, maar ik zal juist handelen in denken, in taalgebruik en in daden.” Zo te denken is hoger dan het bereiken van de meditatieve verdiepingen (jhanas).

M.8. (M.I.8) Sallekha sutta. Uitwissing

        

        Te Sāvatthi, in het park van Anāthapindika. De eerwaarde Mahacunda ging er ’s avonds naar de Boeddha en vroeg: “Het volstaat zeker dat een monnik alleen het begin kent van de verschillende leerstellingen in de wereld, om ze te weerleggen.” – De Boeddha gaf ten antwoord: “Die leerstellingen moeten aldus beschouwd worden: ‘Dit behoort mij niet toe; dit ben ik niet; dit is niet mijn zelf’.

        Iemand kan de eerste jhana bereikt hebben en dan denken dat hij al bevrijd is. Maar in de discipline van de edelen heet zoiets: ‘vertoeven op z’n gemak hier en nu.’

        Iemand kan de tweede jhana bereikt hebben en dan denken dat hij al bevrijd is. Maar in de discipline van de edelen heet zoiets: ‘vertoeven op z’n gemak hier en nu.’

Iemand kan de derde jhana bereikt hebben en dan denken dat hij al bevrijd is. Maar in de discipline van de edelen heet zoiets: ‘vertoeven op z’n gemak hier en nu.’

        Iemand kan de vierde jhana bereikt hebben en dan denken dat hij al bevrijd is. Maar in de discipline van de edelen heet zoiets: ‘vertoeven op z’n gemak hier en nu.’

        Iemand kan de sfeer van grenzeloos bewustzijn bereikt hebben en dan denken dat hij al bevrijd is. Maar in de discipline van de edelen heet zoiets: ‘vertoeven in vrede.’

        Iemand kan de sfeer van niets is er bereikt hebben en dan denken dat hij al bevrijd is. Maar in de discipline van de edelen heet zoiets: ‘vertoeven in vrede.’

        Iemand kan de grens van mogelijke waarneming bereikt hebben en dan denken dat hij al bevrijd is. Maar in de discipline van de edelen heet zoiets: ‘vertoeven in vrede.’

        Maar Cunda, hierin moet uitwissing geoefend worden (door te denken):

1.    Anderen kunnen kwaad doen, maar wij zullen argeloos worden en geen kwaad doen.

2.    Anderen kunnen levende wezens doden, maar wij zullen afzien van het doden en kwellen van levende wezens.

3.    Anderen kunnen nemen wat niet is gegeven, maar wij zullen afzien van het nemen wat niet is gegeven.

4.    Anderen kunnen onkuis leven, maar wij zullen kuis leven.

5.    Anderen kunnen valse getuigenis afleggen en liegen, maar wij zullen afzien van valse getuigenis en van liegen.

6.    Anderen kunnen lasteren, maar wij zullen afzien van lasterpraat.

7.    Anderen kunnen ruwe taal bezigen, maar wij zullen afzien van het gebruik van ruwe taal.

8.    Anderen kunnen zich overgeven aan roddelpraatjes, maar wij zullen afzien van geroddel.

9.    Anderen kunnen hebzuchtig zijn, maar wij zullen niet hebzuchtig zijn.

10. Anderen kunnen gedachten van kwaadwil hebben, maar wij zullen geen gedachten van kwaadwil hebben.

11. Anderen kunnen verkeerde visies hebben, maar wij zullen juiste visies hebben.

12. Anderen kunnen verkeerde bedoelingen hebben, maar wij zullen juiste bedoelingen hebben.

13. Anderen kunnen verkeerde taal gebruiken, maar wij zullen juiste taal gebruiken.

14. Anderen kunnen verkeerde daden verrichten, maar wij zullen juiste daden verrichten.

15. Anderen kunnen een verkeerd levensonderhoud hebben, maar wij zullen een juist levensonderhoud hebben.

16. Anderen kunnen verkeerde inspanning doen, maar wij zullen juiste inspanning doen.

17. Anderen kunnen verkeerde oplettendheid hebben, maar wij zullen juiste oplettendheid hebben.

18. Anderen kunnen verkeerde concentratie hebben, maar wij zullen juiste concentratie hebben

19. Anderen kunnen verkeerde kennis en verkeerd weten hebben, maar wij zullen juiste kennis en juist weten hebben.

20. Anderen kunnen verkeerde bevrijding hebben, maar wij zullen juiste bevrijding hebben.

21. Anderen kunnen overweldigd zijn door traagheid en starheid, maar wij zullen vrij zijn van traagheid en starheid.

22. Anderen kunnen opgewonden en rusteloos zijn, maar wij zullen niet opgewonden en niet rusteloos zijn.

23. Anderen kunnen twijfelen, maar wij zullen vrij zijn van twijfel.

24. Anderen kunnen boos zijn, maar wij zullen niet boos zijn.

25. Anderen kunnen vijandig zijn, maar wij zullen niet vijandig zijn.

26. Anderen kunnen kleineren en verachten, maar wij zullen niet kleineren en niet verachten.

27. Anderen kunnen overheersen en heerszuchtig zijn, maar wij zullen niet overheersen en niet heerszuchtig zijn.

28. Anderen kunnen afgunstig en vol nijd zijn, maar wij zullen niet afgunstig en niet vol nijd zijn.

29. Anderen kunnen jaloers zijn, maar wij zullen niet jaloers zijn.

30. Anderen kunnen bedriegen, maar wij zullen niet bedriegen.

31. Anderen kunnen huichelaars zijn, maar wij zullen geen huichelaars zijn.

32. Anderen kunnen koppig zijn, maar wij zullen niet koppig zijn en niet verstokt.

33. Anderen kunnen hoogmoedig zijn, maar wij zullen niet hoogmoedig zijn.

34. Anderen kunnen moeilijk te vermanen zijn en onhandelbaar, maar wij zullen gemakkelijk te vermanen zijn en handelbaar.

35. Anderen kunnen slechte vrienden hebben, maar wij zullen edele vrienden hebben.

36. Anderen kunnen nalatig en onoplettend zijn, maar wij zullen oplettend en achtzaam zijn.

37. Anderen kunnen onbetrouwbaar zijn, maar wij zullen betrouwbaar zijn.

38. Anderen kunnen zonder schaamte zijn, maar wij zullen vol schaamte zijn.

39. Anderen kunnen gewetenloos zijn, maar wij zullen gewetensvol zijn.

40. Anderen kunnen zonder leren zijn, maar wij zullen veel leren.

41. Anderen kunnen lui zijn, maar wij zullen energiek zijn.

42. Anderen kunnen gebrek hebben aan oplettendheid, maar wij zullen gevestigd zijn in oplettendheid.

43. Anderen kunnen zonder wijsheid zijn, maar wij zullen begiftigd zijn met wijsheid.

44. Anderen kunnen een verkeerd begrip hebben overeenkomstig hun persoonlijke opvattingen, zij kunnen daar vast aan houden en het niet gemakkelijk verwerpen, maar wij zullen geen verkeerd begrip hebben overeenkomstig persoonlijke opvattingen, wij zullen daar niet vast aan houden en zullen het met gemak verwerpen.

        Zó moet uitwissing geoefend worden.”[58]

 

* * *

           Deze leerrede kan kort samengevat worden met de volgende woorden:

            Anderen kunnen verkeerde wilsacties verrichten in daad, woord en gedachten, maar wij zullen vrij zijn van verkeerde wilsacties in daad, woord en gedachten. Zó moet geoefend worden.

M.9. (M.I.9) Sammāditthi sutta. Juist inzicht

        Te Savatthi, in het Jetavana klooster. Een leerrede van de eerwaarde Sariputta over juiste inzichten en over het bereiken van volmaakte heiligheid. Aan de monniken legde hij uit wat “juist denken” is. Het bestaat in: (a) Het onheilzame onderkennen en de wortel ervan; het heilzame onderkennen en de wortel ervan. Het is weten wat goede en slechte daden zijn en de oorsprong ervan. (2) Weten wat voedsel (āhāra) is, de oorsprong ervan, het ophouden ervan, en de weg naar het ophouden ervan. (3) Weten wat de vier edele waarheden zijn. (4) Weten hoe de factoren van oorzakelijk ontstaan onderling verband houden.

        Juist inzicht is het begrijpen wat goed en verkeerd is. Het is het volledige begrijpen van de vier edele waarheden en het niet vasthouden aan eeuwigheidsmeningen betreffende atta, zelf.

M.9. (M.I.9) Sammāditthi sutta. Juist inzicht

        

        De eerwaarde Sariputta sprak tot de monniken aldus: Wat is juist inzicht?

        Als men het onheilzame onderkent en de wortel ervan, als men het heilzame onderkent en de wortel ervan, in zoverre heeft men juist inzicht.

        Wat is het onheilzame, wat is de wortel ervan, wat is het heilzame en wat is de wortel ervan?

        Onheilzaam is doden, stelen, seksueel verkeerd gedrag, liegen, lasteren, ruwe taal, kletspraat, begeerte, kwaadwil, verkeerde visie.

        De wortel van het onheilzame is begeerte, haat, onwetendheid.

        Heilzaam is afzien van doden, afzien van stelen, afzien van verkeerd seksueel gedrag, afzien van lasteren, afzien van ruwe taal, afzien van geklets; heilzaam is begeerteloosheid, welwillendheid, juiste visie.

        De wortel van het heilzame is vrij te zijn van begeerte, vrij te zijn van haat, vrij te zijn van onwetendheid.

         Wie het onheilzame onderkent en de wortel ervan, wie het heilzame kent en de wortel ervan, en wie de neiging van de begeerte volledig heeft verloochend, wie de neiging van afkeer heeft verjaagd, wie de neiging van de ik-heid heeft verdelgd, wie het niet weten heeft verloren, wie het weten heeft verworven, die maakt aan het lijden nog in dit leven een einde. In zoverre heeft een edele volgeling juist inzicht; in zoverre behoort hij tot de edele leer.

        Er is nog een andere manier waarop men het juiste inzicht bezit.

        Wanneer de edele volgeling het voedsel onderkent en de ontwikkeling ervan, de opheffing ervan, en het pad dat leidt naar de opheffing ervan, in zoverre heeft hij juist inzicht.

        Wat is het voedsel, de ontwikkeling ervan, de opheffing ervan, en het pad dat leidt naar de opheffing ervan?

        Er zijn vier soorten van voedsel:

voedsel dat dient voor de vorming van het lichaam;

aanraking, contact (phassa);

geestelijke wil (cetana);

bewustzijn (viññana).

        De ontwikkeling van de dorst is oorzaak van de ontwikkeling van het voedsel. Het verdwijnen van de dorst is oorzaak van het verdwijnen van het voedsel.

        Het pad dat leidt naar het verdwijnen van het voedsel, is het edele achtvoudige pad, namelijk 1) juist inzicht;[59] 2) juist denken;[60] 3) juist spreken;[61] 4) juist handelen;[62] 5) juist levensonderhoud;[63] 6) juiste inspanning;[64] 7) juiste oplettendheid;[65] 8) juiste ontwikkeling van de geest of juiste concentratie.[66]

        De edele volgeling kent nu het voedsel, de ontwikkeling ervan, de opheffing ervan, en het proces dat leidt naar de opheffing ervan. En hij heeft de neiging van de begeerte volledig verloochend, heeft de neiging van afkeer verjaagd, heeft de neiging van de ik-heid verdelgd, heeft onwetendheid verloren, het weten verworven. Zo maakt hij aan het lijden nog in dit leven een einde. In zoverre heeft men juist inzicht. In zoverre behoort men tot de edele leer.

        Er is nog een andere manier waarop men het juiste inzicht bezit.

        Wie het lijden onderkent, de ontwikkeling ervan, de opheffing ervan en het pad dat leidt naar de opheffing ervan, in zoverre heeft de edele volgeling juist inzicht, in zoverre behoort hij tot de edele leer.

        Wat nu is het lijden, de ontwikkeling ervan, de opheffing ervan en het pad dat leidt naar de opheffing ervan? – Geboorte is lijden; ouder worden is lijden; ziekte is lijden; sterven is lijden; verdriet, geweeklaag, pijn, leed en wanhoop zijn lijden; het verenigd zijn met wie of waarmee men een afkeer heeft, is lijden; het gescheiden zijn van wie of van wat men liefheeft, is lijden; niet te krijgen wat men graag heeft, is lijden; kortom de vijf groeperingen van hechten zijn lijden.

        Het ontstaan van lijden is als volgt: het is de begeerte (tanha) die wedergeboorte doet ontstaan, die vergezeld gaat van genoegen en lust en die nu eens hier en dan weer daar steeds nieuw behagen schept. Met andere woorden, het is het verlangen naar zinnelijke begeerten, het verlangen naar bestaan en het verlangen naar niet-bestaan.

        De opheffing van lijden is als volgt: het is het volledig wegebben en het volledig uitdoven van die begeerte, het verwerpen, het opgeven en het achterlaten ervan; het is de bevrijding ervan en het zich losmaken ervan.

        Het pad dat leidt naar de opheffing van lijden, is niets anders dan het edele achtvoudige pad, namelijk juist inzicht, juist denken, juist spreken, juist handelen, juist levensonderhoud, juiste inspanning, juiste oplettendheid, juiste ontwikkeling van de geest of juiste concentratie.

        Wanneer men de vier edele waarheden onderkent, en wanneer men de neiging van de begeerte volledig heeft verloochend, wanneer men de neiging van afkeer heeft verjaagd, de neiging van de ik-heid heeft verdelgd, wanneer men het niet weten heeft verloren, het weten heeft verworven, dan maakt men aan het lijden nog in dit leven een einde. In zoverre heeft een edele volgeling juist inzicht, in zoverre behoort hij tot de edele leer.

        Er is nog een andere manier waarop men het juiste inzicht bezit.

        Wanneer men het ouder worden en sterven onderkent en de ontwikkeling ervan, de opheffing ervan en het pad dat leidt naar de opheffing ervan, in zoverre heeft men juist inzicht.

        Wat is ouder worden en sterven, wat is de ontwikkeling ervan, wat is de opheffing ervan en wat is het pad dat leidt naar de opheffing ervan? - Wat hier of elders veroudering is, verval van de tanden, vergrijzing, het rimpelen van de huid, het afnemen van de levenskracht, het afsterven van de zinsorganen: dat heet ouder worden.

        Wat hier of elders het afscheiden is, het uiteenvallen, het verdwijnen, de dood, het beëindigen van de levenstijd, het uiteenvallen van de groeperingen van bestaan, het afwerpen van het lichaam: dat heet sterven.

        De ontwikkeling van de geboorte is oorzaak voor de ontwikkeling van ouderdom en dood. De opheffing van geboorte is oorzaak voor de opheffing van ouderdom en dood. En het pad naar opheffing ervan is het edele achtvoudige pad.

         Wanneer nu de edele volgeling ouderdom en sterven onderkent, de ontwikkeling ervan, de opheffing ervan en het pad dat leidt naar de opheffing ervan, en wanneer hij de neiging van de begeerte volledig heeft verloochend, wanneer de neiging van de afkeer is verjaagd, de neiging van de ik-heid is verwoest, wanneer hij het niet weten heeft verloren, het weten heeft verworven, dan maakt hij nog in dit leven aan het lijden een einde.

        In zoverre heeft een edele volgeling juist inzicht, in zoverre behoort hij tot de edele leer.

        Verder, wanneer de edele volgeling de geboorte onderkent, de ontwikkeling ervan, de opheffing ervan en het pad dat leidt naar de opheffing ervan, in zoverre heeft hij juist inzicht.

        Wat is geboorte, wat is de ontwikkeling ervan, wat is de opheffing ervan en wat is het pad dat leidt naar de opheffing ervan? – Wat hier of elders het voortgebracht worden is, het in het bestaan treden, het verschijnen van de groeperingen van bestaan, het verkrijgen van de zintuiglijke organen, het geboren worden: dat heet geboorte.

         De ontwikkeling van het worden is oorzaak voor de ontwikkeling van de geboorte. De opheffing van het worden is oorzaak voor de opheffing van de geboorte. Het pad dat leidt naar de opheffing ervan is het edele achtvoudige pad.

        Wanneer nu de edele volgeling de geboorte onderkent, de ontwikkeling ervan, de opheffing ervan en de weg die leidt naar de opheffing ervan, en wanneer hij de neiging van de begeerte volledig heeft verloochend, wanneer hij de neiging van de afkeer heeft verjaagd, de neiging van de ik-heid heeft verwoest, wanneer hij het niet weten heeft verloren, het weten heeft verworven, dan maakt hij nog in dit leven aan het lijden een einde.

        In zoverre heeft een edele volgeling juist inzicht, in zoverre behoort hij tot de edele leer.

        Verder, wanneer de edele volgeling het worden onderkent, de ontwikkeling ervan, de opheffing ervan en het pad dat leidt naar de opheffing ervan, in zoverre heeft hij juist inzicht.

        Er zijn drie soorten van worden: zinnelijk worden; worden met vorm en vormloos worden. De ontwikkeling van de in bezit name (het hechten) is oorzaak voor de ontwikkeling van het worden. De opheffing van de in bezit name (het hechten) is oorzaak voor opheffing van het worden. Het pad dat leidt naar de opheffing van het worden is het edele achtvoudige pad.

        Wanneer nu de edele volgeling het worden onderkent, de ontwikkeling ervan, de opheffing ervan en de weg die leidt naar de opheffing ervan, en wanneer hij de neiging van de begeerte volledig heeft verloochend, wanneer hij de neiging van de afkeer heeft verjaagd, de neiging van de ik-heid heeft verwoest, wanneer hij het niet weten heeft verloren, het weten heeft verworven, dan maakt hij nog in dit leven aan het lijden een einde.

        In zoverre heeft een edele volgeling juist inzicht, in zoverre behoort hij tot de edele leer.

        

        Verder, wanneer de edele volgeling de in bezit name, het hechten onderkent, de ontwikkeling ervan, de opheffing ervan en het pad dat leidt naar de opheffing ervan, in zoverre heeft hij juist inzicht.

        Er zijn vier soorten van in bezit name (hechten): de in bezit name van (het hechten aan) de zinnelijkheid, de in bezit name van (het hechten aan) meningen, de in bezit name van (het hechten aan) deugdzame werken, de in bezit name van (het hechten aan) de eigen persoonlijkheid.

        De ontwikkeling van de dorst is de oorzaak voor de ontwikkeling van de in bezit name (het hechten). De opheffing van de dorst is de oorzaak voor de opheffing van de in bezit name (het hechten). Het pad dat leidt naar de opheffing ervan is het edele achtvoudige pad.

        Wanneer nu de edele volgeling de in bezit name (het hechten) onderkent, de ontwikkeling ervan, de opheffing ervan en de weg die leidt naar de opheffing ervan, en wanneer hij de neiging van de begeerte volledig heeft verloochend, wanneer de neiging van de afkeer is verjaagd, de neiging van de ik-heid is verwoest, wanneer hij het niet weten heeft verloren, het weten heeft verworven, dan maakt hij nog in dit leven aan het lijden een einde.

        In zoverre heeft een edele volgeling juist inzicht, in zoverre behoort hij tot de edele leer.

        

        Verder, wanneer de edele volgeling de dorst onderkent, de ontwikkeling ervan, de opheffing ervan en het pad dat leidt naar de opheffing ervan, in zoverre heeft hij juist inzicht.

        Er zijn zes soorten dorst: dorst naar vormen, dorst naar geluiden, dorst naar geuren, dorst naar smaken, dorst naar aanrakingen, dorst naar gedachten.

        De ontwikkeling van het gevoel is oorzaak voor de ontwikkeling van de dorst. De opheffing van het gevoel is oorzaak voor de opheffing van de dorst. Het pad dat leidt naar de opheffing van de dorst is het edele achtvoudige pad.

        Wanneer nu de edele volgeling de dorst onderkent, de ontwikkeling ervan, de opheffing ervan en de weg die leidt naar de opheffing ervan, en wanneer hij de neiging van de begeerte volledig heeft verloochend, wanneer de neiging van de afkeer is verjaagd, de neiging van de ik-heid is verwoest, wanneer hij het niet weten heeft verloren, het weten heeft verworven, dan maakt hij nog in dit leven aan het lijden een einde.

        In zoverre heeft een edele volgeling juist inzicht, in zoverre behoort hij tot de edele leer.

        Verder, wanneer de edele volgeling het gevoel onderkent, de ontwikkeling ervan, de opheffing ervan en het pad dat leidt naar de opheffing ervan, in zoverre heeft hij juist inzicht.

        Er zijn zes soorten van het gevoel: gevoel ontstaan door contact met het oog; gevoel ontstaan door contact met het oor; gevoel ontstaan door contact met de neus; gevoel ontstaan door contact met de tong; gevoel ontstaan door contact met het lichaam; gevoel ontstaan door contact met de geest.

        De ontwikkeling van het contact is oorzaak voor de ontwikkeling van het gevoel. De opheffing van het contact is oorzaak voor de opheffing van het gevoel. Het pad dat leidt naar de opheffing van gevoel is het edele achtvoudige pad.

        Wanneer nu de edele volgeling het gevoel onderkent, de ontwikkeling ervan, de opheffing ervan en de weg die leidt naar de opheffing ervan, en wanneer hij de neiging van de begeerte volledig heeft verloochend, wanneer de neiging van de afkeer is verjaagd, de neiging van de ik-heid is verwoest, wanneer hij het niet weten heeft verloren, het weten heeft verworven, dan maakt hij nog in dit leven aan het lijden een einde.

        In zoverre heeft een edele volgeling juist inzicht, in zoverre behoort hij tot de edele leer.

        Verder, wanneer de edele volgeling het contact (de aanraking) onderkent, de ontwikkeling ervan, de opheffing ervan en het pad dat leidt naar de opheffing ervan, in zoverre heeft hij juist inzicht.

        Er zijn zes soorten van contact: contact met het oog; contact met het oor; contact met de neus; contact met de tong; contact met het lichaam, contact met de geest.

        De ontwikkeling van het zesvoudige bereik der zintuigen is oorzaak voor de ontwikkeling van contact. De opheffing van het zesvoudige bereik der zintuigen is oorzaak voor de opheffing van contact. Het pad naar opheffing van contact is het edele achtvoudige pad.

         Wanneer nu de edele volgeling het contact onderkent, de ontwikkeling ervan, de opheffing ervan en de weg die leidt naar de opheffing ervan, en wanneer hij de neiging van de begeerte volledig heeft verloochend, wanneer de neiging van de afkeer is verjaagd, de neiging van de ik-heid is verwoest, wanneer hij het niet weten heeft verloren, het weten heeft verworven, dan maakt hij nog in dit leven aan het lijden een einde.

        In zoverre heeft een edele volgeling juist inzicht, in zoverre behoort hij tot de edele leer.

        Verder, wanneer de edele volgeling het bereik of gebied van de zes zintuigen onderkent, de ontwikkeling ervan, de opheffing ervan en het pad dat leidt naar de opheffing ervan, in zoverre heeft hij juist inzicht.

        Er zijn zes gebieden: het gebied van het oog; het gebied van het oor; het gebied van de neus; het gebied van de tong; het gebied van het lichaam; het gebied van de geest.

        De ontwikkeling van naam en vorm is oorzaak voor de ontwikkeling van het bereik van de zes zintuigen. De opheffing van naam en vorm is oorzaak voor de opheffing van het bereik van de zes zintuigen. Het pad dat leidt naar de opheffing van het bereik van de zes zintuigen is het edele achtvoudige pad.

        Wanneer nu de edele volgeling het bereik van de zes zintuigen onderkent, de ontwikkeling ervan, de opheffing ervan en de weg die leidt naar de opheffing ervan, en wanneer hij de neiging van de begeerte volledig heeft verloochend, wanneer de neiging van de afkeer is verjaagd, de neiging van de ik-heid is verwoest, wanneer hij het niet weten heeft verloren, het weten heeft verworven, dan maakt hij nog in dit leven aan het lijden een einde.

        In zoverre heeft een edele volgeling juist inzicht, in zoverre behoort hij tot de edele leer.

        Verder, wanneer de edele volgeling naam en vorm onderkent, de ontwikkeling ervan, de opheffing ervan en het pad dat leidt naar de opheffing ervan, in zoverre heeft hij juist inzicht.

        Gevoel, waarneming, gedachte, aanraking, oplettendheid, dat noemt men naam. De vier elementen [aarde, water, vuur en lucht] en wat door die vier elementen gevormd bestaat, dat noemt men vorm. Samen noemt men dat naam en vorm.

        De ontwikkeling van het bewustzijn is oorzaak voor de ontwikkeling van naam en vorm. De opheffing van het bewustzijn is oorzaak voor de opheffing van naam en vorm. Het pad dat leidt naar de opheffing van naam en vorm is het edele achtvoudige pad.

        Wanneer nu de edele volgeling naam en vorm onderkent, de ontwikkeling ervan, de opheffing ervan en de weg die leidt naar de opheffing ervan, en wanneer hij de neiging van de begeerte volledig heeft verloochend, wanneer de neiging van de afkeer is verjaagd, de neiging van de ik-heid is verwoest, wanneer hij het niet weten heeft verloren, het weten heeft verworven, dan maakt hij nog in dit leven aan het lijden een einde.

        In zoverre heeft een edele volgeling juist inzicht, in zoverre behoort hij tot de edele leer.

        Verder, wanneer de edele volgeling het bewustzijn onderkent, de ontwikkeling ervan, de opheffing ervan en het pad dat leidt naar de opheffing ervan, in zoverre heeft hij juist inzicht.

        Er zijn zes soorten bewustzijn: oogbewustzijn, oorbewustzijn, neusbewustzijn, tongbewustzijn, lichaambewustzijn, geestbewustzijn.

        De ontwikkeling van de formaties is oorzaak voor de ontwikkeling van het bewustzijn. De opheffing van de formaties is oorzaak voor de opheffing van het bewustzijn. Het pad dat leidt naar de opheffing van het bewustzijn is het edele achtvoudige pad.

        Wanneer nu de edele volgeling het bewustzijn onderkent, de ontwikkeling ervan, de opheffing ervan en de weg die leidt naar de opheffing ervan, en wanneer hij de neiging van de begeerte volledig heeft verloochend, wanneer de neiging van de afkeer is verjaagd, de neiging van de ik-heid is verwoest, wanneer hij het niet weten heeft verloren, het weten heeft verworven, dan maakt hij nog in dit leven aan het lijden een einde.

        In zoverre heeft een edele volgeling juist inzicht, in zoverre behoort hij tot de edele leer.

        Verder, wanneer de edele volgeling de formaties (sankhara) onderkent, de ontwikkeling ervan, de opheffing ervan en het pad dat leidt naar de opheffing ervan, in zoverre heeft hij juist inzicht.

        Er zijn drie soorten formaties: formaties van het lichaam; formaties van de taal; formaties van het hart.

        De ontwikkeling van onwetendheid is oorzaak voor de ontwikkeling van de formaties. De opheffing van de onwetendheid is oorzaak voor de opheffing van de formaties. Het pad dat leidt naar de opheffing van de formaties is het edele achtvoudige pad.

         Wanneer nu de edele volgeling de formaties onderkent, de ontwikkeling ervan, de opheffing ervan en de weg die leidt naar de opheffing ervan, en wanneer hij de neiging van de begeerte volledig heeft verloochend, wanneer de neiging van de afkeer is verjaagd, de neiging van de ik-heid is verwoest, wanneer hij het niet weten heeft verloren, het weten heeft verworven, dan maakt hij nog in dit leven een einde aan het lijden.

        In zoverre heeft een edele volgeling juist inzicht, in zoverre behoort hij tot de edele leer.

        Verder, wanneer de edele volgeling de onwetendheid onderkent, de ontwikkeling ervan, de opheffing ervan en het pad dat leidt naar de opheffing ervan, in zoverre heeft hij juist inzicht.

        Onwetendheid bestaat hierin: het lijden niet kennen, de ontwikkeling van lijden niet kennen, de opheffing van het lijden niet kennen, het pad dat leidt naar de opheffing van lijden niet kennen.

        De ontwikkeling van de neigingen (driften) is oorzaak voor de ontwikkeling van de onwetendheid. De opheffing van de neigingen is oorzaak voor de opheffing van de onwetendheid. Het pad dat leidt naar de opheffing van onwetendheid is het achtvoudige pad.

        Wanneer nu de edele volgeling de onwetendheid onderkent, de ontwikkeling ervan, de opheffing ervan en de weg die leidt naar de opheffing ervan, en wanneer hij de neiging van de begeerte volledig heeft verloochend, wanneer de neiging van de afkeer is verjaagd, de neiging van de ik-heid is verwoest, wanneer hij het niet weten heeft verloren, het weten heeft verworven, dan maakt hij nog in dit leven aan het lijden een einde.

        In zoverre heeft een edele volgeling juist inzicht, in zoverre behoort hij tot de edele leer.

        Verder, wanneer de edele volgeling de neigingen (asava) onderkent, de ontwikkeling ervan, de opheffing ervan en het pad dat leidt naar de opheffing ervan, in zoverre heeft hij juist inzicht.

        Er zijn drie soorten van neigingen: neiging tot zinnelijkheid, neiging tot bestaan, neiging tot onwetendheid.

        De ontwikkeling van de onwetendheid is oorzaak voor de ontwikkeling van de neigingen. De opheffing van de onwetendheid is oorzaak voor de opheffing van de neigingen. Het pad dat leidt naar de opheffing van de neigingen is het edele achtvoudige pad.

        Wanneer nu de edele volgeling de neigingen onderkent, de ontwikkeling ervan, de opheffing ervan en de weg die leidt naar de opheffing ervan, en wanneer hij de neiging van de begeerte volledig heeft verloochend, wanneer de neiging van de afkeer is verjaagd, de neiging van de ik-heid is verwoest, wanneer hij het niet weten heeft verloren, het weten heeft verworven, dan maakt hij nog in dit leven aan het lijden een einde.

        In zoverre heeft een edele volgeling juist inzicht, in zoverre behoort hij tot de edele leer.

M.10. (M.I.10) Satipatthāna sutta

        In het land van de Kuru, in de plaats Kammāsadamma. Daar onderwees de Boeddha de monniken over de grondslagen van oplettendheid.

        Dit sutta is gelijk aan Digha Nikaya 22, maar zonder de uitleg van de vier edele waarheden.

        [Voor een vertaling van deze leerrede, zie: De vier grondslagen van oplettendheid]

II. Sīhanāda-vagga (M.11-20) (M.II. 1-10)

        De eigenschappen van een volmaakte heilige. De dwaasheid van ascetische praktijken. Onvoldaanheid, lijden (dukkha). De waarde van zelfonderzoek. Tien smetten en boeien. Hoe slechte gedachten te verdrijven en hoe goede gedachten te ontwikkelen.[67]

M.11. (M.II.1) Cūlasīhanāda sutta

        Te Sāvatthi. Over de vier soorten van asceten. De ware monnik is alleen te vinden in de Orde van de Boeddha.

        De volmaakte heiligen zijn zonder begeerte, zonder haat en zonder illusie. Zij zijn zonder verlangen naar iets en hechten nergens meer aan. Zij zijn bevrijd van alle lijden.

M.11. (M.II.1) Cūlasīhanāda sutta

        

        Te Sāvatthi, in het park van Anāthapindika. De Boeddha sprak er tot de monniken over de vier soorten van asceten. Zij zijn zonder verlangen naar ruzie en twist met andere monniken.

        Alleen hier[68] bestaat een ware monnik, een tweede ware monnik, een derde ware monnik, alleen hier bestaat een vierde ware monnik. Andere leerstellingen zijn leeg van ware monniken.[69]

        Waarom alleen hier? – Wel, vier dingen zijn er: 1. vertrouwen in de leraar; 2. vertrouwen wat betreft de Dhamma; 3. vervulling van de oefening van deugdzaamheid; 4. onze medevolgelingen in de Dhamma, hetzij leken hetzij monniken en nonnen, zijn ons lief en aangenaam.

        Wat is hier anders dan bij andere leraren? - Het doel is één en niet veelvoudig.[70]

        Dat doel is bereikbaar voor iemand die vrij is van begeerte. Het is niet bereikbaar voor iemand die nog onderhevig is aan begeerte.

        Dat doel is bereikbaar voor iemand die vrij is van haat. Het is niet bereikbaar voor iemand die nog onderhevig is aan haat.

        Dat doel is bereikbaar voor iemand die vrij is van onwetendheid. Het is niet bereikbaar voor iemand die nog onderhevig is aan onwetendheid.

        Dat doel is bereikbaar voor iemand die vrij is van verlangen, die vrij is van hechten. Het is bereikbaar voor iemand met inzicht. Het is bereikbaar voor iemand die geen voorkeur en geen afkeer heeft.

        Het doel is bereikbaar voor iemand die geen behagen schept in het theoretisch buiten de perken gaan.

        Met welk recht mogen jullie over die vier asceten spreken? Wel, jullie hebben de Meester lief, jullie hebben de leer lief, jullie vervullen de regels van de Orde, en rechtschapen mensen zijn jullie waard en dierbaar, zowel wereldlijke als geestelijke mensen.

Als andere asceten dan zeggen dat zij eveneens de Meester liefhebben, en wel hun eigen meester en hun eigen leer, en als zij dan vragen wat het verschil is tussen jullie en die asceten, dan moeten jullie antwoorden: “Is de volmaaktheid uniek of is ze algemeen?” - “Ze is uniek. ”En die volmaaktheid is het bezit van de begeerteloze, van de haatloze, van de waanloze. De volmaaktheid heeft degene zonder dorst, en degene die niet meer ergens aan hecht, en degene die weet.

          Deze volmaaktheid heeft degene die niet verheugd noch ontstemd is. De volmaakte schept behagen in geen verscheidenheid.

        Er zijn twee soorten van meningen, de mening van bestaan en de mening van niet-bestaan. Degenen die de oorsprong, het verdwijnen, de bevrediging en het ontkomen in het geval van deze twee meningen juist begrijpen, lust en lijden, en de overwinning overeenkomstig de waarheid, die geen dorst meer hebben, die niet meer ergens aan hechten, zij die weten, die niet enthousiast noch ontstemd zijn, die geen verscheidenheid behaagt, zij zijn vrij van begeerte, haat en onwetendheid. Zij zijn vrij van verlangen en hechten. Zij hebben inzicht. Zij hebben geen voorkeur en geen afkeer. En zij scheppen geen behagen in het theoretisch buiten de perken gaan. Zij zijn bevrijd van geboorte, ouderdom en dood; zijn bevrijd van pijn, leed, geweeklaag, verdriet en wanhoop. Zij zijn vrij van dukkha.

        Er zijn vier soorten van hechten, namelijk hechten aan zin-genot; hechten aan meningen, hechten aan regels en rituelen; hechten aan een leer van een zelf.[71]

        Er zijn monniken en brahmanen die beweren de volledige doordringing van alle soorten van hechten te leren. Maar zij beschrijven die soorten van hechten niet volledig omdat zij ze niet overeenkomstig de werkelijkheid begrijpen.

        Bij een dergelijke leer en discipline is het duidelijk dat het vertrouwen met betrekking tot de leraar en tot de Dhamma niet in de juiste richting gaat; dat de vervulling van de oefening van deugdzaamheid niet in de juiste richting gaat, en dat de toeneiging onder de metgezellen in de Dhamma niet in de juiste richting gaat. Want de leer en discipline is er slecht onderwezen, slecht uitgelegd. Ze leidt niet naar bevrijding, naar vrede; ze is uitgelegd door iemand die niet volledig verlicht is.

        Maar een Tathāgata, een volledig Ontwaakte beschrijft het volledige doordringen van alle soorten van hechten volledig. Hij beschrijft de volledige doordringing van hechten aan zin-genot, van hechten aan meningen, van hechten aan regels en rituelen, en van hechten aan de leer van een zelf.

        Bij een dergelijke leer en discipline is het duidelijk dat het vertrouwen met betrekking tot de leraar in de juiste richting gaat, en ook het vertrouwen in de Dhamma; dat de vervulling van de oefening van deugdzaamheid in de juiste richting gaat en dat de toeneiging onder de metgezellen in de Dhamma in de juiste richting gaat. Want Dhamma en discipline zijn goed verkondigd en goed uitgelegd, bevrijdend, naar vrede leidend, uitgelegd door iemand die volledig verlicht is.

        

        [De Volmaakte is in staat alle hechten vanaf de basis uit te leggen]. Die vier soorten van hechten hebben verlangen (dorst) als oorsprong. Verlangen (dorst) heeft gevoel als oorsprong. Gevoel heeft contact, aanraking als oorsprong. Contact, aanraking heeft de zesvoudige basis van de zintuigen als oorsprong. De zesvoudige basis heeft naam en vorm als oorsprong. Naam en vorm heeft bewustzijn als oorsprong. Bewustzijn heeft formaties als oorsprong. Formaties hebben onwetendheid als oorsprong.

        Wanneer onwetendheid overwonnen wordt en echt weten bij iemand ontstaat, dan hecht hij niet meer aan zin-genot, dan hecht hij niet meer aan meningen, niet meer aan regels en rituelen, hecht niet meer aan de leer van een zelf. Wanneer hij niet meer aan iets hecht, is hij niet opgewonden. Wanneer hij niet opgewonden is, bereikt hij persoonlijk Nibbana. Hij begrijpt dan dat geboorte ten einde is gebracht, dat het heilige leven geleefd is, dat gedaan is wat gedaan moest worden. Er is verder niets meer te doen.

        De monniken verheugden zich over de woorden van de Boeddha.

M.12. (M.II.2). Mahāsīhanāda sutta - de kippenvel-leerrede

        Een vroegere monnik beweerde dat de Boeddha geen volledige Verlichting bereikt had, alleen maar theoretische kennis had. De Boeddha sprak toen over zijn bovennatuurlijke krachten, over de tien krachten van een Boeddha, over vier soorten van zekerheid, acht soorten bijeenkomsten, vier soorten van wedergeboorte, de werelden van bestaan, Nibbana. De beoefening van pijnlijke ascese leidt niet naar het doel.

M.12. (M.II.2) Mahāsīhanāda sutta – bovennatuurlijke krachten

        

        Eens vertoefde de Verhevene te Vesāli, aan de rand van het bos. De Licchavi-prins Sunakkhatta was kort daarvoor uit de Orde getreden. Hij beweerde op de bijeenkomst van de mensen van Vesali dat de Boeddha Gotama geen bovenmenselijke toestanden bereikt had. Dat hij geen helderheid van weten en inzicht had welke de edelen waardig is. De Boeddha zou alleen theoretische kennis hebben, alles uitgedacht. En de Boeddha zou de Dhamma onderwijzen dat ze iemand die ze uitoefent, naar volledige vernietiging van Dukkha leidt.[72]

        De eerwaarde Sāriputta hoorde tijdens zijn aalmoezenrondgang wat die prins allemaal vertelde. Na zijn terugkeer ging hij naar de Verhevene toe en vertelde hem wat de prins vertelde. – “De prins is toornig, en daarom spreekt hij zo. Maar hij prijst mij want hij zegt dat het doel van mijn leer is naar volledige vernietiging van het lijden te leiden."

        “Maar bij hem is geen idee van de waarheid; deze verkeerde geleide man zal nooit tot de conclusie komen: 'De Verhevene is volmaakt ontwaakt, volmaakt in weten en gedrag, een kenner van de werelden, een onvergelijkbare leider van mensen die bedwongen moeten worden, een leraar van goden en mensen, hij is verheven en verlicht.'

        "En hij zal nooit tot de conclusie komen: 'De Verhevene verheugt zich over de verschillende soorten van bovennatuurlijke krachten, namelijk van één vermenigvuldigt hij zich; en daarna wordt hij weer een; hij verschijnt en verdwijnt; hij gaat ongehinderd door een muur, een omheining, een berg, alsof hij zich door de vrije ruimte beweegt; hij duikt in de grond en weer eruit alsof het water was; hij loopt over het water zonder te zinken alsof het aarde was; hij reist in de lotuszit door de ruimte als een vogel; met de hand raakt hij maan en zon aan die zo krachtig en machtig zijn; hij heeft lichamelijke beheersing die zelfs tot de wereld van Brahmâ rijkt.'

        "En hij zal nooit tot de conclusie komen: 'Met het hemelse oor dat gezuiverd is en dat het menselijke oor overtreft, hoort die Verhevene beide soorten van geluiden, de hemelse en de menselijke, de geluiden die veraf zijn net zo als de geluiden die nabij zijn.

        En hij zal nooit tot de conclusie komen: ‘Dit is de Volmaakte die het gemoed van anderen kent. En die Verhevene omvat het hart van andere wezens, andere personen met zijn eigen hart. Hij begrijpt een geest die beïnvloed is door begeerte als door begeerte beïnvloed. En hij begrijpt een geest die niet door begeerte beïnvloed is, als niet door begeerte beïnvloed. Hij begrijpt een geest die beïnvloed is door haat als door haat beïnvloed. En hij begrijpt een geest die niet door haat beïnvloed is, als niet door haat beïnvloed. Hij begrijpt een geest die beïnvloed is door onwetendheid als door onwetendheid beïnvloed. En hij begrijpt een geest die niet door onwetendheid beïnvloed is, als niet door onwetendheid beïnvloed. Hij begrijpt een geest die samengetrokken is als samengetrokken. En hij begrijpt een geest die afgeleid is, als afgeleid. Hij begrijpt een verheven geest als verheven; en een niet verheven geest als niet verheven. Hij begrijpt een overtrefbare geest als overtrefbaar; en een onovertrefbare geest als onovertrefbaar. Hij begrijpt een geconcentreerde geest als geconcentreerd; en een ongeconcentreerde geest als ongeconcentreerd. Hij begrijpt een bevrijde geest als bevrijd; en een onbevrijde geest als onbevrijd.'

(De tien krachten van een Tathāgata)

        "De Tathāgata heeft de tien krachten van een Tathāgata, en omdat hij die bezit, maakt hij aanspraak op de plaats als aanvoerder van de kudde, laat hij zijn leeuwengebrul in de bijeenkomsten horen, en zet hij het wiel van de leer in beweging.[73] Die tien krachten zijn:

(1) "De Tathāgata begrijpt overeenkomstig de werkelijkheid het mogelijke als mogelijk en het onmogelijke als onmogelijk.

(2) "De Tathāgata begrijpt overeenkomstig de werkelijkheid de gevolgen van verrichte daden, vroegere, toekomstige en tegenwoordige, met de mogelijkheden en met de oorzaken.

(3) De Tathāgata begrijpt overeenkomstig de werkelijkheid de wegen die naar alle bestemmingsoorden leiden.

(4) De Tathāgata begrijpt overeenkomstig de werkelijkheid de wereld met haar vele en verschillende elementen.[74]

(5) De Tathāgata begrijpt overeenkomstig de werkelijkheid hoe de levende wezens verschillende neigingen hebben.

(6) De Tathāgata begrijpt overeenkomstig de werkelijkheid de aanleg van andere levende wezens, andere personen, tot hun vaardigheden.

(7) De Tathāgata begrijpt overeenkomstig de werkelijkheid het bevlekken, de reiniging en het opduiken met betrekking tot de jhanas, bevrijdingen, concentraties en bereikingstoestanden.[75]

(8) De Tathāgata herinnert zich aan zijn vele vroegere levens, d.w.z. aan één geboorte, twee geboorten, drie geboorten, vier geboorten, vijf geboorten, tien geboorten, twintig geboorten, dertig geboorten, veertig geboorten, vijftig geboorten, honderd geboorten, duizend geboorten, honderdduizend geboorten, veel aeonen waarin het universum zich samentrok, veel aeonen waarin het universum zich uitbreidde, veel aeonen waarin waarin het universum zich samentrok en uitbreidde. 'Daar werd ik zo en zo genoemd, was van zo'n familie, met zo'n verschijning, zodanig was mijn voedsel, zo mijn beleven van geluk en pijn, zo mijn levensspanne. En nadat ik van daar heengegaan was, verscheen ik ergens anders weer. Ook daar werd ik zo en zo genoemd, was van zo'n familie, met zo'n verschijning, zodanig was mijn voedsel, zo mijn beleven van geluk en pijn, zo mijn levensspanne. En nadat ik van daar heengegaan was, verscheen ik hier weer.'

(9) Met het hemelse oog dat gezuiverd is en het menselijke oog overtreft, ziet de Tathāgata de wezens sterven en weer verschijnen, lage en hoge, mooie en lelijke, in geluk en ellende, en hij begrijpt hoe de wezens overeenkomstig hun daden wedergeboren worden: 'Die geachte wezens die zich met lichaam, taalgebruik en geest slecht hebben gedragen, die de edelen gesmaad hebben, die verkeerde visies hadden en die in hun daden tot uitdrukking lieten komen, zijn na de dood in omstandigheden die door ontberingen bestempeld zijn, wedergeboren, op een ongelukkige plaats van bestemming, in verderfenis, ja zelfs in de hel. Maar die geachte wezens die zich met lichaam, taalgebruik en geest goed gedragen hebben, die de edelen niet gesmaad hebben, die juiste visies hadden en die in hun daden tot uitdrukking lieten komen, zijn na de dood op een gelukkige plaats van bestemming wedergeboren, ja zelfs in de hemelse wereld.' Zo ziet hij met het hemelse oog dat gezuiverd is en dat het menselijke oog overtreft, de wezens sterven en weer verschijnen, lage en hoge, mooie en lelijke, in geluk en ellende, en hij begrijpt hoe de wezens overeenkomstig hun daden voortgaan.

(10) De Tathāgata treedt door eigen verwerkelijking met hogere geestelijke kracht, hier en nu, binnen in de bevrijding van het hart, de bevrijding door wijsheid, die met de vernietiging van de neigingen neigingsvrij is, en hij vertoeft daarin.

        De Tathāgata heeft deze tien krachten. En daarom maakt hij aanspraak op de plaats als aanvoerder van de kudde, laat hij zijn leeuwengebrul horen en zet hij het wiel der leer in beweging."

        "Sāriputta, wanneer ik op een dergelijke manier weet en zie, zou dan iemand van mij zeggen dat ik geen bovenmenselijke toestanden heb bereikt, dat ik geen helderheid van het weten heb en van het inzicht dat de edelen waardig is, dat ik een Dhamma onderwijs die alleen maar met het verstand is uitgedacht, dan zal die persoon als hij dat gepraat en die gedachten niet opgeeft, in de hel terecht komen. Juist zoals een Bhikkhu, die deugdzaamheid, concentratie en wijsheid bezit, zich hier en nu zou verheugen over uiteindelijk inzicht,[76] zo zal het ook in dit geval gebeuren, dat hij, wanneer hij die visie niet opgeeft, in de hel zal terecht komen.

 

(Vier soorten van zelfzekerheid, vertrouwen)

        "Sāriputta, de Tathāgata heeft de volgende vier soorten van zelfzekerheid, en omdat hij die bezit maakt hij aanspraak op de plaats als leider van de kudde, laat hij zijn leeuwengebrul horen en zet hij het wiel der leer in beweging. Die vier soorten van zelfzekerheid zijn:

1) ik zie geen basis waarop mij iemand in de wereld ervan zou kunnen beschuldigen dat ik niet volledig verlicht ben. Omdat ik geen basis daarvoor zie, vertoef ik in zekerheid, zonder angst en in zelfzekerheid. [De Volmaakte is volledig ontwaakt.]

2) Ik zie geen basis waarop mij iemand in deze wereld ervan zou kunnen beschuldigen dat ik de neigingen niet vernietigd heb. Omdat ik geen basis ervoor zie, vertoef ik in zekerheid, zonder angst en in zelfzekerheid. [Hij heeft onwetendheid opgedroogd.]

3) Ik zie geen basis waarop mij iemand in deze wereld ervan zou kunnen beschuldigen dat de hindernissen die ik noem, niet in staat zijn iemand die erin verwikkeld is, te hinderen. Omdat ik geen basis ervoor zie, vertoef ik in zekerheid, zonder angst en in zelfzekerheid.

4) Ik zie geen basis waarop mij iemand in deze wereld ervan zou kunnen beschuldigen dat wanneer ik iemand de Dhamma onderwijs, ze hem dan als hij de in praktijk brengt, niet naar de volledige vernietiging van dukkha leidt. Omdat ik geen basis ervoor zie, vertoef ik in zekerheid, zonder angst en in zelfzekerheid. [Niemand kan met recht mij afwijzen, mijn leer weerleggen, zoiets bestaat niet.]

        Een Tathāgata heeft deze vier soorten van zelfzekerheid en daarom maakt hij aanspraak op de plaats als leider van de kudde."

        "Sāriputta, wanneer ik op een dergelijke manier weet en zie, zou dan iemand van mij kunnen zeggen: 'De monnik Gotama heeft geen enkele bovenmenselijke toestanden bereikt, heeft geen helderheid van het weten en van het inzicht dat de edelen waardig is. De monnik Gotama onderwijst een Dhamma die alleen met het verstand is uitgedacht, volgt zijn eigen overwegingen zoals het hem invalt.' Als iemand dat zou beweren en met dat gepraat en dat denken niet ophoudt, dan zal hij in de hel terecht komen.'

 

(De acht bijeenkomsten)        

        Er zijn acht bijeenkomsten: die van de krijgers; die van de priesters; die van de burgers; die van de asceten; die van de vier grote koningen (de goden van de vier streken); die van de goden van de Drieëndertig; die van de zinnelijke goden; en die van de heilige goden.

        De Volmaakte gaat met vertrouwen onder die bijeenkomsten, vele honderden. En ik bleef er rustig, onverstoord, vol vertrouwen.

"Ik herinner me eraan dat ik vele honderden bijeenkomsten van edelen bezocht heb, vele honderden bijeenkomsten van brahmanen, vele honderden bijeenkomsten van gezinshoofden, vele honderden bijeenkomsten van monniken. Ik herinner me eraan dat ik vele honderden bijeenkomsten van wezens van de hemel van de Vier Grote Koningen bezocht heb, vele honderden bijeenkomsten van wezens van de hemel van de Drieëndertig, vele honderden bijeenkomsten van het gevolg van Mara, vele honderden bijeenkomsten van het gevolg van Brahma.

        En al eerder heb ik met hen daar samen gezeten en met hen gesproken, mij met hen onderhouden. En toch zie ik geen reden ervoor dat men kan denken dat vrees en angst mij daar had kunnen overkomen. En omdat ik geen reden ervoor zie, vertoef ik in zekerheid, vrij van angst en met zelfzekerheid."

        "Sāriputta, wanneer ik op een dergelijke manier weet en zie, zou dan iemand van mij zeggen dat ik geen bovenmenselijke toestanden heb bereikt, dat ik geen helderheid van het weten heb en van het inzicht dat de edelen waardig is, dat ik een Dhamma onderwijs die alleen maar met het verstand is uitgedacht, dan zal die persoon als hij dat gepraat en die gedachten niet opgeeft, in de hel terecht komen."

(Vier soorten van ontstaan)

        "Er zijn vier soorten schoten: die van het ei; die van het lichaam; die van de gisting (uit vochtigheid); en die van het spontane ontstaan.

        Als een wezen de schaal van het ei doorbreekt en ter wereld komt, dat is de schoot van het ei.

        Als een wezen uit een vruchtblaas komt, uit het lichaam ter wereld komt, dat noemt men de schoot van het lichaam.

        De schoot van de gisting, van de vochtigheid is als een wezen in rottende vis of rottend vlees of in rot eten ter wereld komt, of in een poel of plas.

        De schoot van spontaan ontstaan is die van hemelse wezens en van bewoners in de hel en bepaalde menselijke wezens en enige wezens in de lagere werelden."

        "Sāriputta, wanneer ik op een dergelijke manier weet en zie, zou dan iemand van mij zeggen dat ik geen bovenmenselijke toestanden heb bereikt, dat ik geen helderheid van het weten heb en van het inzicht dat de edelen waardig is, dat ik een Dhamma onderwijs die alleen maar met het verstand is uitgedacht, dan zal die persoon als hij dat gepraat en die gedachten niet opgeeft, in de hel terecht komen."

 

(De vijf sferen van bestaan en Nibbāna)

        Er zijn vijf sferen van bestaan: 1. de neerwaartse weg, de hel; 2. de dierlijke sfeer; 3. het geestenrijk; 4. het mensenrijk; 5. het rijk van de goden. – Al die sferen van bestaan ken ik, en de weg ernaar toe, en de daden die ernaartoe leiden.

        Ik ken ook nibbana, de opheffing van onwetendheid, het pad ernaar toe, en het gedrag dat ernaartoe leidt. Door opheffing van onwetendheid bereikt men nog in dit leven de bevrijding door wijsheid.

        En ik doorschouw en onderken het gemoed van iemand. Aldus gedraagt hij zich, zo'n weg heeft hij genomen dat hij na de dood in verderf en onheil komt. Later zie ik hem dan met het hemelse oog hoe hij vervuld is van smartelijke, stekende, brandende gevoelens.

        Of ik doorschouw en onderken: Aldus gedraagt iemand zich dat hij na de dood als dier wedergeboren wordt. Ook hij heeft smartelijke, stekende, brandende gevoelens.

        En ik doorschouw en onderken het gemoed van iemand. Aldus gedraagt hij zich dat hij na de dood in de sfeer van de geesten komt. Met het hemelse oog zie ik hem dan later als geest, met veel smartelijke gevoelens.

        En ik doorschouw en onderken het gemoed van iemand. Aldus gedraagt hij zich dat hij na de dood als mens wedergeboren wordt. Met het hemelse oog zie ik hem dan later hoe hij als mens veel goede gevoelens heeft.

        En ik doorschouw en onderken het gemoed van iemand: Aldus gedraagt hij zich dat hij na de dood in oorden van hemelse vreugde komt.

        En verder doorschouw en onderken ik het gemoed van iemand aldus: “Zodanig handelt die persoon dat hij na verdwijnen van de waan de waanloze bevrijding van het gemoed verwerkelijkt en de bevrijding door wijsheid. Hij is enkel van zalige gevoelens vervuld.

        Dat zijn de vijf sferen van bestaan. En wie zegt dat de Verhevene niet het bovennatuurlijke heil van helderheid van weten heeft, dat de Boeddha een zelf uitgedachte leer verkondigt, wie dat zegt en er geen spijt van heeft, die gaat de neerwaartse weg."

(De ascetische oefeningen die de Bodhisatta uitoefende)

        "Sāriputta, ik herinner me een heilig leven geleid te hebben dat vier factoren had. Ik heb ascese uitgeoefend, het uiterste aan ascese. Ik heb ruwheid uitgeoefend, het uiterste aan ruwheid. Ik heb vermijding uitgeoefend, het uiterste aan vermijding. Ik heb teruggetrokkenheid uitgeoefend, het uiterste aan teruggetrokkenheid."        

        Ik was een onbeklede, een ongebondene, iemand die uit de hand at, geen aankomende en geen afwachtende. Ik duldde geen aanreiking, geen gunsten, geen uitnodiging. Ik keek bij het ontvangen van de aalmoezen niet naar de pot, niet naar de schotel, niet naar de deuringang, keek niet over het hekwerk, niet in de ketel. Ik nam niets aan van lieden die met z’n tweeën eten, niets van een zwangere, niets van een zogende, niets van een vrouw die van de man komt, niets van bevuilden, niets waar een hond bij staat, niets waar vliegen heen en weer zwermen. Ik at geen vis, geen vlees, dronk geen wijn, geen brandewijn, at geen gegiste haverbrij.

          Ik ging naar één huis en had genoeg aan één handvol eten. Ik ging naar twee huizen en had genoeg aan twee keer een handvol eten. Ik ging naar zeven huizen en had genoeg aan zeven keer een handvol eten. Ik hield me in leven door de milddadigheid van slechts één geefster, van slechts twee geefsters, van slechts zeven geefsters. Ik at slechts iedere eerste dag, slechts iedere tweede dag, slechts iedere zevende dag. Zo wisselde ik af en beschouwde streng deze vastenoefening die tot een halve maand zich uitstrekte.

           En ik leefde van kruiden en paddenstoelen, van wilde rijst en graan, van zaad en pitten, van plantenmelk en boomhars, van grassen, van koeienmest. Ik hield me in leven met wortels en bosvruchten. Ik leefde van afgevallen vruchten.

En ik droeg het hemd van hennep, het boetekleed, droeg een gewaad genaaid uit lompen die op het lijkenveld of op straat gevonden waren. Ik hulde me in lompen, in vellen, in huiden, omgordde mij met vlechten uit gras, met vlechten uit boomschors, met vlechten uit loof. Ik verborg mijn naaktheid onder een schort van pels, een borstelige schort, onder een uilenvleugel.

En ik rukte hoofd- en baardharen uit. Ik was iemand die steeds bleef staan en die niet ging zitten of liggen. Ik zat op mijn hielen. Ik legde me op de zijkant op een doornen bed. Elke avond daalde ik af voor de derde keer in het boetelingenbad. Zo oefende ik veelvuldig in de ascese van lichamelijke pijn.

        En vele jaren lang liet ik stof en vuil zich ophopen op het lichaam, tot het vanzelf afviel. En ik had niet het verlangen die laag van stof en vuil af te wassen.

        En ik oefende weemoed. Elke schrede was begeleid van helder bewustzijn. Zelfs een druppel water wekte medelijden in mij op. “Dat ik het kleine verdwaalde wezen toch geen schade toebreng.”

          En ik leerde het vertrekken. Ik ging in een bos en bleef er. Als ik dan een koeienherder of een veedrijver zag, of een kruidenzoeker en houtsprokkelaar of een houthakker, dan vluchtte ik van bos naar bos, van bos naar bos, van dal naar dal, van berg naar berg. De reden: zij zouden mij niet zien en ik wilde hen niet zien.

        En ik ging naar de kudden, naar de vastgebonden koeien en verzamelde in mijn aarden nap mest van de jonge zogende kalveren en daarvan leefde ik. En ik at en dronk ook mijn eigen uitwerpselen en urine.

        En ik ging in een ander verschrikkelijk bos om er te vertoeven. En daar heerste zo'n ontzetting dat bij iedere onheilige zwerver daar de haren te berge gingen staan. En tijdens de koude ijskoude nachten in de winter, tijdens de vorst, verbleef ik ‘s nachts op een open plek en overdag in het struikgewas. In de zomer, tijdens de hitte, verbleef ik overdag op een open plek en ‘s nachts in het struikgewas.

        En ik ging naar een lijkenplaats en ging er liggen op een hoop vergane gebeenten.

        Kinderen van herders kwamen naar me toe, spuwden op me en urineerden op me, wierpen rotzooi naar me en peuterden met spitse halmen in mijn oren. Maar er kwam geen boze gedachte in mij op. Dat is mijn gelijkmoedigheid geweest.

        Veel asceten en brahmanen zeggen en onderrichten dat het eten zuivert. Zij sporen aan om van steenappels te leven. Zij eten steenappels, drinken het sap ervan, genieten allerlei gerechten gemaakt van steenappels. Ik at slechts één steenappel per dag. En mijn lichaam werd buitengewoon mager.

        Veel asceten en brahmanen zeggen en onderrichten dat het eten zuivert. En zij sporen aan om bonen te eten, om van sesam te leven, om van rijst te leven. Zij verteren rijst, eten rijstebrij, drinken rijstwater, genieten allerlei gerechten uit rijst. Ik at dagelijks slechts één rijstkorrel. En mijn lichaam werd buitengewoon mager.

        Mijn armen en benen werden zoals dor verwelkt riet door die uiterst geringe opname van voedsel. Mijn zitvlak werd als de hoef van een kameel, mijn ruggegraat met de vooruit- en achteruit stekende wervels werd als een ketting van kogels, door die uiterst geringe opname van voedsel. Mijn ribben hieven zich vierkantig af zoals de daksparren van een oud huis. In mijn oogkassen verschenen de diepliggende oogsterren klein, door die uiterst geringe opname van voedsel. Mijn hoofdhuid werd hol en schrompelig erdoor. En toen ik het vel van de buik wilde voelen, raakte ik de ruggengraat aan. En toen ik de ruggengraat wilde betasten, raakte ik het vel van de buik aan. En dat kwam door die uiterst geringe opname van voedsel. En ik wilde ontlasting maken en urineren maar viel voorover door de uiterst geringe opname van voedsel. Om het lichaam te sterken wreef ik mijn ledematen met de hand. Daarbij vielen de lichaamsharen uit die aan de wortel rot waren, door die uiterst geringe opname van voedsel.

        En ook deze manier van ascese bracht mij niet dichter bij het bovenaardse heil van het heldere weten. En wel omdat ik de heilige wijsheid niet verworven had.

        Sommige asceten en brahmanen zeggen en onderrichten dat de kringloop zuivert. Maar de kringloop is helemaal geen gemakkelijke, die ik op deze lange tocht nergens gevonden heb zoals bv bij de zuivere goden.

        Sommige asceten en brahmanen zeggen en onderrichten dat de geboorte zuivert. Maar de geboorte is helemaal geen gemakkelijke, die ik op deze lange tocht nergens gevonden heb zoals bv bij de zuivere goden.

        Sommige asceten en brahmanen zeggen en onderrichten dat het leven zuivert, of dat de gave zuivert, of dat het vuuroffer zuivert.

        Sommige asceten en brahmanen zeggen en onderrichten: "Zolang men fris en krachtig is, met glanzend haar, in het genot van de gelukkige jeugd, in de eerste mannenleeftijd, zolang bezit men ook de hoogste krachten van de geest. Maar is men oud en grijs geworden, als het einde nadert, als men 80 of 90 of 100 jaren oud is, dan verdwijnen ook de krachten van de geest." Maar dit is niet algemeen geldig. Sariputta, ik ben nu oud geworden, ben al 80 jaren. Stel nu dat ik vier discipelen had die 100 jaar oud zouden worden, deugdzaam en sterk, begiftigd met de hoogste krachten van de geest. Als die mij vraag na vraag stelden, van de vier pijlers van inzicht, en ik zou hen uitleg na uitleg geven, en als zij dan onthielden wat ik uitlegde en zij stelden geen vraag een tweede keer, alleen rustend tijdens het eten en drinken, bij het urineren en zich ontlasten, en tijdens de slaap, dan bleef het getuigenis van de waarheid van de Volmaakte onuitgevoerd, want die vier discipelen zouden eerder sterven. De kracht van de geest van de Volmaakte zal onveranderd zijn.

        Terecht kan iemand van mij zeggen: "Een waanloos wezen is in de wereld verschenen, tot welzijn en heil van velen, uit mededogen met de wereld, tot heil voor goden en mensen."

        Nu stond bij die gelegenheid de eerwaarde Nāgasamāla achter de Verhevene om hem lucht toe te waaieren. Hij zei tot de Verhevene dat hij kippenvel had gekregen bij het luisteren naar die leerrede. De Verhevene zei dat hij die leerrede dan moest onthouden als de kippenvel-leerrede. De eerwaarde Nāgasamāla was tevreden en verheugd over de woorden van de Verhevene.

M.13. (M.II.3) Mahādukkhakkhandha sutta

        Te Sāvatthi. Lange toespraak over onvoldaanheid, lijden. Naakte asceten beweerden dat zij hetzelfde pad volgden als de Boeddha, en dat zij dezelfde leer onderwezen. Zij beweerden dat er geen enkelvoudigheid, geen uniek iets was in de leer van de Boeddha. De Verhevene legde toen de belangrijkste punten van zijn leer uit.[77]

        Hij legde aan de monniken uit wat de genoegens van de zinnen zijn, welke fouten en gevaren ze hebben en hoe zij eraan kunnen ontkomen. Hij sprak over begeerte en de overwinning ervan, en ook over de jhanas.[78]

M.13. (M.II.3) Mahādukkhakkhandha sutta

        

        Eens vertoefde de Verhevene te Sāvatthi, in het park van Anāthapindika. Veel monniken gingen toen met buitengewaad en nap op weg naar de stad om er aalmoezen te vergaren. Maar onderweg dachten zij dat het te vroeg was voor aalmoezen. Daarom gingen zij naar de parken waar andersdenkende pelgrims woonden. De andersdenkenden zeiden dat de asceet Gotama de begeerte, het lichamelijke, het gevoel onderzocht en dat zij dat ook deden. Graag wilden zij over de verschillen in opvatting daarover praten.

        De monniken gingen toen van de andersdenkenden weg en dachten dat de Boeddha hen dat wel zou uitleggen.

        Zij gingen naar Savatthi van huis tot huis voor aalmoezen, keerden terug en aten de maaltijd. Daarna gingen zij naar de Verhevene toe, groetten hem eerbiedig en gingen terzijde neerzitten. Zij vertelden wat er gebeurd was. De Boeddha zei daarop dat zij als volgt hadden kunnen antwoorden:

        "Wat is lafenis van het begeren, van het lichamelijke, van het gevoel? Wat is de ellende van het begeren, van het lichamelijke, van het gevoel? Wat is de overwinning van het begeren, van het lichamelijke, van het gevoel? De andersdenkenden hadden die vragen niet kunnen beantwoorden. Alleen de Volmaakte of een discipel van de Volmaakte kan dat uitleggen.

        Wat is lafenis van het begeren? Er zijn vijf soorten van begeren, namelijk (1) de door het gezichtsvermogen in het bewustzijn tredende vormen, gewenst, geliefd, lieflijk, aangenaam. (2) De door het gehoor in het bewustzijn tredende geluiden, gewenst, geliefd, lieflijk, aangenaam. (3) De door het reukorgaan in het bewustzijn tredende geuren, gewenst, geliefd, lieflijk, aangenaam. (4) De door de smaak in het bewustzijn tredende sappen, gewenst, geliefd, lieflijk, aangenaam. (5) De door de tastzin in het bewustzijn tredende aanrakingen, gewenst, geliefd, lieflijk, aangenaam.

        Monniken, dat zijn de vijf soorten van begeren. Wat goed en gewenst is daarvan, dat is lafenis van het begeren.

        Wat is de ellende van het begeren? Iemand verdient zijn levensonderhoud met het een of andere beroep. Hij moet er hitte of koude verduren, zon en wind trotseren, muggen, wespen en kruipende insecten hinderen hem, honger en dorst kwellen hem. Dat is de ellende van het begeren.

        Als die persoon die zich op die manier moeite doet, geen rijkdom verwerft, dan wordt hij terneergeslagen, depressief. Hij klaagt en wordt wanhopig. 'Tevergeefs is mijn streven; mijn moeite is voor niets.' Dat is de ellende van het begeren.

        Wanneer die persoon tot rijkdom komt, dan heeft hij zorgen om die rijkdom te behouden. Dat de bezittingen toch niet in beslag genomen worden, of gestolen worden, door vuur verbrand of door water verwoest worden. En als die laatste dingen toch gebeuren, dat wordt hij terneergeslagen en wanhopig. 'Ik heb geen bezit meer.' Dat is de ellende van begeren.

        Door begeerte is er ruzie tussen koningen, vorsten, priesters en burgers. Door begeerte is er ruzie tussen ouders en kinderen, is er ruzie tussen zonen en dochters onderling, en tussen vrienden. Oorlog, ruzie, twist, dat is de ellende van het begeren.

        Door begeerte gedreven worden verdragen gebroken, steelt men goederen van anderen, wordt er bedrogen en is er echtbreuk. Er worden dan straffen uitgedeeld. Dat is de ellende van begeren.

        Uit begeerte wordt er onrecht aangedaan. Zo geraakt men op de neerwaartse weg, in het onheil. Dat is de ellende van begeren.

        En wat is de overwinning van begeren? Het is de ontkenning van de prikkel van de wil, de verloochening ervan.

        Wat is lafenis van het lichamelijke? Schoonheid van het lichaam is lafenis van het lichamelijke. Het verdwijnen van de schoonheid van het lichaam, dat is de ellende van het lichamelijke. Het sterven van iemand, dat is de ellende van het lichamelijke.

        Wat is lafenis van de gevoelens? Iemand verkrijgt het eerste niveau van de meditatieve verdiepingen, ver van begeerte, ver van onheilzame dingen, in nadenkende uit rust geboren zalige vreugde. Hij is dan niet afhankelijk van zichzelf noch van anderen. Hij ondervindt een gevoel van onafhankelijkheid. Dat is het hoogste lafenis van de gevoelens.

        Verder verkrijgt een monnik de innerlijke stilte van de zee, de eenheid van het gemoed, die vrij is van nadenken, in de zalige vreugde geboren in concentratie, de tweede jhana. Tijdens die tweede jhana is hij noch van zichzelf afhankelijk noch van anderen. Hij ondervindt een gevoel van onafhankelijkheid. Dat is het hoogste lafenis van de gevoelens.

        Verder vertoeft een monnik in vreugdevolle rust gelijkmoedig, met inzicht, helder bewust. Hij ondervindt in het lichaam een geluk. Hij vertoeft in de derde jhana, Hij is dan niet van zichzelf afhankelijk noch van anderen. Dat is het hoogste lafenis van de gevoelens.

        Verder, na verwerping van de vreugde en het lijden, na vernietiging van de vroegere blijdschap en droefheid, verkrijgt een monnik de leedloze, vreugdeloze, gelijkmoedige vierde jhana, gelijkmoedig en met inzicht, de volkomen zuivere. Hij is dan niet van zichzelf afhankelijk noch van anderen Dat is het hoogste lafenis van de gevoelens.

        En wat is de ellende van de gevoelens? Wat er bestaat aan vergankelijk, smartelijk, wisselend gevoelen, dat is de ellende van de gevoelens.

        En wat is de overwinning van gevoelens? Wat er bestaat aan ontkenning van de prikkel van de wil, verloochening van de willensprikkel, dat is de overwinning van gevoelens.

M.14. (M.II.4) Cūladukkhakkhandha sutta

        Korte toespraak van de Boeddha tot de Sakya-vorst Mahanama over onvoldaanheid, lijden. De wortels van alle lijden in de wereld bestaan in begeerte naar zinnelijk genot, in een ten prooi vallen aan de verleidingen van wereldse genietingen.

        De Boeddha vroeg daarna aan Nigantha asceten waarom zij ascese beoefenden. Zij gaven ten antwoord dat hun leider had gezegd dat zij boete moesten doen voor hun fouten in het verleden. Door die boete zou er een einde komen aan hun lijden. De Boeddha vroeg toen of zij voorheen bestaan hadden of niet. Zij wisten het niet; en zij wisten niet welke slechte daad zij begaan hadden. Zij wisten ook niet of een deel van het lijden al overwonnen was en een ander deel nog niet. Zij wisten niet hoe zij in dit leven het juiste moesten doen. De asceten zeiden dat Bimbisara, de koning van Magadha, gelukkiger was dan de Boeddha. De Verhevene antwoordde toen dat de koning niet gelukkig was als hij een dag en een nacht zonder lichamelijke beweging en zonder een woord te zeggen moest doorbrengen. Maar de Verhevene kon dat wel, kon 2, 3, 4, 5, 6, 7 dagen roerloos blijven en geen woord zeggen en toch heel gelukkig zijn.

        Geluk wordt niet door pijn verkregen, maar door innerlijke vrede.

M.14. (M.II.4) Cūladukkhakkhandha sutta

        

        Eens vertoefde de Verhevene in het land van de Sakyas, nabij Kapilavatthu, in het park van de vijgenbomen. De Sakya-vorst Mahānāma bezocht toen de Verhevene en zei: "Eerwaarde heer, ik heb de leer van de Verhevene als volgt begrepen: begeerte is een smet van de geest, haat is een smet van de geest, onwetendheid is een smet van de geest. Toch dringen die smetten van de geest herhaaldelijk in mijn geest. Welk ding in mij is er dat mij ertoe brengt soms door begeerte, soms door afkeer en soms door onwetendheid beïnvloed te worden?" Ik vraag me af welke geestestoestand door mij nog niet is opgegeven en schuld eraan is dat soms mijn geest door begeerte, soms door afkeer en soms door onwetendheid beïnvloed is."[79]

        

        De Boeddha gaf ten antwoord dat een bepaalde geestestoestand door Mahānāma nog steeds niet was opgegeven.

        "Onbevredigend zijn begeerten, vol leed, vol kwalen, de ellende overweegt. Zelfs als de heilige discipel deze zin overeenkomstig de waarheid met volkomen wijsheid heeft ingezien, maar als hij buiten de begeerte, buiten het onheilzame geen gelukzaligheid en niets beters[80] heeft verwerkelijkt, dan danst hij nog om de begeerte heen. Maar zodra de heilige discipel die zin heeft ingezien en hij vindt buiten de begeerten, buiten het onheilzame gelukzaligheid en iets beters, dan danst hij niet meer om de begeerte heen.

        Ook ik had voor de Volmaakte Verlichting ingezien dat begeerten onbevredigend zijn en dat een groot gevaar erin zit.[81] Maar ik vond toen buiten de begeerten, buiten het onheilzame geen gelukzaligheid en niets beters. Ik bleef dus om de begeerte heen dansen. Maar toen ik die zin met volkomen wijsheid ingezien had en buiten de begeerten, buiten het slechte gelukzaligheid gevonden had en iets beters, toen besefte ik dat ik niet meer om de begeerten heen danste.

        Wat nu is bevrediging van begeerte? Er zijn vijf soorten van begeren, namelijk: (1) Vormen die door het visuele orgaan in het bewustzijn treden, verlangde, geliefde, verrukkelijke, aangename. (2) Geluiden die door het gehoor in het bewustzijn treden, verlangde, geliefde, verrukkelijke, aangename. (3) Geuren die door de reuk in het bewustzijn treden, verlangde, geliefde, verrukkelijke, aangename. (4) Sappen die door de smaak in het bewustzijn treden, verlangde, geliefde, verrukkelijke, aangename. (5) Aanrakingen die door de tastzin in het bewustzijn treden, verlangde, geliefde, verrukkelijke, aangename. Wat er bestaat aan goede en gewenste dingen volgens die vijf soorten begeren, dat is bevrediging van begeerte.

        Wat is ellende van het begeren? Iemand voorziet in zijn levensonderhoud door een baan. Hij is onderhevig aan hitte, koude, zon en wind. Muggen en wespen en kruipende insecten plagen hem. Honger en dorst lijdt hij. Dat is de ellende van het begeren, door begeerte ontstaan.

        Als hij met zijn moeite geen rijkdom verkrijgt, dan wordt hij naargeestig en verdrietig, wanhopig. Hij denkt: ‘Tevergeefs is mijn streven, mijn moeite heeft geen doel.’ Dat is de ellende van het begeren.

        Als hij wel tot rijkdom komt, plaagt hem de pijn om die rijkdom te behouden. Dat is de ellende van het begeren.

        Door begeerte gedreven ontstaan ruzie, oorlog, twist, strijd. Door begeerte gedreven wordt er gedood, worden verdragen verbroken, wordt gestolen en bedrogen, wordt echtbreuk gepleegd. Door begeerte gedreven gaan zij de weg van het onrecht. Na de dood komen zij op het neerwaartse pad, dat tot onheil leidt.

        Eens vertoefde ik te Rājagaha in het gebergte, aan de Gierepiek. Veel vrije broeders[82] woonden toen op de helling van de Zienerheuvel (Isigili) en beoefenden er de ascese van steeds blijven staan. Zij gingen niet zitten of liggen. Pijnlijke, smartelijke gevoelens kwamen over hen. Op een avond ging ik naar hen toe en vroeg waarom zij die ascese van steeds blijven staan uitoefenden. Zij gaven ten antwoord: “Onze leider Nāthaputta weet alles. Hij heeft steeds de volledige duidelijkheid van kennis." Hij zei tegen ons dat wij vroeger slechte dingen gedaan hebben. Daarom moeten wij nu boete doen door deze vorm van ascese. Door boetedoening en vermijding van nieuwe daden komt er uiteindelijk een einde aan lijden."

        Toen vroeg ik aan die asceten of zij voorheen bestaan hadden of niet. Zij wisten het niet. Zij wisten niet of zij voordien kwaad gedaan hadden. Zij wisten niet welke slechte daad zij begaan hadden. Zij wisten niet of een deel van het lijden (al) overwonnen was en een ander deel nog niet. Zij wisten niet hoe zij in dit leven het verkeerde moesten ontkennen en hoe zij het juiste moesten doen. De asceten zeiden ook dat de koning van Magadha gelukkiger was dan de monnik Gotama. De Verhevene antwoordde toen dat de koning niet gelukkig was als hij een dag en een nacht zonder lichamelijke beweging en zonder een woord te zeggen moest doorbrengen. Maar de Verhevene kon dat wel, kon 2, 3, 4, 5, 6, 7 dagen roerloos blijven en geen woord zeggen en toch heel gelukkig zijn.

M.15. (M.II.5) Anumāna sutta

        Te Susumāragira in het land Bhagga. Preek door de eerwaarde Moggallāna over de waarde van zelfonderzoek. De monniken wordt aangeraden zichzelf te onderzoeken en zich van 16 soorten stijfkoppigheid te bevrijden.

        Een slechte monnik is boosaardig en volgt slechte neigingen. Hij is een opschepper, is toornig en verontwaardigd jegens anderen. Hij wil niet luisteren naar goed advies. Hij dwaalt van het onderwerp af. Een goede monnik daarentegen is bedachtzaam, gedwee en vol respect.

        Men moet voortdurend zichzelf onderzoeken en wegen wat men waard is. En als men een fout bij zichzelf ontdekt, dan moet men zich inspannen om ervan bevrijd te worden.

M.15. (M.II.5) Anumāna sutta

        

        Eens vertoefde de eerwaarde Mahāmoggallāna in het land Bhagga, bij de stad Sumsumāragira, in het Bhesakalā-bos. Hij sprak er de monniken als volgt toe:

        "Als een monnik vraagt dat andere monniken hem moeten waarschuwen en het is twijfelachtig met hem, als hij ongeduldig is en een lering onbetamelijk opneemt, dan kunnen de medemonniken hem nauwelijks een waarschuwing of lering waard achten, kunnen hem geen vertrouwde omgang waard achten.

        Hoe is het twijfelachtig met hem ? Wel, een monnik is boosaardig en volgt slechte neigingen. Hij is een opschepper en veracht de anderen. Hij is toornig; vijandig gezind; hij vloekt, scheldt. Hij gaat tekeer tegen degene die hem vermaant. Hij beledigt hem; hij spreekt hem tegen. Hij leidt degene die hem vermaant, van het ene naar het andere [thema], hij dwaalt van het onderwerp af en toont ontevredenheid, afkeer en wantrouwen. Na de vermaning geeft hij zijn fouten niet toe. Hij is huichelachtig en afgunstig, Hij is verontwaardigd en egoïstisch. Hij is listig en gluiperig. Hij is koppig en ijdel. Hij hecht alleen aan eigen meningen, houdt stevig eraan vast en geeft ze alleen onder moeilijkheden op.

        Maar vraagt een monnik niet dat zijn medemonniken hem moeten waarschuwen en als hij geen twijfelgeval is, als hij geduldig is en de lering passend aanneemt, dan kunnen de medemonniken hem wel een waarschuwing of lering waard achten, kunnen hem een vertrouwde omgang waard achten.

        Welke dingen zijn gunstig voor een monnik? Wel, een monnik is niet boosaardig en volgt niet de slechte neigingen. Hij is geen opschepper en veracht de anderen niet. Hij is niet toornig; is niet vijandig gezind; hij vloekt niet, scheldt niet. Hij gaat niet tekeer tegen degene die hem vermaant. Hij beledigt hem niet; hij spreekt hem niet tegen. Hij leidt degene die hem vermaant niet van het ene naar het andere [thema], hij dwaalt niet van het onderwerp af en toont geen ontevredenheid, afkeer en wantrouwen. Na de vermaning geeft hij zijn fouten toe. Hij is vrij van huichelarij en afgunst. Hij is vrij van verontwaardiging en egoïsme. Hij is vrij van list en gluiperigheid. Hij is niet koppig en niet ijdel. Hij hecht niet aan eigen meningen, houdt niet stevig eraan vast en geeft ze gemakkelijk op.

        

        Een monnik moet zich met de volgende maat meten: "Iemand die kwaadaardig is en die slechte neigingen navolgt, die is mij niet aangenaam, is mij niet sympathiek. Als ik zelf mij zo zou gedragen, zou ik anderen onaangenaam en onsympathiek worden. Daarom zal ik niet kwaadaardig zijn, zal ik geen slechte neigingen navolgen. Ik zal niet opscheppen en anderen niet verachten. Ik zal niet toornig zijn. Ik zal niet vijandig gezind zijn. Ik zal niet vloeken. Ik zal niet schelden. Ik zal niet tekeer gaan tegen degene die mij vermaant. Ik zal hem niet beledigen, zal hem niet tegenspreken. Ik zal degene die mij vermaant niet van het ene naar het andere [thema] slepen; ik zal niet van onderwerp afdwalen. Ik zal geen ontevredenheid, afkeer en wantrouwen tonen. Ik zal mijn fouten toegeven. Ik zal niet huichelachtig en niet jaloers zijn. Ik zal niet verontwaardigd en egoïstisch zijn. Ik zal niet listig en niet gluiperig zijn. Ik zal niet koppig en niet ijdel zijn. Ik zal niet aan eigen meningen hechten, zal niet eraan vasthouden en zal ze gemakkelijk opgeven.

        

        Een monnik moet zich op de voorgaande punten zelf onderzoeken. En als hij een fout ontdekt, dan moet hij zich inspannen om ervan bevrijd te worden."

M.16. (M.II.6) Cetokhila sutta

        Over de vijf geestelijke boeien: (1) twijfel over de Boeddha; (2) twijfel over de Dhamma; (3) twijfel over de Sangha; (4) twijfel over de oefening; (5) onvriendelijkheid jegens medevolgelingen. Verder vijf andere boeien: gehechtheid aan zinnelijke verlangens, gehechtheid aan het lichaam, gehechtheid aan vorm [materiële objecten], onmatigheid in eten en drinken, monnik of non worden enkel om in een hemelse sfeer van bestaan wedergeboren te worden.

        Wie deze boeien heeft overwonnen, die kan in de Dhamma tot groei, toename en vervulling komen.

        Hij ontplooit denken en inspanning, energie en vastbeslotenheid, concentratie, onderzoek en enthousiasme. Hij is in staat om Nibbāna te verwerkelijken.

M.16. (M.II.6) Cetokhila sutta

                

        Eens vertoefde de Verhevene te Savatthi, in het park van Anāthapindika. Hij sprak er de monniken toe.

        “Wie de vijf hindernissen van het gemoed niet heeft overwonnen en wie de vijf boeien van het gemoed niet heeft doorgesneden, die kan in deze Orde niet tot ontplooiing van de waarheid, tot rijpheid (bloei) en ontplooiing ervan komen.

        Wat zijn die vijf hindernissen van het gemoed? (1) Een monnik twijfelt aan de Meester, koestert wantrouwen en afgunst. Daarom is zijn gemoed niet geneigd naar inspanning en moeite, standvastigheid en volharding. (2) Hij twijfelt aan de leer, koestert wantrouwen en afgunst. Daarom is zijn gemoed niet geneigd naar inspanning en moeite, standvastigheid en volharding. (3) Hij twijfelt aan de Orde, koestert wantrouwen en afgunst. Daarom is zijn gemoed niet geneigd naar inspanning en moeite, standvastigheid en volharding. (4) Hij twijfelt aan de orde-regel (discipline). Daarom is zijn gemoed niet geneigd naar inspanning en moeite, standvastigheid en volharding. (5) Hij ergert zich over zijn medemonniken, is terneergeslagen en heeft het benauwd. Daarom is zijn gemoed niet geneigd naar inspanning en moeite, standvastigheid en volharding.

        Wat zijn de vijf boeien van het hart?

(1) Een monnik heeft zich bij het willen niet bevrijd van begeerte, verlangen, lust, koorts, dorst. Daarom is zijn gemoed afgekeerd van inspanning en moeite, standvastigheid en volharding.

(2) Een monnik heeft zich bij het voelen niet bevrijd van verlangen. Daarom is zijn gemoed afgekeerd van inspanning en moeite, standvastigheid en volharding.

(3) Een monnik heeft zich bij het zien niet bevrijd van begeerte. Daarom is zijn gemoed afgekeerd van inspanning en moeite, standvastigheid en volharding.

(4) Een monnik heeft bij de maaltijd te veel gegeten. Hij gaat daarom behaaglijk zitten, behaaglijk liggen, behaaglijk slapen. Daarom is zijn gemoed afgekeerd van inspanning en moeite, standvastigheid en volharding.

(5) Een monnik leidt het heilige leven met de bedoeling een godheid te worden. Daarom is zijn gemoed afgekeerd van inspanning en moeite, standvastigheid en volharding.

        Monniken, wie van jullie de vijf hindernissen van het gemoed wel heeft overwonnen en de vijf boeien van het gemoed heeft doorgesneden, die kan wel in deze Orde tot ontplooiing en bloei van de waarheid komen.

(1) Hij twijfelt niet aan de Meester. Hij heeft vertrouwen en sympathie.

(2) Hij twijfelt niet aan de leer.

(3) Hij twijfelt niet aan de Orde.

(4) Hij twijfelt niet aan de orde-regels.

(5) Hij ergert zich niet over zijn medemonniken, is niet terneergeslagen en heeft het niet benauwd.

        Verder:

(1-3) Een monnik heeft zich bevrijd van begeerte bij het willen, bij het voelen en bij het zien.

(4) Hij heeft bij de maaltijd niet te veel gegeten. Hij gaat niet behaaglijk zitten, liggen of slapen. Zijn gemoed is geneigd naar inspanning en moeite, standvastigheid en volharding.

(5) Hij leidt het heilige leven niet met de bedoeling een godheid te worden.

        Hij verkrijgt het machtsgebied dat door innigheid, volharding en concentratie van de wil verworven wordt, verkrijgt het machtsgebied dat door innigheid, volharding en concentratie van kracht verkregen wordt, verkrijgt het machtsgebied dat door innigheid, volharding en concentratie van het gemoed verkregen wordt, verkrijgt het machtsgebied dat door innigheid, volharding en concentratie van onderzoek verkregen wordt. Hij verkrijgt heldenmoed. Hij is in staat om door te breken, is in staat tot ontwaking, tot volledige zekerheid.

M.17. (M.II.7) Vanapattha sutta

        Te Savatthi. Over de voor- en nadelen van het leven in het bos. Een plek die niet gunstig is voor geestelijke noch voor lichamelijke ontwikkeling moet opgegeven worden. Een plek die gunstig is voor geestelijke ontwikkeling, maar minder gunstig voor materiële steun, moet men behouden. En wanneer de voorwaarden gunstig zijn zowel voor geestelijke ontwikkeling als voor materiële steun, dan moet een monnik op die plek blijven zijn hele leven lang. En als hij bij iemand leeft wiens gezelschap gunstig is voor geestelijke ontwikkeling en voor materiële steun, dan moet een monnik bij hem blijven zijn hele leven lang.

        Kortom, als een monnik ergens leeft onder omstandigheden of bij personen die ongunstig zijn voor verdere ontwikkeling, dan moet hij er weggaan. En als hij leeft onder omstandigheden of bij personen die gunstig zijn voor verdere ontwikkeling, dan moet hij er blijven.[83]

M.17. (M.II.7) Vanapattha sutta

        Te Savatthi, in het park van Anāthapindika. Uitleg van bos-eenzaamheid.

        1) Een monnik leeft in bos-eenzaamheid. Hij heeft er geen inzicht, hij kan zich niet concentreren, de waan verdwijnt niet. Hij bereikt de onvergelijkbare zekerheid niet. Wat een asceet nodig heeft voor levensonderhoud, kleren, voedsel, slaapplaats en medicijnen in geval van ziekte, dat krijgt hij ternauwernood. Hij moet dan ook die bos-eenzaamheid verlaten, moet er niet blijven.

        2) Een monnik leeft in een andere bos-eenzaamheid. Hij heeft er geen inzicht, hij kan zich niet concentreren, de waan verdwijnt niet. Hij bereikt de onvergelijkbare zekerheid niet. Maar wat een asceet nodig heeft voor levensonderhoud, kleren, voedsel, slaapplaats en medicijnen in geval van ziekte, dat krijgt hij rijkelijk. Hij moet dan overwegen dat hij de bos-eenzaamheid niet leeft voor kleren, voedsel, slaapplaats en medicijnen in geval van ziekte. Ook hij moet na enige tijd die bos-eenzaamheid verlaten, moet er niet blijven.

        3) Een monnik leeft in een bos-eenzaamheid. Hij heeft er eerst geen inzicht, maar later krijgt hij inzicht, het gemoed wordt geconcentreerd, de waan verdwijnt en hij bereikt de onvergelijkbare zekerheid. Maar wat een asceet nodig heeft voor levensonderhoud, kleding, voedsel, slaapplaats, en medicijnen in geval van ziekte, dat krijgt hij weinig. Deze monnik moet een tijd in die bos-eenzaamheid blijven, moet er niet weggaan.

        4) Een monnik leeft in een andere bos-eenzaamheid. Hij verkrijgt er inzicht, het gemoed wordt geconcentreerd, de waan verdwijnt en hij bereikt de onvergelijkbare zekerheid. En wat een asceet nodig heeft voor levensonderhoud, kleding, voedsel, slaapplaats, en medicijnen in geval van ziekte, dat krijgt hij rijkelijk. Die monnik moet in die bos-eenzaamheid blijven, moet er niet weggaan.        

        5) Een monnik leeft in de omgeving van een dorp of burcht of stad, in het een of andere land, in het gezelschap van deze of gene persoon. Hij krijgt er geen inzicht, het gemoed wordt niet geconcentreerd, de waan verdwijnt niet en hij bereikt niet de onvergelijkbare zekerheid. Wat een asceet nodig heeft voor levensonderhoud, kleding, voedsel, slaapplaats, en medicijnen in geval van ziekte, dat krijgt hij weinig. Die monnik moet niet bij die persoon blijven maar hem zonder afscheid verlaten.

        6) Een monnik leeft in het gezelschap van een andere persoon. Hij krijgt er geen inzicht, het gemoed wordt niet geconcentreerd, de waan verdwijnt niet en hij bereikt niet de onvergelijkbare zekerheid. Maar wat een asceet nodig heeft voor levensonderhoud, kleren, voedsel, slaapplaats en medicijnen in geval van ziekte, dat krijgt hij rijkelijk. Die monnik moet na enige tijd die persoon zonder afscheid verlaten. Hij moet er niet blijven.

        7) Een monnik leeft in het gezelschap van deze of gene persoon. Hij verkrijgt er inzicht, het gemoed wordt geconcentreerd, de waan verdwijnt en hij bereikt de onvergelijkbare zekerheid. En wat een asceet nodig heeft voor levensonderhoud, kleren, voedsel, slaapplaats en medicijnen in geval van ziekte, dat krijgt hij weinig. Die monnik moet een tijd bij die persoon blijven, moet er niet weggaan.

        8) Een monnik leeft in het gezelschap van deze of gene persoon. Hij verkrijgt inzicht, het gemoed wordt geconcentreerd, de waan verdwijnt en hij bereikt de onvergelijkbare zekerheid. Wat een asceet nodig heeft krijgt hij rijkelijk. Die monnik moet zijn leven lang bij die persoon blijven en niet weggaan als hij niet weggejaagd wordt.

M.18. (M.II.8) Madhupindika sutta

        Nabij Kapilavatthu. De Sakya-prins Dandapāni vraagt aan de Boeddha welke leer hij onderwijst. De Verhevene geeft ten antwoord dat hij onderwijst dat de volmaakte heilige door niets uit zijn doen geraakt, geen vragen meer stelt en niet naar bestaan noch naar niet-bestaan verlangt. De prins begreep het niet en vertrok.

        Later vroeg een monnik nadere uitleg. De Verhevene zei: Als men iets waarneemt en er geen behagen in schept, er niet aan hecht, dat is het einde van begeerte, afkeer, onwetendheid, het einde van twijfel; daar worden de slechte dingen zonder rest vernietigd.

        De monniken gingen daarna naar de eerwaarde Maha Kaccāna en vroegen hem de korte toespraak nader uit te leggen. Diens uitleg was als volgt: Door contact van de zintuigen met zintuiglijke objecten (vormen, geluiden, geuren, smaken, aanrakingen, gedachten) ontstaat bewustzijn, aanraking, gevoel, waarneming, onderscheid. Als de zintuigen, zintuiglijke objecten en bijbehorend bewustzijn niet aanwezig zijn, dan komt er geen aanraking, geen gevoel, geen waarneming en geen onderscheid.

        De eerwaarde Mahā Kaccāna gaf de monniken de raad om naar de Verhevene te gaan en hem zelf te vragen. De monniken gingen toen naar de Boeddha toe en vertelden wat de eerwaarde Mahā Kaccāna onderwezen had. De Boeddha prees Mahākaccāno voor diens wijsheid en keurde alles goed.

M.18. (M.II.8) Madhupindika sutta

        In het land van de Sakyas, nabij Kapilavatthu, in het park van de vijgenbomen. De Verhevene ging er naar de stad om aalmoezen te vergaren. Hij ging van huis tot huis, kreeg aalmoezen en keerde weer naar het park terug. Hij at de maaltijd en ging naar het Grote Bos. Binnen in dat bos ging hij onder een groep van citroenappelbomen zitten om er de dag tot aan de zonsondergang door te brengen.

        De Sakka-prins Dandapāni wandelde ook naar dat bos en kwam tot bij de Verhevene. Hij groette hem vriendelijk en vroeg wat de asceet onderwees. “Ik verkondig dat de bekenner in deze wereld door niets uit zijn doen geraakt, en dat de heilige die geen vragen meer stelt, die elke ontstemming vernietigd heeft, niet naar bestaan noch naar niet-bestaan verlangt. Waarnemingen hechten niet meer aan hem. Dat verkondig ik."

        Met gefronste wenkbrauwen ging de prins weg.

        ’s Avonds keerde de Verhevene na de meditatie naar het park van de vijgenbomen terug. Hij vertelde er aan de monniken wat er gebeurd was. Een monnik vroeg nadere uitleg.

        De Boeddha: “Als de waarnemingen bij iemand verschijnen en als hij er geen behagen in schept, als ze niet meer aan hem hechten, dat is het einde van hechten van begeerte, is het einde van hechten van afkeer, is het einde van hechten van meningen, is het einde van hechten van twijfel, waan, bestaan, niet-weten, tekeergaan en bloedvergieten, oorlog en tweedracht, ruzie en strijd, liegen en bedriegen. Daar worden de slechte dingen zonder rest vernietigd.” Na deze woorden vertrok hij.

        De monniken gingen daarna naar de eerwaarde Mahākaccāna en vroegen hem de inhoud van die korte lering nader uit te leggen. De eerwaarde Mahākaccāna legde de lering toen als volgt uit.

        "Door het gezichtsorgaan en de vormen ontstaat het zien-bewustzijn. Door samenkomst van die drie ontstaat aanraking. Door aanraking ontstaat gevoel. Door gevoel ontstaat waarneming. Wat men waarneemt, daarover denkt men na. Men maakt onderscheid. En dan volgt afzondering. Wat men afzondert, verschijnt aan de mens als waarnemingen van bijzonderheid die betrekking hebben op vormen van vroegere, tegenwoordige en toekomstige tijden, welke vormen door het zien-bewustzijn waarneembaar zijn.

        Evenzo met gehoor – geluiden – hoorbewustzijn. Evenzo met reukorgaan – geuren – reukbewustzijn. Evenzo met smaakorgaan – sappen – smaakbewustzijn. Evenzo met de geest - gedachten en ideeën – denkbewustzijn.

        Als er gezichtsorgaan, vorm en zien-bewustzijn is, dan volgt aanraking, dan gevoel, dan waarneming, dan onderscheid.

        Evenzo met gehoor, reuk, smaak, aanraking, denken.

        Als gezichtsorgaan, vorm en zien-bewustzijn niet aanwezig zijn, dan komt er geen aanraking, geen gevoel, geen waarneming, geen onderscheid.”

        De eerwaarde Mahākaccāna gaf de monniken de raad om naar de Verhevene te gaan en hem zelf te vragen. De monniken gingen toen naar de Boeddha toe en vertelden wat de eerwaarde Mahākaccāno onderwezen had. De Boeddha prees Mahākaccāna voor diens wijsheid en keurde alles goed.

M.19. (M.II.9) Dvedhāvitakka sutta

        Te Savatthi. De Boeddha legt uit hoe gedachten van zin-genot, kwaadwil en wreedheid overwonnen kunnen worden door zulke gedachten te zien bij het ontstaan ervan en door dan te denken dat zij tot eigen leed, tot leed van anderen en tot beider leed leiden; dat ze wijsheid beïnvloeden en moeilijkheden veroorzaken.

        Gedachten van ontzegging, niet kwaadwil en niet wreedheid leiden niet tot eigen leed, noch tot leed van anderen, noch tot beider leed. Zulke gedachten bevorderen wijsheid, veroorzaken geen moeilijkheden en leiden naar Nibbana.

        De Boeddha verwijst er verder naar zijn eigen Verlichting (als in M.4). Het zekere en goede pad is het achtvoudige pad.

M.19. (M.II.9) Dvedhāvitakka sutta

        Te Sāvatthi, in het park van Anāthapindika. Toespraak van de Boeddha tot de monniken. “Vroeger, vóór de volmaakte Verlichting, ontstond bij mij de volgende gedachte: 'De ene na de andere overweging ga ik afzonderen.' En ik scheidde de overwegingen van begeerte, kwaad doen en woede aan de ene kant, en de overwegingen van ontzegging, niet kwaad doen, niet-woede aan de andere kant. Wanneer dan een overweging van begeerte ontstond, zei ik tot mezelf dat een overweging van begeerte was ontstaan. Die overweging van begeerte leidt naar eigen beperking en naar vreemde beperking, naar beperking van beide. Ze roeit de wijsheid uit, brengt verwoesting met zich mee, leidt niet naar bevrijding van waan, leidt naar eigen beperking. Bij die gedachten loste ze op. – Evenzo met de overwegingen van kwaad doen en woede.

        Wat een monnik lang overdenkt, daarheen neigt zich zijn gemoed. Als hij de overwegingen van begeerte, kwaad doen en woede lang overlegt, dan verloochent hij de overwegingen van ontzegging, niet kwaad doen en niet-woede.

        Toen een overweging van ontzegging ontstond, zei ik tot mezelf: 'Deze overweging van ontzegging is bij mij ontstaan. Ze leidt niet naar eigen beperking, niet naar vreemde beperking, niet naar beperking van beide; ze bevordert de wijsheid, brengt geen verwoesting met zich mee, leidt naar oplossing van waan. Ik kan er niets verschrikkelijks in vinden. Maar als ik lang overweeg, zal mijn lichaam moe worden, en het hart wordt mat. Dan is het hart verre van zelfverdieping. Toen concentreerde ik mijn hart, bracht het tot rust en vestigde het, opdat het hart niet mat zou worden.

        Evenzo met overwegingen van niet-schaden en niet-woede.

        Onbuigzaam was toen mijn kracht, inzicht was daar, het lichaam was tot rust gekomen, het gemoed was verdiept, één. En ik vertoefde in de eerste jhana, de tweede, derde en vierde jhana.

        Ik richtte toen het gemoed op de herinnering aan vroegere bestaansvormen (etc). Ik richtte het gemoed op het inzicht van verdwijnen-verschijnen van de wezens. Met het hemelse oog zag ik de wezens heengaan en weer verschijnen (etc.) [Zie M.12. De tien krachten].

        Dit weten had ik in de midden-uren van de nacht als tweede verkregen. Met een dergelijk gemoed richtte ik het gemoed op het inzicht van de opdroging van onwetendheid. 'Dit is lijden, dit is de ontwikkeling van lijden, dit is de opheffing van lijden, dit is het pad dat leidt naar de opheffing van lijden. Dit is onwetendheid, dit is de ontwikkeling van onwetendheid, dit is het pad dat leidt naar de opheffing van onwetendheid.' Met een dergelijk inzicht werd mijn gemoed bevrijd van de waan van wensen, de waan van bestaan en de waan van niet-weten. 'In de verloste is de verlossing; geboorte is opgedroogd.' Zo begreep ik. Het niet-weten was verdreven; het weten was verkregen. Dit was het derde inzicht."

M.20. (M.II.10) Vitakkasanthāna sutta

        De Boeddha onderwijst er vijf methoden om onheilzame gedachten te verdrijven die tijdens het mediteren kunnen ontstaan. Men moet slechte gedachten opgeven en goede gedachten ontwikkelen. Men moet over de nadelen van slechte gedachten nadenken. Men moet niet toestaan dat de geest zich wendt tot slechte gedachten. Men moet erover nadenken hoe gedachten ontstaan. En men moet zich oefenen in zelfbeheersing.

        Als slechte, onheilzame gedachten ontstaan, moet men de opmerkzaamheid richten op goede, heilzame gedachten. Als dan nog slechte, onheilzame gedachten ontstaan, moet men het gevaar in die gedachten onderzoeken: ze zijn onheilzaam, zijn te berispen, hebben lijden tot resultaat. Als dan nog slechte, onheilzame gedachten ontstaan, moet men proberen die gedachten te vergeten; men moet er geen acht op slaan. Als dan nog slechte, onheilzame gedachten ontstaan, moet men de opmerkzaamheid richten op het tot stilstand komen van de vorming van die gedachten. Als dan nog slechte, onheilzame gedachten ontstaan, moet men met inspanning de geest bedwingen. Met het overwinnen van die onheilzame gedachten wordt de geest innerlijk gevestigd, gekalmeerd en geconcentreerd. Wat men wil denken, die gedachten zal men denken; en wat men niet wil denken, die gedachten zal men niet denken.

M.20. (M.II.10) Vitakkasanthāna sutta

        

        Te Sāvatthi in het park van Anāthapindika. Toespraak van de Boeddha tot de monniken.

        Wie naar het hogere streeft, moet af en toe vijf soorten van voorstellingen overwegen:

        (1) Er is de voorstelling waarbij slechte, onwaardige overwegingen ontstaan, beelden van begeerte, afkeer en waan. Uit die overweging moet de monnik dan een ander, een waardig beeld verkrijgen. Terwijl hij dat waardige beeld verkrijgt, verdwijnen de slechte, onwaardige overwegingen. De beelden van begeerte, afkeer en waan lossen op. Omdat hij ze overwonnen heeft, vestigt zich het innerlijke hart, wordt rustig, geconcentreerd en sterk.

        (2) Wanneer bij iemand bij zijn pogingen om uit de ene voorstelling een andere, waardige voorstelling te verkrijgen, nog slechte, onwaardige overwegingen opkomen, beelden van begeerte, afkeer en waan, dan moet die monnik de ellende van zulke overwegingen overdenken, als volgt: 'Die onwaardige overwegingen zijn nu daar, die onzuivere, die lijden veroorzaken.' Terwijl hij het beroerde van zulke overwegingen overdenkt, verdwijnen de slechte, onwaardige overwegingen; de beelden van begeerte, afkeer en waan lossen op. Omdat hij ze overwonnen heeft, vestigt zich het innerlijke hart, wordt rustig, geconcentreerd en sterk.

        (3) Wanneer bij de overdenking van het lijden van die overwegingen nog slechte, onwaardige overwegingen opkomen, beelden van begeerte, afkeer en waan, dan moet die monnik aan die overwegingen geen aandacht schenken. De slechte, onwaardige overwegingen verdwijnen dan, de beelden van begeerte, afkeer en waan lossen op. Omdat hij ze overwonnen heeft, vestigt zich het innerlijke hart, wordt rustig, geconcentreerd en sterk.

        (4) Wanneer dan toch nog slechte, onwaardige overwegingen ontstaan, beelden van begeerte, afkeer en waan, dan moet de monnik die overwegingen de een na de ander accepteren, erop ingaan. Terwijl hij dat doet, verdwijnen de slechte, onwaardige overwegingen, de beelden van begeerte, afkeer en waan lossen op. Omdat hij ze overwonnen heeft, vestigt zich het innerlijke hart, wordt rustig, geconcentreerd en sterk.

        (5) Wanneer dan toch nog slechte, onwaardige overwegingen opkomen, beelden van begeerte, afkeer en waan, dan moet de monnik met op elkaar geperste tanden en met de tong tegen het verhemelte gedrukt het gemoed neerdrukken door de wil. Terwijl hij dat doet, verdwijnen de slechte, onwaardige overwegingen, de beelden van begeerte, afkeer en waan lossen op. Omdat hij ze overwonnen heeft, vestigt zich het innerlijke hart, wordt rustig, geconcentreerd en sterk.

        Wanneer bij jullie slechte, onwaardige overwegingen opkomen, beelden van begeerte, afkeer en waan, en wanneer jullie dan een andere, waardige overweging verkrijgen, dan verdwijnen die slechte, onwaardige overwegingen. De beelden van begeerte, afkeer en waan lossen op. Het gemoed wordt rustig, geconcentreerd en sterk.

        Iemand die de slechte overwegingen overwint, wordt een heerser over de soorten overwegingen genoemd. Welke overweging hij ook maar wil, die zal hij overwegen. En de overweging die hij niet wil, zal hij niet overwegen. De levensdorst heeft hij afgesneden,de boeien heeft hij weggegooid. Hij heeft aan het lijden een einde gemaakt door volledige overwinning van de ego-waan.

III. Tatiya-vagga (M.21-30) (M.III. 1-10)

        Het nadeel van een kwaad gemoed. Het beoefenen van liefdevolle vriendelijkheid (mettā). De verkeerde en de juiste manier om de Dhamma te leren. De leer is als een vlot, een middel om de andere oever te bereiken. Het edele streven. De leer van de Boeddha leidt naar volmaakte heiligheid.[84]

M.21. (M.III.1) Kakacūpama sutta

        Te Sāvatti, in het Jetavana park. De Boeddha sprak er m.b.t. bhikkhu Moliyaphagguna die bevriend was met nonnen. Andere monniken bekritiseerden hem erover. De bhikkhu werd kwaad en twistte met degenen die hem bekritiseerden. Toen de Boeddha hem de raad gaf weg te blijven bij nonnen en zijn gemoed te beheersen, bleef de monnik koppig. De Boeddha zei dat het niet passend was om overmatig veel contact met bhikkhunis te hebben. Ook toonde hij het nadeel van een kwaad gemoed.[85]

        De gelijkenis van de zaag. De Boeddha onderwees er over het beoefenen van universele liefdevolle vriendelijkheid (mettā). Men moet leren te vergeven. Men moet leren vrij te zijn. Men moet ernstig zijn. Men moet geen gedachten van boosheid in zich laten opkomen, zelfs al wordt men in stukken gezaagd.[86]

        Men moet zich aldus oefenen: de geest zal onbeïnvloed zijn; men moet geen kwade woorden spreken; men moet in medegevoel voor het welzijn van anderen vertoeven, met een geest van liefdevolle vriendelijkheid, zonder haat.        

        De Boeddha richt zich dan tot de andere monniken en spreekt over het eenmaal eten per dag. Daardoor is men vrij van ziekte en onbehagen; men verheugt zich in gezondheid, kracht en een licht leven. Verder spoorde hij de monniken aan het onheilzame op te geven en het heilzame te ontplooien. Ook moeten zij gemakkelijk te vermanen zijn en zichzelf gemakkelijk te vermanen maken door de Dhamma te eren, te respecteren en te vereren. Wat anderen ook zeggen, de geest van de monnik moet onbeïnvloed blijven. Hij moet geen kwade woorden uiten; hij moet liefdevolle vriendelijkheid jegens de ander koesteren.

M.22. (M.III.2) Alagaddūpama sutta

        Te Sāvatthi. De monnik Arittha begreep de leer van de Boeddha verkeerd. Hij beweerde dat de Boeddha toonde hoe men zich in zinnelijke genietingen kon verheugen zonder op het pad gehinderd te worden. De Boeddha weerlegde zijn verkeerde ideeën maar de monnik bleef koppig. De Verhevene sprak toen tot de monniken over de verkeerde en de juiste manier om de Dhamma te leren.

        Gelijkenis van de slang. Het hebben van verkeerde ideeën over de Dhamma is als het vastpakken van een slang bij de staart. Die slang keert zich om en bijt de man. Evenzo kan men verwachten dat het religieuze leven iemand veel schade kan brengen als het niet serieus beoefend wordt.

        Sommigen leren de Dhamma maar zij onderzoeken de betekenis ervan niet met wijsheid. Daarom komen zij er niet toe ze reflectief aan te nemen. In plaats daarvan leren zij de Dhamma alleen om kritiek op anderen te kunnen geven. Zij hebben geen vooruitgang in de leer. Omdat zij de leer niet juist opnemen, draagt dat lang bij tot hun nadeel en leed.

Gelijkenis van het vlot

        De leer wordt er vergeleken met een vlot. Het doel ervan is de rivier over te steken, niet om het vast te houden. Na aankomst aan de andere oever neemt men het vlot niet meer mee. Het doel van de Dhamma is volledige bevrijding te bereiken. Als de heilige de stroom heeft overgestoken, is de Dhamma niet meer nodig.[87] Het is dan niet meer nodig dat hij of zij zich aan de Dhamma hecht.

          Stel dat een man op een reis een grote watermassa zag. Deze kant ervan was gevaarlijk en vol angstaanjagende dingen. De andere oever was veilig en vrij van angstaanjagende dingen. Maar er was geen brug en geen veerboot  om naar de overkant te geraken. Die man verzamelde toen gras, twijgen, takken en bladeren en maakte daarmee een vlot. Met behulp van dat vlot en met gebruik van armen en benen kwam hij veilig aan de andere oever.
        Hij dacht toen dat het vlot erg nuttig voor hem was geweest. “Stel dat ik het op mijn hoofd of schouder plaats en dat ik dan ga waarheen ik wil.”

     Zou die man met die manier van handelen datgene doen wat hij met dat vlot zou moeten doen? - Neen, eerwaarde Heer. - Wat zou hij dan ermee moeten doen? Hij kan het vlot op droog land trekken of het in het water laten drijven, en dan gaan waarheen hij wil. Met die manier van handelen zou die man datgene doen wat hij met dat vlot zou moeten doen.

         Evenzo is de leer gelijk aan een vlot. Ze dient om ermee over te steken, niet om ze vast te houden.

          Wanneer jullie deze gelijkenis van het vlot begrijpen, moeten jullie ook goede toestanden opgeven, en destemeer slechte toestanden.

        Verder spreekt de Boeddha er over anatta. Vorm, gevoel, waarneming, formaties, gedachten – dat alles is niet van mij, dat ben ik niet, dat is niet mijn zelf. Dat wat gezien, gehoord, gevoeld, waargenomen, gezocht, overwogen is, is niet van mij, dat ben ik niet, dat is niet mijn zelf.

        Er is niets dat onvergankelijk, eeuwigdurend is. Als er een zelf was, zou er ook iets zijn dat tot dat zelf behoort. Maar er is geen zelf.

        Vorm, gevoel, waarneming, formaties, bewustzijn, – dat alles is vergankelijk en daarom kan dat niet als “mijn zelf” beschouwd worden. Wie dat inziet, wordt zonder begeerte ernaar. Daardoor wordt zijn geest bevrijd. Die persoon heeft geen grens, heeft de last afgelegd, is ongeboeid. Hij heeft onwetendheid geheel en al uitgeroeid. Hij heeft begeerte overwonnen. Hij heeft de vijf lagere boeien overwonnen. Hij heeft de illusie van “ik” overwonnen, geheel en al verwijderd. Hij is aan de andere oever aangekomen, is onvindbaar geworden.

        Daarom geef op wat niet van u is.

        De Boeddha spreekt dan verder erover dat sommigen zijn woorden verkeerd uitleggen. Maar hij wordt er niet boos of verdrietig over. Wanneer anderen ons beledigen, op ons schelden en ons lastig vallen, dan moet geen ergernis, geen verbittering of neerslachtigheid gekoesterd worden. En wanneer anderen ons eren, respecteren en hoogachten, dan moet geen vreugde gekoesterd worden.

        Wij moeten opgeven wat niet van ons is, en wel: vorm, gevoel, waarneming, formaties, bewustzijn. Wanneer dat alles is opgegeven, zal dat lang tot heil en zegen strekken.

        De Dhamma is goed verkondigd, helder, open, duidelijk. In deze Dhamma is geen beschrijving van een toekomstige ronde van bestaan voor volmaakte heiligen. Degenen die de vijf lagere boeien hebben overwonnen, zullen spontaan (in de Zuivere Sferen) wedergeboren worden en daar Nibbana verkrijgen zonder vandaar terug te keren. Degenen die drie boeien hebben overwonnen, en in wie begeerte, haat en onwetendheid is verminderd, zij zijn eenmaal wederkerenden; nog een keer komen zij in deze wereld terug om aan het lijden een einde te maken. Degenen die drie boeien hebben overwonnen, zijn in de stroom getredenen; zij zijn op weg naar de Verlichting. Degenen die de Dhamma navolgen zijn, of die vol vertrouwen zijn, zij allen gaan de Verlichting tegemoet. Degenen die genoeg liefde, toewijding hebben voor de Boeddha, zij gaan een hemelse sfeer tegemoet.

        

M.23. (M.III.3). Vammīka sutta

        Te Savatthi. Een zekere godheid vertelde aan de eerwaarde Kumāra Kassapa de gelijkenis van de smeulende mierenheuvel. Deze ging naar de Boeddha die de gelijkenis uitlegde. De mierenheuvel wordt er vergeleken met het menselijke lichaam.

        Onwetendheid moet overwonnen worden door edele wijsheid en het opwekken van energie.

        Men moet wanhoop en woede overwinnen met wijsheid.

        Men moet twijfel overwinnen met wijsheid.

        De vijf hindernissen – zinnelijke begeerte, kwaadwil, traagheid en slapheid, rusteloosheid en gewetensonrust, twijfel – moeten overwonnen worden met wijsheid.

        De vijf groepen van bestaan – vorm, gevoel, aanraking, formaties, bewustzijn – moeten opgegeven worden met wijsheid.

        De vijf soorten van zinnelijke genietingen – vormen, geluiden, geuren, smaken, aanrakingsobjecten – moeten opgegeven worden met wijsheid.

        Behagen scheppen en begeerte moeten overwonnen worden met wijsheid.

        Iemand die de neigingen heeft vernietigd, moet men vereren.

M.24. (M.III.4) Rathavinīta sutta

        De eerwaarde Sāriputta vroeg aan de eerwaarde Punna Mantāniputta met welk doel in het vooruitzicht het heilige leven (de Dhamma) beoefend wordt - voor zuiverheid van gedrag, voor zuiverheid van de geest, voor zuivering van visie, voor zuivering van het overwinnen van twijfel, voor zuivering door weten en zien van pad en niet-pad, voor zuivering van weten en het zien van de oefeningsweg, of voor zuivering door weten en zien.

        De eerwaarde Punna legde uit dat dit alles verschillende halteplaatsen zijn op de zevenvoudige weg naar nibbāna. Die plaatsen moet de monnik één voor één oversteken totdat hij het doel bereikt, nibbāna.[88]

M.25. (M.III.5) Nivāpa sutta

        De geneugten van de wereld worden er vergeleken met het veld van Mara die er als een jager vallen legt om herten te vangen. De wijze monnik is voorzichtig en valt er niet aan ten prooi. Hij vertoeft in de jhanas. Daar kan Mara niet komen.[89]

M.25 (M.III.5) Nivāpa sutta. Uit het zicht van het kwaad

          Eens vertoefde de Verhevene in het Jetavana-klooster te Sāvatthi. Na de maaltijd ging hij samen met de eerwaarde Ānanda naar het Pubbarama-klooster. In de buurt ervan lag de hermitage van de brahmaan Rammaka. Daar was een groep monniken bijeen gekomen. Zij werden door de Boeddha onder andere onderwezen met de volgende toespraak:

          “Monniken, de volgende vijf soorten lust bestaan er:

1. de met het oog herkenbare vormen;

2. de met het oor herkenbare klanken;

3. de met de neus herkenbare geuren;

4. de met de tong herkenbare smaken;

5. de met het lichaam herkenbare aanrakingen.

Deze vijf soorten lust zijn verrukkelijk, aangenaam, aantrekkelijk, lieflijk, lustvol en hartstochtelijk.

Degenen die deze vijf soorten lust genieten, die erin verstrikt zijn, verblind, zonder inzicht in het lijden, die niet weten hoe eraan te ontkomen, die personen zijn aldus te verstaan: tot het ongeluk vervallen, tot neergang vervallen, een voorwerp naar willekeur voor het kwaad.

Monniken, zoals een dier in het bos dat gebonden op een hoop strikken ligt, aldus te verstaan is: tot ongeluk vervallen, tot neergang vervallen, een voorwerp naar willekeur voor de jager. Als de jager komt, kan het niet naar believen weggaan. Evenzo zijn degenen die deze vijf soorten lust genieten, die erin verstrikt zijn, verblind, zonder inzicht in het lijden, zonder te weten hoe eraan te ontkomen, die zijn aldus te verstaan: tot het ongeluk vervallen, tot neergang vervallen, een voorwerp naar willekeur voor het kwaad.

          Maar degenen die deze vijf soorten lust genieten zonder erin verstrikt te zijn, onverblind, niet overweldigd, vol inzicht in het lijden, die weten hoe eraan te ontkomen, die personen zijn aldus te verstaan: niet tot het ongeluk vervallen, niet tot neergang vervallen, geen voorwerp naar willekeur voor het kwaad.

          Zoals een dier in het bos dat ongebonden op een hoop strikken ligt, aldus te verstaan is: niet tot ongeluk vervallen, niet tot neergang vervallen, geen voorwerp naar willekeur voor de jager. Als de jager komt, kan het naar believen weggaan.

          Zoals een dier in het bos nabij de rand van een berg loopt en er veilig gaat, veilig staat, veilig de slaapplaats kiest, en waarom? - Het is niet in het bereik van de jager gekomen. Evenzo, monniken, vertoeft een monnik, vrij geworden van lust, vrij geworden van ongoede dingen, in het bezit van de eerste meditatieve verdieping die met indrukken en overwegingen verbonden is, die uit eenzaamheid ontstaan is, die gelukkig maakt vol vreugde. Deze persoon wordt een monnik genaamd. Blind gemaakt heeft hij de dood, spoorloos gedood heeft hij het oog van de dood. Hij is uit het zicht van het kwaad gekomen.

         En verder, monniken, door het tot rust komen van indrukken en overwegingen verkrijgt hij de innerlijke vrede, de geestelijke eenwording. En hij vertoeft in de tweede meditatieve verdieping die vrij is van indrukken, vrij van overwegingen, die ontstaan is uit zelf-verdieping, die gelukkig maakt vol vreugde. Deze persoon wordt een monnik genaamd. Blind gemaakt heeft hij de dood, spoorloos gedood heeft hij het oog van de dood. Hij is uit het zicht van het kwaad gekomen.

          En verder, monniken, door het vrij worden van zucht naar vreugde vertoeft hij gelijkmoedig, nadenkend en bezonnen. En hij ondervindt lichamelijk het geluk dat door de edelen genoemd is: gelijkmoedig, vol inzicht, gelukkig vertoevend. Zo vertoeft hij in het bezit van de derde meditatieve verdieping. Deze persoon wordt een monnik genaamd. Blind gemaakt heeft hij de dood, spoorloos gedood heeft hij het oog van de dood. Hij is uit het zicht van het kwaad gekomen.

          En verder, monniken, door het achterlaten van geluk, door het achterlaten van leed, door het verdwijnen van vroegere bevredigingen en zorgen vertoeft hij in het bezit van de vierde meditatieve verdieping, de leedvrije, de gelukvrije, de in gelijkmoedigheid en oplettendheid gezuiverde. Deze persoon wordt een monnik genaamd. Blind gemaakt heeft hij de dood, spoorloos gedood heeft hij het oog van de dood. Hij is uit het zicht van het kwaad gekomen.

          En verder, monniken, door volledige overwinning van het waarnemen van vormen, door vernietiging van voorwerp-waarnemingen, door het niet ingaan op veelheids-waarnemingen, heeft een monnik met [de gedachte] ‘Oneindig is de ruimte’ het gebied van de ruimte-oneindigheid bereikt. Deze persoon wordt een monnik genaamd. Blind gemaakt heeft hij de dood, spoorloos gedood heeft hij het oog van de dood. Hij is uit het zicht van het kwaad gekomen.

          En verder, monniken, heeft een monnik volledig het gebied van de ruimte-oneindigheid overwonnen en heeft met [de gedachte] ‘Oneindig is het bewustzijn’ het gebied van de bewustzijns-oneindigheid bereikt. Deze persoon wordt een monnik genaamd. Blind gemaakt heeft hij de dood, spoorloos gedood heeft hij het oog van de dood. Hij is uit het zicht van het kwaad gekomen.

          En verder, monniken, heeft een monnik volledig het gebied van de bewustzijns-oneindigheid overwonnen en heeft met [de gedachte] ‘Niets is er’ het gebied van de niets-is-er sfeer bereikt.

          Hij heeft volledig het gebied van de niets-is-er sfeer overwonnen en heeft het gebied van noch-waarneming-noch-niet-waarneming bereikt.

          Hij heeft volledig het gebied van noch-waarneming-noch-niet-waarneming overwonnen en heeft de vernietiging van waarneming en gevoelen bereikt. En wijze inziende zijn de neigingen bij hem verdwenen.

          Deze persoon wordt een monnik genaamd. Blind gemaakt heeft hij de dood, spoorloos gedood heeft hij het oog van de dood. Hij is uit het zicht van het kwaad gekomen. Ontkomen is hij aan het hechten aan de wereld. Hij gaat veilig, staat veilig, veilig zit hij neer, veilig kiest hij een rustplaats voor de nacht, en waarom? - Hij is niet in het bereik van het kwaad gekomen.”

          Aldus sprak de Verhevene. Tevreden verheugden zich die monniken over de toespraak van de Boeddha.[90]

M.26. (M.III.6) Āriyapariyesana sutta (Pāsarāsi sutta)

        Het edele streven. De Boeddha vertelt er over zijn ervaringen vanaf het begin van zijn zoektocht, hoe hij de Verlichting bereikte en hoe hij het Wiel der leer in beweging bracht en de vijf asceten bekeerde.[91]

[ zie o.a. van zoektocht tot Verlichting  en  het 1e jaar na de Verlichting, verkondiging van de leer ]

M.27. (M.III.7) Cūlahatthipadopama sutta

        Te Sāvatthi. De korte gelijkenis van de olifantenvoetafdruk.

        De brahmaan Jānussoni vroeg aan de zwervende asceet Pilotika die juist terugkwam van de Verhevene, of hij alle deugden en bekwaamheden van de Boeddha kende. De asceet antwoordde dat alleen een andere Boeddha dat kon weten. Hijzelf kon het zich alleen voorstellen in zoverre als zijn verbeelding reikte, juist zoals een jager de grootte van een olifant kon schatten aan de hand van diens voetafdrukken.

        Later ging de brahmaan Jānussoni naar de Boeddha toe en vertelde hem wat hij met de asceet besproken had. De Verhevene vertelde hem dat de voetafdrukken van een olifant misleidend kunnen zijn. Alleen degene die de voetafdrukken volgt en het dier in ware grootte ziet, kan erover oordelen. Evenzo kunnen de deugden van de Boeddha en van zijn leer ten volle begrepen en gewaardeerd worden wanneer men de leer navolgt en uitoefent totdat het doel, Arahantschap, bereikt is.[92]

In dit sutta is een beschrijving te vinden van iemand die het Arahant-ideaal nastreeft. In het kort volgt die beschrijving hier.

           Hij geeft het doden van levende wezens op. Stok en zwaard legt hij neer en hij is bescheiden en barmhartig, mededogend jegens al wat leeft. Hij neemt niets wat niet is gegeven en hij leeft afgescheiden, ziet af van lust. Hij liegt niet meer, spreekt steeds de waarheid en bedriegt niet. Hij geeft lasterpraat op. Wat hij hier gehoord heeft, herhaalt hij niet elders. Hij verenigt gescheidenen, spoort vrienden aan; hij verheugt zich over eendracht, en hij spreekt woorden die eenheid bevorderen. Hij geeft ruwe taal op; zijn woorden zijn aangenaam voor het oor, hartverwarmend. Hij geeft kletspraatjes op. Hij spreekt wat tijdig is, waar en vol betekenis. Hij ziet ervan af schade toe te brengen aan zaden en planten. Hij ziet af van het aannemen van goud en zilver, vrouwen en meisjes, slaven en slavinnen. Hij ziet af van het aannemen van schapen en geiten, pluimvee en varkens, vee, velden en landerijen. Hij ziet af van de oneerlijke activiteiten van omkoperij, misleiding en bedrog. Hij ziet af van messentrekkerij, doden, gevangen zetten, roven, plunderen; hij ziet af van alle geweld.

M.28. (M.III.8) Mahāhatthipadopama sutta

        Te Sāvatthi. De eerwaarde Sāriputta spreekt de monniken toe. De lange gelijkenis van de olifantenvoetafdruk. Zoals de voetafdrukken van alle wezens passen in de voetafdruk van een olifant, evenzo kunnen de principes van andere religies ingevat worden in de leer van de Vier Edele Waarheden. De vijf bestaansgroepen waaraan gehecht wordt, zijn de bestaansgroepen van vorm, van gevoel, van aanraking, van de formaties en van het bewustzijn. Verder spreekt de eerwaarde Sariputta over oorzakelijk ontstaan en over niet-zelf.

M.28. (M.III.8) Mahāhatthipadopama Sutta. De lange leerrede van het olifantenspoor

        Eens verbleef te Verhevene te Sāvatthī in het Jetavana klooster. De eerwaarde Sāriputta sprak toen tot de monniken aldus:

        "Vrienden, zoals in het voetspoor van een olifant het voetspoor past van elk ander levend wezen dat zich lopend voortbeweegt, evenzo kunnen alle heilzame toestanden in de vier edele waarheden ingepast worden, en wel in de edele waarheid van lijden, in de edele waarheid van de oorsprong van lijden, in de edele waarheid van de opheffing van lijden, en in de edele waarheid van de weg die leidt naar de opheffing van lijden.

        De edele waarheid van lijden is als volgt: geboorte is lijden; ouder worden is lijden; ziekte is lijden; sterven is lijden; verdriet, geweeklaag, pijn, leed en wanhoop zijn lijden; het verenigd zijn met wie of waarmee men een afkeer heeft, is lijden; het gescheiden zijn van wie of van wat men liefheeft, is lijden; niet te krijgen wat men graag heeft, is lijden; kortom de vijf groeperingen van hechten zijn lijden.

        De vijf groeperingen van hechten zijn de groeperingen van vorm, van gevoel, van waarneming, van de formaties en van het bewustzijn.

        De groepering van vorm bestaat uit de vier grote elementen en de vorm die van de vier grote elementen afstamt. Die vier grote elementen zijn het aarde-element, het waterelement, het vuurelement en het windelement (luchtelement).

 

(het aarde-element)

        Vrienden, het aarde-element kan zowel innerlijk als uiterlijk zijn. Het innerlijke aarde-element bestaat hierin: wat er bestaat aan vaste innerlijke dingen die tot iemand zelf behoren, en die object van hechten zijn, zoals hoofdhaar, lichaamshaar, nagels, tanden, huid, vlees, spieren, pezen, beenderen, beendermerg, nieren, hart, lever, middenrif, milt, longen, dikke darm, inhoud van de maag, ontlasting of wat er anders nog is aan innerlijke dingen, dat noemt men het innerlijke aarde-element.

        Zowel het innerlijke als het uiterlijke aarde-element moeten met gepaste wijsheid overeenkomstig de werkelijkheid aldus beschouwd worden: “Dat is niet van mij, dat ben ik niet, dat is niet mijn zelf.” Wanneer men zo het aarde-element beschouwt, dan wordt men tegenover dat aarde-element ontnuchterd en maakt men de geest vrij van begeerte wat betreft het aarde-element.

        Eens komt de tijd waarin het uiterlijke aarde-element in chaos geraakt en dan verdwijnt het uiterlijke aarde-element. Wanneer zelfs dit uiterlijke aarde-element, hoe groot het ook is, als vergankelijk beschouwd wordt, als onderhevig aan vernietiging, verdwijnen en verandering, hoeveel te meer dan dit lichaam waaraan door begeerte gehecht wordt en dat slechts korte tijd blijft bestaan. Dat lichaam kan niet als “ik” of “mijn” of “ik ben” beschouwd worden.

        Wanneer nu anderen iemand die het zo overeenkomstig de werkelijkheid ziet, beledigen, uitschelden, en lastig vallen, dan begrijpt hij het aldus: “Dit pijnlijke gevoel dat ontstaan is uit hoorcontact, is in mij ontstaan. Het is niet zonder oorzaak, maar het is veroorzaakt, en wel door contact.“ Dan ziet hij dat contact vergankelijk is, dat gevoel vergankelijk is, dat waarneming vergankelijk is, dat formaties vergankelijk zijn, en dat bewustzijn vergankelijk is. En zijn geest die in dat element een steunpunt vindt, dringt vooruit en verkrijgt vertrouwen, standvastigheid en vastbeslotenheid.        

        Wanneer nu anderen die persoon aangrijpen op een manier die niet gewenst is, onaangenaam, waarbij hij met vuisten, stokken of messen in contact komt, dan begrijpt hij dat als volgt: 'Dit lichaam is van zo'n aard dat contact met vuisten, stokken of messen erop af komt. Maar in de gelijkenis van de zaag heeft de Verhevene deze raad gegeven: 'Monniken, zelfs wanneer bandieten jullie in stukken zouden zagen, dan zou iemand die tegenover hen een verdorven geest liet ontstaan, mijn leer niet navolgen.' Dus moet onuitputtelijke energie in mij geproduceerd worden, en moet ononderbroken oplettendheid tegenwoordig zijn, mijn lichaam moet stil zijn en onbelast, mijn geest moet geconcentreerd zijn en op één punt gericht. En nu kan contact met vuisten, stokken of messen op dit lichaam af komen; want dit is alleen maar het opvolgen van de leer van de Boeddha.

        Wanneer die persoon nadenkt over de Boeddha, Dhamma en Sangha, ingeval dan gelijkmoedigheid die door het heilzame wordt ondersteund, niet in hem is verankerd, dan wekt hij als volgt een gevoel van urgentie op: 'Het is een verlies voor mij, het is geen winst voor mij, het is slecht voor mij, het is niet goed voor mij, dat, wanneer ik zo nadenk over de Boeddha, Dhamma en Sangha, gelijkmoedigheid die door het heilzame wordt ondersteund, niet in mij verankerd wordt.'

        Maar ingeval, wanneer hij nadenkt over de Boeddha, Dhamma en Sangha, gelijkmoedigheid die door het heilzame wordt ondersteund, in hem verankerd wordt, dan is hij daarmee tevreden. En op dit punt is door die persoon veel bereikt.

(Het waterelement)

        Vrienden, het waterelement kan zowel innerlijk als uiterlijk zijn. Het innerlijke waterelement bestaat hierin: wat er aan innerlijke dingen die tot iemand zelf behoren, water, waterig is en object van hechten, zoals gal, slijm, etter, bloed, zweet, vet, tranen, talk, speeksel, snot, gewrichtsvloeistof, urine of wat er anders nog aan innerlijke, tot iemand zelf behorende dingen, water, waterig en object van hechten is, dat noemt men het innerlijke waterelement.

        Zowel het innerlijke als het uiterlijke waterelement moeten met gepaste wijsheid overeenkomstig de werkelijkheid aldus beschouwd worden: “Dit is niet van mij, dit ben ik niet, dit is niet mijn zelf.” Wanneer men het waterelement zo beschouwt, wordt men tegenover het waterelement ontnuchterd en maakt men de geest vrij van begeerte wat betreft het waterelement.

        Eens komt de tijd waarin het uiterlijke waterelement in chaos raakt. Dorpen, kleine en grote steden, provincies en hele landen worden dan overstroomd. Eens komt de tijd waarin het water in de grote oceaan steeds verder terugwijkt, 100 km, 200 km, 500 km, 700 km. Eens komt de tijd dat het water in de grote oceaan steeds ondieper wordt, tot zelfs een vinger niet meer natgemaakt kan worden. Wanneer zelfs dat uiterlijke waterelement, hoe groot het ook is, als vergankelijk bezien wordt, als onderhevig aan vernietiging, verdwijnen en aan verandering, hoeveel meer dan dit lichaam waaraan door begeerte gehecht wordt en dat slechts korte tijd blijft bestaan. Dat lichaam kan niet als “ik” of “mijn” of “ik ben” beschouwd worden.

        Wanneer nu anderen iemand die het zo overeenkomstig de werkelijkheid ziet, beledigen, uitschelden, en lastig vallen, dan begrijpt hij het aldus: “Dit pijnlijke gevoel dat ontstaan is uit hoorcontact, is in mij ontstaan. Het is niet zonder oorzaak, maar het is veroorzaakt, en wel door contact.“ Dan ziet hij dat contact vergankelijk is, dat gevoel vergankelijk is, dat waarneming vergankelijk is, dat formaties vergankelijk zijn, en dat bewustzijn vergankelijk is. En zijn geest die in dat element een steunpunt vindt, dringt vooruit en verkrijgt vertrouwen, standvastigheid en vastbeslotenheid.

        Wanneer nu anderen die persoon aangrijpen op een manier die niet gewenst is, onaangenaam, waarbij hij met vuisten, stokken of messen in contact komt, dan begrijpt hij dat als volgt: 'Dit lichaam is van zo'n aard dat contact met vuisten, stokken of messen erop af komt. Maar in de gelijkenis van de zaag heeft de Verhevene deze raad gegeven: 'Monniken, zelfs wanneer bandieten jullie in stukken zouden zagen, dan zou iemand die tegenover hen een verdorven geest liet ontstaan, mijn leer niet navolgen.' Dus moet onuitputtelijke energie in mij geproduceerd worden en moet ononderbroken oplettendheid tegenwoordig zijn, mijn lichaam moet stil zijn en onbelast, mijn geest moet geconcentreerd zijn en op één punt gericht. En nu kan contact met vuisten, stokken of messen op dit lichaam af komen; want dit is alleen maar het opvolgen van de leer van de Boeddha.

        Wanneer die persoon nadenkt over de Boeddha, Dhamma en Sangha, ingeval dan gelijkmoedigheid die door het heilzame wordt ondersteund, niet in hem is verankerd, dan wekt hij als volgt een gevoel van urgentie op: 'Het is een verlies voor mij, het is geen winst voor mij, het is slecht voor mij, het is niet goed voor mij, dat, wanneer ik zo nadenk over de Boeddha, Dhamma en Sangha, gelijkmoedigheid die door het heilzame wordt ondersteund, niet in mij verankerd wordt.'

        Maar ingeval, wanneer hij nadenkt over de Boeddha, Dhamma en Sangha, gelijkmoedigheid die door het heilzame wordt ondersteund, in hem verankerd wordt, dan is hij daarmee tevreden. En op dit punt is door die persoon veel bereikt.

(Het vuurelement)

        Vrienden, het vuurelement kan zowel innerlijk als uiterlijk zijn. Het innerlijke vuurelement bestaat hierin: wat er bestaat aan innerlijke dingen die tot iemand zelf behoren, die vuur zijn, vurig en object van hechten, dus datgene waardoor men verwarmd wordt, ouder wordt en verteerd wordt, en datgene waardoor verteert wat gegeten, gedronken en geproefd is, of wat er anders nog aan innerlijke dingen die tot iemand zelf behoren, vuur, vurig en object van hechten is, dat noemt men het innerlijke vuurelement.

        Zowel het innerlijke als het uiterlijke vuurelement moeten met gepaste wijsheid aldus bezien worden: “Dit is niet van mij, dat ben ik niet, dat is niet mijn zelf.” Wanneer men het vuurelement zo beschouwt, wordt men tegenover het vuurelement ontnuchterd en maakt men de geest vrij van begeerte wat betreft het vuurelement.

        Eens komt de tijd waarin het uiterlijke vuurelement in chaos geraakt. Dorpen, kleine en grote steden, provincies en hele landen worden dan door brand verwoest. Het vuur gaat alleen uit op grond van gebrek aan brandstof, bijvoorbeeld wanneer het bij groen gras komt, of bij een rots of bij water of bij een vrije, open vlakte. Eens komt de tijd waarin men met moeite zal proberen vuur te maken, zelfs met kippenveren of spanen van schors. Wanneer zelfs dat uiterlijke vuurelement, hoe groot het ook is, als vergankelijk bezien wordt, als onderhevig aan vernietiging, aan verdwijnen en aan verandering, hoeveel te meer dan dit lichaam waaraan door begeerte gehecht wordt en dat slechts korte tijd blijft bestaan. Dat kan niet als “ik” of “mijn” of “ik ben” beschouwd worden.

        Wanneer nu anderen iemand die het zo overeenkomstig de werkelijkheid ziet, beledigen, uitschelden, en lastig vallen, dan begrijpt hij het aldus: “Dit pijnlijke gevoel dat ontstaan is uit hoorcontact, is in mij ontstaan. Het is niet zonder oorzaak, maar het is veroorzaakt, en wel door contact.“ Dan ziet hij dat contact vergankelijk is, dat gevoel vergankelijk is, dat waarneming vergankelijk is, dat formaties vergankelijk zijn, en dat bewustzijn vergankelijk is. En zijn geest die in dat element een steunpunt vindt, dringt vooruit en verkrijgt vertrouwen, standvastigheid en vastbeslotenheid.

        Wanneer nu anderen die persoon aangrijpen op een manier die niet gewenst is, onaangenaam, waarbij hij met vuisten, stokken of messen in contact komt, dan begrijpt hij dat als volgt: 'Dit lichaam is van zo'n aard dat contact met vuisten, stokken of messen erop af komt. Maar in de gelijkenis van de zaag heeft de Verhevene deze raad gegeven: 'Monniken, zelfs wanneer bandieten jullie in stukken zouden zagen, dan zou iemand die tegenover hen een verdorven geest liet ontstaan, mijn leer niet navolgen.' Dus moet onuitputtelijke energie in mij geproduceerd worden, en moet ononderbroken oplettendheid tegenwoordig zijn, mijn lichaam moet stil zijn en onbelast, mijn geest moet geconcentreerd zijn en op één punt gericht. En nu kan contact met vuisten, stokken of messen op dit lichaam af komen; want dit is alleen maar het opvolgen van de leer van de Boeddha.

        Wanneer die persoon nadenkt over de Boeddha, Dhamma en Sangha, ingeval dan gelijkmoedigheid die door het heilzame wordt ondersteund, niet in hem is verankerd, dan wekt hij als volgt een gevoel van urgentie op: 'Het is een verlies voor mij, het is geen winst voor mij, het is slecht voor mij, het is niet goed voor mij, dat, wanneer ik zo nadenk over de Boeddha, Dhamma en Sangha, gelijkmoedigheid die door het heilzame wordt ondersteund, niet in mij verankerd wordt.'

        Maar ingeval, wanneer hij nadenkt over de Boeddha, Dhamma en Sangha, gelijkmoedigheid die door het heilzame wordt ondersteund, in hem verankerd wordt, dan is hij daarmee tevreden. En op dit punt is door die persoon veel bereikt.

(Het windelement)

        Vrienden, het windelement kan zowel innerlijk als uiterlijk zijn. Het innerlijke windelement is aldus: wat er aan innerlijke dingen is, die tot iemand zelf behoren, wind, winderig, en object van hechten, namelijk opstijgende winden, neergaande winden, winden in de buik, winden in de darmen, winden die door de ledematen stromen, in- en uitademing, of wat er anders nog aan innerlijke dingen is die tot iemand zelf behoren, wind, winderig en object van hechten, dat noemt men het innerlijke windelement.

        Zowel het innerlijke als het uiterlijke windelement moeten met gepaste wijsheid aldus bezien worden: “Dit is niet van mij, dat ben ik niet, dat is niet mijn zelf.” Wanneer men het windelement zo met gepaste wijsheid overeenkomstig de werkelijkheid beschouwt, wordt men tegenover het windelement ontnuchterd en maakt men de geest vrij van begeerte wat betreft het windelement.

        Eens komt de tijd dat het uiterlijke windelement in chaos geraakt. Dorpen, kleine en grote steden, provincies en hele landen worden dan weggeveegd. Eens komt de tijd dat men in de laatste maand van het warme seizoen probeert wind te maken met een waaier of blaasbalg, en dat zelfs loshangende strovezels aan de rand van het dak niet bewegen. Wanneer zelfs dat uiterlijke windelement, hoe groot het ook is, als vergankelijk gezien wordt, als onderhevig aan vernietiging, aan verdwijnen en aan verandering, hoeveel te meer dan dit lichaam waaraan door begeerte gehecht wordt en dat slechts korte tijd blijft bestaan. Dat kan niet als “ik” of “mijn” of “ik ben” beschouwd worden.

        Wanneer nu anderen iemand die het zo overeenkomstig de werkelijkheid ziet, beledigen, uitschelden, en lastig vallen, dan begrijpt hij het aldus: “Dit pijnlijke gevoel dat ontstaan is uit hoorcontact, is in mij ontstaan. Het is niet zonder oorzaak, maar het is veroorzaakt, en wel door contact.“ Dan ziet hij dat contact vergankelijk is, dat gevoel vergankelijk is, dat waarneming vergankelijk is, dat formaties vergankelijk zijn, en dat bewustzijn vergankelijk is. En zijn geest die in dat element een steunpunt vindt, dringt vooruit en verkrijgt vertrouwen, standvastigheid en vastbeslotenheid.

        Wanneer nu anderen die persoon aangrijpen op een manier die niet gewenst is, onaangenaam, waarbij hij met vuisten, stokken of messen in contact komt, dan begrijpt hij dat als volgt: 'Dit lichaam is van zo'n aard dat contact met vuisten, stokken of messen erop af komt. Maar in de gelijkenis van de zaag heeft de Verhevene deze raad gegeven: 'Monniken, zelfs wanneer bandieten jullie in stukken zouden zagen, dan zou iemand die tegenover hen een verdorven geest laat ontstaan, mijn leer niet navolgen.' Dus moet onuitputtelijke energie in mij geproduceerd worden, en moet ononderbroken oplettendheid tegenwoordig zijn; mijn lichaam moet stil zijn en onbelast, mijn geest moet geconcentreerd zijn en op één punt gericht. En nu kan contact met vuisten, stokken of messen op dit lichaam af komen; want dit is alleen maar het opvolgen van de leer van de Boeddha.

        Wanneer die persoon nadenkt over de Boeddha, Dhamma en Sangha, ingeval dan gelijkmoedigheid die door het heilzame wordt ondersteund, niet in hem is verankerd, dan wekt hij als volgt een gevoel van urgentie op: “Het is een verlies voor mij, het is geen winst voor mij, het is slecht voor mij, het is niet goed voor mij, dat, wanneer ik zo nadenk over de Boeddha, Dhamma en Sangha, gelijkmoedigheid die door het heilzame wordt ondersteund, niet in mij verankerd wordt.”

        Maar ingeval, wanneer hij nadenkt over de Boeddha, Dhamma en Sangha, gelijkmoedigheid die door het heilzame wordt ondersteund, in hem verankerd wordt, dan is hij daarmee tevreden. En op dit punt is door die persoon veel bereikt.

        Vrienden, juist zoals ruimte die door hout, klimplanten, gras en leem veroorzaakt is, als “huis” aangeduid wordt, evenzo wordt ruimte die door beenderen en pezen, vlees en huid veroorzaakt is, als “vorm” aangeduid.[93]

        Vrienden, wanneer innerlijk het oog intact is, maar geen uiterlijke vormen in de reikwijdte ervan komen, en er geen passende toevoer van voedsel[94] aanwezig is, dan is er geen verschijnen van het erbij behorende bewustzijn.

        Wanneer innerlijk het oog intact is, en uiterlijke vormen in de reikwijdte ervan komen, maar geen passende toevoer van voedsel aanwezig is, dan is er geen verschijnen van het erbij behorende bewustzijn.

        Maar wanneer innerlijk het oog intact is, en uiterlijke vormen in de reikwijdte ervan komen, en passende toevoer van voedsel aanwezig is, dan is er het verschijnen van het erbij behorende bewustzijn.

        Vrienden, wanneer innerlijk het oor intact is, maar geen uiterlijke geluiden in de reikwijdte ervan komen, en geen passende toevoer van voedsel aanwezig is, dan is er geen verschijnen van het erbij behorende bewustzijn.

        Wanneer innerlijk het oor intact is, en uiterlijke geluiden in de reikwijdte ervan komen, maar geen passende toevoer van voedsel aanwezig is, dan is er geen verschijnen van het erbij behorende bewustzijn.

        Maar wanneer innerlijk het oor intact is, en uiterlijke geluiden in de reikwijdte ervan komen, en passende toevoer van voedsel aanwezig is, dan is er het verschijnen van het erbij behorende bewustzijn.

        Vrienden, wanneer innerlijk de neus intact is, maar geen uiterlijke geuren in de reikwijdte ervan komen, en geen passende toevoer van voedsel aanwezig is, dan is er geen verschijnen van het erbij behorende bewustzijn.

        Wanneer innerlijk de neus intact is, en uiterlijke geuren in de reikwijdte ervan komen, maar geen passende toevoer van voedsel aanwezig is, dan is er geen verschijnen van het erbij behorende bewustzijn.

        Maar wanneer innerlijk de neus intact is, en uiterlijke geuren in de reikwijdte ervan komen, en passende toevoer van voedsel aanwezig is, dan is er het verschijnen van het erbij behorende bewustzijn.

        Vrienden, wanneer innerlijk de tong intact is, maar geen uiterlijke smaken in de reikwijdte ervan komen, en er geen passende toevoer van voedsel aanwezig is, dan is er geen verschijnen van het erbij behorende bewustzijn.

        Wanneer innerlijk de tong intact is, en uiterlijke smaken in de reikwijdte ervan komen, maar er geen passende toevoer van voedsel aanwezig is, dan is er geen verschijnen van het erbij behorende bewustzijn.

        Maar wanneer innerlijk de tong intact is, en uiterlijke smaken in de reikwijdte ervan komen, en passende toevoer van voedsel aanwezig is, dan is er het verschijnen van het erbij behorende bewustzijn.

        Vrienden, wanneer innerlijk het lichaam intact is, maar geen uiterlijke aanrakingsobjecten in de reikwijdte ervan komen, en er geen passende toevoer van voedsel aanwezig is, dan is er geen verschijnen van het erbij behorende bewustzijn.

        Wanneer innerlijk het lichaam intact is, en uiterlijke aanrakingsobjecten in de reikwijdte ervan komen, maar er geen passende toevoer van voedsel aanwezig is, dan is er geen verschijnen van het erbij behorende bewustzijn.

        Maar wanneer innerlijk het lichaam intact is, en uiterlijke aanrakingsobjecten in de reikwijdte ervan komen, en passende toevoer van voedsel aanwezig is, dan is er het verschijnen van het erbij behorende bewustzijn.

        Vrienden, wanneer innerlijk de geest intact is, maar geen uiterlijke geestobjecten in de reikwijdte ervan komen, en er geen passende toevoer van voedsel aanwezig is, dan is er geen verschijnen van het erbij behorende bewustzijn.

        Wanneer innerlijk de geest intact is, en uiterlijke geestobjecten in de reikwijdte ervan komen, maar er geen passende toevoer van voedsel aanwezig is, dan is er geen verschijnen van het erbij behorende bewustzijn.

        Maar wanneer innerlijk de geest intact is, en uiterlijke geestobjecten in de reikwijdte ervan komen, en er passende toevoer van voedsel aanwezig is, dan is er het verschijnen van het erbij behorende bewustzijn.

        Kortom, wanneer innerlijk de zintuigen intact zijn, en uiterlijke objecten in de reikwijdte ervan komen, en er passende toevoer van voedsel aanwezig is, dan is er het verschijnen van de erbij behorende soorten bewustzijn.

        De vorm die op een dergelijke manier in het bestaan is getreden,[95] wordt omsloten in de groepering van de vorm waaraan gehecht wordt. Het gevoel dat op een dergelijke manier in het bestaan is getreden, wordt omsloten in de groepering van het gevoel waaraan gehecht wordt. De waarneming die op een dergelijke manier in het bestaan is getreden, wordt omsloten in de groepering van de waarneming waaraan gehecht wordt. De formaties die op een dergelijke manier in het bestaan zijn getreden, worden omsloten in de groepering van de formaties waaraan gehecht wordt. Het bewustzijn dat op een dergelijke manier in het bestaan is getreden, wordt omsloten in de groepering van het bewustzijn waaraan gehecht wordt.

        Men begrijpt: inderdaad, op die manier komt het omsluiten, inzamelen en opstapelen van deze vijf bestaansgroepen tot stand. Nu is door de Verhevene het volgende gezegd: 'Iemand die oorzakelijk ontstaan ziet, ziet de Dhamma; iemand die de Dhamma ziet, ziet oorzakelijk ontstaan.' En deze vijf bestaansgroepen waaraan gehecht wordt, zijn oorzakelijk ontstaan. De begeerte, het botvieren, de neiging en het vasthouden aan deze vijf bestaansgroepen waaraan gehecht wordt, dat is de oorsprong van dukkha. Het verwijderen van begeerte en verlangen, het overwinnen van begeerte en verlangen naar deze vijf bestaansgroepen waaraan gehecht wordt, dat is het opheffen van dukkha. Ook op dat punt is door die monnik veel bereikt.

        Evenzo is het met het oor en geluiden; de neus en geuren; de tong en smaken; het lichaam en aanrakingsobjecten; de geest en geestobjecten.

        Zo sprak de eerwaarde Sariputta. De bhikkhus waren tevreden en verheugden zich over de woorden van de eerwaarde Sariputta.

M.29. (M.III.9) Mahāsāropama sutta

        Over het gevaar van winst, eer en roem. Volgens de overlevering werd deze leerrede gesproken toen Devadatta de Orde verliet.[96] 

        Te Rājagaha, leerrede i.v.m. Devadatta die tevreden bleef met zijn roem omdat hij bovennatuurlijke vermogens had verkregen en de ware leer verliet om een schisma in de Orde te veroorzaken.

        De Boeddha zei dat zijn leer er niet was om winst en faam te verkrijgen. Die waren als de uiterste takjes van een boom. En ook niet voor het verkrijgen van deugdzaamheid (als de buitenste schors van een boom). Noch voor concentratie om bovennatuurlijke krachten te verkrijgen (als de bast van een boom). De Dhamma was onderwezen om volmaakte heiligheid te verkrijgen (als het merg van een boom).[97]

        In dit sutta en in het volgende legt de Boeddha er de nadruk op dat het doel van het monnikenleven de onwrikbare bevrijde geest is. Alle andere dingen zijn van mindere waarde.[98]

M.30. (M.III.10) Cūlasāropama sutta

        Te Sāvatthi. Gesprek van de Boeddha met de brahmaan Pingalakoccha. Deze vroeg aan de Verhevene of de zes leraren die beweerden Boeddha te zijn, werkelijk verlicht waren. De Boeddha legde uit dat de leer van een Boeddha naar volmaakte heiligheid leidt, en niet alleen naar het verkrijgen van eer en roem, of van bovennatuurlijke krachten.

        Dit sutta is een ontwikkeling van het voorgaande sutta over het bereiken van het wezenlijke van de Dhamma. Het bereiken van bevrijding is het uiteindelijke doel van het religieuze leven. Het is als het binnenste van een boom. Het bereiken van inzicht in de werkelijkheid is als het deel van het hout dat het dichtst bij de kern is. Het bereiken van jhana (meditatieve verdieping) is als de schors van de boom. Zuiverheid van gedrag (sīla) is als de uiterste huid van de bast. En de winst en roem van de monnik is als de bladeren en het loofwerk van de boom.[99]

IV. Mahāyamaka-vagga (M.31-40) (M.IV. 1-10)

        Over diverse monniken. De elf slechte en goede eigenschappen van een veehoeder. Uitleg onder welke voorwaarden de leer zal groeien en onder welke ze zal afnemen. De leer zal toenemen wanneer een monnik bekwaam is in elf factoren. De volgelingen van leraren die niet volmaakt zijn in de kennis van de waarheid, in deugd, concentratie en wijsheid zullen niet goed eindigen. De aard van de vijf khandhas. Kamma. Hoe meditatie te beoefenen over de staten van het lichaam en die van de geest. De manier om alle begeerte (tanhā) te overwinnen. Bij wedergeboorte verhuist geen enkele factor van het ene naar het andere lichaam. Het juiste inzicht bestaat in een begrijpen van het proces van oorzakelijk ontstaan (paticcasamuppāda). De plichten van een monnik, te beginnen bij het vermijden van slechte daden, beheersing in lichamelijke en geestelijke daden, meditatie, het bereiken van de vier jhānas t/m Nibbāna. De eigenschappen van een echte monnik.[100]

M.31. (M.IV.1) Cūlagosinga sutta

        Te Nadika. De monniken Anuruddha, Nandiya en Kimila verblijven in het Gosinga salabos. De Boeddha zoekt hen op en prijst hen voor hun goede manier van leven, in eendracht en harmonie. Zij vertellen hem wat zij hebben bereikt. Wanneer zij maar willen, kunnen zij in de jhanas intreden. En de neigingen zijn geheel en al vernietigd.[101]

        Daarna wordt de Boeddha opgezocht door de godheid Digho die de Boeddha en de drie monniken eert. Dat eren dringt door tot omhoog in de wereld van de goden.

(Zie ook M.128)

M.32. (M.IV.2) Mahāgosinga sutta

        De belangrijkste discipelen van de Boeddha, zoals de eerwaarden Sāriputta, Maha Moggallāna en anderen, waren bijeengekomen in het Gosinga-salabos. Daar spraken zij over de Dhamma. De eerwaarde Sāriputta vroeg er aan de Boeddha wie dit bos het meeste zou tooien en de schoonheid ervan zou vergroten. De eerwaarden Revata, Anuruddha, Mahā Kassapa, Mahā Moggallāna, Sāriputta en de Boeddha zelf gaven een antwoord, ieder op zijn eigen manier. Tenslotte gaf de Boeddha zijn goedkeuring aan wat was gezegd. Maar hij voegde eraan toe: “Dit bos zou nog veel meer in grootheid toenemen door de aanwezigheid van een monnik die hier kon zitten met het vaste voornemen niet eerder op te staan totdat hij de uiteindelijke bevrijding van het kwade had verwerkelijkt.”[102]

 

M.33. (M.IV.3) Mahāgopālaka sutta

        Te Sāvatthi. De Boeddha legt er uit onder welke voorwaarden een monnik in de leer zal groeien. De gelijkenis van de koeherder. Wanneer die elf goede eigenschappen heeft om zijn vee te hoeden, is er voorspoed voor hem. Evenzo zal een monnik in de leer tot groei komen wanneer hij bekwaam is in elf factoren.

        Die elf factoren zijn: 1) weten dat vorm bestaat uit de vier grote elementen; 2) weten dat het kenmerk van een dwaas en dat van een wijze zijn handelen is; 3) overwinning en verwijdering van slechte onheilzame gedachten; 4) zich niet hechten aan vormen, geluiden, geuren, smaken, aanrakingen, gedachten; waken over de zintuigen; 5) onderricht van de leer aan anderen; 6) vaak geleerde monniken bezoeken die de leer goed kunnen uitleggen en hun in geval van twijfel nadere uitleg vragen; 7) zich verheugen wanneer de leer verkondigd wordt; 8) kennis van het edele achtvoudige pad; 9) het begrijpen van de vier pijlers van oplettendheid; 10) de maat weten bij het nemen van gewaden, eten, rustplaats en medicijnen wanneer men uitgenodigd wordt; 11) het brengen van hoogachting aan oudere monniken. In handelingen, taal en gedachten beoefent hij metta jegens hen, zowel in het openbaar als privé.

        Wanneer een bhikkhu deze eigenschappen heeft, is hij in staat tot groei in de leer.

(Dit sutta is identiek met A.11.18)

M.34. (M.IV.4) Cūlagopālaka sutta

        Gelijkenis van de onbekwame koeherder die zijn kudde vee op een verkeerde plaats de rivier laat oversteken en ze zo tot de dood leidt. Op gelijke wijze zijn de volgelingen van de leraren die niet volmaakt zijn in de kennis van de waarheid, in deugd, concentratie en wijsheid. Zij zullen niet goed eindigen.[103]

        Verder de gelijkenis van de bekwame koeherder die zijn kudde vee op een goede plaats de rivier laat oversteken. Zij komen allemaal veilig aan de andere oever. Op gelijke wijze gaat het met de volgelingen van de Boeddha. Wie naar de Boeddha luistert en in hem vertrouwen stelt, dat zal hem of haar lang tot heil en geluk strekken. Besproken worden de niveaus van heiligheid.

M.34. (M.IV.4) Cūlagopālaka sutta. De korte leerrede over de koeienherder

 

        Eens vertoefde de Verhevene in het land Vajji, bij Ukkācelā, aan de oever van de Ganges. Hij sprak er de monniken toe.

        De bhikkhus die met de vernietiging van de neigingen Arahants zijn geworden, die het heilige leven hebben geleefd, die gedaan hebben wat gedaan moest worden, die de last hebben afgelegd, die de boeien van het worden vernietigd hebben en die door uiteindelijk inzicht volledig bevrijd zijn, – zij zijn veilig aan de andere oever aangekomen waarbij zij de stroom van Mara trotseerden.

        De bhikkhus die met de vernietiging van de vijf lagere boeien spontaan (in de reine sferen) wedergeboren worden en daar Nibbana zullen verkrijgen, zonder van die wereld terug te keren, – zij zullen veilig aan de andere oever aankomen.

        De bhikkhus die met de vernietiging van drie boeien en met de vermindering van begeerte, haat en onwetendheid eenmaal wederkerenden zijn geworden, die nog één keer in deze wereld terugkeren om aan het lijden een einde te maken, – zij zullen veilig aan de andere oever aankomen.

        De bhikkhus die met de vernietiging van drie boeien in de stroom getredenen zijn geworden, die niet langer aan het verderf onderhevig zijn, die zeker zijn (van de weg) die het Ontwaken tegemoet gaan , – zij zullen veilig aan de andere oever aankomen.

        De bhikkhus die de leer navolgen, die vertrouwen hebben, – zij zullen veilig aan de andere oever aankomen.

        Wie naar de Boeddha luistert en in hem vertrouwen stelt, dat zal hem of haar lang tot heil en geluk strekken.

M.35. (M.IV.5) Cūlasaccaka sutta

        Klein gesprek tussen de Boeddha en de Jain Niganthaputta Saccaka en wel over de aard van de vijf khandhas. Saccaka was een zwervende asceet en een groot redenaar. Vol trots zei hij dat niemand hem kon overwinnen in redeneren. Hij ging ook naar de Boeddha en probeerde hem aan te vallen. De Jain beweerde dat iemand een zelf heeft en dat dit zelf de vruchten van goede en slechte daden krijgt. De Boeddha weerlegde deze theorie. Hij toonde aan dat alles vergankelijk is en dat er geen zelf is.

        

Eerst vroeg de Jain Saccaka:

'Op welke manier leidt meester Gotama zijn leerlingen op? En op welke manier wordt de instructie van meester Gotama normaal aan zijn leerlingen gegeven?'

De Boeddha:

“Op deze manier leid ik mijn leerlingen op en op deze manier wordt mijn instructie normaal aan mijn leerlingen gegeven: 'Bhikkhus, vorm is vergankelijk, gevoel is vergankelijk, waarneming is vergankelijk, formaties zijn vergankelijk, bewustzijn is vergankelijk. Bhikkhus, vorm is niet-zelf, gevoel is niet-zelf, waarneming is niet-zelf, formaties zijn niet-zelf, bewustzijn is niet-zelf. Alle verschijnselen zijn vergankelijk; alle dingen zijn niet-zelf.’ Op deze manier leid ik mijn leerlingen op en op deze manier wordt mijn instructie normaal aan mijn leerlingen gegeven."

De Jain Saccaka beweerde daarop dat iemand vorm als zelf heeft. En ook heeft iemand gevoel, waarneming, formaties en bewustzijn als zelf.

De Boeddha weerlegde dit:

“Vorm is niet het zelf. Men heeft er geen macht over zodat men kan zeggen: ‘Mijn vorm moet zo zijn; mijn vorm moet niet zo zijn, moet anders zijn.’

Evenzo met gevoel, waarneming, geestelijke formaties en bewustzijn. Ze zijn niet het zelf. Men heeft er geen macht over zodat men kan zeggen: ‘Mijn vorm moet zo zijn; mijn vorm moet niet zo zijn, moet anders zijn.’

Vorm is niet onvergankelijk maar vergankelijk. Wat vergankelijk is, is onvoldaan, niet tevreden stellend, leed brengend. Daarvan kan men niet zeggen: ‘Dit is van mij, dit ben ik, dit is mijn zelf.’

Evenzo met gevoel, waarneming, geestelijke formaties, bewustzijn. Die zijn niet onvergankelijk maar vergankelijk. Wat vergankelijk is, is onvoldaan, niet tevreden stellend, leed brengend. Daarvan kan men niet zeggen: ‘Dit is van mij, dit ben ik, dit is mijn zelf.’

Wanneer men aan dukkha gehecht is, zich aan dukkha vasthoudt en wanneer men datgene wat dukkha is, zo beschouwt: ‘Dit is van mij, dit ben ik, dit is mijn zelf’, dan kan men dukkha niet zelf volledig doorzien.  

Daarom moet men niet gehecht zijn aan dukkha, moet zich niet aan dukkha vasthouden en daarom moet men datgene wat dukkha is, niet zo beschouwen: ‘Dit is van mij, dit ben ik, dit is mijn zelf.’”

        De Jain Saccaka bevestigde dat hij in het debat door de Boeddha was overwonnen. En hij stelde een andere vraag.

“Op welke manier is een leerling van de monnik Gotama iemand die zijn instructies opvolgt, die zijn raad volgt, die de twijfel achter zich heeft gelaten, die vrij van verwarring is geworden, die zelfvertrouwen heeft verkregen en in de leer van de leraar onafhankelijk van anderen is geworden?"

De Boeddha gaf ten antwoord:

"Elke soort van vorm, hetzij in het verleden, in de toekomst of thans, innerlijk of uiterlijk, grof of fijn, laag of hoog, veraf of dichtbij - een leerling van mij beschouwt elke vorm met uitstekende wijsheid overeenkomstig de werkelijkheid aldus: 'Dit is niet van mij , dit ben ik niet, dit is niet mijn zelf.'

Evenzo met gevoel, waarneming, geestelijke formaties, bewustzijn.

Op die manier is een leerling van de monnik Gotama iemand die de instructies opvolgt, die mijn raad volgt, die de twijfel achter zich heeft gelaten, die vrij van verwarring is geworden, die zelfvertrouwen heeft verkregen en in de leer van de leraar onafhankelijk van anderen is geworden.”

        Vraag van Saccaka:

"Meester Gotama, op welke manier is een bhikkhu een Arahant met vernietigde neigingen, die het heilige leven heeft geleefd, die gedaan heeft wat gedaan moest worden, die de last heeft afgelegd, het ware doel heeft bereikt, die de banden van het worden heeft verwoest en die door uiteindelijk inzicht volledig bevrijd is?"

De Boeddha:

"Welke soort van vorm ook, hetzij in het verleden, in de toekomst of thans, innerlijk of uiterlijk, grof of fijn, laag of hoog, veraf of dichtbij - een bhikkhu heeft elke vorm met uitstekende wijsheid overeenkomstig de werkelijkheid aldus gezien: 'Dit is niet van mij , dit ben ik niet, dit is niet mijn zelf;' en door niet-hechten is hij bevrijd.

Evenzo met alle soorten van gevoel, waarneming, geestelijke formaties, bewustzijn - een bhikkhu heeft elke soort ervan met uitstekende wijsheid overeenkomstig de werkelijkheid aldus gezien: 'Dit is niet van mij, dit ben ik niet, dit is niet mijn zelf;' en door niet-hechten is hij bevrijd.

          Op deze manier is een bhikkhu een Arahant met vernietigde neigingen, die het heilige leven heeft geleefd, die gedaan heeft wat gedaan moest worden, die de last heeft afgelegd, het ware doel heeft bereikt, die de banden van het worden heeft verwoest en die door uiteindelijk inzicht volledig bevrijd is.

Wanneer de geest van een bhikkhu zo bevrijd is, dan heeft hij drie onovertroffen eigenschappen: onovertroffen visie, onovertroffen uitoefening van de weg en onovertroffen bevrijding. Wanneer een bhikkhu zo bevrijd is, dan eert, respecteert, hoogacht en vereert hij de Tathāgata nog steeds zo: "De Verhevene is verlicht en onderwijst de Dhamma omwille van de verlichting. De Verhevene heeft zichzelf bedwongen en onderwijst de Dhamma omwille van de zelfbeteugeling. De Verhevene is in vrede en onderwijst de Dhamma omwille van de vrede. De Verhevene is naar de overkant gegaan en onderwijst de Dhamma omwille van het naar de overkant gaan. De Verhevene heeft nibbana bereikt en onderwijst de Dhamma omwille van het bereiken van nibbana."

Na deze woorden gaf Saccaka ten antwoord: "Meester Gotama, wij waren vermetel en onbeleefd toen we dachten dat wij Meester Gotama in het debat konden aanvallen. Moge de Gezegende, samen met Sangha van de bhikkhus, zijn toestemming geven om de maaltijd van morgen van mij aan te nemen."

De Verhevene stemde zwijgend toe.

Toen Saccaka, de zoon van Nigantha, wist dat de Verhevene zijn toestemming had gegeven, richtte hij zich tot de Licchaviers: "Luister naar mij, Licchaviers. De monnik Gotama werd door mij uitgenodigd voor de maaltijd van morgen, samen met de Sangha van de bhikkhus. Jullie kunnen alles brengen waarvan jullie denken dat passend voor hem is."

Toen de nacht voorbij was, brachten de Licchaviers 500 ceremonie-schotels vol melkrijst als maaltijd. Vervolgens liet Saccaka verschillende voortreffelijke gerechten in zijn eigen park klaar maken en liet de Verhevene de tijd aankondigen: ‘Het is tijd, meester Gotama, de maaltijd is klaargemaakt.’

Daarna, toen het ochtend was, kleedde de Verhevene zich aan, nam zijn kom en buitengewaad en ging met de Sangha van de bhikkhus naar Saccaka en nam plaats op de voorbereide zitplaats. Toen bediende Saccaka, de zoon van Nigantha persoonlijk de Sangha van de bhikkhus onder leiding van de Boeddha en voorzag hen met de verschillende voortreffelijke gerechten.

Nadat de Verhevene had gegeten en zijn hand van de kom had weggehaald, ging Saccaka op een lagere zitplaats zitten, ging aan de zijkant zitten en zei tegen de Verhevene: "Meester Gotama, mogen de verdiensten en de voortreffelijke verdienstelijke vruchten van deze daad van geven aan het geluk van de gevers ten goede komen."

“Saccaka, wat daaruit ook ontstaat,  wanneer aan iemand zoals jij gegeven wordt - iemand die niet vrij is van begeerte, niet vrij van haat, niet vrij van verblinding - dat zal de gevers ten goede komen. En wat daaruit ook ontstaat, wanneer aan iemand zoals ik wordt gegeven - iemand die vrij is van hebzucht, vrij van haat, vrij van verblinding - dat zal jou ten goede komen. "

M.36 (M.IV.6) Mahāsaccaka sutta – Verblinde en niet-verblinde levenswijze

        Te Vesali. Groot gesprek tussen de Jain Saccaka en de Boeddha over meditatie. De Boeddha onderwees Saccaka hoe meditatie te beoefenen over de staten van het lichaam en die van de geest. Hij vertelde hem ook over zijn ervaringen (ascetische oefeningen) in het begin van zijn zoektocht naar de bevrijding en hoe hij de volmaakte Verlichting bereikt had.

        Verder onderwees de Boeddha Saccaka als volgt:

        "Ik weet nu weliswaar: Als ik aan een veelhoofdige vergadering de leer heb getoond, dan denkt beslist ieder van mij dat ik speciaal voor hem de leer verkondig. Maar dat mag niet zo gezien worden in aanmerking nemende dat de Volmaakte ook ter onderrichting van anderen de leer toont. En aan het einde van zo'n toespraak vestig ik bij zo iemand, wanneer tekenen van verdieping (diepgrondigheid) aanwezig zijn, de geest door er persoonlijk op in te gaan. Ik breng hem tot rust, maak hem geconcentreerd, wek hem op. Dat is een gewoonte waarbij ik steeds ben gebleven."

         Saccaka: "Dat is het passende voor heer Gotama, de heilige, volledig Ontwaakte. Staat heer Gotama echter toe dat hij overdag slaapt? "

        De Boeddha: "Ik sta toe dat ik in de laatste maand van het hete seizoen - na de maaltijd, als ik ben teruggekeerd van het aalmoezen vergaren, nadat ik het oppergewaad vier maal gevouwen en in orde heb gemaakt, op de rechter zijde liggend, nadenkend, bezonnen, - mij aan de slaap overgeef."

        "Heer Gotama, volgens sommige boetelingen en brahmanen is dit een verblinde levenswijze."

        "Niet in zoverre is men verblind of niet verblind; maar luister aandachtig hoe men wel of niet verblind is. Ik zal het je uitleggen."

        "Ja, heer."

        De Verhevene sprak aldus: "Bij alwie de neigingen – de besmettende, die tot wedergeboorte leiden, die smartelijk zijn en die in leed rijpen, die verder tot geboorte, ouderdom en sterven leiden – niet zijn opgegeven, die persoon noem ik verblind. Door het niet opgeven van de neigingen is men verblind.

        Maar bij alwie de neigingen – de besmettende, die tot wedergeboorte leiden, die smartelijk zijn en die in leed rijpen, die verder tot geboorte, ouderdom en sterven voeren – zijn opgegeven, die persoon noem ik niet verblind. Door het opgeven van de neigingen is men niet verblind.

        Bij de Volmaakte evenwel zijn de neigingen opgegeven, met wortel en al verwoest, aan een uit de grond getrokken palmira-palmboom gelijk gemaakt, tot niet meer zijn gebracht, voortaan niet meer in staat om te ontstaan. Zoals een onthoofde palmboom niet in staat is tot verdere groei, evenzo zijn ook bij de Volmaakte de neigingen opgegeven, met wortel en al verwoest."

        

        Saccaka zei dat de Boeddha alles heel goed had uitgelegd. Hij betuigde eer aan de Boeddha en nam afscheid.

M.37. (M.IV.7) Cūlatanhāsankhaya sutta

        Te Savatthi. Sakka, de koning van de goden, vroeg aan de Boeddha op welke manier iemand door de vernietiging van begeerte bevrijd is. Het antwoord van de Verhevene luidde: "Wanneer iemand vernomen heeft dat niets waard is zich eraan te hechten, onderkent hij alle dingen direct. Daardoor doorschouwt hij alle dingen; daardoor beoefent hij het beschouwen van de vergankelijkheid van gevoel, hetzij aangenaam of onaangenaam of neutraal. Hij beschouwt de ontzegging, het loslaten, het beëindigen. Hij hecht aan niets in de wereld. Daardoor is hij niet opgewonden. In eigen persoon verkrijgt hij Nibbana.“

        De eerwaarde Mahā Moggalāna vroeg zich af of Sakka alles goed begrepen had. Hij ging naar de hemelse sfeer waar hij devoot ontvangen wordt door Sakka. Deze leidde hem rond in zijn nieuwe paleis dat gebouwd was na de overwinning over de demonen. Bij de rondleiding was Sakka vervuld van trots. Mahā Moggallāna merkte dit. Om Sakka te helpen vrij te worden van deze ijdelheid gebruikte hij zijn bovennatuurlijke kracht. Met een kleine druk van zijn dikke teen bracht hij het hele paleis tot wankelen. Uit bewondering en devotie bracht Sakka eer aan de ouderling. Nederig luisterde hij naar diens preek over de manier om alle begeerte (tanhā) te overwinnen.         

        De eerwaarde Maha Moggallana merkte dat Sakka begrepen had wat de Boeddha hem had onderwezen. En tevreden keerde hij naar Savatthi terug.

M.38. (M.IV.8) Mahātanhāsankhaya sutta

        Te Savatthi. De monnik Sāti had het verkeerde inzicht dat na de dood het bewustzijn van iemand uit het lichaam komt en verhuist naar een ander lichaam waar die persoon dan geboren wordt. De Boeddha legde hem uit dat geen enkele factor verhuist van het ene naar het andere lichaam. Het bewustzijn ontstaat door oorzaken. Zonder oorzaken kan bewustzijn niet ontstaan. In afhankelijkheid van oog en vorm ontstaat zienbewustzijn. In afhankelijkheid van oor en geluid ontstaat hoorbewustzijn. In afhankelijkheid van neus en geur ontstaat ruikbewustzijn. In afhankelijkheid van tong en smaak ontstaat smaakbewustzijn. In afhankelijkheid van lichaam en aanrakingsobject ontstaat lichaambewustzijn. In afhankelijkheid van geest en geestobject ontstaat geestbewustzijn.

        Het juiste inzicht bestaat in een begrijpen van het proces van oorzakelijk ontstaan (paticcasamuppāda).

[Zoals de eerwaarde Nagasena opmerkte: "De appel zit niet in de boom. Maar door oorzaken verschijnt hij als aan de voorwaarden voldaan wordt."]

M.38. (M.IV.8) Mahātanhāsankhaya sutta

        Te Savatthi, in het Jetavana klooster.

        De monnik Sati had de verkeerde mening dat hetzelfde bewustzijn de kringloop van wedergeboorten doorloopt, en niet een ander bewustzijn.[104] Zijn medemonniken zeiden hem dat de Boeddha had onderwezen dat bewustzijn oorzakelijk ontstaat. Zonder oorzaak is er geen bewustzijn. Maar de monnik Sati was niet van zijn verkeerde mening af te brengen. De monniken gingen daarom naar de Verhevene toe en vertelden hem over de verkeerde mening van de monnik Sati.

        De Boeddha liet die monnik halen en vroeg hem: „Wat is volgens jou dat bewustzijn?“ - „Het is dat wat spreekt en voelt en wat hier en daar de resultaten van goede en slechte daden ondervindt,“ antwoordde Sati.

        De Boeddha: „In veel leerreden heb ik uitgelegd dat bewustzijn oorzakelijk ontstaat. Zonder oorzaak is er geen ontstaan van bewustzijn.“

        

        Bewustzijn wordt ingedeeld naar de oorzaken in afhankelijkheid waarvan het ontstaat.[105] Als bewustzijn ontstaat in afhankelijkheid van oog en vorm, dan geldt het als zienbewustzijn. Als bewustzijn ontstaat in afhankelijkheid van oor en geluid, dan geldt het als hoorbewustzijn. Als bewustzijn ontstaat in afhankelijkheid van neus en geur, dan geldt het als ruikbewustzijn. Als bewustzijn ontstaat in afhankelijkheid van tong en smaak, dan geldt het als smaakbewustzijn. Wanneer bewustzijn ontstaat in afhankelijkheid van lichaam en aanrakingsobject, dan geldt het als lichaambewustzijn. Wanneer bewustzijn ontstaat in afhankelijkheid van geest en geestobject, dan geldt het als geestbewustzijn.

        Monniken, zien jullie dat dit ontstaan is? - Jawel, eerwaarde heer. - Zien jullie dat het ontstaan ervan afhankelijk is van voedsel? - Ja, eerwaarde heer. - Zien jullie dat het ontstane onderworpen is aan ophouden als het voedsel ervan ophoudt? - Ja, eerwaarde heer. -

        Monniken, ontstaat twijfel wanneer iemand onzeker is wat betreft het bovenstaande? - Jawel, eerwaarde heer.

        Monniken, de twijfel is verdreven wanneer iemand met gepaste wijsheid overeenkomstig de werkelijkheid helder ziet: 'Dit is ontstaan; het ontstaan ervan is afhankelijk van voedsel; het ontstane is onderworpen aan ophouden als het voedsel ervan ophoudt.'

        Hecht nergens aan. De leer is als een vlot dat dient om naar de andere oever te komen, niet om het vast te houden.

        Er zijn vier soorten voedsel tot onderhoud van de levende wezens die al in het bestaan getreden zijn en tot steun van degenen die op het punt staan te ontstaan.

        Die vier soorten voedsel zijn: fysieke spijzen, grove en fijne; contact; geestelijk willen; bewustzijn.

        Wat hebben deze vier soorten voedsel als oorsprong, waaruit zijn ze ontstaan? – Ze hebben begeerte als oorsprong, ze zijn uit begeerte ontstaan.

        Begeerte is ontstaan uit gevoel. Gevoel is ontstaan uit contact. Contact is ontstaan uit bereik van de zes zintuigen. Het bereik van de zes zintuigen is ontstaan uit naam en vorm. Naam en vorm heeft bewustzijn als oorsprong, is ontstaan uit bewustzijn. Bewustzijn heeft de formaties als oorsprong, is ontstaan uit formaties. De formaties hebben onwetendheid als oorsprong, zijn ontstaan uit onwetendheid.

 

        Oorzakelijk ontstaan door onwetendheid zijn formaties; oorzakelijk ontstaan door formaties is bewustzijn; oorzakelijk ontstaan door bewustzijn is naam en vorm; oorzakelijk ontstaan door naam en vorm is het bereik van de zes zintuigen; oorzakelijk ontstaan door het bereik van de zes zintuigen is contact; oorzakelijk ontstaan door contact is gevoel; oorzakelijk ontstaan door gevoel is begeerte; oorzakelijk ontstaan door begeerte is hechten; oorzakelijk ontstaan door hechten is worden; oorzakelijk ontstaan door worden is geboorte; oorzakelijk ontstaan door geboorte zijn ouderdom en dood, zorgen, geweeklaag, pijn, leed, en wanhoop. Zo is het ontstaan van de hele massa van lijden.

        Oorzakelijk ontstaan door geboorte zijn ouderdom en dood; oorzakelijk ontstaan door worden is geboorte; oorzakelijk ontstaan door hechten is worden; oorzakelijk ontstaan door begeerte is hechten; oorzakelijk ontstaan door gevoel is begeerte; oorzakelijk ontstaan door contact is gevoel; oorzakelijk ontstaan door het bereik van de zes zintuigen is contact; oorzakelijk ontstaan door naam en vorm is het bereik van de zes zintuigen; oorzakelijk ontstaan door bewustzijn is naam en vorm; oorzakelijk ontstaan door formaties is bewustzijn; oorzakelijk ontstaan door onwetendheid zijn formaties.

        Als dit is, is dat; met het ontstaan van het ene ontstaat het andere, namelijk:

Oorzakelijk ontstaan door onwetendheid zijn de formaties.

Oorzakelijk ontstaan door formaties is bewustzijn.

Oorzakelijk ontstaan door bewustzijn is naam en vorm.

Oorzakelijk ontstaan door naam en vorm is het bereik van de zes zintuigen.

Oorzakelijk ontstaan door het bereik van de zes zintuigen is contact.

Oorzakelijk ontstaan door contact is gevoel.

Oorzakelijk ontstaan door gevoel is begeerte.

Oorzakelijk ontstaan door begeerte is hechten.

Oorzakelijk ontstaan door hechten is worden.

Oorzakelijk ontstaan door worden is geboorte.

Oorzakelijk ontstaan door geboorte zijn ouderdom en dood, zorgen, geweeklaag, pijn, leed en wanhoop.

        Dat is de oorsprong van deze hele massa van lijden.

        Maar met het restloze verbleken en opheffen van onwetendheid is het opheffen van formaties. Met het opheffen van formaties is het opheffen van bewustzijn. Met het opheffen van bewustzijn is het opheffen van naam en vorm. Met het opheffen van naam en vorm is het opheffen van het bereik van de zes zintuigen. Met het opheffen van het bereik van de zes zintuigen is het opheffen van contact. Met het opheffen van contact is het opheffen van gevoel. Met het opheffen van gevoel is het opheffen van begeerte. Met het opheffen van begeerte is het opheffen van hechten. Met het opheffen van hechten is het opheffen van worden. Met het opheffen van worden is het opheffen van geboorte. Met het opheffen van geboorte houden ouderdom en dood, zorgen, geweeklaag, pijn, leed en wanhoop op.

        Dat is het opheffen van die hele massa van lijden.

        Ouderdom en dood houden op met het ophouden van geboorte; met het opheffen van geboorte is het opheffen van ouderdom en dood.

Geboorte houdt op met het ophouden van worden; met het opheffen van worden is het opheffen van geboorte.

Worden houdt op met het ophouden van hechten; met het opheffen van hechten is het opheffen van worden.

Hechten houdt op met het ophouden van begeerte; met het opheffen van begeerte is het opheffen van hechten.

Begeerte houdt op met het ophouden van gevoel; met het opheffen van gevoel is het opheffen van begeerte.

Gevoel houdt op met het ophouden van contact; met het opheffen van contact is het opheffen van gevoel.

Contact houdt op met het ophouden van het bereik van de zes zintuigen; met het opheffen van het bereik van de zes zintuigen is het opheffen van contact.

Het bereik van de zes zintuigen houdt op met het ophouden van naam en vorm; met het opheffen van naam en vorm is het opheffen van het bereik van de zes zintuigen.

Naam en vorm houdt op met het ophouden van bewustzijn; met het opheffen van bewustzijn is het opheffen van naam en vorm.

Bewustzijn houdt op met het ophouden van formaties; met het opheffen van formaties is het opheffen van bewustzijn.

Formaties houden op met het ophouden van onwetendheid; met het opheffen van onwetendheid is het opheffen van formaties.

        Als dit niet is, is dat niet; met het ophouden van het ene houdt het andere op.         

        Met het ophouden van onwetendheid volgt het ophouden van de formaties. Met het ophouden van de formaties volgt het ophouden van bewustzijn. Met het ophouden van bewustzijn volgt het ophouden van naam en vorm. Met het ophouden van naam en vorm volgt het ophouden van het bereik van de zes zintuigen. Met het ophouden van het bereik van de zes zintuigen volgt het ophouden van contact. Met het ophouden van contact volgt het ophouden van gevoel. Met het ophouden van gevoel volgt het ophouden van begeerte. Met het ophouden van begeerte volgt het ophouden van hechten. Met het ophouden van hechten volgt het ophouden van worden. Met het ophouden van worden volgt het ophouden van geboorte. Met het ophouden van geboorte volgt ophouden van ouderdom en dood, zorgen, geweeklaag, pijn, leed en wanhoop.

        Dat is het ophouden van deze hele massa van lijden.

        Wanneer een edele volgeling(e) dit oorzakelijke ontstaan en deze oorzakelijk ontstane dingen met juist inzicht goed heeft doorzien, zoals ze in werkelijkheid zijn, dan vraagt hij niet: 'Ben ik vroeger in het bestaan getreden of ben ik toen niet in het bestaan getreden? Als wat of in welke gedaante ben ik in het verleden in het bestaan getreden? Uit welke bestaansvorm komende ben ik in het verleden in het bestaan gekomen?'

        Hij vraagt dan ook niet: 'Zal ik in de toekomst in het bestaan treden of zal ik dan niet in het bestaan treden? Als wat of in welke gedaante zal ik in de toekomst in het bestaan treden? Uit welke bestaansvorm komende zal ik in de toekomst in het bestaan treden?'

        Hij vraagt dan ook niet: 'Ben ik nu hier of ben ik nu niet hier? Als wat of in welke gedaante ben ik nu hier? Waaruit ben ik gekomen en waarheen zal ik gaan?'

        Zulke vragen komen niet bij hem of haar op. En wel omdat hij of zij dit oorzakelijke ontstaan en die oorzakelijk ontstane dingen met juist inzicht heeft doorzien, zoals ze in werkelijkheid zijn

        De ontvangenis van een embryo in een moederschoot vindt plaats wanneer drie dingen samenkomen.

        (1)        Wanneer de paring van vader en moeder plaats heeft maar de moeder niet haar vruchtbare dagen heeft, en het wezen dat wedergeboren moet worden niet aanwezig is, in dat geval is er geen ontvangenis.

        (2)        Wanneer de paring van vader en moeder plaats heeft en de moeder haar vruchtbare dagen heeft, maar het wezen dat wedergeboren moet worden, niet aanwezig is, ook in dat geval is er geen ontvangenis.