Facetten van het Boeddhisme


naar Index

10.9. Contemplaties over vergankelijkheid (anicca)

1. Toespraak tot Rahula over vergankelijkheid     2. contemplatie over niet-bestendigheid    3. De zintuigen zijn niet blijvend     4. De zes innerlijke gebieden    5. Het overdenken van vergankelijkheid I.    6. Het overdenken van vergankelijkheid II.    



Copyright ©  2021 / 2564

Het is toegestaan om elektronisch of in gedrukte vorm fragmenten van deze compilatie of de compilatie in zijn geheel over te nemen voor eigen gebruik, of ook met als doel ze met anderen te delen, uitsluitend voor gratis verspreiding en zonder commercieel oogmerk.



Contemplatie over vergankelijkheid, niet-blijvendheid

1. Toespraak tot Rahula over vergankelijkheid

Te Savatthi, in het Jetavana-klooster. De eerwaarde Rahula ging naar de Verhevene, groette hem eerbiedig en vroeg om een zodanige uitleg over de leer dat hij na het vernemen ervan afgezonderd, vol ijver en vastbesloten kon vertoeven. De Boeddha zei toen:

"Rahula, zijn de zintuigen - oog, oor, neus, tong, lichaam, geest – onvergankelijk of vergankelijk?" - "Ze zijn vergankelijk, Heer."

"Zijn de vormen, geluiden, geuren, smaken, aanrakingen, geestelijke objecten onvergankelijk of vergankelijk?"- "Ze zijn vergankelijk, Heer."

"Zijn de diverse soorten bewustzijn - zienbewustzijn, hoorbewustzijn, ruikbewustzijn, smaakbewustzijn, aanrakingsbewustzijn, denkbewustzijn – onvergankelijk of vergankelijk?"- "Ze zijn vergankelijk, Heer."

"Is contact door de zintuigen – visueel contact, hoorcontact, ruikcontact, smaakcontact, aanrakingscontact, denkcontact – onvergankelijk of vergankelijk?"- "Het is vergankelijk, Heer."

"Zijn de gevoelens veroorzaakt door zien, horen, ruiken, proeven, aanraken, denken onvergankelijk of vergankelijk?" - "Ze zijn vergankelijk, Heer."

"Zijn de waarnemingen van vormen, van geluiden, van geuren, van smaken, van aanrakingen, van geestelijke objecten onvergankelijk of vergankelijk?"- "Ze zijn vergankelijk, Heer."

"Is de wil naar vormen, naar geluiden, naar geuren, naar smaken, naar aanrakingen, naar geestelijke objecten onvergankelijk of vergankelijk?"- "Ze is vergankelijk, Heer."

"Is het verlangen naar vormen, naar geluiden, naar geuren, naar smaken, naar aanrakingen, naar geestelijke objecten onvergankelijk of vergankelijk?"- "Het is vergankelijk, Heer."

"Is het aarde-element, het water-element, het vuur-element, het wind-element, het ruimte-element, het bewustzijns-element onvergankelijk of vergankelijk?"- "Die elementen zijn vergankelijk, Heer."

"Zijn lichamelijkheid, gevoel, waarneming, de formaties, bewustzijn onvergankelijk of vergankelijk?" - "Ze zijn vergankelijk, Heer."

"Wat vergankelijk is, is dat onbevredigend of is het prettig?” – “Heer, het is onbevredigend.” – “Datgene wat vergankelijk is, onbevredigend en veranderlijk, is het juist om daarvan te denken: ‘Dit is van mij, dit ben ik, dit is mijn zelf’?” – “Natuurlijk niet, Heer.”

“Rāhula, wanneer de edele volgeling de waarheid heeft ingezien, wendt hij zich af van het oog en van vormen, van visueel bewustzijn, visueel contact en van alwat ontstaat veroorzaakt door visueel contact, namelijk alwat behoort tot gevoelens, waarneming, geestelijke formaties en bewustzijn.

Hij wendt zich af van oor en geluiden, van neus en geuren, tong en smaken, lichaam en alwat aangeraakt kan worden, en van geest en gedachten en ideeën. Hij wendt zich af van de corresponderende soorten bewustzijn en contact en van alwat ontstaat veroorzaakt door dat contact, namelijk alwat behoort tot gevoelens, waarneming, geestelijke formaties en bewustzijn.

Wanneer hij zich afwendt, ebt de hartstocht weg. Met het wegebben van de hartstocht is hij bevrijd. En dan ontstaat bij hem het zekere weten: ‘Ik ben bevrijd, geboorte is uitgedoofd, vervuld is het heilige leven, gedaan is wat gedaan moest worden; niets gaat meer hierboven uit.’ Aldus weet hij.”

(S.18.1-10)

2. contemplatie over niet-bestendigheid

        Bij contemplatie over niet-bestendigheid, vergankelijkheid overweegt men aldus: “Materie (vorm) is niet bestendig, is vergankelijk. Gevoel of gewaarwording is niet bestendig, is vergankelijk. Waarneming is niet bestendig, is vergankelijk. Geestelijke formaties zijn niet bestendig, zijn vergankelijk. Bewustzijn is niet bestendig, is vergankelijk.” (A.V.108).

3. De zintuigen zijn niet blijvend

        Het oog is niet blijvend.

        Het oog-bewustzijn is niet blijvend.

        Visueel contact is niet blijvend.

        Datgene wat ontstaat veroorzaakt door visueel contact, - namelijk alles wat behoort tot gevoel, waarneming, geestelijke formaties en bewustzijn, - dat is niet blijvend.

        Wat niet blijvend is, dat is smartelijk, onbevredigend, frustrerend, niet tevreden stellend, het is niet prettig.[1] Het is niet juist om daarvan te denken: 'Dit is van mij, dit ben ik, dit is mijn zelf'.

        Het oor is niet blijvend.

        Geluiden zijn niet blijvend.

        Het oor-bewustzijn is niet blijvend.

        Oor-contact is niet blijvend.

        Datgene wat ontstaat veroorzaakt door oor-contact, - namelijk alles wat behoort tot gevoel, waarneming, geestelijke formaties en bewustzijn, - dat is niet blijvend.

        Wat niet blijvend is, dat is smartelijk, onbevredigend, frustrerend, niet tevreden stellend, het is niet prettig. Het is niet juist om daarvan te denken: 'Dit is van mij, dit ben ik, dit is mijn zelf.'

        De neus is niet blijvend.

        Geuren zijn niet blijvend.

        Het geur-bewustzijn is niet blijvend.

        Neus-contact is niet blijvend.

        Datgene wat ontstaat veroorzaakt door geur-contact, - namelijk alles wat behoort tot gevoel, waarneming, geestelijke formaties en bewustzijn, - dat is niet blijvend.

        Wat niet blijvend is, dat is smartelijk, onbevredigend, frustrerend, niet tevreden stellend, het is niet prettig. Het is niet juist om daarvan te denken: 'Dit is van mij, dit ben ik, dit is mijn zelf.'

        De tong is niet blijvend.

        Smaken zijn niet blijvend.

        Het smaak-bewustzijn is niet blijvend.

        Tong-contact is niet blijvend.

        Datgene wat ontstaat veroorzaakt door tong-contact, - namelijk alles wat behoort tot gevoel, waarneming, geestelijke formaties en bewustzijn, - dat is niet blijvend.

        Wat niet blijvend is, dat is smartelijk, onbevredigend, frustrerend, niet tevreden stellend, het is niet prettig. Het is niet juist om daarvan te denken: 'Dit is van mij, dit ben ik, dit is mijn zelf.'

        Het lichaam is niet blijvend.

        Aanrakingen zijn niet blijvend.

        Het lichaam-bewustzijn is niet blijvend.

        Lichaam-contact is niet blijvend.

        Datgene wat ontstaat veroorzaakt door lichaam-contact, - namelijk alles wat behoort tot gevoel, waarneming, geestelijke formaties en bewustzijn, - dat is niet blijvend.

        Wat niet blijvend is, dat is smartelijk, onbevredigend, frustrerend, niet tevreden stellend, het is niet prettig. Het is niet juist om daarvan te denken: 'Dit is van mij, dit ben ik, dit is mijn zelf.'

        De geest is niet blijvend.

        Gedachten en ideeën zijn niet blijvend.

        Het geest-bewustzijn is niet blijvend.

Geest-contact is niet blijvend.

        Datgene wat ontstaat veroorzaakt door geest-contact, - namelijk alles wat behoort tot gevoel, waarneming, geestelijke formaties en bewustzijn, - dat is niet blijvend.

        Wat niet blijvend is, dat is smartelijk, onbevredigend, frustrerend, niet tevreden stellend, het is niet prettig. Het is niet juist om daarvan te denken: 'Dit is van mij, dit ben ik, dit is mijn zelf.'

        Gevoel, waarnemingen, geestelijke formaties en bewustzijn zijn niet blijvend. Ze zijn onderhevig aan verandering. Wat niet blijvend is, dat is smartelijk, onbevredigend, frustrerend, niet tevreden stellend. Het is niet juist om daarvan te denken: 'Dit is van mij, dit ben ik, dit is mijn zelf'. (M.147)

 

4. De zes innerlijke gebieden

        Het oog is niet onvergankelijk maar vergankelijk. Men kan daarvan niet beweren: dat behoort mij toe, dat ben ik, dat is mijn zelf.

        Het oor is niet onvergankelijk maar vergankelijk. Men kan daarvan niet beweren: dat behoort mij toe, dat ben ik, dat is mijn zelf.

        De neus is niet onvergankelijk maar vergankelijk. Men kan daarvan niet beweren: dat behoort mij toe, dat ben ik, dat is mijn zelf.

        De tong is niet onvergankelijk maar vergankelijk. Men kan daarvan niet beweren: dat behoort mij toe, dat ben ik, dat is mijn zelf.

         Het lichaam is niet onvergankelijk maar vergankelijk. Men kan daarvan niet beweren: dat behoort mij toe, dat ben ik, dat is mijn zelf.

De geest is niet onvergankelijk maar vergankelijk. Men kan daarvan niet beweren: dat behoort mij toe, dat ben ik, dat is mijn zelf.

        Want de zes innerlijke gebieden (ayatana) zijn vergankelijk.

        De vormen zijn niet onvergankelijk maar vergankelijk. Men kan daarvan niet beweren: ‘dat behoort mij toe, dat ben ik, dat is mijn zelf.

        De geluiden, de geuren, de smaken, de aanrakingen, de gedachten zijn niet onvergankelijk maar vergankelijk. Men kan daarvan niet beweren: ‘dat behoort mij toe, dat ben ik, dat is mijn zelf.

        Want de zes innerlijke gebieden zijn vergankelijk.

        Het zienbewustzijn is niet onvergankelijk maar vergankelijk. Men kan daarvan niet beweren: dat behoort mij toe, dat ben ik, dat is mijn zelf.

        Het hoorbewustzijn, het ruikbewustzijn, het smaakbewustzijn, het tastbewustzijn, het denkbewustzijn is niet onvergankelijk maar vergankelijk. Men kan daarvan niet beweren: dat behoort mij toe, dat ben ik, dat is mijn zelf.

        Want de zes innerlijke gebieden zijn vergankelijk.

        Door oorzaken komt een geconditioneerde gewaarwording tot stand. Door het beëindigen van die oorzaken wordt geconditioneerde gewaarwording beëindigd. (M.146)

5. Het overdenken van vergankelijkheid I

        "Dit lichaam van mij dat uit materiële vorm bestaat, dat samengesteld is uit de vier grote elementen, door moeder en vader verwekt, door middel van rijst en rijstebrij opgebouwd, dit lichaam is onderworpen aan vergankelijkheid, onderworpen aan verval; en dit bewustzijn van mij wordt weggedragen en is heel eng ermee verbonden." (M.77)

6. Het overdenken van vergankelijkheid II

        Het overdenken van vergankelijkheid, indien vaak beoefend, verwijdert alle zinnelijke lust, verwijdert alle lust naar lichaam, alle verlangen naar wedergeboorte, alle onwetendheid, alle waan van “ik ben”. En hoe doet men dat?

        Als men ziet: zo is het lichaam, zo is het ontstaan van het lichaam, zo is het verdwijnen van het lichaam, zo is gevoel, zo is gewaarwording, zo zijn de activiteiten, zo is bewustzijn, zo is het ontstaan ervan en het verdwijnen ervan.”

        Het lichaam is leeg, zonder zelf. Het is ontstaan afhankelijk van andere oorzaken. Het is veranderlijk en vergankelijk. Gevoelens ontstaan en vergaan; zij zijn afhankelijk van omstandigheden, ze zijn zonder zelf. Waarneming is afhankelijk, zonder zelf. Bewustzijn is afhankelijk, zonder zelf. Al het samengestelde is ontstaan, is afhankelijk van oorzaken.

Alleen Nibbana is zonder oorzaak. is niet samengesteld. Die staat is niet geboren, niet geworden, niet geschapen.

-=0=-


[1] Dit betekent niet dat iets niet als prettig en aangenaam ervaren kan worden. Maar het vergankelijke van iets houdt in dat er na een bepaalde tijd – hoe lang ook – een einde komt aan dat prettige en aangename. En juist dat feit is het smartelijke, onbevredigende van al wat niet-blijvend is, van al wat tijdelijk is.