Facetten van het Boeddhisme


naar Index

10.4. Saddha, vertrouwen en eerbetoon

Inleiding      01. Vertrouwen     02. Toevluchtname     03. Denken aan het Drievoudige Juweel     04. De Juweel-toespraak     1.  Vertrouwen en deugd     1.01. Het beste gezelschap     1.02. Vertrouwen, deugd en inzicht     1.03. De invloed van degene vol vertrouwen     1.04. Onovertroffen     1.05. Stromen van verdienste     1.06. Hoogste vertrouwen en hoogste zegen     1.07. Resultaat van vertrouwen     1.08. De zegen van vertrouwen     1.09. Door vertrouwen bevrijd     2. Bespiegelingen     2.01. Zuivering door de zes overwegingen     2.02. De tien overwegingen     2.03. Bespiegeling over deugd    2.04. Bespiegeling over vrijgevigheid     2.05. Bespiegeling over godheden    2.06. Bespiegeling over de vrede     3. Heilzame verzen     3.01. Maha-jayamangala gatha     3.02. De acht verzen over heilzame  overwinningen     3.03. Jayaparitta - de victorie bescherming      3.04. Cullamangalacakkavala - De kleine  sfeer van zegeningen     3.05. Goede wensen     3.06. samannanumodanagatha     3.07. Verzen over de macht van het Drievoudige Juweel     3.08. afweer van onheil     3.09.  Overdracht van verdiensten      

Copyright ©  2021 / 2564

Het is toegestaan om elektronisch of in gedrukte vorm fragmenten van deze compilatie of de compilatie in zijn geheel over te nemen voor eigen gebruik, of ook met als doel ze met anderen te delen, uitsluitend voor gratis verspreiding en zonder commercieel oogmerk.



Saddhā, vertrouwen

Inleiding

        

        Een van de methoden van meditatie bestaat uit vertrouwen (saddhā). Dit is vertrouwen hebben in de Boeddha, in zijn leer en in de Orde van de heilige monniken, de Ariyasangha.

        Ook door vertrouwen kan men het hoogste heil verwerven. Door vertrouwen en devote meditatie worden de gedachten gericht op één punt. Het denken is goed wanneer wij de gedachten vestigen op de Boeddha, op zijn leer of op de gemeenschap van de monniken. Ook kan men dagelijks aandachtig een stukje lezen over de Boeddha of zijn leer, of een bepaald facet van de leer overdenken. Dit behoort eveneens tot saddhā.

        Saddhā, devote meditatie, vertrouwen leidt tot een kalme, rustige geest. En daardoor kan het hoogste geluk bereikt worden.

        De Boeddhist(e) heeft vertrouwen indien hij of zij gelooft in de Verlichting van de Volmaakte (M.53) of in de Drie Juwelen door zijn/haar toevlucht te nemen tot de Boeddha, Dhamma en Ariyasangha. Dat vertrouwen moet dan gemotiveerd zijn door en gegrond in begrip. Ook wordt aan de Boeddhist(e) gevraagd om het object van zijn/haar vertrouwen te onderzoeken en te testen. (M.47)

        Het vermogen van vertrouwen moet in evenwicht gehouden worden met het vermogen van wijsheid. Door begrip en wijsheid wordt vertrouwen een innerlijke zekerheid en een vaste overtuiging die gebaseerd is op eigen ervaring. Geloof is het zaad genoemd van alle heilvolle toestanden (Sn.I.4, vers 77). Want het inspireert de geest met zelfvertrouwen en vastberadenheid om de stroom van samsāra (het steeds weer geboren worden en sterven) over te steken.

Saddhā, geloof, vertrouwen, is een belangrijke stroom van verdienste.[1] Ook is vertrouwen een van de vijf geestelijke eigenschappen[2] en één van de zeven schatten die waard zijn verworven te worden.[3]

Vertrouwen is het zaaigoed en ascese is de regen;

        wijsheid is juk en ploeg.

        Schaamte is de dissel

        en de geest is de verbinding;

        oplettendheid is ploegschaar en drijfstok.

        (Sn.I.4, vers 77).

        Volgens het commentaar op bovenstaand vers is de betekenis ervan als volgt. Het zaad hecht zich beneden vast door middel van de wortels en laat een kiem ontstaan naar boven. Zo is het ook met vertrouwen. Van onderen staat het vast als wortel van deugdzaamheid; naar boven laat het de kiem van geestelijke rust en inzicht ontstaan.

        Als men geneigd is tot piekeren, tot bezorgdheid, dan is een denken aan de Boeddha, zijn leer en zijn Orde een grote hulp. Het gemoed wordt stil, en met een stil en vredig gemoed ziet men de dingen anders dan voorheen. De slang die vrees inboezemde, wordt met kalme geest gezien voor wat ze werkelijk is: een gewoon touw waarvoor men geen angst hoeft te hebben. Het reciteren van (Pali-)teksten of het denken aan het Drievoudige Juweel heeft dus ook een geruststellende functie.

        Denken aan het Drievoudige Juweel behoort tot de elementen van de Verlichting (bodhipakkhiya-dhamma). (A.I.35) Het brengt kalmte van geest. Want de Gezegende is vrij van begeerte, vrij van afkeer en vrij van illusie. Daarom is hij niet meer geneigd tot angst, vrees, bezorgdheid en gejaagdheid. En om die reden straalt er een grote rust uit van de Boeddha, van zijn leer en van zijn heilige volgelingen. (zie: S.XI.3)

        Het principe is eigenlijk heel eenvoudig. Er ontstaat steeds maar één gedachte. Twee of meer gedachten kunnen niet op eenzelfde moment bij iemand verschijnen. Door nu onze gedachten te richten tot de verheven Boeddha, zijn leer en zijn Orde van heiligen kunnen gedurende die tijd geen andere en nadelige gedachten onze geest beïnvloeden. Een zekere mate van stilheid van geest kan men dus bereiken door te denken aan het Drievoudige Juweel.

        Ik heb hier meerdere teksten verzameld over de Boeddha, de Dhamma en de Sangha, en over vertrouwen. Ieder kan naar believen die teksten lezen die hem of haar aanspreken. Het is niet de bedoeling dat alle teksten elke dag gelezen worden.

01. Vertrouwen 

        Wie vertrouwen heeft in de Verlichting van de Verhevene, dat strekt hem tot heil en zegen voor het hiernamaals. (A.VIII.54)

        Vertrouwen in de Boeddha, in zijn leer en in de gemeenschap van de heiligen wordt uitgedrukt door de toevluchtname en door te denken aan het Drievoudige Juweel.

        Wie aan de Boeddha denkt, of aan zijn leer, of aan de gemeenschap van de heiligen, bij hem of haar verdwijnt elke angst of vrees of paniek die mogelijk ontstaat.

        "Als u de Boeddha voor uw geest roept,

        zal er helemaal geen vrees voor u zijn.

        En als u niet aan de Boeddha denkt,

        denk dan aan de leer die goed verkondigd is

        en die naar Nibbāna leidt.

        En als u niet aan de leer denkt,

        denk dan aan de Orde, dat prachtige veld

        van verdienste voor allen.

        Degenen die de verheven Boeddha,

        de edele leer en de Ariyasangha

        zich voor de geest roepen,

        zal geen angst noch vrees doen beven.”

(S.XI.3)

02. Toevluchtname

Ik neem mijn toevlucht tot de Boeddha;

ik neem mijn toevlucht tot zijn leer;

ik neem mijn toevlucht tot de gemeenschap van de heiligen.[4]

Nogmaals neem ik mijn toevlucht tot de Boeddha;

nogmaals neem ik mijn toevlucht tot zijn leer;

nogmaals neem ik mijn toevlucht tot de gemeenschap van de heiligen.

Nogmaals en nogmaals neem ik mijn toevlucht tot de Boeddha;

nogmaals en nogmaals neem ik mijn toevlucht tot zijn leer;

nogmaals en nogmaals neem ik mijn toevlucht tot de gemeenschap van de heiligen.

(Vin.I.22; zie ook: M.I.24).

03. Denken aan het Drievoudige Juweel

        ‘Waarlijk, de Verhevene is heilig, volledig verlicht, volmaakt in kennis en volmaakt in gedrag. Hij is gezegend, een kenner van de werelden. Hij is de onvergelijkbare leider van mensen die bedwongen moeten worden en van mensen die volgzaam zijn. Hij is de leraar van goden en van mensen. Hij is de Ontwaakte en Verhevene.’

        ‘Duidelijk uitgelegd is de leer door de Verhevene; hier en nu op juistheid te controleren; met onmiddellijk resultaat. Ze nodigt ieder uit om alles zelf te testen; ze leidt naar Nibbāna. Ze is te begrijpen door de wijze, ieder voor zichzelf.’[5]

        ‘Van goed gedrag is de Orde van de discipelen van de Gezegende. Van oprecht gedrag is de Orde van de discipelen van de Gezegende. Van wijs gedrag is de Orde van de discipelen van de Gezegende. Van plichtsgetrouw gedrag is de Orde van de discipelen van de Gezegende. Deze Orde van de discipelen van de Gezegende – namelijk de vier paren van personen, de acht soorten individuen[6] – is offergaven waard, is gastvrijheid waard, is geschenken waard, is waard eerbiedig gegroet te worden, is een onvergelijkbaar veld van verdienste voor de wereld.’

(A.IV.52; S.XI.3; zie ook M.89)

04. De Juweel-toespraak

        

Inleiding

        In het vijfde jaar na de Verlichting ontstond er hongersnood in de stad Vesāli. Ten gevolge daarvan stierven eerst de arme mensen. De stank van hun lichamen trok een groot aantal geesten aan. Aangetast door die boze geesten stierf een nog groter aantal mensen. Zó groot was de stank van de lijken dat de inwoners ingewandsziekten kregen. Er waren toen dus drie plagen: de plaag van hongersnood, de plaag van boze geesten en de plaag van ziekte.

        De inwoners van Vesāli nodigden toen de Boeddha, die te Varanasi vertoefde, uit om hun te komen helpen door zijn bovennatuurlijke krachten. En de Verhevene ging met een groot gevolg naar Vesāli.

        Sakka, de koning van de goden, kwam in gezelschap van een groep godheden eveneens naar Vesāli. En door het samenkomen van zulke machtige goden sloegen de boze geesten voor het grootste deel op de vlucht.

        In de avond stond de Leraar bij de poort van de stad en sprak tot de ouderling Ānanda: “Ānanda, ontvang van mij deze Juweel-toespraak en reciteer ze als bescherming binnen de drie muren van de stad Vesāli, terwijl je met de Licchavi-prinsen de ronde doet in de stad.”

        De ouderling ontving de Juweel-toespraak uit de mond van de Leraar, nam water in de stenen nap van de Meester en ging naar de stad. Daar nam hij zijn plaats in aan de poort. Toen hij daar stond, mediteerde hij over alle verdiensten van de Boeddha, te beginnen met diens verheven besluit. Vervolgens beschouwde hij de tien volmaaktheden van de Tathāgata, de vijf grote opofferingen, de drie verdienstelijke daden ten behoeve van de wereld, ten behoeve van zijn verwanten en omwille van de Verlichting, zijn bereiken van alwetendheid en de negen bovenzinnelijke voorwaarden.

        Daarna betrad Ānanda de stad en ging gedurende de drie nachtwaken rond binnen de drie muren van de stad. Hierbij reciteerde hij de Juweel-toespraak als bescherming.

        Op het moment dat de eerwaarde Ānanda de woorden: “Wat er bestaat” (vers drie) uitsprak en het water omhoog sprenkelde, viel het op de boze geesten. Vanaf de derde strofe rezen druppels water die op zilveren bolletjes leken, omhoog in de lucht en vielen op de zieke mensen. Onmiddellijk was de ziekte van hen genezen. De boze geesten werden door de druppels geraakt en probeerden te ontsnappen. Hoewel er zeer veel deuren waren, was er voor hen niet genoeg plaats om door de deuropeningen te ontsnappen. Daarom braken zij de muur af en zo ontkwamen zij.

        De bevolking van Vesāli maakte de raadszaal met alle soorten van parfums welriekend, richtte een baldakijn op en maakte een zitplaats voor de Boeddha gereed. De Leraar ging er neerzitten en de gemeenschap van de monniken en de gastheren van de Licchavi-prinsen zaten in een kring om hem heen. En Sakka, de koning van de goden, stond – omgeven door een groep goden – op een passende plaats.

        De ouderling Ānanda ging door de hele stad en keerde terug met een grote menigte van mensen die van hun ziekte genezen waren. Hij begroette de Meester en ging zitten. Wederom reciteerde de Leraar de Juweel-toespraak. Op het einde ervan verkregen zeer veel levende wezens begrip van de leer. Aldus reciteerde hij op dezelfde manier op de volgende dag en gedurende zeven dagen daarna dezelfde toespraak. En toen hij zag dat alle plagen geluwd waren, nam hij afscheid en vertrok vanuit Vesāli.

De Juweel-toespraak – Ratana Sutta

“De wezens die hier samen zijn gekomen,

hetzij op aarde of in de hemelruimte wonend,

mogen zij allen blij zijn en welgemoed

en mogen zij opmerkzaam luisteren

naar het woord van de leer.”

“Daarom luistert goed, gij wezens allemaal,

betoont u goedgezind jegens het geslacht der mensen

die overdag en ’s nachts u vrome gaven brengen.

Moogt u hen daarom vol toewijding beschermen.”

“Wat er bestaat aan schatten, hier en in gindse wereld,

welk kostbaar juweel zich in de hemel ook bevindt,

geen kan zich met de Volmaakte vergelijken.

Dit heerlijke juweel, het straalt in de Ontwaakte;

moge door deze waarheid geluk ontstaan.”

“Beëindiging en verzaking,

kostbare bevrijding van de dood,

bereikt door de Wijze der Sakyas, innerlijk bedaard,

niet bestaat er iets dat aan zo’n leer gelijk is.

Dit heerlijke juweel, het straalt in de Leer;

moge door deze waarheid geluk ontstaan.”

“Die als zuiverheid geprezen wordt

door de hoogste Boeddha,

die men als concentratie met directe vrucht aanduidt,

niet vindt men iets dat aan zo’n concentratie gelijk is.

Dit heerlijke juweel, het straalt in de Leer;

moge door deze waarheid geluk ontstaan.”

“Acht verheven mensen

die door de Edelen geprezen worden,

die ook bekend zijn als viervoudig mensenpaar,

zij, volgelingen van de Volmaakte, zijn gaven waard.

Rijke vrucht brengt de gave die hen aangeboden wordt.

Dit heerlijke juweel, het straalt voor ons in de Orde;

moge door deze waarheid geluk ontstaan.”

“Die zich met sterke geest helemaal wijdden,

vrij van lusten, aan de instelling van Gotama,

die het doel bereikten, in het Doodloze doken,

zij genieten de bevrijding, om niet verkregen.

Dit heerlijke juweel, het straalt voor ons in de Orde;

moge door deze waarheid geluk ontstaan.”

“Zoals de paal van de stadspoort

stevig staat in de grond,

door winden van elke richting onbewogen,

hieraan gelijk verkondig ik de edele mens

die de viervoudige edele waarheid

met wijsheid aanschouwt.

Dit heerlijke juweel, het straalt voor ons in de Orde;

moge door deze waarheid geluk ontstaan.”

“Zij die deze waarheid die zo goed verkondigd is,

met diepe wijsheid helder begrijpen,

al is hun vooruitgang ook zeer langzaam,

een achtste bestaan is er voor hen niet meer.

Dit heerlijke juweel, het straalt voor ons in de Orde;

moge door deze waarheid geluk ontstaan.”

“Gemeenschappelijk komen met bereikt inzicht

drie dingen tot verdwijnen:

het geloof aan persoonlijkheid, en twijfel,

en elk hechten aan regels en rituelen.

Aan de viervoudige lagere werelden

is hij dan ontkomen, niet meer in staat

om de zes grote euveldaden te begaan.

Dit heerlijke juweel, het straalt voor ons in de Orde;

moge door deze waarheid geluk ontstaan.”

“En al maakt men ook vaak nog fouten

in daden, woorden of in gedachten,

hij of zij is niet in staat om zulks te verhelen.

Dit is een onmogelijkheid, zo zegt men,

voor iemand die het verheven oord aanschouwt.

Dit heerlijke juweel, het straalt voor ons in de Orde;

moge door deze waarheid geluk ontstaan.”

“Zoals bloesemtoppen in het dichte bos,

in het zomerseizoen, in de eerste zomermaand,

daaraan gelijk onderwees hij tot het ware heil

de beste leer, naar Nibbāna leidend.

Dit heerlijke juweel, het straalt in de Ontwaakte;

moge door deze waarheid geluk ontstaan.”

“Als beste die het beste kent,

het beste geeft, het beste brengt,

hij, zonder weerga, onderwees de beste leer.

Dit heerlijke juweel, het straalt voor ons in de Boeddha;

moge door deze waarheid geluk ontstaan.”

“Vernietigd is het oude en niets nieuws ontstaat.

Het hart is vrij van toekomstig bestaan.

Vernietigd zijn de kiemen

en geen verlangen groeit er meer.

Zo doven wijzen uit, zoals deze lamp hier.

Dit heerlijke juweel, het straalt voor ons in de Orde;

moge door deze waarheid geluk ontstaan.”

        Sakka, de koning van de goden, reciteerde hierna nog de volgende verzen:

Gij wezens die hier samen zijt gekomen,

hetzij op aarde of in de hemelruimte wonend,

de Boeddha die als volmaakte wordt geëerd

zowel door goden als door mensen,

hem willen wij huldigen; het strekke ons allen tot geluk.

Gij wezens die hier samen zijt gekomen,

hetzij op aarde of in de hemelruimte wonend,

de Leer die als volmaakte wordt geëerd

zowel door goden als door mensen,

die willen wij huldigen; het strekke ons allen tot geluk.

Gij wezens die hier samen zijt gekomen,

hetzij op aarde of in de hemelruimte wonend,

de Orde die als volmaakte wordt geëerd

zowel door goden als door mensen,

die willen wij huldigen; het strekke ons allen tot geluk.

(Sn II.1, verzen 222-238)

1. Vertrouwen en deugd

1.01. Het beste gezelschap

Eens stelde een godheid aan de Verhevene deze vraag:

        “Wat is het beste gezelschap voor een mens?

        Wat geeft hem onderricht?

        En waarvan geniet een sterveling

        als hij bevrijd is van al het lijden?”

De Boeddha gaf ten antwoord:

        “Vertrouwen is het beste gezelschap voor de mens.

        Wijsheid geeft hem onderricht.

        En wanneer een sterveling van Nibbāna geniet,

        is hij van al het lijden bevrijd.”

        (S. I.6.9; vgl. S.X.12)

1.02. Vertrouwen, deugd en inzicht

        Alwie in de Volmaakte vertrouwen heeft

        dat onwankelbaar en goed gevestigd is,

        alwie deugd bezit die goed is,

        die de Edelen behaagt

        en door hen aanbevolen wordt;

        Alwie vertrouwen heeft in de Orde

        en inzicht heeft dat oprecht is en waar:

        "Die is niet arm," zo zegt men.

        "Niet leeg is zijn leven en het is niet verspild."

        Daarom moeten de wijzen zich wijden

        aan vertrouwen, deugd en zelfvertrouwen

        in helder inzicht in de leer,

        waarbij zij zich bezinnen op de boodschap

        van de Boeddha.

        (S. LV. 51)

1.03. De invloed van degene vol vertrouwen – Mahasalaputta Sutta

        In de nabijheid van een edele zoon die vol vertrouwen is, nemen de huisgenoten toe aan vijf dingen:

Aan vertrouwen, aan deugdzaamheid, aan weten, aan vrijgevigheid, en aan wijsheid.

1.04. Onovertroffen

        Zes dingen zijn onovertroffen: Het zien van de Tathāgata of van zijn discipelen is het edelste zien. Het horen van de Dhamma van de Tathāgata of van zijn discipelen is het edelste horen. Vertrouwen in de Tathāgata of zijn discipelen is het edelste vertrouwen. De hoogste deugd leren, de hoogste geest ontwikkelen, hoogste wijsheid is het edelste leren. Dienstverlening aan de Tathāgata of zijn discipelen is de edelste dienst. Het overwegen van de deugdzaamheden van de Tathāgata of van zijn discipelen is het edelste overwegen.

(A.VI.30)

1.05. Stromen van verdienste

        

        Er zijn meerdere stromen van verdienste, stromen van het heilzame. Ze brengen zegen, zijn hemels, produceren geluk, leiden naar de hemel, leiden naar het gewenste, verheugende, aangename, naar heil en zegen. Die stromen zijn:

        De edele volgeling heeft zijn toevlucht genomen tot de Boeddha. Dat is de eerste stroom van verdienste.

        Verder heeft de edele volgeling zijn toevlucht genomen tot de leer. Dat is de tweede stroom van verdienste.

        Verder heeft de edele volgeling zijn toevlucht genomen tot de gemeenschap van de monniken. Dat is de derde stroom van verdienste. (A.VIII.39; vgl. A.IV.52)

        En verder onderhoudt de edele volgeling de regels van deugdzaamheid die aan de edelen dierbaar zijn, welke regels ongebroken, ongedeerd, onbevlekt, onbedorven, bevrijdend zijn, door wijzen geprezen, onbeïnvloed, bevorderlijk voor de geestelijke concentratie. Dit is de vierde stroom van verdienste. (A.IV.52)

        De edele volgeling geeft het doden op, ziet af van doden. Daardoor schenkt hij onmetelijk veel wezens de gave van vrijheid van angst, de vrijheid van vijandschap en van onderdrukking. Doordat hij die gave schenkt, valt hem zelf vrijheid van angst, vrijheid van vijandschap en van onderdrukking ten deel. Dat is de vijfde stroom van verdienste. (A.VIII.39)

        Verder verwerpt de edele volgeling het stelen, ziet ervan af te nemen wat niet is gegeven. Daardoor schenkt hij onmetelijk veel wezens de gave van vrijheid van angst, de vrijheid van vijandschap en van onderdrukking. Doordat hij die gave schenkt, valt hem zelf vrijheid van angst, vrijheid van vijandschap en van onderdrukking ten deel. Dat is de zesde stroom van verdienste.

        De edele volgeling verwerpt verkeerd seksueel gedrag, ziet af van verkeerd seksueel gedrag. Daardoor schenkt hij onmetelijk veel wezens de gave van vrijheid van angst, de vrijheid van vijandschap en van onderdrukking. Doordat hij die gave schenkt, valt hem zelf vrijheid van angst, vrijheid van vijandschap en van onderdrukking ten deel. Dat is de zevende stroom van verdienste.

        De edele volgeling verwerpt het liegen, ziet af van liegen. Daardoor schenkt hij onmetelijk veel wezens de gave van vrijheid van angst, de vrijheid van vijandschap en van onderdrukking. Doordat hij die gave schenkt, valt hem zelf vrijheid van angst, vrijheid van vijandschap en van onderdrukking ten deel. Dat is de achtste stroom van verdienste.

        De edele volgeling verwerpt het genot van bedwelmende middelen, ziet ervan af. Daardoor schenkt hij onmetelijk veel wezens de gave van vrijheid van angst, de vrijheid van vijandschap en van onderdrukking. Doordat hij die gave schenkt, valt hem zelf vrijheid van angst, vrijheid van vijandschap en van onderdrukking ten deel. Dat is de negende stroom van verdienste. (A.VIII.39)

        Wanneer deze stromen van verdienste overwogen, ontplooid en vaak beoefend worden, leidt dat tot volledige afkeer, tot bevrijding, uitdoven, vrede, tot inzicht, tot Verlichting, tot Nibbâna. (A.I.26)

        "Wie tot de Ontwaakte vertrouwen heeft dat onwankelbaar is, diep geworteld, aan wie edele deugd, edele gewoonte eigen is, zoals ze de heiligen dierbaar zijn, wie blij op de Orde vertrouwt, en helder, juist inzicht heeft, - waarlijk, zo iemand is niet arm; hij heeft zijn leven niet voor niets geleefd.

        Wie wijs is moge daarom zich wijden aan de deugdzaamheid en aan het vaste vertrouwen, en ook aan begrip van de leer, terwijl hij de instructie van de Boeddha voor ogen houdt. (A.IV.52; vgl. ook A.VII.66)

1.06. Hoogste vertrouwen en hoogste zegen

        “Wat er ook voor wezens bestaan, voetlozen, tweevoeters, viervoeters, veelvoeters, wezens met een lichaam of lichaamloze wezens, bewuste, onbewuste of halfbewuste wezens: als hoogste onder hen geldt de Volmaakte, de heilige, de volledig Verlichte. Degenen nu die op de Verlichte vertrouwen, zij vertrouwen op het hoogste. En degenen die op het hoogste vertrouwen, zullen hoogste zegen krijgen. (A.V.32; A.IV.34)

        Wat er ook voor leringen bestaan, gevormde of ongevormde, als hoogste eronder geldt de onthechting, namelijk de vernietiging van onwetendheid, het stillen van de dorst, de vernietiging van het hechten, het doorbreken van de kringloop van bestaan, het uitdrogen van begeerte, de onthechting, het uitdoven, het Nibbâna. Degenen die op de leer van onthechting vertrouwen, zij vertrouwen op het hoogste. En degenen die op het hoogste vertrouwen, zullen hoogste zegen krijgen. (A.V.32; A.IV.34)

        Wat er ook bestaat aan gemeenschappen van volgelingen of monniken, als hoogste eronder geldt de gemeenschap van de volgelingen van de Volmaakte, namelijk de vier paren van heiligen, de acht soorten van heiligen. Deze gemeenschap van heilige volgelingen is offergaven waard, is gastgeschenken waard, is gaven waard, is waard vol eerbied gegroet te worden, is het beste veld in de wereld voor goede werken. Degenen nu die op de gemeenschap van de heiligen vertrouwen, zij vertrouwen op het hoogste. En degenen die op het hoogste vertrouwen, zullen hoogste zegen krijgen.” (A.V.32; A.IV.34)

        “Wat er ook bestaat aan deugden die de heiligen dierbaar zijn, als hoogste eronder gelden de ongebroken, ongedeerde, onbevlekte, onverdorven, bevrijdende, door wijzen geprezen deugden, die onbeïnvloed zijn en die de geestelijke concentratie bevorderen. Degenen nu die deze deugden die de edelen dierbaar is, vervullen, zij vervullen het hoogste. En degenen die het hoogste vervullen, zullen hoogste zegen[7] krijgen.” (A.V.32)

        Wat er ook aan gevormde dingen[8] bestaat, als hoogste daaronder geldt het edele achtvoudige pad. Degenen nu die op het edele achtvoudige pad vertrouwen, die vertrouwen op het hoogste. En degenen die op het hoogste vertrouwen, valt allerhoogste zegen ten deel. (A.IV.34)

“Wie vertrouwen heeft in de Hoogste,

en de hoogste leer kent;

wie vertrouwen heeft in de Boeddha als de hoogste,

degene die de grootste eer waard is;

wie vertrouwen heeft in de leer

als het hoogste geluk van de vrede van onthechting;

wie vertrouwen heeft in de Orde als de hoogste,

het beste veld van goede werken;

wie op deze drie vertrouwt,

en ook aan de Hoogste gaven geeft,

hem verwacht de hoogste zegen,

hoge ouderdom, schoonheid, roem,

geluk en kracht en hoog aanzien.

Een wijze die aan de Hoogste geeft,

die toegewijd is aan de hoogste leer,

zal als god of ook als mens

de hoogste vreugde deelachtig worden."

(A.V.32; A.IV.34)

1.07. Resultaat van vertrouwen

        

        Te Rajagaha. De Verhevene verbleef er in een bamboebos en vertelde er dat te Rajagaha vroeger een arme man leefde. Deze vatte vertrouwen in de leer van de Verhevene, nam de geboden van zedelijke discipline aan, nam het onderricht aan, nam vrijgevigheid aan, nam inzicht aan. Na de dood werd hij wedergeboren in de hemelse wereld van de Tavatimsa-goden. Hij overtrof er de andere goden aan schoonheid en heerlijkheid. De Tavatimsa-goden waren verontwaardigd dat iemand die vroeger als mens arm en ongelukkig was geweest, nu de andere goden overtrof aan schoonheid en heerlijkheid.

        Sakka zei toen dat de nieuwe god vroeger de leer van de Boeddha had aangenomen, de geboden van zedelijke discipline had aangenomen, onderricht had aangenomen, vrijgevigheid had uitgeoefend, inzicht had aangenomen. Om die redenen was hij in de hemel van de Tavatimsa-goden wedergeboren met zo'n heerlijkheid.

En verder zei Sakka:

        "Wie rotsvast, stevig gegrondvest vertrouwen in de Tathagata heeft, en wie de mooie zedelijke tucht oefent die aan de edelen dierbaar is en door hen geprezen wordt, en wie vreugdevol vertrouwen heeft tot de gemeenschap en de juiste mening heeft, die persoon noemt men niet arm. Zijn leven is niet tevergeefs.  (S.XI.14)

1.08. De zegen van vertrouwen – Saddha sutta

        

        Vijf voordelen geniet de edele zoon die vol vertrouwen is, namelijk:

        Wat er in de wereld bestaat aan goede, edele mensen,[9] deze geven eerst hun vriendschap aan degene vol vertrouwen, niet aan degene zonder vertrouwen. Zij gaan eerst naar degene vol vertrouwen, niet naar degene zonder vertrouwen. Zij ontvangen eerst degene vol vertrouwen, niet degene zonder vertrouwen. Zij onderrichten de leer eerst aan degene vol vertrouwen, niet aan degene zonder vertrouwen. Verder komt degene vol vertrouwen na de dood in een gelukkige sfeer van bestaan, in een hemelse wereld. De edele zoon die vol vertrouwen is, is een toevluchtsoord voor veel mensen, voor monniken, nonnen, mannelijke en vrouwelijke lekenvolgelingen. Met de deugdzame, edele mens die vol vertrouwen is, die deemoedigheid oefent, die niet koppig is, die mildheid, goedheid, zachtmoedigheid toont, met een dergelijke mens hebben de heiligen graag omgang, de heiligen die vrij zijn van begeerte en haat, vrij van waan en neigingen, het beste veld voor goede daden. Zij leggen hem de leer uit, die alle leed laat uitdrogen, en als hij ze helemaal heeft begrepen, wordt hij reeds hier verlost, vrij van elke neiging. (A.V.32; A.V.38)

1.09. Door vertrouwen bevrijd

        Door vertrouwen kan men de bevrijding bereiken. Hierover is het volgende gezegd:        

        Iemand die door vertrouwen bevrijd is, is degene die niet met het lichaam contact opneemt met die bevrijdingen die vredig en vormloos zijn en vormen transcenderen, en die er niet in vertoeft.[10] Maar enige van zijn neigingen zijn vernietigd doordat hij ze met wijsheid ziet; en hij heeft zijn vertrouwen in de Tathagata gesteld welk vertrouwen in hem geworteld en verankerd is.

        Deze persoon moet nog ijverig werk verrichten. Want hij kan, wanneer hij gebruik maakt van passende ligplaatsen en met goede vrienden omgang heeft, en zijn spirituele vermogens in evenwicht houdt, uit eigen ervaring het hoogste doel bereiken.

        Iemand die vertrouwen volgt,[11] is degene die niet met het lichaam contact opneemt met die bevrijdingen die vredig en vormloos zijn en vormen transcenderen, en die er niet in vertoeft. Zijn neigingen zijn nog niet vernietigd. Maar hij heeft voldoende vertrouwen in de Tathagata, voldoende liefde voor de Tathagata. Bovendien heeft hij de eigenschappen van vertrouwen, energie, oplettendheid, concentratie en wijsheid.

        Deze persoon moet nog ijverig werk verrichten. Want hij kan, wanneer hij gebruik maakt van passende ligplaatsen en met goede vrienden omgang heeft, en zijn spirituele vermogens in evenwicht houdt, uit eigen ervaring het hoogste doel bereiken. (M.70)

2. Bespiegelingen

2.01. Zuivering door de zes overwegingen - Anussatitthâna Sutta.

        Er zijn zes onderwerpen van overweging, namelijk: het denken aan de Volmaakte, aan de leer, aan de gemeenschap van de [heilige] monniken, aan de eigen deugdzaamheid, aan de eigen vrijgevigheid en aan de godheden.

        Op die tijd wanneer men daarover nadenkt, is de geest noch door begeerte omsponnen, noch door haat noch door onwetendheid. Juist gericht is de geest dan, vrij van begeerte. De begeerte is een aanduiding van de vijf lusten der zinnen. Maar doordat zij die voorstellingen koesteren [nl. de zes onderwerpen van overweging], worden veel wezens gezuiverd. (A.VI.25).

        Deze onderwerpen worden ook vermeld bij de tien overwegingen.

2.02. De tien overwegingen

        Er is een overweging die, wanneer ze ontplooid en vaak beoefend wordt, leidt tot volledige afkeer, tot bevrijding, uitdoven, vrede, tot inzicht, tot Verlichting, tot Nibbâna. Het is de overweging over de Volmaakte.

        Eenzelfde resultaat heeft de overweging over de leer, en de overweging over de gemeenschap van de monniken.[12]

        Eenzelfde resultaat heeft de overweging over de zedelijkheid, over vrijgevigheid, over de hemelse wezens, over in- en uitademen, over de dood, over het lichaam, en de overweging over de vrede. (A.I.26)

        Door de oplettendheid over in- en uitademen kunnen alle vier meditatieve verdiepingen bereikt worden. Door de overweging van het lichaam kan de eerste verdieping bereikt worden. Door de overige overwegingen kan alleen de aangrenzende concentratie verkregen worden.

Wanneer de mediterende het doel heeft de verdiepingen te bereiken en zich op een geschikt object (bijv. de adem of het lichaam) concentreert, en wanneer de geest dan onvast en ontevreden heen en weer gaat, dan moet hij voorlopig van die oefening afzien en een andere overweging oefenen. De geest wordt aangespoord en opgewekt en vrij van de vijf belemmeringen. Met een zodanig tot rust gekomen geest zal hij in staat zijn de oorspronkelijke oefening tot het gewenste doel te leiden.

Als objecten en basis voor de inzicht-meditatie kunnen de zeven overwegingen als volgt dienen: Wanneer men na beëindiging van de overweging over de Verlichte erover nadenkt wie eigenlijk deze overweging uitoefent, dan komt men tot het inzicht dat er slechts de met de overweging verbonden gedachten aanwezig waren maar geen persoonlijkheid of ikheid en dat die gedachten gebonden zijn aan de groepen van bestaan (khandha): gevoel, waarneming, geestelijke formaties en bewustzijn. Verder weet men dat die vier geestelijke groepen van bestaan niet kunnen ontstaan zonder de tot de lichamelijke groep van bestaan behorende fysieke basis van de geest. De lichamelijke groep van bestaan is echter een aanduiding voor de vier elementen (vastheid, vloeibaarheid, hitte, beweging) en de daarvan afhankelijke lichamelijke verschijnselen (zoals de zinsorganen).

        Terwijl nu de mediterende zo de vijf groepen van bestaan overweegt, ziet hij dat zij onderworpen zijn aan onvoldaanheid, het lijden. Hij ziet in dat het wedergeboorte producerende verlangen (tanhâ) de oorzaak van het lijden is. Hij ziet in dat de uitdoving van het verlangen de uitdoving van het lijden is en dat het achtvoudige pad de weg ernaartoe is. Zo komt hij door zulke inzicht-overwegingen niveau na niveau dichter bij de heiligheid. Op die manier dienen deze overwegingen als objecten en basis van het inzicht.

2.03. Bespiegeling over deugd

        

De bespiegeling over deugd behoort tot de elementen van de Verlichting (bodhipakkhiya-dhamma) (A.I.35)

        Deze bespiegeling heeft twaalf voordelen: Men eert de Leraar; men acht de Leer; men acht de Ariyasangha; men acht de regels van goed gedrag; men acht gaven; men wordt oplettend; men ziet gevaar in de kleinste fout; men hoedt zichzelf; men beschermt anderen; men heeft geen vrees in deze wereld, en ook niet in de andere wereld; men geniet de vele voordelen die ontstaan uit het navolgen van de regels.[13]

De procedure is aldus:

        Men gaat naar een rustige plek en houdt de geest ongestoord. En men overweegt: 'Mijn deugd is ongebroken, ongedeerd, onbesmet, zonder blaam, bevrijdend, door de wijzen geprezen, onbeïnvloed;[14] ze bevordert geestelijke concentratie.' (A.III.71)

        Wanneer deugd zuiver is, wordt ze de basis van alle goede staten.[15]

2.04. Bespiegeling over vrijgevigheid

        Deze bespiegeling behoort tot de elementen van de Verlichting (bodhipakkhiya-dhamma) (A.I.35)

        Wat is meesterschap in vrijgevigheid? - Daar leeft de edele zoon thuis met een hart dat vrij is van de ondeugd van gierigheid; hij is vrijgevig en geeft met open handen; hij geeft graag, is de behoeftigen toegedaan en heeft vreugde aan het uitdelen van gaven. (A.VIII.54)

        Vrijgevigheid betekent dat men van zijn rijkdom aan anderen geeft met de wens dat zij er voordeel van hebben, en ook om het geluk te verkrijgen dat erin bestaat anderen wel te doen.

        Men vertoeft gelijkmoedig bij de bespiegeling over vrijgevigheid. Niet-begeren is de nadere oorzaak ervan.

        Iemand die deze bespiegeling oefent, krijgt tien voordelen: hij krijgt zegen door vrijgevigheid; hij wordt begeerteloos door vrijgevigheid; hij is geen vrek; hij denkt aan anderen; hij wordt dierbaar aan anderen; hij heeft geen angst in het gezelschap van anderen; hij heeft veel vreugde, krijgt een meelevende geest, het gaat hem goed na de dood en hij nadert Nibbāna.[16]

Procedure:

        Men gaat naar een rustige plek en houdt de geest ongestoord. En men overweegt aldus:

        'Door dingen op te geven heb ik anderen wel gedaan. Daardoor heb ik veel verdiensten verworven. Door het vuil van begeerte worden anderen naar dingen getrokken. Maar ik leef met een geest zonder begeerte, met een gemoed dat zuiver is. Steeds geef ik en verheug me in het geven aan anderen. Steeds deel ik uit.'

        Vanwege deze overweging is zijn gemoed steeds ongestoord. En zo vernietigt hij de hindernissen, doet de meditatieve verdiepingen (jhâna) ontstaan en verkrijgt begin-concentratie.[17]

2.05. Bespiegeling over godheden

        Iemand die de herinnering aan godheden wil ontwikkelen, moet de speciale eigenschappen van vast vertrouwen en onwrikbare deugdzaamheid bezitten.[18] Hij of zij moet zich afzonderen en de eigen speciale eigenschappen van vast vertrouwen en onwrikbare deugdzaamheid zich te binnen brengen, met godheden als getuigen. En dit gaat als volgt:

        “Er zijn de goden in de sfeer van de Vier Grote Koningen. Er zijn de goden in de sfeer van de Drieëndertig. Er zijn de gelukzalige goden. Er zijn de tevreden goden. Er zijn de goden die zich verheugen in scheppen. Er zijn goden die heersen over de scheppingen van anderen. Er zijn goden in de sfeer van het gevolg van Brahmā. Er zijn goden hoger dan deze sferen. En die goden hadden zo'n vertrouwen dat zij na de dood daar wedergeboren werden; en zo'n vertrouwen is ook bij mij aanwezig. En die goden bezaten deugdzaamheid, zij waren leergierig, waren edelmoedig en vrijgevig, en zij bezaten begrip zodat zij na de dood daar wedergeboren werden. En zulke eigenschappen zijn ook bij mij aanwezig.” (A.III.287; A.III.71)

        “Bij de herinnering aan de goden is de geest van de edele volgeling niet geobsedeerd door begeerte of haat of waan; zijn geest heeft bij die gelegenheid oprechtheid, geïnspireerd door goden.” (A.III.287).

        En wanneer men toegewijd is aan deze herinnering aan godheden, dan wordt men zeer geliefd bij godheden. Men wordt vereerd door hemelse wezens. Men krijgt zelfs groter vertrouwen, heeft meer geluk en vreugde. Deugd, vrijgevigheid en wijsheid nemen toe. Men kan verkrijgen wat hemelse wezens verlangen en waaraan zij toegewijd zijn. Men is gelukkig bij de voorvreugde over de beloning van verdienste. Het gaat hem goed. Hierdoor is hij in staat om deugdzaamheid uit te oefenen en de bespiegeling over deugd.

        En indien men niet verder komt op het pad van heiligheid, dan is men in ieder geval bestemd voor een gelukkige sfeer.

        Op deze manier oefent men en men heeft daarbij vertrouwen. Daardoor is de geest ongestoord. Zo vernietigt men de hindernissen, men laat de meditatie-factoren ontstaan en men bereikt begin-meditatie.

        Waarom denkt men na over de verdienste van goden en niet over die van mensen? - De verdienste van de goden is zeer verheven. Zij zijn in verheven sferen geboren en zijn met een uitstekende geest begiftigd. Zij hebben het goed.[19]

        Eens sprak de Boeddha het volgende vers:

"Waar een wijs mens ook moge verblijven,

laat hij er zorgen voor degenen die deugdzaam zijn,

die vol zelfbeheersing het goede leven leiden.

En wanneer hij aan deze waardige personen gaven heeft geschonken,

deelt hij zijn verdienste met de lokale godheden.

En aldus geëerd, eren zij op hun beurt hem weer

en zijn hem goedgunstig gezind,

juist zoals een moeder is jegens haar eigen, haar enige zoon.

En degene die aldus door de goden geliefd is

en hun gunst geniet, ziet steeds geluk.”

2.06. Bespiegeling over de vrede

Contemplatie over de vrede is aldus: men gaat naar een vredige plek en overweegt er aldus: “Dit is vredig, dit is verheven, namelijk het tot stilstand komen van alle samengestelde dingen, het opgeven van alle grondslagen van bestaan, de uitdoving van begeerte, beëindiging, Nibbāna.” (A.X.60)

        Deze contemplatie behoort tot de elementen van de Verlichting (bodhipakkhiya-dhamma) (A.I.35)

3. Heilzame verzen

3.01. Maha-jayamangala gatha

        De grote barmhartige Heer

        heeft voor het welzijn van alle levende wezens

        alle volmaaktheden uitgeoefend

        en hoogste Verlichting bereikt.

        Moge door deze ware woorden

        er heerlijke overwinning voor mij zijn.

        Hij die het geluk van de Sakyas vergrootte,

        was zegevierend aan de voet van de Bodhi-boom.

        Moge er evenzo overwinning voor mij zijn

        en moge ik steeds gezegend zijn.

        Ik vereer het juweel van de Boeddha,

        hoogste balsem en het beste

        dat steeds heilzaam is voor goden en mensen.

        Mogen door die glorie van de Boeddha

        veilig alle hindernissen en leed ophouden.

        Ik vereer het juweel van de Leer,

        hoogste balsem en het beste

        dat de hitte afkoelt.

        Mogen door de macht van die Leer

        veilig alle hindernissen en angsten ophouden.

        Ik vereer het juweel van de Orde,

        hoogste balsem en het beste

        dat gaven waard is en gastvrijheid.

        Mogen door de macht van die Orde

        al mijn hindernissen verdwijnen;

        mogen al mijn ziektes genezen.

        Wat voor verschillende kostbare juwelen

        er ook in dit universum zijn,

        er is geen juweel gelijk aan de Boeddha.

        Moge ik door deze waarheid welvarend zijn.

        Wat voor verschillende kostbare juwelen

        er ook in dit universum zijn,

        er is geen juweel gelijk aan de Leer.

        Moge ik door deze waarheid welvarend zijn.

        Wat voor verschillende kostbare juwelen

        er ook in dit universum zijn,

        er is geen juweel gelijk aan de Orde.

        Moge ik door deze waarheid welvarend zijn.

        Er is geen andere toevlucht voor mij.

        De Boeddha is mijn weergaloze toevlucht.

        Moge door deze ware woorden

        er heerlijke overwinning voor mij zijn.

        Er is geen andere toevlucht voor mij.

        De Leer is mijn weergaloze toevlucht.

        Moge door deze ware woorden

        er heerlijke overwinning voor mij zijn.

        Er is geen andere toevlucht voor mij.

        De Orde is mijn weergaloze toevlucht.

        Moge door deze ware woorden

        er heerlijke overwinning voor mij zijn.

        

        Moge alle onheil afgeweerd worden,

        mogen alle kwalen genezen,

        moge geen gevaar mij overkomen,

        moge ik lang in vrede leven.

        

        Mogen alle zegeningen tot mij komen,

        mogen alle goden mij beschermen.

        Moge door de macht van alle Boeddhas

        er steeds geluk voor mij zijn.

        Mogen alle zegeningen tot mij komen,

        mogen alle goden mij beschermen.

        Moge door de macht van de hele Leer

        er steeds geluk voor mij zijn.

        Mogen alle zegeningen tot mij komen,

        mogen alle goden mij beschermen.

        Moge door de macht van alle Boeddhas

        er steeds geluk voor mij zijn.

        Mogen alle zegeningen tot mij komen,

        mogen alle goden mij beschermen.

        Moge door de macht van alle edele discipelen

        er steeds geluk voor mij zijn.

        Moge door de macht van deze bescherming

        geen onheil komen door sterren,

        demonen, boze geesten en slechte planeten.

        Mogen mijn moeilijkheden tenietgaan.

        

        Moge er regen zijn op de juiste tijd.

        Moge er een rijke oogst zijn.

        Moge de wereld tevreden zijn.

        Moge het bestuur rechtschapen zijn.

        

        Door de macht van alle machtige Boeddhas,

        Pacceka-Boeddhas en alle heiligen

        verzeker ik mijn bescherming

        op elke manier.

3.02. De acht verzen over heilzame overwinningen - jayamangala atthagatha (buddhajayamangalagāthā)

Eer aan de Verhevene, de Heilige, de volmaakt Ontwaakte.

Eer aan de Verhevene, de Heilige, de volmaakt Ontwaakte.

Eer aan de Verhevene, de Heilige, de volmaakt Ontwaakte.

1.         Māra de Boze schiep een vorm met duizend handen, met in elke hand een wapen, en toen kwam hij op zijn olifant Grīmekhala samen met zijn leger.

De Heer der wijzen overwon hem door het geven van Dhamma. Moge ik door de macht hiervan heilzame overwinningen behalen.

2.         Erger dan Māra die de hele nacht oorlog voerde, was de schrikaanjagendheid van de demon Ālavaka die ongeduldig en agressief was.

De Heer der wijzen overwon hem door zelfbeheersing en verdraagzaamheid. Moge ik door de macht hiervan heilzame overwinningen behalen.

3.         De edele olifant Nālāgiri werd krankzinnig en angstaanjagend als een bosbrand, een werpwapen of een bliksemstraal.

De Heer der wijzen overwon hem door het sprenkelen van het water van liefdevolle vriendelijkheid. Moge ik door de macht hiervan heilzame overwinningen behalen.

4.         De zeer wrede rover Angulimāla liep met opgeheven zwaard in zijn hand drie mijlen toen hij de Boeddha achtervolgde.

De Heer der wijzen overwon hem door het ontwikkelen van zijn geestelijke krachten. Moge ik door de macht hiervan heilzame overwinningen behalen.

5.         Ciñcā veinsde zwangerschap door een stuk hout aan haar buik te bevestigen. Zij klaagde de Boeddha luid aan bij het volk.

De Heer der wijzen overwon haar met zachtheid en eerbaarheid. Moge ik door de macht hiervan heilzame overwinningen behalen.

6.         Saccaka wiens woorden gewoonlijk verre van waar waren, verkondigde zijn theorieën geheel verblind door de vlag van oneerlijkheid.

De Heer der wijzen overwon hem met het helder stralende licht van wijsheid. Moge ik door de macht hiervan heilzame overwinningen behalen.

7.         De machtige slang Nandopananda die een afwijkende leer aanhing, werd getemd door de ouderling Moggallāna, de zoon van de Boeddha.

De Heer der wijzen overwon die slang door zijn instructie aan Moggallana om geestelijke krachten te tonen. Moge ik door de macht hiervan heilzame overwinningen behalen.

8.         Misleid door zijn eigen bovennatuurlijke geestelijke krachten was de Brahma-god Bakā in de greep van verkeerde meningen, zoals in de greep van een slang die zich stevig om de armen geslingerd heeft.

De Heer der wijzen overwon hem door het toedienen van het elixir van inzicht. Moge ik door de macht hiervan heilzame overwinningen behalen.

Dit zijn de acht verzen van de heilzame overwinningen van de Boeddha. Een wijs en vlijtig persoon zou die verzen elke dag moeten reciteren en in herinnering brengen. Zo zal men de vele soorten gevaren en obstakels te boven komen en de hoogste zegen van bevrijding bereiken.

3.03. Jayaparitta - De victorie bescherming

        De barmhartige Heer heeft de volmaaktheden vervuld voor het heil van alle levende wezens, en hij heeft de uiteindelijke Verlichting bereikt. Moge deze waarheid mij victorie en zegeningen brengen.

        Hij was zegevierend aan de voet van de Bodhi-boom en hij was de bron van vreugde voor de Sakyas. Moge ik aldus zegevierend zijn; moge ik de zegen van overwinning behalen.

        Onverslagen zat hij op de verheven heilige zetel der Waarheid, kreeg er de wijding van alle Boeddhas en verheugde zich in het hoogste doel.

        Steeds wanneer ik iets goeds doe en de heiligen eer, dan is dat als gunstige sterren, gunstige zegeningen, een goede morgen, een gunstig offer, een goed ogenblik, een gunstig moment.

        Verdienstelijke lichamelijke wilsactie is heilzaam. Verdienstelijke verbale wilsactie is heilzaam. Verdienstelijke mentale wilsactie is heilzaam. De verdienstelijke wens is eveneens heilzaam. Steeds wanneer ik verdienstelijke daden verricht, word ik door zulke daden gezegend.

        Mogen alle zegeningen geschieden; mogen de goden hun bescherming geven. Moge ik door de macht van alle Boeddhas gezegend zijn met veiligheid voor alle tijden.

        Mogen alle zegeningen geschieden; mogen de goden hun bescherming geven. Moge ik door de macht van de hele leer gezegend zijn met veiligheid voor alle tijden.

        Mogen alle zegeningen geschieden; mogen de goden hun bescherming geven. Moge ik door de macht van de Ariya-Sangha gezegend zijn met veiligheid voor alle tijden.

3.04. Cullamangalacakkavāla - De kleinere sfeer van zegeningen

        Door de macht van alle Boeddhas, door de macht van alle Dhammas, door de macht van alle Sanghas, door het Boeddha-juweel, door het Dhamma-juweel, door het Sangha-juweel, door de drie Juwelen, door de macht ervan, door de macht van de 84.000 onderdelen van de Dhamma, door de macht van de drie Pitakas, door de macht van de discipelen van de Overwinnaar, - mogen daardoor al onze ziekten, alle gevaren en alle hindernissen voor ons, al ons leed, alle slechte voortekenen en alle onheil voor ons helemaal vernietigd worden.

        Moge lang leven toenemen, moge rijkdom toenemen, moge fortuin toenemen, moge roem toenemen, moge invloed toenemen, moge schoonheid toenemen, moge geluk toenemen, - moge dat alles er steeds zijn.

        Mogen onvoldaanheid, ziekte, vijandschap, verdriet, gevaren en droefheid door de macht hiervan vernietigd worden, moge er geen enkele belemmering meer zijn.

        Mogen overwinning, succes, rijkdom en voordeel, veiligheid, geluk, kracht, fortuin, een lang leven en schoonheid, voorspoed en roem toenemen. Mogen wij oud worden en succes hebben in het leven.

        Mogen alle zegeningen geschieden; mogen de goden hun bescherming geven. Mogen wij door de macht van alle Boeddhas gezegend zijn met veiligheid voor alle tijden.

        Mogen alle zegeningen geschieden; mogen de goden hun bescherming geven. Mogen wij door de macht van de hele leer gezegend zijn met veiligheid voor alle tijden.

        Mogen alle zegeningen geschieden; mogen de goden hun bescherming geven. Mogen wij door de macht van alle Ariya-sanghas gezegend zijn met veiligheid voor alle tijden.

3.05. Goede wensen

Moge alle ongeluk afgeweerd worden,

mogen alle kwalen verdwijnen.

Mogen geen rampen ons overkomen;

mogen wij lang in vrede leven.

Mogen alle zegeningen tot ons komen.

Mogen alle goden ons beschermen.

Door de beschermende macht van alle Boeddhas

mogen wij steeds in veiligheid zijn.

Mogen alle zegeningen tot ons komen.

Mogen alle goden ons beschermen.

Door de beschermende macht van de hele leer

mogen wij steeds in veiligheid zijn.

Mogen alle zegeningen tot ons komen.

Mogen alle goden ons beschermen.

Door de beschermende macht van de hele Orde

mogen wij steeds in veiligheid zijn.

Door de macht van deze paritta

mogen wij vrij zijn van alle gevaren

ontstaan uit schadelijke invloeden van de planeten,

demonen en [boze] geesten.

Moge ons ongeluk verdwijnen.

Mogen door de macht van de Boeddha

alle boze voortekenen en ongelukkige omstandigheden,

de onheilspellende roep van vogels,

de schadelijke conjuncties der sterren

en boze dromen krachteloos worden.

Mogen door de macht van de leer

alle boze voortekenen en ongelukkige omstandigheden,

de onheilspellende roep van vogels,

de schadelijke conjuncties der sterren

en boze dromen krachteloos worden.

Mogen door de macht van de Orde

alle boze voortekenen en ongelukkige omstandigheden,

de onheilspellende roep van vogels,

de schadelijke conjuncties der sterren

en boze dromen krachteloos worden.

Mogen alle wezens die lijden, vrij zijn van lijden.

Mogen alle wezens die bang zijn, vrij zijn van angst.

Mogen alle wezens die verdrietig zijn, vrij zijn van verdriet.

Mogen de regenbuien in het juiste seizoen vallen;

moge er een rijke oogst zijn.

Moge de wereld voorspoedig zijn;

moge het bestuur rechtschapen zijn.

3.06. sāmaññanumodanāgāthā - sāmaññānumodanā-verzen

Moge alle angst en zorg verdreven worden. Mogen alle ziekten verdwijnen. Mogen er geen gevaren voor u zijn. Moge u gelukkig zijn en lang leven.

Moge alle angst en zorg verdreven worden. Mogen alle ziekten verdwijnen. Mogen er geen gevaren voor u zijn. Moge u gelukkig zijn en lang leven.

Moge alle angst en zorg verdreven worden. Mogen alle ziekten verdwijnen. Mogen er geen gevaren voor u zijn. Moge u gelukkig zijn en lang leven.

Bij degene die respect heeft en die steeds de ouderlingen eert, bij hem/haar nemen vier eigenschappen toe: lang leven, schoonheid, geluk en kracht.

3.07. ratanattayānubhāvādighāthā - Verzen over de macht van het Drievoudige Juweel

Mogen door de macht van het Drievoudige Juweel, door de kracht van het Drievoudige Juweel, onvoldaanheid, ziekte, vijandschap, verdriet, gevaren en droefheid zonder overblijfsel vernietigd worden, moge er geen enkele belemmering meer zijn.

Mogen overwinning, succes, rijkdom en voordeel, veiligheid, geluk, kracht, fortuin, een lang leven en schoonheid, voorspoed en roem toenemen. En moge u honderd jaar worden en succes hebben in het leven.

Mogen alle zegeningen geschieden; mogen alle goden hun bescherming geven. Moge u door de macht van alle Boeddhas gezegend zijn met veiligheid voor alle tijden.

Mogen alle zegeningen geschieden; mogen alle goden hun bescherming geven. Moge u door de macht van de gehele leer gezegend zijn met veiligheid voor alle tijden.

Mogen alle zegeningen geschieden; mogen alle goden hun bescherming geven. Moge u door de macht van alle Ariya-sanghas gezegend zijn met veiligheid voor alle tijden.

3.08. anumodanāvidhī – afweer van onheil

Moge alle onheil afgeweerd worden. Mogen alle ziekten verdreven worden. Mogen er geen gevaren voor u zijn. Moge u gelukkig zijn, met een lang leven. Bij degene die respect heeft en die steeds de ouderlingen eert, bij hem/haar nemen vier eigenschappen toe: lang leven, schoonheid, geluk en kracht.

3.09. Overdracht van verdiensten

        Mogen hemelse en aardse wezens,

        Devas en Nagas van grote macht,

        delen in deze verdiensten van ons;

        mogen zij lang de leer beschermen.

        Mogen hemelse en aardse wezens,

        Devas en Nagas van grote macht,

        delen in deze verdiensten van ons;

        mogen zij lang mij en anderen beschermen.

        Mogen alle wezens delen in deze verdiensten

        die wij aldus hebben verworven.

        Moge het grotelijks bijdragen tot hun geluk.

        Mogen mijn gestorven verwanten

        deelhebben aan deze verdiensten;

        mogen zij allen gelukkig zijn.




[1] puñña dhārā', 'stromen van verdienste'. Er wordt gezegd dat men vier stromen van verdienste produceert wanneer men een monnik die in staat is tot het bereiken van onbeperkte bevrijding van het gemoed, met de vier gebruiksvoorwerpen  zoals gewaad, aalmoezen-maaltijd, huisvesting en medicijnen voorziet; verder ook wanneer men vervuld is van onwankelbaar vertrouwen in de Volmaakte, in der leer, in de gemeenschap van de discipelen en volmaakt is in deugdzaamheid. (A. IV. 51-52).

Zie Nyanaponika: Buddhist Dictionary, 4th ed. 1980, p. 180.

[2] geestelijke eigenschappen, indriya, namelijk vertrouwen (saddhā), energie (viriya), oplettendheid (sati), concentratie (samādhi) en wijsheid (paññā). Zie Nyanaponika: Buddhist Dictionary 1980, p. 78.

[3] schatten die waard zijn verworven te worden, zie: Dana, geven, vrijgevigheid : een bloemlezing, hoofdstukken 1 en 2.  

[4] Met de gemeenschap van de heiligen wordt bedoeld de Ariyasangha, de gemeenschap van degenen die het eerste, tweede, derde of vierde niveau van heiligheid bereikt hebben. Tot hen kunnen ook leken behoren.

[5] In hoeverre is de leer zichtbaar, met onmiddellijk resultaat, uitnodigend 'Kom en zie,' naar het doel leidend, begrijpelijk voor de wijze, ieder voor zichzelf? - In zoverre als men weet dat begeerte of haat of onwetendheid of wanneer een met begeerte, haat of onwetendheid verbonden toestand van de geest in iemand is, of in zoverre men weet dat begeerte of haat of onwetendheid of een met begeerte, haat of onwetendheid verbonden toestand van de geest niet in iemand is, in zoverre is de leer zichtbaar, met onmiddellijk resultaat, uitnodigend: 'Kom en zie,' naar het doel leidende, begrijpelijk voor de wijze, ieder voor zich. (A.VI. 47)
  

[6] De vier paren van personen, d.w.z. de personen die het eerste, tweede, derde of vierde niveau van heiligheid bereikt hebben.

[7] Dit heeft volgens het commentaar betrekking op de deugdzaamheid die met de hoge paden en vruchten (van stroomintrede etc) verbonden is. Daarom wordt ze hier als ‘ het hoogste’ omschreven.

[8] dhammā sankhatā; Als 'gevormd' (sankhata) gelden alle materiële en geestelijke vormen van bestaan (sankhāra).

[9] Hier zijn vooral de edele en goede mensen bedoeld die een van de vier niveaus van heiligheid bereikt hebben en wier goede karaktereigenschappen daardoor niet meer verloren kunnen gaan.

[10] M.a.w. hij heeft geen ervaring met de meditatieve verdiepingen.

[11] Degene die vertrouwen volgt zal het eerste niveau van heiligheid bereiken. Bij hem overheerst vertrouwen.

[12] Zie: 03. denken aan het Drievoudige Juweel.

[13] Vimuttimagga p. 152-153.

[14] Onbeïnvloed, d.w.z. zijn deugdzaamheid is niet door begeerte (tanhā) naar winst, eer, wedergeboorte in een hemel beïnvloed, noch door verkeerde meningen (ditthi).

[15] Vimuttimagga p. 152-153.

[16] Vimuttimagga p. 153-154.

[17] idem.

[18] Deze eigenschappen behoren tot de niveaus van heiligheid.

[19] Vimuttimagga, p. 154-155.

.