Facetten van het Boeddhisme


naar Index

10.3. Contemplaties voor rust, kalmte (samatha bhavana)

Inleiding     1. Stilheid, kalmte     2. Vijf overwegingen voor iedereen     3. De tien contemplaties     3.1. Contemplatie over niet bestendigheid     3.1.1. De overweging van het niet tevreden stellende in de vergankelijkheid     3.2. Contemplatie over niet-zelf     3.2.1. De opheffing van de persoonlijkheid     3.3. Contemplatie over de onzuiverheid van het lichaam     3.4. Contemplatie over nadeel (gevaar)     3.5. Contemplatie over het opgeven     3.6. Contemplatie over onthechting     3.7. Contemplatie over beëindiging     3.8. Contemplatie over afkeer van de hele wereld     3.9. Contemplatie over niet-blijvendheid van alle samengestelde dingen     3.10. Oplettendheid bij het in- en uitademen     4. Uitwissing     5. Overweging van de tien paramis (volmaaktheden)     6. Gevaren bij contemplatie     7. Verdere contemplaties  leidende naar kalmte    



Copyright ©  2021 / 2564

Het is toegestaan om elektronisch of in gedrukte vorm fragmenten van deze compilatie of de compilatie in zijn geheel over te nemen voor eigen gebruik, of ook met als doel ze met anderen te delen, uitsluitend voor gratis verspreiding en zonder commercieel oogmerk.



Contemplaties voor rust, kalmte (samatha bhavana)

Inleiding

        Rust, kalmte kan verkregen worden door concentratie op één punt. Als de geest op één punt gericht is, zwerft ze niet meer rond. Wanneer de geest kalm is, wordt ze krachtig. En ze ziet dan de dingen zoals ze werkelijk zijn. De geest kan iemand ziek maken; maar ze kan ook iemand gezond laten blijven. Iemand met een optimistische geest heeft meer kans om beter te worden dan een patiënt die (over)bezorgd is en ongelukkig.

        Juiste concentratie verdrijft verlangens die de geest verstoren en brengt zuiverheid en kalmte van geest. Iemand die concentratie wil beoefenen, moet deugdzaam zijn. Want door deugdzaamheid wordt het geestelijke leven gevoed. Men moet een speciaal onderwerp voor concentratie nemen en dat met oplettendheid in de geest houden. Dan moet men de geest op dat onderwerp richten en ze niet laten rondzwerven. Men moet niet over het onderwerp denken, maar eraan denken.

        Vanzelfsprekend zal de geest rondzwerven, van de hak op de tak springen. Een hond wordt aan de lijn gehouden om te vermijden dat hij te ver weg loopt. Soms snuffelt de hond en blijft even op een plek staan. Maar door de lijn gehinderd moet hij meelopen met de baas. Een gedresseerde hond blijft kort bij de baas lopen. Op commando gaat hij liggen of staat weer op. Evenzo is de geest: de lijn is oplettendheid en de baas is het gekozen onderwerp van concentratie. Als de geest telkens teruggebracht wordt naar het onderwerp van concentratie, zal men geleidelijk de geest bedwingen en er meester over worden. Concentratie is een noodzakelijke basis voor inzicht en wel door de geest te zuiveren van de mentale hindernissen.

1. Stilheid, kalmte

“Zoals in het midden van de zee

        geen golf opkomt, maar alles stil is,

        zo zij men bestendig, stil.

        Zo zij men zonder beweging van wens.

        Moge er in de monnik

        geen enkele opwelling over iets ontstaan.”

              (Sn.IV.14, vers 920)

        Diep beneden in de zee, waar de zee werkelijk diep is, 500, 1000, 2000 meter onder de oppervlakte, is alles stil. Daar zijn geen orkanen, geen stormen. Daar is niets van de drukte en gejaagdheid waardoor de oppervlakte-wateren en zandbanken geteisterd worden.

        Evenzo is het met mensen die de uiteindelijke bevrijding bereikt hebben. Nooit meer is er voor deze heiligen de drukte en opwinding, het verlangen en de angst, de koortsachtige zinloze activiteit van de wereldling.

        De Boeddha adviseerde in bovenstaand vers aan alle monniken om stil, zonder wens te zijn. Dit advies geldt ook voor leken. Hoewel de wereldling de uiteindelijke vrede nog niet heeft bereikt, kan hij of zij door een ijverige ontwikkeling van kalmte als het ware een schaduw van die stilheid ondervinden.

        Waarom moeten wij kalmte ontwikkelen? Het antwoord is eenvoudig. Als men zelf in beweging is, is het moeilijk om de beweging in de omgeving te beoordelen. Als men in een bewegend voertuig zit, schijnt een ander voertuig dat met dezelfde snelheid in dezelfde richting beweegt, stil te staan. Een voorwerp dat in feite stil is, zoals een boom, schijnt te bewegen. De indrukken van iemand op zijn omgeving worden geconditioneerd door die omgeving. En evenzo is het met de geest. Als de geest rusteloos en gejaagd is, is het moeilijk om de diepe eeuwige waarheden te verwerkelijken. Dingen die in feite veranderen, worden als blijvend aanvaard. En dingen die in feite blijvend zijn, zoals de waarheid van vergankelijkheid (anicca), leed, onvoldaanheid (dukkha) en het zijn zonder ego, zonder kern, zonder zelf (anattā), worden helemaal niet gezien. De geest blijft zich haastig bezighouden met veranderende verschijnselen, zó druk en in beslag genomen dat zij niet in staat is om helder of diep of waarheidsgetrouw te zien.

        Daarom adviseerde de Boeddha stilheid. Het hele systeem van meditatie voor kalmte (samatha bhavana), zoals door de Boeddha onderwezen, heeft dit ene object in ogenschouw. Als de geest van alle zinnelijke gedachten gezuiverd is en op een onderwerp van concentratie is gericht, dan wordt ze volkomen stil. Ze wordt dan ook zeer krachtig, zó krachtig dat prestaties als levitatie, helderziendheid, helderhorendheid, gedachten lezen, herinnering aan vroegere levens enz. mogelijk worden. Maar dat zijn zuiver bijproducten van meditatie voor kalmte. Het enige object van zo'n meditatie is stilheid die leidt tot diep, helder, waar inzicht.

        Leken zijn in hun dagelijkse leven gehandicapt wanneer het tot meditatie komt. Het zijn niet zozeer de feitelijke plichten van de leek die moeilijkheden veroorzaken, hoewel deze een groot deel van zijn of haar leven in beslag nemen. Maar de ergste belemmering is zorg, bezorgdheid, piekeren. Wij neigen ertoe te piekeren over wat wij gedaan hebben, over wat wij aan het doen zijn en over wat wij van plan zijn te doen. Wij neigen ertoe te piekeren over wat gebeurt en wat mogelijk zal gebeuren. Dit piekeren, deze zorg is volgens de Boeddha zinloos en dwaas. Het niet-kalme gemoed schept angst, vrees, zorg, overbezorgdheid. Maar de kalme geest ziet de dingen in hun ware proporties. En dat is dan ook het doel van meditatie voor kalmte: om via een rustig en kalm gemoed te komen tot inzicht van de waarheid.

2. Vijf overwegingen voor iedereen

        Een rustig gemoed krijgt men door het vaak overwegen van de volgende vijf onderwerpen. Zij zijn door de Boeddha aanbevolen voor zowel mannelijke en vrouwelijke leken als monniken en nonnen. Die vijf overwegingen zijn:

        'Het is zeker dat ik oud word; ik kan het proces van veroudering niet ontgaan.

        Het is zeker dat ik ziek word; ik kan ziekte niet ontgaan.

        Het is zeker dat ik zal sterven; ik kan de dood niet ontgaan.

        Bij alle dingen die dierbaar en geliefd zijn, zal er verandering komen en er zal scheiding van komen.

        Ik ben de eigenaar van mijn wilsacties en de erfgenaam ervan; mijn daden zijn de moederschoot waaruit ik ontsproot; wilsacties zijn mijn familie en mijn bescherming. Welke daden ik ook zal doen, goede of slechte, ik zal de erfgenaam ervan zijn.'

        Om welke goede reden moeten mannen en vrouwen, leken en monniken en nonnen vaak nadenken over het feit dat zij zeker oud worden en dat zij het proces van veroudering niet kunnen ontgaan?

        Als men jong is, is men trots op de jeugd. Verdwaasd door die jeugdige overmoed leidt men een slecht leven in daden, woorden en gedachten. Maar bij degene die vaak erover nadenkt dat ouderdom zeker is, zal de jeugdige overmoed of helemaal verdwijnen of verzwakken.

        Om deze goede reden moet men vaak nadenken over het ouder worden.

        En om welke goede reden moeten zowel mannelijke en vrouwelijke leken als ook monniken en nonnen vaak nadenken over het feit dat zij zeker ziek worden en dat zij ziekte niet kunnen ontgaan?

        Als men gezond is, is men trots op de gezondheid. Verdwaasd door die trotse houding leidt men een slecht leven in daden, woorden en gedachten. Maar bij degene die vaak erover nadenkt dat ziekte zeker is, zal de overmoed vanwege de goede gezondheid of helemaal verdwijnen of verzwakken.

        Om deze goede reden moet men vaak nadenken over ziekte.

        En om welke goede reden moeten zowel mannelijke en vrouwelijke leken als ook monniken en nonnen vaak nadenken over het feit dat zij zeker zullen sterven en dat zij de dood niet kunnen ontgaan?

        Als men vol leven is, is men trots op het leven. Verdwaasd door die trotse houding leidt men een slecht leven in daden, woorden en gedachten. Maar bij degene die vaak erover nadenkt dat de dood zeker is, zal de overmoed vanwege vol leven te zijn of helemaal verdwijnen of verzwakken.

        Om deze goede reden moet men vaak nadenken over de dood.

        En om welke goede reden moeten zowel mannelijke en vrouwelijke leken als ook monniken en nonnen vaak nadenken over het feit dat er bij alle dierbare mensen en dingen verandering zal komen en dat er een scheiding van zal komen?

        Men heeft een krachtig verlangen naar wat of wie dierbaar en geliefd is. Verdwaasd door verlangen leidt men een slecht leven in daden, woorden en gedachten. Maar bij degene die vaak nadenkt over het feit van verandering en scheiding, zal het krachtige verlangen naar wie of wat dierbaar en geliefd is of helemaal verdwijnen of verzwakken.

        Om deze goede reden moet men vaak nadenken over het feit dat er bij alle dierbare mensen en dingen verandering zal komen en dat er een scheiding van zal komen.

        En om welke goede reden moeten zowel mannelijke en vrouwelijke leken als ook monniken en nonnen vaak nadenken over het feit dat zij eigenaren en erfgenamen zijn van hun wilsacties, dat de daden de moederschoot zijn waaruit zij ontsproten zijn, dat wilsacties hun familie en hun bescherming zijn, en dat wat voor daden zij ook zullen doen, goede of slechte, zij er de erfgenamen van zijn?

        Er zijn mensen die een slecht leven leiden in daden, woorden en gedachten. Maar bij degene die vaak nadenkt over zijn verantwoordelijkheid voor eigen daden, zal zo'n slecht gedrag of helemaal verdwijnen of verzwakken.

        Om deze goede reden moet men vaak nadenken over het feit dat men verantwoordelijk is voor eigen daden.

        De edele volgeling overweegt aldus: 'Ik ben niet de enige die met zekerheid oud en ziek zal worden en zal sterven. Maar waar wezens ook komen en vertrekken, heengaan en weer ontstaan, zij allen zijn onderhevig aan veroudering, ziekte en dood.'

        Bij degene die vaak over deze feiten nadenkt, ontstaat het pad van de niveaus van heiligheid. Regelmatig besteedt hij nu aandacht aan dat pad, ontwikkelt en versterkt het. Zodoende zullen de kluisters geheel verdwijnen en de slechte neigingen zullen ten einde lopen.

        Verder overweegt de edele volgeling aldus: 'Ik ben niet de enige voor wie er verandering is bij wat dierbaar en geliefd is; ik ben niet de enige die de verantwoordelijke eigenaar en erfgenaam is van zijn daden. Maar waar wezens ook komen en vertrekken, heengaan en weer ontstaan, voor allen van hen is er verandering in wat dierbaar en geliefd is. En zij allen zijn eigenaren en erfgenamen van hun daden.'

        Bij degene die vaak over deze feiten nadenkt, ontstaat het pad van de niveaus van heiligheid. Regelmatig besteedt hij nu aandacht aan dat pad, ontwikkelt en versterkt het. Zodoende zullen de kluisters geheel verdwijnen en de slechte neigingen zullen ten einde lopen."

        “Van wezens die onderhevig zijn aan ouderdom, ziekte en dood, heeft de wereldling een afkeer. Maar liever moet hij of zij denken:

        'Als ik weerzin voel ten opzichte van wezens met een dergelijke aard, dan is dat niet juist voor mij want ik ben van dezelfde aard. Terwijl ik met zulke gedachten vertoef en weet heb van Nibbāna's onbezwaarde staat, zal ik die drievoudige trots bij gezondheid en jeugd en overdaad van leven helemaal verslaan. Met het oog gericht op Nibbāna ontstond vurige ijver in mij: Nu kan ik nooit voor zinsverlangens zwichten. Een niet-meer-wederkerende zal ik worden. Het heilige leven is nu mijn hoogste doel.'

3. De tien contemplaties

        Toen de eerwaarde Girimananda erg ziek was, kreeg de eerwaarde Ananda van de Boeddha de volgende tien contemplaties. Die zou hij bij het ziekbed opzeggen. Na het horen ervan zou de ziekte van de eerwaarde Girimananda verdwijnen.

        Nadat hij die tien contemplaties van de Gezegende geleerd had, bezocht de eerwaarde Ānanda de eerwaarde Girimānanda en zei hem de tien contemplaties op. Toen de eerwaarde Girimānanda ze had vernomen, was zijn ziekte onmiddellijk genezen. Hij herstelde en zo verdween de ziekte van de eerwaarde Girimānanda. (A.X.60)

        Die tien contemplaties zijn:

1) Contemplatie over niet-bestendigheid.

2) Contemplatie over niet-zelf.

3) Contemplatie over walgelijkheid, over de onzuiverheid van het lichaam.

4) Contemplatie over nadeel (gevaar).

5) Contemplatie over het opgeven (het afzien).

6) Contemplatie over onthechting (zich afzonderen).

7) Contemplatie over beëindiging.

8) Contemplatie over afkeer van de hele wereld.

9) Contemplatie over niet-blijvendheid van alle samengestelde dingen.

10) Oplettendheid bij het in- en uitademen.

3.1. Contemplatie over niet-bestendigheid

        Bij contemplatie over niet-bestendigheid, vergankelijkheid, gaat men naar een rustige plek en men overweegt er aldus: ‘Materie (vorm) is niet bestendig; gevoel of gewaarwording is niet bestendig; waarneming is niet bestendig; geestelijke formaties zijn niet bestendig; bewustzijn is niet bestendig.’ (A.X.60)

        Wie onder de monniken vaak de overweging koestert van de vergankelijkheid, diens geest deinst terug voor winst, eer en roem, wendt zich af, keert zich af, voelt zich niet aangetrokken; en gelijkmoedigheid of walging ontstaat. (A.VII. 45-46)

[Meer over niet-bestendigheid, zie: De drie aspecten van het leven, 2. anicca]

3.1.1. De overweging van het niet tevreden stellende in de vergankelijkheid

        Monniken, wie onder de monniken zich vaak bezig houdt met de overweging van het niet tevreden stellende in de vergankelijkheid, die heeft met betrekking tot de luiheid, traagheid, slapheid, inactiviteit en onnadenkendheid de sterkste overwegingen van het gevaar voor ogen, juist zoals voor een moordenaar met een getrokken zwaard. Zijn geest deinst terug voor het niet tevreden stellende in de vergankelijkheid, wendt zich af, keert zich af, voelt zich niet aangetrokken; en gelijkmoedigheid of walging ontstaat. (A.VII. 45-46)

        Deze overweging, ontplooid en vaak geoefend, brengt hoog loon en zegen, mondt uit in het doodloze, eindigt in het doodloze. (A.V.61-62; A.VII.45-46)

3.2. Contemplatie over niet-zelf

        Bij contemplatie over niet-zelf gaat men naar een rustige plek en men overweegt er aldus: ‘Het oog is niet-zelf, zichtbare objecten zijn niet-zelf; het oor is niet-zelf; geluiden zijn niet-zelf; de neus is niet-zelf, geuren zijn niet-zelf; de tong is niet-zelf, smaken zijn niet-zelf; het lichaam is niet-zelf, lichamelijke contacten (tastbare objecten) zijn niet-zelf; de geest is niet-zelf, mentale objecten zijn niet-zelf.’ Aldus blijft men niet-zelf beschouwen in deze inwendige en uitwendige grondslagen. (A.X.60)

[Meer over niet-zelf, zie: De drie aspecten van het leven, 3. anatta.]

3.2.1. De opheffing van de persoonlijkheid

        Dit is het pad dat naar de opheffing van de persoonlijkheid leidt, namelijk:

Men denkt: ‘Het oog, de vormen, het zienbewustzijn, het ziencontact, het gevoel, de dorst - dat is niet van mij, dat ben ik niet, dat is niet mijn zelf.’

Men denkt: ‘Het oor, de geluiden, het hoorbewustzijn, het hoorcontact, het gevoel, de dorst - dat is niet van mij, dat ben ik niet, dat is niet mijn zelf.’

Men denkt: ‘De neus, de geuren, het ruikbewustzijn, het ruikcontact, het gevoel, de dorst - dat is niet van mij, dat ben ik niet, dat is niet mijn zelf.’

Men denkt: ‘De tong, de smaken, het smaakbewustzijn, het smaakcontact, het gevoel, de dorst - dat is niet van mij, dat ben ik niet, dat is niet mijn zelf.’

Men denkt: ‘Het lichaam, de aanrakingen, het aanrakingsbewustzijn, het aanrakingscontact, het gevoel, de dorst - dat is niet van mij, dat ben ik niet, dat is niet mijn zelf.’

Men denkt: ‘De geest, de gedachten, het denkbewustzijn, het denkcontact, het gevoel, de dorst, - dat is niet van mij, dat ben ik niet, dat is niet mijn zelf.’

[Zo is het pad dat naar de opheffing van de persoonlijkheid leidt].

‘Door het oog en de vormen ontstaat het zienbewustzijn; de inslag van die drie geeft contact; door het contact ontstaat een gevoel van welzijn of van wee of noch van wee noch van welzijn. Door een aangenaam gevoel getroffen ervaart men vreugde, bevrediging, vermaak eraan; en een begeerlijke impuls komt bij iemand op. Door een onaangenaam gevoel getroffen wordt men verdrietig, beklemd, men jammert, slaat zich steunend op de borst, raakt in wanhoop, en een impuls van tegenzin komt bij iemand op. Door een noch onaangenaam noch aangenaam gevoel getroffen kan men het begin en vergaan, lafenis en ellende en overwinning van deze ervaring niet overeenkomstig de waarheid begrijpen; en een onwetende impuls komt bij iemand op. Maar dat iemand, die bij aangename gevoelens een begeerlijke impuls niet heeft verloochend, die bij onaangename gevoelens een impuls van tegenzin niet heeft afgewezen, die bij noch onaangename noch aangename gevoelens een onwetende impuls niet heeft uitgewist, onwetendheid niet heeft verloren, weten niet heeft verworven, - dat die persoon nog tijdens zijn leven een einde kan maken aan het niet tevreden stellende, het lijden: dat is onmogelijk.

Door het gehoor en de geluiden ontstaat het hoorbewustzijn; door het ruikzintuig en de geuren ontstaat het ruikbewustzijn; door het smaakzintuig en de smaken ontstaat het smaakbewustzijn; door de tastzin en de aanrakingen ontstaat het aanrakingsbewustzijn; door het denken en de gedachten ontstaat het denkbewustzijn; - de inslag van die drie geeft contact, door het contact ontstaat een gevoel van welzijn of van wee of noch van wee noch van welzijn. Door een aangenaam gevoel getroffen ervaart men vreugde, bevrediging, vermaak eraan; en een begeerlijke impuls komt bij iemand op. Door een onaangenaam gevoel getroffen wordt men verdrietig, beklemd, men jammert, slaat zich steunend op de borst, raakt in wanhoop, en een impuls van tegenzin komt bij iemand op. Door een noch onaangenaam noch aangenaam gevoel getroffen kan men het begin en vergaan, lafenis en ellende en overwinning van dat gevoel niet overeenkomstig de waarheid begrijpen; en een onwetende impuls komt bij iemand op. Maar dat iemand, die bij aangename gevoelens een begeerlijke impuls niet heeft verloochend, die bij onaangename gevoelens een impuls van tegenzin niet heeft afgewezen, die bij noch onaangename noch aangename gevoelens een onwetende impuls niet heeft uitgewist, onwetendheid niet heeft verloren, weten niet heeft verworven, - dat die persoon nog tijdens zijn leven een einde zal maken aan het niet tevreden stellende, het lijden: dat is onmogelijk.

‘Door het oog en de vormen ontstaat het zienbewustzijn; de inslag van die drie geeft contact; door het contact ontstaat een gevoel van welzijn of van wee of noch van wee noch van welzijn. Door een aangenaam gevoel getroffen ervaart men geen vreugde, geen bevrediging, geen vermaak eraan; en een begeerlijke impuls komt niet bij iemand op. Door een onaangenaam gevoel getroffen wordt men niet verdrietig, niet beklemd, men jammert niet, slaat zich niet steunend op de borst, raakt niet in wanhoop, en een impuls van tegenzin komt niet bij iemand op. Door een noch onaangenaam noch aangenaam gevoel getroffen kan men het begin en vergaan, lafenis en ellende en overwinning van dat gevoel overeenkomstig de waarheid begrijpen; en een onwetende impuls komt niet bij iemand op. Maar dat iemand, die bij aangename gevoelens een begeerlijke impuls heeft verloochend, die bij onaangename gevoelens een impuls van tegenzin heeft afgewezen, die bij noch onaangename noch aangename gevoelens een onwetende impuls heeft uitgewist, onwetendheid heeft verloren, weten heeft verworven, - dat die persoon nog tijdens zijn leven een einde zal maken aan het niet tevreden stellende, het lijden: dat is mogelijk.

Door het gehoor en de geluiden ontstaat het hoorbewustzijn; door het ruikzintuig en de geuren ontstaat het ruikbewustzijn; door het smaakzintuig en de smaken ontstaat het smaakbewustzijn; door de tastzin en de aanrakingen ontstaat het aanrakingsbewustzijn; door het denken en de gedachten ontstaat het denkbewustzijn; - de inslag van die drie geeft contact, door het contact ontstaat een gevoel van welzijn of van wee of noch van wee noch van welzijn. Door een aangenaam gevoel getroffen ervaart men geen vreugde, geen bevrediging, geen vermaak eraan; en een begeerlijke impuls komt niet bij iemand op. Door een onaangenaam gevoel getroffen wordt men niet verdrietig, niet beklemd, men jammert niet, slaat zich niet steunend op de borst, raakt niet in wanhoop, en een impuls van tegenzin komt niet bij iemand op. Door een noch onaangenaam noch aangenaam gevoel getroffen kan men het begin en vergaan, lafenis en ellende en overwinning van dat gevoel overeenkomstig de waarheid begrijpen; en een onwetende impuls komt niet bij iemand op. Maar dat iemand, die bij aangename gevoelens een begeerlijke impuls heeft verloochend, die bij onaangename gevoelens een impuls van tegenzin heeft afgewezen, die bij noch onaangename noch aangename gevoelens een onwetende impuls heeft uitgewist, onwetendheid heeft verloren, weten heeft verworven, - dat die persoon nog tijdens zijn leven een einde zal maken aan het niet tevreden stellende, het lijden: dat is mogelijk.

Bij een dergelijke overweging krijgt de ervaren heilige discipel een tegenzin van het oog, van de vormen, van het zienbewustzijn, van ziencontact, van gevoel, van de dorst. Hij krijgt een tegenzin van het oor, van de geluiden, van het hoorbewustzijn, van hoorcontact, van gevoel, van de dorst. Hij krijgt een tegenzin van de neus, van de geuren, van het ruikbewustzijn, van het ruikcontact, van het gevoel, van de dorst. Hij krijgt een tegenzin van de tong, van de smaken, van het smaakbewustzijn, van het smaakcontact, van het gevoel, van de dorst. Hij krijgt een tegenzin van het lichaam, van de aanrakingen, van het aanrakingsbewustzijn, van het aanrakingscontact, van het gevoel, van de dorst. Hij krijgt een tegenzin van de geest, van de gedachten, van het denkbewustzijn, van het denkcontact, van het gevoel, van de dorst.

Door de tegenzin wendt hij zich ervan af. Afgewend maakt hij zich ervan vrij. ‘In de bevrijde is de bevrijding,’ dit inzicht ontstaat. ‘Opgedroogd is de geboorte, het heilige leven is volbracht, de taak is gedaan, deze wereld is niet meer,’ zo begrijpt hij dan.”

(M.148. Chachakka sutta)

Kortom, de zintuigen zijn niet zelf, ze ontstaan en vergaan. De zintuiglijke objecten zijn niet zelf, ze ontstaan en vergaan. Het bewustzijn, ontstaan door contact van zintuig en object, is niet zelf, het ontstaat en vergaat. Het contact tussen zintuig en object is niet zelf, het ontstaat en vergaat. Het gevoel ontstaan door contact tussen zintuig en object is niet zelf, het ontstaat en vergaat. De dorst ontstaan door het gevoel, is niet zelf, die ontstaat en vergaat. Dat is niet van mij, dat ben ik niet, dat is niet mijn zelf. - Zo weet men dan, zo ziet men in. En men hecht nergens meer aan. Wanneer men onthecht is, is men vrij.

        Monniken, wie bij de monniken zich vaak bezig houdt met de overweging van de ikloosheid in het lijden, diens geest is met betrekking tot dit met bewustzijn voorziene lichaam en ook alle externe objecten, vrij van de eigendunk van het ik en mijn, is aan de eigendunk ontkomen, uitgedoofd, volledig bevrijd. (A.VII. 45-46)

        Deze overweging, ontplooid en vaak geoefend, brengt hoog loon en zegen, mondt uit in het doodloze, eindigt in het doodloze. (A.V.61-62; A.VII.45-46)

        Monniken, wanneer nu bij een monnik die zich vaak bezig houdt met de overweging van de ikloosheid in het niet tevreden stellende, het lijden, met betrekking tot dit met bewustzijn voorziene lichaam en ook met alle externe objecten, de geest niet vrij is van de eigendunk van het ik en mijn, niet aan de eigendunk ontkomen is, niet uitgedoofd en volledig bevrijd is, dan zou de monnik moeten weten: 'Nog onontplooid is in mij de overweging van de ikloosheid in het niet tevreden stellende, het lijden. Tussen vroeger en nu is er in mij geen verschil. Ik heb de vrucht van meditatie nog niet gewonnen.' Zo is hij zich daarvan duidelijk bewust. (A.VII.45-46)

        Monniken, maar wanneer bij een monnik die zich vaak bezig houdt met de overweging van de ikloosheid in het niet tevreden stellende, het lijden, met betrekking tot dit met bewustzijn voorziene lichaam en ook met alle externe objecten, de geest vrij is van de eigendunk van het ik en mijn, aan de eigendunk ontkomen is, uitgedoofd en geheel bevrijd, dan moet de monnik weten: 'Ontplooid is in mij de overweging van de ikloosheid in het niet tevreden stellende, het lijden. Er is een verschil in mij tussen vroeger en nu. De vrucht van de meditatie heb ik gewonnen.' Zo hij is zich daarvan duidelijk bewust. (A.VII. 45-46)

        

3.3. Contemplatie over de onzuiverheid van het lichaam

Bij de contemplatie over walgelijkheid, onzuiverheid van het lichaam beschouwt men dit lichaam van top tot teen, vanaf de voetzolen opwaarts, vanaf de punten van het hoofdhaar neerwaarts. Men beschouwt dit lichaam dat met huid overgoten is, zoals het vol is van vele soorten onzuiverheden. Men overweegt aldus:

“Dit lichaam is begrensd binnen de huid en is vol van menigerlei onzuiverheden, van top tot teen. Dit lichaam bestaat uit: hoofdharen, lichaamsharen, nagels, tanden, huid, vlees, spieren, zenuwen, pezen, beenderen, beenmerg, nieren, hart, lever, borstvlies, milt, longen, darmen, buikvlies, maag, uitwerpselen, gal, slijm, etter, bloed, zweet, vet, tranen, lymfe, speeksel, neusvocht, gewrichtsvloeistof, urine en de hersenen.” (M.119; Khp.III; D.II.293; M.I.57; A.X.60).

        Door beenderen en spieren verbonden, met vlees en weefsel bevuild, en bedekt door de huid, maar niet zoals het werkelijk is, zo schijnt het lichaam. De dwaas acht het mooi; zijn onwetendheid misleidt hem. De huid is slechts de verpakking van het walgelijke.

        Mijn lichaam is bedekt met een huid, gevuld met veel onzuiverheden. Het is een voorbijgaande combinatie van elementen, voedsel voor wormen, een skelet.

        Het lichaam is als een zak van huid, gevuld met vlees en beenderen.

3.4. Contemplatie over nadeel (gevaar)

Contemplatie over nadeel (gevaar) bestaat hierin: men gaat naar een rustige plek en overweegt er aldus: ‘Talrijk zijn de kwalen, talrijk zijn de nadelen (gevaren) van dit lichaam. Want in dit lichaam ontstaan verschillende ziektes, zoals oogziekte, oorziekte, neusziekte, tongziekte, lichaamsziekte, hoofdpijn, de bof,[1] mondziekte, tandpijn, hoest, astma, verkoudheid, brandend maagzuur, koorts, maagkwalen, flauwte, dysenterie, gezwel, koliek, melaatsheid, steenpuist, klierziekte, tuberculose, vallende ziekte, ringworm, jeuk, huiduitslag, roos op het hoofd, puistjes, oververzadigdheid, suikerziekte, aambeien, kanker, etterkanaal (fistel), en ziektes ontstaan uit gal, uit slijm, uit winden, uit conflicten van de lichaamsvochten, uit weersveranderingen, uit ongunstige omstandigheden (onjuist gedrag), ziektes ontstaan door opzet van anderen, ziektes ontstaan uit resultaten van wilsacties,[2] en verder koude, hitte, honger, dorst, uitwerpselen en urine.’ Aldus blijft men nadeel (gevaar) beschouwen in dit lichaam. (A.X.60)

3.5. Contemplatie over het opgeven (het afzien)

        Bij contemplatie over opgeven (vernietiging van de smetten) staat men geen gedachte van zinsverlangen toe die in iemand is ontstaan. Maar men geeft ze op, verdrijft ze, maakt er een einde aan en vernietigt ze. Men staat geen gedachte van kwaadwil toe die in iemand is ontstaan. Maar men geeft ze op, verdrijft ze, maakt er een einde aan en vernietigt ze. Men staat geen gedachte van wreedheid toe die in iemand is ontstaan. Maar men geeft ze op, verdrijft ze, maakt er een einde aan en vernietigt ze. Men staat geen euvele, onheilzame gemoedstoestanden toe die in iemand van tijd tot tijd ontstaan. Maar men geeft ze op, verdrijft ze, maakt er een einde aan en vernietigt ze. (A.X.60)

3.6. Contemplatie over onthechting

        Bij contemplatie over onthechting overweegt men aldus: “Dit is vredig, dit is verheven, namelijk het tot stilstand komen van alle grondslagen van bestaan, de uitdoving van begeerte, onthechting, Nibbāna.” (A.X.60)

3.7. Contemplatie over beëindiging

        Contemplatie over beëindiging is aldus: men gaat naar een rustige plek en overweegt er aldus: “Dit is vredig, dit is verheven, namelijk het tot stilstand komen van alle samengestelde dingen, het opgeven van alle grondslagen van bestaan, de uitdoving van begeerte, beëindiging, Nibbāna.” (A.X.60)

        Deze contemplatie behoort tot de elementen van de Verlichting (bodhipakkhiya-dhamma) (A.I.35)

3.8. Contemplatie over afkeer van de hele wereld

        

        Contemplatie over afkeer van de hele wereld bestaat hierin: men geeft de betrokkenheid met deze wereld op. Men geeft het hechten aan deze wereld op. Men geeft geestelijke vooroordelen, verkeerde meningen en verborgen neigingen betreffende deze wereld op. En doordat men er niet naar verlangt maar ze opgeeft, daardoor wordt men onthecht (vrij). (A.X.60)

        Wie onder de monniken vaak de overweging koestert van het onaantrekkelijke van het hele bestaan, diens geest deinst terug voor wereldlijke gedachten, wendt zich af, keert zich af, voelt zich niet aangetrokken; en gelijkmoedigheid of walging ontstaat. (A.VII. 45-46)

        Deze overweging, ontplooid en vaak geoefend, brengt hoog loon en zegen, mondt uit in het doodloze, eindigt in het doodloze. (A.V.61-62; A.VII.45-46)

3.9. Contemplatie over niet-blijvendheid van alle samengestelde dingen

        

        Contemplatie over niet-blijvendheid van alle samengestelde geestelijke dingen bestaat hierin: men is teleurgesteld en misselijk van alle samengestelde geestelijke dingen, men is ze beu. (A.X.60)

3.10. Oplettendheid bij het in- en uitademen

        Deze contemplatie is uitvoerig behandeld in:

Oplettendheid bij het in- en uitademen (Concentratie op de ademhaling)  

4. Uitwissing

        Een kalm gemoed kan men ook krijgen door de overweging over uitwissing.

        Eens verbleef de Verhevene te Savatthi, in het Jetavana-klooster. Daar gaf hij aan de eerwaarde Cunda het volgende onderricht:

        "Cunda, het kan zijn dat de een of andere monnik vertoeft in een van de vier jhanas, meditatieve verdiepingen en dat hij dan denkt: 'Ik vertoef in uitwissing.' Maar dat is niet zo. In de discipline van de Edelen heet zoiets: 'vertoeven op z'n gemak hier en nu.'

        "Cunda, het kan zijn dat de een of andere monnik vertoeft in de meditatieve verdieping van oneindige ruimte, oneindig bewustzijn, de sfeer van nietsheid of de sfeer van noch waarneming noch niet waarneming. Hij kan dan denken: 'Ik vertoef in uitwissing.' Maar dat is niet zo. In de discipline van de Edelen heet zoiets: 'vertoeven in vrede.'

        Maar Cunda, hierin moet uitwissing geoefend worden:

        

        Anderen kunnen kwaad doen, maar ik zal argeloos worden en geen kwaad doen.

        Anderen kunnen levende wezens doden, maar ik zal afzien van het doden en kwellen van levende wezens.

        Anderen kunnen nemen wat niet is gegeven, maar ik zal afzien van het nemen wat niet is gegeven.

        Anderen kunnen onkuis leven, maar ik zal kuis leven.

        Anderen kunnen valse getuigenis afleggen en liegen, maar ik zal afzien van valse getuigenis en van liegen.

        Anderen kunnen lasteren, maar ik zal afzien van lasterpraat.

        Anderen kunnen ruwe taal bezigen, maar ik zal afzien van het gebruik van ruwe taal.

        Anderen kunnen zich overgeven aan roddelpraatjes, maar ik zal afzien van geroddel.

        Anderen kunnen hebzuchtig zijn, maar ik zal niet hebzuchtig zijn.

        Anderen kunnen gedachten van kwaadwil hebben, maar ik zal geen gedachten van kwaadwil hebben.

        Anderen kunnen verkeerde visies hebben, maar ik zal juiste visies hebben.

        Anderen kunnen verkeerde bedoelingen hebben, maar ik zal juiste bedoelingen hebben.

        Anderen kunnen verkeerde taal gebruiken, maar ik zal juiste taal gebruiken.

        Anderen kunnen verkeerde daden verrichten, maar ik zal juiste daden verrichten.

        Anderen kunnen een verkeerd levensonderhoud hebben, maar ik zal een juist levensonderhoud hebben.

        Anderen kunnen verkeerde inspanning doen, maar ik zal juiste inspanning doen.

        Anderen kunnen verkeerde oplettendheid hebben, maar ik zal juiste oplettendheid hebben.

        Anderen kunnen verkeerde concentratie hebben, maar ik zal juiste concentratie hebben.

        Anderen kunnen verkeerde kennis en verkeerd weten hebben, maar ik zal juiste kennis en juist weten hebben.

        Anderen kunnen verkeerde bevrijding hebben, maar ik zal juiste bevrijding hebben.

        Anderen kunnen overweldigd zijn door traagheid en starheid, maar ik zal vrij zijn van traagheid en starheid.

        Anderen kunnen opgewonden en rusteloos zijn, maar ik zal niet opgewonden en niet rusteloos zijn.

        Anderen kunnen twijfelen, maar ik zal vrij zijn van twijfel.

        Anderen kunnen boos zijn, maar ik zal niet boos zijn.

        Anderen kunnen vijandig zijn, maar ik zal niet vijandig zijn.

        Anderen kunnen kleineren en verachten, maar ik zal niet kleineren en niet verachten.

        Anderen kunnen overheersen en heerszuchtig zijn, maar ik zal niet overheersen en niet heerszuchtig zijn.

        Anderen kunnen afgunstig en vol nijd zijn, maar ik zal niet afgunstig en niet vol nijd zijn.

        Anderen kunnen jaloers zijn, maar ik zal niet jaloers zijn.

        Anderen kunnen bedriegen, maar ik zal niet bedriegen.

        Anderen kunnen huichelaars zijn, maar ik zal geen huichelaar zijn.

        Anderen kunnen koppig zijn, maar ik zal niet koppig zijn en niet verstokt.

        Anderen kunnen hoogmoedig zijn, maar ik zal niet hoogmoedig zijn.

        Anderen kunnen moeilijk te vermanen zijn en onhandelbaar, maar ik zal gemakkelijk te vermanen zijn en handelbaar.

        Anderen kunnen slechte vrienden hebben, maar ik zal edele vrienden hebben.

        Anderen kunnen nalatig en onoplettend zijn, maar ik zal oplettend en achtzaam zijn.

        Anderen kunnen onbetrouwbaar zijn, maar ik zal betrouwbaar zijn.

        Anderen kunnen zonder schaamte zijn, maar ik zal vol schaamte zijn.

        Anderen kunnen gewetenloos zijn, maar ik zal gewetensvol zijn.

        Anderen kunnen zonder leren zijn, maar ik zal veel leren.

        Anderen kunnen lui zijn, maar ik zal energiek zijn.

        Anderen kunnen gebrek hebben aan oplettendheid, maar ik zal gevestigd zijn in oplettendheid.

        Anderen kunnen zonder wijsheid zijn, maar ik zal begiftigd zijn met wijsheid.

        Anderen kunnen een verkeerd begrip hebben overeenkomstig hun persoonlijke opvattingen, kunnen daar vast aan houden en het niet gemakkelijk verwerpen, maar ik zal geen verkeerd begrip hebben overeenkomstig persoonlijke opvattingen, ik zal daar niet vast aan houden en zal het met gemak verwerpen.

        Zó moet geoefend worden. (M.8) [3]

        Kortom, anderen kunnen verkeerde wilsacties verrichten in daad, woord en gedachten, maar ik zal vrij zijn van verkeerde wilsacties in daad, woord en gedachten. Zó moet geoefend worden.

5. Overweging van de tien paramis (volmaaktheden)

1.   Moge ik vrijgevig, edelmoedig en behulpzaam zijn.

2.   Moge ik zuiver, deugdzaam en wel-gedisciplineerd zijn.

3.   Moge ik niet egoïstisch en hebzuchtig zijn, maar onzelfzuchtig en opofferend.

4.   Moge ik wijs zijn en moge ik in staat zijn om het voordeel van mijn kennis aan anderen te geven.

5.   Moge ik ijverig, energiek en volhardend zijn.

6.   Moge ik geduldig en verdraagzaam zijn; moge ik in staat zijn om het verkeerde van anderen te dragen en te verduren.

7.   Moge ik eerlijk en waarheidsgetrouw zijn.

8.   Moge ik standvastig en vastbesloten zijn.

9.   Moge ik welwillend, mededogend en vriendelijk zijn.

10. Moge ik nederig, kalm, rustig, onverstoorbaar en vredig zijn.

        Moge ik dienen om volmaakt te worden; moge ik volmaakt worden om te dienen.

6. Gevaren bij contemplatie

Vitakkasanthāna sutta (M.20)

        De Boeddha onderwijst er vijf methoden om onheilzame gedachten te verdrijven die tijdens het mediteren kunnen ontstaan.

        Men moet slechte gedachten opgeven en goede gedachten ontwikkelen. Men moet over de nadelen van slechte gedachten nadenken. Men moet niet toestaan dat de geest zich wendt tot slechte gedachten. Men moet erover nadenken hoe gedachten ontstaan. En men moet zich oefenen in zelfbeheersing.

        Als slechte, onheilzame gedachten ontstaan, moet men de opmerkzaamheid richten op goede, heilzame gedachten. Als dan nog slechte, onheilzame gedachten ontstaan, moet men het gevaar in die gedachten onderzoeken: ze zijn onheilzaam, zijn te berispen, hebben lijden tot resultaat. Als dan nog slechte, onheilzame gedachten ontstaan, moet men proberen die gedachten te vergeten; men moet er geen acht op slaan. Als dan nog slechte, onheilzame gedachten ontstaan, moet men de opmerkzaamheid richten op het tot stilstand komen van de vorming van die gedachten. Als dan nog slechte, onheilzame gedachten ontstaan, moet men met inspanning de geest bedwingen. Met het overwinnen van die onheilzame gedachten wordt de geest innerlijk gevestigd, gekalmeerd en geconcentreerd. Wat men wil denken, die gedachten zal men denken; en wat men niet wil denken, die gedachten zal men niet denken.

7. Verdere contemplaties leidende naar kalmte

        Verdere contemplaties die leiden naar kalmte, zijn:

7.1. Contemplatie over de dood 

7.2. De vier edele waarheden

7.3. Oorzakelijk ontstaan en opheffing van het lijden



[1] de bof = ontsteking van de oorspeekselklier.

[2] M.a.w. door eigen verschulden.

[3] The Discourse on Effacement (Sallekha Sutta), Maj. Nik. 8, in: Nyânaponika Thera (ed.): The Simile of the Cloth and The Discourse on Effacement. Two Discourses of the Buddha from the Majjhima-Nikâya. Kandy 1964, Wheel Publication 61/62, p. 30-42.